Heilige Christodoulos de Wonderdoener

Heiligenleven

 Heilige Christodoulos de Wonderdoener

 

Chrystobulos van Patmos 11

De heilige Christodoulos de Wonderdoener was afkomstig uit de buurt van Nicea omstreeks 1020. Van jongsaf leefde in hem de wens om monnik te worden en zijn ouders, die dit niet wilden, besloten hem zo vroeg mogelijk te laten trouwen. Toen de jongen dit bemerkte, ontvluchtte hij heimelijk zijn ouderlijk huis en ging naar de Olymposberg, eveneens in Bitthynië, een beroemd monnikencentrum. Daar ontving Johannes de naam Christodoulos en hij leerde de praktijk van het monniksleven.

Toen enkele jaren later zijn geestelijke vader gestorven was, maakte Christodoulos een grote pelgrimsreis van Rome tot Palestina, en daar ging hij als monnik naar een van de woestijnkloosters. Nu het byzantijnse rijk zwak was geworden, en dit gebied niet meer kon beschermen, werden die kloosters telkens weer lastig gevallen door roversbenden die veel monniken vermoordden en anderen als slaaf verkochten. Christodoulos wist met enkele anderen te ontsnappen, zij trokken naar een ander monnikencentrum, de berg Latra bij Milete.

De combinatie van leiderstalent en heilig leven in zijn persoon trok de aandacht, en de monniken wilden hem tot abt over de gehele gemeenschap maken. Hij weigerde, maar kreeg toen van de patriarch van Constantinopel de opdracht die taak te aanvaarden, en deze stelde hem tevens aan tot archimandriet, belast met het toezicht over alle kloosters van die provincie.

Maar hier herhaalde zich de treurige geschiedenis : piraten, moord, gevangenschap. En opnieuw deed het praktisch verstand van Christodoulos zich gelden, zodat hij met de zijnen kon ontvluchten. Hij trok nu rond op zoek naar eenzaamheid, en vond toen het eiland Patmos, dat aan zijn verlangen beantwoordde : grote onherbergzaamheid en, vooral, de aanwezigheid van de grot waar de apostel Johannes de Apocalyps had geschreven.

Hij ging naar Constantinopel om een vestigingsoorkonde te vragen, maar de keizer verzocht hem om het klooster op de Zagora aan de Hellespont onder zijn hoede te nemen. Christodoulos loste dit slim op door te zeggen dat zij dan eerst moesten beloven zich te houden aan de strikte Regel die hij zou invoeren. Zoals hij voorzien had, vonden de monniken deze regel veel te streng, en zo kreeg hij de handen vrij. De keizer (Alexios Kommenos) verleende de verlangde bul met vrijstelling van de keizerlijke belasting en de toezegging van een jaarlijks geschenk van broodgraan. Hij kreeg ook geld en arbeiders mee, zodat direct kon worden begonnen met de bouw van een kerk, toegewijd aan de heilige Johannes de Evangelist. Om allen aan te sporen deed hij zelf mee aan de zware handenarbeid, zonder af te zien van zijn strenge vasten en lange gebedsuren.

Onder Gods zegen vorderde de bouw voorspoedig, en tijdens een droogteperiode met voedselgebrek vermeerderden zich de rantsoenen op het gebed van de heilige. Maar aan die gelukkige toestand kwam opnieuw een einde : nu waren het de Noormannen die zelfs tot hier doordrongen op hun plundertochten. En  weer besloot Christodoulos te vluchten, en hij gaf opdracht de gehele voedselvoorraad aan de armen uit te delen. Pas na herhaald aandringen gaven de angstig bezorgde monniken gehoor. Toen zij echter een veilig toevluchtsoord hadden gevonden op het eiland Euboia, was er direct iemand die een heel schip graan ter beschikking stelde.

Na verloop van tijd begonnen er geregelder toestanden te heersen en de plundertochten  namen een einde. Christodoulos was intussen oud geworden, maar hij drong er bij zijn monniken op aan weer terug te keren naar het klooster dat zij met zoveel moeite hadden opgebouwd op Patmos en daar de verering van de heilige Johannes levend te houden. Zijn wens was dat ook zijn gebeente daar zou rusten. Zijn lichaam werd inderdaad overgebracht, na zijn dood in 1094. Er werd een kerkje gebouwd voor zijn relieken, waar vele wonderen geschiedden.

 

Uit : Heiligenlevens voor elke dag – uitg. Orth.Klooster heilige Johannes de Doper – Den Haag

Heiligenleven : Heilige Gregorius de Grote

Heiligenleven

 

De heilige Gregorius de Grote

Paus van het oude Rome

Geboren in 540

 

Gregorios de grote 813

 

Gregorius stamde uit een beroemd senatorengeslacht. Hij was een jongeman van bijzondere geestkracht en werd aangesteld tot praetor van Rome in een bijzonder moeilijke tijd door de voortdurende invallen van de barbaren, met onvoldoende steun vanuit Byzantium. Hij won de harten van het volk door zijn manier van optreden en voerde een grote staat.

Zijn hart zocht echter naar meer wezenlijke dingen. Hij sloot vriendschap met een aantal leerlingen van de heilige Benedictus, en tenslotte besloot hij gehoor te geven aan die innerlijke roepstem. Hij verbrak alle wereldse banden, besteedde zijn rijkdom aan de bouw van zes kloosters op Sicilië, richtte zijn paleis ook in als klooster, toegewijd aan de heilige Andreas, voerde daar de benedictijnse Regel in en werd daar zelf monnik. De rest van zijn bezittingen maakte hij te gelde en hij schonk de opbrengst aan de armen, in 575. En het volk  van Rome, dat de jonge patriciër door de straten had zien gaan gekleed in kleurige zijde en omhangen met juwelen, zag nu vol bewondering hoe hij in een armoedige pij de bedelaars bediende in het hospitium dat hij had ingericht in het poortgebouw van zijn vaderlijk huis.

Nu hij eenmaal monnik was geworden, wilde hij dat ook volkomen zijn en hij volgde  zo strikt mogelijk de ascese die door de regel werd toegestaan. Verder legde hij zich met vuur toe op de studie van de Heilige Schrift. Daarbij vastte hij zo streng dat hij zijn gezondheid ruïneerde, zodat hij verplicht was zachte spijzen te gebruiken en tot zijn grote schaamte ook de vasten van de Paasnacht niet kon houden, wanneer zelfs kinderen ongespijzigd bleven. Door deze zwakke gezondheid werd hij heel de rest van zijn leven gekweld.

Paus Benedictus I haalde hem na twee jaar uit het klooster en stelde hem aan tot kardinaal-diaken, belast met een van de zeven departementen van Rome. De volgende paus, Pelagius II, zond hem aan het hoofd van een gezantschap naar Constantinopel. Hij kwam in de zes jaren dat hij daar verbleef in nauwe aanraking met de griekse eredienst. Daar schreef hij over het boek Job de beroemde “Moralia”. In 585 kwam hij in Rome terug, en kon weer teruggetrokken leven in zijn klooster. In die tijd schreef hij zijn bekende “Dialogen” met de levensbeschrijvingen van eigentijdse heiligen, onder andere van de heilige Benedictus.

Het einde van zijn kloostertijd werd aangekondigd door een kenmerkend voorval. Hij ontmoette op de markt een paar slavenkinderen wier blonde schoonheid hem in verrukking bracht. Zij waren afkomstig uit het land der Angelen. “Dat zijn geen Angelen” zei Gregorius, “maar engelen”. Dat heidense land moest beslist voor Christus worden gewonnen. Hij organiseerde direct bij de paus dat daarheen een missie gezonden zou worden, en toen er geen missionarissen beschikbaar waren, bood hij zichzelf aan en regelde zijn vertrek. Hij was reeds vertrokken eer het verbaasde volk reageerde, maar toen werd de paus bestormd om Gregorius, zulk een onschatbare kracht voor Rome, terug te doen halen. Er werd dus een delegatie achter hem aangezonden die hem na drie dagreizen inhaalde en hem dwong naar zijn klooster terug te keren.

In 590 stierf de paus aan de pest, die toen de bevolking van Rome decimeerde. Ogenblikkelijk werd Gregorius eenstemmig gekozen door het volk, senaat en geestelijkheid, en al zijn protesten mochten niet baten. Zelfs zijn beroep op de keizer om deze verkiezing niet te bekrachtigen bleef zonder uitwerking. Toen vluchtte hij vermomd uit Rome, maar hij werd ontdekt en teruggebracht, en nu erkende hij de eenstemmigheid van zijn medeburgers als de uitdrukking van Gods wil en hij aanvaarde het ambt.

Hij organiseerde een grote boeteprocessie om Gods toorn af te wenden van de stad. Zij kwamen bijeen in zeven afdelingen uit de zeven statiekerken van Rome, die elk een eigen afdeling verzorgden : geestelijkheid, monniken, monialen, kinderen, volk, weduwen en matrones, waarvan velen in het laatste stadium van de ziekte verkeerden. Tijdens de tocht stierven tachtig van de deelnemers, maar Gregorius liet het doorgaan en hij zag de verschijning van een Engel op de Hadrianusheuvel, die het zwaard in de schede stak. Het beeld van deze engel werd later opgericht op het dak van het mausoleum dat daarom San Angelo heet.

De pest nam langzamerhand een einde, maar er moest het hoofd worden geboden aan telkens nieuw onheil, en Gregorius was een der meest geplaagde bisschoppen van Rome. Steeds zal hij treurig zijn dat hij vanuit de geestelijke rust van het klooster zich in zulk een levensgewoel moest storten. Italië werd verscheurd door de voortdurende oorlog tussen Constantiniopel en de Longobarden, en de griekse troepen richtte even grote verwoestingen aan als de barbaren. Gregorius wist na eindeloze pogingen een soort vrede te bewerkstelligen en Rome te vrijwaren voor de eeuwig plunderingen door woeste soldaten, maar het land bleef geteisterd door pest, honger en overstroming.

Als paus bleef hij trouw aan zijn liefde voor Engeland. In 590 zond hij de heilige Augustinus met 40 monniken, en hij opende daarmee een geheel nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van de Kerk van Engeland, waar hij als hun apostel werd geëerd. Hij opende ook voor Europa een nieuwe weg door de contacten die hij zocht met de Germaanse stammen in Frankrijk, waar de jonge stammen begonnen te ontwaken die het in verval geraakte byzantijnse imperium zouden aflossen.

Gregorius organiseerde ook de kerkzang door het oprichten van een zangacademie, die het voorbeeld werd voor zovele zangscholen door heel Europa, waardoor de latijnse zang zijn  naam draagt : het Gregoriaans. En toen hij in de laatste jaren van zijn leven zozeer gemarteld werd door de jicht dat hij het kamertje waarin hij leefde niet meer kon verlaten, liet hij de koorzangers bij zich komen omdat hij zijn lessen niet wilde staken. In een brief aan de patriarch van Alexandrië schreef hij : ” Al bijna twee jaar ben ik aan mijn bed gekluisterd door zulke pijnlijke jichtaanvallen, dat ik op de grote feestdagen nauwelijks een paar uur kan opstaan voor de plechtige dienst, en dan direct weer moet gaan liggen om het niet uit te schreeuwen van de pijn. De ziekte laat niet van me af en is evenmin in staat me te doden; ik smeek uwe Heiligheid voor mij te bidden dat ik spoedig bevrijd mag worden om de glorievolle vrijheid te ontvangen van de kinderen Gods”.

Tot in zijn laatste dagen dicteerde hij zijn omvangrijke correspondentie inzake de aangelegenheden van de Kerk. Bijna in volle activiteit is hij gestorven in 604, nog net geen 65 jaar oud, in het 13e jaar van zijn pontificaat. Zijn opvolger maakte een einde aan de vrijgevige schenkingen die Gregorius altijd voor de verzorging van de armen had gedaan, onder het voorwendsel dat de schatkist leeg was. Het volk liep nu te hoop tegen zijn overleden weldoener, beschuldigde hem van het verkwisten van de kerkelijke eigendommen en begon al zijn geschriften te verbranden om zijn gedachtenis uit te wissen.

Petrus, de diaken en persoonlijke vriend van Gregorius (die we steeds in de dialogen ontmoeten), wist dit met uiterste moeite te verhinderen, maar dit had hem zo ingespannen dat hij bij het einde van zijn redevoering ook zijn laatste adem uitblies. Om zijn trouwe vriendschap wordt hij samen met Gregorius op deze dag herdacht.

Om nog eens samen te vatten wat Gregorius in zijn korte leven tot stand bracht : hervorming van de geestelijkheid, verbetering van de liturgische boeken, organisatie van het zangonderricht, weldadigheid voor de armen, kerken en kloosters, vluchtelingenhulp in de Longobarden-oorlogen, en zijn geschriften : Dialogen over het leven der contemporaine Heiligen, de Regula Pastoris over het priesterambt, preken en commentaren over de Evangelies en de Profeten, en een uitgebreide correspondentie.

Uit : Heiligenlevens voor elke dag – Orth.klooster Heilige Johannes de Doper – Den Haag

Simeon de Nieuwe Theoloog (Heiligenleven)

Heiligenleven

De heilige SIMEON de Nieuwe Theoloog (949-1022)

Simeon de neuwe theoloog + basilios
Simeon de Nieuwe theoloog en Basilios de Grote 

Hij was geboren in paflagonië (klein-Azië) en zijn welgestelde ouders stuurden hem voor zijn opvoeding naar Constantinopel. Hij was intelligent, maar niet leergierig en na zijn middelbare opleiding volgde geen onderwijs, maar vestigde zich als schrijver. Dit vond een oom van hem te min, en hij bezorgde hem (tegen de zin van Simeon in) een plaats aan het hof. Toen deze oom stierf, leek dit voor Simeon de kans om het hof te verlaten en aan zijn geestelijke vader, Simeon de Vrome, vroeg hij om opgenomen te worden in het studionklooster. Daar hij echter pas 14 jaar oud was, werd hem dit geweigerd. Hij kreeg wel het boek van de heilige Markos de Asceet (5 maart) als geestelijke lectuur.

