De brief aan Diognetus

De Brief aan Diognetus (HH 5-6)

Dit is een brief die een anonieme Christen schreef aan zijn heidense vriend om hem zijn geloof voor te stellen. De brief dateert van rond 150 (ev. 180). [Vertaling: Communio 4, 1976, 265].

5 De Christenen verschillen immers niet van de overige mensen noch door woonplaats, noch door taal of zeden. Want nergens wonen ze in eigen steden, noch gebruiken zij een afzonderlijke omgangstaal of leiden zij een aparte levenswijze. Hun leer is niet uitgevonden door het verstand of het vernuft van druk zoekende mensen en ze volgen ook niet zoals anderen een louter menselijke zienswijze. Maar terwijl ze in de steden van Grieken of barbaren wonen, al naar gelang ieders lot meebracht, en de plaatselijke gewoontes inzake kleding, voedsel en het overige leven volgen, vertonen ze toch een bewonderenswaardige en algemeen als vreemd erkende levenswijze. Ze wonen in hun eigen land, maar als vreemdelingen. Ze delen in alles mee als burgers, maar hebben alles te lijden als vreemdelingen. Elk land is hun een vaderland en elk vaderland is hun vreemd. Ze trouwen als ieder ander. Ze krijgen kinderen, maar leggen ze niet te vondeling. Ze delen hun tafel maar niet hun bed. Ze leven “in het vlees”, maar niet “naar het vlees”. Ze vertoeven op aarde, maar zijn thuis in de hemel. Ze gehoorzamen de vastgestelde wetten, maar door hun levenswijze overtreffen ze deze wetten. Ze hebben alle mensen lief en worden door iedereen vervolgd. Ze zijn niet gekend, en worden toch veroordeeld; ter dood gebracht, en ten leven gewekt. Ze zijn arm als bedelaars en maken velen rijk; ze lijden aan alles gebrek, en hebben alles in overvloed. Ze worden onteerd, en die ontering strekt hen tot roem; ze worden belasterd en worden gerechtvaardigd. Ze worden gesmaad en ze zegenen; beledigd en ze bewijzen eer. Doen ze goed, dan worden ze gestraft als boosdoeners; worden ze gestraft, dan verheugen ze zich als werden ze tot leven gewekt. Door de Joden worden ze bestreden als mensen van een andere stam, door de Grieken worden ze vervolgd. En die hen haten kunnen geen reden voor hun vijandschap geven.

6 Om het maar eenvoudig te zeggen: wat de ziel is in het lichaam dat zijn de Christenen in de wereld. De ziel is verspreid over alle ledematen van het lichaam en de Christenen over de steden van de wereld. De ziel woont wel in het lichaam, maar is niet van het lichaam. De Christenen wonen in de wereld, maar zijn niet van de wereld. De onzichtbare ziel wordt in een zichtbaar lichaam bewaard; de Christenen zijn wel gekend in de wereld, maar hun godsdienst blijft onzichtbaar. Het vlees haat de ziel en bestrijdt haar, niet dat het van haar enig onrecht te lijden heeft, maar omdat het gehinderd wordt om ongeremd te genieten; zo ook haat de wereld de Christenen, niet omdat ze haar onrecht aandoen, maar omdat ze zich tegen genietingen verzetten. De ziel houdt van het lichaam en zijn ledematen ook als zij haar haten; de Christenen houden van hen die hen haten. De ziel wordt door het lichaam ingesloten en toch houdt ze het in stand; de Christenen worden in de wereld vastgehouden als in een kerker, maar zij houden zelf de wereld in stand. De onsterfelijke ziel huist in een sterfelijke woning; de Christenen wonen als vreemdelingen in de vergankelijke wereld, terwijl ze de onvergankelijkheid verwachten. Een tekort aan spijs en drank maakt de ziel beter; alhoewel gefolterd, groeien de Christenen iedere dag in aantal. In een zo verheven staat heeft God hen geplaatst en die mogen ze niet van de hand wijzen.

over de kerkvaders

Over de Kerkvaders

 

 

1 Literatuur.

  • Berthold Altaner – Alfred Stuiber, Patrologie. Leben und Lehre der Kirchenväter, Freiburg – Basel – Wien, Herder, 1978.

2 Wat zijn kerkvaders?

Wij noemen kerkvaders (in strikte zin): die kerkelijke schrijvers die duidelijk

  1. orthodox zijn,
  2. een heilige levenswandel leiden,
  3. door de Kerk erkend zijn en
  4. uit de oudheid stammen.

Het patristisch tijdvak (het tijdperk waarbinnen men spreekt van kerkvaders) eindigt in het Westen met paus Gregorius de Grote (590-604) en Isidorus van Sevilla (±560-633), ook wel met Beda (672-735) en in het Oosten met Johannes Damascenus (±650-±750).

