Papias van Hierapolis

border hstyy.jpg

Heiligenleven

De heilige Papias van Hierapolis

 

papias van Hierapolis.jpg

De heilige Papias, bisschop van Hiërapolis, behoort tot de apostolische vaders. Hij was een leerling van de apostel Johannes en een vriend van de heilige Polykarpos. Er zijn slechts enkele brokstukken van zijn geschriften bewaard gebleven in de kerkgeschiedenis van Eusebios: vermeldingen van de Evangelies van Mattheos en Markos; de vier Maria’s en de broeders des Heren, en een deel van een commentaar over de Woorden van de Heer. Hij is gestorven rond 130. Papias beroemt zich erop dat hij aan elk van de apostelen die hij ontmoette, telkens heeft gevraagd wat zij van de Heer hadden gehoord, om dat op te schrijven. Helaas is zijn boek niet bewaard gebleven.

Uitg.orth.klooster Den Haag .Met toestemming

 

 

 

Athanasios de Belijder

bordere 67D.gif

De heilige Baradat

baradat groot.jpg

 

De heilige Baradat (Varadat) leefde in de woestijn van Syrië, in een kuil die hij nooit verliet. Hij was gekleed in enkele dierenvellen en beoefende het onophoudelijk gebed. Hij had een zwak gestel, maar liet zich daardoor niet weerhouden een even strenge ascese te onderhouden als de andere kluizenaars. De brandende liefde tot God die hem doorgloeide, maakte het mogelijk dat hij de beperktheden van zijn lichaam overwon, en hij liet daardoor zien dat het meer aankomt op moed dan op kracht om iets te bereiken in het geestelijk leven

Evenals Simeon de Styliet werd hij geraadpleegd door keizer Leo, en zijn antwoord is gevoegd bij de documenten van het concilie van Chalcedon. Hij is gestorven rond 460.

uitg.orthodox klooster Den haag. Met toestemming

 

tekst bijbel578.jpg

tekst apostel Paulus.jpg

heiligenleven

border 8DS.jpg

Heiligenleven

De heilige Suitbertus, bisschop van de Friezen

 

suitbertus bisschop van de friezen.jpg

Suitbertus

 

De heilige Suitbertus de Oudere, bisschop van de Friezen. Hij was een monnik uit Northumbrië, een leerling van de heilige Egbertus, met wie hij naar Ierland trok. Maar Egbertus was bijna bezeten van de Friezen die bekeerd moesten worden, en omdat die mogelijkheid voor hemzelf afgesloten bleef, wist hij dit verlangen over te dragen op Suitbertus, en hij gaf hem mee toen Willibrord in 690 naar de Friezen overstak. Zij gingen aan land bij Katwijk, aan de mond van de Rijn, en Willibrord vestigde zijn hoofdkwartier in Utrecht. 

Twee jaar eerder had Pepijn van Herstal een grote overwinning behaald op Radboud, de koning van Friesland. Hij had hem tot vrede gedwongen en het land tussen Maas en Rijn in bezit genomen, de streek rond Leiden, Delft, Gouda, Den Briel, Dordrecht en Utrecht. Willibrord deed een beroep op de hulp van Pepijn en deze zond hem naar Rome voor een officiële missie-opdracht. Zijn werk had succes en vier jaar later zond Pepijn hem opnieuw naar Rome, nu met het verzoek Willibrord tot bisschop te wijden voor het nieuw-bekeerde volk. De wijding geschiedde in 696, en Willibrord vestigde zijn zetel in Utrecht, waarvan hij de eerste bisschop werd.
Intussen had Suitbertus in Neder-Friesland, dat wil zeggen in Zuid-Holland en Noord-Brabant, Gelderland en Cleve, met veel succes het missiewerk voortgezet. Nu wilde hij doordringen in het onbekende gebied aan de andere kant van de Rijn. Willibrord voelde eigenlijk niet zoveel voor de wat wilde plannen van de jonge, enthousiaste Suitbertus, maar terwijl Willibrord naar Rome was, zag Suitbertus zijn kans. Hij ging in 697 naar Engeland, om zich tot missiebisschop te laten wijden, zonder vaste standplaats, en trok toen de Rijn over naar het land der Brukten, tussen de Lippe en de Roer. Hij werd eerst vijandig afgewezen, maar hij wist het hart van de mensen te winnen door hun te laten zien hoe land vruchtbaar gemaakt kon worden, hoe graan kon worden verbouwd en hoe paardenteelt bedreven moest worden. Zo werd hij op den duur hun vertrouwde raadsman in alle praktische kwesties. Daarna begon hij hun over Christus te spreken en het Evangelie te verkondigen, en ook hierin werd hij toen vertrouwd, zodat zijn missiewerk vrucht begon te dragen.
Dit wekte echter de argwaan van het buurvolk, de Saksen, die dit zagen als een samenzwering met hun erfvijand, de Franken. Zij vielen Westfalen binnen en richtten een gruwelijke slachting aan. Suitbertus werd gevangen genomen en zo zwaar mishandeld dat hij bijna stervend was. Met behulp van enkele vrienden slaagde hij er echter in te ontsnappen, en met zijn monniken bereikte hij de Romeinse burcht op het Rijn-eiland Kaiserswerth bij Düsseldorf. Daar stichtte hij in 710 een klooster met het doel jonge monniken op te leiden om het werk onder de Germaanse stammen voort te zetten. Onophoudelijk hield ook hij zich met dit zware werk in de ontoegankelijke wouden en moerassen bezig, totdat hij stierf in 713.

uit : heiligenleven voor elke dag : uitg Orth.klooster Den Haag

 

24.jpg

 

heiligenleven : de heilige Simplicius Paus van het Oude Rome

border qmqm.gif

Heiligenleven

De heilige Simplicius Paus van het oude Rome

simplicius paus van het oude rome.jpg

Simplicius, Paus van het oude Rome

 

De heilige Simplicius, paus van het oude Rome, was afkomstig uit Tibur, het huidige Tivoli. Nadat hij gediend had in de geestelijkheid van de twee voorafgaande pausen, werd hij in 467 zelf tot dit zware ambt geroepen, in een tijd dat het land zwaar te lijden had van de invallende barbaren. Zelfs Rome werd ingenomen en geplunderd in het achtste jaar van zijn pontificaat.
Dit was mogelijk omdat het land zelf verdeeld was geraakt. Het werd bestuurd door Romeinse gouverneurs die zich een tiranniek gezag hadden aangematigd over de bevolking die geheel rechteloos was. Zij heersten als kleine tirannen met volstrekte willekeur, en elk verzet werd met grote wreedheid onderdrukt. Zo werden de invallende barbaren min of meer als bevrijders geduld, en hele legergroepen kwamen in opstand tegen het rijk. Dit alles bevorderde het arianisme, omdat de orthodoxie vereenzelvigd werd met het tiranniek bewind.
De taak van Simplicius werd hierdoor onnoemlijk zwaar, en nadat hij bijna 16 jaar de kerk, voor zover hij dat kon, bestuurd had, is hij gestorven in 483.

 

tekst bijbel 1 johannes5.jpg

Heiligenleven : theodoros van Sykeon

border gdts.gif

Heiligenleven

De heilige Theodoros van Sykeon

theodoros van Sykeon5.jpg

 

De heilige Theodoros van Sykeon, bisschop van Anastasiopolis. Hij was geboren in Sykeon (Galatië) als onwettig kind van een koerier van keizer Justinianus, bij de dochter van een herbergierster, een prostituee. Hij woonde in de buurt van de grote kerk, gewijd aan de groot-martelaar Georgios. Diens geschiedenis maakte een geweldige indruk op de kleine jongen en hij wilde ook grote daden verrichten. Zo kwam hij ertoe des nachts stil op te staan als iedereen sliep, het huis uit te sluipen om dan in de kerk te gaan bidden. Deze gewoonte wekte in hem een vroege zelfstandigheid. Toen hij 14 jaar oud was, nam hij zijn leven in eigen handen. Hij vond in de omgeving van de stad een grot, waar hij zich als kluizenaar terugtrok. En deze jongen bezat reeds zulk een overwicht dat hij een deel van zijn omgeving tot de noodzakelijke medewerking daartoe wist te bewegen. Een van zijn bewonderaars was blijkbaar de bisschop, want toen hij 18 jaar was werd hij diaken gewijd, en enige tijd later priester.
Theodoros trok nu de wereld in, hij ging op pelgrimstocht naar het Heilig Land. Hij zocht onderdak in het klooster Choseba, en werd daar monnik gewijd. We weten niet hoelang hij er gebleven is, maar als rijpe volwassene keerde hij naar Sykeon terug en hij stichtte een klooster bij de kerk van zijn jeugd, want andere jonge mensen voelden zich tot hem aangetrokken en wilden onder zijn leiding leven.
Zijn bekendheid in de omtrek nam sterk toe en niet zo heel veel later koos de bevolking van Anastasiopolis hem tot bisschop, hoezeer hij zich daar ook tegen verzette. Theodoros aanvaardde toen deze dienst als een opdracht van God, en bestuurde gedurende 40 jaar zijn diocees. Wel bezocht hij in die tijd herhaaldelijk de monastieke centra van Palestina en het nabije Oosten. Toen vond hij een geschikte opvolger en hij trad af om zijn laatste levensjaren geheel aan het gebed te wijden in het door hem gestichte klooster. De gewone ascese van weinig eten, slapen en comfort was hem nog niet streng genoeg, en daarom liet hij zich in de tijd tussen Theofanie en Pascha als een misdadiger zwaar geboeid opsluiten in een ijzeren kooi.
Veel wonderen geschiedden door zijn krachtdadig gebed. Zieken werden genezen, regen kwam in een tijd van hardnekkige droogte, er kwam een einde aan een vernietigende sprinkhaan-plaag. Hij bezat ook de gave om in de toekomst te zien en voorzegde zijn eigen dood, die hem aangekondigd werd door een verschijning van de door hem zo vereerde heilige Georgios, op de 22e april van het jaar 613.