Zo begon Simeon zich toe te leggen op gebed, matigheid en schriftlezing tot diep in de nacht, terwijl hij overdag aan het hof verbleef. Maar vooral : hij leerde zichzelf nauwlettend acht te slaan op wat zijn geweten hen ingaf en dat altijd, zonder enige beperking, uit te voeren : “Maak nog enkele metanieën, zeg nog een paar psalmen, zeg nog vaker het Jezusgebed”. Hij redeneerde daar niet over maar beschouwde het als een rechtstreekse opdracht van God. En toen hij op deze wijze eens  in de nacht aan het bidden was, werd hij volkomen onverwacht omstraald door een wonderbaar licht, dat hem met een onzegbare vreugde vervulde. Hij begreep dat dit een genade was die hij te danken had aan het vurig gebed van zijn geestelijke vader.

Hij was 20 jaar, het wereldse leven ontplooide nu zijn  volle kracht, en de herinnering aan dit visioen begon te verflauwen. Hij bezoekt nog wel geregeld zijn geestelijke vader, maar zijn ijver voor het gebed verdwijnt en hij laat zich meeslepen in de sleur van de dagelijkse verstrooiingen, zonder tot een bepaald zondig leven te geraken. Dit duurt ruim zes jaar.

Toen kwam er een tijd van bezinning, het drong tot hem door wat hij verloren liet gaan en hij nam het besluit om monnik te worden. Opnieuw ging hij naar het studionklooster, en werd aangenomen. Hij was 27 jaar. Nu kwam echter de moeilijkheid dat hij zich niet los wilde maken van zijn geestelijke vader en dat werd in dit strikte klooster niet toegestaan. Simeon ging dus weer weg en trad in het minder strakke Mamasklooster, waar hem die mogelijkheid wel gelaten werd.

Hier erkenden de monniken de waarde van zijn persoonlijkheid : reeds spoedig werd hij monnik gewijd en priester, en reeds na drie jaar werd hij tot abt gekozen. In deze tijd hield hij zijn beroemde toespraken, de Catechesen, erop gericht het geestelijk leven van zijn monniken te versterken. Doordat hij met heel zijn wezen zulk een vurig voorbeeld gaf, bezorgde dit alles hem geestdriftige navolgers, maar het kweekte ook een partij van ontevredenen die hun vroegere leven goed genoeg vonden. Simeon wilde zich losmaken uit deze verscheurdheid; hij droeg het bestuur over aan zijn beste leerling, Arsenios, en trok zich terug om zich geheel te wijden aan het geestelijk gebed en aan zijn geschriften.

Intussen stierf zijn geestelijke vader met wie hij zo  innig verbonden was. Op eigen gezag stelde hij een jaarlijks gedachtenisfeest in en daar kwam natuurlijk reactie tegen. Stefanos, de bisschop van Nikomedië, klaagde hem aan bij de patriarch en zei dat een niet-theologisch geschoolde monnik zoiets niet mag doen. De patriarch, een vriend van Simeon, is in verlegenheid, en schuift de zaak op de lange baan. Maar omdat Simeon hardnekkig vasthoudt aan zijn viering – hij ziet het opgeven ervan als ontrouw aan zijn geestelijke vader, aan wie hij heel zijn innerlijk leven te danken had – moet er na zes jaar een beslissing worden genomen. Simeon wordt verbannen en zonder meer over de Bosporus gezet.

Daar ging hij wonen bij een vervallen kerkje van de heilige Marina, het eigendom van een van zijn leerlingen, die nu ook in Simeons levensbehoeften voorzag en zorgde voor de restauratie van het kerkje. Al spoedig kwamen er gelovigen die zich onder zijn geestelijke leiding stelden en er ontstond een kloostertje. Intussen waren vrienden van Simeon in Constantinopel actief gebleven en zij drongen er bij de patriarch op aan de zaak te herzien. Zij slaagden erin  te bewerkstelligen dat de verbanning werd opgeheven en dat Simeon werd teruggeroepen. Hij kwam wel, om hun die genoegdoening te geven, maar hij keerde toch weer terug naar zijn eigen klooster, dat geheel van zijn geest doordrongen was en waar hij zich in alle rust kon wijden aan het creëren van zijn geestelijke geschriften. En na 48 jaar priesterschap is hij daar in vrede ontslapen in de Heer.

Deze enigszins bizarre levensloop moet ons niet doen vergeten wat voor een mens de heilige Simeon was, die we pas door zijn werk leren kennen. De halsstarrige liefde die hij zijn geestelijke vader toedroeg, was slechts een afschijnsel van de gloeiende liefde tot Christus welke hem bezielde. Zijn toespraken, overwegingen, zijn hymnen, zij tonen ons telkens opnieuw hoe sterk zijn leven met God verbonden was, hoe bewust hij leefde in Gods stralende tegenwoordigheid, hoe Gods liefde in hem leefde en uitstraalde naar zijn broeders. Deze liefde  van God  manifesteerde zich in meeslepende mystieke ervaringen, en Simeon, die tegelijk een groot dichter was, stelde heel zijn talent in werking om die ervaringen onder woorden te brengen om ze te kunnen delen met zijn broeders. Het is deze rechtstreekse beleving van Gods energie en Gods aanwezigheid die hem tot een ware “Godskenner” maakt, een “theoloog”, iemand die God kent vanuit zijn binnenste, vanuit levende ervaring, niet vanuit zijn redenerend verstand. En het is daarom dat Simeon na de Evangelist Johannes, en na de God-schouwende gregorios van Nazianze, in de Orthodoxe Kerk de eretitel krijgt van “Nieuwe Theoloog”.

De volgende aanroeping van de heilige Geest is uit één van zijn hymnen :

Kom, waarachtig  Licht.

Kom, eeuwig Leven.

Kom, mysterie dat verborgen is.

Kom, Rijkdom zonder naam.

Kom, Gij die onuitspreekbaar zijt.

Kom, wezen, onbereikbaar voor mensenverstand.

Kom, altijddurende Verheffing.

Kom, avondloos Licht.

Kom, Verlangen van allen die naar verlossing dorsten.

Kom, opstanding der gestorvenen.

Kom, Machtige, die door een wenk alles voortdurend schept, verandert en beweegt.

Kom, eeuwig Onbeweeglijke die toch geheel de tijd in U omsloten houdt.

Uit de geschriften van Simeon de nieuwe Theoloog

 

Heilige Paulus van Thebe

Heilige Paulus van Thebe (15 januari)

paul_the_theban 15 januari

De heilige Paulus van Thebe, de eerste kluizenaar. Na de dood van zijn ouders wilde zijn zwager hem bij de christenvervolgers aangeven om Paulus’erfdeel in bezit te kruijgen. Deze liet toen alles in de steek en vluchtte naar de woestijn,, waar hij een onderkomen vond in een grot, en waar hij onder grote ontberingen in leven bleef. Mettertijd veranderde zijn vrees voor de vervolgers in liefde tot het kluizenaarsleven. Hij bad dag en nacht en leefde van vijgen en wat brood dat hem door een raaf werd gebracht. Toen hij zo 91 jaar in volstrekte eenzaamheid had doorgebracht, kreeg de grote Antonios die eveneens in de Thebaïde leefde en die meense de eerste te zijn  die in de woestijn was gaan leven, een ingeving om nog dieper in de woestijn naar een andere monnik te gaan zoeken. Zo heeft hij Paulus gevonden en zijn levensgeschiedenis gehoord. Na diepgaande geestelijke gesprekken stuurde Paulus Antonios weg met de opdracht om de mantel van Athanasios te halen. Toen Antonios daarmee terugkwam, vond hij Paulus als naar gewoonte knielend, maar hij was gestorven. De opdracht was klaarblijkelijk bedoeld om in volkomen eenzaamheid te kunnen sterven, zoals hij ook geleefd had. Paulus was 113 jaar oud geworden en stierf in 342

Uit : heiligenlevens voor elke dag. UItg. orthodox klooster Heilige Johannes de Doper – Den Haag

Basilios de Grote : Wat zal ik doen…

H.Basilius (ca. 330-379), monnik en bisschop van de Caesarea in Kappadocië, Kerkleraar
Homilie 16 over de rijkdom; PG 31, 261v

Basilios de grote 2873

“Wat zal ik doen? Want ik kan mijn vruchten niet bergen”

      “Wat moet ik doen” Er was een antwoord bereid: “Ik zal de zielen die honger lijden vervullen; ik zal mijn graanschuren openen en ik zal allen uitnodigen die tekort hebben… Ik zal een goed woord laten horen: U die brood tekort komt, kom tot Mij; ieder naar zijn behoefte, neem uw deel van de gaven die door God gegeven zijn en die stromen als een openbare fontein”. Maar jij, dwaze rijke man, jij bent daar ver vandaan! Waarom? Ben je jaloers om te zien hoe anderen genieten van rijkdommen? Je geeft je over aan het maken van ellendige berekeningen, je maakt je bezorgd niet opdat je weet hoe aan iedereen het broodnodige te geven, maar hoe je alles kunt verzamelen en alle anderen nog meer kunt beroven van het voordeel dat ze eruit kunnen trekken…

      En u mijn broeders en zusters, pas op om niet hetzelfde lot te kennen als die man!  Als de Schrift ons dat voorbeeld geeft, dan is het opdat we moeten voorkomen dat we ons zo gedragen. Doe als de aarde: draag vruchten zoals haar en wees niet slechter dan haar, zij is verstoken van een ziel. Zij geeft oogsten, niet voor haar eigen vreugde, maar om je een dienst te bewijzen. Daarentegen, alle vrucht van je welwillendheid, die je betoont, pluk je voor jezelf, aangezien de genade van de goede daden terugkomen op hen die er de verspreiders van waren. Je hebt aan degene die honger had gegeven, en wat je gegeven hebt, blijft voor jou en komt zelf met rente terug. Zoals een graankorrel die op aarde valt ten goede komt aan degene die het gezaaid heeft, zal het brood dat gegeven is aan iemand die honger heeft, jou later overvloedig ten goede komen. Dat het einde van je zwoegen voor jou het begin van het zaad in de hemel mag zijn.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

De heilige Monica : moeder van de heilige Augustinus

DE HEILIGE MONICA

Moeder van de heilige Augustinus

 

Monica heilige moeder van Augustinus

De heilige Monica was geboren in een christen gezin in Noord-Afrika in 332 te Tagaste. Zij werd streng opgevoed door een tante, die haar zelfs verbood water te drinken buiten de maaltijden, omdat zij zich anders misschien later aan wijn zou verslaven, wanneer zij zichzelf niet beheersen kon.

Deze stregnheid had het tegenovergestelde effect : toen ze weer thuis kwam, moest ze dagelijks in de kelder de wijnkan vullen voor de maaltijd, en het werd een toenemende gewoonte eerst zelf die wijn te drinken. Dit werd haar voor de voeten geworpen toen zij eens een slavin een standje gaf. Hierdoor was zij zo beschaamd, dat ze tegelijk brak met die slechte gewoonte, vooral omdat zij binnenkort gedoopt zou worden. Dit werd voor haar het begin van een geheel toegewijd en heilig leven. Sindsdien was zij dagelijks aanwezig bij de Eucharistieviering.

Zij was gehuwd met Patricius, een heiden met een goed karakter maar een grote driftkop, die het zijn vrouw vaak flink lastig maakte. Hun eerste zoon werd de beroemde Augustinus, in zijn jeugd nog lang geen heilige, en die meer het karakter van zijn vader had dan dat van zijn moeder . Wel bracht zij door haar liefdevol geduld haar man ertoe dat hij een christen werd en zich liet dopen in zijn laatste levensjaar.,371.

Augustinus was toen 17 jaar. Hij studeerde in Carthago, stond onder invloed van het Manicheïsme, en leidde een tamelijk bandeloos leven. Om de klachten van zijn moeder te ontgaan, leefde hij in een aparte woning. Monica bad en weende en vroeg de oude bisschop met haar zoon te disputeren. Deze oordeelde  dit in de gegeven omstandigheden zinloos maar sprak tot haar de beroemde woorden : “Blijf bidden : een kind van zoveel tranen zal niet verloren gaan”.

Twaalf jaar later, in 383, zocht Augustinus een carrière te beginnen in Rome, en zo tegelijk bevrijd te zijn van de klaagzangen van Monica. In Rome werd Augustinus zwaar ziek en hij vertro na zijn genezing naar Milaan, waar hij een bewonderaar werd van de heilige Bisschop Ambrosius, voorlopig nog zonder consequenties.

Monika was uit Afrika overgekomen om bij haar zoon te leven. Ook hier was zij dagelijks bij de heilige Liturgie in de kathedraal : daarna bezocht zij de armen die haar hulp nodig hadden. Zij leerde ook van de heilige Ambrosius zich, evenals hij deed, te schikken naar de gebruiken van de plaatselijke Kerk, waar men zich bevond. Tenslotte werden haar gebedn verhoord. Drie jaar later, op Pasen in 387, werden zowel Augustinus als zijn zoon  Adeodatus en zijn vriend Alypius gedoopt. De nieuwe bekeerlingen leefden samen met Monica een tijd lang in een kloostergemeenschap in Cassiacum, waar Augustinus verschillende van zijn werken schreef.

Monica’s levenswerk was voltooid; nu kreeg zij heimwee naar haar geboorteland. Zij wist de anderen over te halen mee terug te gaan naar Afrika. Zij verlieten Milaan en verbleven in Ostia, de haven aan de tibermond, voor de overtocht nar Afrika. Daar hield Augustinus het beroemde tweegesprek met zijn moeder, terwijl zij samen bij het venster uitkeken over de zee en de stralende hemel, over de diepste waarheid en de hemelse schoonheid. Zo kwam Monica los van haar koortsachtig verlangen om in de voorouderlijke aarde begraven te worden en gaf zij zich over aan Gods Liefde. Verder reizen bleek trouwens onmogelijk daardat haar ziekte in hevigheid toenam, zodat Monica spoedig daarna stervende was in 387, in de ouderdom van 56 jaar. Haar enige wens was nu nog dat haar zoon haar zou gedenken aan het Altaar; een wens die een voorspelling inhield van zijn wijding.

