Heilige Jozef de hymnenschrijver

border hstr.jpg

Heiligenleven

De heilige Jozef de hymnenschrijver

 

Jozef de Hymnenschrijver.jpg

Jozef de Hymnenschrijver

De heilige Jozef de hymnendichter‚ was geboren op Sicilië maar toen het eiland in 830 bezet werd door de moslims vluchtte hij naar Thessalonika. Daar werd hij, 15 jaar oud, monnik in het klooster van Latoma, en daar is hij ook priester gewijd. Hij trok de aandacht door innige vroomheid en studiezin. Daarom werd hij naar de hoofdstad gehaald door de heilige Gregorios de Dekapoliet, in het klooster van de heilige Antipas te Constantinopel. De kerk van Constantinopel zond hem met Gregorios naar Rome om de kerk daar op de hoogte te brengen van het onheil dat door de iconoclasten werd gesticht. Onderweg werd hij echter door zeerovers gevangen genomen en als slaaf verkocht op Kreta.
Gedurende zes jaren verkeerde hij in slavernij maar tegelijk benutte hij de mogelijkheid om velen tot het geloof te brengen. Onder hen was waarschijnlijk ook zijn eigenaar, want hij herkreeg de vrijheid en trok opnieuw naar Constantinopel, waar de vervolging intussen geëindigd was. Hij stond daar in aanzien en genoot het vertrouwen van de heilige patriarch lgnatios en van diens opvolger de heilige Fotios, die hem tot geestelijke vader benoemde van de stadsgeestelijken, en met wie hij opnieuw in ballingschap ging.
Na de dood van Fotios werd hij weer teruggeroepen naar de keizerstad en hij besteedde verder zijn tijd aan het schrijven van hymnen, o.m. bijna 300 canons. Daarvan worden nog steeds enkele gebruikt in de liturgische diensten, maar ze maken slechts een klein deel uit van zijn uitgebreide geschriften. (De meeste van onze canons zijn echter van de hand van een andere Jozef‚ de broer van de heilige Nikolaas de Studiet.) Hij is gestorven op de vooravond van de Grote Donderdag, in 883.
Aan zijn dood is nog een merkwaardige legende verbonden. ln die dagen was een belangrijk burger van Constantinopel een voortdurende gebedsdienst aan het houden in de kerk van de noodhelper de heilige Theodoros, om hulp in een wanhopige positie. Hij was al drie dagen en nachten in de kerk gebleven zonder enig teken te ontvangen en wilde toen in uiterste ellende de kerk verlaten. Maar toen verscheen hem de heilige Theodoros en verontschuldigde zich dat hij de ander zo lang had laten wachten: hij was bezig geweest, samen met de andere door Jozef bezongen heiligen, diens ziel te begeleiden naar het paradijs, en daarom was hij zo lang weggeweest uit zijn kerk!

bron: heiligenlevens voor elke dag . Orth.klooster Den Haag

 

border muzieknoten.gif

 

border 105.jpg

Alexander Nevsky

 

borders4 (5).jpg

 

Heiligenleven

De heilige Alexander Nevsky

nevsky alexander4.jpg

Alexander Nevsky

 

De heilige Alexander Nevski, de zoon van Jaroslav II, prins van Novgorod, was geboren in 1219. Het land verkeerde in grote ellende door de invallen van de Gouden Horde uit Mongolië. De steden waren verwoest, de inwoners waren in de wouden gevlucht, de kerken waren in brand gestoken en de priesters vermoord. Jaroslav moest onderhorigheid betuigen aan de Mongolen om zijn positie te kunnen handhaven. Nadat hij gestorven was in 1246, werd hij opgevolgd door de twee oudste zonen, lsjaslav, in 1248 gedood tijdens een schermutseling met de Litauers, en Andreas II, door de Khan uit het land verdreven in 1252. Nu werd de jongste broer, Alexander, prins van Novgorod. Deze had, in 1241, de Zweden bloedig verslagen aan de oevers van de Newa, en droeg sindsdien de bijnaam ‘Nevski’.
Ook had hij het volk aan zich verknocht door in 1231, tijdens de grote hongersnood, al zijn middelen ter beschikking te stellen, en zich persoonlijk in te zetten voor de Ieniging van de barre nood tijdens de buitengewoon strenge winter.
Van 1237 tot 1239 drongen de tataarse ruiterbenden Rusland binnen, alles verwoestend wat zij op hun weg vonden. Wladimir werd door hen ingenomen, maar op 100 km afstand van Novgorod bogen zij af naar het zuiden, verwoestten Kiev en vestigden zich in het zuid-westen van Rusland, in de streek langs de Zwarte Zee. Gedurende twee eeuwen legden zij de Russische volkeren onmetelijk zware belastingen op, onder bedreiging anders tot een verwoestende inval te zullen overgaan.
Hoewel Novgorod door de Horde met rust werd gelaten, moest Alexander steeds weer de strijd aanbinden met aanvallers uit het westen: zowel het Zweedse koninkrijk als Litauen en de Duitse ridderorde. Op 16 juli 1240 werd Alexander met zijn kleine leger geconfronteerd met een machtige Zweedse invasie. Gesterkt door een verschijning van de heilige Boris en Gleb op de Newa, behaalde hij een roemrijke overwinning. Maar het volk van Novgorod raakte opnieuw verdeeld en verdreef de jonge prins uit hun gebied. Toen het volgend jaar echter de Duitse orde zich meester had gemaakt van Pskov en het gevaar voor Novgorod dreigend werd, schreeuwden ze in hun nood weer om Alexander, die kwam aansnellen en een nieuwe overwinning behaalde bij het Peipusmeer. Nu werd hij in triomf Novgorod binnengehaald, en de volgende vier jaar werd hij in beslag genomen door de steeds hernieuwde invallen der Litauers.
Hij was ook grootvorst van Wladimir geworden, en de macht die in zijn handen lag door het beheer over de twee belangrijkste steden uit dit gebied, gebruikte hij om meer eenheid te brengen tussen de elkaar beconcurrerende vorsten. Want deze onderlinge verdeeldheid was de oorzaak van de Russische machteloosheid tegenover de tataarse legers.
Na de dood van zijn vader werd Alexander opgeroepen om voor de Gouden Horde te verschijnen voor de tataarse Khan, samen met de andere Russische prinsen. Ofschoon hij wist dat de doodstraf stond op het niet volgen van het afgodische begroetingsritueel, verklaarde Alexander: “Vorst, ik buig mij eerbiedig voor u neer, want God heeft u de oppermacht geschonken, maar uw goden kan ik niet vereren, want ik ben christen, en ik vereer de Ene God in Drie Personen, de Schepper van hemel en aarde”. De Khan bewonderde zijn moed en toen hij gehoord had welke heldendaden Alexander had verricht, nam hij hem op als een geëerde gast.
Van daar werd hij met zijn broer doorgezonden naar de Groot-Khan in de Karakorum, het uiterste grensgebied van Mongolië. Pas in 1251 kwam hij in Novgorod terug, ziek en uitgeput van de reis, maar als bevestigde prins van Novgorod en vertrouwde bondgenoot van de invallers.
Het volgende jaar kwam prins Andreas van Wladimir in opstand tegen de Tataren. Hij sloot een bondgenootschap met de Zweden, en lokte zo afgrijselijke represailles van de Mongolen uit. Opnieuw begaf Alexander zich naar de Gouden Horde, en hij wist het gevaar af te wenden, en met de laatste reserves van de staatskas kocht hij talrijke gevangenen vrij. Nu kreeg hij de macht toebedeeld over geheel Rusland. Nog tweemaal begaf hij zich naar de Khan, om tussenbeide te komen voor het opstandige volk en verlichting te verkrijgen van de verpletterende belastingdruk.
In diezelfde jaren kwam ook sterke druk uit het westen. Paus Innocentius IV zond missionarissen naar de Russische vorstenhoven om het orthodoxe volk te bekeren, en toen Alexander weigerde het oude geloof op te geven, werd een soort kruistocht georganiseerd: in 1256 trokken de Zweedse, Deense, Finse en Duitse legers op tegen Novgorod, maar Alexander versloeg de coalitie en bezette zelfs Finland.
In 1260 werd het tataarse tribuut weer opgeschroefd, terwijl tevens manschappen werden verlangd voor een mongoolse inval in Perzië. Opnieuw trok Alexander naar de Horde en wist in Iangdurige besprekingen beide gevaren af te wenden. Maar de nauwelijks 44-jarige was aan het einde van zijn krachten, hij had zich letterlijk versleten in dienst van zijn volk. Hij werd ziek, en op de terugweg stierf hij, op 14 november 1263, nadat hij op zijn sterfbed de monniksgeloften had afgelegd.
ln dit zeer kritieke tijdperk van de bewogen geschiedenis van het Russische volk, schitterde de heilige Alexander door zijn moed en staatsmanswijsheid, zijn energie en zijn ijver voor het geloof.