 

1-Petrus-3-18.jpg

1-johannes-4-20-2.jpg

Heiligenleven: Job eerste patriarch van Moscou

border 059.jpg

Heiligenleven

Heilige Job eerste Patriarch van Moscou

Job van Moscou eerste patriarch.jpg

Job van Moscou

De heilige Job, de eerste patriarch van Moskou en Rusland. Hij was geboren in een winkeliersgezin in Staritsa aan de Twer. Zijn moeder werd later de bekende moniale Pelagia, maar over Jobs jeugd is verder niets bekend. De familie wilde hem uithuwelijken maar Job werd monnik in het Ontslapingsklooster van Staritsa en bleef daar vele jaren.

Lees verder “Heiligenleven: Job eerste patriarch van Moscou”

de heilige Chad

border 0909.gif

Heiligenleven

De heilige Chad (Ceadda)

chad heilige12.jpg

De heilige Chad

 

De heilige Chad (Ceadda), bisschop van Lichfield, was de jongste van vier broers die allen beroemde priesters waren. Rond 620 is hij geboren in Northumbrië: hij was dus geen Schotse, noch Ierse, maar een Engelse heilige. Hij was een van de leerlingen van Aidan, die veel tijd besteedde aan het gezamenlijk lezen van de Heilige Schrift, en hen de psalmen uit het hoofd deed leren. Bij de dood van Aidan in 651 vertrok Chad naar Ierland, in die jaren een stralend middelpunt van geestelijk leven. De Germaanse invallen op het vasteland hadden vele eminente geesten verdreven die zich in Ierland verzamelden, dat daardoor een verbinding vormde tussen de Latijnse en de Germaanse beschaving. Chad kwam daar in contact met Egbert, de latere abt van Iona. Intussen had zijn broer Cedd, op aanvraag van koning Ethelwald van Deira, een abdij gesticht aan de rand van het grote moeras, dat zich vijftig kilometer ver uitstrekte vanaf de kust het binnenland in. Toen hij daar jaren later weer eens op bezoek was vanuit zijn bisdom in Londen, werd hij slachtoffer van een besmettelijke ziekte die er heerste, en hij stierf. Op zijn sterfbed droeg hij de zorg voor het klooster over aan Chad die nog in Ierland was. Deze kwam over en bestuurde het klooster met grote zorgzaamheid, wat de aandacht trok in een nogal ruwe tijd, en het duurde niet heel lang of hij werd tot bisschop gekozen van Northumbrië. Daar wijdde hij zich met hart en ziel aan zijn taak. Hij leefde in reinheid en zelfverloochening, was nederig en altijd bezig met studie. Hij trok door zijn diocees niet te paard, maar zoals de apostelen te voet, om het Evangelie te prediken overal waar hij maar mensen aantrof: in steden of op het land, in hutjes of kastelen. Hij bleef echter niet lang bisschop, want de zetel viel toe aan Wilfried, die op de Romeinse wijze was gewijd. De vanuit Rome gezonden bisschoppen brachten veel onrust in de Engelse kerk, maar wonnen op den duur steeds meer terrein door het morele gezag van de zetel van Petros.
Chad werd daarop naar Mercië geroepen. Hij verplaatste daar de zetel naar Lichfield, dat toen Licetfield heette, het dodenveld. Daar waren namelijk eens meer dan duizend Britse christenen ter dood gebracht en zo wilde Chad deze historische plek in ere houden. Ook dit uitgestrekte diocees, dat zeventien graafschappen omvatte, werd door Chad met bovenmenselijk uithoudingsvermogen bestuurd. Hij bouwde een klooster en voor zichzelf een woning bij de kathedraal, waar hij, wanneer dat maar mogelijk was, de getijden bad met zeven of acht broeders.
Twee en half jaar hield hij dit uitputtende leven vol, toen werd hij ziek. Een van de broeders hoorde lieflijk gezang dat vanuit de hemel neerdaalde tot het woonvertrek waar Chad verbleef, en deze verklaarde, toen men hem erom vroeg, dat zij hadden aangekondigd hem over een week te komen afhalen. Hij gaf nu zijn laatste onderrichtingen aan de broeders en stierf op de voorzegde dag in 672.

bron : heiligenlevens voor elke dag – orth.klooster Den Haag

 

Chad heilige.jpg

De heilige Chad

 

tekst bijbeltekst Galaten.jpg

 

 

Benedictus

border00014.jpg

Heiligenleven

De heilige Benedictus

Grondlegger van het monnikenwezen in het Westen

Benedictus heilige.jpg

Heilige Benedictus

 

De heilige Benedictus, de grondlegger van het monnikswezen in het Westen en de vader van de Europese cultuur. Hij werd rond 480 geboren in Nursia (Umbrië) als zoon van een lid van de landadel. De rampspoed van Europa had een hoogtepunt bereikt, de samenleving was vrijwel geheel uiteengevallen. De kerk was geïnfecteerd met ketterijen en scheuringen, en de opvolgers van Leo de Grote waren te zwakke figuren om daar met succes tegen op te treden. Het monnikendom‚ dat zoveel heiligen aan de kerk geschonken had, bewoog zich in neergaande lijn. Er was geen vorst die enige werkelijke macht bezat. Noord-Europa was nog heidens; Zuid-Europa en het christelijk Afrika werden geteisterd door de volksverhuizing die een vervolging meebracht, nog wreder en meedogenlozer dan indertijd onder de Romeinse keizers.
Temidden van deze duisternis verschijnt er één enkele kluizenaar, die tot een geestelijk krachtcentrum werd en die het licht onstak dat de volgende eeuwen zou gaan schijnen over heel Europa. Hij begon als een uiterst serieuze jongeman die uitging van het principe dat onze daden in overeenstemming moeten zijn met onze ideeën. Toch sloot hij zich niet af van anderen; we zien dat hij zelfs een bijzonder innige verhouding had met zijn zuster (misschien waren ze tweelingen), en met zijn voedster (zijn moeder was wellicht overleden). Deze vergezelde hem toen hij naar Rome werd gezonden om zijn studie te voltooien, maar het frivole milieu dat hij daar aantrof, stootte hem dermate af dat hij de stad zo snel mogelijk ontvluchtte.
Misschien is het niet eens zozeer de algemene toestand die hem afschrikt als wel de toestand in de kerk, want hij wendt zich niet tot een van de verschillende kloosters die er toen reeds in Rome bestonden. Het was de tijd dat de hoge plaatsen in de kerk voor geld werden verkocht. Er was geen hoogachting meer voor de priesters, de bisschop zelf werd beschuldigd van onzedelijke levenswandel. De kloosters waren verdeeld volgens de verschillende partijen en hielden er zelfs gewapende benden op na, zoals de edelen.
Toch gaat Benedictus niet naar zijn geboortestad terug, hij wilde ook breken met het oude leven. Maar hij is ook nog niet gereed voor het leven in de eenzaamheid; hij trekt naar Effida, een 50-tal kilometers ten oosten van Rome, waar een religieuze gemeenschap gevestigd is, zoals er vele in die tijd bestonden. Elk gezin leeft zelfstandig, maar men zoekt steun bij elkaar voor gemeenschappelijk gebed in een eigen kerkje. Daar vestigde hij zich met zijn verzorgster en daar kwam hij voor het eerst in de openbaarheid. Op zijn gebed gebeurde namelijk een wonder, op een heel simpele, huiselijke manier. Zijn huishoudster had namelijk van de buurvrouw een stenen zeef geleend en die door onachtzaamheid gebroken. Zij wist zich geen raad, het was dus blijkbaar een vrij kostbaar apparaat. En Benedictus toont de warme liefde die hij deze vrouw toedraagt: hij wordt zo door medelijden bewogen dat hij vanzelf zijn toevlucht neemt tot Diegene Die hem het naast staat, met het resultaat dat de zeef weer ongebroken is, zonder een spoor van beschadiging. Hoe innig moet hij reeds toen met God geleefd hebben, hoe diep moet zijn geloof geweest zijn en hoe grenzeloos zijn vertrouwen!
Het nieuwtje ging natuurlijk als een lopend vuurtje door deze kleine gemeenschap en de teruggetrokken jongen merkt met schrik dat hij wordt aangegaapt. Dit moet voor hem de doorslag gegeven hebben om de laatste banden te verbreken en het voorbeeld te volgen van de grote woestijnvaders. Hij verliet heimelijk Effida en trok enkele dagen naar het Noorden tot aan Subiaco. De Anio-rivier heeft daar een diep ravijn door de berg gesneden en halverwege in de bijna loodrechte bergwand vond Benedictus een grot die tenminste enige beschutting bood. Misschien was die hem gewezen door de monnik Romanos die hij in deze buurt ontmoette, en die beloofde hem van de allernoodzakelijkste voeding te voorzien. Deze monnik woonde in een klooster op de hoge oever, hij spaarde van het brood dat dagelijks verstrekt werd door zelf minder te eten, en die resten, waarschijnlijk eerst op de keukenoven gedroogd, zoals het nu nog onder andere op de Athos gebeurt, liet hij aan een touw naar beneden zakken, tot voor de ingang van de grot.