 Augustinus sloot haar ogen, maar hij durfde geen uiting geven aan de smart die hem verscheurde, omdat hij het niet passend vond om te wenen over iemand die zulk een heilig leven had geleid, en gestorvan was zo vol vertrouwen en overgave aan de Heer. Het Lichaam werd naar de kerk gebracht, het Heilig Offer werd opgedragen, en daarna werd zij begraven. Pas toen hij weer alleen was kon Augustinus zijn tranen niet meer weerhouden,die hem nu oevrstroomden als een vloedgolf, bij de herinnering hoe vaak hij haar verdriet had aangedaan, en welk een liefde zij hem steeds had toegedragen. En in zijn beroemste boek, de Belijdenissen, heeft hij een blijvend gedenkteken voor haar opgericht.

De heilige Gregorios van Nazianze

De Heilige Gregorius van Nazianze 

Theoloog, 339-391.

 

Gregor_von_Nazianz_der_Juengere741

Hij werd geboren in het jaar dat zijn toen nog heidense vader, die eveneens Gregorios heette, door zijn vrouw Nonna tot het Christendom was gebracht. Deze Gregorios onderscheidde zich zozeer dat hij nog datzelfde jaar bisschop werd gewijd.

Het was de bedoeling dat gregorios een rechtsgeleerde zou worden, en daarom werd hij naar de beroemste universiteiten van zijn tijd gezonden.  Eerst naar Caesarea in Palestina, toen naar Alexandrië, en tenslotte in 355, to de voltooiing van zijn studie, naar Athene. Op deze laatste tocht verging het schip waarmee hij reisde, en Gregorius was op de rand van de dood. Dit deed hem besluiten zijn Doop niet langer uit te stellen, en bij zijn terugkomst in Nazianze in 356, werd hij door zijn vader gedoopt.Twee jaar later ging hij naar zijn studievriend Basilios, in het klooster dat deze met zijn zuster Makrina gesticht had aan de Iris-rivier in Pontus. Maar Gregorius zou niet lang van het vreedzame leven genieten, dat hem zo lyrisch door Basilios was geschilderd. Hij werd teruggeroepen door zijn vader, die nu boven de tachtig was, om hem te helpen bij het besturen van zijn gemeente. Min of meer met geweld werd hij tot priester gewijd, met Theofanie in 361. Geheel ontdaan vluchtte Gregorius naar zijn geliefde eenzaamheid en het gezelschap van Basilios. Maar hij begon toch na te denken over zijn gedrag, en hoe de profeet Jona gestraft was voor het ontvluchten van zijn opdracht, en na een paar maanden keerde hij naar Nazianze terug, juist op tijd om de grote feestpredikatie te houden voor het Paasfeest.

In 372 werd Kappadocië door de keizer in twee provincies verdeeld, waarbij Tyana de hoofdstad werd van de andere helft. De daar aanwezige bisschop Anthimos claimde nu de jurisdictie over heel dat ‘deel’, ten koste van Basilios. Deze wilde zijn positie verbeteren met behulp van nog een bisschop, en haalde daarom Gregorios over om bisschop te worden van het rumoerige handelsstadje Sasima, waar drie belangrijke transportwegen zich kruisten. Het was een onmogelijke verblijfplaats voor de gevoelige Gregorios, daar de aggressieve Anthimos voortdurend moeilijkheden veroorzaakte, en er zelfs gewapende struikrovers op af stuurde. Basilios wilde hem echter handhaven op deze post, en zo kwam er een einde aan een van de mooiste vriendschappen die zo lange tijd het leven van zowel Basilios als van Gregorios had rijk gemaakt.

Gregorios ging terug naar Nazianze als hulpbisschop voor zijn oude vader, die in 373 stierf. Daarna bestuurde hij het diocees nog een tij d zonder eigenlijke bisschopsopdracht. Toen twee jaar later zijn gezondheid achteruit ging, trok hij zich voor een kluizenaarsleven in Seleucië terug.

Intussen was Constantinopel al meer dan dertig jaar in ariaanse handen. De kleine orthodoxe gemeenschap aldaar deed een beroep op Gregorios om hen bij te staan. Hij dwong zichzelf deze opdracht te aanvaarden, overtuigd dat hij door God tot het lijden was geroepen. Hij werd enthousiast verwelkomd in het sinds 379 gestichte huis ‘de Opstanding’. Daarom begon hij dagelijks de heilige Liturgie te vieren en te prediken over het vereren van de heilige Drie-eenheid.

Zijn machtige welsprekendheid werd al spoedig opgemerkt door de overgebleven Orthodoxen, maar ook door vele anderen die toch min of meer in twijfel verkeerden, en dan was het huis van onder tot boven vol. Hier hield hij zijn vier beroemde redevoeringen over de geloofsbelijdenis van Nicea, waardoor hij de eretitel ‘De Theoloog’ verwierf, als de grote verdediger van de Godheid van het Woord. De Arianen beschuldigden hem van Driegodendom, en zij moedigden het straatvolk aan het hem lastig te maken. Maar Gregorios liet zich hierdoor niet uit het veld slaan, en preekt :

Zij hebben de kerkgebouwen en het volk, maar hij had God en de Engelen. Zij bezaten rijkdom, hij geloof. Zij uitten bedreigingen, hij bad. Hij had maar een kleine kudde, maar die was bestemd tegen de wolven, en sommige wolven werden schapen.

Inderdaad kwamen er vele bekeringen : Gregorios’lieflijke welsprekendheid, de geestelijke schoonheid van zijn persoonlijkheid, zijn zachtaardige en tegelijk gloeiende ijver voor de waarheid, zijn zachtaardige en tegelijk gloeiende ijver voor de waarheid, zijn zo klaarblijkelijke onzelfzuchtigheid tegenover het ariaanse egoïsme, zijn diepe eerbied tegenover de ariaanse losheid, dat alles maakte grote indruk. De ariaanse bevolking kwam in hele groepen om naar hem te luisteren.

Na lange tijd was er weer een orthodoxe keizer, Theodosios, en de machtsverhoudingen zouden gaan veranderen. Gregorios hield nu de gelovigen voor :

Wees niet hooghartig wanneer de tijd gunstig lijkt; laten we niet met hardheid optreden tegen hen die ons onrecht hebben aangedaan. Laten we niet zelf doen wat we in anderen hebben afgekeurd. Laten we blij zijn dat we aan het gevaar zijn ontkomen, en laten we alles vermijden waardoor zulk een onderdrukking terug zou kunnen komen. Laten we niet streven naar verbanning en verboden; daag niemand voor de rechter; laat er geen zweep zijn tegen onzeden; in één woord : doe anderen niet aan wat ge zelf hebt ondergaan.

Eind november kwam Theodosios naar Constantinopel. Hij vroeg de ariaanse bisschop de eenheid te herstellen, maar deze weigerde de Godheid van Christus te erkennen en riep het volk op om buiten de stad een kerk te stichten. Nu besloot Theodosios om Gregorios tot de regerende bisschop van de stad te maken, en hij zette de gewapende macht in om het ariaanse volk in bedwang te houden. Gregorios, angstig en ontdaan te midden van een vijandige menigte, werd naar de Sofia-kathedraal gebracht. Zelfs de zwaar bewolkte hemel scheen een afkeurend oordeel uit te spreken.

Maar op het ogenblik dat gregorios de altaarruimte betrad, barstte het wolkendek open en een glorieus zonlicht omstraalde het grijze hoofd van de bisschop : het volk brak uit in gejuich. Maar Gregorios was zo geschokt dat hij niet in staat was te spreken en een van de priesters moest de preek houden.

Gregorios bleef bij zijn eenvoudige levenswijze en kwam maar zelden bij de keizer. Hij wendde geen politieke invloed aan maar bleef een eenvoudige, zachtmoedige, onwereldse herder. Hij preekte, bad, bezocht de zieken, won geen rijkdom maar wel aller harten door simpele, rechtstreekse naastenliefde.

 Een jaar later vaardigde Theodosios een edict uit waarbij de ketters, met name de Arianen? Hun burgerrechten verloren; alle kerken moesten worden teruggegeven aan de orthodoxe bisschoppen. Er werd een concilie bijeengeroepen om dit te bevestigen. Gregorios wilde deze nieuwe toestand niet beleven. Hij sprak zijn beroemde afscheidsrede uit en trok zich terug uit de openbaarheid. Hij deed nog wat werk voor Nazianze, maar trok zich steeds meer in de eenzaamheid terug van zijn geboortedorp Arianze. Daar leidden hij in vrede ee
n monastiek leven, maar schreef eveneens gedichten, ‘om de poezie niet helemaal aan de heidenen over te laten’. Zo werd hij niet alleen de ‘Theoloog’, maar ook de vader van de chistelijke dichtkunst. Ook veel brieven zijn van hem bewaard, die hem tonen als een aantrekkelijke persoonlijkheid, té fijn besnaard om het middelpunt te vormen van twisten en gevecht. In deze vrede is hij gestorven, 62 jaar oud, in 391.

 Gregorios van Nazianze, Gregorios van Nyssa en Basilios de grote worden  ‘De Cappadocische vaders’ genoemd.

 Uit : Heiligen voor elke dag (Orthodox klooster van de Heilige Johannes de Doper – Den Haag)

De heilige Ahmed the Calligrapher

Een voor ons weinig bekende heilige :

De heilige Ahmed  the Calligrapher

ahmed the calligrapher2

De heilige Martelaar Ahmed werd geboren in de 17e eeuw in een Moslim familie in Constantinopel. Hij was copyiist van beroep in de grote Archieven. In overeenstemming met de Ottomaanse wet,daar hij nog geen vrouw had, had hij een Russische vrouw als slavin. Een andere gevangene uit Rusland leefde samen met haar, een oude vrouw, ook een slavin. Beide vrouwen waren heel godsvruchtig.Op de grote feestdagen wilde de oude vrouw naar de kerk gaan, en het gewijde brood of antidoron meebrengen voor de jongere vrouw. De oude vrouw wilde ook voor haar het gezegende water meebrengen om te drinken. Telkens dit gebeurde en Ahmed dicht bij haar was, rook hij een aangename en onbeschrijfelijke geur als een parfum uit haar mond. Hij vroeg haar wat zij at, en waar die geur vandaan kwam. De jonge vrouw wist niet wat er gebeurde en zei dat ze niets at. Ondanks alles bleef hij maar aandringen waar die geur vandaan kwam. Tenslotte zei ze hem dat zij het brood at welke de priesters hadden  gezegend en die de oude vrouw voor haar meebracht telkens ze naar de kerk ging.Toen Ahmed dit hoorde verlangde hij de orthodoxe kerk te zien, en om te zien hoe Orthodoxen het gezegende brood ontvingen. Daarvoor benaderde hij een priester en vroeg hij hem om een geheime plaats voor hem voor te bereiden in de kerk, opdat hij zou kunnen gaan wanneer de Patriarch de Liturgie opdroeg. Wanneer de afgesproken dag naderde, ging hij, gekleed als een orthodox naar het Patriarchaat en volgde de Goddelijke Liturgie. Toen hij in de kerk was zag hij de Patriarch schitterend met licht en op de vloer voortschrijdend vanuit de altaarruimte komen door de heilige deuren om het volk te zegenen. Toen hij zegende kwamen lichtstralen vanuit de toppen van zijn vingers, en alhoewel de stralen op de hoofden van de orthodoxen neerkwamen, ze vielen niet op Ahmeds hoofd. Dit gebeurde twee of driemaal, en iedere keer zag Ahmed hetzelfde gebeuren. Zo kwam Ahmed tot het geloof. Zonder aarzeling vroeg hij een priester, die hem tot een wedergeborene door het heilig doopsel maakte. Ahmed bleef voor een zekere tijd een orthodox ‘in het geheim’, zijn doopnaam geheimhoudend. Dat is de reden waarom hij voor ons weinig bekend was. Hoe dan ook, op een dag was Ahmed  met een aantal edellieden aan het eten. Nadien zaten ze te praten en te roken, zoals het bij Moslims gebruikelijk was. In de loop van hun gesprek begonnen zij te discussiëren over wat het grootste was in de wereld. Ieder gaf zijn mening. De eerste gast zei dat het grootste in de wereld de wijsheid was. De tweede zei dat een vrouw het grootste was in de wereld. En nu zei een derde dat het grootste in de wereld, en verreweg het meest verrukkelijke in de wereld, goed voedsel was – want was dit niet het voedsel van de rechtvaardigen in het paradijs. Dan kwam Ahmed aan de beurt. Allen keerden zich naar hem toe om te horen wat hij zou zeggen. Vervuld van een heilige geestdrift riep hij uit dat het grootste in de wereld het orthodoxe geloof was. En hij beleed zichzelf als een Christen, met grote ijver  de onjuistheid en het bedrog van de Moslims afkeurend. Vervolgens wierpen zij zich respectloos en met een onuitsprekelijke woede op de heilige martelaar en brachten hem voor een rechter, zodat hij ter dood zou kunnen worden veroordeeld. Hij werd onthoofd en ontving de kroon van het martelaarschap op bevel van de heersers op 3 mei 1682.

 Heilige Martelaar Ahmed, bid voor ons bij God !

Heiligen : heilige Aartsengel Gabriël en de Apostel Jacobus

DE HEILIGE AARTSENGEL GABRIEL

Gabriel8

De heilige Aartsengel Gabriël was Gods afgezant bij de geboorte zowel van Jezus van Nazarth als van de heilige Johannes de Voorloper. Zijn naam betekent ‘Kracht Gods’; hij behoort tot de zeldzame Engelen van wie de naam genoemd wordt in de heilige Schrift, zelfs herhaalde malen, want hij speelt ook een rol in de apocalyptische visioenen van de profeet Daniël (Dan.8,16 en 9,21, en  Luc.1,19 en 1,26). Daniël aanschouwde een geheimzinnig visioen van geweldige grootheid en ruwe kracht. ‘En hij hoorde een menselijke stem roepen : Gabriël, geef hem de verklaring van het visioen. Daarop kwam hij naar mij toe, maar terwijl hij naderde, werd ik door zulk een vrees aangegrepen dat ik ter aarde viel…en ik lag bewusteloos op de grond. Hij raakte mij aan en richtte mij weer op en zei : Ik ga u bekend maken wat er gebeuren zal…in de eindtijd’.

 De tweede keer was Daniël aan het bidden en beleed zijn zonden en die van het volk Israël. ‘Ik was nog aan het bidden  toen Gabriël, de man die ik vroeger in een visoen had gezien, naar mij kwam toevliegen op de tijd van het avondoffer. Hij sprak tot mij en gaf mij inzicht….’.

