heiligenleven : de heilige Afraätes de Pers

Heiligenleven
De heilige Afraätes de Pers
 
 

afraates_1.jpg

 
De heilige Afraätes de Pers, gevierd op 29 januari, maar ook op 7 april. Over zijn verblijf in Antiochië vertelt Theodoretos, die hem goed gekend heeft, het volgende verhaal :
Afraätes was uit de woestijn naar de stad gekomen om de christenen te helpen in hun strijd tegen de door de keizer gesteunde Arianen. Op een dag, terwijl hij voor het gemeenschappelijk gebed op weg was naar de kerk aan de rivier, ontmoette hij nde keizer. Afraätes was een bekende figuur en de keizer hield hem staande en vroeg waarom hij zo’n haast had. ‘Sire, ik ben op weg om te gaan bidden voor de gehele wereld, en in het bijzonder voor het rijk’. ‘ Maar je hebt toch de gelofte van kluizenaarschap afgelegd, wat doe je in de stad ?’. ‘Prins, als ik een jong meisje was in het afgesloten verblijf, maar het huis van mijn vader zou nin brand staan, zou ik dan moeten blijven zitten tot ik verbrand was of aan het werk gaan om te blussen ?’. ‘ Dan moet je natuurlijk de  brand zien te doven !’. ‘Maar daar ben ik mee bezig, sire !, het huis van mijn vader staat in brand, het wordt verteerd door de ketterij, en ik ben uit mijn boudoir gerend om de brand te stuiten. Ik groet u !’.
Een soortgelijke dialoog wordt enige tijd later over hem gemeld. Afraätes onderhield zware askese. Hij leefde van slechts een stuk brood per dag, dat hij at in het begin van de nacht : pas in hoge ouderdom gebruikte hij daarbij nog wat groenten om het brood naar binnen te kunnen krijgen. Hij sliep op een dunne mat op de grond en droeg dag en nacht slechts éénkledingstuk, tot hetb hem als vodden van het lichaam viel. Dit hoorde de prefect van Antiochië. Deze bezocht hem en bracht een nieuwe mantel voor hem mee. De kluizenaar vroeg hem : ‘ ik heb een dierbare oude vriend die al jaren bij me is. Zoudt u willen dat ik die inruilde voor een nieuwe vriend ?’. Natuurlijk niet’. ‘Danzult u me toch wel verontschuldigen dat ik de voorkeur geef aan mijn oude mantel, al is die nog zo versleten’.
Uit Heiligenlevens voor elke dag, uitg.Orth.klooster Den Haag

heiligenleven : De heilige Sabbas de Nieuwe

Heiligenleven

De heilige Sabbas de Nieuwe

 

 

sabbas de Nieuwe.jpg

Heilige Sabbas de Nieuwe

 

De heilige Sabbas de Nieuwe, van het eiland Kalymnos, geboren in 1862 in Noord-Griekenland. Zijn ouders hadden een dorpswinkeltje waar hij vanaf zijn 12e jaar hielp, zij het zondegr veel enthousiasme. Zijn belangstelling ging uit naar een rechtstreekser geestelijke levenswijze, en zo gauw hij de kans kreeg trok hij naar de Athos. Daar vond hij onderdak in de skite van de heilige Anna, waar waarschijnlijk een kennis of familielid huisde.Hij vond er gastvrijheid maar werd nog geen monnik : hij wa nog te ongedurig.

Hij trok daarom verder, ging op pelgrimstocht naar het heilige land toen hij zo’n 25 jaar oud was, en kwam terecht in het oeroude klooster van de heilige Gregorios, Chroseba genaamd. In de ruwe omgeving waar nog de oude harde askese in ere werd gehouden, voelde hij zich thuis. Hij bleef er en ontving er na 3 jaar de monnikswijding, in 1890. Hij bleek talent te hebben voor het schilderen en vier jaar later ging hij voor enkele jaren terug naar de skite van de heilige Anna op de Athos, waar een van de bekendste schilderscholen van de heilige Berg is gevestigd, om zich te bekwamen in het iconenschilderen.

In 1897 was hij weer in het Choseba-klooster waar hij voorlopig rustig deelnam aan het gewone monniksleven. Na enkele jaren werd hij diaken en daarna oriester gewijd, zonder dater verder veel veranderde. Alleen moest hij, wanneer hij de beurt had, de Diensten leiden en de heilige Liturgie vieren voor de vaders en broeders.

Nadat hij zo 10 jaar in Choseba had geleefd, beving hem toch opnieuw de onrust en de volgende 9 jaar was ,hij weer in de skite van de heilige Anna. Hij had nu de middelbare leeftijd, 54 jaar, en nam voorgoed afscheid van de Athos.  Hij zocht naar een plaats waar hij zelfstandig zijn asketisch leven kon leiden, trok een beetje door Griekenland, hoorde daar spreken over een heilige bisschop Nectarios en ging die opzoeken op het eiland Egina, niet ver van Athene. Nectarios had daar een zusterklooster gesticht en Sabbas gaf er een aantal jaren les in iconenschilderen.

Hij was ook getuige van het afsterven van bisschop Nectarios, dat zulk een diepe indruk maakte op de omgeving, vooral toen het lichaam de myron begon af te scheiden, die heel de omgeving met een lieflijke ,geur vervulde als hemelse getuige van diens heiligheid. Sabbas trok zich 40 dagen terug in zijn cel en kwam toen met een icoon waarop de overledene als een heilige werd voorgesteld. De ontstelde hegoumena, die al zoveel moeilijkheden met kerkelijke overheden had meegemaakt, wierp tegen dat dit toch niet mogelijk was zolang hij niet afficieel heilig was verklaard. Maar Sabbas wist haar over te halen de icoon toch ter verering uit te stellen in de kerk.

De roem van de heilige Nectarios verspreidde zich weldra over geheel Griekenland, en steeds meer mensen kwamen naar het graf van zulk een grote Heilige uit hun eigen tijd. Maar voor vader Sabbas werd het nu te druk, en opnieuw ving een tijd van rondtrekken aan. Tenslotte vestigde hij zich op het afgelegen eiland Kalymnos, als geestelijke vader van het monialenklooster van Allerheiligen. Hij bouwde voor zichzelf een paar cellen en een kerkje, schilderde iconen, leidde de Diensten van de nonnen, hielp hen met alles wat hij kon, en hoorde biecht. De eilandbewoners ondervonden veel moeilijkheden door de italiaanse bezetting, maar Sabbas stond hen bij en leerde hen, het onvermijdelijke met berusting te aanvaarden als de wil van God, en op Hem te blijven vertrouwen.

Ook hier zette hij zijn asketische levenswijze voort : zijn gewone voedsel bestond uit prosforabrood met de wijn die overgebleven was van de communie. Heel zelden gebruikte hij iets dat gekookt was en nooit vlees of vis. Geld dat hij voor de iconen of als aalmoes kreeg, ging ongeteld in de la, vanwaar hij het weer uitdeelde aan weeskinderen en armen. Het moest vóór  de avond uitgegeven zijn,want het kwam niet te pas dat een monnik ’s nachts nog geld onder zijn beheer zou hebben. Wanneer arbeiders iets voor hem moesten doen, moesten zij maar zelf het hun toekomende geld uit de la nemen, daar keek hij verder niet naar.

Hij was altijd ernstig en tegelijk heel innemend : onbedorven mensen hebben een fijn gevoel voor iemand die heilig is. Hij onderbrak uitbundig gelach van volwassenen, dat was alleen goed voor kinderen. Hij was mild in zijn oordeel over de gewone fouten van de mensen, alleen tegen vloeken  trad hij met grote beslistheid op en gaf daar in de biecht ook echte straffen voor. Het is God beledigen, ook wanneer het uit onnadenkendheid gebeurt, en daar wilde hij zijn mensen voor sparen.

Intussen was hij 86 jaar oud geworden, en 7 april 1948 stierf hij in stilte, zoals hij geleefd had. Na herhaald uitstel werden in 1957, op deze zelfde dag, zijn relieken opgegraven, waarbij zich dezelfde wonderlijke geur verspreidde die hijzelf bij de heilige Nectarios had waargenomen. Er begonnen steeds meer wonderen te geschieden, zowel bij zijn graf als elders, waar de heilige Vader Sabbas werd aangeroepen. Na enige tijd kan een officiële heiligverklaring door de Griekse Kerk verwacht worden, maar de verering door het orthodoxe volk is al begonnen.