Hier leefde Benedictus ruim drie jaar een leven van grote ontberingen, in een bergklimaat dat veel ruwer was dan het warme Egypte, in een nauwe kloof waar zelden de zon in doordrong. Daarbij pakte hij zichzelf hard aan; hij heeft zelf aan zijn latere leerlingen verhaald hoe hij, toen hij door zijn herinneringen in verzoeking werd gebracht om weg te gaan naar een jonge vrouw die hij had gekend, zich in de doornen en brandnetels wentelde om door een uiterlijke brand het inwendige vuur te blussen.
Zijn dagen waren verder geheel gewijd aan gebed en meditatie en daar gaf hij zichzelf zo volkomen aan over dat hij alle besef van tijd verloor. Eens was Romanos geruime tijd verhinderd om het broodrantsoen te brengen naar de grot zodat Benedictus geheel verzwakte door gebrek aan voedsel. Toen kreeg een alleenwonende priester, die juist voor zichzelf een goed maal had bereid ter ere van Pasen, de ingeving dat er in de bergen een monnik woonde die honger leed. Ook hij moet een bijzonder mens geweest zijn, want zonder aarzelen pakte hij het feestmaal en ging op zoek tot hij Benedictus vond in zijn grot. Deze ontving hem met vreugde, ze baden samen en zegenden God en spraken lang over het ware leven. Tenslotte herinnerde de priester zich waarvoor hij eigenlijk gekomen was en hij nodigde de ander uit: ‘Kom, laten we gaan eten, want het is vandaag Pasen’. En Benedictus antwoordde: ‘Ja, het is inderdaad een paasdag om zulk bezoek te mogen ontvangen’. En toen moest de priester hem uitleggen dat het inderdaad het feest van de Opstanding was.
Dit was de aankondiging van een nieuwe fase in het leven van Benedictus. Nadat hij jarenlang niemand had gezien, werd hij nu ontdekt door herders, die hem in zijn vacht aanzagen voor een wild dier dat zij wilden doden, tot zij ontdekten dat het een man Gods was. Nu begonnen er ook anderen te komen, die hem voedsel brachten en met graagte luisterden naar de zo diep doorleefde woorden uit zijn mond. Ook de monniken uit een ander klooster van die streek kwamen bij hem om geestelijk voedsel, en toen hun abt gestorven was, baden zij Benedictus met de grootste aandrang om de leiding van hun gemeenschap op zich te nemen. Deze zei hun dat hun levenswandel en de zijne te zeer van elkaar verschilden om een goed samengaan mogelijk te maken, maar toen de anderen toch bleven aandringen gaf hij toe. Hij stelde orde op zaken, maar nog sneller dan hij voorzien had, liep het spaak en er werd zelfs een moordaanslag op hem gepleegd. Toen keerde hij weer naar zijn geliefde eenzaamheid terug.
Maar, zoals we telkens weer zien bij vele kloosterstichters, nadat een ziel in de eenzaamheid tot een zekere volmaaktheid is gekomen, gebruikt God die persoon om in anderen het geestelijk leven te doen ontvlammen. Er gaat van zulk een mens een onzichtbare energie uit, die onweerstaanbaar anderen tot zich trekt, die op weg zijn naar God. Ook rond Benedictus verzamelde zich een groep volgelingen die in zijn uitstraling wilden leven en hij zag zich genoodzaakt om voor hen onderkomens te bouwen. Zijn roem verspreidde zich snel in deze geestelijk uitgehongerde tijd. Priesters en leken, Romeinen en barbaren, overwinnaars en slachtoffers kwamen hem opzoeken.
Het leven dat hij met hen ging leiden was nog geheel in een experimenteel stadium; hij probeerde een tussenvorm van gemeenschappelijk en kluizenaarsleven uit, door een aantal kleine kloostertjes te bouwen, elk met een dozijn monniken onder een eigen overste, maar onder zijn supervisie.
Er volgde nu een idyllische periode van vurig geloof en frisse ondernemingslust waar de latere paus Gregorius de Grote met welbehagen over vertelt. De gemeenschap bloeide en groeide, maar gaf daardoor ook aanleiding tot jaloezie, zodat er niet alleen aanslagen op het leven van Benedictus zelf, maar ook op het moreel van zijn leerlingen werden gepleegd, omdat hij juist daardoor het smartelijkst zou worden getroffen. Voor Benedictus, die zelf ook al de beperktheid van deze levensvorm had ingezien, gaf dit de doorslag om nogmaals van richting te veranderen. Langzamerhand was in zijn geest de idee gerijpt om het gemeenschap-zijn op de meest consequente wijze te beleven, zoals hij dat geleerd had uit de Regels van de heilige Basilios de Grote. Met een groepje van zijn leerlingen die het meest volgens zijn ideeën gevormd waren, ging hij op zoek naar een geschikte plaats om een werkelijk gemeenschappelijk leven tot stand te brengen.
Deze plaats vond hij op de Monte Cassino, een bergknie op een strategische plaats aan de rand van de Italiaanse vlakte, waar ook inderdaad een Romeins fort gevestigd was geweest, evenals een tempel van Apollo, die bij de boeren nog heimelijk in gebruik was. Daardoor ontplooit zich in Benedictus een missiedrang en hij trekt door de boerendorpen om de mensen te onderrichten en tot het geloof te brengen. Tegelijk verzekert hij zich daardoor van hun hulp voor zijn grootse bouwplannen.
Er ontstaat nu een groot geheel van kerk, werkruimten, eetruimte, slaapzalen en boerderij. De ijzeren strengheid van het kluizenaarsleven wordt niet meer nagestreefd. Het wordt meer een soort ideaal gezin op grondslag van de liefde tot Christus en tot elkander. Het is nu rond 530, Benedictus is ongeveer 50 jaar oud, een man van buitengewone begaafdheid, op het hoogtepunt van zijn leven waar hij ongehinderd vorm kan geven aan het ideaal dat hem bezielt. Onder zijn leiding werkten onontwikkelde Gothen en verfijnde Romeinen eendrachtig samen. Geplaagde boeren vonden bij hem een toevlucht die hen daadkrachtig tegen de terreur van hun verdrukkers beschermde. Toen er hongersnood was, deelde hij de laatste voorraden van het klooster uit; maar de volgende morgen vonden de verontruste monniken 200 zakken meel voor de poort van het klooster, die daar door een onbekende waren neergezet.
En al zijn geestelijke ervaringen en zijn rijpe wijsheid bundelt hij nu in zijn ‘regel’, een boekje van 120 kleine pagina’s, verdeeld over 73 onderwerpen, maar zo evenwichtig van samenstelling en zo diep doordacht dat het gedurende vele honderden jaren de enige monniksregel is gebleven in heel West-Europa, en die ook grote invloed heeft uitgeoefend op heel het staatkundig leven in de middeleeuwen. Die regel werd als het ware de grondwet van de nieuwe Europese beschaving die de Romeinse civilisatie welke nu vrijwel geheel vernietigd was, zou opvolgen. Op de grondslag van Christus’ woorden bouwde hij een sterk georganiseerde gemeenschap, die op eigen benen kon staan, afgeschermd tegen slechte invloeden van buiten; en van allerlei reddingsmiddelen voorzien wanneer er ergens iets verkeerd zou gaan. In allerlei toonaarden zijnde wijsheid, de menselijkheid, de gematigdheid en de juridische opbouw van deze regel geroemd.
Toch was dit eigenlijk maar een bijwerking, veroorzaakt door de goed doordachte organisatievorm die Benedictus aan zijn monniken schenkt. Dat deze vorm zulk een indruk heeft kunnen maken is te danken aan de geestelijke inhoud van de regel die tot elk goedwillend hart sprak. Het leidmotto van de regel is dit woord uit het 4e hoofdstuk: ‘Niets boven de liefde van Christus stellen’, en dit ‘niets’ bepaalt alle andere geboden en verboden die hij opnoemt. Deze zichzelf in niets ontziende liefde tot de Heer, is de vaste grondslag van het ware monniksleven, ja, van elk christelijk leven. En in heel het zo wisselende leven van Benedictus is dit de duidelijk herkenbare draad die al zijn daden tot meeslepende eenheid verbindt.
Die liefde wordt verwerkelijkt door spontane gehoorzaamheid, omdat we in de ander Christus achten. En ook wat gevraagd wordt, moet gericht zijn op die liefde. Dan is er geen onderscheid meer, want wie we ook zijn
, we zijn allen één in Christus. Wie meer gaven heeft, zal ook meer moeten geven. Om die liefde wordt ook de zucht naar eigendom scherp bestreden. Om haar vragen wij vergeving als ook maar de mogelijkheid bestaat dat wij iets verkeerds hebben gedaan. Gastvrijheid staat in hoog aanzien, want in de gast wordt Christus Zelf opgenomen, zoals Hij ons dat geleerd heeft. Iets voor de gemeenschap mogen doen is geen recht maar een voorrecht. Taak van de overste is niet: heersen, maar: helpen.