2.1 De apostolische vaders.

Tot de apostolische vaders rekenen wij de auteurs uit het oer-Christendom waarvan we kunnen vaststellen dat zij leerlingen of toehoorders zijn van de apostelen of dat zij zeer kort na de apostolische tijd geschreven hebben en waarvan we weten dat zij in hun leer in hoge mate drager zijn van de apostolische overlevering. Chronologisch staan zijn zeer dicht bij het N.T, waarbij ze ook heel dicht aansluiten w.b. inhoud en vorm van hun werken.[1]Strikt genomen horen er enkel Clemens, Ignatius, Polycarpus, Barnabas en Papias onder. De overige schriften kan men in een andere categorie, als vroeg-Christelijke geschriften plaatsen. Tot hen horen (min of meer) in chronologische volgorde:

  • De Barnabasbrief (vóór 140)
  • De eerste Clemensbrief (Brief van de bisschop van Rome aan de kerk van Korinte) (ca 95)
  • De zeven brieven van Ignatius van Antiochië (+ ca 110)
  • De brief van Polycarpus aan de kerk van Filippi (+156)
  • De Marteldood van Polycarpus (ca 156)
  • De Pastor Hermas (voor 150)
  • De Didachè (100-150) of de leer van de Twaalf apostelen
  • De Diognetusbrief (120-210)
  • Ook Quadratus wordt soms hiertoe gerekend.
  • Papias van Hiërapolis, een leerling van de apostel Johannes, schreef rond 130 vijf boeken, waarvan slechts kleine fragmenten bewaard zijn.

De archaïsche theologie van de apostolische vaders sluit zeer nauw aan bij de Schrift en bij de Joodse “theologie”. In tegenstelling tot latere schrijvers hebben zij nog geen systematisch gebruik gemaakt van de hellenistische gedachtewereld om hun geloof te verklaren. Kenmerkend voor hun werk is de sterke ethische nuancering en een sterke eschatologische gerichtheid.

Deze theologische geschriften zijn allemaal gericht tot Christenen. De geloofsverantwoording die we erin aantreffen is een immanente kerkelijke die zich uitput in het aantonen van de conformiteit van de aangereikte leer zowel met de reeds vastliggende overlevering van de leer als ook van de overeenkomst met de geboden (ἐντολαι) die voortvloeien uit de relatie met de persoon van Jezus Christus.

Er zijn al aanzetten aanwezig die op een uitbreiding van de geloofsverantwoording in de richting van de filosofische rede. Dit vinden we met name wanneer ze hellenistische voorstellingen over het heersen van God over de natuur overnemen en in het aantonen van de aannemelijkheid van de Christelijke wonderen, m.n. de verrijzenis. Om de transcendentie van God te verklaren nemen ze begrippen over uit de hellenistische kosmotheologie, vooral van het neo-platonisme en de Stoa. Ze doen ook een beroep op de Griekse Logos om de redelijke mogelijkheid van de verrijzenis (van het lichaam?) aan te tonen. Vaak gebruiken ze de argumenten die de Stoa gebruikt om de voortdurende kosmische vernieuwing door het vuur te bewijzen. Deze argumenten komen uit een cyclische geschiedenisopvatting en moeten daarom een nieuwe betekenis krijgen voor gebruik binnen de lineaire geschiedenisopvatting van het Christendom.

Bij de apostolische vaders blijft de nadruk liggen op de schriftargumentatie. Deze moet in ruime zin gezien worden. Men put zich niet uit in letterlijke citaten maar in citaten in de zin van de Schrift. Slechts zeer sporadisch maken zij gebruik van de Griekse categorieën om Gods ingrijpen in de natuur te verduidelijken. Hun geschriften zijn gelegenheidswerkjes. Een systematische en algemene theologie ontbreekt.

2.2 De apologeten.

Na de apostolische vaders breekt de tijd aan van de apologeten. Zij zijn Christenen uit de tweede eeuw die hun werken wijden aan een verdediging (apologie) van het Christendom in de hellenistische wereld. Tot hen behoren een twaalftal namen:

