Hemelse Koning
Overpeinzingen over de reinheid van hart

Jim Forest
Graag zou ik een van onze meest gebruikte gebeden, “Hemelse Koning”, wat nader willen bespreken,
waarbij ik speciaal de woorden“reinig ons van alle smet” er uit zal lichten. Hemelse Koning, Trooster, Geest der waarheid, die alom tegenwoordig zijt, en alles vervult,Schatkamer van het goede, en Schenker van het leven, kom en verblijf in ons, reinig ons van alle smet, en red onze zielen, o Goede.
Met niet veel woorden – minder dan veertig– is dit een van de oudste Christelijke gebeden. Het is een gebed dat met name met Pinksteren wordtgeassocieerd – de neerdaling van de Heilige Geest, de Geest der Waarheid, op de apostelen – als de volgelingen van Christus uiteindelijk begrijpen waar ze getuige van zijn geweest en welke taak Christus voor hen heeft voorbereid. Het is een gebed dat de meeste Christenen uit hun hoofd kennen en dat thuis gebeden wordt, zelfs in de kortste ochtend- en avondgebeden. Het wordt ook gebeden bij het begin van Proskomedie die vooraf gaat aan de Goddelijke Liturgie. We zeggen en zingen de woorden zo vaak dat ze zichzelf reciteren. Ik vermoed dat een ieder van ons bij dit gebed wel eens een moment heeft gehad dat een bepaalde zin ons als een pijl midden in ons hart raakte. En omdat dit gebed verbonden is met iedere liturgie en met ieder ochtend- en avondgebed, is het een gebed der gebeden, een gebed dat gemeenschap schept.
Het gebed doet twee dingen. Ten eerste verwoordt het de focus van al onzegebeden. Het noemt namen. Door de Heilige Geest aan te roepen, worden we eraan herinnerd dat de Heilige Drieëenheid, de gemeenschap van drie Personen in Eén God, de focus en het centrum van ons leven is. Dit is waar ons Christelijk leven om draait. Dit is het gebed dat ons allemaal in hetzelfde perspectief plaatst.Ten tweede is het een vurig appèl dat alles opsomt waar we naar op zoek zijn. We willen dat God komt en in ons verblijft, dat Hij ons reinigt van alle smet en dat Hij onze ziel redt. Het is een gebed om diepgaande genezing. We kunnen onszelf niet reinigen of onze eigen ziel redden, niet zonder Gods hulp.
Het eerste gedeelte kan in drie stukken worden verdeeld. Het eerste gedeelte, Hemelse Koning, Trooster, Geest der waarheid, beantwoordt de vraag: “Tot wie bidden wij?”. Het tweede gedeelte, Die alom tegenwoordig zijt, en alles vervult, geeft antwoord op de vraag: “Waar bent U?”. Het derde gedeelte, Schatkamer van het goede, en Schenker van het leven, beantwoordt de vraag: “Wat doet U?”. Het begin van het gebed herinnert ons eraan dat we geen mensen zonder vorst zijn. We hebben een Vorst, namelijk een Hemelse Koning. Slechts aan deze vorst zijn wij verantwoording schuldig, en zijn geboden hebben voor ons absolute prioriteit. God heeft ons geen wetten in de gebruikelijke zin van het woord gegeven, maar een aantal geboden. Zo is er bijvoorbeeld de Bergrede. Die opent met de Zaligsprekingen, die in de Russische kerk de “geboden van de zaligheid” worden genoemd. De Zaligsprekingen vormen eigenlijk een zeer korte samenvatting van het Evangelie. Elke Zaligspreking heeft betrekking op bepaalde aspecten van een leven in de Opstanding – dat wil zeggen een leven dat niet wordt vormgegeven door de dood. Een manier om de Zaligsprekingen te lezen is om de woorden “Opgestaan uit de doden” aan het begin van ieder vers te lezen – bijvoorbeeld: “Opgestaan uit de doden zijn de armen van geest”. Ook is er een gebod om te vergeven: en niet één keer, maar zeventig maal zeven keer. Eén keer is meestal al niet eenvoudig.