Uit : heiligenlevens voor elke dag. Uitg.Orth.Klooster Den Haag

de heilige Kalliopios

Heiligenleven

De heilige Kalliopios

 

 

 

kalliopios.jpg

De heilige Kalliopios

 

De heilige Kalliopios, de zoon van de rijke christen weduwe Theoklia, te Pergos in Pamfylië. Hij genoot een zorgvuldige opvoeding; toen de vervolging uitbrak zond zijn moeder hem in een kist, samen met veel andere goederen en een stoet bedienden, naar een van haar bezittingen in een rustiger gebied.

Dit mooie plan mislukte echter. Buiten de stad was de jongen uit zijn kist gekropen en nieuwsgierig liep hij rond in hun eerste aanlegplaats, de havenstad Pompeiopolis. Daar kwam hij in een discussie terecht waardoor bleek dat hij christen was. Hij werd gegrepen en voor de prefect gebracht. Toen deze zijn naam hoorde en zijn rijkdom zag, stelde hij hem voor dat geloof te laten varen en zijn dochter te trouwen. Kalliopios antwoordde dat hij niet kon trouwen zonder toestemming van zijn moeder, en dat er bovendien geen sprake van kon zijn dat hij het christendom zou afzweren. De prefect stelde toen zijn standvastigheid op de proef door hem te laten geselen met loden zwepen, en toen hij de jongeman hiermee niet kon klein krijgen deed hij hen de foltering ven het messenrad ondergaan, waardoor zijn lichaam van onder tot boven verscheurd werd. In deze toestand werd hij in de gevangenis geworpen.

Intussen was een der bedienden naar Pergos teruggereisd en had Theoclia ingelicht. Deze haastte zich om haar zoon op te zoeken en vond hem in de gevangenis. Zijn lichaam was zo gezwollen door de ontstoken wonden dat hij niet kon opstaan om zijn moeder te begroeten, maar hij glimlachte dapper en zei : ‘Welkopm moeder U bent gekomen om getuige te zijn van het lijden van Christus’. En zij antwoordde :’Gezegend ben ik en gezegend is de vrucht van mijn schoot, die ik aan Christus heb opgedragen zoals Anna dat eertijds met Samuël heeft gedaan’.

Die nacht bleef zij bij hem in de gevangenis, verzorgde zijn wonden en zat aan zijn voeten. De volgende morgen werd hij weer voor de prefect gebracht, die hem tot de kruisdood veroordeelde. Het vonnis moest voltrokken worden op de Grote Donderdag, maar de moeder had de beulen omgekocht om het vonnis een dag uit te stellen, zodat hij op dezelfde dag zou gekruisigd worden als zijn Heer en Meester. Maar zij dreven de spot met haar en kruisigden haar kind met het hoofd naar omlaag. Zij bleef bij hem totdat hij gestorven was. De beulen namen hem van het kruis en legden hem in haar schoot. Zij legde zijn armen om haar hals en boog zich over dat gemartelde gezicht. Toen brak haar hart en zij was weer verenigd met Christus en Zijn Martelaar, in het jaar 304.

Uit : Heiligenlevens voor elke dag. Uitg.orth.klooster Den Haag

heilige Lucia

Heiligenleven

De heilige Lucia

 

Lucia heilige.jpg

 

 

 

Lucia van Syracuse (volgens traditie 283-304) is een christelijke martelares, die vereerd wordt als heilige door katholieke en orthodoxe christenen. Ze is de patroonheilige van de blinden. Ze is de enige katholieke heilige die ook vereerd wordt door de lutheranen in Scandinavië, in vieringen die veel voorchristelijke elementen van een joelfeest voor de zonnewende hebben behouden.

De bekendste versie van de legende van Sint Lucia is afkomstig uit de Legenda Aurea, een verzameling heiligenlevens van de 13e-eeuwse schrijver Jacobus de Voragine. De oudst bekende versie van de legende stamt echter uit de 5e eeuw, en er mag worden aangenomen dat de legende in de 6e eeuw al wijdverspreid was. Zo wordt ze genoemd in het sacramentarium van de 6e-eeuwse paus Gregorius I. In de daaropvolgende eeuwen is haar legende onder andere opgetekend door de Britse christelijke schrijvers Adelmus en Beda.

De heiligenlevens van Sint Lucia vertonen gelijkenissen met die van Sint Agatha en staan vol met aan haar toegeschreven wonderen. De mogelijkheid dat de heiligenlevens berusten op een historisch personage wordt groot geacht. Sint Lucia komt namelijk in vrijwel alle middeleeuwse verzamelingen van heiligenlevens voor. Ook is er in de catacomben van Syracuse een graftekst van rond het jaar 400 ontdekt, die waarschijnlijk werd aangebracht als herkenningspunt voor pelgrims. Rond het jaar 600 waren er al kloosters in Syracuse en Rome aan haar gewijd.

   

Volgens de legende leefde Sint Lucia in de tijd van de christenvervolgingen door keizer Diocletianus (regeerde 284-305). Ze was de dochter van een Romeins burger in Syracuse, die haar vader op jonge leeftijd had verloren. Haar moeder, Eutychia, leed al vier jaar aan dysenterie. Beide vrouwen brachten een nacht biddend bij de tombe van de christelijke heilige Sint Agatha door, de beschermheilige van Catania. Aan het einde van de nacht verscheen de heilige voor Lucia in een visioen. De heilige voorspelde Lucia daarin dat zij de glorie van Syracuse zou worden, zoals Agatha dat van Catania was. Ook was haar moeder terstond op wonderbaarlijke wijze genezen.

 

Eutychia regelde een heidense echtgenoot voor haar dochter, maar Lucia haalde haar moeder over het huwelijk niet door te laten gaan de bruidsschat als aalmoezen onder de armen te verdelen. Lucia had echter Christus als bruidegom gekozen en wilde eeuwig maagd blijven. De beoogde echtgenoot kwam op de hoogte van het uitdelen van de bruidsschat. Hij gaf Lucia daarop als christen aan bij de magistraat Paschasius. Deze verzocht haar een offer aan de keizer te brengen, wat ze weigerde. Daarop werd ze veroordeeld tot tewerkstelling in een bordeel, maar op wonderbaarlijke wijze bleken de wachters haar niet te kunnen afvoeren, ook nadat men een ossenspan had ingezet. Daarop werd ze met zwaardsteken om het leven gebracht. De fatale wond zou zijn toegebracht door met een zwaard door haar hals te steken.

 

Een andere legende verhaalt hoe Lucia haar ogen verloor. Eén versie van dit verhaal is dat een heidense minnaar naar haar hand dong. Hij maakte haar een compliment over haar mooie ogen, waarna ze haar ogen uitstak en hem deze toezond op een schaal, met de boodschap haar verder met rust te laten. Op wonderbaarlijke wijze bleef ze echter in staat te zien. In andere versies van de legende worden haar ogen uitgestoken bij haar marteldood. Beide versies komen in heiligenlevens ouder dan de 14e eeuw niet voor en zijn daarom waarschijnlijk een latere toevoeging.

 

Relieken die aan Sint Lucia worden toegeschreven zijn over heel Europa te vinden. De 11e-eeuwse schrijver Sigebert van Gembloux meldde dat het lichaam in zijn tijd in de Saint Vincent in Metz rustte, en dat een arm naar Speyer werd overgebracht. Oorspronkelijk zou ze in Syracuse begraven zijn, de laat 4e-eeuwse grafinscriptie vormt daarvoor extra bewijs. Volgens Sigebert zou het stoffelijk overschot van Sint Lucia vier eeuwen in Syracuse gelegen hebben toen hertog Faroald II van Spoleto Sicilië veroverde en de resten van de heilige overbracht naar Corfinium (in de Abruzzen). In 972 liet keizer Otto I het lichaam overbrengen naar Metz. Tegenwoordig zijn diverse relieken verspreid over Europa te vinden, die mogelijk afkomstig zijn van dit lichaam.