Kort voor zijn sterven horen we het verhaal hoe deze imponerende persoonlijkheid, die bijna automatisch gehoorzaamheid afdwong van ieder die met hem in aanraking kwam, nog altijd de tedere liefde van zijn kindsheid bewaarde die hem verbond met zijn zuster Scholastica, die evenals haar broer het monastieke leven had gekozen. Zoals ieder jaar, kwam zij bij hem op bezoek, en zij ontmoetten elkaar dan in het gastenverblijf dat aan de voet van de steile kloosterberg gelegen was. Tegen de avond wilde Benedictus plichtsgetrouw naar het klooster terugkeren voor de nacht, ondanks haar dringend verzoek deze keer bij haar te blijven. Op haar gebed brak toen zulk een wolkbreuk los dat het onmogelijk was om de glibberige bergpaden te beklimmen, en zij brachten een laatste nacht met elkander door. Nauwelijks in haar klooster teruggekeerd, stierf eerst Scholastica. Daarop werd Benedictus ziek. Hij verzamelde zijn laatste krachten, liet zich naar de kapel brengen, waar hij de communie ontving. Hij liet zich door zijn broeders overeind houden en gaf toen onder gebed, staande met opgeheven handen, de geest, in 547.

 

1-korintiers-13-3.jpg

Benedictus tekst.jpg

Het gemeenschapsleven: “U bent allen broeders”

 

Wat ze ook doen, de broeders en zusters moeten zich liefdevol en vreugdevol naar elkaar betonen. Degene die werkt zal zo spreken over degene die bidt: “De schatten die mijn broer bezit, heb ik ook, want we hebben ze gemeenschappelijk”. Van zijn kant zal degene die bidt over degene die leest zeggen: “Het profijt dat hij uit zijn lezen haalt, verrijkt ook mij”. En degene die werkt zal zeggen: “Het is in het belang van de gemeenschap dat ik deze dienst vervul”. De veelheid aan lichaamsdelen vormen slechts één lichaam en ze ondersteunen elkaar stilzwijgend doordat een ieder zijn taak vervult. Het oog ziet voor heel het lichaam; de hand werkt voor de andere ledematen; de voet draagt allen in het lopen; één ledemaat lijdt zo gauw een ander lijdt. Zo moeten broeders en zusters zich naar elkaar gedragen (Cf Rm 12, 4-5). Degene die bidt, veroordeelt niet degene die werkt, omdat hij niet bidt. Degene die werkt veroordeelt niet degene die bidt… Wie dient, zal anderen niet veroordelen. Daarentegen zal iedereen wat hij ook doet, handelen tot meerdere eer en glorie van God (cf. 1Kor 10,31 ; 2Kor 4,15)… Zo zullen een grote samenhang en een oprechte harmonie “banden van vrede” vormen (Ef 4,3), die hen zal verenigen en ze met transparantie en eenvoud onder de welwillende blik van God laat leven. Het belangrijkste is vanzelfsprekend de volharding in het gebed. Overigens wordt één ding behaald: ieder moet in zijn hart die schat bezitten die de levende en geestelijke aanwezigheid van de Heer is. Of hij nu werkt, bidt of leest, een ieder moet kunnen zeggen dat hij dat onvergankelijke goede bezit en dat is de heilige Geest.

(Benedictus)

de heilige Clotilde

border 9ht.gif

Heiligenleven

De heilige Clotilde  vrouw van Clovis

clothilde.jpg

De heilige Clotilde

 

De heilige Clotilde, koningin van Frankrijk. Zij was geboren in 474 in Lyon, als dochter van de bourgondische koning Chilperic. Zij groeide op aan het hof van haar oom die haar beide ouders had vermoord om zelf de opperheerschappij te kunnen bezitten. Ze werd echter godsdienstig opgevoed door de gelovige vrouw van de hofmeester. Zij groeide op tot een mooie en begaafde jonge vrouw en werd daarom ten huwelijk gevraagd door de heidense koning Clovis l. Na aanvankelijke weigering stemde zij toe nadat ze de verzekering had gekregen ongehinderd volgens haar geloof te mogen leven; en zij trouwden in 493.
Zij richtte in het paleis een kleine kapel in, waar ze veel tijd doorbracht met bidden, maar verwaarloosde de plichten van haar staat niet Zij was een moeder voor haar hofdames en gedroeg zich onder alle omstandigheden met grote waardigheid. ln haar beslissingen toonde zij grote wijsheid, zij had voor ieder persoonlijke aandacht, en het was duidelijk merkbaar dat zij leefde in de voortdurende nabijheid van God. Zo oefende zij een weldadige invloed uit op het gehele hof tomdat allen op haar gesteld, waren.
In het bijzonder was zij vol toewijding voor Clovis, haar man. Wel trachtte zij met christelijke zachtmoedigheid de uitingen van zijn heftig karakter te verzachten, maar voor het overige voegde zij zich geheel naar zijn wensen, en bewonderde wat hij tot stand bracht. Zij sprak hem ook vaak over het geloof, en de koning luisterde welwillend, maar dacht er vooralsnog niet aan dat geloof te aanvaarden. Wel werd het Clotilde toegestaan haar kinderen te laten dopen, maar toen de eerste zoon als baby stierf en de tweede doodziek werd, kwam Clovis in opstand, want hij gaf de schuld voor al dat ongeluk aan de God der christenen. Clotilde bracht het zieke kind naar de kerk en na haar vurig gebed genas de jongen kort daarop. De koning liet af van zijn woede maar bekeerde zich niet.
Doch toen hij op het punt stond in de slag van Zülpich (bij Keulen) het onderspit te delven tegen de grote overmacht der Alemannen (Duitsers), en zijn leger reeds in de grootste verwarring raakte, terwijl hele groepen op de vlucht sloegen, herinnerde hij zich de verhalen van zijn vrouw. Hij deed toen de gelofte zich openlijk tot Christus te bekeren wanneer hij uit dit doodsgevaar gered zou worden. Op datzelfde ogenblik keerde de krijgskans: de Franken behaalden een grote overwinning en joegen de vijand op de vlucht.
Na terugkomstrwerden grote dankdiensten gehouden en met Kerstmis 496 werd Clovis in een grootse plechtigheid gedoopt door de heilige bisschop Remigius van Reims. Zijn voorbeeld werd gevolgd door een groot deel van zijn leger en van zijn volk, meer dan drieduizend man. Zo werd dit Geboortefeest ook de geboorte van de christelijke Middeleeuwen.
Toen bij een van de volgende onderrichtingen de bisschop het Lijdensverhaal vertelde riep Clovis uit: “Als ik en mijn Franken daar geweest waren, dan zou het niet gebeurd zijn!” Er werden kerken en kloosters gebouwd, waaronder ook de later aan de heilige Genoveva gewijde grote kerk van Parijs. Vaak trok de koning ook naar het graf van de heilige Martinus van Tours, om daar te bidden. In die tijd was Clovis de enige orthodoxe vorst in de christenwereld. De meeste anderen waren Arianen, de keizer zelf bevorderde de Eutychiaanse ketterij‚ het Monofysitisme.
Clotildes kinderen erfden echter het woeste karakter van de familie, en na de dood van Clovis slachtten de zonen elkander af om de heerschappij te bemachtigen. Slechts Chlodewald, de jongste van haar kleinkinderen ontkwam aan de moordpartijen. Hij werd kluizenaar en priester, en stichtte in Nogent bij Parijs, een klooster, waar hij na een heilig leven stierf in 560. Later werd dit klooster naar hem genoemd: Saint Cloud.
Om te boeten voor deze moorden trok Clotilde zich terug bij het graf van de heilige Martinus, waar zij zich wijdde aan werken van barmhartigheid. Zij stichtte nog kerken en kloosters en bracht haar dagen door met vasten, bidden, en verzorging van armen en zieken. Toen zij zelf ziek werd, schonk zij de rest van wat zij bezat aan de armen, en bad voortdurend psalmen met grote innigheid. Na een maand ontving zij de heilige sacramenten, beleed openlijk haar geloof, en stierf na een heftige koortsaanval, op 3 juni 545. Haar zeer vereerde relieken bevinden zich voornamelijk in de abdijkerk Saint Geneviève te Parijs; en ook in de Cisterciënser-abdij bij Vernon in Normandië.