Dan zijn er ook nog de tweeledige geboden– om God lief te hebben (niet zo eenvoudig als het klinkt) en onze naaste lief te hebben (veel moeilijker dan het klinkt). Het gebod om God lief te hebben is onlosmakelijk verbonden aan het gebod om onze naasten lief te hebben als ons zelf. Uit het Evangelie wordt duidelijk dat met die naaste niet alleen een vriendelijke buurman wordt bedoeld die naast ons woont en met wie we soms een aardig praatje maken hebben en die mogelijk zelfs naar dezelfde kerk gaat als wij. De naaste waar het gebod op doelt is om het even welke persoon die God op ons pad brengt. We hebben het niet over relaties met wederzijdse affectie, maar over nabijheid, hoe kort, tijdelijk en onbedoeld ook: de bedelaar op straat, de atheïst die het Christendom hartgrondig veracht, de mede- Christen voor wie we dekking willen zoeken, de man die net mijn portemonnee heeft gestolen, de gewonde vreemdeling die aan de kant van de weg ligt, degene die mijn leven of dat van mijn dierbaren bedreigt. We hebben een Koning en als we serieus zijn over het feit dat we onszelf Christenen noemen, dan zijn we een volk dat tracht onder zijn heerschappij te leven. Maar het is moeilijk. We zijn zeelieden die bijna altijd tegen alle winden in zeilen, tegen de winden van onze eigen onzekerheid, angsten en ons eigen egoïsme, de winden van niet geheelde verwondingen en bittere herinneringen, de winden van ongeloof, de winden van de politiek, van propaganda, van slogans en van nationale identiteit, de winden van wat we menen te moeten zeggen en denken om verder te kunnen met ons leven. Onze Koning is een Hemelse Koning – dat wil zeggen, niet van deze wereld – maar wel een Koning die deze wereld liefheeft, die Zichzelf geeft voor het leven van de wereld, een Koning die de zieken van lichaam en geest geneest, een Koning die de hongerigen voedt, een Koning die zonden vergeeft en de levens van zondaars redt, een Koning die weent, een Koning die bidt om vergeving van hen die Hem kruisigen, een Koning die Zichzelf verschuilt in de hongerigen, de dorstigen, de naakten, de daklozen, de zieken en de gevangenen, een Koning die onze reactie op de minste persoon beschouwt als het ultieme criterium om gered te worden. Niet uw gebruikelijke koning. Onze Koning is iemand die we aanspreken als “Trooster”. In de oorspronkelijke Griekse tekst wordt het woord “parakleet” gebruikt, dat verschillende betekenissen kan hebben: krachtgever, advocaat, raadgever, trooster, bemoediger, steungever, helper, beschermer. Eigenlijk is geen enkel Nederlandswoord helemaal passend. Hier in uw klooster is gekozen voor “trooster”. In het Engels wordt meestal; het woord “comforter” gebruikt. Dat woord is afkomstig van het Latijnse woord “comfortare”, dat krachtgeven betekent. God geeft ons tegelijkertijd kracht voor de strijd en ook troost. (…) Gods Heilige Geest is de “Geest der Waarheid”, een zinsnede die mij vaak doet denken aan het Engelse gezegde “Speak the truth and shame the devil”. Er bestaat ook een Russisch spreekwoord, “Eet brood en zout en spreek de waarheid”. Wat een uitdaging is het om de waarheid te kennen, de waarheid te spreken en een waarachtig leven te leiden. Waarachtig spreken is veel meer dan zeggen wat je oprecht denkt over een bepaald onderwerp,hoewel dat soms moeilijk genoeg kan zijn. Het is niet eenvoudig om gewoon de waarheid te weten over eenvoudige dingen. Hoeveel onschuldige mensen zitten er vandaag de dag niet vast in de gevangenis voor misdrijven die ze niet hebben begaan, die schuldig zijn bevonden en veroordeeld omdat een getuige hen per abuis heeft aangewezen als de schuldige. De getuige legde zijn of haar verklaring in alle oprechtheid af, maar heeft zich vergist en als resultaat zit de verkeerde persoon nu jarenlang in de gevangenis. Oprechtheid staat niet gelijk aan waarachtigheid. Men kan oprecht verkeerd zitten. (…) Als antwoord op de vraag “God waar bent U? komt de volgende zinsnede Die alom tegenwoordig zijt, en alles vervult. Soms zouden we, net als Jona, wel willen dat God overal is, maar niet hier. Maar God kan niet niet-aanwezig zijn. Licht kan zichzelf niet verschuilen in het duister. Zelfs in de hel is God niet afwezig – dat is onmogelijk. De hel is wat wij ervaren wanneer wij pogen om bij God weg te blijven, dat wil zeggen om niet lief te hebben. Zoals Bernanos het zegt: “De hel is niet meer liefhebben”. God is alom tegenwoordig. Een goed gebouwde kerk doet al het mogelijke om ons te helpen ons bewust te worden van die aanwezigheid en onze harten ervoor open te stellen, maar God is niet minder aanwezig in je keuken of in een bus of in de gevangenis, of op een plek waar mensen worden gefolterd. En God is niet alleen tegenwoordig maar de gehele schepping is vervuld met die tegenwoordigheid. We kunnen delfstoffen gebruiken om dodelijke wapens te maken, instrumenten die ons aan de hel doen denken, maar het materiaal waar die wapens van gemaakt zijn zou ons wel aan God moeten herinneren. “De gehele schepping zingt Uw glorie” zeggen we in een van de avondgebeden. Alles wat door God geschapen wordt vormt voor ons een mogelijkheid om te offeren. Alles wat wij moeten meebrengen voor de ontmoeting is een gevoel van verwondering.
