Heiligenleven : de heilige Severinus abt van St.Moritz

  1.  
  2.  

Heiligenleven

De heilige Severinus abt van St.Moriz

 

 

severinus abt van St Moriz.jpg

Severinus bezoekt koning Clovis

 

Hij stamde uit een beroemde familie in Bourgogne. Reeds jong trok naar het Zwitserse Wallis, waar hij intrad in het klooster van de heilige Mauritius. Dit klooster bloeide onder zijn heilige bestuur, maar hij was vooral beroemd om de genezingen die op zijn voorbede geschiedden.

Toen koning Clovis gekweld werd door ongeneeslijke koorts, liet hij Severinus halen, in 504. Deze voorza dat hij niet zou terugkeren en nam voor het leven afscheid van zijn medebroeders.

Op zijn reis verrichtte hij vele wonderbare genezingen en hij genas tenslotte oof de koning. Hij begaf zich toen terug op weg naar zijn klooster, maar ontmoette toen bij Sens twee heilige priesters die zich teruggetrokken hadden voor een leven van gebed in een klein oratorium. Severinus voelde zich op bijzondere wijze tot hen aangetrokken, en verbleef daar tot zijn dood, enkele jaren later in 507.

Uit : Heiligenleven van elke dag. Uitg. Orth. Klooster Den Haag

Heilige Barsanufios en Joannes van Gaza

De heilige Barsanufios en Joannes van Gaza.

 

 

 

Barsanufios en Joannes van Gaza.jpg

Heilige Barsanufios en Joannes van Gaza

 

 

Barsanufios was een Egyptenaar die in zijn jeugd ook grieks had geleerd. Reeds jong wilde hij monnik worden. Hij werd leerling van een Vader Markellos in de buurt van Gaza in Palestina. Na diens dood vond hij niet vervandaan onderdak in het klooster van abba Seridos. Hij betrok een cel buiten  het eigenlijk klooster, waar hij als ingeslotene leefde. Hij sprak met niemand san alleen met abba Seridos, die hem twee- of driemaal per week de heilige mysteriën en wat brood bracht, en die zijn correspondentie verzorgde. Want hij onderhield een uitgebreide briefwisseling met geestelijke kinderen  die hij alleen van geschrift kende, en die zich vaak geheel aan hem toevertrouwden. Want door hun voortdurend gebed had hij zijn hartstochten zozeer overwonnen dat de demonen hem niet meer durfden te benaderen en zijn hart een woonplaats was geworden van de Heilige Geest. Hij werd de grote Oudvader genoemd om zijn grotekennis van het menselijk hart en de werkzame raad die hij gaf.

Zijn eenzaamheid voerde hij zo strikt door dat hij zelfs bij ernstige ziekte geen verzorging wilde ontvangen. Ook mengde hij zich niet in geschillen tussen monniken en kloosters of in dogmatische twisten van die tijd. Heel zijn aandacht was gericht op het persoonlijk verkeer met God in gebed en lofzang en op het geestelijk leven van zijn kinderen, die hij bijstond met zijn innige gebeden. Door de consequente strijd tegen zijn eigen welbehagen had hij de gave van onderscheid verworven, en door zijn standvastigheid in ziekte en zwakte de gave om ziekten van anderen te genezen.

Joannes was een soort hemelse tweelingbroer van Barsanufios. Hij had over Barsanufios horen spreken, zocht hem op en bleef bij hem. Deze stond aan joannes zijn eigen cel af en ging in een andere cel wonen, wat verder op. Hij leidde een soortgelijk ascetisch leven als Barsanufios, ontving ook alleen abba seridos en nam deel aan de geestelijke briefwisseling. Zij dicteerden hun brieven aan abba seridos, die er ook kopie van bijhield. Zo bleef de geestelijke briefwisseling als een kostbare schat in het klooster bewaard.

De gezondheid van Joannes was heel zwak, zodat hij de verzoring moest aanvaarden van de ziekenverzorger van het klooster, de heilige Dorotheos, een geletterd man. Joannes had ook de gave om in de toekomst te zien en werd daarom ‘de Profeet’ genoemd. Achttien jaar heeft de zieke Joannes gewoond in de cel van Barsanufios, altijd met een kalme geest, slechts diep ontroerd wanneer hij de heilige Gaven ontving. Zijn dood greep Barsanufios zo aan dat deze zich nu geheel en al in zichzelf terugtrok en ook op de brieven geen antwoord meer gaf.

Vijftig jaar heeft Barsanufios zo als kluizenaar geleefd; slechts éénmaal is hij op dringend verzoek van de patriarch van Jeruzalem naar de keizer gegaan. Hij wist deze af te brengen van diens plan om de orthodoxen te vervolgen die geen deel wilden hebben aan de ketterij welke verkondigde dat Christus in Zijn aardse lichaam onsterfelijk was geweest, waardoor de Verlossing haar diepte zou missen. Hij is in hoge ouderdom gestorven, tegen het einde van de vierde eeuw.

Uit : heiligenlevens voor elke dag. Uitg.Orthodox klooster Den Haag

Heiligenleven:De heilige Nina (o) van Georgië

Heiligenleven

De heilige Nina (o) van Georgië

 

 

Nina heilige 1.jpg

 

Heilige Nina(o)

 

De heilige Nina de Apostel-gelijke Verlichtster van grusië (tot 1801 een zelfstandig rijk ten zuiden van de Kaukasus, ook wel Iberië genaamd, en nu de Russische staat Georgië, de hoofdstad is Tiflis of Tbilis). Tijdens de verwarring der vervolgingen was haar vader, een romeins generaal, als kluizenaar gaan leven in de woestijn van Kappadocië. Haar moeder werd geheel in beslag genomen door haar werk als diakones bij haar broer, de patriarch van Jeruzalem. Zo werd Nina opgevoed door een vrome oudere vrouw, afkomstig uit het toen nog heidense Grusië. Door de verhalen die deze haar deed, ontwaakte in Nina al vroeg het verlangen om naar het verre land te gaan en daar het Evangelie te verkondigen, maar hoe zou een onbemiddeld meisje daar zelfs maar komen ? Toch werd deze droom een werkelijkheid. Toen de vervolging onder Diokletiaan weer opvlamde, moest zij de vlucht nemen, en gesterkt door een visioen van de Moeder Gods trok zij steeds verder tot zij inderdaad in Grusië belandde. Zij vond daar onderdak bij een der verzorgsters van de Koninklijke wijngaard en won aller harten door haar liefderijke zorg voor zieken en lijdenden uit de omgeving. Zij had een uit twee gedroogde wijnranken samengebonden kruis, en met dat kruis in de hand sprak zij met veel overtuigingskracht over de Schepper van hemel en aarde, en over het verlossingswerk door Zijn Zoon, Jezus Christus. Die Zich had laten kruisigen uit liefde voor ons. Haar faam drong door tot koning Mirian, die eveneens tot het geloof kwam. Deze ontbood geloofsverkondigers uit Constantinopel en begon reeds aan de bouw van de eerste kerk in Grusië, gewijd aan de heilige Apostelen.

Toen Nina stierf in 337, na een verblijf van 35 jaar, was het land vrijwel geheel christen geworden. Het wijnrankenkruis waarmee zij haar prediking begon, wordt nog steeds als een kostbare schat bewaard in de kathedraal van Tiflis.

Uit : Heiligenlevens voor elke dag. Uitg. Orthodox klooster Den Haag

De onthoofding van de heilige Johannes de doper

Heiligenleven

De onthoofding van de heilige Johannes de doper

 

Johannes de doper hoofd.jpg

 

De heilige Johannes de doper waarvan men op 24 februari herdenkt hoe zijn hoofd werd afgehouwen en werd teruggevonden. Zijn hoofd was eerst verborgen in het paleis van Herodes en werd door een vrome vrouw in een aarden vaas begraven op de Olijfberg. Ten tijde van keizer Konstantijn werd het daar gevonden door twee monniken die op bedevaart waren in Jeruzalem, nadat zij in hun slaap hierover een openbaring hadden ontvangen. Het werd ter verering in de kerk geplaatst, maar tijdens de troebelen van een  oorlog door een pottenbakker meegenomen naar Emesa (Homs in Syrië), en het kwam in handen van een ariaanse hiëromonnik, die het achterliet in de grot waaruit hij door de Orthodoxen was verjaagd. Een eeuw later werd het hoofd daar voor de tweede maal gevonden in een waterkruik, op aanwijzing van archimandriet Markellos, die daarover een visioen had gehad. Het werd overgebracht naar de kathedraal, en later, onder patriarch Ignatios in de achtste eeuw, naar Constantinopel.

Uit : Heiligenleven voor elke dag, uitg. Orthodox klooster Den Haag

De heilige Johannes van de ladder

 De heilige Johannes van de ladder

 

 

 

 

Johannes climacos235.jpg

 

 

Georges Florovski (1)

 

“De stroom van uw tranen heeft de onvruchtbare woestijn doen bloeien,

en door uw zichten uit de diepte heeft uw arbeid honderdvoudig vrucht gedragen.

Zo zijt gij, onze heilige Vader Johannes, een ster geworden,

die heel de wereld verlicht door uw wonderen.