  • Marcianus Aristides (Apologie aan K. Antonius Pius (138-161)) of Hadranus (117-38) uit Athene.
  • Justinus (+165 Rome), twee apologieën en twee dialogen.
  • Tatianus, leerling van Justinus in Rome, diverse geschriften. Bekend (deels) is zijn Diatessaron. Rond 172 breuk met kerk van Rome, werd enkratiet: verwierpen huwelijk, wijn- en vleesgebruik.
  • Athenagoras, filosoof uit Athene, een verdediging van de Christenen aan Marcus Aurelius (ca 177) en “Over de opstanding van de doden”.
  • Theophilus van Antiochië, bekeerling en dan bisschop van Antiochië, 3 boeken aan Autolycus (kort na 180), diverse geschriften verloren.
  • Quadratus (Kodratus), apologie in 123/4 of 129 aan keizer Hadrianus (Eus. H.E. IV,23,3), enkel fragment bij Eusebius (IV,3,1-2)
  • Hermias, onbekende auteur, (spotschrift Διασυρμος των ἔξω φιλοσοφων), in tien eerder grove dan leuke hoofdstukken worden heidense aanvallen op het wezen van God, de ziel… weerlegd. (2de helft 2de eeuw of being 3de eeuw)
  • De spreuken van Sextus (180-210) Dit zijn 451 spreuken die onder de naam van Sextus verzameld werden, vermoedelijk in Alexandrië. M.n. ethische uitspraken van filosofen (neo-pythagoreeërs, stoa, platonisme) die apologetisch voor het Christendom werken.
  • Aristo(n) van Pella, verloren dialoog tussen Jason en Papiskus over Christus (ca 140). Dit is kennelijk de oudste apologie tegen Joden.
  • Miltiades, redenaar uit Kl.-Azië, drie verloren Apologiën (Eus. H.E. V,17,5) onder keizer Marcus Aurelius (161-180) en mederegent Verus (161-169).
  • Apollinaris van Hiërapolis, 4 apologieën onder Marcus Aurelius. Allemaal verloren.
  • Melito van Sardes, Apologie rond 172. Enkel fragmenten bekend. In 1940 is een preek van hem teruggevonden.
  • Ireneüs van Lyon (+ ca 202)
  • de schrijver van het Kerugma van Petrus
  • Clemens van Alexandrië, Proteptikos
  • Arnobius (Adv. nationes)
  • Ps.-Justinus, Oratio ad Graecos
  • Tertullianus, (+ ca 220) [N.- Afrika] Apologeticus, Ad Nationes, Adv. Judaeos (andere werken van hem zijn montanistisch)
  • Minucius Felix, Octavius.

Zij zijn allen bekeerde heidenen. Zij gebruiken voor het eerst elementen uit de Griekse filosofie om hun geloof te verdedigen. Centraal staat bij hen het probleem van Gods transcendentie. Zij moeten optreden tegen twee fronten: het judaïserend hellenisme (Jodendom), het hellenisme met het gnosticisme. De aanleiding om te schrijven is meestal hun zorg om de Christelijke leer zuiver te houden. Zij beginnen voor het eerst een systematische theologie op te zetten. De confrontatie met Jodendom en heidendom werkt een negatieve theologie in de hand: God is ongeboren, onbegrijpbaar, onuitspreekbaar, God is geest (niet-lichamelijk).

In hun godsleer brengen zij de nodige correcties aan aan het Grieks-filosofische denken: zij leren het monotheïsme, de schepping, Gods voorzienigheid, en een doelgerichtheid en zinvolheid van wereld en geschiedenis.

Hun grote verdienste is dat zij in Griekse denkcategorieën hebben nagedacht over de handelende God uit de Bijbelse geschiedenis.

2.2.1 Hun geloofsverantwoording.

Hun geloofsverantwoording richt zich m.n. op drie terreinen: verrijzenis van het lichaam, de profetie en de logos-theologie.

2.2.1.1 De verrijzenis

De apologeten nemen de analogieën van 1 Clem. 24-25 als argumenten voor de verrijzenis van het lichaam (De Feniks) over en verrijken ze. Justinus neemt bv. het ontstaan van een mens als uitgangspunt (Apol. I,19,2-3), via de parallel tussen de schepping en de verrijzenis (Apol.. I, 19,5) voert hij alles op Gods almacht terug (Apol. I,19,6; I,18,6).

Alle apologeten legen het christelijk geloof uit als een ethisch monotheïsme, waarbij ze vasthouden aan eschatologische voorstellingen. Helaas bood de Griekse filosofie nauwelijks een helpende had om de verrijzenis van het lichaam te helpen verantwoorden. Algemeen werd de eschatologie moraliserend behandeld: de verrijzenis wordt beschouwd in het kader van beloning en straf, overeenkomstig de daden van dit aardse leven.

2.2.1.2 De profetie

De argumentatie die gebouwd werd op de voorspelling van de profeten is meer een verantwoording voor de reeds gelovenden. De profetie moet geloofd worden omdat de voorspellingen vervuld zijn (vgl. Justinus, Apol. I, 52). Meestal beschouwen de apologeten de profeten als verwijzingen en argumenten uit het O.T., die getuigen voor de waarheid van het Christendom.

Justinus levert eigenlijk de mooiste en verst doorgevoerde argumentatie. Voor hem zijn de profetieën die naar Jezus verwijzen niet alleen een verwijzing naar een bovennatuurlijke waarheid, maar ook naar een historische waarheid, die voor alle volkeren geldt. De Openbaring krijgt zo een uitleg vanuit de hele wereldgeschiedenis. Daarmee heeft Justinus een enorm belangrijk idee gelanceerd dat door Ireneüs tot volledige ontplooiing gebracht zal worden. Het gebruik van de profetie is een theologische prestatie van de apologeten. Er kleeft echter één nadeel aan, In latere tijden kom het Christelijk tijdgevoel door een mystieke uitleg van de profetie te eenzijdig op het nu gericht zijn.