 

Een alternatief verhaal, in tegenspraak dat van Sigebert, is dat het lichaam in 878, toen de islamitische Saracenen Syracuse dreigden in te nemen, naar een geheime locatie gebracht werd. In 1039 werd het door de Byzantijnse generaal Maniakes gestolen en meegenomen naar Constantinopel. Bij de inname van de stad door de kruisvaarders in 1204 werd het lichaam, samen met vele andere relieken, naar Venetië overgebracht. Daar werd het oorspronkelijk in de kerk op het eiland San Giorgio Maggiore bijgezet.

 

In 1313 werd dit gebeente overgebracht naar de aan haar gewijde kerk Santa Lucia. Toen de Santa Lucia in 1860 werd afgebroken om plaats te maken voor het gelijknamige station werd het lichaam overgebracht naar de nabijgelegen San Geremia, waar het eeuwenlang in een glazen kist lag. In 1935 liet paus Pius XI het lichaam, dat zich in opmerkelijk goede staat bevond, bedekken met een zilveren dodenmasker. In 1981 werden alle beenderen behalve het hoofd gestolen, maar kort daarna door de politie teruggevonden. In 2004 werd het lichaam kortstondig vanuit Venetië overgebracht naar Syracuse, de stad waar de heilige oorspronkelijk bijgezet zou zijn. De stad Syracuse voert een lobby om het gebeente definitief terug te krijgen.

 

In het Franse Bourges bevindt zich een hoofd dat ook aan Sint Lucia wordt toegeschreven. De Venetianen zouden het hoofd in 1513 aan De Franse koning Lodewijk XII hebben geschonken, terwijl de rest van het lichaam in Venetië achterbleef. Lodewijk XII liet het hoofd bijzetten in de kathedraal van Bourges. Volgens een ander verhaal is het hoofd in Bourges echter uit Rome overgebracht, waar het werd ondergebracht in de tijd dat het lichaam in Corfinium rustte. Ook in Metz bevindt zich echter een hoofd waarvan beweerd wordt dat het van Lucia van Syracuse is.

 

De naam Lucia is afgeleid het Latijnse lux, dat licht betekent. Dit komt terug in de naamdag 13 december, die in de oude, juliaanse kalender de kortste dag van het jaar was. Vanwege de legende over de uitgestoken ogen is Sint Lucia de beschermheilige van blinden en opticiens. Daarnaast is ze de beschermheilige van elektriciens, prostituees en zieke kinderen. Ze wordt door katholieken aangeroepen voor genezing van slechtziendheid, halspijnen, blindheid en versterkte bloedingsneigingen.

 

De oudste afbeeldingen (iconen) van Sint Lucia zijn 6e-eeuwse fresco’s uit Ravenna. Sinds de 14e eeuw wordt Sint-Lucia vaak afgebeeld met een schaal waarop een paar ogen ligt. Onder de oudste afbeeldingen waarop dit attribuut voorkomt zijn schilderingen van Pietro Lorenzetti in Florence. Francisco de Zurbarán (1598-1664) beeldde haar in Chartres af met een schaal ogen en een palmtak. De heilige wordt ook wel met een kelk of een dolk door haar nek afgebeeld.

 

In het Middellandse Zeegebied worden schelpen van het geslacht Turbo wel ogen van Sint Lucia genoemd. Volgens het volksgeloof zouden ze het boze oog afweren en geluk brengen.

 

In de geboortestad van de heilige, Syracuse, begint de viering ter ere van Sint Lucia op 12 december. Het zilveren beeld van de heilige wordt die dag uit haar kapel naar het altaar van de kathedraal verplaatst en er wordt cuccìa gegeten, een zoete Siciliaanse soep. Op de eigenlijke feestdag, 13 december, wordt het beeld in processie door de stad gedragen naar de kerk boven het graf van de heilige geplaatst. Acht dagen later volgt een processie in tegenovergestelde richting. In het zuiden en midden van Italië vieren diverse steden de dag van Sint Lucia met processies, feesten en vuurwerk.

 

In het noorden van Italië is in sommige streken een traditie ontstaan die lijkt op het Sinterklaasfeest uit Nederland en België. Sint Lucia brengt kinderen cadeaus in de nacht op 13 december, vergezeld van haar ezel en haar koetsier. Kinderen kunnen Sint Lucia een verlanglijst schrijven en laten bij het naar bed gaan sinaasappels, koekjes en rode wijn voor de heilige achter, of hooi voor de ezel. De kinderen wordt verteld vroeg naar bed te gaan omdat de heilige anders as in hun ogen komt strooien, waardoor ze verblind kunnen raken. De volgende dag zoeken de kinderen hun cadeaus, die in het huis verstopt zijn.

 

Ook in de Scandinavische landen Noorwegen, Zweden, Finland en Denemarken vormt de dag een traditionele feestdag, ondanks dat deze landen sinds de Reformatie geen grote katholieke bevolkingsgroep meer hebben. Waarschijnlijk stamt deze viering deels af van een voorchristelijke viering van de winterzonnewende. Traditioneel vormde de dag het begin van de vastentijd voor Kerstmis. Het feest wordt zowel thuis als op scholen en werkplaatsen gevierd met zoete lekkernijen en kaarslicht. Er worden optochten met fakkels of kaarsen gehouden waarin meisjes als de heilige verkleed gaan. Ook op de Faeröereilanden en op sommige plaatsen in de V.S. komt deze wijze van viering voor.

Bron : onbekend

 

Heiligenleven : de heilige Bonifatius

Heiligenleven

Heilige BONIFATIUS

 

Bonifacius heilige 1.jpg

 

‘Weldoener’ of ‘Hij die het goede doet’ is de Nederlandse betekenis van Bonifatius (672 – 754), de Angelsaksische missionaris die in geen enkel boek over de vaderlandse geschiedenis ontbreekt. Hij werd immers – officiële lezing – door de toen nog heidense Friezen vermoord en dat is mooi uitgebeeld op van die oude gekleurde schoolplaten die bij geschiedenislessen werden gebruikt, toen de basisschool nog lagere school heette.