Bid tot Christus, onze God, om onze zielen te redden”

(troparion in toon 8)

 

1. zijn leven

 

Men kan het leven van de heilige Johannes van de ladder een lofzang noemen. We kunnen hem typeren als een man van gebed en beschouwing. “Want Johannes was genaderd tot de geheime berg waartoe de niet-ingewijden geen toegang hebben, en opgevoed in de stadia van het geestelijke leven, had hij het visioen (van God) en de door Hem geschreven wet ontvangen.” Hij is een soort nieuw gemanifesteerde Mozes. Men weet weinig over zijn leven. Alles wijst er op dat hij gestorven is in het midden van de VIIde eeuw. Hij kwam zeer jong toe in de Sinaï en bleef er gans zijn leven. Hij was er gedurende vele jaren in de leer bij een geestelijke vader. Na diens dood leefde Johannes als kluizenaar in een niet zo verafgelegen maar wel eenzame grot. Hij was reeds hoog bejaard toen hij tot higoumen van het klooster werd verkozen. Hij was dit voor korte tijd en keerde terug naar het kluizenaarsleven(2)

 

1. De Ladder van de heilige Johannes Climacos

 Toen hij kloosteroverste was schreef hij zijn Ladder, “een boek dat genoemd wordt: de tafels van de spirituele weg”, “voor de opbouw van de nieuwe Israëlieten, te weten de nieuwkomers die het spirituele Egypte en de oceaan van het bestaan hadden verlaten”. Het is een systematische beschrijving van de normale monastieke weg, volgens de stadia van de spirituele volmaaktheid. Fundamenteel hierin is precies het systeem: de idee van een logische en regelmatige voortgang in de ascetische strijd. De Ladder is geschreven in een eenvoudige, bijna volkse taal. De auteur houdt van vergelijkingen aan het dagelijkse leven ontleend, hij houdt van spreuken en gezegden. Hij schrijft zijn persoonlijke ervaring neer. Toch blijft hij steeds steunen op de traditie, op het onderricht van de “door God geïnspireerde vaders”. Hij refereert naar de vaders uit Kappadocië, naar Nilus en Evagrius, naar de Apoftegmata en naar een Cassianus en een Gregorius de Grote in het Westen. De Ladder eindigt met een “Brief aan de herder” waar Johannes het heeft over de plichten van de kloosteroverste.

 De Ladder is het te lezen boek bij uitstek en dit niet enkel in de kloosters. Het bewijs is het grote aantal kopijen in oost en in west.

 Het plan van het boek is zeer eenvoudig. Het is bepaald door de logica van het hart, eerder dan door de logica van de geest (verstand). De praktische raadgevingen worden gestaafd door de psychologische analyse. Elke vereiste moet worden uitgelegd. Dit betekent dat hij die de ascese beoefent duidelijk moet weten waarom deze of gene vereiste hem aangereikt wordt en waarom dat in deze logische volgorde gebeurt. Vergeten we niet dat Johannes speciaal voor monniken schrijft en dat hij steeds de levensomstandigheden in de kloosters voor ogen heeft.

 De eerste vereiste van het monachisme is te verzaken aan al wat van de wereld is. Het verzaken (aan de wereld) is slechts mogelijk door de vrijheid, de vrije wil, en deze vrijheid is de essentiële waardigheid van de mens. De zonde bestaat erin God vrijwillig af te wijzen of van zich van Hem te verwijderen. Deze ontkenning van het leven, dat is de vrijwillige dood, een soort van ingestemde zelfmoord.

 De ascetische strijd bestaat erin zich tot God te keren in alle vrijheid en met heel zijn wil, bestaat erin Christus te volgen en na te volgen. Het is dus anders gezegd steeds zijn wil richten en zich naar God keren. Het hoogtepunt van de ascese wordt beleefd in het monachisme. “De monnik is een permanent geweld aan de natuur aangedaan en het onophoudelijk bewaken van de zinnen. Het verzaken aan de wereld moet totaal en absoluut zijn: “het verwerpen van de natuur om de goederen te ontvangen die hoger zijn dan de natuur”. Dit is een zeer belangrijke tegenstelling: het “natuurlijke” wordt doorbroken ten voordele van het boven-natuurlijke en is niet vervangen door het tegen-natuurlijke. De opdracht van de ascetische strijd bestaat erin de natuurlijke vrijheid te sublimeren (op te tillen), maar dit betekent niet het bevechten van haar authentieke wetmatigheden. Het is daarom dat alleen de ware motivaties en het waarachtige doel het verzaken (aan de wereld) en de ascetische strijd rechtvaardigen. De ascese is een middel, niet het doel. En de ascetische strijd bereikt slechts zijn volmaaktheid wanneer Jezus Zelf komt en de steen van de deur van het verharde hart komt wegrollen. Zoniet is de ascese steriel en ijdel.

 De opdracht ligt niet in het verzaken zelf, maar in die vereniging met God die slechts realiseerbaar is  doorheen een authentiek verzaken, te weten het vrij-komen van de wereld, Het vrij-komen van de hartstochten en neigingen, van de gehechtheden en de aantrekking van de wereld teneinde de apatheia te vinden en te verwerven. In de ascetische strijd zelf is de motor van het proces het belangrijkste: i.e. de liefde voor God en de bewuste keuze. Voor het overige kan zelfs de onvrijwillige strijd vruchtbaar zijn: verzaken naargelang de omstandigheden (het vragen). Ook als men (tot verzaken) gedwongen wordt, want de ziel kan ook plotseling ontwaken.

 “En welk is de wijze en trouwe monnik, die de vurigheid tot aan het einde van zijn leven heeft bewaard zonder deze uit te doven, en die, tot op het einde van zijn leven, elke dag onophoudelijk dit vuur in het vuur aanwakkert, deze vurigheid in de vurigheid, deze ijver in de ijver en dit verlangen in het verlangen?”. Het is met andere woorden niet zozeer het los staan ten opzichte van de wereld, dan wel het brandende verlangen om naar God uit te gaan, dat van belang is. Het verzaken bereikt zijn volmaaktheid in het spirituele omzwerven. De wereld moet vreemd worden en vreemd voorkomen. “Het (geestelijk) omzwerven bestaat erin alles achter zich te laten, zonder erop terug te komen, wat, in het vaderland, ons tegenwerkt in onze inspanning voor de vroomheid.” Het is de weg naar het zo verlangde goddelijke. En het feit van zich tot vreemdeling te maken is enkel te rechtvaardigen om “de eigen gedachte onafscheidbaar te maken van God”. Anders zou de pelgrimstocht naar God een ijdele omzwerving zijn zonder doel.

 Het (geestelijk) omzwerven moet zich niet voeden met de haat voor de wereld en voor diegenen die in de wereld blijven maar enkel met de oprechte liefde voor God. Werkelijk, deze liefde is exclusief en dooft zelf de liefde voor de ouders. En het verzaken moet onvoorwaardelijk zijn: “Trek weg uit uw land, uw ras en het huis van uw vader” (Genesis XII,1). Maar, deze “haat” voor wat in de wereld achtergelaten is, is een “haat zonder hartstocht”. Het monachisme is een uittocht uit het “vaderland”. Dit is uit de sociale omgeving waarin ieder zich bevindt uit hoofde van zijn geboorte. Het monachisme is de verleidingen en geneugten vluchten. Men moet een nieuw milieu creëren en gunstige omstandigheden voor de ascese: “Dat uw vader diegene is die met u kan en wil zwoegen om de zware last van uw zonden te dragen”.  Deze nieuwe levensorde komt tot stand in alle vrijheid. Niettemin is het belangrijk eens te meer te verzaken: nu aan de eigen wil, maar niet aan zijn vrijheid. Het gaat hier over het stadium van de gehoorzaamheid.

 Gehoorzamen is niet de vrijheid verstikken, maar de wil transfigureren, zijn neiging voor hartstochten in de wil zelf overstijgen. “De gehoorzaamheid is het graf van de eigen wil en de opstanding van de nederigheid”. Het is “een leven vreemd aan de nieuwsgierigheid” of “een daad die niet beproefd wordt”. (…) De gehoorzaamheid wordt gerechtvaardigd door het geloof in en de hoop op de hulp van God. De onwankelbare hoop is de poort die leidt tot de passieloosheid. (…) De gehoorzaamheid is een anticipatie van de waarachtige apatheia. “De gehoorzame, als een dode, weerspreekt niet en argumenteert niet, noch ten aanzien van wat goed is, evenmin ten aanzien van wat slecht lijkt”. (…)

 De innerlijke strijd gaat via het berouw. Of juister gezegd: het berouw of de droefheid over de zonden is het eigenlijke (spirituele) element dat de ascese mogelijk maakt. Het berouw is verbonden met de gedachtenis van de dood. Het gaat hier over de spirituele anticipatie van de dood en in zekere zin al een “dagelijkse dood”. De waarachtige “gedachtenis van de dood” is slechts mogelijk door de totale afwezigheid van hartstochten en het volmaakte verzaken aan de (eigen-) wil. Er is geen vrees in deze gedachte. En dit is een gave van God.