 

Clotilde vrouw van Clovis.jpg

Clotilde vouw van Clovis

 

Bron : orth.klooster  – Den Haag

heiligenleven Martha en Maria

border 43Df.gif

Heiligenleven

 

Martha en Maria de zusters van Lazarus

 

Martha-en-Maria-zusterlijke-Myrondraagsters.jpg2.jpg

Martha en Maria met Lazarus en Christus

 

De heilige Martha en Maria, de zusters van Lazaros. In het Evangelie volgens de heilige Joannes, lezen we hoezeer zij persoonlijk bevriend waren met Jezus van Nazareth. Toen Hij eens bij hen op bezoek was, en Maria volkomen geabsorbeerd naar Hem zat te luisteren, kwam Martha zich bij Hem beklagen dat haar zuster haar maar alleen liet werken. Het moet haar wel hard in de oren geklonken hebben dat Christus geen begrip toonde voor die klacht, en haar eigenlijk een vriendelijk standje gaf dat ze zich niet zo druk hoefde te maken.
Maar dit deed niets af aan haar liefde voor Hem, en toen Christus eindelijk kwam, op de vierde dag na de dood van Lazaros, was zij het eerste bij Hem om Hem te verwelkomen, en toen ging ze direct haar zuster halen, dat die Hem ook kan zien. Bij die gelegenheid, in Zijn ontroering over de dood van Zijn vriend, kwam Jezus tot een van de meest rechtstreekse getuigenissen over Zichzelf: “lk ben de Opstanding en het Leven. Wie in Mij gelooft, hij leeft, ook al is hij gestorven; en ieder die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in eeuwigheid. Gelooft ge dit?” En nu is het juist Martha die de prachtige geloofsbelijdenis aflegt: “Heer, ik geloof dat Gij de Messias zijt, Gods Zoon die in de wereld komt.” Daarmee toont zij meer begrip dan de meeste apostelen. Maar ze kan het toch ook niet laten om de geliefde Meester als een beetje wereldvreemd te beschouwen wanneer Hij vraagt om het graf te openen: “Heer, er is al lijkstank!” En weer moet Hij haar vermanen: “Heb lk u niet gezegd, indien ge gelooft, zult ge Gods heerlijkheid zien?” Gods heerlijkheid, de Sjekina, dat was de joodse uitdrukking voor Theofanie, Godsopenbaring. En dan komt die geweldige demonstratie van Zijn macht: een reeds ontbindende dode wordt met een simpel bevel tot het leven teruggeroepen.
Daarna komt de beurt van Maria. Opnieuw komt Jezus op bezoek met Zijn Leerlingen, en wordt met liefdevolle gastvrijheid ontvangen. Nu is het Maria die aller aandacht trekt door een grote kruik met kostbaar reukwerk over Zijn voeten uit te gieten, en die met haar hoofdhaar af te drogen. De intense geur verspreidde zich door het gehele huis en veroorzaakte een oploop van nieuwsgierigen.
Dit exuberante gebaar heeft de westerse theologen ertoe gebracht Maria van Bethanië te vereenzelvigen met de bekeerde courtisane Maria Magdalena, al is er verder niets in het Evangelie te vinden dat daarop wijst. Het was een daad van overstromende liefde, maar velen zagen daarin toch allereerst een dolzinnige verkwisting. Opnieuw neemt Jezus haar in bescherming: “Laat haar begaan, zij heeft dit bewaard voor de dag van Mijn begrafenis”. En in elk geval is ook op haar van toepassing wat Christus over de andere Maria heeft gezegd, dat overal waar het Evangelie gepredikt werd ook haar liefdedaad verkondigd zou worden. >
Na de Hemelvaart van Christus hielpen zij hun broer bij de verkondiging van het Evangelie. Zij zijn gestorven in vrede.

 

Martha-en Maria-hun-broer-Lazaros.jpg

Martha – Maria en Lazarus

 

1-johannes-4-20-2.jpg

heiligenleven : de Profeet Elia

border 43Df.gif

Heiligenleven

De Profeet Elia

 

elia profeet4.jpg

Profeet Elia

 

De heilige Elia, de roemrijke profeet van God. Hij stamde uit de met de Tempel verbonden stam van Levi uit het dorp Thesba. Hij is een der geweldigste figuren uit het Oude Verbond. Rond 900 voor Christus werd hij tot profeet-zijn geroepen, tijdens de regering van de afvallige koning Achaz die sterk onder de invloed stond van zijn vrouw, de koninklijke maar boosaardige Jesabel, die Elia als haar persoonlijke vijand zag.
Elia heeft geen geschriften nagelaten, zoals de andere Profeten, maar de weinige woorden die van hem zijn overgeleverd, zijn geladen met macht en daadkracht. Daardoor had hij een grote invloed op het volk, dat hij uit de Baälsdienst weer tot God wist terug te brengen.
Na dit heel bijzondere leven van door hem opgeroepen jarenlange droogte en geweldige regenval, van wonderbare spijziging en opwekking van doden, van vuur dat hij uit de hemel deed neerdalen en van diepe neerslachtigheid, kwam er ook een heel bijzonder einde. Tijdens een laatste voettocht, samen met zijn opvolger Elisa, werd Elia in een wagenspan van vuur ten hemel opgenomen. Hierin gelijkt hij op Mozes, die eveneens niet stierf maar weggenomen werd.
Het is veelzeggend dat het juist deze twee zijn die bij Christus komen tijdens Diens verheerlijking op de Taborberg. En nog is zijn taak niet afgelopen: Christus noemt Joannes de Doper de Elia die komen moest. En in de visioenen van de openbaring speelt Elia een rol in de eindtijd van de wereld. Over zijn leven worden we uitvoerig ingelicht in de Boeken der Koningen.

bron : heiligen voor elke dag – orth.klooster Den Haag

 

vurige_hemelvaart_van_de_profeet_elia.jpg

Elia ten hemel opgenomen

heiligenleven : de heilige Dimitri Donskoi

border 8DS.jpg

Heiligenleven

De heilige Dimitri Ioannowitsj Donskoi

dimitri donskoi5.jpg

Heilige Dimitri Donskoi

 

De heilige Dimitri Ioannowitsj Donskoi, Grootprins van Wladimir en Moskou. Hij was een tijdgenoot van de heilige Sergios van Radonesj en leefde van 1350 tot 1389. Voor hem werd de ikoon van de heilige Drie-eenheid het symbool van de eenheid van Rusland. Zijn roeping was om te strijden tegen de zichtbare vijand die de Kerk vervolgde en Rusland onderdrukte: de tataarse horde. Algemeen was het gevoelen dat dit voor menselijke kracht onmogelijk was, en prins Dimitri werd gezien als het werktuig van de goddelijke bijstand. 