2.2.1.3 De logos-theologie

Twee zaken hebben een bijzondere betekenis in de geloofsverantwoording van de apologeten: a. het theologoumenon van Justinus die de deelname van de mensheid aan de Logos-Christus leert en b. de verrijking van de Christologie met het Logos-predikaat.

Justinus legt een verbinding tussen het menselijk verstand (λογος) en de persoonlijke openbaringslogos van het N.T. (=Jezus Christus). Zo wordt de Openbaring van het N.T. gelded voor alle mensen. iedere mens draagt in zich een kiem (σπερμα) van de Logos.

De apologeten onderlijnen m.n. het belang voor het Christendom voor de hele wereld. De tijd van de apologeten is ook de tijd van de eerste martelaarsacten.

2.3 Geschriften uit het leven van de jonge gemeenten uit de 2de en 3de eeuw.

2.3.1 Diverse geschriften.

Onder deze hoort de Traditio Apostolica (ca 215) van Hippolytus. Die hierin m.n. het leven, liturgie en gebruiken in de jonge Kerk beschrijft.

De Didaskalia geschreven door een onbekende bisschop uit de eerste helft van de derde eeuw, waarschijnlijk voor een heiden-Christelijke gemeente uit Syrië. Grieks origineel verloren.

2.3.2 De oudste doopsymbola.

Reeds in het N.T. vinden we min of meer formele geloofsbelijdenissen of symbola, in Jezus als de Christus (Hand. 8,37) of de Heer (1 Kor. 12,13; Rom. 10,9; Fil. 2,11) en zijn heilswerk (1 Ko. 15,3v).[2] Ook belijdenissen die de Vader en Jezus tezamen noemen (1 Kor. 8,6), soms ook met de H. Geest (2 Kor. 13,14; 1 Kor. 12,4). Deze teksten zijn nog geen bewijs voor het bestaan van apostolische geloofsbelijdenissen. De eerste vaste tekst dateert uit het midden van de 2de eeuw. Doopbelijdenissen in vraagvorm (met drie vragen) zijn het oudst, we vinden ze bij Justinus, Ap. 61; Ireneüs, Epideixis 3; Tertullianus, de spec. 4; de bapt. 2; cor. 3; adv. Prax. 26; Hippolytus, Trad. ap. 21; Cyprianus, Ep. 69,7; Dionysius van Alexandrië (in Eusebius, H.E. 7,9); later ook bij Ambrosius, de Sacr. 2,7,20 en in het Sacr. Gelasianum n. 449.

Het oudste aanduiding voor het bestaan van het zogenaamde Symbolum apostolorum, (men dacht dat het van de apostelen zelf kwam) vinden we op het eind van de 4de eeuw (Ambrosius, ep. 42,5; Rufinus, comm. in symb. apost.).

We vinden de tekst al eerder bij Hippolytus (trad. ap. 21), maar dan in zijn persoonlijke versie ervan. Toch bestond de officiële tekst reeds in het begin van de derde eeuw. We vinden de Griekse tekst bij Marcellus van Ancyra in een brief aan paus Julius (ca 340; bij Epifanius, Haer. 72,3). In het midden van de 3de eeuw bestond er ook een Latijnse versie. In het westen wordt deze versie standaard, in het oosten blijven meerdere versies circuleren.

2.3.3 Oude preken.

Hieronder valt bv. 2 Clemens (Eusebius, H.E. 3,38,4). Het is de oudste preek van de jonge kerk die bekend is. Hij stamt vermoedelijk van vóór 150.

De paaspreek van Melito van Sardes (+160-190). Door papyrusvondsten hebben we weer de volledige tekst. De rest van zijn werken die opgesomd worden door Eusebius zijn verloren gegaan.

2.3.4 Martelaarsacten.

De martelaarsacten van tijdgenoten die historisch betrouwbaar zijn, in tegenstelling tot latere martelaarslegenden vanaf de 4de eeuw kan men in twee groepen verdelen: martyrium of passio: bericht over het lijden of de acta, het protocol van hun proces. (hierover verder meer)

2.3.5 Minucius Felix.

De eerste Latijnse auteur is Municius Felix, een Romeinse advocaat, van wie de dialoog Octavius (ca 200) overgeleverd is, een filosofische behandeling van het Christendom gericht aan heidenen. Het werk is afhankelijk van Tertullianus, Ad Nationes.