 De volgende stap zijn de tranen en de tranen van vreugde. “Het berouw is de vernieuwing van het doopsel” en de tranen zijn meer dan het doopsel. “De bron van de tranen na het doopsel is meer dan het doopsel”, hoe paradoxaal dit ook moge zijn. Want de tranen zuiveren onophoudelijk de zonden die begaan worden. Er zijn tranen van vrees en tranen die de barmhartigheid afsmeken; en er zijn ook de tranen van liefde, die getuigen dat het gebed werd verhoord. “Wij zullen niet beschuldigd worden, mijn broeders, omdat wij geen wonderen hebben verricht, niet omdat wij geen theologie hebben bedreven, niet omdat wij geen visioenen hebben gehad. Maar zonder enige twijfel zullen wij rekenschap moeten geven aan God omdat wij niet zonder ophouden onze zonden hebben beweend”.

“Gij waart een bewoner van de woestijn en hebt daar geleefd

als een Engel in het vlees. Wonderbaar hebt gij allen bijgestaan,

 

heilige Goddragende Vader Johannes:

door uw vasten, uw waken en uw gebed

hebt gij de hemelse genadegaven ontvangen.

Gij geneest de zieken en de zielen van hen die gelovig tot u komen.

Ere zij Hem, Die u kracht heeft geschonken,

ere zij Hem Die u gekroond heeft;

ere zij Hem, Die door u aan allen genezing schenkt”

(Troparion in toon 1)

 

De apatheia, het doel van de ascese

 Het doel van de innerlijke ascetische strijd is de apatheia te verwerven, de afwezigheid van hartstochten. De innerlijke opdracht om dit op gang te brengen herleidt zich tot het onophoudelijk doven van de hartstochten. Het is noodzakelijk erop gericht te zijn en erin te slagen om, in zichzelf, de beweging en het ontwaken van de hartstochten een halt toe te roepen.

 Voor alles moeten we de neigingen tot toorn (woede) overstijgen, dit “onweer van het hart”; we moeten de afwezigheid van toorn verwerven, de zachtmoedigheid, de vrede en de stilte. Voor de heilige Johannes Climacos, is de toorn gebonden aan de eigenliefde. Daarom definieert hij de afwezigheid van toorn als “het onlesbare verlangen naar vernederingen” en de zachtmoedigheid als “een onwrikbare gesteldheid van de ziel die gelijk blijft aan zichzelf in de eer en de oneer”.

 Nog hoger (op de ladder) staat de volmaakte afwezigheid van wrok, naar het beeld van de zachtmoedigheid van Jezus. Men moet er zich totaal van onthouden te oordelen. “Voor hen die zondigen, bid in het geheim: deze vorm van liefde is God aangenaam”. Oordelen en veroordelen passen niet bij diegenen die zich berouwen. “Oordelen betekent zich op hoogmoedige wijze de rang van God eigen maken”. Want de mens kan niet alles kennen, en zonder alles te kennen gaat men vluchtig oordelen. “Zelfs als gij met uw eigen ogen iemand ziet die zondigt, oordeel hem niet. Want vaak gaan zelfs de ogen bedriegen”.

 De heilige Johannes Climacos spreekt vaak over hoe men de zinnelijke begeerten kan overwinnen en de zuiverheid kan bereiken. De bron van de zuiverheid is in het hart. De zuiverheid overstijgt de menselijke krachten, zij is een gave van God, zelfs indien zij bekomen wordt door de ascese.

 De liefde voor het geld wordt overwonnen door de bezitloosheid, wanneer wij “alle aardse zorgen terzijde stellen”. Het is een vorm van afwezigheid van de zorgen voor het aardse, afwezigheid van droefheid, en dit omwille van het geloof en de hoop.

 Nog gevaarlijker is de verleiding van de hoogmoed, want de hoogmoedige wordt verleid, zelfs zonder (de verleiding van) de duivel, en hij is voor zichzelf een demon en vijand geworden. De hoogmoed wordt overwonnen door de nederigheid. De nederigheid laat zich niet met woorden omschrijven, het is een vorm van “onzegbare genade van de ziel” die men slechts verwerft in de eigen ervaring. We kunnen de nederigheid slechts leren bij Christus: “Leer niet van de engel, noch van de mens, noch van een boek, maar van mij, omdat ik in u woon en omdat ik u heb verlicht en omdat ik in u handel, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart” (cf. Mat. XI,29). In zekere zin is, voor diegenen die de ascese beoefenen, de nederigheid een vorm van blindheid met betrekking tot hun eigen deugden: “de goddelijke bescherming die ons niet toelaat onze eigen vooruitgang te zien”.

 In de ontwikkeling van de hartstocht, onderscheidt de heilige Johannes van de Ladder de volgende stappen. Vooreerst is er de suggestie (het voorspiegelen) of de aanval, een bepaald beeld of gedachte, “de toestroom (flux) van gedachten”. Er is nog geen zonde, want de wil neemt geen deel. “De wil treedt naar voren in de verbinding (die hij aangaat), een soort van onderhoud(gesprek, dialoog) met het beeld dat zich heeft aangediend”. En in deze interesse of deze aandacht (voor het zich aandienende beeld of gedachte) zit het begin van de zonde. Het engagement van de wil (in dit gebeuren)is echter veel belangrijker, “het instemmen van de ziel met de gedachte die zich aandient, en dit, geassocieerd met het plezier dat men erin vindt”. Later verwortelt de gedachte (de verleidende gedachte of het beeld) zich in de ziel: dit is de trede (van de Ladder) van de gevangenneming, een soort van inbezitname van het hart van het hart. Tenslotte ontstaat een terugkerende gewoonte: dit is de hartstocht in de letterlijke zin van het woord. We zien dus dat de wortel van de hartstochten eerst en vooral gelegen is in het laten varen van de wil, en ten tweede in de aanval van de verleiding doorheen de gedachte, onder de vorm van een overweging of een gedachte.

 De taak van de ascese is dus dubbel. Enerzijds vereist zij dat de wil versterkt wordt (door het afsnijden van de eigenwil en door de gehoorzaamheid) en anderzijds vereist zij een uitzuivering van de gedachte. De verleiding komt van buitenaf: “van nature bestaan het kwaad en de hartstochten niet in de mens. Want God heeft geen hartstochten geschapen”. Dit wil niet zeggen dat de mens vandaag nog zuiver is. Maar hij is zuiver door de kracht van het doopsel, en hij valt opnieuw door zijn wil, maar hij zuivert zich (opnieuw en telkens weer) door het berouw en de ascese. In de natuur zelf is er een kracht gegeven, een mogelijkheid om het goede te doen. Nu de zonde is tegen de natuur. De zonde is een perversie van de natuurlijke mogelijkheden. De taak van de mens echter bestaat er niet alleen in om de natuurlijke maat te vervullen, maar om deze te overstijgen, opdat hij zich verheft boven de natuur. Zo zijn de zuiverheid, de nederigheid, het waken, en het voortdurende berouw van het hart.

Daarom is er een synergie nodig van de vrij aangegane ascetische strijd en de Goddelijke gaven, die de mens verheffen boven de beperkingen van de natuur. Het gevecht tegen de zonde en de verleiding moet zo vroeg mogelijk beginnen, vooraleer de verleiding verhardt tot hartstocht. Maar zeldzaam zijn zij die hierin niet te laat komen. Daarom is de ascese zo moeilijk is en zo lang en op deze weg zijn er geen binnenwegen. Meer nog, de weg zelf is ook zonder einde. De liefde van God kent geen einde of (met andere woorden) het eindpunt zelf is eindeloos: “de liefde houdt niet op”. “En ook wij zullen nooit ophouden erin te groeien, noch in deze eeuw, noch in de komende eeuw. In het licht zullen wij altijd een nieuw geestelijk licht ontvangen. Ik zou zeggen dat ook de engelen, deze onlichamelijke wezens, niet zonder vooruitgang blijven, maar dat zij altijd glorie op glorie en inzicht op inzicht zullen ontvangen”.

 

Het eindpunt van de ascese

 

Het eindpunt van de ascese ligt in de heilige stilte (ήσυχία), in de stilte van het lichaam en de ziel. “De stilte van het lichaam is de goede orde en harmonie van de gewoonten en de lichamelijke gevoelens. De stilte van de ziel is de goede orde van de gedachten die opkomen in de geest, en een gedachte die zich niet laat inpalmen”.

 Anders gezegd, (de stilte is) de innerlijke en dus ook de uiterlijke harmonie en vrede, de coherentie en de harmonie van het leven. De stilte is de waaktoestand van de ziel: “ik slaap maar mijn hart waakt” (Hooglied V,2). En deze innerlijke stilte is veel belangrijker dan alleen de uiterlijke stilte. Deze strikte waakzaamheid van het hart is belangrijk. De ware stilte is “de geest die niet beroerd wordt”. Het gaat hier over “de waakzaamheid van het hart” en “de waakzaamheid van de geest”.

De kracht van de stilte ligt in het onophoudelijke gebed (dat zich niet laat verstrooien): “de stilte is de voortdurende dienst aan God en het feit van in Zijn

aanwezigheid te staan”. Of nog, de stilte overstijgt de menselijke krachten. Ook het gebed moet zich in de aanwezigheid van God volbracht worden, en zich vervolgens met Hem verenigen. Of anders gezegd, in waarheid voor God staan, dat is bidden.