Bron : heiligenlevens : orth.klooster Den Haag

nevsky alexander2.jpg

Alexander Nevsky

Nikon heilige priester uit Napels martelaar

Banner2 +.gif

Heiligenleven

De heilige  Nikon – priester Martelaar uit Napels

 

Nikon de napolitaan.jpgDe heilige Nikon, priester-martelaar, met zijn vele leerlingen. Hij was een Napolitaan, zoon van een heidense vader en een christen moeder, beroepssoldaat, knap en sterk. Na een zwaar gevecht was hij met zijn leger als overwinnaar naar Napels teruggekeerd en hij vertelde aan zijn moeder dat hij ook christen wilde worden. Hij nam daarvoor de boot naar Constantinopel, maar onderweg ging hij aan land op het eiland Chios. Daar zocht hij een eenzame plaats en bracht zeven dagen door in gebed om de consequenties van zijn stap te doordenken en er zich op voor te bereiden. Vervolgens trok hij naar de berg Ganos, waar zich een kluizenaars-kolonie bevond. Nikon werd gedoopt en sloot zich bij hen aan en werd drie jaar later priester gewijd, omdat hij tot overste was gekozen.
Langzamerhand kwamen er te veel leerlingen om het leven daar vol te kunnen houden en Nikon begon met negen van zijn leerlingen een zwervend bestaan. Zij gingen eerst naar Mytilene, dan weer aan de geheel andere kant van de Middellandse Zee naar Napels, waar Nikon zijn moeder bijstond in haar laatste dagen en haar begroet. Vervolgens gingen ze naar Sicilië waar ze een geschikte plek vonden op de berg Tauromenië, en het aantal van zijn leerlingen aangroeide tot 199.
De rust daar was echter slechts schijn, ze werden allen gegrepen en voor de rechter gebracht. De leerlingen werden onthoofd maar Nikon moest de volle maat van de woede der vervolgers verduren en hij werd op allerlei manieren gemarteld tot ook hij tenslotte met het zwaard werd gedood, in 260.

uit : heiligenlevens voor elke dag – orth klooster Den Haag

1-Petrus-221-22.jpg

aa.jpg

Nikon heilige van het Holenklooster in Kiev

border 7TRE.jpg

Heiligenleven

De heilige Nikon van het Holenklooster in Kiev

 

Nikon holenklooster Kiev21.jpgDe heilige Nikon van het Holenklooster in Kiev was een priester die de eerste volgeling werd van Antonios, de stichter van het Holenklooster, die hem belastte met de opname van de nieuwelingen. Toen hij eens de twee lievelingszonen van de grootvorst van Kiev, Warlaäm en Efraïm, had opgenomen, haalde hij zich de woede van hun vader op de hals, zodat zijn verblijf in het klooster onmogelijk werd. Hij trok zich toen terug op het schiereiland van Tamanj, waar hij de bouw van een kerk organiseerde.
Later keerde hij naar het Holenklooster terug, waar hij enthousiast werd opgenomen en later ook tot abt werd gekozen. Hij was artistiek begaafd en heeft het klooster met fresco’s en mozaïekwerk gesierd. Hij is gestorven in 1088.

uit : heiligenleven voor elke dag – uitg orth.klooster Den Haag

 

holenklooster Kiev25.jpg

Holenklooster Kiev

 

border 22ZZSS.gif

holenklooster Kiev25.jpg

heiligenleven : Servatius

border oaoa (7).jpg

Heiligenleven 

De heilige Servatius van Tongeren – Maastricht

 

servatius en Lambert.jpg

Lambertus en Servatius (rechts)

 

De heilige Servatius (Aravatus, Sabbatius, Servaas), bisschop van Tongeren, na de heilige Maternus. Zijn afkomst is geheel onbekend, maar later werd verhaald dat hij uit Armenië of uit Syrië afkomstig zou zijn, en na een wilde jeugd zich had bekeerd. Na een bedevaart naar het Heilig Land werd hij priester gewijd en als missionaris naar Gallië gezonden. Rond 335 was hij bisschop van Tongeren. Hij nam deel aan het Concilie van Keulen in 346, en gaf getuigenis tegen de ariaansgezinde bisschop van Keulen:

Ik weet volkomen zeker wat deze valse bisschop leert; ik weet het niet van horen-zeggen, maar doordat ik het met mijn eigen oren heb gehoord. Omdat onze diocesen aan elkaar grenzen, heb ik vaak met hem gedisputeerd wanneer hij de Godheid van Jezus Christus loochende. Dat heb ik gedaan, zowel onder vier ogen als in het openbaar, in de aanwezigheid van Athanasios, bisschop van Alexandrië. Mij advies luidt: hij mag niet langer een christen bisschop zijn, en zij die in gemeenschap met hem blijven, kunnen niet langer als christenen beschouwd worden.

Servatius had de heilige Athanasios tijdens diens ballingschap met grote eer ontvangen, en zich volledig achter hem gesteld. Hij had hem ook vergezeld tijdens diens ballingschap in Trier van 336 tot 338, Ook op het concilie van Sardica in 347, en dat van Rimini in 359, was Servatius een der voornaamste bestrijders van de Arianen. Toen Tongeren door de duitse Hunnen werd bedreigd, bracht Servatius de bisschopszetel over naar de vesting Maastricht, waar hij op deze dag, Pinkstermaandag, gestorven is in 384.

De heilige Gregorios van Tours verhaalt dat Servatius voorzegd had dat de Hunnen Gallië zouden binnenvallen, en onder tranen verdubbelde hij zijn gebeden, nachtwaken en vasten om Gods barmhartigheid af te smeken en Zijn toorn te doen wijken. In 366 ondernam hij daarom ook een bedevaart naar Rome, om ook de hulp van de apostelvorsten af te smeken voor zijn volk. Maar God openbaarde hem dat Hij de zonden van de Galliërs wilde straffen door de gesel van de oorlog, maar dat Servatius er geen getuige van zou zijn. Diep bedroefd keerde de heilige naar Tongeren terug. Niet lang na zijn dood werd de stad ingenomen, geplunderd en verwoest door de troepen van de beruchte Attila.