Daarna horen we weer over hem bij Lucas die verhaalt hoe Zacharias als priester het wierookoffer opdroeg, terwijl het vok buiten stond te bidden. ‘Er verscheen hem een Engel des Heren, staande aan de rechterkant van het wierookaltaar…’ Hij verkondigt hem dat hij een zoon zal krijgen, die een groot profeet zal zijn. Zacharias trekt zijn woorden in twijfel om de hoge ouderdom van hem en zijn vrouw. Met een verpletterend zelfbewustzijn gaf de Engel hem ten antwoord : ‘Ik ben Gabriël die voor Gods aangezicht sta, en ik ben gezonden om u die blijde boodschap aan te kondigen. Zie, gij zult zwijgen en niet kunnen spreken tot op de dag waarop het gebeuren zal, omdat ge mijn woorden niet geloofd hebt; doch deze zullen op hun eigen tijd in vervulling gaan’.

Scherp contrasteert hiermee zijn optreden bij de Maagd Maris. Hij spreekt haar toe met die bijzondere groet :’Verheug U, Hoogbegenadigde, de Heer is met u’. Dan verkondigt hij haar Gods Blijde Boodschap en wanneer zij dan ook uiteenzet waarom dat onmogelijk is, geeft hij haar uitvoerig uitleg, bekrachtigd door het teken van Elisabeth, totdat zij haar jawoord spreekt. En Maria vertrekt ogenblikkelijk om met eigen ogen dit teken te aanschouwen.

Zo krijgen we de indruk van wat we het karakter van gabriël zouden kunnen noemen. De schrift noemt hem een ‘man’, maar zegt tegelijk dat hij vliegt. Hij heeft de herhaalde opdracht om uitleg te geven van geheimvolle dingen, maar wanneer de menselijke twijfel te grof wordt, laat hij zich gelden met gezag. Maar tegenover de toekomstige moeder van de Heer treedt hij op met de grootste fijngevoeligheid.

Zijn synax wordt gevierd op de dag na de verkondiging omdat hij als het ware de drager was van het goddelijk Woord dat toegang zocht bij de Maagd Maria om Zich door middel van haar schoot te bekleden met ons menselijk vlees. Hij heeft daarmee de dankbaarheid gewonnen van allen die aan Christus willen toebehoren. We zingen daarom voor hem een eigen officie, maar als Troparion  dat van het feest der Verkondiging.

 

DE HEILIGE APOSTEL JACOBUS ZEBEDEUS

 Jacobus apostel

De heilige Jakobos Zebedeos, Apostel, broer van de heilige Johannes de Evangelist. Zij waren met hun vader bezig in de boot de netten te spoelen voor de volgende vangst, toen Christus hen riep banaf de oever. Welk een macht moet er van Christus’ persoonlijkheid zijn uitgegaan, dat zij op hetzelfde ogenblik alles lieten liggen en naar Hem gingen om met Hem mee te gaan in een volkomen onzekere toekomst !. Tegelijk tekent deze ogenblikkelijke bereidheid hun eigen karakter.

Jakobos behoorde met Petros en Johannes tot de bijzondere vertrouwelingen van Christus. Het waren deze drie die Hij meenam naar de berg van de Verheerlijking die Hem nader ondervroegen over de tijd van de wereldondergang² (Marc. 13,3), en die Hij bij zich wilde hebben bij Zijn doodstrijd in de hof van Gethsemani (Marc.14,33).

Maar zijn spontane aard speelde Jakobos ook wel parten. Omdat hij met zijn broer zo klaarblijkelijk tot Christus’
intimi behoorde, begon hij zich daarop te laten voorstaan. Samen met hun moeder probeerden zij de eerste plaatsen in beslag te nemen in het komende Godsrijk, en Christus moest hun heel geduldig uitleggen dat Hij Zich hierop niet kon vastleggen (Matt.20,20-24). Het is niet verbazingwekkend dat de andere Leerlingen daarover ontstemd waren.

Op een andere keer, toen een samaritaans dorp geen gastvrijheid wilde verlenen aan Christus met Zijn groep, waren het weer Johannes en Jakobos die voorstelden om er vuur uit de hemel op te laten vallen als wraak. Natuurlijk moesten ze daarvoor een boetepreek van Christus over in ontvangst nemen. En vriendelijk spottend noemt Hij hen  daarna Zijn donderzonen.

Toen de Christengemeente in Jerusalem door de eerste vervolging verspreid werd, zagen de Apostelen hierin  een aanvulling van de opdracht die de heer hun had gegeven bij de Hemelvaart : ‘Gaat heen, maakt alle volkeren tot Mijn leerlingen….’(Matt.28,19) en zij verdeelden als het ware de aarde onder elkander. Zo predikte Jakobos in Spanje en de aangrenzenden landen. Toen hij eens weer in Jerusalem was, werd hij door Herodes gevangen genomen en met het zwaard ter dood gebracht (Hand.12,1-2), in het jaar 42

. Zijn relieken zijn overgebracht naar Spanje en hebben daar geleid tot de beroemste middeleeuwse bedevaartplaats in Europa : Santiego de Compostella.

Bronnen : ‘Heiligenlevens voor elke dag’ Uitgave orthodox Klooster St. Jan-de-Doper, Den Haag

 

 

Heilige Antonius de Grote

HEILIGE ANTONIOS  DE  GROTE

 

 Inhoudsopgave :Antonios de Grote (dre)

 – Historisch kader rond Antonios de Grote : – het kerkelijk kader                 

– het wereldlijk kader

– het persoonlijk kader- – –  

Levensbeschrijving van Antonios de Grote

– De heiligverklaring van Antonios de Grote

– Belang van zijn persoon en de gevolgen van zijn heiligverklaring

– De spirituele benadering van Antonios de Grote

– Liturgie rond Antonios de Grote

– Bronnen :     – algemene    bronnen – persoonlijke bronnen

 – Bijlagen 


Heilige  ANTONIOS  DE  GROTE

Historisch kader rond Antonios de Grote  ( periode van 250 tot 350 na Chr.)

Het kerkelijk kader

 De vroege christelijke kerk stak op moreel vlak met kop en schouders uit boven de toenmalige maatschappij.  Rond 200 na Chr. waren er 2% christenen, dit aantal steeg in de daaropvolgende eeuw tot 8 % . In Egypte was de kerstening al sterk doorgedrongen. De heersende, heidense cultuur had de eerste Christenen ertoe aangezet om hun geloof te verdiepen. Dus tegen het einde van de derde eeuw konden zij al theologische literatuur voorleggen, die eerst in het Grieks en nadien in  het Latijn werd vertaald.

 Het wereldlijk kader

Tussen 235 en 284 na Chr. waren er een aantal soldatenkeizers die een economische, maatschappelijke en militaire puinhoop van het Romeinse rijk maakten. In het decennium na 250 waren er twee korte periodes van vervolgingen. Na 260 was er een rustige periode van 40 jaar die de “Lange Vrede ” (Pax Longa) werd genoemd. In 284 kwam Diocletianus aan de macht en alles bleef rustig tot in 303 n.Chr. In dat jaar herbegonnen de vervolgingen die eindigden in 311, enkele dagen voor de dood van zijn opvolger Galerius.

Galerius vaardigde een edict uit waarin het Christendom voor de eerste keer het statuut van geoorloofde godsdienst kreeg. In het edict van Milaan in 313 bekrachtigen zijn opvolgers Constantijn en Licinius dit statuut ( bekend als de Kerkvrede).

Tussen 320 en 324 was er toch nog een laatste poging tot vervolgingen door Licinius. Maar vanaf 324 werd Constantijn alleenheerser. Deze keizer had sympathie voor het Christendom, maar vond het ook een ideaal middel om zijn rijk uit te bouwen. Hij zag zich als de eerste vertegenwoordiger van God op aarde. Rond 330 stichtte hij Constantinopel en bleef aan de macht tot 337. Onder zijn bewind vond ook het Concilie van Nicea plaats en waren er problemen met de Arianen. Zijn opvolger en zoon Constantinus koos zelfs de zijde van de Arianen. Uiteindelijk was het keizer Theodosius (die in 379 keizer werd) die een einde maakte aan het Arianisme.

Persoonlijk kader

Antonios de Grote had tussen 250 en 350 in Egypte contact met veel van zijn tijdsgenoten, waaronder :

Paulus van Thebe : ( 250 tot 340) de oerkluizenaar die de woestijn was ingevlucht om te ontsnappen aan de vervolgingen van keizer Decius

Amoen : kluizenaar in Nutrië , Antonios voorspelde zijn dood

Athanasius: (295 tot 373)  bisschop van Alexandrië, had sterke banden met de woestijnmonniken en schreef voor 370 de Vita Antonii

Pachomius : (292 tot 346) grondlegger van het cenobitisme 

de Arianen: (250 tot 380) groep van geestelijken die de goddelijke natuur van Christus de Zoon niet aanvaarden. Dit leidde in de toenmalige kerk tot veel spanningen. Antonios en Athanasius behoorden tot de niceanen (anti-arianen)

Serapioon : leerling van Antonios en vriend van Athanasius, was bisschop van Thmoesis. Er is een brief gevonden van Serapioon geschreven aan Antonios zijn leerlingen. In deze brief troost hij de leerlingen bij het sterven van hun geliefde vader, Antonios (brief is geschreven in 356 in het Syrisch  en Armeens).

Levensbeschrijving van Antonios de Grote


De heilige Antonios werd in 251 in Midden- Egypte geboren in een rijk christelijk gezin. Hij weigerde de klassieke scholing te volgen omwille van het inhoudelijke polytheïsme. Hij verbleef bij de bisschop van Alexandrië, Alexander. Op twintigjarige leeftijd overleden zijn ouders en bleef hij achter met een zusje. Op zekere dag hoorde hij in de viering het evangelie van Matteus (Mt 19 : 16 -21) het verhaal van de rijke jongeling. Dit zette hem ertoe aan om zijn bezit uit te delen aan de noodlijdenden (behalve een gedeelte dat diende voor de opvoeding van zijn zusje) en te gaan leven buiten de stad. Hij bezocht tal van kluizenaars en ging in de leer bij een oudere onder hen, zo leerde hij een ascetisch leven opbouwen. In 286 brak een eerste fase aan. Daarin zonderde hij zich af en ging hij in een verlaten burcht wonen. Twintig jaar lang sloot hij zich op e
n weigerde contact met anderen. Hij leerde te
volharden en te weerstaan aan de vele verleidingen van de duivel. Hij voerde een zware innerlijke strijd, maar kwam gelouterd naar buiten. Rond 306 woonde hij in een kluis in het binnenste gebergte van Egypte ( Pispir) en begonnen er zich meer en meer andere kluizenaars rond hem te vestigen. Toen brak er een tweede levensfase aan. In deze sociale fase kreeg hij bezoek van monniken en kerkelijke personen (Athanasios),maar ook gewone mensen kwamen hem om raad vragen. In dat stadium had hij door zijn toegankelijkheid, aantrekkingskracht en bijzondere gaven ( genezingen en juiste voorspellingen) veel invloed.  Rond 310 reisde hij naar Alexandrië om de door Maximus vervolgde christenen bij te staan. Maar het verlangen naar de eenzaamheid bleef. Hij trok in 312 verder de woestijn in (aangeduid als het binnengebergte – het zou om de berg al-Qalzam gaan, de kluis van Antonios ligt op 2km van het klooster Deir Mar Antonios). Hier bleef hij tot aan zijn  dood in 356.

Antonios de grote249

In 338 trok hij nog eenmaal naar Alexandrië om de leugen te ontkrachten dat hij zou meeheulen met de Arianen tegen zijn vriend en bisschop van Alexandrië, Athanasios. Hij veroordeelde in het openbaar de Arianen en waarschuwde tegen hun dwaalleer. Twee jaar later bezocht hij Paulus van Thebe (de oerkluizenaar) die stervende was. Deze schonk hem zijn unieke tuniek (uit palmbladeren geweven ) die Antonios steeds droeg op Pasen en Pinksteren. Antonios zette zijn ascetisch leven voort en overleed in 356 op 105-jarige leeftijd. Hij voorspelde zijn eigen dood. Hij vroeg om begraven te worden op een geheime plaats en niet gebalsemd te worden zoals toen nog gebruikelijk was bij de Egyptenaren. 

Rond 561 werd zijn stoffelijke resten toch gevonden en naar Alexandrië overgebracht. In 635 verhuisden de relikwieën naar Constantinopel en bleven daar tot in het jaar 1000. Waarschijnlijk door de kruisvaarten kwamen ze in Zuid-Frankrijk terecht. Op enkele partikels na zouden ze verloren zijn  gegaan. Er zou nog een deeltje liggen in het Sint-Anthonius klooster in de Dauphiné en een armreliek in Keulen.

De heiligverklaring van Antonios

Antonios de Grote wordt beschouwd als de vader van het anachoretisme (monnikenwezen in het algemeen)..

Stilzwijgende heiligverklaring

Antonios had tijdens zijn leven al een schare van bewonderaars : christenen die genezingen kwamen afsmeken en verkregen, buitenlanders die over zijn faam gehoord hadden, andere monniken die zijn voorbeeld volgden en in zijn  buurt kwamen wonen. Zijn verering breidde zich snel uit door de verspreiding van de  Vita Antonii en de Vaderspreuken (vooral na de vertaling van deze werken in het Grieks en Latijn). Ook door de Koptische monniken die over geheel West-Europa gingen prediken raakte zijn naam alom gekend. Nochtans heeft Antonios geen monastieke regels nagelaten (zoals Pachomius). Maar het anachoretisme oefende een aantrekkingskracht uit die navolging vond over het toenmalig Romeinse rijk.