 In de verscheiden wijzen van bidden, moet men eerst en vooral dankzeggen, zich dan zondig erkennen voor Hem, tenslotte vragen. Het gebed moet altijd eenvoudig zijn en uit weinig woorden bestaan. Het hoogste gebed bestaat uit de éen-woord-aanroeping van de naam van Jezus. Het gebed moet eerder gelijken op het  eenvoudige en herhaaldelijke gebrabbel van het kind dan op een intelligente en gekunstelde redevoering. De vloed aan woorden in het gebed verstrooit en brengt de dromerij binnen in de geest. En als er iets gevaarlijk is in het gebed, dan is de “sentimentele dromerij”.

 De gedachte moet altijd beteugeld worden en opgesloten worden in de woorden. Alle “gedachten” en “beelden” (fantasieën) moeten met waakzaamheid afgesneden worden. Men moet zijn geest concentreren. “Want indien hij doolt zonder remming, dan zal hij nooit met U vertoeven”. Het gebed is een rechtlijnig gericht zijn op God, het gebed is vreemdeling zijn ten aanzien van de zichtbare en de onzichtbare wereld”. Tot volmaaktheid gekomen, wordt het gebed een geestelijke gave, een soort van neerdaling van de Geest, handelend in het hart. Dan bidt de Geest in diegene die deze staat van gebed heeft bereikt. Dan vallen gebed en stilte in zekere zin samen. En deze zelfde geestelijke toestand kan als apatheia omschreven worden. Want ook de apatheia is eveneens gericht op God, en zij geeft zich vrijwillig over aan Hem. “Sommigen zeggen nog dat de apatheia de verrijzenis van de ziel is vóόr de verrijzenis van het lichaam”. Voor de rest wordt het lichaam zelf, bij het bereiken van de apatheia, onbederfelijk. Dit is wat men verstaat onder het verwerven van de geest van de Heer (cf.1 Cor.II,16).

 “In de ziel weerklinkt de onzegbare stem van God zelf, waarbij Hij zijn wil bekend maakt, en dit is al hoger dan elk menselijk onderricht”. Het is voor deze werkelijkheid dat de dorst voor de onsterfelijke schoonheid ontvlamt. “Hij die de stilte heeft bereikt, die heeft de diepte van de mysteries gekend”. De heilige Johannes Climacos aanschouwt de dynamische spanning naar de geestelijke wereld en wordt deze gewaar. In de wereld der engelen is er ook een spanning naar de hoogte der serafijnen. De ascetische strijd van de mens omvat ook de hunkering naar de hoogten der engelen en naar de “levenswijze van de geestelijke machten”.

 De apatheia is het eindpunt én de gegeven opdracht. Allen bereiken dit eindpunt niet, maar zij die het niet hebben bereikt kunnen even goed aan hun verlossing werken. Want het belangrijkste is er naar te verlangen. De drijvende kracht van de ascese is de liefde. De volheid van de ascese bestaat in het verwerven van de liefde. In de liefde zijn er gradaties die wij niet volledig kunnen kennen, want Liefde is de Naam van God zelf. Daarom is het dat, in haar volheid, de liefde onuitsprekelijk is. “Het woord over de liefde is door de engelen gekend, maar ook voor hen, in de mate van hun verlichting”. De apatheia en de liefde zijn verschillende namen van de ene volmaaktheid. De liefde is tegelijk de weg en het eindpunt.

 “Gij hebt mijn ziel verwond en mijn hart verdraagt Uw vlam niet. Ik ga mijn weg terwijl ik U bezing”. In de fragmentarische en sobere aforismen (spreuken) van de heilige Johannes Climacos over de liefde, voelen wij hoe dicht dit aanleunt bij de mystiek van het Corpus Areopagiticum. (cf. de betrokkenheid tussen de menselijke wereld en die van de engelen). Bijzonder is dat de heilige Johannes Climacos minder spreekt over de superieure stadia en etappes en hierin zo karig wordt met zijn woorden.

 Hij schrijft voor de beginnelingen en de gevorderden. De volmaakten hebben geen adviezen en geen menselijke gids meer nodig. Zij bezitten reeds de innerlijke zekerheid en evidentie. Bovendien verliezen in de superieure stadia de woorden zelf hun kracht en voldoen ze niet meer. Deze stadia zijn nauwelijks te beschrijven. Het is reeds de hemel op aarde, die opengaat in de ziel. Het is de woning van God zelf in de ziel.

Icoon uit het Sinaïklooster : 12e eeuw

“Het gebed van hij die werkelijk bidt is het gericht, het oordeel en de troon van de Rechter vόόr het Laatste Oordeel”. Of nog: het is het anticiperen van de toekomst. “En deze gelukzalige ziel draagt in zich het altijd aanwezige Woord. Dit Woord is het dat hem inwijdt in de mysteries van God, hem onderricht en verlicht”.                                                                    

 

 

       “Als een leidende ster die niet kan dwalen heeft

de Heer u hoog aan het firmament der onthouding geplaatst,

om uw licht te doen schijnen tot aan de einden der wereld,

onze Leraar en Vader Johannes”

(kondakion in toon 4)

 

Schematisch presenteert Bisschop Kallistos (Timothy Ware) de dertig trappen als volgt:

1. verzaking  2. onthechting  3. vreemdelingschap  4. gehoorzaamheid  5. boete  6. gedachte aan de dood  7. rouwmoedigheid  8. toorn  9. wrok  10. kwaadsprekerij  11. veelpraterij  12. leugen  13. lusteloosheid  14. gulzigheid  15. onkuisheid  16-17. geldzucht  18-20. gevoelloosheid  21. ijdelheid  22. hoogmoed  23. godslastering  24. eenvoud  25. nederigheid  26. onderscheiding  27. stilheid  28. gebed  29. hartstochtloosheid  30. liefde.             

 

VOETNOTEN :

(1).uit “les pères byzantins du Vème au VIIIème siècles, les pères ascètes” cours de l’institut de théologie orthodoxe Saint-Serge de Paris, 1997, traduit du russe par Françoise Lhoest.

Vader Georges Florovski, geboren in Odessa in 1893, was assistent professor aan de universiteit van Odessa in 1919. Na Rusland te hebben verlaten onderwees hij filosofie in Praag van 1922 tot 1926. Toen werd hij uitgenodigd tot een leerstoel van patrologie aan het theologische instituut Saint-Serge te Parijs. In 1948 kwam v. Florovski aan in de Verenigde Staten. Hij was er professor en dekaan van Saint Vladimir’s theological school tot in 1955, terwijl hij ook onderwees als adjunct professor aan de Columbia University en Union Theological Seminary. Van 1956 tot 1964 hield hij de leerstoel van Oosterse Kerkgeschiedenis aan de Harvard University. Sinds 1964 tot 1972 onderwees hij Slavische studies en geschiedenis aan de Princeton University. Hij overleed in 1979.

(2)Voor een volledige biografie en analyse van het werk en vertaling van ‘de Ladder’ zie “Johannes Climacus, de Geestelijke Ladder” in Monastieke cahiers nr. 50 door Drs. Paul Gillis, uitgaven Abdij Bethlehem, B-2820 Bonheiden, 2002.

Vader Dominique

Cyrillus (+869) en Methodius(+885)

 

 

Heiligenlevens

Cyrillus (+869) en Methodius(+885)

 

 

Cyril_and_Methodius_19th_c_Russian.jpg

Cyrillus en Methodius

Methodius en Constantinus – zo luiden hun oorspronkelijke namen – waren broers. Van afkomst waren zij grieken uit Thessaloniki, maar zij beheersten de Slavische taal in het Bulgaars-Macedonische dialect, dat in die tijd rondom Thessaloniki door Slavische kolonisten werd gesproken. Constantinus kreeg in Constantinopel een uitstekende opleiding. Hij wijdde zich echter al gauw aan de missie en werkte eerst onder de mohammedanen, en daarna in het Rijk van de Chatsaren aan de Zee van Azov. Kort voor zijn dood werd hij monnik en kreeg de naam Cyrillus. Zijn broer Methodius was aanvankelijk werkzaam in het politiek bestuur van de Slavische gebieden onder het Byzantijnse Rijk, werd eveneens monnik en werkte als abt in het beroemde klooster Polychron. Toen kregen de gebroeders de opdracht, die de oorzaak is geworden van hun historische betekenis voor de Zuid- en Westslaven. De Moravische hertog Rostislaw (846-870) was overgegaan tot de stichting van een zelfstandig Westslavisch rijk. Om zijn zelfstandigheid te kunnen bewaren wilde hij de Moravische Kerk onafhankelijk en wendde zich tot Keizer Michaël III in Constantinopel met het verzoek hem leraren te zenden voor zijn volk. De keizer gaf aan dit verzoek gehoor en stuurde de gebroeders Constantinus en Methodius. In 864 kwamen zij in Moravië aan en legden zich vooral toe op het opleiden van leerlingen om de Moravische Kerk te voorzien van Slavische priesters. In Moravië heeft Constantinus de vertaling van enige delen uit de Heilige Schrift en de Liturgie in de Slavische taal ter hand genomen; aan hem moet vermoedelijk ook het ontwerp van het oudste Slavische alfabet, het glagolitische geschrift worden toegeschreven, dat in bewaarde documenten tot het midden van de roe en gedeeltelijk zelfs tot de 9e eeuw is na te gaan. Het bewustzijn van een kerkelijke afscheiding van Rome was destijds nog niet algemeen tot de orthodoxe gelovigen doorgedrongen – het aanzien van de beide broers was in het Moravische Rijk immers vooral gebaseerd op het feit, dat zij het gebeente van bisschop Clémens van Rome, die volgens een legendarische overlevering in de tijd van de vervolging naar het Krim was verbannen en daar gestorven was, van daaruit naar Moldavië hadden overgebracht.