2.3.6 Tertullianus.

Tertullianus (160-na 220). Hij keerde rond 195 als bekeerde Christen uit Rome terug naar Carthago, waar zijn rijke auteurswerk voor de Kerk begon. Hiëronymus (Vir. ill. 53) bericht dat hij priester was, hetgeen waarschijnlijk niet waar is. Ten laatste in 207 trad hij uit de Kerk. Hij is de origineelste en na Augustinus ook de meest individueel denkende kerkelijke scrhijver uit het Westen. De datering van zijn werken is moeilijk. Meestal moet men zich tevreden stellen met te bepalen of ze uit zijn katholieke dan wel zijn montanistische tijd zijn.

2.3.7 Hippolytus.

Hippolytus (+ Rome ca 235). Hij werd vóór 160 in het Griekse Oosten geboren. Hij zou zolens Photius een leerling van Ireneüs zijn en priester in Roem onder paus Victor (189-198). Hij leerde een subordinationisme als bestrijding van het modalisme. In 235 werd hij “tegenpaus” van paus Pontianus, onder de vervolging van Maximus Thrax. Pontianus deed tijdens zijn leven afstand. Men koos Antherus. Het kan zijn dat hierdoor het schisma beëindigd werd. Ze werden beiden naar Sardinië verbannen, waar zij zich waarschijnlijk verzoend hebben. Zij zijn beiden de marteldood gestorven. Zijn werken zijn m.n. verzamelingen van theologische meningen enz. Hij is niet zo een zelfstandig denker.

2.3.8 Pausbrieven uit de 3de eeuw.

We bezitten brieven van de pausen Callixtus (217-222), Pontianus (230-235), Cornelius (251-3), Lucius I (253-4); Stefanus I (254-7); Xystus (=Sixtus) II (257-8); Dionysius (259-68).

2.4 De eigenlijke kerkvaders.

Het zich uitdrukkelijk beroepen op het getuigenis van het verleden, d.w.z. de voorgangers (m.n. vroegere bisschoppen) vinden we pas vanaf de vierde eeuw wat regelmatiger. Vanaf die tijd werd het begrip “vader” steeds meer gebruikt. Nl. de vader is verwijst naar de vorige generatie, de opvoeder, de traditie, het gezag … . De meeste kerkvaders zijn bisschoppen. Er zijn echter ook enkele priesters (Hiëronymus) bij, een diaken (Efrem de Syriër) en één leek bij (Prosper van Aquitanië). Een opsomming (vet gedrukt zijn de belangrijksten):

  • Westen:
  • Cyprianus (+258)
  • Ambrosius (339-397)
  • Augustinus (354-430)
  • Hiëronymus (347-420)
  • paus Leo de Grote (440-461)
  • paus Gregorius de Grote (590-604)
  • Oosten:
  • Clemens van Alexandrië (140/150-216/7)
  • Origines (185-254)
  • Athanasius (ca 295-373)
  • drie Cappadociërs:
  • Basilius de Grote (329-379)
  • Gregorius van Nyssa (334-394)
  • Gregorius van Nazianze (330-390)
  • Johannes Chrysostomus (344/354-407)

De tijd van de kerkvaders (patristische tijd) eindigde omdat er geen grote theologen meer waren.

3 Voetnoten

  1. Diverse auteurs maken andere indelingen, vgl. Althaner, 43-44.
  2. Altaner, 85-87.

Bron : Apowiki

Ireneüs van Lyon: het begin van de theologie.

Ireneüs van Lyon: het begin van de theologie.

Ireneus van Lyon5.jpg

 

 

 

 

Bij Ireneüs ontstaat voor het eerst de theologie in zijn confrontatie met de gnosis. Hij is de eerste die zowel O.T. als N.T. gebruikt in zijn uiteenzettingen over het geloof. Hij behandelt voor de eerste maal systematisch de belangrijkste onderdelen van het geloof.

1.1 Zijn leven.

Ireneüs werd rond 140 geboren in Klein-Azië. In Smyrna was hij een leerling van Polycarpus (+156), een leerling van de apostel Johannes. In 177 was hij priester in de kerk van Lyon. Vermoedelijk is hij op weg daarheen een tijdje in Rome geweest. In 177-178 volgde hij bisschop Photinus op als bisschop van Lyon, na diens marteldood. Of hij zelf in 202 als martelaar gestorven is, is niet zeker. Dit wordt pas voor de eerste maal vermeld bij Gregorius van Tours (538-594). Zijn verdiensten zijn: de missie in Gallië; het sluiten van vrede in strijd om paasfeest (190-200) en zijn optreden tegen het gnosticisme. Van Ireneüs’ geschriften zijn er slecht twee volledig overgeleverd: Adversus Haereses (= A.H.) (Tegen de dwaalleren) (180-90) en Demonstratio Praedicationis Apostolicae (=D). Van dit laatste werk was tot 1904 slechts de titel bekend.