Plechtige heiligverklaring

Reeds in de vijfde eeuw werd zijn vermoedelijke sterfdatum, zeventien januari, door Euthymus (abt van Palestina 377 tot 473) vastgelegd als herdenkingsdag. Ook in de heiligenkalender van Auxerre (fr) tussen 592  en 600 was 17 januari al de herdenkingsdag van Antonios.

antonius2

Belang van zijn persoon en de gevolgen van zijn  heiligverklaring

Reeds tijdens zijn leven oefende het kluizenaarsschap op velen een aantrekkingskracht uit. Het oostelijk Romeinse rijk stond meer open voor de diepere spiritualiteit dan het westelijke gedeelte. Rond het Middellands zeegebied ontstonden veel kluizenaarsgemeenschappen die tot in de late middeleeuwen succes kenden. Het anachoretisme werd veeleer beoefend door mannen dan door vrouwen ( praktisch reden : gevaren van de afgelegen streken). Zowel de heilige Augustinus als Benedictus zouden hun bekering aan Antonios te danken hebben

De spirituele benadering

Wat onmiddellijk opvalt is het grote verschil in benadering tussen het oosten en het westen. In het oosten, de Orthodoxe Kerk, vinden we Antonios terug als de grote bezieler van het monnikwezen met een diep inzicht in de groei van het geestelijk leven. Zijn iconografische afbeelding toont steeds een figuur met kapmantel en lange, grijze baard. Als attributen ziet men soms zijn staf (taustaf), een boek (het Heilige Schrift) of een perkamentrol en eventueel nog een bel aan de taustaf. Die manier van afbeelden grijpt terug naar de oorspronkelijke symboliek rond de figuur van Antonios. In het westen hebben alle grote kunstenaars,van de middeleeuwen tot nu, hem uitgebeeld met grootse visoenen van verschrikkelijke duivels (waarschijnlijk door de beschrijving van deze duivels in de Vita Antonii). Maar in de volksaanbidding is hij gekend als de heilige met het varken. De mythe rond het varken is ontstaan in de vroege middeleeuwen toen de arme plattelandsbevolking werd geteisterd door het Antoniusvuur of ergotisme. Deze ziekte komt door het eten van roggebrood dat besmet was door een schimmel. Kenmerkend voor deze ziekte waren het afsterven van de ledematen en de helse,brandende pijn. De zieke werd ook geteisterd door hallucinaties met een spirituele of religieuze inslag (vandaar ook het verband met de duivelse visoenen van Antonios).  In 1095 richtten ridders een hospitaalorde op : de Sint-Antoniusorde. Deze orde verzorgde de zieken en kreeg toelating om varkens te houden. Een beperkt aantal mocht vrij rond lopen in de toenmalige middeleeuwse steden. Het vlees werd op
17 januari uitgedeeld aan de armen en een gedeelte diende voor de bekostiging van de hospitalen. Zo is deze verering ontstaan . Antonios werd dan ook aanbeden als beschermheilige voor ziekten en als patroonheilige voor allerlei beroepen.

Antonius

Liturgie rond Antonios de Grote

 Antonios wordt gevierd op 17 januari. In de gewone liturgie wordt alleen de naam van de Heilige vermeld. Toch bestaan er tal van liturgische teksten en gebeden aan hem gewijd. Als voorbeelden zijn in de bijlage opgenomen: de gebeden en teksten die Dhr. Biesbroeck gevonden heeft in een Romeins Brevier. Verder een Griekse hymne (apolytkion en kontaktion), een troparion en nog een kondakion. Deze bevatten allen zeer lovende bewoordingen voor Antonios. Ook

de monastieke Cahiers beschrijven een aantal lofredes. De oudste is van Hesychius van Jeruzalem, die gehouden werd op 17 januari van een onbekend jaar, ergens tussen 420 en 450 na Chr.

Dit zijn slechts enkele voorbeeld want in iedere taal en kerk zijn er nog een heleboel gebeden, teksten en hymnen terug te vinden. Dit toont aan dat Antonios de Grote al een eeuwenlange verering kent.

Bronnen :

Algemene bronnen :

– De Vita Antonii – geschreven in het Grieks rond 370 na Chr door Athanasius, bisschop van Alexandrië en vriend van Antonios. De Vita is het eerste boek in een hele reeks van boeken over heiligenlevens, geschreven door veel auteurs tot in de late middeleeuwen. Dit boek was het ideale middel om het vroege christendom te promoten. Korte tijd later waren er reeds de eerste vertalingen in het Latijn (o.a. een vertaling van Evagrius, diaken te Antiochië). De Vita behoort tot de paranetische literatuur (literatuur die vanuit de Christelijke beginselen opwekt tot heiligheid naar aanleiding van een bepaald persoon). De nadruk ligt op het stichtelijke van het werk.

– De brieven van Antonios : twee reeksen : een van zeven en een van twintig brieven, gestuurd naar verschillende kloosters (o.a. van Arsinoë). De meeste brieven, die oorspronkelijk in het Koptisch geschreven zijn, bestaan nu nog in Griekse en Latijnse vertalingen. Er zijn echter nog fragmenten gevonden van de oorspronkelijke brieven. De echtheid van deze brieven wordt versterkt door het feit dat twee spreuken van Antonios aangehaald worden( nr. 8 en 22). Het enige historisch feit komt voor in een brief waar over Arius gesproken wordt. Arius is overleden rond het jaar 336. Inhoudelijk zijn deze brieven aanbevelingen voor een verdieping in het ascetische leven. De brieven getuigen ook van een grondige kennis van de H.Schrift.

– De Vadersspreuken : in totaal 170 uitspraken over het gedrag van de mensen en een stichtelijke levenswijze. In het Gerontikon staan er 38 spreuken, verder is er nog een reeks Koptische spreuken. Daarnaast bestaan er nog talrijke spreuken waarin Antonios aangehaald wordt.

Antonius Abt254

Persoonlijke bronnen :

-‘Leven, getuigenissen en brieven van de H.Antonius Abt’ -Monastieke cahiers – C.Wagenaar.

-‘Bevrijd en gebonden – de Kerk van Constantijn’ – Pierre Trouillez – Davidsfonds.

-‘Abba’s en andere asceten over Antonius’ – Adolphus.

-‘Antonius “der Grosse” – okumenische Heiligenlexikon en Bijgevoegde vertaling’

-Monniken – Abbaye Notre – Dame de Leffe

-Promotie van dr Bertrand – die evagriusubersetzung der Vita Antonii

-Anthony the Great – Orthodox Wiki

-St Anthony – Catholic encyclopedia

–‘Heiligenjaar – Heiligenlevens voor elke dag’ – deel 1 januari – orthodox klooster van de H. Joannes de Doper – p 72 tot 74

Antonius de Grote1

Vertalingen:

Vertaling van een gedeelte van de tekst uit Antonius der grosse -Okumenische Heiligenlexikon

Antonius zou 105 jaar zijn geworden. Toen zijn volgelingen hem begroeven zouden er engelen rondom hen hebben gestaan. Van zijn brieven zouden er zeven overgeleverde Latijnse vertalingen als echt gelden en verder ook nog een brief over het oprechte berouw.

Antonius zijn verering begon reeds in 500 na Chr. Zijn relikwieën werden in 561 overgebracht naar Alexandrië. En verhuisde
n in 635 naar Constantinopel (huidige Istanboel) en dan in het jaar 1000 naar Zuid-Frankrijk. In 1491 werden ze naar Arles overgebracht. Nu liggen ze in het klooster van de Sint-Antoniusorde in St.Antoine in de Dauphiné (Fr).

Antonius de Grote 458

Vertaling uit St Anthony founder of Christian monasticism – Catholic encyclopedia.

Antonios de Grote  

Stichter van  het monachisme

De belangrijkste bron van informatie over Antonios de Grote is de griekse vertaling die aan St. Athanasius wordt toegeschreven en die  in meerdere uitgaven en wordt teruggevonden.Aan het eind van dit artikel wordt gesproken over de controverse betreffende de Vita Antonii  hier zal het voldoende zijn om te zeggen dat nu het met praktische eenstemmigheid door geleerden als wezenlijk historisch verslag, en als waarschijnlijk authentiek werk van St. Athanasius wordt aanzien.

De waardevolle hulpinlichtingen worden verstrekt door secundaire bronnen: „Apophthegmata”, voornamelijk  verzameld onder de naam van Antonios (bij het hoofd van de alfabetische inzameling van Cotelier, P.G. LXV, 7]); Cassian, vooral Coll. II; Palladius, „Historica Lausiaca”, 3.4.21.22 (E-D. Butler). Dit werk  kan waarschijnlijk worden goedgekeurd als wezenlijk authentiek, terwijl dat van St. Jerome het „Leven van St. Paul de heremiet” voor historische doeleinden niet kan worden gebruikt.

Antonios was geboren in Coma, dichtbij Heracleopolis Magna in Fayum, in het midden van de derde eeuw. Hij was de zoon van welstellende ouders, en bij hun dood (hij was toen 20 jaar) erfde hij hun bezit. Hij had de wens om het leven van de Apostelen  en de vroege Christenen te imiteren  Op een dag in de kerk bij het horen van het evangelie het verhaal van de rijke jongeling  deed hij al zijn bezit en goederen weg, en wijdde zich uitsluitend aan het godsdienstige leven..

Reeds lang was het bij de Christenen gebruikelijk om ascetisch te zijn, niet te huwen ,nederig te vasten, te bidden en werken van barmhartigheid te stellen maar zij deden dit zonder hun huis of familie te verlaten. Later, in Egypte, leefde dergelijke asceten in hutten aan de rand van de steden en de dorpen, en dit was de gemeenschappelijke praktijk tot 270, toen Anthony zich uit de wereld terugtrok. Hij begon zijn ascetische leven  zonder zijn geboorteplaats te verlaten. Hij had de gewoonte  om diverse asceten te bezoeken, hun leven te bestuderen, en te proberen om van elk van hun  deugden te leren waarin zij schenen uit te blinken. Dan trok hij zich terug  in één van de graven, dichtbij zijn geboortedorp , en daar was het dat hij  die vreemde conflicten had met demonen en wilde beesten die hem soms voor dood achterlieten;.,Op de leeftijd van vijfendertig ging  Antonios  in absolute eenzaamheid  gaan leven. Hij stak de Nijl over en op een berg dichtbij de het oostbank, toen  Pispir, nu Der el Memum, vond hij een oud fort waarin hij zich op sloot om daar twintig jaar in volstrekte afzondering door te brengen. Het voedsel werd hem over de muur toegeworpen. Hij werd af en toe bezocht door pelgrims, die hij weigerde om te zien Maar een aantal zogenaamde discipelen vestigden zich geleidelijk aan in holen en in hutten rond de berg. Er werd  dus werd een kolonie van asceten gevormd, die  aan Antonios vroegen om  hun gids in het geestelijke leven te zijn. Rond 305 beeindigde hij zijn  opsluiting en kwam  te voorschijn. Tot  verrassing van allen, scheen hij te zijn zoals toen hij in was gegaan, niet uitgemergeld, maar krachtig in lichaam en mening.

Vijf of zes jaar wijdde hij zich aan de organisatie van monniken die  rond hem was gegroeid; maar toen trok hij zich nog verder in de binnenwoestijn terug ( tussen de Nijl  en de Rode zee). Dichtbij de kust vestigde hij zich op een berg waar zich  het klooster bevindt dat zijn naam draagt, Der Mr Antonios . Hier bracht hij de laatste vijfenveertig jaar van zijn leven in afzondering door, niet zo strikt als Pispir, want hij kreeg regelmatig bezoek . In de Vita Antonii staat  dat hij  twee maal  naar Alexandrië ging omwille van  de Christelijke martelaren in de vervolging van 311, en eens  rond (c. 350) om tegen Arianen te prediken. De Vita Antonii beschrijft dat hij op de leeftijd van honderd vijf stierf, en St. Jerome  plaatste zijn dood in 356-357 . Al deze chronologie is gebaseerd op de hypothese dat deze datum en cijfers in de Vita correct zijn. Op zijn eigen verzoek werd zijn graf geheim gehouden  door de twee discipelen die hem begroeven..

 Een  ander  oordeel  gaat over geschriften die gevonden zijn. . De preken en twintig Epistels in  het Arabisch zijn door historici als  onecht bestempeld.

St. . Jerome (Illinois van DE Viris, lxxxviii) kende zeven epistels die uit Koptisch in het Grieks werden vertaald; de griekse vertaling is verloren gegaan , maar een Latijnse versie bestaat (ibid.), en ook  Koptische fragmenten  van drie van deze brieven, die aansluiten bij de latijnse vertaling ; zij kunnen authentiek zijn, maar het zou voorbarig zijn om te beslissen. Beter is de positie van een Griekse brief aan Theodorus, die in de „ Theophilum wordt bewaard van Epistola Ammonis”, sekte. 20 het blijkt om een vertaling van het Koptische origineel te gaan ; er schijnt voldoende reden te zijn  om geen twijfels te hebben of het werkelijk door Antonios werd geschreven (zie Butler, Geschiedenis Lausiac van Palladius, Deel I, 223). De autoriteiten zijn het ermee eens geweest dat Antonios geen Grieks kende en slechts Koptisch sprak. Er bestaat een kloosterregel die van Antonios naam draagt, die in Latijnse en Arabische vorm wordt bewaard (P.G., XL, 1065). Deze zou waarschijnlijk uit  Antonios zijn woorden zijn samengesteld.  het gaat om uitingen die aan hem in de Vita  en Apophthegmata worden toegeschreven het bevat echter ook een element dat uit spuria en ook uit de „Regels Pachomian” wordt afgeleid. Deze regel kende succes in Egypte en het Oosten. Het is ook  de regel die door de Monniken Uniat van Syrië en Armenië wordt gevolgd, van wie Maronites, met zestig kloosters en 1.100 monniken, het belangrijkst is en  het wordt ook gevolgd ook door de schaarse resten van Koptische kluizenaars.

Het is niet eenvoudig  om Antonios de Grote zijn  plaats en zijn invloed in de geschiedenis van het anachoretisme te verklaren. Hij was waarschijnlijk niet de eerste Christelijke hermiet maar  Antonios was er de erkende leider van . Noch was Antonios een groot wetgever en een organisator van monniken, zoals
zijn jongere eigentijdse Pachomius; (, hoewel de eerste stichtingen van Pachomius waarschijnlijk zowat tien of vijftien jaar later  zijn gesticht na zijn terugkeer uit Pispir). En men  kan ook niet aantonen dat Pachomius direct door Antonios werd beïnvloed,  zijn instituut was anders opgebouwd.. En toch is het overvloedig duidelijk dat van het midden van de vierde eeuw in heel Egypte en ook door  de Pachomiaanse monniken naar Antonios werd opgekeken als stichter en vader van anachoretisme .