Dienovereenkomstig hebben de beide broers ook ondanks hun Byzantijnse missie getracht, de stichting van een slavisch sprekende kerk in het Moravische Rijk  door de paus van Rome legitiem te laten verklaren om haar zodoende van Rome uit veilig te stellen voor de aanspraken van de Frankisch-Duitse kerk. Met deze bedoelingen begaven zij zich na een arbeid van tweeënhalf jaar via Panninië naar Rome, waar zij door paus Hadrianus met alle eerbetaan werden ontvangen. Constantinus stierf op 14 februari 869 in Rome en werd in de kerk van de H. Clémens plechtig bijgezet. Methodius werd, nadat hij de bisschopswijding had ontvangen, tot aartsbisschop en pauselijk legaat van Pannonië en Moravië benoemd en kreeg daarmee dus onder de slaven eenzelfde missionaire en organisatorische taak toegewezen als Bonifacius die voor de Duitse stammen had gekregen, maar vanwege de oorlog tussen de Moravische en Duitse vorsten, bleef hij in het gebied van de Pannonische vorst Kozel, tot dan toe het missieterrein van het aartsbisdom Salzburg en vormde het begin van een lange reeks twisten, die hebben geleid tot zijn veroordeling door een beierse synode en een gevangenschap van tseeënhalf jaar. Het centrale punt bij deze strijd was nog steeds de weerstand van de Duitse Clerus tegen de invoering van de Slavische liturgie en de oprichting van een Slavische kerkprovincie met een slavische voertaal. Ten slotte gelukte het de Duitse kerkelijke leiders ook de paus te winnen voor hun standpunt tegenover het oorspronkelijk plan van paus Hadrianus. Paus Stefanus VI verbood de Slavische taal in de kerk; de door Methodius zelf als zijn opvolger aanbevolen Slavische bisschop Gorazd werd erkend, maar de leerlingen van Methodius werden het land uitgezet. Zo kon de Slavische liturgie zich ook in Bohemen, waar zij door toedoen van Methodius’leerlingen al ingang had gevonden niet verder ontwikkellen. De pas gestichte hiërarchie viel na het jaar 900 ten offer aan de invallen van de Hongaren; Moravië werd in 950 aan Regensburg en in 973 aan Praag toegewezen. Het eigenlijke levenswerk van Cyrillus en Methodius was hiermee een mislukking geworden. De West-slavische stammen bleven de eerste tijd onder leiding van de Duitse kerk; ook in Polen werd de latijnse ritus ingevoerd. De poging tot de vorming van een Westslavische kerk met een Slavische voertaal onder de obediëntie van Rome was mislukt.

Daarentegen kwam het werk van de beide broers tot een onverwachte bloei onder de leerlingen van Methodius, die hun werk na de verdrijving uit het Moravische Rijk onder de Zuidslavische stammen langs de Donau en op de Balkan vooertzetten. In Bulgarije werd de Slavische Kerk gesticht, nu echter niet meer onder het toezicht van Rome, dat zijn lankmoedige houding ten opzichte van de Slavische kerk had laten varen, maar onder de bescherming van Byzantium, dat zijn oude missietraditie getrouw, ieder volk toestond de liturgie in zijn eigen taal te vieren en dat zich een eeuw later zou gaan toeleggen op de missionering van het Rijk van Kiev. Hoewel het eigenlijke werk van de Slavenapostelen in het Moravische Rijk op kerkelijk gebied niet met succes werd bekroond, uiteindelijk zelfs door Rome werd verworpen, is hun werk op literair gebied toch van buitengewoon groot belang geweest voor de missionering. Cyrillus heeft de Oudslavische kerktaal ontwikkeld. De Bijbel en vele liturgische teksten heeft hij vertaald in het Bulgaars- Macedonisch dialect, waarmee hij vertrouwd was, omdat het in zijn geboortestreek werd gesproken. Nog vele historische en filosofische detailproblemen hiervan zijn omstreden of onopgelost. Hoe dan ook, een feit is het, dat met dit orthodoxe missioneringswerk onder de slaven de basis werd gelegd voor de ontwikkeling van een literatuur in het Kerkslavisch, waar ook de missionering onder de Oostslaven houvast aan had.

Uit : De oosters orthodoxe Kerk : Ernst Benz pp.119-122

De heilige Fotina de Samaritaanse

Heiligenleven

De heilige Fotina de samaritaanse

 

 

 

Fotina de samaritaanse.jpg

 

De heilige Fotina de Samaritaanse

 

De heilige Fotina (Fotini) de Samaritaanse. Zij was de vrouw met wie Christus heeft gesproken bij de Jakobsput, zoals uitvoerig in het Johannesevangelie wordt verhaald. Daaruit blijkt dat zij een nogal wild leven leidde en het niet nauw nam met de waarheid. Zij werd echter getroffen door de volstrekte oprechtheid en het zelfbewuste gezag dat Christus uitstraalde. Twijfel aan haar eigen levenswandel en een onbevredigde honger naar het geestelijke, spreken uit de vraag over het gebed die zij aan Christus voorlegde. Zijn antwoorden drongen diep in haar hart en in spontaan enthousiasme laat ze haar kruik in de steek en loopt de stad rond om te juichen dat ze misschien de Messias heeft gevonden.

Zij was een vrouw uit het volk en stond bij het volk in hoge eer. Zij had vijf zusters en drie zonen, elk met een symbolische naam : Anatoli, Foto, Fotis, Paraskeva, Kyriake en Fotinos, Joses en Viktor. Zij werden gedoopt na Pinksteren en trokken met de Apostelen rond om te prediken. In Rome werden zij gevangen genomen en gemarteld, maar de martelingen bleven zonder uitwerking of er volgden wonderdadige genezingen. Slechts grof geweld kon een einde aan hun leven maken, terwijl Fotina zelf, nadat zij door een verschijning van Christus genezen was, later in de gevangenis stierf. Met haar stierven ook Sebastianos en Christodoulos.

 

Uit : Heiligenleven voor elke dag. Uitg. Orthodox klooster Den Haag

Heilige Cassianus

Heiligenleven

Heilige Cassianus

 

 

 

Cassianus.jpg

Heilige Cassianus

 

 

De heilige Johannes Cassianus (Kassianos) van Marseille, een van de grote geestelijke gidsen, was geboren in Rome. Na de gewone studie, vooral filosofie en astronomie, wijdde hij zich geheel aan de studie van de heilige Schrift. Hij had een onderzoekende geest, en toen hij hoorde over de wonderbare monniken in egyptische woestijn, wilde hij monnik worden en zien wat dat inhield. Samen met zijn vriend Germanus is hij toen naar Bethlehem gegaan en zij traden daar in het klooster in 383, toen hij ongeveer achttien jaar oud was. Om ook het leven van de kluizenaars te leren kennen, gingen zij naar Egypte; eerst naar de skite van de grote Makarios, later naar de Thebaïde om de verschillende Vaders persoonlijk te bezoeken. Het verslag dat hij heeft geschreven over de lange gesprekken die hij met hen voerde, behoort tot de klassieken van het christelijk monnikswezen. Hij kwam niet als journalist, maar als leerling die in zijn eigen leven wilde toepassen wat hij gehoord had. Zij hadden hun leven ingericht om bij de egyptische monniken  te blijven, maar na ruim tien jaar ontstonden moeilijkheden naar aanleiding van de veroordeling van Origines. Een aantal monniken zag in Origines vooral de grote geest die zijn enorme geleerdheid geheel in dienst had gesteld van de bestudering van de Schrift, al had hij in zijn  theologie misschien ook fouten gemaakt. De heerszuchtige patriarch van Alexandrië, Theofilos, eiste echter een volkomen veroordeling en beschuldigde de aarzelenden van ketterij. Hij verbande hen uit Egypte met allen die met hem in contact stonden. Zo werden ook Cassianus en Germanus verdreven in 399.

Zij gingen naar Constantinopel waar de heilige Joannes Chrysostomos aartsbisschop was. Deze onderzocht hun zaak en erkende hun orthodoxie, en wijdde germanus priester en Cassianus Diaken. Cassianus had grote bewondering voor Joannes Chrysostomos en verklaarde later in zijn leven dat hij alles van hem geleerd had.

Daarop beschuldigde Theofilos ook Joannes Chrysostomos van ketterij, en omdat hij goede betrekkingen met het hof onderhield, wist hij te bewerken dat deze in ballingschap werd gezonden. En ook hier werden de beide vrienden uitgewezen. Zij hadden intussen vriendschap gesloten met de jonge diaken Gregorios, die in Constantinopel was in opdracht van de bisschop van Rome. Beiden keerden nu naar hun vaderstad terug, waar Cassianus tot priester werd gewijd. Zij bleven daar tot aan de dood van Germanus in 416.