Bonifatius draagt zijn strijdnaam overigens niet omdat hij al zo’n uitzonderlijk goed mens zou zijn geweest. Het was paus Gregorius II (715-731) die Winfried of Wynfreth, zoals hij eigenlijk heette, diens Latijnse naam gaf. En waarom Bonifatius? Gewoon, omdat de paus hem op 15 mei van het jaar 719 de zending onder de heidense Germanen opdroeg en de kerk op 14 mei ene Bonifatius herdacht die in het jaar 300 de martelaarsdood zou zijn gestorven.
Hoewel hij behoort tot de grote namen uit de Nederlandse geschiedenis, is hij vooral werkzaam geweest in de Duitse deelstaten Thüringen en Hessen, die toen aan de oostelijke rand van het Frankische Rijk lagen. Daar vooral heeft hij het geloof verkondigd en de kerk gesticht. Dat hij daarbij niet altijd fijngevoelig te werk ging, blijkt wel uit de anekdote dat hij de Donarseik bij Fritzlar liet omhakken, die plaatselijke Germaanse stammen vereerden om aan te tonen, dat de Germaanse goden niet veel voorstelden.
Dat wil overigens niet zeggen dat hij in geen enkel opzicht rekening hield met de cultuur en denkwijze van de Germanen. Indien nodig paste hij de christelijke praktijk aan de omstandigheden aan. Zo was het in de rooms-katholieke kerk van die dagen de gewoonte om volwassenen pas te dopen als ze grondig op de doop waren voorbereid. Dit paste echter niet bij de denkwijze van de Germanen en Bonifatius draaide de procedure om. Hij gebruikte de doop bij wijze van initiatierite en begon daarna pas met het christelijk onderricht. Het doel heiligde dus de middelen.
Bonifatius’ verdienste voor de kerk ligt niet zozeer op theologisch als wel op organisatorisch vlak. In tegenstelling tot zijn Ierse vakbroeders, die veel waarde hechtten aan spiritualiteit en het voorleven van het geloof om heidenen voor het christendom te winnen, vond de Angelsaks Bonifatius dat het prille geloof van de Germanen een goed doortimmerde kerkelijke organisatie nodig had. Hij heeft die organisatie op poten gezet én nauw met Rome verbonden. Juist bij het opbouwen van die kerkelijke organisatie heeft Bonifatius zich in het politieke spel van die dagen moeten, en misschien ook wel willen, mengen. Zo zag hij er geen been in hem onwelgevallige kerkelijke concurrenten op synodes ook letterlijk te verketteren. Ook rekruteerde hij medewerkers bij voorkeur in zijn Angelsaksische vaderland en probeerde die op hoge posten te krijgen. Dit werd hem weer niet door Frankische kerkelijke en wereldlijke machthebbers in dank afgenomen. Met name de Frankische adel bemoeide zich graag met plaatselijke, kerkelijke besognes en probeerde zo zijn macht uit te breiden. Door ervoor te zorgen, dat bij bisschopbenoemingen alleen Rome het voor het zeggen kreeg, werd de invloed van de Franken kleiner en die van de paus in Rome groter.
In dit ijveren om de macht van de kerk van Rome te vergroten, past waarschijnlijk ook zijn laatste missioneringstocht naar Friesland. Hij wilde in dit gebied in elk geval de Frankische invloed tegengaan. Toen hij op pad ging naar die afgelegen streek, was hij al hoogbejaard. Hij moet dus nog straf van lijf en leden zijn geweest, anders had hij zo’n tocht niet kunnen volbrengen. In een uithoek van het te kerstenen gebied sneuvelde hij uiteindelijk in het harnas. Zoals we allemaal weten, is hij bij Dokkum vermoord. De geschiedenis heeft de Friezen deze moord in de schoenen geschoven. Er zijn echter historici die daaraan twijfelen. Een lezing wil dat Bonifatius vermoord is door als Friezen verklede huurmoordenaars, in opdracht van de bisschop van Keulen. Het zou dus ook kunnen dat hij het loodje heeft gelegd in een machtsstrijd tussen twee kerkelijke facties: de richting die de macht van Rome voorop stelde, en de richting die een sterke plaatselijke kerk voorstond.
 

 

 

SERVATIUS, bisschop en heilige te Maastricht

Heiligenleven

SERVATIUS, bisschop en heilige te Maastricht

 

Servaas-300.jpg

Heilige Servatius van Maastricht

 

 

Willibrord (+ 739) en Bonifatius (+754) mogen dan wel degenen zijn die naam hebben Nederland te hebben bekeerd tot het christendom. Limburgers vinden, dat vele jaren eerder in wat nu Maastricht heet, al een bisschop was: Servatius, Sint Servaas. Zijn sterfdag wordt van oudsher herdacht op 13 mei van het jaar 384, drieëneenhalve eeuw voordat Willibrord of Bonifatius vanuit Ierland in de Lage Landen aankwamen.

Maar wie was eigenlijk die Servatius? Wat we met zekerheid van hem weten, is niet zo heel erg veel, menen historici. Veel ‘van horen zeggen, veel legende en weinig historisch vaststelbaar. Het begint al met zijn afkomst. Volgens een van de interpretaties uit het verleden zou hij uit Armenië komen, gelegen in het Griekse deel van het Romeinse rijk. Hij heette Serbatios, in het Latijn Servatius; die naam betekent: ‘hij die bewaart’. Anderen houden het erop, dat hij waarschijnlijk een telg was uit een belangrijk Gallisch geslacht, uit het huidige Frankrijk dus, zoals in die tijd gangbaar was met bisschoppen. In ieder geval was hij in het midden van de vierde eeuw bisschop van Tongeren, een zeer oude nederzetting met een oude abdij een belangrijk christelijk centrum in de zuidelijke Nederlanden. Hij was er al de tiende bisschop, zegt de traditie. Hij lijkt meer te zijn geweest dan een kleine lokale bisschop aan de grenzen van het afbrokkelend Romeinse rijk. In vierde-eeuwse bronnen valt te lezen dat bisschop Servatius zeer actief was op enkele kerk-vergaderingen, concilies. Athanasius meldt dat Serbatios een van de bisschoppen was op het concilie van Sardica, nu Sofia, de hoofdstad van Bulgarije. Dat concilie vond in 343 plaats. In 346 neemt hij deel aan een kerkvergadering in Keulen en in 359 in Rimini, in Italië. Op al deze drie concilies is hij een felle bestrijder van het Arianisme, dat de godheid van Jezus ontkende. Geschiedvorsers zijn Servatius ook tegengekomen als diplomaat van keizer Constantius in een officiële delegatie naar een Gallische tegenkeizer.

Servatius had dus een drukke agenda en was vaak op reis om de ketterij van het Arianisme te bestrijden, zo beweren oude bronnen. Terug in Tongeren van een lange reis naar Rome, bleek het kwaad ook in eigen huis welig te tieren. De rijkdom van de stad was de Tongerenaren naar het hoofd gestegen en ze leefden zo in zonde, dat zelfs veel heidenen hun ten voorbeeld gesteld konden worden, zo staat in een oud verhaal. Ze vonden dat hun bisschop veel te streng in de leer was, te vaak weg was en ook nog hun taal niet sprak. Hij werd de stad uitgezet, of pakte volgens andere bronnen zelf zijn bisschoppelijke bullen en de relieken van zijn voorgangers in, en toog naar Maastricht. In 383 werd officieel de bisschoppelijke zetel naar die stad verplaatst, waarmee Maastricht de officiële woonplaats van de bisschop werd en Servatius de eerste bisschop van wat nu Nederland is. Het jaar daarop, in 384, stierf hij er op pinkstermaandag 13 mei en werd zoals toen te doen gebruikelijk, vlak buiten de stad aan de oude Romeinse weg naar Tongeren, begraven.

Wat er ook waar is van zijn levensgeschiedenis, al vlug wordt zijn graf een plek, dat tot wijd in de omgeving bekendheid geniet en pelgrims aantrekt. Bisschop Servatius wordt Sint Servaas, zijn graf een bedevaartsplaats. Anderhalve eeuw later, in de zesde eeuw, wordt er door bisschop Monulphus een stenen kerk boven gebouwd, waarschijnlijk als vervanging van een houten gebouwtje dat nogal eens placht in te storten. In het boek van Gregorius van Tours over belangrijke Frankische kerkmensen neemt Sint Servaas al een markante plaats in. Hoewel het ter plaatse flink kan sneeuwen, blijft op het graf de sneeuw niet liggen, weet hij te vertellen. Als op 13 mei 721, de sterfdag van Servatius, de Karolingische vorst Karel Martel in de slag van Poitiers de Moren weet terug te drijven, moet dat aan Sint Servaas te danken zijn! Hij schenkt de kerk in Maastricht een schitterend altaar. Wat later komt Karel de Grote er vanuit Aken de hulp van de heilige inroepen. Vele groten en kleinen der aarde volgen. In de 11e eeuw wordt begonnen met de huidige Sint Servaaskerk, die het hart wordt van de huidige stad.

Rond die tijd – als Sint Servaas steeds belangrijker wordt voor Maastricht – wordt ook het leven van Sint Servaas naar Middeleeuwse wijze opgepoetst. Het prachtigste heiligenleven is geschreven door Hendrik van Veldeke in de 11e en 12e eeuw. In zijn moedertaal, het Maastrichts. Het is een van de oudste boeken van ons taalgebied. Hij begint met te vertellen dat Servatius zelfs een bloedverwant van Jezus is, een afstammeling van Maria’s zuster Esmeria. Eens biddend op het graf van Onze Lieve Heer in Jeruzalem verscheen hem een engel met de boodschap dat hij de nieuwe bisschop van Tongeren moest worden. Diezelfde engel bracht hem ernaar toe. Kromstaf, ring en mijter lagen er op het altaar al op hem te wachten. In de legende staan nog een heleboel meer wonderen om Servaas’ grootheid en heiligheid aan te kleden en verhuizing naar Maastricht te verklaren. Volgens Van Veldeke kreeg hij rechtstreeks van Petrus zelfs de zilveren sleutel van de hemelpoort. Je kunt hem nog steeds in de schatkamer van de Sint Servaas bewonderen. Met andere zeer mooie geschenken van dankbare Maastrichtenaren en pelgrims.