De naam van Servatius is verbonden aan het bezit van een grote zilveren sleutel, een kopie van de sleutel van de mamertijnse gevangenis waar de heilige Petros was vastgehouden, en waarin deeltjes van diens ijzeren boeien waren verwerkt. Zijn gebeente bevindt zich te Maastricht, sinds 1102 in een gouden schrijn: de huidige “Noodkist”, een van de schitterendste reliekschrijnen die uit de Middeleeuwen bewaard zijn gebleven. Zijn relieken worden speciaal vereerd tijdens de zevenjaarlijkse Heiligdomsvaart (de 54e was in 2011 – red.)

Volgens de legende heeft Attila op zijn rooftocht Maastricht niet kunnen vinden, door de gebeden van de heilige Servatius, terwijl de mensen van angst weggekropen waren in hun huizen. Toen de Hunnen afgetrokken waren en de mensen weer naar buiten durfden te komen, zagen zij hoe in heel de omgeving mensen en goederen waren geschonden en gebrandschat. Toen trokken zij met kruisen naar de kerk van Sint Servaas en zij loofden God. Dit is de oorsprong van de jaarlijkse processie op zijn feestdag.

In de Sint Servaaskerk in Maastricht bevinden zich de graven van de volgende bisschoppen: Agricola, Designatus, Eucharius, Eucharius, Felix, Quirillus, Renatus, Supplicius en Ursicinus.

heiligenlevens van elke dag – orth.klooster DenHaag

 

servatius reliek.jpg

Servatius reliek in de st.servaaskerk van Maastricht

 

servatius visioen.jpg

Visioen van de heilige Servatius

 

heiligenlevenDe heilige Theodoros Tyron

imagesCA0XF00G.jpg

Heiligenleven

 

De heilige Theodoros Tyron

 

 

 

Theodore Teron.jpgDe heilige Theodoros Tyron leefde omstreeks 300; hij was afkomstig uit Kappadocië en diende bij het keurleger van de Tyronen. Toen hij eens standplaats had in de stad der Euchaïten, waar hij bij de bevolking een goede naam gekregen had door zijn rustig en evenwichtig optreden, beklaagde men zich bij hem over het levensgevaarlijke nabijgelegen woud, waar een agressief verscheurend dier huisde. Theodoros ging erop af en wist met levensgevaar het ondier te doden.
Als christen vroeg hij zich af of hij niet evenveel moed moest opbrengen om het onzichtbare monster, de duivel, te overwinnen. Hij besloot daarom zijn leven in te zetten voor Christus: hij weigerde aan de afgoden te offeren, beleed christen te zijn en spoorde vele anderen aan zijn voorbeeld te volgen. Om de onmacht der afgoden te demonstreren stak hij openlijk het heiligdom van de godin Rea in brand.
Hierna werd hij gevangen genomen en tot de vuurdood veroordeeld. In een visioen verscheen Christus hem en sprak hem moed in. Onder gebed en met lofhymnen beklom hij vrijwillig de brandstapel in 308; de vlammen doodden hem maar beschadigden zijn lichaam niet. Een vrouw uit de stad gaf geld voor zijn lichaam en bracht dit naar de kerk, waar het met veel eer begraven werd. Het graf werd een bedevaartplaats waar veel wonderen gebeurden. Zijn naam is ook verbonden aan het gebruik van de kolyva op de eerste zaterdag van de vasten.

Heiligenlevens voor elke dag. Orth.klooster Den Haag

 

 

tekst22.jpg

heiligenleven : de heilige Taïsia

8f21bb4fe52288bfae72f6b26b526b0a.jpg

Heiligenleven

De heilige Taïsia

taisia_of_egypt.jpg

Heilige Taïsia

 

De heilige Taïsia, een vrouw van buitengewone schoonheid, leefde daarvan in Alexandrië, in de 4e eeuw. Het kwam vaak tot een hevige strijd tussen haar minnaars, en zij was verantwoordelijk voor verschillende doden. De oude kluizenaar Pafnutios hoorde in de woestijn de verhalen hoe zij de jeugd het hoofd op hol bracht, en hij kwam tot de overtuiging dat hij met haar moest spreken. Hij ging naar de stad, trok gewone kleren aan, ging naar haar huis en vroeg haar te spreken. Zij ontving hem in haar schitterend verblijf, uitgestrekt op een kostbare divan. Pafnutios stond voor haar en keek haar aan. Zijn ogen vulden zich met tranen en hij sprak slechts met moeite. Hij zei: “Laat iedereen weggaan”. “Maar er is hier niemand dan God”, antwoordde zij. “Wat,” riep hij, “weet je dan dat God bestaat?” “Ja, ik ben christelijk opgevoed en ik weet dat dit waar is.” “En weet je dan ook dat de hemel er is voor de gerechten maar de hel voor de goddelozen?” En zij stamelde: “Ja.” Toen brak hij in wenen uit en snikte: “O almachtige God, zij kent U en weet wat Gij gereed hebt voor wie U dienen en wat voor wie U beledigen; en toch heeft zij zoveel arme zielen tot val gebracht, die U hadden kunnen aanschouwen en in Uw heerlijkheid hadden kunnen rusten in alle eeuwigheid, en die nu moeten jammeren in eindeloze ellende”. 

Dit woord doorbrak de ijskorst van Taïsia’s hart. Zij begon te beven, sprong overeind en viel neer voor de oudvader, omklemde zijn voeten en smeekte: “Vader, vader, laat mij zien hoe ik eraan kan ontkomen. Leer mij hoe ik berouw moet hebben!”
Hij zei dat hij voor haar een plaats ging gereed maken in het vrouwenklooster. Intussen maakte zij een brandstapel van haar rijke gewaden en kwam in oude kleren naar de cel die Pafnutios voor haar had ingericht. Hij verzegelde de deur achter haar en vroeg de zusters haar water en droog brood aan te reiken door het kleine deurvenster. En aan Taïsia verbood hij om zelfs maar haar handen ten hemel te heffen of de naam van God over haar lippen te laten komen, doch zich slechts naar het Oosten te richten en te zeggen: “Gij Die mij geschapen hebt, heb medelijden met mij.”
Drie jaren gingen zo voorbij. Pafnutios had veel over Taïsia nagedacht en voor haar gebeden en hij had medelijden met haar. Hij ging naar Abba Antonios en vroeg hem of hij de gestrengheid van haar boete zou mogen matigen, en of God haar zonden vergeven had. Antonios vroeg toen aan de broeders om een dag te vasten en de nacht door te brengen in gebed om te weten te komen wat Gods wil was. Terwijl zij zo in zwijgend gebed bijeen waren, sloeg de oudste leerling van Abba Antonios, de heilige Paulos de Simpele, plotseling de ogen op en zag in een visioen een plaats vol heerlijkheid in de hemel. En hij zei: “Dat is zeker de plaats voor mijn vader Antonios”. Maar een stem antwoordde hem: “Neen, zo is het niet; die plaats is voor Taïsia, de boetelinge”.
In grote vreugde haastte Pafnutios zich nu naar het klooster. Hij brak de deur van de cel open en zei tot Taïsia: “Kom naar buiten, de Heer heeft uw zonden vergeven”. Zij antwoordde: “Sinds de dag dat ik hier binnentrad, drukten zij mij als een ondraaglijke last, dag en nacht” . Waarop Pafnutios zei: “Juist daarom heeft de Heer u vergiffenis geschonken.” Nadat zij uit haar cel gekomen was, leefde Taïsia nog twee weken en ging toen over naar de Heer.