1.2 Ireneüs’ tegenstanders.

Ireneüs’ werk is ontstaan als een kerkelijke verdediging tegen het Christelijk gnosticisme dat net zijn bloeiperiode kende. Zijn belangrijkste tegenstanders heetten Valentinus en Marcion.

1.2.1 Valentinus en het gnosticisme.

De in Egypte geboren Valentinus (90-160), was volgens de traditie van het Valentinianisme een leerling van Theudas, die op zijn beurt een leerling van Paulus was. Valentinus ontmoette deze Theudas rond 110 en stichtte na een visioen van het Jezuskind een school in Alexandrië. In 139 kwam hij naar Rome waar hij nog een school stichtte. Het gnosticisme kwam vanaf het begin van de tweede eeuw op vanuit het oosten en het verspreidde zich redelijk snel over de hele wereld. Als groep hield men zich op binnen de Kerk, maar men had eigen gebruiken, diëten, … . Het gnosticisme huldigt een onbekende God, die slechts door enkele uitverkorenen, immanent gekend kan worden: het heil en de verlossing van de mens vindt nergens anders plaats dan in zijn eigen kennis van het goddelijke. Het gnosticisme staat daarbij afkerig tegenover de materiële wereld. Het zogenaamde Christelijk gnosticisme wordt gekenmerkt door de overname binnen het gnostische systeem van Christelijke elementen. Valentinus heeft ongetwijfeld de geniaalste compositie gemaakt. In zijn Evangelie van de waarheid dicht hij in een hymnische taal een gnostische mythe die het hele bestaan en de verlossing van de mens verklaart. Dit alles is ingekleed met Christelijke elementen en beelden uit de hellenistische en klassieke filosofie en mythologie. Door zijn genialiteit spreekt deze syncretistische leer erg aan bij zijn tijdgenoten, die in een neo-Platoonse sfeer naar wijsheid en kennis zochten. Evenals Plato zochten zij bij moeilijkere onderwerpen hun toevlucht en uitkomst in mythische omschrijvingen. De leerlingen van Valentinus vallen al vrij spoedig uiteen in verschillende groepen. Een korte schets van zijn leer kan hier volstaan. De godheid bestaat uit een serie van emanaties, voortvloeiend uit een ongeworden oergrond. Deze emanaties gebeuren paarsgewijze, volgens het schema man-vrouw, het vrouwelijke element is inherent aan het mannelijke. Het allereerste paar bestaat uit de oergrond (afgrond, vader) waarin een volledige stilte rust. Hieruit vloeien drie paar eenheden (syzygiën) voort: de Nous (eniggeboren Zoon) waarin de waarheid zetelt, de Logos (Woord) die zich uit in het leven, en de ideale mens die geïnitieerd is in de (gnostische) kerk. Deze achtheid ontvouwt zich in 30 eonen, de laatste eoon is de wijsheid, de oorsprong van alle kwaad.

Het Valentinianisme bleef steeds een kleinere groep tot die verdween in de 7e eeuw.

1.2.2 Marcion.

In juli 144 werd Marcion (ca 85- ca 160) uitgesloten door de Kerk te Rome. Daarna ging hij actief propaganda maken tegen de Kerk. Reeds vanaf 139 had hij zijn eigen leer ontwikkeld in Rome en een nieuwe H. Schrift naar eigen inzichten samenstelde. Zijn leer is gekenmerkt door een Bijbels antinomisme, of overdreven paulinisme: Evangelie tegen de wet, door de leer van twee verschillende goden in O.T. (de demiurg van de materie, de geesten en het kwaad) en N.T. en het afwijzen van het O.T., door docetisme en ook door een afkeer van de materiële wereld, van het huwelijk, strenge vasten en ascese en bereidheid voor de marteldood. Jezus is enkel een verschijning van de vreemde God, in een schijnlichaam, hij is niet geboren, maar als volwassene verschenen (modalisme).

1.2.3 De Ebionieten.

Dit is een Joods-Christelijke sekte, die ontstond uit de Joods-Christelijke groep die in 66/67 ontstond door uitwijking van Jeruzalem naar Pella. Het ontstaan van de groep en zijn geschiedenis is grotendeels onbekend. De naam “ebonieten” komt van de aanduiding van de Christen als de “armen” (πτωχοί = םי) (vgl. Rom. 15,26; Gal. 2,10) of van de oergemeente in Jeruzalem die deze terminologie voor zichzelf gebruikte. Sinds Ireneüs duidt men deze groep met Ebionieten aan. Voor hen is Jezus de Messias. Hij is echter gewoon de zoon van Jozef en Maria op wie de H. Geest neerdaalde bij zijn doopsel. Jezus is niet zozeer onze verlosser voor hen, maar het voorbeeld van hoe wij moeten leven. Zij houden bv het onderhouden van de wet van Mozes voor heilsnoodzakelijk en vieren naast de zondag ook de sabbat. Zij onderhielden naast de Christelijke gebruiken, ook een aantal Joodse gebruiken, zoals de besnijdenis. Zij verwierpen het hele offer- en priesterwezen, het eten van vlees. Zij kenden dagelijkse rituele doopbaden en sacrale maaltijden. Zij zuiverden de Pentateuch naar eigen inzicht van “valse” perikopen, verwierpen de Paulus-brieven als apostatisch en herschreven het Evangelie van Matteüs.