Servatius was bisschop van Tongeren, fanatiek en recht in de leer. Maar over Servatius als missionaris en geloofsverkondiger in onze streken weten we eigenlijk niets. Wel dat er in het jaar 350 blijkbaar al sprake was van christenen in en rond Maastricht. Genoeg voor Servatius om er zich als bisschop bij te vestigen. En er na zijn dood in 384 als grote beschermheilige te worden vereerd. De kerstening van zuid Nederland heeft daar ongetwijfeld veel aan te danken!  j.b. –

Bron : de derde Kerk.

heilige Laurentius

Heiligenleven

De Heilige Laurentius

Laurentius van Rome9.jpg

De heilige Laurentius was de diaken van paus Sixtus . Toen deze op weg was naar het executieveld, tijdens de vervolging van Valeriaan, kon Laurentius, die zich onder de samengestroomde menigte bevond, zijn tranen niet bedwingen en hij riep hem toe :”Waarom laat ge mij achter, heilige Vader ? Gij behoort toch niet het offer op te dragen zonder uw diaken ?” Sixtus windde zich tot hem met de woorden : “Mijn zoon, over drie dagen zul je mij volgen”.

Men had vastgesteld dat Laurentius de schatbewaarder was van de kerk. Hij werd daarom gearresteerd met de opdracht het kerkbezit in te leveren. Laurentius vroeg een dag tijd om alles bijeen te brengen. Heel de nacht trok hij door de armste wijken van de stad om al wat in de kerk aanwezig was aan de behoeftigen uit te delen, en ’s morgens verscheen hij voor het gerecht, gevolgd door een hele stoet van armen,kreupelen en blinden. “Ziedaar de schatten van de kerk”, zei hij.

Hij werd ntot een gruwelijke dood veroordeeld: levend geroosterd te worden boven een klein vuur. Hij werd vastgebonden op het gloeiende rooster en leed zonder een enkele klacht te uiten. Integendeel, zijn gelaat straalde als dat van een engel, in innerlijke vreugde. Hij wist zelfs spottend tegen zijn beulen te zeggen :”Keer me maar om, deze kant is gaar”.

Zo stierf hij op deze dag van het jaar 258.Hij werd begraven in de zandgroeve aan de Via Tiburtia, op het goed van de weduwe Cyriaca, naast de lichamen van de heilige Hippolytus en de priester Justinus. Zijn gedachtenis werd al spoedig gevierd in alle delen van de Kerk als van de beroemste romeinse martelaar.

Met hem wordt herdacht de gevangenbewaarder Hippolytus, die door de moed waarmee Laurentius de martelingen verduurd had, tot het inzicht van de waarheid was gekomen, en daarom eveneens ter dood was gebracht.

Uit : Heiligenlevens voor elke dag. Uitg. Orth.klooster Den Haag

heiligenleven : de profeet Habakuk

Heiligenleven

De heilige profeet Hahabuk

 

Habakkuk.jpg

 

De heilige profeet Habakuk (Awwakoem) uit de stam Simeon. Hij trad op in de tijd van de babylonische gevangenschap. Hij schreef over de verwoesting van Jerusalem en hij is gestorven rond 600 voor Christus.

Zijn naam betekent “Vader van de opstanding” en hij heeft ook de toekomstige opstanding verkondigd en de uiteindelijke verlossing van het volk. Het is de verlossing uit een tijd van uitzonderlijk geweld, toen bijna het gehele volk in handen van de vijand was gevallen en naar onbekende streken versleept. Hij beschrijft de komst van de Verlosser dan ook in termen van kosmisch geweld, zodat de aarde beeft en opensplijt, terwijl zon en maan aan hun plaats genageld blijven. En hij ziet de Heer op de zegewagen der Apostelen, waarmee zij het water doen splijten, de dood overwinnen en redding brengen aan het volk. Daarom is Habakuk, hoezeer ontzetting hem ook aangrijpt, toch vervuld van vreugde en zingt hij zijn overwinningslied.

Uit : Heiligenlevens voor elke dag. Uitg. Orth.klooster Den Haag

heilige Joannes van Tobolsk

Heiligenleven

De heilige Joannes van Tobolsk

 

John of tobolsk.jpg

 

 Heilige Joannes van Tobolsk

 

 De heilige Joannes, metropoliert van Tobolsk en siberië, 1651-1715. Hij studeerde aan het theologisch instituut in Kiev, waar hij ook leraar latijn werd. Hij werd monnik van het Holenklooster en leidde een diep geestelijk leven. Hij was nog jong toen hem het predikambt voor de broeders werd toevertrouwd. Het grote thema van zijn onderricht, dat hem heel zijn leven bezig hield was :’ Hoe brengt de mens zijn wil in overeenstemming met de wil van God ?’ Dit was ook de ondertitel van zijn laatste en belangrijkste boek, ‘De Heliotroop’, de bloem die zich altijd wendt naar de zon en daardoor zelf tot een icoon wordt van de zon. Hij legde daarbij grote nadruk op innerlijke religieuze zelfkennis, en zijn preken deden middelen aan de hand om die te bereiken.

In 1678 werd hij met een opdracht naar Moscou gezonden, waar de patriarch hem tot assistent aanstelde van de hegoumen van het Svena-klooster in Bryansk.

In 1696 benoemde de heilige aartsbisschop Theodosios van Tsernigov hem tot archimandriet van het klooster van de Aljetskaja-icoon van de Moeder Gods, en wees hem aan als zijn opvolger. Het volgend jaar werd hij gewijd. Hij gaf bijzondere aandacht aan de theologische school van Tsjernigov en zette een hoge standaart vast van geestelijk onderricht en wetenschap, waarmee deze tot eersteling en model werd van de seminaries in Rusland. Tevens grondvestte hij een drukkerij voor geestelijke boeken, waar een reeks belangrijke uitgaven tot stand kwamen.

Als Aartsbisschop onderhield Joannes innige betrekkingen met de Athos, en hij verleende veel steun aan het Russische Panteleimon klooster op de Heilige Berg.

In 1710 werd hij benoemd tot Metropoliet van Tobolsk en Siberië. Ook daar besteedde hij bijzondere zorg aan de priesteropleiding, en aan het missiewerk onder de nog heidense Siberiërs. Hier schreef hij ook zijn ‘Heliotroop’, met het oog gericht op ‘zijn natuiurkinderen’ in dat land. Ook toonde hij zijn liefde voor hen door na de Goddelijke Liturgie in zijn huis open tafel te houden voor de geestelijkheid en de armen, waarbij hij zelf aan tafel diende. Na 5 jaar kwam er echter een einde aan dit werkzame leven : hij stierf plotseling na deze tafeldienst op 10 juni 1715. Twee eeuwen later werd Joannes plechtig heilig verklaard.

Uit : Heiligenleven voor elke dag – uitg. Orthodox klooster Den Haag

Heilige Grootmartelares Irene

Heiligenleven

Heilige Grootmartelares Irene

 

 

Irene grootmartelaar.jpg

Irene grootmartelares

De heilige Grootmartelares Irene (Irina) was de dochter van Likinios, hoofd van de stad Magido op de Balcan. Door de apostel Timotheos had zij Christus leren kennen, en vol enthousiasme had zij zich aan Hem toegewijd. Zij poogde ook haar ouders tot inzicht te brengen, maar haar woedende vader slingerde haar onder de hoeven van een aanstormende kudde wilde paarden. Deze stoven uiteen om Irene te ontwijken en vertrapten daarbij Likinios. Op het gebed van zijn dochter keerde hij echter tot het levfen terug. Hij kwam tot het geloof met heel zijn huis, en met vele anderen die van het beschreven voorval getuige waren geweest.

Likinios deed afstand van het ambt. Onder zijn opvolger werd Irene gearrsteerd en aan dodelijke folteringen onderworpen. Maar slangen beten haar niet, en ingenieus uitgedachte foltermachines weigerden dienst op zulk een overtuigende wijze, dat de beul zich liet dopen, evenals een menigte heidenen. Toen Irene de dood voelde naderen in 184, trok zij zich terug in een spelonk, waarvan zij de ingang met stenen liet versperren.