Deze grote positie was zonder twijfel toe te schrijven aan zijn persoonlijkheid en bijzonder karakter, kwaliteiten die duidelijk in alle verslagen naar voren gekomen. De beste studie van zijn karakter is Newman in de „Kerk van de Vaders” (herdrukt in „Historische Schetsen”). Hij zegt het volgende : „Zijn doctrine  was zuiver en voorbeeldig; en zijn karakter is hoog en hemels, zonder lafheid, zonder mistroostigheid, zonder formaliteit, zonder zelfgenoegzaamheid. Wantrouwen is verachtelijk en buigend,  het wantrouwt God, en vreest de bevoegdheden van kwaad. Antonios had niets van dit alles, hij is vol van vertrouwen, van  goddelijke vrede en vol van enthousiasme. Zelfs op het hoogtepunt van zijn  enthousiasme was hij niet fanatiek of hard,  zijn matiging  komen in veel van de verhalen verwant aan hem duidelijk uit. Abt Mozes in Cassian (Coll. II)zegt de minzaamheid van  Antonios de essentie  is voor het bereiken van de perfectie   Het kleine bekende verhaal van Eulogius en Cripple, dat in de Geschiedenis Lausiac (xxi) wordt bewaard, illustreert het soort raad en richting die hij aan zijn monniken heeft gegeven die naar zijn begeleiding streefden.

Het monachisme gesticht door Antonios werd de algemene norm in Noordelijk Egypte, in Lycopolis (Asyut) en  het Middellandse-Zeegebied. In tegenstelling tot het cenobetisme  gesticht  door Pachomius in het Zuiden, bleef het noorden het kluizenaarskarakter behouden, de monniken leefden  in afzonderlijke cellen of hutten om slechts nu en dan voor de kerkdiensten samen te komen , zij hadden hun eigen persoonlijk regels en leefden niet volgens gemeenschappelijke regels  (zie Butler, op. CIT, Deel I, 233-238). Dit was de vorm van het kloosterleven in de woestijnen van Nitria en Scete, zoals afgebeeld door Palladius en Cassian. Dergelijke groepen semi-onafhakelijke hermitages heten ” Lauras” en hebben altijd in het Oosten opzij van de kloosters Basilian bestaan. In het westen wordt het monachisme van Antonios teruggevonden bij de orde van de Kartuizers. Dit  was Antonios  zijn levenswijze  karakter en  zijn rol in de Christelijke geschiedenis. Hij wordt juist erkend als de vader niet alleen van monachisme , strikt zogenaamd, maar van het technische godsdienstige leven in elke vorm . Weinig namen hebben op het menselijke ras een zo diepe en innige invloed uitgeoefend ..

Er moet toch nog iets gezegd worden over de controverse die heerst bij  de generatie rond 1870 betreffende Antonios  en de Vita Antonii . In 1877 ontkende Weingarten het  auteurschap  van Athanasius en het historische karakter van het Vita Antonii (   hij was van mening dat het om een roman ging en geen realiteit). Volgens hem waren er rond 340  geen Christelijke monniken . Antonios leefde volgens hem een eeuw later.. Sommige imitators in Engeland gingen steeds verder en ontkenden dat Antonios ooit had bestaan. Aan iedereen vertrouwd met de literatuur van kloosterwezen in Egypte leek het alsof Antonios een gefingeerde held was die niet bij machte was een plaats te veroveren in de kloostergeschiedenis . Uiteindelijk worden  deze theorieën verlaten,  de Vita Antonii wordt als zijnde historisch aanvaard  alsook Athanasius De geschiedenis van de  traditionele  kloosteroorsprong wordt in grote mate hersteld. Deze episode is nu voornamelijk van belang als   voorbeeld van een theorie die werd aangesneden en toen algemeen aanvaard , en toen volledig tijdens  één enkele generatie weer werd verlaten. (op de controverse zie ler, op. CIT Deel I, 215-238, Deel II, ixxi).

 Werkstuk voor de cursus Hagiologie

Onderdeel van studiepakket van het programma van het eerste jaar aan het Orthodox Vormingscentrum “heilige Johannes de Theoloog” door Mariëlle De Bom. Docente : Mevrouw N. ZHirovova

auteur : Mariëlle De Bom Van Driessche

Met dank voor dit prachtig werk !

Antonios de Grote

Leven van heiligen : Johannes chrysostomos (Arabisch)

Heilige Johannes Chrysostomos

 De Heilige Johannes Chrysostomos

zijn leven 

Johannes werd omstreeks het jaar 349 geboren te Antiochie. Hij werd in het jaar 372 gedoopt en begon met zijn studies. Hij trok zich terug als kluizenaar. Toen hij echter zwaar ziek werd, moest hij zijn kluizenaarsleven opgeven. Hevig verzwakt nam hij zijn studies weer op en na enige tijd, toen hij weer op krachten was, werd hij in 381 tot diaken gewijd. Vijf jaar later werd hij tot priester gewijd. Zijn naam “Chrysostomus” ( Gulden Mond) kreeg hij om zijn welsprekendheid en zijn vele geschriften ten dienste van de geloofsleer en het christelijk leven.Hij was een fijn besnaard prediker en iedereen luisterde met volle teugen naar zijn woorden.Hij was een groot vereerder van de apostel Paulus, zodat men geloofde de H. Paulus hem bij het samenstellen van de geschriften had geholpen.

In 397 werd hij tot patriarch van Constantinopel gekozen. Hij liet ziekenhuizen bouwen en zorgde voor de armen. Talrijke werken heeft hij geschreven over het kloosterleven, de maagdelijkheid, het priesterschap, doorlopende verklaringen van de heilige Schrift. Hij was een groot zielenherder en een beschermer van weduwen en wezen, een vrijmoedig bisschop die “berispt, of het gelegen komt of niet”, die ook het misnoegen van de vorsten, zelfs van keizerin Eudoxia niet vreesde. Hij viel in ongenade bij het keizerlijk hof en moest tot twee maal toe in ballingschap gaan vanwege de afgunst die er in deze kringen heerste. Toen keizerin Eudoxia twee maanden later een miskraam kreeg zag zij dit als een straf omdat zij Johannes verdreven had. Zij liet daarop de bisschop terughalen. Toen zij echter weer beter was stuurde zij de bejaarde man weer in ballingschap naar Kukusus in Armenie. Drie jaren later stuurde men Chrysostomus weer in ballingschap naar een verder oord. De oude en zwakke man was niet in staat deze reis te voltooien. Zwaar aangeslagen en zwak door ontberingen stierf hij op 14 september 407 in Comana Pontus. Zijn laatste woorden waren:
“God zij voor alles geprezen”.

 

Johannes Chrysostomos heeft krachtdadig ingegrepen in de liturgie van de Oosterse Kerk. (De tot op heden de meest gebruikelijke viering van de H.Mis volgens de Griekse ritus heet “de liturgie van de H.Johannes Chrysostomus”).

 

De Heilige Johannes Crysostomos

 

  † 407  Johannes Chrysostomus

Johannes Chrysostomus, Constantinopel, Klein-Azië; bisschop, kerkvader & kerkleraar; † 407.

Feest 27 (overbrenging relieken naar Constantinopel) & 30 januari (de Drie Hiërarchen) & 13 & † 14 september & 13 november (oosterse kerk) & 15 december (bisschopswijding).

Johannes werd geboren te Antiochië, Syrië, in het jaar 347. Hij verloor als klein kind al zijn vader. Zijn moeder, Anthusa geheten, was christin; ze bracht hem de eerste beginselen van het geloof bij, maar liet hem niet dopen. Daar zou hij als volwassene zelf voor moeten kiezen.

Johannes kreeg een opleiding tot rhetor. Welsprekendheid was in zijn tijd misschien wel het belangrijkste vak om verder te komen in de wereld: je moest het woord kunnen voeren. Omdat hij een hoogbegaafd spreker was, vlug van begrip en glad van de tongriem gesneden, leek er voor hem een prachtige politieke carrière weggelegd. Maar tijdens zijn studies was hij gaan ontdekken dat de christelijke geloofsleer eigenlijk de enige levensbeschouwing was die iets te vertellen had over alle facetten van het leven, inclusief de kennis van het goddelijke, de zichtbare en onzichtbare wereld, de wetenschap, de vragen rond goed en kwaad en je eigen persoon.

Hij trok zich als monnik terug in de eenzaamheid om God te zoeken en beter te leren kennen. Van daaruit werd hij in 398 tegen zijn zin door patriarch Theofilus van Alexandrië († 412; feest 15 oktober) geroepen om Sint Nectarius († 397; feest 27 september) op te volgen als patriarch van Constantinopel, destijds de hoofdstad van het Oost-Romeinse Rijk. In die hoedanigheid herzag hij de Griekse liturgie en besteedde hij veel aandacht aan bijbeluitleg. Hij had een grote bewondering voor Sint Paulus. Volgens zeggen zou deze hem dan ook meermalen verschenen zijn om hem te helpen bij de interpretatie van moeilijke passages in de Heilige Schrift. Over zijn uitleg van het evangelie van Matteüs moet de grote kerkgeleerde Sint Thomas van Aquino eens gezegd hebben: ‘Het bezit daarvan zou mij liever zijn dan de hele stad Parijs’.

In zijn preken en geschriften, waarvan er vele bewaard zijn gebleven, wist hij te zeggen waar het op stond. De zuiverheid van geloof en zeden ging hem boven alles. Hij joeg daarmee keizerin Eudoxia tegen zich in het harnas. Tot tweemaal toe wist zij gedaan te krijgen dat hij in ballingschap moest. Ongebroken ijverde Johannes voor de verbreiding van de christelijke geest: hij preekte, schreef, stuurde zendelingen naar delen van de wereld waar het christendom nog niet was doorgedrongen; hij deed wèl aan de armen; kortom hij was even geliefd bij zijn eigen mensen als gehaat bij zijn tegenstanders. Hij schreef o.a. drie boeken over seksuele onthouding: ‘Over de maagdelijkheid’, ‘Aan een jonge weduwe’ en ‘Over het éne huwelijk’; daarnaast pastorale werken als ‘Over het priesterschap’ (uit 386) en ‘Over ijdele roem en de opvoeding van kinderen’.
Hij stierf in 407 in ballingschap in het Armeense stadje Comana (het huidige Tokat, Noordoost-Turkije), zestig jaar oud.
Daar vond hij ook voorlopig zijn laatste rustplaats.

Verering & Cultuur
Dertig jaar na zijn dood hield zijn opvolger in Constantinopel, patriarch Proclus († 446; feest 24 oktober), een preek, waarin hij zijn leermeester en geestelijk leidsman Johannes Chrysostomus in herinnering riep. Hij zei het te betreuren dat zijn geliefde vader in ballingschap was gestorven, vervolgd omwille van de goede zaak. Tenslotte sprak hij de wens uit zijn relieken hier in de kerk te hebben in het midden van de mensen voor wie hij zijn energie en in zekere zin ook zijn leven had gegeven. De toehoorders waren enthousiast. De oude liefde voor hun vroegere bisschop was gewekt. Ook de keizer van dat moment, Theodosius Junior, deelde in het enthousiasme.

Hij gaf opdracht om het stoffelijk overschot van Johannes in Comana op te gaan halen. De legende vertelt hoe de reliekschrijn niet van zijn plaats wilde, totdat keizer Theodosius aan de gestorven Johannes een openbare brief had geschreven, waarin hij zijn spijt betuigde over het gedrag van zijn moeder, de voormalige keizerin Eudoxia; immers zij was verantwoordelijk geweest voor Johannes’ ballingschap. In zijn brief smeekte de keizer Johannes dus terug te keren naar zijn oorspronkelijke standplaats, Constantinopel. De brief werd op de reliekschrijn gelegd, en vanaf dat moment was hij zo licht als een veertje. Ieder die de schrijn aanraakte, werd genezen van welke kwaal dan ook. De tocht van Comana naar Constantinopel werd een triomftocht. Bij aankomst in de hoofdstad herhaalde keizer Theodosius zijn bede om vergiffenis; het was alsof het zijn moeder zelf was die sprak door zijn mond: “Toen ik in dit tijdelijke bestaan verkeerde, heb ik u kwaad gedaan. Maar nu u leeft in eeuwigheid, bid ik u: kom mijn ziel te hulp. Mijn roem is vergaan, en ik ben alleen nog aangewezen op hulp van anderen. Help mij, vader, vanuit uw glorie. Help mij, voor het te laat is, en ik veroordeeld word voor de troon van Christus, de eeuwige Rechter.”

Daarop werd de schrijn de kerk ingedragen en op de bisschopszetel geplaatst. Op dat moment weerklonken deze woorden uit zijn mond: “Vrede zij met u allen!” Dit vond plaats in het jaar 438.
In 1568 werd hij door paus Pius V uitgeroepen tot kerkleraar.Hij is patroon van predikanten, kanselredenaars en bijenkwekers (vanwege zijn welsprekendheid, die vaak met honing wordt vergeleken) en van studenten.
Hij wordt aangeroepen tegen toevallen (een herinnering aan de genezingen tijdens de overbrenging van zijn reliekschrijn).
Hij wordt afgebeeld in liturgische gewaden (hij heeft veel geschreven over de heilige liturgie), met een boek, een bijenkorf (symbool voor de honingzoete woorden die uit zijn mond kwamen), met een duif (die zou bij zijn bisschopswijding vanuit den hoge neergedaald zijn en op zijn schouder zijn gaan zitten), met een engel (die zou hem herhaaldelijk verschenen zijn om hem te troosten, met name in zijn ballingschapsperiodes om hem te troosten).
In de oosterse kerk draagt Johannes naast de eretitel ‘Chryso-stomos’ (= ‘Gulden-mond’) ook nog de titel ‘Gouden Trompet van de Orthodoxie’. Daar behoort hij met Athanasius de Grote, Basilius de Grote en Gregorius van Nazianze tot de vier grote Oosterse kerkvaders.