uit : Heiligenlevens voor elke dag – orth.klooster Den Haag

 

20.jpg

Profeet Jeremias

 

4f60f108360ab26e7f22b1377a1297e3.jpg

Heiligenleven

De heilige profeet Jeremias

jeremias profeet1.jpg

De heilige profeet Jeremia, een van de vier Grote Profeten. Hij was de zoon van de priester Chelkia uit Anatoth, geboren rond 650 vóór Christus, en profeteerde tijdens de regering van koning Josia en zijn opvolgers.
Tegen koning Jojakim profeteerde hij dat deze na zijn dood zou worden weggeworpen als een ezelsbegrafenis; daarom werd hij in de gevangenis geworpen, opdat het hem onmogelijk zou zijn om nog te schrijven. Maar toen dicteerde Jeremia zijn profetieën door de tralies heen aan Baruch, die ze optekende.
Naast het Boek der Profetieën schreef hij een bundel Klaagzangen. Ook schreef hij brieven naar de Joden die in slavernij verkeerden in Babylon‚ waarbij hij voorzegde dat het volk eerst na zeventig jaar zou terugkeren naar Jeruzalem.
Het leven van Jeremia toont op huiveringwekkende wijze het profetenlot: wat een mens die innerlijk verbonden is met God, op deze aarde moet ondergaan. Van nature was hij schuchter en teruggetrokken, maar door zijn goddelijke opdracht moest hij optreden tegen koningen, edellieden en opperpriesters. Terwijl er een oorlogssituatie bestond tussen lsraël en Babylon, moest Jeremia, in opdracht van God, onderwerping aan de vijand prediken, en aanvaarding van de nederlaag als straf van God voor de ontrouw waartoe het volk telkens opnieuw vervallen was. Het is niet verwonderlijk dat dit door zijn landgenoten werd gezien als defaitisme en verraad, en hij heeft daar dan ook telkens weer de gevolgen van moeten ondergaan: tegenwerking, mishandeling, gevangenschap en uiteindelijk de marteldood.
Maar tegelijk met zijn onheilsprofetieën heeft Jeremia ook het heil en de komst van de Messias verkondigd, waardoor de hoop levend bleef, óver het bittere lot van de ballingschap heen. Want het Verbond met de Gezalfde zal onverbrekelijk zijn, zoals de dag altijd weer volgt op de nacht.
Volgens een oude overlevering heeft hij, voordat de Tempel door koning Nabuchodonosor werd verwoest, de Ark van het Verbond verborgen in een spelonk van de berg Nabath‚ en deze is sindsdien onvindbaar gebleven. Jeremia werd gestenigd te Tafnis in Egypte, na de val van Jeruzalem in 587. De heilige Martelaar Batas, een perzische monnik, onthoofd te Nisibis in 364.

uit : heiligenlevens voor elke dag.orth.klooster Den Haag

 

0.jpg

heiligenleven : paus Leo de grote

Heiligehnleven

Heilige paus Leo de Grote

Leo de Grote.jpg

Paus Leo de Grote

 

 

De heilige Leo de Grote, paus van het oude Rome. Hij was daar geboren op het einde van de 4e eeuw, trad al vroeg in dienst van de kerk en was diaken onder de pausen Callistus en Sixtus, wier opvolger hij werd in 440. Hij had een geheel eigen welsprekendheid: in korte preken wist hij beeldend en scherpzinnig het eigen van een feest en de gedachten waardoor het beheerst werd, onder woorden te brengen. Zo zond hij gezanten naar het grote concilie van Chalcedon tegen de monofysieten, met een brief waarin hij de leer van de twee naturen van Christus in de éne Persoon zo scherpzinnig en overtuigend uiteenzette, dat deze als de beslissende concilietekst aanvaard werd.
Toen Atilla met zijn Hunnen in 452 Rome bedreigde, trok Leo hem tegemoet bij de Minciorivier en wist hem door de macht van zijn persoon en de kracht van zijn woord, te overreden om Italië te verlaten en zich terug te trekken achter de Donau. Hij kon echter niet verhinderen dat de Vandalen drie jaar Rome bezetten, maar hij heeft wel het moorden weten te voorkomen dat zo vaak met hun komst gepaard ging.
Dit sterke zelfbewustzijn en de noden van de tijd brachten hem er echter ook toe een soort oppergezag over de kerk op te eisen, een eis die door hem het eerst uitgesproken is, en later steeds sterker werd herhaald, en tenslotte geleid heeft tot het rooms-katholieke dogma van de pauselijke onfeilbaarheid. In 461 is hij gestorven, nadat hij de kerk van Rome 21 jaar had bestuurd.

heiligenleven : de heilige Theodoros Tyron

Heiligenleven

De heilige Theodoros Tyron

Theodore Tiro heilige.jpg

 

De heilige Theodoros Tyron leefde omstreeks 300; hij was afkomstig uit Kappadocië en diende bij het keurleger van de Tyronen. Toen hij eens standplaats had in de stad der Euchaïten, waar hij bij de bevolking een goede naam gekregen had door zijn rustig en evenwichtig optreden, beklaagde men zich bij hem over het levensgevaarlijke nabijgelegen woud, waar een agressief verscheurend dier huisde. Theodoros ging erop af en wist met levensgevaar het ondier te doden.
Als christen vroeg hij zich af of hij niet evenveel moed moest opbrengen om het onzichtbare monster, de duivel, te overwinnen. Hij besloot daarom zijn leven in te zetten voor Christus: hij weigerde aan de afgoden te offeren, beleed christen te zijn en spoorde vele anderen aan zijn voorbeeld te volgen. Om de onmacht der afgoden te demonstreren stak hij openlijk het heiligdom van de godin Rea in brand.
Hierna werd hij gevangen genomen en tot de vuurdood veroordeeld. In een visioen verscheen Christus hem en sprak hem moed in. Onder gebed en met lofhymnen beklom hij vrijwillig de brandstapel in 308; de vlammen doodden hem maar beschadigden zijn lichaam niet. Een vrouw uit de stad gaf geld voor zijn lichaam en bracht dit naar de kerk, waar het met veel eer begraven werd. Het graf werd een bedevaartplaats waar veel wonderen gebeurden. Zijn naam is ook verbonden aan het gebruik van de kolyva op de eerste zaterdag van de vasten.