Uit : Heiligen voor elke dag – uitg Orthodox klooster Den Haag

heilige Arsenios de Grote

Heiligenleven

De heilige Arsenios de Grote

De heilige Arsenios de Grote was een diaken van de Kerk van Rome en gold als de grootste geleerde in Italië van zijn tijd. Daarom werd hij, toen hij 29 jaar oud was, door keizer Theodosios rond 383 naar Constantinopel geroepen, in de senatorenstand verheven, en tot leraar aangesteld voor zijn zonen Arkadios en Honorios. Hij leefde aan het hof in arsenios 11 juli.jpggrote weelde.

Toen hij zijn taak voltooid had, vroeg Arsenios zich af hoe hij zijn leven verder zou inrichten. Tijdens zijn gebed begon het tot hem door te dringen dat zijn levenswijze weinig innerlijke diepgang bezat. Het was alsof een stem hem toeriep :’Arsenios, vlucht weg van de mensen, dan kun je gered worden’. Arsenios, die zichzelf altijd radicaal had aangepakt aarzelde niet, en hij trok in stilte naar Alexandrië om bij monniken van de Sketis raad te vragen wat hij moest doen.

Uit zijn spraak en manier van doen bleek duidelijk dat Arsenios van hoge stand was, en hij werd dus met nadruk uitgevraagd, waarbij zij zich erop beriepen dat hij vertrouwen in hen moest stellen. Ze besloten raad te gaan vragen bij de beroemde Johannes de Kleine. Aangekomen tegen het einde van de middag in diens cel, besloot deze het uur van de avondmaaltijd te vervroegen omwille der gastvrijheid. De tafel werd gereed gemaakt en de monniken werden uitgenodigd aan te zitten. Maar Johannes verwaardigde  Arsenios met geen blik en hij liet hem staan terwijl zij aten. Halverwege de maaltijd scheen Johannes zich iets te herinneren. Hij nam een brood van tafel en smeet dat ergens op de grond terwijl hij zei : ‘Als je wilt, kun je eten’. Heel gevat viel Arsenios op de ellebogen en knieën en hapte in het brood dat op de grond lag. Toen had Johannes geen verdere proeven meer nodig en hij zei tot de anderen :’Ga nu maar, mijn broeders, met de zegen van de Heer, en bid voor ons. Ik ben ervan overtuigd dat hij een goede monnik wordt’. En toen ze Arsenios vroegen wat hij van de zaak dacht, antwoordde hij dat hij, omdat hij als een hond beschouwd werd, daarom ook maar als een hondje gegeten had.

Arsenios ging voort op deze radicale weg, en omdat hij zo lang in aanzien en luxe geleefd had, legde hij zich op buitengewone wijze toe op deemoed en ascese. Het duurde dan ook niet lang tot Johannes hem rijp oordeelde voor het kluizenaarsleven. Arsenio vestigde zich een twaalftal mijlen verderop, maar toch kwam er telkens bezoek. Toen monniken hem eens vroegen waarom hij zo zwijgzaam was, zei hij dat de intimiteit met God te lijden had van de omgang met mensen.

Zijn celdienaar, Daniël, vertelde van Arsenios dat deze vaak de gehele nacht doorbracht in gebed. En elke zaterdag avond, wanneer de zon in het westen onderging, keerde hij zich naar het Oosten en bad met opgeheven armen tot de opgaande zon hem in het gezicht scheen. Eerst dan zette hij zich neer om wat te rusten. Hij nodigde dan de slaap uit, ‘die slechte dienstknecht’ en viel zittend in slaap, tot hij na een korte tijd terug opstond. Arsenios zei dan ook dat een monnik die werkelijk strijd wilde voeren tegen zijn hartstochten, niet meer dan één uur per dag mocht slapen. Toch moest hij nog steeds strijden tegen de slaperigheid, en soms vroeg hij zijn leerlingen om hem wakker te houden.

Een andere uitspraak van hem luidde : ‘Wanneer we God zoeken, zullen we Hem ontmoeten; en wanneer we erin slagen Hem vast te houden, dan blijft Hij bij ons’. Ook zei hij ; ‘Zet heel uw kracht erop dat het werk in uw binnenste van God uitgaat om zo de uitwendige driften te overwinnen’. Hij verhaalde ook over twee mannen te paard, die een balk dwars tussen zich indroegen en de poort van de stad niet konden binnengaan omdat geen van beiden de ander wilde laten voorgaan. Zo is het ook wanneer wij het juk der gerechtigheid dragen met hoogmoed en onszelf niet willen vernederen. Dan blijven we buiten het Rijk Gods. En wanneer we goede werken verrichten maar tegelijk toegeven aan de boosheid, dan zijn we als iemand die water schept in een bak maar daar een gat in slaagt : het loopt er even snel weer uit als het erin geschept wordt. Door onze boosheid verliezen we ook onze goede werken.

Arsenios zocht herhaalde malen andere oudvaders op om hun raad te vragen. Toen hem eens gevraagd werd wat hij, die zulk een vooraanstaande geleerde was, bij zulke analfabeten te leren had, zei hij dat hij inderdaad bedreven was in grieks en latijn, maar dat hij nog niet toe was aan het abc van zulk een oude monnik. Dikwijls vroeg hij zichzelf hardop af : ‘Arsenios, waarom ben je weggetrokken uit de wereld ?’ om zich te wapenen tegen allerlei verleiding.

Na 56 jaar stierf hij, 95 jaar oud, omringd door zijn meest geliefde leerlingen, te Trojene bij Memphis, in 449.

 

Bron : Heiligenlevens voor elke dag. Uitg. orthodox klooster Den Haag

heiligenleven : de profeet Jeremia

 

 

Heiligenleven

De profeet Jeremia

Jeremias profeet2.jpg

 

 

 

De heilige profeet Jeremia,was  één van de vier grote Profeten. Hij was de zoon van priester Chelkia uit Anatoth, geboren rond 650 voor Christus, en profeteerde tijdens de regering van koning Josia en zijn opvolgers. Tegen koning Jojakim profeteerde hij dat deze na zijn dood zou worden weggeworpen als een ezelsbegrafenis; daarom werd hij in de gevangenis geworpen, opdat het hem onmogelijk zou zijn om nog te schrijven. Maar toen dicteerde Jeremia zijn profetieën door de tralies heen aan Baruch, die ze optekende.

Naast het boek der profetieën schreef hij een bundel klaagzangen. Ook schreef hij brieven naar de joden die in slavernij verkeerden in Babylon, waarbij hij voorzegde dat het volk eerst na zeventig jaar zou terugkeren naar Jeruzalem.

Het leven van Jeremia toont op huiveringwekkende wijze het profetenlot : wat een mens die innerlijk verbondenj is met God, op deze aarde moet ondergaan. Van nature was hij schuchter en teruggetrokken, maar door zijn goddelijke opdracht moest hij optreden tegen koningen, edellieden en opperpriesters. Terwijl er een oorlogssituatie bestond tussen Israël en Babylon, moest Jeremia, in opdracht van God, onderwerping aan de vijand prediken, en aanvaarding van de nederlaag als straf van God voor de ontrouw waartoe het volk telkens opnieuw vervallen was. Het is niet verwonderlijk dat dit door zijn landgenoten werd gezien als defaitisme en verraad, en hij heeft daar dan ook telkens weer de gevolgen van moeten ondergaan : tegenwerking, mishandeling, gevangenschap en uiteindelijk de marteldood.

Maar tegelijk met zijn onheilsprofetieën, heeft Jeremia ook het heil en de komst van de Messias verkondigd, waardoor de hoop levend bleef, over het bittere lot van de ballingschap heen. Want het Verbond met de Gezalfde zal onverbrekelijk zijn , zoals de dag altijd weer volgt op de nacht. Volgens een oude overlevering heeft hij, voordat de Tempel door koning Nabuchodonosor werd verwoest, de Ark van het Verbond verborgen in een spelonk van de berg Nabath, en deze is sindsdien onvindbaar gebleven. Jeremia werd gestenigd te Tafnis in Egypte, na de val van Jeruzalem in 587 vC.