Cassianus, die intussen ongeveer vijftig jaar oud was, trok nu naar Gallië, waar hij het bekende klooster van Lerins stichtte, op een eiland bij Marseille. Deze stichting heeft grote invloed uitgeoefend bij de ontwikkeling van het monnikwezen in west-Europa, vooral door de geschriften van Cassianus. Hij schreef regels voor het gemeenschappelijk Leven; Over de strijd tegen de hoofdzonden (opgenomen in de Filokalia); Gesprekken met de Woestijnvaders, die vooral de heilige Benedictus hebben beïnvloed en daardoor het westerse monnikwezen.

Om zijn wijsheid werd hij veel geraadpleegd. De latere paus Leo vroeg hem zijn mening te geven over de Nestorianen, en daarom schreef Cassinanus nog een boek ,over de Vleeswording van de Heer. Ook moest hij een uitspraak doen over de strijd tussen Augustinus en Pelagius betreffende de rol van de vrije wil in het geestelijk leven.   Cassinanus nam geen van beide extreme standpunten in maar volgde de oude orthodoxe leer dat Gods Genade onontbeerlijk is, maar dat de grond daarvoor ontvankelijk moet worden gemaakt door eigen inspanning van de vrije wil.

Zo bereikte hij de leeftijd van ongeveer zeventig jaar, en stierf in vrede in het jaar 435.

 

Uit: Heiligenlevens van elke dag. Uitg. Orthodox klooster Den Haag

De heilige Monika

DE HEILIGE MONICA

Moeder van de heilige Augustinus

 

 

monika de moeder van Augustinus2.jpg

De heilige Monika

 

De heilige Monica was geboren in een christen gezin in Noord-Afrika in 332 te Tagaste. Zij werd streng opgevoed door een tante, die haar zelfs verbood water te drinken buiten de maaltijden, omdat zij zich anders misschien later aan wijn zou verslaven, wanneer zij zichzelf niet beheersen kon.

Deze stregnheid had het tegenovergestelde effect : toen ze weer thuis kwam, moest ze dagelijks in de kelder de wijnkan vullen voor de maaltijd, en het werd een toenemende gewoonte eerst zelf die wijn te drinken. Dit werd haar voor de voeten geworpen toen zij eens een slavin een standje gaf. Hierdoor was zij zo beschaamd, dat ze tegelijk brak met die slechte gewoonte, vooral omdat zij binnenkort gedoopt zou worden. Dit werd voor haar het begin van een geheel toegewijd en heilig leven. Sindsdien was zij dagelijks aanwezig bij de Eucharistieviering.

Zij was gehuwd met Patricius, een heiden met een goed karakter maar een grote driftkop, die het zijn vrouw vaak flink lastig maakte. Hun eerste zoon werd de beroemde Augustinus, in zijn jeugd nog lang geen heilige, en die meer het karakter van zijn vader had dan dat van zijn moeder . Wel bracht zij door haar liefdevol geduld haar man ertoe dat hij een christen werd en zich liet dopen in zijn laatste levensjaar.,371.

Augustinus was toen 17 jaar. Hij studeerde in Carthago, stond onder invloed van het Manicheïsme, en leidde een tamelijk bandeloos leven. Om de klachten van zijn moeder te ontgaan, leefde hij in een aparte woning. Monica bad en weende en vroeg de oude bisschop met haar zoon te disputeren. Deze oordeelde dit in de gegeven omstandigheden zinloos maar sprak tot haar de beroemde woorden : “Blijf bidden : een kind van zoveel tranen zal niet verloren gaan”.

Twaalf jaar later, in 383, zocht Augustinus een carrière te beginnen in Rome, en zo tegelijk bevrijd te zijn van de klaagzangen van Monica. In Rome werd Augustinus zwaar ziek en hij vertro na zijn genezing naar Milaan, waar hij een bewonderaar werd van de heilige Bisschop Ambrosius, voorlopig nog zonder

Consequenties.

Monika was uit Afrika overgekomen om bij haar zoon te leven. Ook hier was zij dagelijks bij de heilige Liturgie in de kathedraal : daarna bezocht zij de armen die haar hulp nodig hadden. Zij leerde ook van de heilige Ambrosius zich, evenals hij deed, te schikken naar de gebruiken van de plaatselijke Kerk, waar men zich bevond. Tenslotte werden haar gebedn verhoord. Drie jaar later, op Pasen in 387, werden zowel Augustinus als zijn zoon Adeodatus en zijn vriend Alypius gedoopt. De nieuwe bekeerlingen leefden samen met Monica een tijd lang in een kloostergemeenschap in Cassiacum, waar Augustinus verschillende van zijn werken schreef.

Monica’s levenswerk was voltooid; nu kreeg zij heimwee naar haar geboorteland. Zij wist de anderen over te halen mee terug te gaan naar Afrika. Zij verlieten Milaan en verbleven in Ostia, de haven aan de tibermond, voor de overtocht nar Afrika. Daar hield Augustinus het beroemde tweegesprek met zijn moeder, terwijl zij samen bij het venster uitkeken over de zee en de stralende hemel, over de diepste waarheid en de hemelse schoonheid. Zo kwam Monica los van haar koortsachtig verlangen om in de voorouderlijke aarde begraven te worden en gaf zij zich over aan Gods Liefde. Verder reizen bleek trouwens onmogelijk daardat haar ziekte in hevigheid toenam, zodat Monica spoedig daarna stervende was in 387, in de ouderdom van 56 jaar. Haar enige wens was nu nog dat haar zoon haar zou gedenken aan het Altaar; een wens die een voorspelling inhield van zijn wijding.

Augustinus sloot haar ogen, maar hij durfde geen uiting geven aan de smart die hem verscheurde, omdat hij het niet passend vond om te wenen over iemand die zulk een heilig leven had geleid, en gestorvan was zo vol vertrouwen en overgave aan de Heer. Het Lichaam werd naar de kerk gebracht, het Heilig Offer werd opgedragen, en daarna werd zij begraven. Pas toen hij weer alleen was kon Augustinus zijn tranen niet meer weerhouden,die hem nu oevrstroomden als een vloedgolf, bij de herinnering hoe vaak hij haar verdriet had aangedaan, en welk een liefde zij hem steeds had toegedragen. En in zijn beroemste boek, de Belijdenissen, heeft hij een blijvend gedenkteken voor haar opgericht

Gregorius van Nazianze :”Zo u onbetrouwbaar bent met het goed van een ander, wie zal ugeven, wat u toekomt”

H. Gregorius van Nazianze (330-390), bisschop en Kerkleraar
Homilie 14, over de liefde voor de armen, 24-25 ; PL 35, 887 (vert. brevier)

Gregorius van Nazianze1.jpg

Gregorius van Nazianze

 

“Zo u onbetrouwbaar bent met het goed van een ander, wie zal ugeven, wat u toekomt”

      Laten we ons, vrienden, in geen enkel opzicht slechte beheerders tonenvan al wat ons gegeven is, opdat wij Petrus niet horen zeggen: “Schaamt u, udie andersmans goed bezit. Probeer op God te gelijken, en niemand zal meer armzijn”. Laten wij ons niet inspannen met het vergaren en bewaken van schatten,terwijl anderen onder armoede gebukt gaan, opdat men ons geen bittereverwijten maakt en dreigt, zoals de profeet Amos zegt: “U die redeneert:wanneer is de nieuwe maan voorbij? Dan zullen we ons koren verkopen! Enwanneer de sabbat? Dan zullen we ons graan uit gaan stallen” (Am 8,5).

      Laten we de hoogste en eerste wet van God navolgen, die het laat regenenover de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen en voor allen in gelijke mate dezon laat opgaan (vgl Mt 5,45). Voor de mensen die op aarde leven, heeft Hij deaarde geopend en uitgespreid, de bronnen en de rivieren doen stromen en debossen laten groeien. De lucht heeft Hij aan de vogels gegeven en het wateraan de dieren die daarin leven. Aan allen heeft Hij in overvloed de middelenom te leven geschonken, zonder dat deze aan een macht onderworpen zijn of aanenig gezag beperkt worden of door grenzen afgebakend zijn. Hij heeft echterniet alleen allen gemeenschappelijk in die gaven laten delen, maar ze ookrijkelijk in dezelfde mate en even overvloedig geschonken. Hij wilde al zijnschepselen door de gelijkheid van de gaven gelijkelijk eren en de rijkdom vanzijn mildheid tonen.

 

Bron:Dagelijksevangelie www.evangelizo.org

De heilige Vsevolod

Heiligenleven

De heilige Vsevolod

 

 

Vsevolod . Translation of the relics of the Blessed Vsevolod in Holy Baptism Gabriel prince of Pskov.jpg

De heilige Vsevolod

 

De heilige Vsevolod, prins van Pskov, de eerste grote heilige uit het land van Pskov. Hij was bemind om zijn rechtvaardig bestuur, zijn vriendelijke aard, zijn ijver voor de Kerk en zijn verlangen om Christus te volgen. Hij is gestorven in 1137, en reeds spoedig volgde zijn verering.