heilige Theodora

Heiligenleven

De heilige Theodora Keizerin

 

theodora imperatrice.jpg

Heilige Theodora

De heilige Theodora, keizerin, was de vrouw van Theofilos, de iconenbestrijder. Deze had de orthodoxe patriarch Methodios uit Constantinopel verbannen en de onwaardige Johannes de Magiër tot patriarch benoemd, en een verbod ingesteld op de verering van de iconen. Daarmee wilde hij tegemoet komen aan de moslims, die de christenen van afgoderij beschuldigden. Tevens wilde hij op deze wijze de invloed van de kerk op het volk verminderen, die hem in de weg stond bij zijn streven naar de absolute macht.
Theodora durfde zich niet openlijk tegen het verbod te verzetten, maar zij bewaarde zoveel mogelijk iconen in haar eigen vertrekken en bad voortdurend voor de vrijheid van de christenen. Ook haar kinderen voedde zij zoveel mogelijk op in de orthodoxie, ondanks langjarige moeilijkheden met haar echtgenoot. Na twaalf jaar werd deze door een dodelijke ingewandsziekte getroffen, waarin hij trouw door Theodora werd verpleegd, en kort voor zijn dood kwam hij tot inkeer.
Daarna was Theodora regentes over de driejarige Michaël, de troonopvolger, en zij gebruikte haar invloed om voorzichtig-aan de Kerk de vrijheid te schenken. De verbannen patriarch Methodios werd teruggeroepen, en onder zijn leiding kwam in 843 een synode bijeen, die de besluiten bekrachtigde van het 7e oecumenische concilie van 786, dat de verering der iconen verdedigd had.
Met een plechtige processie werden de iconen in ere hersteld, en als bekroning van dit feit werd de zondag van de orthodoxie ingesteld, welke nog steeds gevierd wordt op de eerste zondag van de Grote Vasten.
Deze eclatante overwinning bracht Theodora echter geen persoonlijk geluk. Haar bestuur werd voortdurend betwist door haar broer Bardas, die ook grote invloed uitoefende op de opgroeiende Michaël, in wie hij de honger naar macht steeds feller aanwakkerde. Nog voor zijn meerderjarigheid wist deze zijn moeder met zijn vier zusters naar een klooster te verdrijven, waar zij bleven tot hun dood. Theodora leefde daar nog acht jaar in volledige toewijding en stierf in 867, kort nadat Bardas op last van Michaël was vermoord. In hetzelfde jaar kwam ook Michaël zelf door moordenaarshanden om het leven.

heilige Theodora Keizerin

Heiligenleven :

De heilige Theodora, keizerin

 

theodora imperatrice.jpg

De heilige Theodora, keizerin, was de vrouw van Theofilos, de iconenbestrijder. Deze had de orthodoxe patriarch Methodios uit Constantinopel verbannen en de onwaardige Johannes de Magiër tot patriarch benoemd, en een verbod ingesteld op de verering van de iconen. Daarmee wilde hij tegemoet komen aan de moslims, die de christenen van afgoderij beschuldigden. Tevens wilde hij op deze wijze de invloed van de kerk op het volk verminderen, die hem in de weg stond bij zijn streven naar de absolute macht.

Lees verder “heilige Theodora Keizerin”

heilige Nektarios

Heiligenleven
 
Heilige Nektarios
 

nektarios_egina_3.jpg

Nektarios van Egina

 
 
 
De Heilige Nektarios werd geboren uit arme ouders in 1846 in Thracië (nu Turkije). Reeds jong bleek bij hem naast liefde voor de kerk een echte studiezin, en zijn ouders deden daarom alles om hem voor zijn studie naar Constantinopel te kunnen sturen toen hij 14 jaar oud was. Daar verdiende hij de kost bij een ver familielid als magazijnbediende, en hij werd ook wel geholpen door welwillende christenen. Er leefde in hem een zendingsdrang. Op het pakpapier van de voorwerpen die hij verzenden moest, schreef hij spreuken van de Woestijnvaders, waardoor hij zelf getroffen was gewest. Elke dag schreef hij zoveel mogelijk van deze spreuken op deze vellen, in de hoop dat de klanten ze uit nieuwsgierigheid zouden lezen en er iets goed van zouden opsteken.

Reeds toen legde hij de grondslag voor zijn grote geleerdheid. Grote delen van de nacht en elk vrij ogenblik van de dag bestede hij aan het bestuderen van de Vaders. Toen hij 21 was, kreeg hij een betrekking als onderwijzer op het eiland Chios. Zijn geestelijk leven verdiepte zich, en hij wilde zich geheel aan Christus geven. Hij werd daarom monnik, toen hij 30 jaar oud was, in het beroemde klooster Nea-Moni, en ontving de naam Lazaros (zijn doopnaam was Anastasios), en later Nektarios. Zijn deemoed, gehoorzaamheiden en buitengewone zachtmoedigheid maakten hem al spoedig bemind bij heel de gemeenschap, die hij diende als diaken. De financiële hulp van enkele weldoeners stelde hem in staat in Athene zijn theologische studies te voltooien in 1885.

Nektarios was toen bijna 40 jaar en werd naar Alexandrië gezonden waar hij in 1886 priester gewijd werd, en korte tijd later, in 1889, metropoliet van Pentapolis (Opper-Libië). Hij kreeg de opdracht om te prediken en werd als vertegenwoordiger van de patriarch naar Caïro gezonden, waar hij al spoedig de genegenheid won van het volk. En de mensen zeiden onder elkaar: “Dat zou nu eens een waardige opvoiger zijn voor de patriarch!”

Juist dit werd hem echter noodlottig: jaloezie bracht sommige priesters ertoe hem te belasteren bij de patriarch. Zonder enig onderzoek zette deze hem toen in 1890 af als bisschop waarbij tegelijk zijn salaris werd ingehouden. Omdat Nektarios nooit gespaard had, maar steeds alles had weggegeven, kwam hij tot grote armoede. Na een jaar vergeefs wachten op eerherstel, moest hij naar Constantinopel terugkeren. Zijn oorspronkelijke gedachte om naar de Athos te gaan liet hij varen, omdat hij zich geroepen wist tot het werk onder de gewone gelovigen.

Na deze periode van honger lijden kreeg hij weer een opdracht als prediker in 1891. Zijn innige vroomheid en grote welsprekendheid maakten dat hij van alle kanten uitnodigingen ontving om te komen preken. Hierdoor werd hij ook in 1894 directeur van een opleidingsinstituut voor priesters in Athene. Deze school wist hij spoedig tot hoog moreel en intellectueel peil op te verheffen. Daarnaast bleef hij preken voor het volk. Zelf leidde hij daarbij het armoedige leven van een strenge monnik. Dit had invloed op een aantal jonge mensen, en tussen 1904 en 1907 stichtte hij met een aantal gelovige meisjes een klooster op het eiland Egina, waar hij zich later, toen hij gepensioneerd werd, zou gaan terugtrekken.

Door het ontbreken een financiële grondsiag kostte dit stichtingswerk ontzaglijk veel moeite, en het putte hem lichamelijk volkomen uit. Maar rondom hem begonnen allerlei wonderlijke dingen te gebeuren: plotselinge genezingen, regen gedurende een vernietigende droogte, troost in de moeilijkste omstandigheden. Zijn liefde tot God en zijn hartelijke liefde voor ieder die hij ontmoette, trok een menigte mensen onweerstaanbaar tot hem aan. In de moeilijke tijd na de eerste wereldoorlog verbood hij zijn monialen met de grootste nadruk om ook maar enige voorraad aan te leggen, maar alles wat zij ontvingen direct uit te delen aan de behoeftige.

In 1899 werd hij uitgenodigd zich kandidaat te stellen voor de patriarchale troon van Alexandrië. Nektarios ging erheen, maar toen hij bemerkte dat de geestelijkheid een andere kandidaat uit hun eigen rangen wilde pousseren, ging hij onmiddellijk terug naar Athene, want hij wilde in geen geval aanleiding geven tot strijd.