De ouders van Dimitri waren vrome christenen. De heilige metropoliet Alexis, die een bijna hesychastische vroomheid paarde aan groot staatkundig inzicht, was een vriend van zijn vader, en ook Dimitri kwam veel met hem in aanraking. Hij was een ernstige jongen die zich aangetrokken voelde door mensen met een innerlijke diepgang. Na de dood van Dimitri’s vader was metropoliet Alexis praktisch de beheerder van het vorstendom, en zijn invloed op de toen negenjarige jongen was uiteraard diep ingrijpend. De moeilijke familieverhoudingen en de strijd om de troon vormden voor Dimitri het oefenterrein om te groeien in staatsmanschap.
In 1375 wist hij een einde te maken aan de voortdurende twist met het prinsdom Twer over de opperheerschappij. Moskou nam toe in aanzien en de eerste stappen werden gezet naar de heerschappij over het gehele russische land. Bijzonder in die tijd was dat Dimitri de overwonnen steden niet verwoestte maar tot bondgenoten zocht te maken. Zijn ideaal was niet het oosterse despotisme dat door de horde werd uitgeoefend, en dat door veel russische vorsten in hun eigen gebied werd nagevolgd, maar een broederbond van russische landen, verenigd in onderlinge waardering en inschikkelijkheid. Het hoogste en ideale model daarvan was de heilige Drie-eenheid, een ideaal dat leefde in zijn hart ln samenwerking met de heilige Sergios van Radonesj werkte Dimitri aan de geestelijke opbouw van het land, door zelf een heilig leven te leiden, door het bevorderen van het onderricht en het stichten van kloosters. Deze werden meestal toegewijd aan de Heilige Drie-eenheid of aan de heilige Moeder Gods. Daarnaast kwam het geweldige bouwwerk van het Kremlin tot stand.
Dit alles werd begeleid door een opbloei van de economie in produktie en handel. Tegelijk toonde de tot dan toe onoverwinnelijke horde tekenen van zwakte. Er was een voortdurende strijd om de opperheerschappij, en de mongools-tataarse staat begon te splijten. De onderworpen gebieden gingen zich roeren en vormden coalities die in staat waren de tataarse aanvallen het hoofd te bieden. In 1376 had ook Moskou daaraan deel onder Dimitri’s leiding. Twee jaar later versloeg hij een groot tataars invasieleger bij de Wozha-rivier.
Dimitri zette nu alles op het bijeenbrengen van voldoende bondgenoten en troepen om het hoofd te bieden aan de te verwachten grote vergeldingsaanval. Deze kwam inderdaad, in september 1380. De khan Mamai werd bestreden, niet allereerst als veroveraar en onderdrukker, maar als heidense ikonoklast en vervolger van de christenen, die er op uit was het christen geloof uit te roeien en de heilige kerken te schenden. De strijd ging er om het heilig geloof te sterken, te bewaren. En Dimitri voegde daar nog aan toe dat hij bereid was in deze strijd de dood te ondergaan voor het geloof in Christus.
Na het feest van de Ontslaping van de heilige Moeder Gods, terwijl de troepen zich reeds verzamelden in de buurt van Moskou, trok Dimitri naar het Drie-eenheidsklooster. Na de Heilige Liturgie zegende de heilige Sergios de prins en beloofde hem de overwinning, maar dat vele orthodoxe strijders de hemelse kroon zouden verwerven. Dimitri kreeg ook twee monniken mee, in wier persoon de heilige Sergios zelf zou deel nemen aan de slag.
De vooravond van het feest van de Geboorte van de heilige Moeder Gods, trokken de russische troepen over de Don. Dimitri hield een geïnspireerde toespraak dat de tijd voor de strijd was aangebroken met het feest van de heilige Moeder Gods, de Koningin van het heelal. “Blijven we in leven, dan is het omwille van God; sterven we voor deze wereld, dan is het ook omwille van God”.
Op het Kulikovo-veld bij de Don werd slag geleverd tegen het invasieleger van 400.000 man. De slag werd geopend door de schima- monnik die met een speer op een tegenstander inrende, zodat beiden elkaar doorstaken: het offer was gebracht. Er ontstond een ontzettend gevecht “zoals er sinds de schepping der wereld niet eerder was geweest …” Soldaten stierven niet alleen maar door wapens, maar ook doordat zij letterlijk doodgedrukt werden op het overvolle slagveld. Dimitri streed in de voorste rijen en ontving menige wonde, maar hij bleef in leven. De slag werd gewonnen doordat een achtergehouden regiment met onverbruikte kracht op de vermoeide krijgslieden inhakte.
Na de slag ging Dimitri, die voortaan naar de rivier waar de overwinning bevochten was, ‘Donskoi’ zou heten, rechtstreeks naar de heilige Sergios. Talrijke panichides werden gehouden voor de gevallenen. Er werd een jaarlijkse gedachtenis ingesteld, die zich ontwikkelde tot de ‘zaterdag van de gestorven voorouders’.
Deze slag wordt beschouwd als de Geboorte van Rusland, het ontwaken van de russische geest. Van hieruit ontstond de beroemde Drie-eenheids-ikoon van Roebljov. Maar na deze overwinning kwamen ook de grote beproevingen. Nog dezelfde herfst werd Dimitri ernstig ziek. Twee jaar later kwamen de Tataren opnieuw opzetten, maar nu waren de verdedigingsmaatregelen onvoldoende. Moskou werd ingenomen, barbaars verwoest en aan het vuur prijsgegeven.
Dimitri, die was weggetrokken om hulp te zoeken, vond bij zijn terugkomst slechts de as van al wat hij had opgebouwd. Hij zorgde voor het begraven van de vele doden, en deed afstand van de troon in aanwezigheid van de heilige Sergios. ln zijn testament beval hij zijn zonen hun moeder steeds te eren. De bojaren riep hij op om de onderlinge vrede te bewaren en eerlijk hun dienst te verrichten. Dit document werd plechtig ondertekend in mei 1389.
Enkele dagen later is de Grootprins Dimitri loannowitsj gestorven, op de 19e mei.

dimitri donskoi.jpg

heilige Dimitri Donskoi

Millenium Monument in Novgorod

 

dimitri donskoi8.jpg

Sergio van Radonez zegent Dimitri Donskoi voor de strijd

 

tekst psalm 23   124.jpg

Andreas van Kreta

border Christus6.jpg

Heiligenleven

De Heilige Andreas van Kreta

 

andreas van kreta5.jpgDe heilige Andreas van Kreta, werd geboren in Damascus, in 660. Hij die zulk een wereldberoemd redenaar zou worden, was als kind volkomen zonder spraak en men was ervan overtuigd dat hij stom was. Maar toen hij met zijn zevende jaar de heilige Communie ontving, begon hij plotseling te spreken en toonde een vroegrijpe begaafdheid. Hij was pas veertien jaar toen hij naar Jeruzalem trok om in te treden in het Sabbas-klooster. Ook in dat strenge klooster traden zijn talenten onbedwingbaar aan de dag. Hij werd opgeëist door de patriarch van Jeruzalem om diens secretaris te zijn. Deze zond hem uit als zijn vertegenwoordiger op het 6e oecumenische Concilie van Konstantinopel in 679. Ook temidden van de uitgelezen talenten die daar aanwezig waren uit heel de wereld viel hij op, en men haalde hem over in Konstantinopel te blijven. Hij werd diaken van de Grote Kerk, de kathedraal van de Goddelijke Wijsheid, de Sofia.
Naast de vaderlijke zorg voor de weeskinderen die aan hem waren toevertrouwd ontwikkelde hij zich steeds meer tot een schitterend spreker en een rijk begaafd dichter. Hij schreef veel korte hymnen, de Idiomela van allerlei feesten. Ook de poëtische vorm van de mettenkanon is van hem afkomstig. Vaak zijn deze kanons een samenvatting van een uitvoerig Kondakion van de hand van de grote Romanos de Melode. Maar zelf kon hij ook heel uitvoerig zijn, getuige de Grote Kanon of Boetekanon, die wij nog steeds zingen in de Vasten-tijd, en die uit tweehonderdvijftig strofen bestaat. Daarin beschouwt hij allerlei personen uit de Heilige Schrift, en brengt hun voorbeeld in verband met ons eigen geestelijk leven. Daaruit spreekt een diep psychologisch inzicht en tegelijk een geweldige bijbelkennis.
In 700 werd hij tot aartsbisschop van Gortyna, op Kreta, gewijd. Daar werd hij geheel in beslag genomen door de drukke bisschoppelijke verplichtingen, zodat er niet meer zoveel van hem gehoord werd. Zijn sterfjaar wordt in de verschillende bronnen zeer uiteenlopend vermeld tussen 712 en 740.

tekst bijbel psalm 90.png

Taïsia

borders0528 (2).jpg

Heiligenleven

De heilige Taïsia

Taisia heilige.jpg

Heilige Taïsia

 