Hij was geboren rond 1100 en reeds op jeugdige leeftijd werd het bestuur in zijn handen gelegd. Novgorod behoorde in die tijd tot het noordelijk randgebied van het Russische rijk, en al het werk van bevestiging en ontwikkeling moest nog gebeuren, het gebied moest in harde strijd tegen indringende stammen worden veroverd. Maar tegelijk besteedde Vsevolod veel energie aan kerkenbouw, waaronder zeer grote en rijk gebouwde, maar de meeste zijn op de duur verwoest of in verval geraakt.

Zijn wetgevende arbeid viel minder in de smaak, en de prins werd afgezet en met zijn gezin onder huisarrest geplaatst totdat zijn opvolger was geïnstalleerd. Maar toen werd hij door de burgerij van Pskov uitgenodigd om daar het betsuur in handen te nemen. De bevolking daar was minder krijgszuchtig dan die van Novgorod, en zij voelden zich aangetrokken door zijn vriendelijk karakter, dat in Novgorod te zacht bevonden werd. De nieuwe prins van Novgorod rustte zelfs een krijgsexpeditie uit tegen de stad Pskov, waarheen een aantal van zijn tegenstanders was gevlucht. Maar onderweg kwamen zij tot andere gedachten : zij besloten om niet het bloed van hun broeders te vergieten en keerden naar huis terug.

Het bestuur van Vsevolod in Pskov duurde slechts één jaar en in 1137, toen de prins nog geen veertig jaar oud was, werd hij ziek en stierf vredig, na het ontvangen van de heilige Communie

 

Uit : heiligenlevens voor elke dag. Uitg.Orthodox klooster Den Haag

De heilige Alexis van Moscou

Heiligenleven

De heilige Alexis van Moscou

 

 

Alexis van Moscou, en Alexis van Man.jpg

Heilige Alexis van Moscou

 

 

De heilige Alexis van Moscou werd geboren in 1300 in Moscou uit een boerengeslacht. Hij bezat een teruggetrokken aard en verdiepte zich reeds  jong in de Heilige Schrift. Niemand was dan ook verwonderd toen hij al spoedig in het klooster trad, en 20 jaar oud de monnikswijding ontving met de naam Alexis. Daar kwam hij ook in aanraking met de Metropoliet van Kiev, die de talentvolle  jonge monnik bij zich nam en hem steeds meer taken toevertrouwde in het betuur van het diocees. In 1353 was Alexis dan ook  de aangewezen opvolger op de bisschopszetel. Hij werd naar Constantinopel gezonden en in 1354 door patriarch Filotheos gewijd tot metropoliet van Kiev en geheel Rusland.

Zonder belemmering kon hij zich nu volledig aan zijn taak wijden, terwijl hij tegelijk zich met nog meer volharding toelegde op een monastiek leven van onthouding en gebed. Vele wonderen geschiedden op zijn voorspraak. Daardoor ging een grote  roep van hem uit, die zelfs doordrong tot het hof van de Tartaarse overheerser. Toen de vrouw van de Khan ongeneeslijk  blind was geworden, zond hij een uitnodiging naar de heilige metropoliet van Moscou. Alexis gad daaraan gehoor, ,ging naar het hof van de Khan en genas door zijn gebed de zieke. Overladen met geschenken keerde hij naar Moscou terug.

Toen er later moeilijkheden ontstonden door de zware lasten die volgende Khans aan de Russische vorsten oplegden, wist Alexis voor Kerk en stad verlichting te krijgen. Diep betreurd door het geheld volk is hij gestorven in 1378

Uit: Heiligenlevens voor elke dag. Uitg. Orthodox klooster Den Haag

Heilige Eleutherius van Doornik

Heiligenleven

Heilige Eleutherius van Doornik

 

Eleutherius heilige.jpg

Heilige Eleutherius van Doornik

 

De heilige Eleutherius, bisschop van Doornik, in de stad was reeds het Evangelie gepredikt door de heilige Piatus in 287, maar in de volgende eeuwen werd er nog steeds veel martelaarsbloed vergoten. Eerst hadden de Vandalen et huis gehouden, later kwam Doornik in bezit van de Franken.

In 456 werd daar Eleutherius geboren in een pas bekeerd adelijk gezin, waar men zich bijzonder toelegde op het steunen van armen en zieken. Toen koning Clovis in 484 een grote kruistocht ondernomen had, maakte de heidense stadsbestuurder van de gelegenheid gebruik om alle christenen uit de stad te verdrijven en hun bezittingen in beslag te nemen. Zij vonden een toevluchtsoord een paar uur gaans naar het zuiden, waar ze een kerk bgouwden en een soort kolonie stichtten, die snel uitgroeide tot een stadje Blandain. Het inwonersaantal werd zo groot dat er een bisschop nodig was, en nadat de eerstgekozenen bijna direct gestorven was, vroegen de gelovigen om Eleutherius. Hij werd naar Rome gezonden en daar in 487 tot bisschop gewijd, hoewel hij pas dertig jaar oud was.

Bij zijn terugkomst kreeg hij, terwijl hij ’s nachts in zijn eenzame cel aan het bidden was, plotseling bezoek van de dochter van de stadsbestuurder, die al sinds lang hevig op hem verliefd was, en zij poogde hem over te halen zijn ambt in de steek te laten en met haar te leven. Toen hij weigerde, greep zij zich aan zijn  kleren vast, maar zoals eens Jozef in Egypte, rukte de jonge bisschop zich los uit zijn kleed en vluchtte naar buiten. Het meisje had zich echter zo opgewonden dat zij stierf aan een hartverlamming en begraven werd.

Toen kwam Eleutherius terug en beloofde haar vader dat hij zijn dochter zou terugkrijgen wanneer hij christen zou worden. Dit gebeurde inderdaad, maar toen de vader zijn belofte schond, brak er pest uit in de stad. Dit werd toegeschreven aan een vervloeking door Eleutherius, die daarom gegrepen werd, hevig afgeranseld en in de gevangenis geworpen. Maar omdat de cipier bang was om zulk een machtige persoonlijkheid vast te houden, liet hij hem naar zijn kudde terugkeren.

De pest zete hevig door en verspreidde zulk een schrik onder de inwoners dat allen die nog niet ziek waren de stad ontvluchtten om aan de besmetting te ontkomen. De diep vernederde gouverneur kwam nu naar de bisschop, en na behoorlijk onderricht en een tijd van vasten als voorbereiding werd hij gedoopt, waarna Eleutherius op 22 september zijn feestelijke intocht hield in de stad. Dit wordt nog jaarlijks op die dag gevierd. Hij sloopte de Apollo-tempel en de andere afgodische bidplaatsen, en begon een reeks vlammende predikaties die een diepe indruk maakten op het volk. Toen Pinksteren aanbrak werden 11.000 inwoners gedoopt.

Er moet echter geen blijvende vreugde zijn, want de door de Gothen aangebrachte ariaanse ketterij vond in deze pasbekeerden een vruchtbare grond. Eleutherius ging hier met grote welsprekendheid tegenin, zodat een kleine groep fanatieke tegenstanders zozeer geprikkeld werd dat zij hem overvielen en deerlijk verwondden. Vijf weken later bezweek hij aan de opgelopen kwetsuren, op 20 februari 531. Hij werd begraven in de door zijn vader gebouwde kerk in Blandain, maar bleef patroon van Doornik.

Uit : heiligenlevens voor elke dag. Uitg.Orthodox klooster – Den Haag

Heilige Sabbas van Servië

Heiligenleven

De heilige Sabbas van Servië

 Sabbas van Servië 23.jpg

Heilige Sabbas van servië

 

De heilige Sabbas van Servië, zoon van Stefanos, de eerstgekroonde koning van Servië. Hij was van jongsaf monnik geweest, eerst in Jerusalem, later op de Athos. Vandaar uit werd hij naar Servië geroepen, als de tweede aartsbisschop die de Kerk in Servië zou besturen. Zeven jaar heeft hij in het ambt gediend met grote overgave, liefde en kunde. Hij is in vrede heengegaan tot de Heer, einde 1268, bijna zeventig jaar oud.

 

Uit : Heiligebnlevens voor elke dag : uitg. ortgh.klooster. Den Haag

heiligenleven : Makarios de Grote

Heiligenleven

De heilige Makarios de Grote

 

macarius de grote 123.jpg

 

Makarios de Grote

 

De heilige Makarios de Grote leefde van 300 tot 390. In zijn jeugd was hij een herdersjongen maar toen hij daarna monnik wilde worden, presten zijn ouders hem tot een huwelijk. Later vond hij toch de mogelijkheid om als kluizenaar te gaan leven in de woestijn, eerst bij Nitria, later in de nog afgelegener woestijn bij de berg Sketis. Op veertigjarige leeftijd werd hij priester gewijd  voor de monniken die zich daar langzamerhand hadden gevestigd. In de verschillende woestijnen van Egypte leefden in die tijd zo’n 5000 kluizenaars. Tijdens de ariaanse overheersing werd hij verbannen naar nhet Nijleiland, maar toen hij daar de gehele bevolking tot het christendom had gebracht, liet men hem weer naar zijn oude standplaats terugtrekken. Door deze ervaringen begon hij  tevreden over zichzelf te worden ; toen liet God hem zien hoe twee gewone huisvrouwen uit de stad, die wel naar het geestelijk leven verlangden maar geheel in beslag genomen waren door hun gezin, grotere verdienste bij God bezaten dan hijzelf met al zijn zichtbvare heiligheid. Bekend is ook van hem een merkwaardige ervaring : een schedel die door de wind was blootgewoeld in de woestijn, sprak tot hem en zei afkomstig te zijn  van een afgodspriester die in de hades was, maar dat de smarten der hadesbewoners gelenigd werden wanneer voor hen gebeden werd. Verder bezitten we van Makarios nog verschillende gebeden en een waardevolle verzameling van 50 homilieën over het geestelijk leven, die volgens sommigen eigenlijk van de heilige Antonios afkomstig zijn.