1.3 De apologetiek van Ireneüs

Ireneüs heeft een enorme betekenis voor de theologie omdat hij (1) als directe weerlegging van de eigenzinnige ‘valselijk genoemde gnosis’ de leer van de kerkelijke traditie uitgewerkt en (2) een leer van de heilseconomie uitwerkt. Het is duidelijk dat Ireneüs ideeën van zijn voorgangers gebruikt, m.n. dan van Justinus. Vóór alles is Ireneüs theologie gebaseerd op en gerelateerd aan de H. Schrift.

1.3.1 Zijn verstaan van de H. Schrift.

Voor Ireneüs levert de Schrift de mogelijkheid om de orthodoxe Christenen te versterken in hun geloof, door aan te tonen dat de gnosis niets met het overgeleverde geloof te maken heeft. In de grond had de Schrift geen betekenis voor de gnosis. De interesse van het gnosticisme voor de Schrift was m.n. een gevolg van de nood aan zelfbevestiging als ook een manier om zich ertegen af te zetten. In feite kende de gnosis geen ander criterium dan zichzelf. Meestal volgden de gnostici een of ander “schoolhoofd” soms ook een geschreven tekst zoals het Evangelie van de Waarheid van Valentinus. De gnosticus kan, doordat hij het pneumatische orgaan voor de volle kennis (gnosis) heeft, in iedere tekst de ware betekenis vinden, die enorm kan verschillen van de betekenis die die tekst voor niet-ingewijden heeft. De gnostici noemen hun methode van exegese zelf: allegorie. Bedoeld hiermee is dat zij hun eigen gedachtegoed proberen terug te vinden in vreemde (d.w.z. niet-direct gnostische) teksten, het is ook wezenlijk een misverstaan en willen misverstaan van die andere tekst of van de erin bedoelde historische werkelijkheid. Het gnosticisme kent bv. heel wat O.T.ische namen, die zelfs een soliede verankering in hun systeem gevonden hebben, maar toch staat het over het algemeen negatief tegenover het O.T. omdat ze de Joodse wereldgod en de schepping door God afwijzen. Schepping is in hun opvatting het werk van de demiurg (vgl. Plato). De Valentinianen staan niet helemaal afwijzend tegenover het O.T., ze leren namelijk dat het zogenaamde zaad (sperma) veel gezegd heeft door de mond van de profeten en door de moeder. Het N.T. daarentegen was onvervangbaar voor de christelijke gnosticisten, want het grootste deel van de “gnosis” is volgens hen pas bekend geworden door Jezus Christus. Door de vaagheid van hun leer en door het gebruik van een allegorische methode van exegese zijn de gnostici erg willekeurig in hun exegese. Ireneüs verwijt hen hun willekeur. Hij verdedigt de autoriteit van de hele Schrift. Hij insisteert op de sufficiëntie van de Schrift: er is geen geheime Openbaring nodig. De gnostici trokken zich vaak terug in hun eigen bolwerk van dogmata en stelden zich zo boven de apostelen en de Schrift. Ireneüs leert de letterlijke interpretatie en ook dat men onduidelijke teksten met duidelijkere moet vergelijken. Ondanks zijn protest tegen de allegorie gebruikt hij ze zelf vaker. Zijn protest richt zich uiteindelijk tegen de hoogmoedige houding van de gnostici tegenover God, wereld en Schrift. De volledige kennis van de dingen van God en Schrift is onmogelijk voor een mens, daarom zijn Kerk en Traditie noodzakelijk. Ireneüs is de eerste die de hele Schrift gebruikt. Voorheen werd in orthodoxe kringen enkel het O.T. als de Schrift gezien. Hij doet dat tegenover Marcion die snoeit in het N.T. om daarin Joodse invloeden te schrappen. De Ebionieten hielden enkel een gezuiverd Matteüs-evangelie en wezen Paulus af. De gnostici hielden ook eigen evangelies, zoals het Evangelie van de waarheid Valentinus en het Evangelie van Judas. Wanneer de schriftargumentatie in hun nadeel uitvalt dan trekken zij zich terug in hun eigen bolwerk van eigen dogma’s, waardoor ze zich boven de traditie, de apostelen en de Schrift stellen. Ireneüs insisteert op de sufficiëntie van de Schrift. Hij stelt dat de zin ervan “helder en duidelijk” is en dat voor de interpretatie geen geheime openbaring nodig is, noch de hulp van gnostische meesters. Hij legt de nadruk op de helderheid en eenheid van de Schrift. Hij baseert zich op de heldere stukken van de Bijbel en niet -zoals het gnosticisme- op de parabels of verborgen dingen. De bijbel heeft zijn gezag uit zichzelf. De Schrift is de absolute regel van de waarheid. Om de Schrift te verklaren neemt Ireneüs zijn toevlucht met name tot een filosofische interpretatie. Hij wil vertrekken van de letterlijke betekenis van een woord, die hij eventueel verduidelijkt aan de hand van paralleltesten, als reactie op de willekeur van de gnostische methode. Daarbij is hij niet vrij te pleite van “fouten”. Hij past de tekst soms aan aan zijn eigen inzichten met behulp van deze methode. Ondanks zijn hevig protest tegen de allegorische methode van het gnosticisme neemt Ireneüs vaker zijn toevlucht tot dezelfde methode zonder de methode deze naam te geven. Uiteindelijk richt Ireneüs’ protest zich tegen de hoogmoedige houding van de gnostici tegenover God, Kerk, wereld en Schrift. Hij stelt dat de volledige kennis van de dingen van God en de Schrift onmogelijk is voor een mens. In de Bijbel wordt aan de menselijke weetgierigheid een beperking opgelegd. Daardoor zijn Kerk en traditie noodzakelijk.