Bron : Heiligenlevens voor elke dag – Orth.Klooster – Den Haag

Sigismund van Bourgondië

 

Heiligenleven

De heilige koning Sigismund

 

Sigismund van Boergondië (fresco door Piero della Francesca.jpg

Sigismund van Bourgondië (fresco van Piero della Francesca)

De heilige koning van Bourgondië, Sigismund, was in 515 van het Arianisme bekeerd door de heilige bisschop van Vienne, Avitus. In 516 werd hij de troonopvolger in Bourgondië.

Hij stichtte de abdij van Agaunum, waar hij ook gaarne vertoefde. Maar hij verloor niet zijn wilde aard. Zijn tweede vrouw, die het niet vinden kon met haar stiefzoon uit Sigismunds eerdere huwelijk, gedroeg zich als de klassieke stiefmoeder en wist door voortdurende klachten en intriges haar man zo ver te krijgen, dat hij zijn eigen zoon liet wurgen. Maar op hetzelfde ogenblik was zijn laaiende woede geblust, en hij wierp zich, onbedaarlijk wenend, op het verslagen lichaam van zijn kind. Een van zijn hovelingen merkte op : ‘Over uw zoon behoeft u niet te wenen, hij heeft nu zijn rust, maar ween over uzelf, als moordenaar van uw zoon’.

De koning vluchtte naar Agaunum om boete te doen met vasten onder tranen. En hij smeekte God hem in deze wereld te straffen en niet in de toekomstige. En dat is wat hem overkwam. Hij werd een gevangene van Chlodomer, koning van Orléans, en zoon van Clothildis, die aanspraak maakte op de troon van Bourgondië en alles in het werd had gesteld om dat doel te bereiken. Sigismund werd met vrouw en kinderen in een put verdronken in 524.

Brfon : Heiligenlevens voor elke dag – orth.klooster Den Haag

heilige Basilios van Ostrog

 

Heiligenleven

 De heilige Basilios van Ostrog

 

Basil_of_Ostrog.jpg

 

De heilige Basilios van Ostrog (Montenegro) was afkomstig uit Herzegowina, de grensstreek bij Montenegro. Hij was een kind met een sterk godsdienstige aanleg, en zodra hij de leeftijd bereikt had ging hij naar het Moeder Gods klooster te Treblinski, en wijdde zich geheel aan het monastieke leven. Zijn warme persoonlijkheid en diepe godsdienstigheid trokken de mensen aan, en hij werd tot bisschop gekozen van Zahum en Skendrië. Daar moest hij op twee fronten strijden, tegen de wreedheid der turkse overheersers, en tegen de opdringerigheid der Latijnen. Daarbij had hij zijn intrek genomen in het klooster van Tvrdos, van waaruit hij zijn diocees bestuurde.

De moeilijkheden werden echter steeds groter, en toen het klooster door de Turken verwoest was, verplaatste Basilios zijn  zetel naar het meer beschutte Ostrog.

Daar is hij in vrede gestorven in de 16e eeuw. Bij zijn graf geschieden talrijke wonderen tot in onze dagen. Zowel Christenen als moslims zoeken zijn hulp, en elk jaar met Pinksteren komt een grote menigte ter bedevaart.

Op de ruïnes van het oude Tvrdos is later een nieuwe stichting gebouwd.

 

Uit : heiligenlevens voor elke dag. Orth.klooster Den Haag

Heilige Leonides

Heiligenleven

 Heilige Leonides, de vader van Originesleonides vader van origines.jpg

heilige Leonides

 

De heilige Leonides, de vader van origines, was om Christus gevangen genomen in 202. Bij keizerlijk decreet werden al zijn goederen verbeurd verklaard, zodat zijn gezin tot volkomen armoede zou vervallen. Hijzelf werd ter dood veroordeeld. Origines, de oudste van de 7 kinderen, schreef  hem zich toch geen zorgen te maken over zijn gezin en niet omwille van hen van het martelaarschap af te zien.

Er staat over Leonides nog een bijzonderheid vermeld. Hij was zelf een christen filosoof en hij zag hoe zijn zoon Origines zich reeds als kind deed zien als een buitengewone persoonlijkheid. De jongen was niet alleen hyper-intelligent, maar richtte zich reeds toen met heel zijn wezen op God en Christus, met een beslistheid en standvastigheid van een rijpe volwassene. Dit wekte een grote vreugde en een diepe eerbied bij Leonides. Wanneer dan het kind lag te slapen, deed zijn vader stil de deken weg en kuste zijn kind voorzichtig op de borst, die tempel van de Heilige Geest !

Toen Leonides gevangen ngenomen werd, was Origines 17 jaar en hij brandde van verlangen ook martelaar te worden en zijn bloed te vergieten voor zijn grote liefde, Jezus Christus. Tevergeefs smeekte zijn moeder haar niet in de steek te laten. Toen haalde zij ’s nachts alles wat als kleding kon dienen het huis uit, zodat origines niet naar buiten kon.

 

Uit : heiligenleven voor elke dag. Orthodox klooster – Den Haag

de heilige Theodora en Didymos

Heiligenleven

De heilige Theodora en Didymos

 

 

Theodora en Didymos.jpg

Theodora en Didymos

 

De heilige Theodora en Didymos die geleden hebben in Alexandrië in 303. De prefect van de stad beval dat Theodora voorgeleid moest worden. Hij begon nte vragen tot welke stand zij behoorde. Zij antwoordde : ‘Ik ben een Christen’. De prefect : ‘Zijt ge een slavin of een vrije vrouw ?’ ‘Jezus Christus heeft mij vrijgekocht. Maar volgens uw begrippen waren mijn  ouders vrije burgers’. De prefect liet dit verifiëren door de stadsgriffier en hoorde van hem dat Theodora tot een aanzienlijke familie behoorde. Daarop wendde hijzicj weer tot haar en vroeg : ‘Waarom zijt ge niet gehuwd ?’ Zij antwoordde : ‘Ik geef de voorkeur aan het dienen van Jezus Christus’. ‘Als ge niet wilt offeren volgens het decreet van de keizer dan zal ik u in een bordeel plaatsen’. ‘Wanneer ik vast besloten ben om mijn ziel ongerept te bewaren, dan zal ik niet schuldig  geacht worden aan de verkrachting waaraan ik misschien ten prooi zal vallen’. Daarop zei de prefect : ‘ Uw hoge geboorte en uw schoonheid boezemen mij medelijden in . Breng toch het offer, anders wordt ge een schandvlek voor uw familie en voor alle fatsoenlijke mensen’. ‘Ik vertrouw mijzelf toe aan God. Hij zal me beschermen. Jezus zal Zijn duif ontrukken aan de klauw van de valk’. En opnieuw zei de prefect : ‘Ge doet me leed en ik geef u drie dagen uitstel om de zaak te overdenken’. Theodora vroeg toen : ‘Sta mij dan toe deze drie dagen in vrede door te brengen zonder door iemand lastig gevallen te worden’. De prefect : ‘Dat is billijk. Breng haar weg en behandel haar met het aan haar geboorte toekomend respect, totdat de drie dagen voorbij zijn.

Nadat deze dagen verlopen waren, en toen Theodora bij haar overtuiging bleef, beval de prefect haar in het openbaar bordeel te plaatsen. Toen zij het huis der schande binnenging sloeg zij haar ogen ten hemel en bad :’Almachtige God, Vader van mijn Heer Jezus Christus, kom Uw kind te hulp en bevrijd mij uit dit zondige oord. Gij hebt immers Petros uit de gevangenis verlost : zie en bewaar mijn onschuld, opdat heel de wereld moge weten dat ik U toebehoor’.

Nu was er in het gerechtshof een jonge christen aanwezig, die bij het horen van het vonnis met goddelijke ijver werd vervuld en besloot de maagd uit dat hol der slechtheid te bevrijden. Hij wist een soldatenuniform te bemachtigen en meldde zich bij het bordeel om als eerste Theodora te bezoeken. Tot het dodelijk verschrikte meisje zei hij : ‘Wees maar niet bang, mijn  zuster, want ik ben uw broeder in Jezus Christus en ik ben gekomen om u te redden. Laten we van kleding verwisselen’.