(Overgenomen uit Heiligen -3s)(http://www.heiligen-3s.nl/)

Heilige Maria van Egypte -5e zondag in de vasten

 


Vijfde zondag in de Vasten

Heilige Maria van Egypte

Maria van Egypte
 

H.Maria van Egypte, belijdster

Over het leven van haar is ons weinig bekend. Wel weten we dat de waarheid en legenden zeer nauw tegen elkaar liggen. Zij is geboren in de vierde eeuw in de stad Alexandrie in Egypte uit een huwelijk van christelijke ouders. 
Zij verdiende er de kost als prostituee. Op een dag bood zij haar diensten aan op een pelgrimstocht naar het Heilige Land. Na haar aankomst in Jeruzalem het feest van de
Kruisverheffing gingen de pelgrims in de Grafkerk. Ook Maria wilde naar binnen gaan. Op het moment dat zij de kerk wilde betreden werd zij als door een onzichtbare hand tegengehouden en haar de toegang geweigerd. Een innerlijke stem zei dat zij het niet waard was de kerk te betreden en het Kruis te aanschouwen van Hem die voor onze zonden is gestorven. Als getroffen door de bliksem stortte zij ter aarde en begon in diepste berouw haar zonden te belijden. 

Van de drie muntstukken, die zij had ontvangen van een onbekende terwijl zij voor de deuren van de kerk verbleef, kocht zij drie broden en trok daarna de Jordaan over de woestijn in. Daar verbleef zij 47 jaren lang elke dag in boete, volledig afgescheiden van de wereld. Na vijftig jaren, zo vertelt de legende, werd zij door de monnik Zosimus gevonden. Zij was geheel verwaarloosd en geheel met haar haren bedekt. Van hem ontving zij de heilige communie. Daarop vroeg Maria hem om na precies een jaar terug te komen. Dit beloofde hij en na een jaar vond hij haar dood op de grond liggen. in het zand had zij  geschreven dat zij graag begraven wilde worden. Terwijl de monnik dit las kwam er een leeuw en begon met zijn klauwen een graf te delven. Maria van Egypte is in 430 gestorven.

Patrones van: Boetelingen, berouwvolle zondaressen.
Patrones tegen: Koorts

 

 TROPARION

In u, o Moeder, werd duidelijk gered Gods evenbeeld, want nadat hijn het Kruis aanvaard hebt om Christus na te volgen, leerde gij door uw voorbeeld om het vergankelijk vlees te verachten, maar te zorgen voor de ziel die onsterfelijk is. Daarom o heilige moeder Maria, verheugt zich uw geest met de Engelen

KONDAKION

Gij die eens van ontucht vervuld waart, zijt nu foor het berouw de bruid van Christus. Vol verlangen naar de levenswandel der Engelen, hebt gij de demonen overwonnen door het wapen des Kuizes. Daarom zijt gij, heerlijke Maria, nu verschenen als de Bruid des Konings.

Bron : heiligenlevens

http://www.heiligen.net/mei/frm1305.htm

De Heilige Johannes Climacos(vierde zondag van de vasten)

   


  cooltext84756826

                       

Feestdag op 30 maart Gedachtenis op de IV de zondag van de grote vasten


Johannes Climakos (verkleind)

“De stroom van uw tranen heeft de onvruchtbare woestijn doen bloeien, en door uw zichten uit de diepte heeft uw arbeid honderdvoudig vrucht gedragen. Zo zijt gij, onze heilige Vader Johannes, een ster geworden, die heel de wereld verlicht door uw wonderen. Bid tot Christus, onze God, om onze zielen teredden” (troparion in toon 8)

Zijn leven  

Men kan het leven van de heilige Johannes van de ladder een lofzang noemen. We kunnen hem typeren als een man van gebed en beschouwing. “Want Johannes was genaderd tot de geheime berg waartoe de niet-ingewijden geen toegang hebben, en opgevoed in de stadia van het geestelijke leven, had hij het visioen (van God) en de door Hem geschreven wet ontvangen.” Hij is een soort nieuw gemanifesteerde Mozes. Men weet weinig over zijn leven. Alles wijst er op dat hij gestorven is in het midden van de VIIde eeuw. Hij kwam zeer jong toe in de Sinaï en bleef er gans zijn leven. Hij was er gedurende vele jaren in de leer bij een geestelijke vader. Na diens dood leefde Johannes als kluizenaar in een niet zo verafgelegen maar wel eenzame grot. Hij was reeds hoog bejaard toen hij tot higoumen van het klooster werd verkozen. Hij was dit voor korte tijd en keerde terug naar het kluizenaarsleven(2)

De Ladder van de heilige Johannes Climacos  

Toen hij kloosteroverste was schreef hij zijn Ladder, “een boek dat genoemd wordt: de tafels van de spirituele weg”, “voor de opbouw van de nieuwe Israëlieten, te weten de nieuwkomers die het spirituele Egypte en de oceaan van het bestaan hadden verlaten”. Het is een systematische beschrijving van de normale monastieke weg, volgens de stadia van de spirituele volmaaktheid.
Fundamenteel hierin is precies het systeem: de idee van een logische en regelmatige voortgang in de ascetische strijd. De Ladder is geschreven in een eenvoudige, bijna volkse taal. De auteur houdt van vergelijkingen aan het dagelijkse leven ontleend, hij houdt van spreuken en gezegden. Hij schrijft zijn persoonlijke ervaring neer. Toch blijft hij steeds steunen op de traditie, op het
onderricht van de “door God geïnspireerde vaders”. Hij refereert naar de vaders uit Kappadocië, naar Nilus en Evagrius, naar de Apoftegmata en naar een Cassianus en een Gregorius de Grote in het Westen. De Ladder eindigt met een “Brief aan de herder” waar Johannes het heeft over de plichten van de kloosteroverste.

De Ladder is het te lezen boek bij uitstek en dit niet enkel in de kloosters. Het bewijs is het grote aantal kopijen in oost en in west.
Het plan van het boek is zeer eenvoudig. Het is bepaald door de logica van het hart, eerder dan door de logica van de geest (verstand). De praktische raadgevingen worden gestaafd door de psychologische analyse. Elke vereiste moet worden uitgelegd. Dit betekent dat hij die de ascese beoefent duidelijk moet weten waarom deze of gene vereiste hem aangereikt wordt en waarom dat in deze logische volgorde gebeurt. Vergeten we niet dat Johannes speciaal voor monniken schrijft en dat hij steeds de levensomstandigheden in de kloosters voor ogen heeft.

De eerste vereiste van het monachisme is te verzaken aan al wat van de wereld is. Het verzaken (aan de wereld) is slechts mogelijk door de vrijheid, de vrije wil, en deze vrijheid is de essentiële waardigheid van de mens. De zonde bestaat erin God vrijwillig af te wijzen of van zich van Hem te verwijderen. Deze ontkenning van het leven, dat is de vrijwillige dood, een soort van ingestemde zelfmoord.

De ascetische strijd bestaat erin zich tot God te keren in alle vrijheid en met heel zijn wil, bestaat erin Christus te volgen en na te volgen. Het is dus anders gezegd steeds zijn wil richten en zich naar God keren.

Het hoogtepunt van de ascese wordt beleefd in het monachisme. “De monnik is een permanent geweld aan de natuur aangedaan en het onophoudelijk bewaken van de zinnen. Het verzaken aan de wereld moet totaal en absoluut zijn: “het verwerpen van de natuur om de goederen te ontvangen die hoger zijn dan de natuur“. Dit is een zeer belangrijke tegenstelling: het “natuurlijke” wordt doorbroken ten voordele van het boven-natuurlijke en is niet vervangen door het tegen-natuurlijke. De opdracht van de ascetische strijd bestaat erin de natuurlijke vrijheid te sublimeren (op te tillen), maar dit betekent niet het bevechten van haar authentieke wetmatigheden. Het is daarom dat alleen de ware motivaties en het waarachtige doel het verzaken (aan de wereld) en de ascetische strijd rechtvaardigen.

De ascese is een middel, niet het doel. En de ascetische strijd bereikt slechts zijn volmaaktheid wanneer Jezus Zelf komt en de steen van de deur van het verharde hart komt wegrollen. Zoniet is de ascese steriel en ijdel.

De opdracht ligt niet in het verzaken zelf, maar in die vereniging met God die slechts realiseerbaar is doorheen een authentiek verzaken, te weten het vrij-komen van de wereld, Het vrij-komen van de hartstochten en neigingen, van de gehechtheden en de aantrekking van de wereld teneinde de apatheia te vinden en te verwerven. In de ascetische strijd zelf is de motor van het proces het belangrijkste: i.e. de liefde voor God en de bewuste keuze. Voor het overige kan zelfs de onvrijwillige strijd vruchtbaar zijn: verzaken naargelang de omstandigheden (het vragen). Ook als men (tot verzaken) gedwongen wordt, want de ziel kan ook plotseling ontwaken. “En welk is de wijze en trouwe monnik, die de vurigheid tot aan
het einde van zijn leven heeft bewaard zonder deze uit te doven, en die, tot op het einde van zijn leven, elke dag onophoudelijk dit vuur in het vuur aanwakkert, deze vurigheid in de vurigheid, deze ijver in de ijver en dit verlangen in het verlangen?”. Het is met andere woorden niet zozeer het los staan ten opzichte van de wereld, dan wel het brandende verlangen om naar God uit te gaan, dat van belang is. Het verzaken bereikt zijn volmaaktheid in het spirituele omzwerven. De wereld moet vreemd worden en vreemd voorkomen. “Het (geestelijk) omzwerven bestaat erin alles achter zich te laten, zonder erop terug te komen, wat, in het vaderland, ons tegenwerkt in onze inspanning voor de vroomheid.” Het is de weg naar het zo verlangde goddelijke. En het feit van zich tot vreemdeling te maken is enkel te rechtvaardigen om “de eigen gedachte onafscheidbaar te maken van God”. Anders zou de pelgrimstocht naar God een ijdele omzwerving zijn zonder doel.
 

Het (geestelijk) omzwerven moet zich niet voeden met de haat voor de wereld en voor diegenen die in de wereld blijven maar enkel met de oprechte liefde voor God. Werkelijk, deze liefde is exclusief en dooft zelf de liefde voor de ouders. En het verzaken moet onvoorwaardelijk zijn: “Trek weg uit uw land, uw ras en het huis van uw vader” (Genesis XII,1). Maar, deze “haat” voor wat in de wereld achtergelaten is, is een “haat zonder hartstocht”. Het monachisme is een  uittocht uit het “vaderland”. Dit is uit de sociale omgeving waarin ieder zich bevindt uit hoofde van zijn geboorte. Het monachisme is de verleidingen en geneugten vluchten. Men moet een nieuw milieu creëren en gunstige omstandigheden voor de ascese: “Dat uw vader diegene is die metu kan en wil zwoegen om de zware last van uw zonden te dragen”. Deze nieuwe levensorde komt tot stand in alle vrijheid. Niettemin is het belangrijk eens te meer te verzaken: nu aan de eigen wil, maar niet aan zijn vrijheid. Het gaat hier over het stadium van de gehoorzaamheid.  

Gehoorzamen is niet de vrijheid verstikken, maar de wil transfigureren, zijn neiging voor hartstochten in de wil zelf overstijgen. “De gehoorzaamheid is het graf van de eigen wil en de opstanding van de nederigheid”. Het is “een leven vreemd aan de nieuwsgierigheid” of “een daad die niet beproefd wordt”. (…) De
gehoorzaamheid wordt gerechtvaardigd door het geloof in en de hoop op de hulp van God. De onwankelbare hoop is de poort die leidt tot de passieloosheid. (…) De gehoorzaamheid is een anticipatie van de waarachtige apatheia. “De gehoorzame, als een dode, weerspreekt niet en argumenteert niet, noch ten aanzien van wat goed is, evenmin ten aanzien van wat slecht lijkt”. (…)

De innerlijke strijd gaat via het berouw. Of juister gezegd: het berouw of de droefheid over de zonden is het eigenlijke (spirituele) element dat de ascese mogelijk maakt. Het berouw is verbonden met de gedachtenis van de dood. Het gaat hier over de spirituele anticipatie van de dood en in zekere zin al een “dagelijkse dood”. De waarachtige “gedachtenis van de dood” is slechts mogelijk door de totale afwezigheid van hartstochten en het volmaakte verzaken aan de (eigen-) wil. Er is geen vrees in deze gedachte. En dit is een gave van God.

De volgende stap zijn de tranen en de tranen van vreugde. “Het berouw is de vernieuwing van het doopsel” en de tranen zijn meer dan het doopsel. “De bron van de tranen na het doopsel is meer dan het doopsel”, hoe paradoxaal dit ook moge zijn. Want de tranen zuiveren onophoudelijk de zonden die begaan worden. Er zijn tranen van vrees en tranen die de barmhartigheid afsmeken; en er zijn ook de tranen van liefde, die getuigen dat het gebed werd verhoord. “Wij zullen niet beschuldigd worden, mijn broeders, omdat wij geen wonderen hebben verricht, niet omdat wij geen theologie hebben bedreven, niet omdat wij geen visioenen hebben gehad. Maar zonder enige twijfel zullen wij rekenschap moeten geven aan God omdat wij niet zonder ophouden onze zonden hebben beweend”.

“Gij waart een bewoner van de woestijn en hebt daar geleefd
als een Engel in het vlees. Wonderbaar hebt gij allen bijgestaan,
 
heilige Goddragende Vader Johannes: door uw vasten, uw waken en uw gebed hebt gij de hemelse genadegaven ontvangen. Gij geneest de zieken en de zielen van hen die gelovig tot u komen. Ere zij Hem, Die u kracht heeft geschonken, ere zij Hem Die u gekroond heeft; ere zij Hem, Die door u aan allen genezing schenkt” (Troparion in toon 1)

De apatheia, het doel van de ascese  

Het doel van de innerlijke ascetische strijd is de apatheia te verwerven, de afwezigheid van hartstochten. De innerlijke opdracht om dit op gang te brengen herleidt zich tot het onophoudelijk doven van de hartstochten. Het is noodzakelijk erop gericht te zijn en erin te slagen om, in zichzelf, de beweging en het ontwaken van de hartstochten een halt toe te roepen.