 

Uit : Heiligenleven voor elke dag : uitg. Orth.klooster. Den Haag

De heilige Polykarpos

Heiligenleven

De heilige Polikarpos

 

polycarpus3.jpg

De heilige Polikarpos, bisschop van Smyrna, was samen met de Godsdrager Ignatios leerling  van de apostel Johannes. Hij was geboren in de gevangenis van Efese, waar zijn ouders direct na zijn geboorte als christen ter dood werden gebracht. Een christen weduwe, Kallistis, voedde hem op en gaf hem de naam van zijn vader, Pankratios. Hij leerde van haar milddadig te zijn voor de armen, maar in jeugdige onbesuisdheid had hij eens de gehele wintervoorraad weggegeven. Niet onbegrijpelijk was zijn beschermster toen in alle staten, maar de jongen ging naar de lege schuur, bad vurig tot God, en de volgende dag was de schuur weer gevuld als tevoren. Toen de weduwe dit wonder zag, noemde ze de jongen voortaan Polykarpos om de rijke vrucht die hij gebracht had.

Toen hij 25 jaar oud was, kwam de grote Apostel Joannes in de stad wonen. Met zijn vrienden Ignatios en Boekolos ging hij naar hem toe om alles over Christus te horen, en zij bleven bij hem. Toen Johannes naar Patmos verbannen werd, wijdde hij Boekolos tot bisschop van Smyrna en gaf hem Polykarpos mee als metgezel, terwijl Prochoros met Joannes meeging.

Na de dood van Boekolos ( 6 februari) werd Polykarpos op zijn beurt bisschop van Smyrna. Ook heir toonde hij steeds opnieuw zijn oude vrijgevigheid en hij won de algemene liefde door zijn vaderlijke zorg voor armen en rechtelozen, en daaronder vooral de Martelaren. Toen de vervolging opnieuw in alle hevigheid losbrak, presten de gelovigen hun bisschop zich buiten de stad in veiligheid te brengen op een klein landgoed. Daar bad hij dag en nacht voor allen en voor alle Kerken ter wereld, zoals hij gewoon was. In een droom voorzag hij dat hij de vuurdood zou sterven, en toen dan ook enkele jongens uit de omgeving aangehouden  en gemarteld waren om zijn verblijfplaats te verraden, verschool hij zich niet langer maar ging naar de soldaten die gestuurd waren om hem gevangen te nemen. Dezen verbaasden zich dat zij uitgezonden waren  tegen zulk een eerbiedwaardige grijsaard, want Polykarpos was 86 jaar en hij toonde een grote gemoedsrust. Hij liet de groep een maaltijd voorzetten en vroeg verlof om intussen zijn gebeden te doen

Staande bad hij toen gedurende twee uur met luide stem voor allen die hij ooit gekend had, kleinen en groten, aanzienlijken en verachten, en voor  heel de katholieke Kerk over heel de wereld. Op een ezel werd hij daarna naar de stad gebracht. De vervolger kwam hem in een rijtuig tegemoet, liet hem naast zich plaatsnemen en poogde hem met allerlei argumenten over te halen om te offeren voor de Goddelijke Keizer, maar toen Polykarpos weigerde, werd hij uit de wagen geworpen, zodat hij met een gewond scheenbeen verder naar het stadion moest lopen.

Toen de proconsul er bij hem op aandrong nChristus te vervloeken om vrijgelaten te worden, antwoordde Polykarpos : “Zes en tachtig jaar dien ik Hem en Hij heeft mij geen enkel onrecht aangedaan; hoe kan ik dan mijn Koning vervloeken ?” Daarna werd hij veroordeeld om verbrand te worden. Een heraut maakte dit in het stadion bekend, en heel het opgehitste volk trok erop uit om overal brandhout bij elkaar te grijpen uit badhuizen en werkplaatsen, zodat er in een minimum van tijd een grote brandstapel was opgericht. Op zijn verzoek werd Polykarpos niet aan de paal vastgespijkerd, omdat hij beloofde te zullen blijven staan; wel bond men hem de handen op de rug.

Nadat hij zich met een plechtig gebed aan God had opgedragen, werd het vuur aangestoken, dat onmiddellijk met een geweldige vlam omhoog schoot. De vlammen stonden echter als een zeil om hem heen, en Polykarpos scheen zelf ongedeerd. De beul kreeg toen de opdracht hem met een lans te doorboren. Polykarpos stierf, maar de stroom van zijn bloed doofde het vuur.

Dit is een samenvatting uit een uitvoerig ooggetuigenverslag, misschien de oudste martelaarsakte die tot ons gekomen is. Daarin wordt aangegeven dat zijn dood zou hebben plaatsgevonden op de 23e februari, maar tegelijk wordt die dag de Grote Sabbath genoemd.

 

Uit : Heiligenlevens voor elke dag Uitg. Orth.klooster. Den Haag

De heilige Bessarion

Heiligenleven

De heilige Bessarion

 

Bessarion Heilige de wonderworker of Egypt.jpg

De heilige Bessarion was een van de grote woestijnvaders die in het Vadersboek beschreven staan. Van hem wordt verhaald hoe hij eens 40 dagen en nachten tussen scherpe doornstruiken was gaan staan om zijn slaperigheid te over winnen. En wanneer hij sliep ging hij zelfs niet liggen om het gemakkelijker te hebben : hij sliep staande en soms zittend. Hij had geen woonplaats, maar hij trok door onbewoonde streken. Ook als hij een klooster bezocht, sliep hij buiten, steeds klagend over de rijkdommen die hij verloren had. Hij bedoelde daarmee de hemelse goederen, die hij verloren had door de zonde. Hij was nauwelijks gekleed en had verder niets bij zich. Zo behoorde hij tot de geweldenaars, waarover Christus sprak, die het Koninkrijk in bezit nemen. Dit kwam tot uiting in de gave van wonderen, welke hem was verleend. Hij deed water vloeien uit een rots toe hij erop sloeg, en een langdurige droogte nam een einde toen hij om regen gebeden had. Hij leefde eind 4e en begin 5e eeuw.

Toen eens een broeder die een fout had begaan, door de priester de kerk werd uitgestuurd, stond abba Bessarion op en ging met hem mee, zeggend : “Ik ben immers een zondaar’. Het laatste woord dat van hem opgetekend werd toen hij stervende was, luidde : “De monnik moet zijn zoals de Cherubim en Serafim : geheel en al oog’. Dit had hij ook ten uitvoer gebracht in zijn leven. Hij was vrij van alle gejaagdheid en zorg en zwierf rond als een dier van het veld, zonder acht te slaan op hitte of koude. Hij trok door bergkloven in woeste streken en liep daarbij vaak verwondingen op. Ook maakte hij uitgestrekte tochten door de zandwoestijn en kwam in kloosters aan als een schipbreukeling die niet wist waar hij aan land spoelde.

 

Uit : Heiligenlevens voor elke dag : Uitg.Orth.klooster Den Haag

Heiligenleven : heilige Filothea Venizelou

Heiligenleven

De heilige Filothea Venizelou

 

Filothea van Athene.jpg

De heilige Filothea Venizelou was het enige kind van een rijke atheense familie. Haar verlangen was om moniale te worden, maar uit liefde voor haar ouders aanvaardde zij om te trouwen. Het was geen gelukkig huwelijk, maar na drie jaar stierf haar echtgenoot, zodat Filothea vrij was om haar verlangen te volgen en zich aan het monastieke leven te wijden. Zij stichtte een kloostergemeenschap die vele meisjes en vrouwen aantrok. Met grote edelmoedigheid zette zij zich in voor armen en verdrukten, en nhaar naam werd tot ver in de omtrek bekend. Daardoor vonden ook vier christenmeisjes, die als slavinnen door hun turkse bezitter mishandeld werden, de moed  om te vluchten en haar om bescherming te vragen. Daarop werd Filothea gearresteerd, maar zij verklaarde liever de marteldood te willen sterven dan hun schuilplaats te verraden

Bij die gelegenheid zou zij echter niet sterven, want enige rijke christenen brachten geld bijeen om de eigenaars van de slavinnen schadelolos te stellen, en waarschijnlijk ook om het gerecht om te kopen. Filothea werd vrijgelaten en  keerde naar haar klooster terug. Enige tijd later werd zij echter het slachtoffer van de wraak der Turken, die tijdens de dienst in de kerk inbraken en haar zodanig afranselden dat zij enige tijd later aan haar verwondingen bezweek, 1589. Zij was toen 67 jaar oud.

De heilige Filothea is een van de beschermheiligen van Athene. Bij haar jaarlijks feest worden haar relieken gedragen door leden van de familie Venizelou.

 

Bron :  Heiligenlevens voor elke dag. Uitg.Orth.klooster Den Haag.