Verscholen in zijn wapenrusting ging zij ongehinderd naar buiten. Maar al deze heftige gemoedsbewegingen hadden een te grote inspanning van haar gevergd. Zij viel neer en haar ziel ontkwam naar God en vond daar rust. Toen werd Didymos gegrepen, voor de prefect gebracht en veroordeeld om onthoofd te worden. Zijn lichaam werd verbrand.

Uit : Heiligenlevens voor elke dag. Orthodox klooster Den Haag

de heilige Methodios

Heiligenleven

De heilige Methodios

 

 

 

Methodios, apostel der slaven.jpg

Methodios

 

De heilige Methodios, de Apostel der Slaven, bisschop van Moravië. Methodios en zijn broer Kyrillos worden meestel samen genoemd. Methodios was de oudste en Kyrillos (toen nog Konstantijn) de jongste van 7 broers. Gedurende 10 jaar bekleedde Methodios een belangrijke bestuurspost in een der Slavische provincies van het Rijk. Hij was daarvoor ook geschikt omdat hij van jongsaf slavisch kende als inwoner van het toenmaals tweetalige Thessalonika. In verband met zijn studies schijnt hij met zijn broer reeds toen een slavisch alfabetb te hebben gecreëetd. Later werd hij hegoumen van het klooster op de Olymposberg in Klein-Azië. Intussen was Kyrillos in Constantinopel tot diaken gewijd. Zijn studiejaren hadden hem in nauwe aanraking gebracht met een ander briljant geleerde, de latere patriarch Fotios. Deze had Kyrillos naar waarde leren schatten toen zij samen onderricht gaven aan de ‘universiteit’, en hij had hem reeds met een taak als missionaris naar de Chazaren gezonden, aan de andere zijde van de zwarte zee.

In 861 werd Methodios van de Olympos teruggeroepen om samen met Kyrillos het grote missiewerk te beginnen in Moravië. Vóór zij vertrokken vertaalden zij reeds de liturgische lezingen van de grote feesten in het slavisch. Het gebruik van de volkstaal in de liturgische Diensten heeft belangrijk bijgedragen tot het succes van hun missie, en gaf hun een grote voorsprong op de frankische missionarissen. Deze waren reeds een halve eeuw werkzaam in die streken, maar gebruikten het latijn voor de heilige liturgie. Maar juist dis succes leidde natuurlijk tot sterke wrijvingen tussen de frankische en de byzantijnse priesters.

Toen de paus zelf moeilijkheden had met het frankische episcopaat, werden Methodios en Kyrillos uitgenodigd naar Rome te komen, waar Methodios priester werd gewijd en, na de dood van Kyrillos in Rome, tot bisschop aangesteld voor de Slavische volkeren. Hij keerde terug naar Moravië en predikte het geloof in Christus met zulk een welsprekendheid dat de heidenen in grote scharen tot de Kerk kwamen, ook uit de andere Slavische volkeren. Zijn invloed strekte zich uit van Kroatië en Dalmatië tot aan het poolse gebied. Zijn priesters predikten ook bij de Tsjechen en in Servië. Na 16 jaar zo gewerkt te hebben, is hij gestorven te Velegrad, 6 april 885, uitgeput door de voortdurende tegenwerking van de frankische priesters.

Uit : heiligenlevens voor elke dag. Uitg. Orthodox klooster. Den Haag

De heilige Maria van Egypte

Heiligenleven

De heilige Maria van Egypte

 

 

 

mary_of_egypt 1 april.jpg

Maria van Egypte

 

De heilige Maria van Egypte. Van haar wordt een uitvoerige levensbeschrijving gelezen in de Avonddienst van de 5e donderdag van de Grote Vasten (Triodion 3b, 283-305), geschreven door de heilige Sofronios, bisschop van Jeruzalem in de 7e eeuw. Het oudste bericht wordt aangetroffen in het leven van de heilige Kyriakos ( rond 500), die als eerste kluizenaar leefde in de overjordaanse woestijn. Twee van zijn leerlingen drongen eens diep in de woestijn door, en zagen de schim van een mens wegvluchten. Zij kwamen toen bij een grot waar een stem hen toeriep niet dichterbij te komen daar zij een vrouw was en geen kleren meer had. Op hun vragen noemde zij zich Maria, de grote zondares en publieke vrouw, die boete deed voor haar zonden.

De leerlingen vertelden het aan Kyriakos, keerden enige tijd later terug naar die grot en vonden haar gestorven. Zij haalden spaden om haar te begraven. Dit is een terloopse beschrijving binnen het leven van een andere heilige, maar het helpt ons om de tijd waarin zij leefde vast te stellen.

Haar eigen levensverhaal, dat we lezen in de Avonddienst van de 5e donderdag in de Grote Vasten, brengt natuurlijk veel meer bijzonderheden zoals zij die verteld had aan de monnik Zozima , nadat deze haar zijn kleed had afgestaan.

Maria was geboren op het platteland van Egypte, maar haar verhitte natuur dreef haar al op twaalfjarige leeftijd naar de grote stad, waar zij een onverzadigbaar wellustig leven leidde. Zij was niet berekenend en daardoor bleef zij arm, zodat zij in haar levensonderhoud moest voorzien door vlas te spinnen, de minst betaalde bezigheid. Na 17 jaar wilde ze daarom haar geluk elders beproeven en zij zag de kans naar Jeruzalem te komen. Ze kwam daar in september, de grote feesttijd van de Verheffing van het heilige Kruis, die daar natuurlijk met grote luister werd gevierd en uit nieuwsgierigheid wilde ze dat feest meemaken. Het was haar onmogelijk tussen de opdringende menigte de kerk binnen te komen, al liet zij zich heus niet zo gemakkelijk opzij duwen. Terwijl zij zich zo vergeefs uitputte, kwamen oude herinneringen in haar op, haar geweten ontwaakte en in een flits drong het tot haar door dat zij niet waard was het heilig Kruis te aanschouwen. Haar felle natuur kwam tegelijk tot een volledige ommekeer. Bij de icoon, die daar hing, smeekte zij de heilige Moeder Gods haar borg te zijn dat zij zich zou bekeren, als zij nu maar het kostbare levenschenkende Hout zou mogen aanschouwen. En toen dit inderdaad gebeurde, trok zij vandaar rechtstreeks naar de woestijn over de Jordaan om haar boeteleven aan te vangen.

Daar leefde zij 47 jaar onder de blote hemel, eerst van het weinige brood dat zij had kunnen meenemen, later van de planten die daar in het voorjaar groeien. Van haar kleren bleef langzamerhand niets over, zij ontmoette nooit enig dier, laat staan een mens. Zij had een harde strijd te voeren tegen haar ingeroeste gewoontes, zij snakte naar vlees, zij had een brandende behoefte aan wijn, maar had zelfs geen water te drinken. Ook de dubbelzinnige liedjes die zij gewoon was te zingen wilden maar niet uit haar gedachten. Maar dan weende zij van schaamte, sloeg zich op de borst en wendde zich uit alle macht tot de Moeder Gods die immers haar borg was geweest; en dan kwam zij langzaam tot kalmte en een mystiek licht omscheen haar van alle kanten.

Zo deed zij haar verhaal, ze baden samen en Zosima zag haar daarbij in de lucht zweven, zonder enige steun en los van de grond. Toen zond zij Zosima naar het klooster terug met de opdracht het volgend jaar, op de dag van het Laatste Avondmaal voor haar de heilige Communie gereed te houden. Terwijl hij die avond vol onrust op haar wachtte aan de oever van de Jordaan, zag hij haar over het water naar zich toelopen. Zij ontving de heilige Mysterieën en vroeg hem, haar het volgend jaar weer te komen opzoeken, diep in de woestijn. Zosima vond haar daar, gestorven, en hij begroef haar met behulp van een leeuw die plotseling was komen opdagen. Op de grond stond geschreven dat zij Maria heette en dat ze gestorven was op Goede Vrijdag, de 1e april, hetgeen wijst op het jaar 522 als het meest waarschijnlijke sterfjaar.

Uit : Heiligenlevens voor elke dag. Uitg. Orthodox Klooster – Den Haag