Naast al de taken die hij op zich nam, vond Nektarios nog tijd voor het schrijven van een groot aantal boeken over theologie, ethiek, kerkgeschiedenis en de plaats van de Vaders, vaak miskend door westerse beïnvloeding. Daarbij kwam ook nu weer dat er lasterpraat rondverteld werd over hem en zijn klooster. En altijd verdroeg hij dit met de grootste gelijkmoedigheid en hij sprak nooit een kwaad woord over hen die hem beschuldigden. Maar het taste wel zijn lichamelijke weerstandsvermogen aan, en hij werd getroffen door een pijnlijke ziekte die hem in anderhalf jaar naar het graf bracht. Hij stierf in het ziekenhuis, 8 november 1920. Zo is hij nog bijna een tijdgenoot van ons, in elk geval van de oudere generatie. Zijn graf is een der meest bezochte bedevaartsplaatsen van Griekenland. Want na zijn dood is de heilige Nektarios nog even geliefd als tijdens zijn leven. In 1961, 41 jaar na zijn dood, werd hij plechtig heilig verklaard. Hij is vooral de

 

 
Relikwie van Heilige Nektarios

nektarios relikwie.gif

Troparion, toon 1

Uit Sylivria afkomstig, en de herder van Egina, in de laatste tijden verschenen en een ware vriend van de deugd. Laat ons Nektarios vereren in geloof, als een door God gezonden dienaar van de Heer. Want genezingen stromen overal, voor wie met eerbied tot hem roept: eer aan Christus die u eert, eer aan Hem die door u wonderen doet, Eer aan Hem die door u, voor allen genezingen bewerkt,

beschermheilige van de zieken..

Fulgentius van Roespé

Heiligenleven

De heilige Fulgentius van Roespé

FulgentiusRuspe.jpg

Heilige Fulgentius van Roespé

De heilige Fulgentius, bisschop van Roespé (Noord-Afrika) werd geboren in 467 in Thelepte, waar hij ook stadsbestuurder werd. Maar reeds spoedig gaf hij deze post op om monnik te worden. Toen hij 40 jaar oud was werd hij tot bisschop gekozen, maar samen met vele andere orthodoxe bisschoppen werd hij door de ariaanse vandalen verbannen naar het woeste Sardinië, waar hij vele jaren moest blijven. Hij was een belangrijke schrijver over de orthodoxe leer. Steeds verlangde hij ernaar om zich in een klooster terug te trekken, maar zijn gelovigen hingen zozeer aan hem, dat hij hen niet inde steek wilden laten. Zo stierf hij in 533 in het ambt, 66 jaar oud.

uit : heiligenlevens voor elke dag. uitg. Orthodox klooster. Den Haag

heiligenleven : de heilige Eulogios

heiligenleven

 

De heilige Eulogion de Gastvrije

 

eulogios1.jpg

Miniatuur uit het Menologion van Basilios II

Hij was een steenhouwer in Egypte, een man met geweldige kracht. Overdag spande hij zich tot het uiterste in, maar s’avonds hield hij open tafel voor de armen en alle hongerigen.Hierdoor ontstonden vele vriendschappen, met leken en monniken. Vooral de monnik Daniël had een grote verering voor Eulogios, en hij stelde zich voor hem zijn liefdadigheid in groter verband te laten beoefenen. Hij wist een aantal rijke christenen te interesseren en bracht zo geld bij elkaar voor het oprichten van een pelgrimshuis, waar velen gespijzigd zouden kunnen worden. Toen Eulogios dit geld in handen kreeg, en hij een belangrijk man werd, bleek hij huier niet tegen opgewassen. Hij trok naar Constantinopel, waar hij de zaak groot zou aanpakken, maar al wat er gebeurde was dat hij een luxueuze villa inrichtte voor zichzelf met een stoet bedienden en een gemakkelijk leventje ging leiden. Dit liep natuurlijk spaak. Daniël kwam naar Constantinopel maar slaagde er niet in Eulogios weer in het rechte spoor te brengen, en keerde bedroefd terug. Hij kon verder niets doen dan voor zijn vriend te bidden. Het geval kwam echter keizer Justinianus ter oren; de zaak werd geconfiskeerd. Eulogios werd gevoelig gestraft en kwam met schande naar Egypte terug. Daniël sprak hem moed in en hielp hem zijn vroeger leven weer op te nemen. Door harde arbeid en gastvrijheid boette Eulogios zijn zonde uit. Toen de zwakte van de ouderdom het werk in de steengroeve onmogelijk maakte, trok Eulogios naar de monniken in de woestijn, waar hij leerde bidden en mediteren. Tenslotte is hij een heilige dood gestorven op 25 april van het jaar 585.

Uit : heiligenlevens voor elke dag. Uitg.orth.klooster Den Haag.

Basilius de Grote : een bruggenbouwer

Basilius de Grote: een bruggenbouwer

Basilios de grote  77.jpg

De monnik | Wie is Christus? | De botsing met de keizer | De zorg voor de armen | Zaken zijn zaken | Nieuwe verwikkelingen | Het dispuut over de Geest | De schepping | De cultuur

De monnik
Basilius leefde van 310 tot 379 n.Chr.. Hij werd geboren te Caesarea in Cappadocië (een streek in het huidige Turkije), als oudste zoon van een christelijk gezin. Zijn ouders hadden beiden vervolgingen meegemaakt, maar toch keerden zij zich niet tegen de ‘boze’ buitenwereld. Ze gaven Basilius daarentegen een brede vorming, dat wil zeggen dat hij zich bekwaamde in vele vormen van wetenschap. Hij raakte thuis in de platoonse, aristotelische en stoïcijnse denkwereld, en hij kwam in contact met tal van geleerden, onderzoekers, schrijvers en poëten.
Ondanks dit alles raakte Basilius onder de indruk van het ascetische ideaal. Dankzij de bisschop van Sebaste – Eustathius – trokken zijn oudere zus Macrina en zijn moeder zich na het overlijden van zijn vader terug in de eenzaamheid van arbeid en gebed. Ook Basilius maakte een radicale keuze. Hij wilde gehoor geven aan de roeping die losstaat van de wereldse ‘wijsheid’ en die zijn vorige leven volledig in de schaduw stelde. Hierbij riep hij de hulp in van monniken. Basilius raakte sterk onder de indruk van een leven van volmaaktheid door goederen aan de armen te geven en daardoor los te komen van de aardse verlokkingen. Hij maakte reizen naar Egypte, Palestina, Coële-Syrië en Mesopotamië. Tijdens deze reizen werd hij sterk aangesproken door de asceten die hij daar tegenkwam. Na thuiskomst liet Basilius zich dopen, om zich vervolgens bij zijn moeder en zus aan te sluiten in Annisi.
Basilius wilde Christus volgen door het kruis op te nemen en zichzelf te verloochenen. Dat betekende voor hem afstand doen van alles wat hem bond, dus ook de denkbeelden van zijn studie. De vraag blijft echter of Basilius ooit écht heeft gebroken met het denken van zijn verleden. Voor het monniken-ideaal waren er in de tijd van Basilius diverse voorbeelden, zoals de volgelingen van Antonius, van Pachomius en Eustathius. Basilius’ grote liefde betrof de natuur, de plek bij uitstek om tot rust te komen. Dit punt speelde een grote rol bij de totstandkoming van zijn gedachten met betrekking tot het leven van monniken, die hij op schrift heeft gesteld.