De heilige Taïsia, een vrouw van buitengewone schoonheid, leefde daarvan in Alexandrië, in de 4e eeuw. Het kwam vaak tot een hevige strijd tussen haar minnaars, en zij was verantwoordelijk voor verschillende doden. De oude kluizenaar Pafnutios hoorde in de woestijn de verhalen hoe zij de jeugd het hoofd op hol bracht, en hij kwam tot de overtuiging dat hij met haar moest spreken. Hij ging naar de stad, trok gewone kleren aan, ging naar haar huis en vroeg haar te spreken. Zij ontving hem in haar schitterend verblijf, uitgestrekt op een kostbare divan. Pafnutios stond voor haar en keek haar aan. Zijn ogen vulden zich met tranen en hij sprak slechts met moeite. Hij zei: “Laat iedereen weggaan”. “Maar er is hier niemand dan God”, antwoordde zij. “Wat,” riep hij, “weet je dan dat God bestaat?” “Ja, ik ben christelijk opgevoed en ik weet dat dit waar is.” “En weet je dan ook dat de hemel er is voor de gerechten maar de hel voor de goddelozen?” En zij stamelde: “Ja.” Toen brak hij in wenen uit en snikte: “O almachtige God, zij kent U en weet wat Gij gereed hebt voor wie U dienen en wat voor wie U beledigen; en toch heeft zij zoveel arme zielen tot val gebracht, die U hadden kunnen aanschouwen en in Uw heerlijkheid hadden kunnen rusten in alle eeuwigheid, en die nu moeten jammeren in eindeloze ellende”.
Dit woord doorbrak de ijskorst van Taïsia’s hart. Zij begon te beven, sprong overeind en viel neer voor de oudvader, omklemde zijn voeten en smeekte: “Vader, vader, laat mij zien hoe ik eraan kan ontkomen. Leer mij hoe ik berouw moet hebben!”
Hij zei dat hij voor haar een plaats ging gereed maken in het vrouwenklooster. Intussen maakte zij een brandstapel van haar rijke gewaden en kwam in oude kleren naar de cel die Pafnutios voor haar had ingericht. Hij verzegelde de deur achter haar en vroeg de zusters haar water en droog brood aan te reiken door het kleine deurvenster. En aan Taïsia verbood hij om zelfs maar haar handen ten hemel te heffen of de naam van God over haar lippen te laten komen, doch zich slechts naar het Oosten te richten en te zeggen: “Gij Die mij geschapen hebt, heb medelijden met mij.”
Drie jaren gingen zo voorbij. Pafnutios had veel over Taïsia nagedacht en voor haar gebeden en hij had medelijden met haar. Hij ging naar Abba Antonios en vroeg hem of hij de gestrengheid van haar boete zou mogen matigen, en of God haar zonden vergeven had. Antonios vroeg toen aan de broeders om een dag te vasten en de nacht door te brengen in gebed om te weten te komen wat Gods wil was. Terwijl zij zo in zwijgend gebed bijeen waren, sloeg de oudste leerling van Abba Antonios, de heilige Paulos de Simpele, plotseling de ogen op en zag in een visioen een plaats vol heerlijkheid in de hemel. En hij zei: “Dat is zeker de plaats voor mijn vader Antonios”. Maar een stem antwoordde hem: “Neen, zo is het niet; die plaats is voor Taïsia, de boetelinge”.
In grote vreugde haastte Pafnutios zich nu naar het klooster. Hij brak de deur van de cel open en zei tot Taïsia: “Kom naar buiten, de Heer heeft uw zonden vergeven”. Zij antwoordde: “Sinds de dag dat ik hier binnentrad, drukten zij mij als een ondraaglijke last, dag en nacht” . Waarop Pafnutios zei: “Juist daarom heeft de Heer u vergiffenis geschonken.” Nadat zij uit haar cel gekomen was, leefde Taïsia nog twee weken en ging toen over naar de Heer.

 

tekst bijbel spreuken346.jpg

 

 

 

de heilige Konstantijn XI

Jezus Maria en engelen.jpg

 

Heiligenleven

De heilige Konstantijn XI Paleologos

ConstantinoXI.jpg

De heilige martelaar Konstantijn Xl werd in 1405 geboren als 4e zoon van Keizer Manuel ll Paleologos. Zijn moeder was de Servische prinses Helena Dragas. Hij had een nauwe band met haar en gebruikte haar naam later als eretitel. Toen hij 17 jaar oud was probeerden de Turken, na in 1402 door de Mongoolse heerser Tamerlan verslagen te zijn, opnieuw Konstantinopel in te nemen. De stad kon toen nauwelijks verdedigd worden, en keizer Manuel stierf aan een beroerte.
De nieuwe keizer, Joannes Vlll Paleologos, zag in dat er hulp van het Westen moest komen, anders was de situatie hopeloos. De westerse voorwaarde voor hulp was echter gehoorzaamheid aan de paus, en vereniging van de Orthodoxe Kerk met die van Rome. Tijdens zijn afwezigheid had Konstantijn als regent een verdrag met de Turken gesloten, waardoor de stad verder gevrijwaard zou blijven voor aanvallen, tegen betaling van een jaarlijkse som geld. Na de terugkeer van Joannes, kregen Konstantijn en zijn andere broers elk een stuk van de Griekse Peloponnesos toegewezen, dat grotendeels onder het gezag van Byzantium viel. Binnen korte tijd was de gehele Peloponnesos onder controle, maar dit verontrustte de Turken en leidde ook tot strijd tussen de broers. Joannes haalde Konstantijn nu naar Konstantinopel, en gaf daarmee aan dat hij troonopvolger was.
ln 1437 ging Joannes weer naar ltalie voor hulp uit het Westen, en liet zich overhalen tot de Unie van Florence (1439), waardoor velen in Konstantinopel zich verraden voelden. Zij vertrouwden liever op God dan op een unie.
De verhouding met Rome leek echter beter. ln 1443 keerde Konstantijn naar Mistra in de Peloponnesos terug om het bestuur weer op zich te nemen, en hij herbouwde de verdedigingsmuur over de lsthmus bij Korinthe. De paus organiseerde daarop een kruistocht tegen de Turken, maar die werd volledig verslagen. Daarna versloeg Sultan Murad Konstantijn, zodat deze voortaan een jaarlijks tribuut moest betalen.
Op 6 januari 1449 werd Konstantijn tot keizer uitgeroepen in Mistra. ln 1451 werd de overleden Sultan Murad opgevolgd door zijn jonge zoon Mohammed ll. Deze zwoer dat hij Konstantinopel met rust zou laten, maar toch probeerde Konstantijn de paus over te halen zijn beloofde steun te geven. Deze weigerde, omdat de Orthodoxe Kerk de Unie van Florence verwierp.

Konstantijn probeerde van de nieuwe Turkse heerser meer geld los te krijgen voor het gevangen houden van diens voornaamste rivaal, maar zette hem daardoor aan tot beleg van Konstantinopel. Konstantijn verklaarde toen formeel de oorlog aan de sultan en maakte de stad gereed voor de belegering. Hernieuwde verzoeken om hulp uit het Westen hadden alleen de komst van een pauselijk gezantschap tot gevolg, dat van de situatie gebruik maakte de Unie van Florence door te zetten. Toen het Westen eindelijk in beweging kwam, was het te laat.
In 1453 liepen de voorraden in de stad ten einde, het voedsel werd onbetaalbaar. Goud en zilver uit de kerken werd gebruikt om de nood te lenigen.
Konstantijn hield persoonlijk toezicht op de aanleg van versterkingen waarmee de inwoners van de stad, mannen en vrouwen, dag en nacht bezig waren. Op Paasmaandag, 2 april 1453, begon de definitieve Turkse aanval met een niet aflatend bombardement, waartegen de driedubbele muren van Konstantinopel niet bestand waren: ze stortten stuk voor stuk in. Konstantijn vroeg de sultan om vrede, maar was niet bereid diens eis, de stad over te geven, in te wiligen.
De spanning in de stad werd ondraaglijk. De hulp uit het Westen was er niet en Konstantijn voelde zich bedrogen. Op 24 mei was er ook nog een maansverduistering, en viel de ikoon van de heilige Moeder Gods, de beschermster van de stad, op onverklaarbare wijze op de grond.
In afwachting van de bestorming werden de bombardementen plotseling gestopt. In de stad werd een laatste processie gehouden, met Konstantijn aan het hoofd. Daarna sprak hij zijn soldaten toe, en zijn woorden maakten grote indruk.
Tijdens de liturgie die volgde, de eerste die na de proclamatie van de Unie van Florence in de Agia Sofia werd gehouden, ontving hij de Communie, daarna ging hij zijn troepen op de muren inspecteren.
In de ochtend van 29 mei kwam de bestorming. Na zes uur slaagden de aanvallers erin de Turkse vlag te hijsen op een van de torens, waarop er paniek uitbrak in de stad. Konstantijn wierp zijn keizerlijke eretekens af en wierp zich met getrokken zwaard in de strijd.
Hij werd het laatst gezien bij de Poort van de heilige Romanos, waar hij roemrijk sneuvelde, zoals past voor de laatste keizer van het Byzantijnse Rijk.