Voor alles moeten we de neigingen tot toorn (woede) overstijgen, dit “onweer van het hart”; we moeten de afwezigheid van toorn verwerven, de zachtmoedigheid, de vrede en de stilte. Voor de heilige Johannes Climacos, is de toorn gebonden aan de eigenliefde. Daarom definieert hij de afwezigheid van toorn als “het onlesbare verlangen naar vernederingen” en de zachtmoedigheid als “een onwrikbare gesteldheid van de ziel die gelijk blijft aan zichzelf in de eer en de oneer”. Nog hoger (op de ladder) staat de volmaakte afwezigheid van wrok, naar het beeld van de zachtmoedigheid van Jezus. Men moet er zich totaal van onthouden te oordelen. “Voor hen die zondigen, bid in het geheim: deze vorm van liefde is God aangenaam”. Oordelen en veroordelen passen niet bij diegenen die zich berouwen. “Oordelen betekent zich op hoogmoedige wijze de rang van God eigen maken”. Want de mens kan niet alles kennen, en zonder alles te kennen gaat men vluchtig oordelen. “Zelfs als gij met uw eigen ogen iemand ziet die zondigt, oordeel hem niet. Want vaak gaan zelfs de ogen bedriegen”.

De heilige Johannes Climacos spreekt vaak over hoe men de zinnelijke begeerten kan overwinnen en de zuiverheid kan bereiken. De bron van de zuiverheid is in het hart. De zuiverheid overstijgt de menselijke krachten, zij is een gave van God, zelfs indien zij bekomen wordt door de ascese.

De liefde voor het geld wordt overwonnen door de bezitloosheid, wanneer wij “alle aardse zorgen terzijde stellen”. Het is een vorm van afwezigheid van de zorgen voor het aardse,afwezigheid van droefheid, en dit omwille van het geloof en de hoop.

Nog gevaarlijker is de verleiding van de hoogmoed, want de hoogmoedige wordt verleid, zelfs zonder (de verleiding van) de duivel, en hij is voor zichzelf een demon en vijand geworden. De hoogmoed wordt overwonnen door de nederigheid. De nederigheid laat zich niet met woorden omschrijven, het i
s een vorm van “onzegbare genade van de ziel” die men slechts verwerft in de eigen ervaring. We kunnen de nederigheid slechts leren bij Christus: “Leer niet van de engel, noch van de mens, noch van een boek, maar van mij, omdat ik in u woon en omdat ik u heb verlicht en omdat ik in u handel, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart” (cf. Mat. XI,29). In zekere zin is, voor diegenen die de ascese beoefenen, de nederigheid een vorm van blindheid met betrekking tot hun eigen deugden: “de goddelijke bescherming die ons niet toelaat onze eigen vooruitgang te zien”. In de ontwikkeling van de hartstocht, onderscheidt de heilige Johannes van de Ladder de volgende stappen. Vooreerst is er de suggestie (het voorspiegelen) of de aanval, een bepaald beeld of gedachte, “de toestroom (flux) van gedachten”. Er is nog geen zonde, want de wil neemt geen deel. “De wil treedt naar voren in de verbinding (die hij aangaat), een soort van onderhoud(gesprek, dialoog) met het beeld dat zich heeft aangediend”. En in deze interesse of deze aandacht (voor het zich aandienende beeld of gedachte) zit het begin van de zonde. Het engagement van de wil (in dit gebeuren)is echter veel belangrijker, “het instemmen van de ziel met de gedachte die zich aandient, en dit, geassocieerd met het plezier dat men erin vindt”. Later verwortelt de gedachte (de verleidende gedachte of het beeld) zich in de ziel: dit is de trede (van de Ladder) van de gevangenneming, een soort van in bezit name van het hart van het hart. Tenslotte ontstaat een terugkerende gewoonte: dit is de hartstocht in de letterlijke zin van het woord. We zien dus dat de wortel van de hartstochten eerst en vooral gelegen is in het laten varen van de wil, en ten tweede in de aanval van de verleiding doorheen de gedachte, onder de vorm van een overweging of een gedachte.

De taak van de ascese is dus dubbel. Enerzijds vereist zij dat de wil versterkt wordt (door het afsnijden van de eigenwil en door de gehoorzaamheid) en anderzijds vereist zij een uitzuivering van de gedachte. De verleiding komt van buitenaf: “van nature bestaan het kwaad en de hartstochten niet in de mens. Want God heeft geen hartstochten geschapen”. Dit wil niet zeggen dat de mens vandaag nog zuiver is. Maar hij is zuiver door de kracht van het doopsel, en hij valt opnieuw door zijn wil, maar hij zuivert zich (opnieuw en telkens weer) door het berouw en de ascese. In de natuur zelf is er een kracht gegeven, een mogelijkheid om het goede te doen. Nu de zonde is tegen de natuur. De zonde is  een perversie van de natuurlijke mogelijkheden. De taak van de mens echter bestaat er niet alleen in om de natuurlijke maat te vervullen, maar om deze te overstijgen, opdat hij zich verheft boven de natuur. Zo zijn de zuiverheid, de nederigheid, het waken, en het voortdurende berouw van het hart.

Daarom is er een synergie nodig van de vrij aangegane ascetische strijd en de Goddelijke gaven, die de mens verheffen boven de beperkingen van de natuur. Het gevecht tegen de zonde en de verleiding moet zo vroeg mogelijk beginnen, vooraleer de verleiding verhardt tot hartstocht. Maar zeldzaam zijn zij die hierin niet te laat komen. Daarom is de ascese zo moeilijk is en zo lang en op deze weg zijn er geen binnenwegen. Meer nog, de weg zelf is ook zonder einde. De liefde van God kent geen einde of (met andere woorden) het eindpunt zelf is eindeloos: “de liefde houdt niet op”. “En ook wij zullen nooit ophouden erin te groeien, noch in deze eeuw, noch in de komende eeuw. In het licht zullen wij altijd een nieuw geestelijk licht ontvangen. Ik zou zeggen dat ook de engelen, deze onlichamelijke wezens, niet zonder vooruitgang blijven, maar dat zij altijd glorie op glorie en inzicht op inzicht zullen ontvangen”.

Het eindpunt van de ascese  

Het eindpunt van de ascese ligt in de heilige stilte (), in de stilte van het lichaam en de ziel. “De stilte van het lichaam is de goede orde en harmonie van de gewoonten en de lichamelijke gevoelens. De stilte van de ziel is de goede orde van de gedachten die opkomen in de geest, en een gedachte die zich niet laat inpalmen”. Anders gezegd, (de stilte is) de innerlijke en dus ook de uiterlijke harmonie en vrede, de coherentie en de harmonie van het leven. De stilte is de waaktoestand van de ziel: “ik slaap maar mijn hart waakt” (Hooglied V,2). En deze innerlijke stilte is veel belangrijker dan alleen de uiterlijke stilte. Deze strikte waakzaamheid van het hart is belangrijk. De ware stilte is “de geest die niet beroerd wordt”. Het gaat hier over “de waakzaamheid van het hart” en “de waakzaamheid van de geest”.

De kracht van de stilte ligt in het onophoudelijke gebed (dat zich niet laat verstrooien): “de stilte is de voortdurende dienst aan God en het feit van in Zijn aanwezigheid te staan”. Of nog, de stilte overstijgt de menselijke krachten. Ook het gebed moet zich in de aanwezigheid van God volbracht worden, en zich vervolgens met Hem verenigen. Of anders gezegd, in waarheid voor God staan, dat is bidden. In de verscheiden wijzen van bidden, moet men eerst en vooral dankzeggen, zich dan zondig erkennen voor Hem, tenslotte vragen. Het gebed moet altijd eenvoudig zijn en uit weinig woorden bestaan. Het hoogste gebed bestaat uit de éen-woord-aanroeping van de naam van Jezus. Het gebed moet eerder gelijken op het eenvoudige en herhaaldelijke gebrabbel van het kind dan op een intelligente en gekunstelde redevoering. De vloed aan woorden in het gebed verstrooit en brengt de dromerij binnen in de geest. En als er iets gevaarlijk is in het gebed, dan is de “sentimentele dromerij”. De gedachte moet altijd beteugeld worden en opgesloten worden in de woorden. Alle “gedachten” en “beelden” (fantasieën) moeten met waakzaamheid afgesneden worden. Men moet zijn geest concentreren. “Want indien hij doolt zonder remming, dan zal hij nooit met U vertoeven”. Het gebed is een rechtlijnig gericht zijn op God, het gebed is vreemdeling zijn ten aanzien van de zichtbare en de onzichtbare wereld”. Tot volmaaktheid gekomen, wordt het gebed een geestelijke gave, een soort van neerdaling van de Geest, handelend in het hart. Dan bidt de Geest in diegene die deze staat van gebed heeft bereikt. Dan vallen gebed en stilte in zekere zin samen. En deze zelfde geestelijke toestand kan als apatheia omschreven worden. Want ook de apatheia is eveneens gericht op God, en zij geeft zich vrijwillig over aan Hem. “Sommigen zeggen nog dat de apatheia de verrijzenis van de ziel is vór de verrijzenis van het lichaam”. Voor de rest wordt het lichaam zelf, bij het bereiken van de apatheia, onbederfelijk. Dit is wat men verstaat onder het verwerven van de geest van de Heer (cf.1 Cor.II,16). “In de ziel weerklinkt de onzegbare stem van God zelf, waarbij Hij zijn wil bekend maakt, en dit is al hoger dan elk menselijk onderricht”. Het is voor deze werkelijkheid dat de dorst voor de onsterfelijke schoonheid ontvlamt. “Hij die de stilte heeft bereikt, die heeft de diepte van de mysteries gekend”. De heilige Johannes Climacos aanschouwt de dynamische spanning naar de geestelijke wereld en wordt deze gewaar. In de wereld der engelen is er ook een spanning naar de hoogte der serafijnen. De ascetische strijd van de mens omvat ook de hunkering naar de hoogten der engelen en naar de “levenswijze van de geestelijke machten”. De apatheia is het eindpunt én de gegeven opdracht. Allen bereiken dit eindpunt niet, maar zij die het niet hebben bereikt kunnen even goed aan hun verlossing werken. Want het belangrijkste is er naar te verlangen. De drijvende kracht van de ascese is de liefde. De volheid van de ascese bestaat in het verwerven van de liefde. In de liefde zi
jn er gradaties die wij niet volledig kunnen kennen, want Liefde is de Naam van God zelf. Daarom is het dat, in haar volheid, de liefde onuitsprekelijk is. “Het woord over de liefde is door de engelen gekend, maar
ook voor hen, in de mate van hun verlichting”. De apatheia en de liefde zijn verschillende namen van de ene volmaaktheid. De liefde is tegelijk de weg en het eindpunt. “Gij hebt mijn ziel verwond en mijn hart verdraagt Uw vlam niet. Ik ga mijn weg terwijl ik U bezing”. In de fragmentarische en sobere aforismen (spreuken) van de heilige Johannes Climacos over de liefde, voelen wij hoe dicht dit aanleunt bij de mystiek van het Corpus Areopagiticum. (cf. de betrokkenheid tussen de menselijke wereld en die van de engelen). Bijzonder is dat de heilige Johannes Climacos minder spreekt over de superieure stadia en etappes en hierin zo karig wordt met zijn woorden. Hij schrijft voor de beginnelingen en de gevorderden. De volmaakten hebben geen adviezen en geen menselijke gids meer nodig. Zij bezitten reeds de innerlijke zekerheid en evidentie. Bovendien verliezen in de superieure stadia de woorden zelf hun kracht en voldoen ze niet meer. Deze stadia zijn nauwelijks te beschrijven. Het is reeds de hemel op aarde, die opengaat in de ziel. Het is de woning van God zelf in de ziel. Icoon uit het Sinaïklooster : 12e eeuw “Het gebed van hij die werkelijk bidt is het gericht, het oordeel en de troon van de Rechter voor het Laatste Oordeel”. Of nog: het is het anticiperen van de toekomst. “En deze gelukzalige ziel draagt in zich het altijd aanwezige Woord. Dit Woord is het dat hem inwijdt in de mysteries van God, hem onderricht en verlicht”. Hier bevindt zich de top van de ladder die zich verbergt in de hemelse hoogten. Russische Icoon : 17e eeuw “Als een leidende ster die niet kan dwalen heeft de Heer u hoog aan het firmament der onthouding geplaatst, om uw licht te doen schijnen tot aan de einden der wereld, onze Leraar en Vader Johannes” (kondakion in toon 4)

Schematisch presenteert Bisschop Kallistos (Timothy Ware) de dertig trappen als volgt:  

1. verzaking 2. onthechting 3. vreemdelingschap4.gehoorzaamheid 5. boete 6. gedachte aan de dood 7. rouwmoedigheid 8. toorn 9. wrok 10. kwaadsprekerij 11.veelpraterij 12. leugen 13. lusteloosheid 14. gulzigheid 15. onkuisheid 16-17. geldzucht 18-20. gevoelloosheid 21. ijdelheid 22. hoogmoed 23. godslastering 24. eenvoud 25. nederigheid 26. onderscheiding 27. stilheid 28. gebed 29. hartstochtloosheid 30. liefde.

VOETNOTEN :
(1).uit “les pères byzantins du Vème au VIIIème siècles, les pères ascètes” cours de l’institut de théologie orthodoxe Saint-Serge de Paris, 1997, traduit du russe par Françoise Lhoest. Vader Georges Florovski, geboren in Odessa in 1893, was assistent professor aan de universiteit van Odessa in 1919. Na Rusland te hebben verlaten onderwees hij filosofie in Praag van 1922 tot 1926. Toen werd hij uitgenodigd tot een leerstoel van patrologie aan het theologische instituut Saint-Serge te Parijs. In 1948 kwam v. Florovski aan in de Verenigde Staten. Hij was er professor en dekaan van Saint Vladimir’s theological school tot in 1955, terwijl hij ook onderwees als adjunct professor aan de Columbia University en Union Theological Seminary. Van 1956 tot 1964 hield hij de leerstoel van Oosterse Kerkgeschiedenis aan de Harvard University. Sinds 1964 tot 1972 onderwees hij Slavische studies en geschiedenis aan de Princeton University. Hij overleed in 1979.

(2)Voor een volledige biografie en analyse van het werk en vertaling van `de Ladder’ zie “Johannes Climacus, de Geestelijke Ladder” in Monastieke cahiers nr. 50 door Drs. Paul Gillis, uitgaven Abdij Bethlehem, B-2820 Bonheiden,
2002.

Vader Dominique