Lees verder “Basilius de Grote : een bruggenbouwer”

theodorus de Studiet

HEILIGENLEVEN

 

De heilige Theodorus de Studiet

Theodoor de studiet.jpg

heilige Theodorus de Studiet

 

De heilige Theodorus Studites, brengt ons midden in de Middeleeuwen in het Byzantijnse Rijk, in een tamelijk onrustige periode op religieus en politiek vlak. De heilige Theodorus werd in 759 geboren in een edele en vrome familie: zijn moeder Theoctista en zijn nonkel Plato, abt van het klooster van Sakkudion in Bithinië, worden als heiligen vereerd. Het was zijn nonkel, die hem de weg naar het kloosterleven toonde, en daarvoor koos hij op 22-jarige leeftijd. Hij werd door patriarch Tarasius tot priester gewijd, maar brak met hem omwille van de zwakke houding die hij aannam tegenover het overspelige huwelijk van keizer Constantijn VI. Met als gevolg dat hij in 796 naar Tessalonica verbannen werd. Het jaar daarop kwam er terug verzoening met het keizerlijk gezag onder keizerin Irene, door wiens welwillendheid Theorodus en Plato, met een groot deel van de monnikengemeenschap van Saccoudion, hun intrek konden nemen in het stedelijk klooster van Stoudion om de invallen van de Sarrazenen te vermijden. Zo begon de grote “Studietische hervorming”.

Doch, de persoonlijke geschiedenis van Theodorus, bleef bewogen. Met zijn gekende energie, leidde hij de weerstand tegen het iconoclasme van Leo V de Armeniër, die zich opnieuw kantte tegen beelden en iconen in de kerken. De processie met iconen die de monniken van Stoudion organiseerden, ontketende reactie bij de politie. Tussen 815 en 821 werd Theodorus gegeseld, gevangen genomen en naar verschillende plaatsen in Klein Azië verbannen. Uiteindelijk mocht hij terug binnen in Constantinopel maar niet meer in zijn klooster. Dan vestigde hij zich met zijn monniken aan de andere kant van de Bosporus. Hij stierf naar het schijnt, in Prinkipo op 11 november 826, dag waarop de Byzantijnse kalender hem gedenkt. Theodorus onderscheidde zich in de Kerkgeschiedenis als één van de grote hervormers van het kloosterleven en ook als verdediger van de heiligenbeelden tijdens de tweede fase van het iconoclasme, aan de zijde van de patriarch van Constantinopel, de heilige Niceforus. Theodorus had begrepen dat de kwestie van de iconenverering te maken had met de waarheid van de Menswording zelf. In zijn drie boeken “Antirretikoi” (“Weerleggingen”), maakte Theodorus een vergelijking tussen de eeuwige relaties binnen de Drie-eenheid, waar het bestaan van elke Goddelijke persoon afzonderlijk hun eenheid niet tenietdoet en de relatie tussen de twee naturen in Christus, die de unieke Persoon van de Logos niet in gevaar brengen. Zijn argumentatie luidt als volgt: de verering van een Christusicoon afschaffen zou betekenen, Zijn verlossend werk afschaffen, want door de menselijke natuur aan te nemen, is het onzichtbare eeuwige Woord in het zichtbare menselijke vlees verschenen en heeft Het zo heel de zichtbare kosmos geheiligd. Iconen, geheiligd door liturgische zegeningen en door de gebeden van de gelovigen, verenigen ons met de Persoon van Christus, met de heiligen en op hun voorspraak, met de hemelse Vader en getuigen van de toegang van onze zichtbare en stoffelijke kosmos tot de Goddelijke werkelijkheid.

Theodorus en zijn monniken zijn als getuigen van moed in een tijd van iconoclastische vervolging, onlosmakelijk verbonden met de hervorming van het gemeenschapsleven in de Byzantijnse wereld. Hun belang dringt zich zelfs op door een uiterlijk gegeven: hun aantal. Terwijl de kloosters van die tijd niet meer dan dertig of veertig monniken telden, vernemen wij in het “Leven van Theodorus” dat er in totaal in de Studietische kloosters meer dan duizend waren. Theodorus licht ons zelf in over de aanwezigheid van ongeveer driehonderd monniken in zijn klooster; wij zien dus de begeestering van het geloof die ontstond rond deze man, die echt door het geloof gevormd was. Doch, meer dan het aantal, bleek de nieuwe geest die de stichter aan het gemeenschapsleven gaf, invloed te hebben. In zijn geschriften benadrukt hij de noodzaak van een bewuste terugkeer naar de leer van de Kerkvaders, vooral naar de heilige Basilius, de eerste die aan het kloosterleven een regel gaf en naar de heilige Dorotheüs van Gaza, de bekende spirituele vader in de woestijn van Palestina. De karakteristieke bijdrage van Theodorus ligt in de nadruk op de noodzaak van orde en onderwerping van de monniken. Tijdens de vervolging waren zij verstrooid geraakt en ieder leefde volgens eigen inzicht. Nu het opnieuw mogelijk was het gemeenschapsleven te organiseren, vroeg het een grondig engagement om van het klooster een ware georganiseerde gemeenschap te maken, een ware familie of zoals hij zegt, een waarachtig “Lichaam van Christus”. Zo een gemeenschap is de concrete realisatie van de Kerk in haar geheel.

Een andere basisovertuiging van Theodorus is deze: ten overstaan van leken, nemen monniken het engagement om de christelijke plichten te vervullen, strenger en intenser op. Daarom leggen zij een bijzondere gelofte af die tot de “hagiasmata” (wijdingen) behoort, bijna een nieuw doopsel; het habijt is daarvan het symbool. Aan de andere kant is het engagement voor armoede, kuisheid en gehoorzaamheid eigen aan monniken, in tegenstelling tot leken. Wanneer Theodorus zich tot monniken richt, spreekt hij concreet, soms bijna schilderachtig, over armoede; deze is in de navolging van Christus en van in den beginne een essentieel element van het kloosterleven maar wijst eveneens de weg voor ons allen. Onthechting aan bezit van materiële dingen, vrijheid tegenover bezit, matigheid en eenvoud gelden op een radicale manier alleen voor monniken, doch de geest van deze onthechting is dezelfde voor iedereen. Inderdaad, wij mogen niet afhankelijk zijn van materieel bezit, wij moeten integendeel onthechting leren, soberheid, strengheid en matigheid. Alleen zo kan een solidaire samenleving bloeien en kan het grote probleem van de armoede in de wereld overwonnen worden. Zo wijst het radicale teken van de armoede bij monniken, wezenlijk ook de weg voor ons allen. Wanneer hij het vervolgens heeft over de bekoringen tegen de kuisheid, verbergt Theodorus zijn ervaring niet en toont hij de weg van de innerlijke strijd om zelfbeheersing te vinden en zo, eerbied voor het eigen lichaam en dat van de andere, als tempel van God.