heiligenlevens voor elke dag : orth.klooster Den Haag

 

border aaaaaaz.gif

heilige Pelagia

borders1458 (2).jpg

Heiligenleven

De heilige Pelagia

 

Pelagia van Antiochie.jpg

Heilige Pelagia

 

De heilige boetelinge Pelagia was de eerste actrice en danseres van het theater in Antiochië. De bisschop van de stad hield eens een synode, waarbij ook de oude bisschop Nonnos van Edessa aanwezig was, een oudvader uit de woestijn, die min of meer met geweld bisschop was gewijd, en die de gave van het overtuigende woord bezat. Tijdens de rustpauze zaten de bisschoppen buiten in de schaduw rustig met elkaar te praten. Juist passeerde toen Pelagia in haar stralende schoonheid, met rijke gewaden en kostbare paarlen‚ die haar de bijnaam Margarita hadden bezorgd. De bisschoppen wendden het hoofd af, maar Nonnos zag haar vol in het gezicht en staarde haar na tot zij uit het gezicht verdwenen was.
Hij vroeg toen aan de anderen of zij haar schoonheid hadden gezien, maar zij gaven geen antwoord. Toen boog Nonnos het hoofd over de knieën en toen hij weer opkeek zagen zij dat zijn boek nat was van tranen. En hij zei: “Het was inderdaad een schoon schouwspel, maar ik geloof dat God haar op onze weg heeft gebracht om een oordeel te vellen over ons leven als bisschop. Denk u toch in hoeveel tijd zij besteedt om zich te baden en te zalven en te kleden, en hoeveel inspannende oefeningen zij moet doen om haar beroep als danseres te kunnen uitoefenen. Vergelijken wij dat eens met de moeite die wij opbrengen voor onze taak, en of wij ons ook zo inspannen om onze ziel te reinigen en die behaaglijk te maken voor de ogen van onze rechtvaardige en heilige Heer.” En ‘s avonds, in de hem toegewezen cel, wierp hij zichzelf op de vloer en bad wenend, tot hij in slaap viel met zijn hoofd in zijn handen.
De volgende zondag werd Nonnos verzocht de preek te houden na het Evangelie. Hij was geen geleerde, maar hij was bezield door de Heilige Geest zodat het volk diep ontroerd was. Onder het gehoor bevond zich ook Pelagia, die uit nieuwsgierigheid naar de kerk was gegaan, waarin zij nog nooit een voet had gezet, want zij was een heidense. Haar ziel werd door God geraakt, zodat zij in snikken uitbarstte. Het was geen voorbijgaande ontroering, maar zij deed alles om Nonnos te spreken te krijgen en gedoopt te worden. Na haar doop verdween zij uit het gezicht.
Enkele jaren later kwam de diaken van bisschop Nonnos, die ook deze gebeurtenissen uitvoerig opgeschreven heeft, naar, Jeruzalem, met de opdracht van Nonnos om onderzoek te doen naar een monnik Pelagios. Hij vond deze in een kluis op de Olijfberg, en hoorde overal in Jeruzalem met veel eerbied over hem spreken. Toen hij die monnik de volgende dag opnieuw wilde bezoeken, kreeg hij geen antwoord meer op zijn kloppen: Pelagios was gestorven. Er werd een plechtige begrafenis voorbereid en toen bleek dat de vereerde kluizenaar een vrouw was geweest. Toen kwamen alle monniken en monialen uit de kloosters van Jericho en de Jordaan-streek, en zij begroeven haar met kaarsen en lampen en hymnen, terwijl het lichaam gedragen werd door de heilige Vvaders, in 457. Haar relieken bevinden zich te Jouarre in Frankrijk.

heiligenlevens voor elke dag : uitg.orth.klooster Den Haag

 

communie.jpg

de heilige Flavianos

borders (2) - kopie.jpg

Heiligenleven

De heilige Flavianos  Patriarch van Constantinopel

 

Flaviano_di_Costantinopoli.jpg

Flavianos van Constantinopel

 

De heilige Flavianos, hiëromartelaar, patriarch van Constantinopel, was eerst schatbewaarder en priester van de Grote Kerk (Agia Sofia) in Constantinopel in de tijd van Johannes Chrysostomos, door wie hij geestelijk was gevormd, in 449 werd hij tot patriarch gekozen, maar zijn bestuur duurde niet lang, ten gevolge van een warnet van oosterse intriges. Keizer Theodosios was een zwakke figuur, die geheel onder invloed stond van Chrysapios, de opperste hofbeambte. Deze had zelf een andere kandidaat en begon nu systematisch de positie van Flavianos te ondermijnen. Hij liet de keizer aan de patriarch een geschenk vragen voor de wijding. Deze zond hem een ‘eulogion’ toe, een van de prosfora’s die gebruikt waren bij de heilige Liturgie. Chrysapios liet zeggen dat er een ander soort geschenk bedoeld werd. Flavianos, die altijd gestreden had tegen het euvel van de simonie (het verkopen van kerkelijke diensten en ambten voor geld) en daarvan zelfs de schijn wilde vermijden, antwoordde dat alle bezittingen van de kerk uitsluitend gebruikt mochten worden voor de luister van de dienst en om de armen bij te staan.

Vervolgens bewerkte hij de keizerin, Eudoxia, die het niet goed kon vinden met de zuster van de keizer, Pulcheria, om deze tot diakones te laten wijden, zodat ze van het hof verwijderd zou zijn. Ook bij deze aanvraag weigerde Flavianos pertinent om zich te lenen voor hofintriges. in die tijd was Eutyches abt van een klooster van driehonderd monniken, bij Constantinopel. Hij was een bekrompen geest, en in zijn fanatieke ijver tegen de dwaling van Nestorios, die de eenheid van de Persoon in Jezus Christus ontkende, was hij monofysiet geworden. Hij erkende in Christus alleen maar de goddelijke natuur, die zich min of meer met een schijnlichaam had bekleed. Ondertussen had Flavianos een concilie bijeengeroepen in Constantinopel, waar Eutyches werd gevraagd om rekenschap te geven van zijn prediking. Op herhaalde oproepen liet hij niets horen, maar tenslotte verscheen hij in gezelschap van een afdeling soldaten. Hij verklaarde dat hij slechts één natuur erkende in Christus en dat hij niet gekomen was om te disputeren, maar alleen om getuigenis af te leggen van zijn geloof. Daarop werd hij door de vaders van het concilie veroordeeld. Eutyches wendde zich toen tot Rome, maar van paus Leo de Grote kreeg hij een uitvoerige brief waarin deze duidelijk de orthodoxe leer uiteenzette. Deze brief is ook opgenomen in de akten van het concilie van Chalcedon, waar de dwalingen van Eutyches plechtig werden veroordeeld.
Intussen had Chrysapios de keizer bewerkt om een nieuw concilie bijeen te roepen, nu onder voorzitterschap van een andere bisschop, omdat Flavianos partijdigheid verweten werd, maar het resultaat was hetzelfde. Nu wendde Chrysapios zich tot de patriarch van Alexandrië, Dioskoros, een omkoopbaar man met een heftig karakter. Keizer Theodosios werd overgehaald tot hun ideeën die de schijn van wereldse logica bezitten, zodat hij te Efese een synode bijeenriep onder voorzitterschap van Dioskoros, om er een vaste grond aan te geven. Het verloop van deze synode werd beheerst door gewapende terreurgroepen, die een schrikbewind uitoefenden over ieder die orthodoxe meningen durfde te uiten. Daarom heeft deze synode in de geschiedenis de naam gekregen van ‘Roverssynode’. Flavianos werd veroordeeld en terstond als een misdadiger geboeid en zwaar mishandeld. De anderen lieten zich intimideren en ondertekenden het bevel tot zijn afzetting en verbanning. Daar zou het echter niet van komen, want na drie dagen was Flavianos reeds aan de gevolgen van zijn verwondingen overleden, in 449. Een jaar later stierf keizer Theodosios en hij werd opgevolgd door keizer Markianos. Er waren intussen zoveel protesten binnengekomen tegen de wijze waarop de uitspraak in Efese tot stand was gekomen, dat hij een nieuwe synode bijeenriep in Chalcedon, die nu bekend is als het vierde oecumenische concilie. Daar werd het monofysitisme als ketterij gebrandmerkt, omdat daardoor het heilswerk van Christus van zijn wezenlijke waarde beroofd wordt. Flavianos werd erkend als martelaar voor de orthodoxie en zijn relieken werden plechtig overgebracht naar Constantinopel en bijgezet in de kerk van de heilige apostelen.

 

tekst951.jpg