Als antwoord op de vragen “Wat doet U? Hoe kennen wij U?” noemen we God de schatkamer van het goede en Schenker van het leven. (…) Het goede waar hier op gedoeld wordt is een leven in gemeenschap, in de eerste plaats met God, maar ook met elkaar. Verbinding. Wat een zegen is het om ontvankelijk te worden om het beeld van God in een ander mens te kunnen zien. Hoe vaker dat gebeurt, hoe gelukkiger we zijn. Door God in anderen te zien worden we geholpen God te zien. Het is een voorproefje van de hemel. Het betekent in staat te zijn om lief te hebben, om Gods liefde voor onze medemensen te ervaren en te delen. Het is het grootste goed om Gods aanwezigheid gewaar te worden – niet het idee dat God aanwezig is, maar bewust in die aanwezigheid te leven. Niet in staat zijn om de aanwezigheid van God in de ander te zien is een vorm van blindheid, die erger is dan gewoon niets kunnen zien. Dat doet mij denken aan wat Dorothy Day eens zei: “Zij die God niet kunnen zien in arme mensen zijn werkelijk atheïsten”. Nu komen we pas aan bij wat we eigenlijk vragen in dit korte gebed Kom en verblijf in ons, reinig ons van alle smet en red onze zielen, o Goede. Men kan een ellenlange lijst maken van de verschillende smetten waar de meesten van onsmee worstelen. Ik wil mij slechts op drie daarvan concentreren: tribalisme, angst en het leven in haast
(ik beperk mij tot drie onderwerpen op advies van metropoliet Kallistos).
Ten eerste tribalisme. Eén aspect van onze beschadigde menselijke natuur is een sterke neiging tot stammencultuur, wat de illusie van afgescheidenheid met zich meebrengt. Het leven van een ieder in deze ruimte kan gered worden door een bloeddonatie van een Latijns-Amerikaanse Azteek, een Inuït-eskimo uit Alaska of een Afrikaanse Zulu. Toch geven wij er de voorkeur aan onszelf te zien als hoofdzakelijk verbonden met degenen met wie we onze nationaliteit delen, onze taal delen, onze voorgeschiedenis, of – in het geval de stamcultuur een religieus karakter heeft – met degenen die dezelfde rituelen naleven, die eenzelfde rituele vocabulaire hebben. Binnen de grenzen van die stammencultuur,of subcultuur daarvan, zijn we bereid aanzienlijke offers te brengen, zelfs ons leven te riskeren en te geven als er geen respectabel alternatief is. Maar de stam sluit veel meer uit dan er in wordt opgenomen.We zien onszelf als radicaal anders en ver verwijderd van de grote massa, terwijl zij in werkelijkheid – als we oprecht menen wat we zeggen als we het Onze Vader bidden – onze broeders en zusters zijn, die net als wij afstammen van die mysterieuze eerste mensen die we Adam en Eva noemen, en net als wij voorwerp zijn van Gods liefde en genade. Er bestaat een commentaar van een rabbijn dat zegt, dat God alleen Adam en Eva heeft geschapen zodat niemand kon denken dat hij of zij van een hogere of speciale afkomst was.
Ook in de Orthodoxe Kerk kennen we tribalisme. ik ben in Orthodoxe kerken geweest waar de onuitgesproken vraag was: “Waarom ben je hier? Jouw voorouders komen niet van dezelfde plek waar onze voorouders zijn geboren. Je bent niet welkom”. Op een kerkelijk concilie in de 19e eeuw, onder voorzitterschap van de Patriarch van Constantinopel, is nationalisering of tribalisering van het Christendom ‘etnophyletisme’ genoemd – letterlijk ‘liefde voor de stam’ – en is bepaald dat dit ketterij is. Maar tot op heden is het een ketterij die welig tiert. ‘De ander’ op een afstand houden is een van de smetten waarvan God ons het moeilijkst van kan reinigen, omdat we zo sterk hechten aan tribale identiteit. We zijn zelfs niet erg bereid om het probleem te onderkennen.