Maar de grootste onthechting is voor hem die van de gehoorzaamheid, want iedere monnik heeft zijn eigen manier van leven en het feit tot een grote gemeenschap van driehonderd monniken te behoren, veronderstelt werkelijk een nieuwe levenswijze die hij het “martelaarschap van de onderwerping” noemt. Ook hier geven de monniken een voorbeeld van de noodzaak daarvan, want sinds de erfzonde heeft de mens de neiging zijn eigen wil te doen, staat het wereldse leven voorop en wordt alles aan de eigenwil onderworpen. Maar indien iedereen slechts zichzelf volgt, kan de sociale structuur niet werken. Alleen als men zich leert aansluiten bij de gemeenschappelijke vrijheid, als men ze leert delen en er zich aan onderwerpt, als men leert trouw te zijn, ’t is te zeggen als men zich onderwerpt en gehoorzaamt aan de regels van het algemeen welzijn en het gemeenschapsleven, kan een samenleving genezen, zodat het ‘ik’ van de hoogmoed niet meer in het midden staat. Zo helpt de heilige Theodorus zijn monniken en uiteindelijk ook ons, om door middel van een fijngevoelige introspectie, het ware leven te begrijpen, te weerstaan aan de bekoring om van zijn eigen wil de hoogste levensregel te maken, zijn ware persoonlijke identiteit te bewaren – die altijd een identiteit met de anderen is – evenals de vrede des harten.

Voor Theodorus de Studiet is een even belangrijke deugd als gehoorzaamheid en nederigheid, de “philergia”, liefde voor het werk, waarin hij een criterium ziet om de kwaliteit van iemands devotie te testen: wie vurig is in materiële engagementen, wie met toewijding werkt, zo beweert hij, is dat ook in zijn spirituele engagementen. Hij laat dus niet toe dat de monnik zich, onder het voorwendsel van gebed en contemplatie, ontslaat van werk, evenmin van handenarbeid, wat volgens hem en volgens heel de monastieke traditie, het middel is om God te vinden. Theodorus heeft geen schrik om werk het “offer van de monnik” te noemen, zijn “liturgie” en zelfs een soort van Mis dat het monastieke leven engelachtig maakt. Juist zo moet de wereld van het werk gehumaniseerd worden en wordt de mens door het werk meer zichzelf, komt hij dichter bij God. Een gevolg van deze opmerkelijke visie is vermeldenswaard: juist omdat ze de vrucht zijn van een vorm van “liturgie”, mogen de rijkdommen die voortkomen uit het gezamenlijk werk niet dienen voor het comfort van de monniken maar zijn ze bestemd voor hulp aan de armen. Hier ziet iedereen dat de vrucht van het werk noodzakelijk aan iedereen ten goede komt. Het is evident dat het werk van de “Studieten” niet alleen manueel was: zij waren van groot belang voor de religieuze en culturele ontwikkeling van de Byzantijnse beschaving als kalligraaf, schilder, dichter, opvoeder, leraar, bibliothecaris.

Alhoewel Theodorus een uitgebreide activiteit aan de dag legde, liet hij zich niet verstrooien door wat hem afleidde van wat strikt behoorde tot zijn functie van overste: de geestelijke vader zijn van iedereen. Hij kende de doorslaggevende invloed die zijn goede moeder en zijn heilige nonkel Plato – die hij betekenisvol “vader” noemde – op hem hadden uitgeoefend. Hij had dus de geestelijke leiding over zijn monniken. Iedere dag, zo vertelt zijn biograaf, ging hij na het avondgebed voor de iconostase zitten om naar ieders vertrouwelijke mededelingen te luisteren. Hij gaf ook geestelijke raad aan vele mensen van buiten het klooster. Het “Testamento spirituale” en de “Brieven” benadrukken zijn open en liefdevol karakter en tonen dat uit zijn vaderschap ware geestelijke vriendschappen groeiden in het monastieke midden en erbuiten.

De “Regel”, gekend onder de naam “Hypotyposis”, die kort na Theodorus’ dood gecodificeerd werd, werd mits enkele wijzigingen overgenomen op de Berg Athos toen de heilige Athanasius de Athoniet er in 962 de Grote Lavra (Klooster) stichtte en in het Rus’ van Kiev, toen bij de aanvang van het tweede millennium de heilige Theodosius hem in het Grottenklooster invoerde. Begrepen in zijn authentieke zin, blijkt de “Regel” opmerkelijk actueel. Er bestaan vandaag talrijke stromingen die de eenheid van het gemeenschappelijke geloof bedreigen en naar een soort van gevaarlijk spiritueel individualisme en intellectuele hoogmoed leiden. Er is engagement nodig om de volmaakte eenheid van het Lichaam van Christus te verdedigen en te doen groeien, zodat vrede door orde en oprechte persoonlijke relaties in de Geest harmonieus tot stand kunnen komen.

Het is misschien nuttig tot slot enkele van de belangrijkste elementen van de geestelijke leer van Theodorus te hernemen. Liefde voor de mens geworden Heer en voor Zijn zichtbaarheid in de liturgie en de iconen. Trouw aan het Doopsel en engagement om te leven in de gemeenschap van het Lichaam van Christus, dat ook begrepen wordt als de gemeenschap van de Christenen onderling. Geest van armoede, matigheid, onthechting; kuisheid, zelfbeheersing, nederigheid en de gehoorzaamheid die ingaat tegen het primaat van de eigenwil die de sociale structuur en de vrede in de zielen tenietdoet. Liefde voor materieel en spiritueel werk. Geestelijke vriendschap die ontstaat door de zuivering van zijn geweten, van zijn ziel, van zijn leven. Proberen wij deze leer te volgen, die ons werkelijk de weg toont naar het echte leven.

Cosmas en Damianus

HEILIGENLEVEN

COSMAS EN DAMIANUS

 

cosmas_damian2 1 juli.jpg

 

Cosmas en Damianus (Grieks: Κοσμάς και Δαμιανός) waren volgens de christelijke overlevering tweelingbroers, geboren in de tweede helft van de 2e eeuw in Syrië. Van hun leven is niets met zekerheid bekend. Zij zouden allebei geneesheren zijn geweest, die kosteloos hun geneeskundige diensten aanboden (daarom staan zij in de oosterse kerk bekend als de Agioi Anárgyroi, d.i. Heilige Geldlozen) en dankzij hun levenswijze velen tot het christendom bekeerden.
Tijdens de christenvervolging onder keizer Diocletianus behoorden zij tot de eerste slachtoffers. Zij werden door de stadhouder Lycias gearresteerd en ondervraagd. Nadat zij over hun christelijke geloof hadden getuigd, werden zij in 303 onthoofd.
Boven hun graf in Cyrrhus is een kerk gebouwd. Van daaruit heeft hun verering zich naar Rome en van daaruit over de hele wereld verbreid. Reeds in de 5e eeuw werden zij veel vereerd. Paus Felix III (paus van 526 tot 530) verbouwde de tempel van Romulus bij het Forum Romanum tot een aan hen gewijde kerk. Het was deze kerk die de Nederlandse kardinaal Johannes Willebrands in 1975 toegewezen kreeg als titelkerk.
Het christendom ziet Cosmas en Damianus als de patroonheiligen van artsen, apothekers en andere beroepen uit de medische sector. Zij worden daarom vaak afgebeeld met een attribuut dat daar iets mee te maken heeft. In de Martinikerk in Groningen is dat bijvoorbeeld een zogenaamd pisglas, een glazen kolf, waarin urine verzameld werd om aan de hand daarvan ziektebeelden te kunnen bepalen. Hun feestdag valt op 26 september.