1.3.2 De kerkelijke traditie.

Voor het gnosticisme is de traditie een zeer complex gegeven. De Heer, de oorsprong van de traditie(s) had zelf al een samengestelde natuur. Hij sprak bijgevolg woorden die voortkwamen uit verschillende bronnen, met ieder hun eigen waarde en interpretatie. Volgens de gnosis gaf Jezus een dubbel onderricht: aan de apostelen verkondigde Hij de God van de Joden, terwijl Hij de Openbaring van de onbekende God (Zijn Vader) voor de ingewijden reserveerde. De apostelen hadden daardoor geen idee van de God die hoger was dan de God van de Joden, noch van het pneumatische zaad (een deel van de goddelijke substantie) waardoor de ingewijden gevormd werden. Pas vrij laat na Pinksteren zouden de apostelen deze geheime Openbaring ook gekregen hebben. Ireneüs’ taak is het benadrukken van de eenheid van de traditie. Hij kan dit slechts doen in een schema, waarin de traditie organisch verbonden is met haar drager, de Kerk, met haar kenmerken van “eenheid, heiligheid, apostoliciteit en katholiciteit”. De apostelen zijn de drager van de traditie. Eerst hebben we de mondelingen verkondiging van Jezus gehad, later gaf Hij de opdracht aan de apostelen om te verkondigen. Jezus heeft gewild dat de mondeling traditie eerder was dan de schriftelijke. Zoals de grote filosofen die hun leerlingen persoonlijk vormden, heeft Jezus een groep leerlingen verzameld, die Hij in de kleine alledaags dingen heeft doordringen met Zijn geest. De mondelinge traditie zou zelfs indien de Schrift zou ontbreken een zekere regel voor het geloof zijn. Ireneüs insisteert op het belang van de apostelen en van de Kerk die de grondslag zijn van de Waarheid. Hij beroept zich o.a. op: “Wie naar u luistert, luistert naar Mij; en wie u verstoot, verstoot Mij, Wij Mij verstoot, verstoot Hem die Mij gezonden heeft” (apostoliciteit) (Lc. 10,16). Jezus heeft gewild dat de mondelinge traditie eerder was dan de schriftelijke. De traditie is niet verborgen maar voor ieder toegankelijk in de Kerk (katholiciteit) De traditie is niet verborgen maar voor iedereen toegankelijk in de Kerk. “Zij die de waarheid van het geloof willen zien kunnen in heel de kerk de traditie van de apostelen beschouwen”. Zo beklemtoont hij de algemeenheid (katholiciteit) van de traditie tegen de vele geheime openbaringen van de gnostici en tevens de apostoliciteit. In de Kerk wordt de traditie bewaard door de continue keten van bisschoppen die de apostelen opvolgen. De Kerk is een sociologisch gegeven, ze is alles behalve een louter geestelijke aangelegenheid, die wordt duidelijk door haar organisatie en door de opvolging van de bisschoppen in de verschillende kerken. Rome is de enige Kerk waarvan Ireneüs de volledige bisschopslijst geeft. Zij is de bevoorrechte getuige van de traditie. Dit is vooral te danken aan haar stichting door Petrus en Paulus. In een lange verhandeling aan de hand van de Hand. en de brieven van Paulus waarin sprake is van Petrus, tracht Ireneüs de autoriteit van Petrus te funderen. Kerk en traditie hebben echter geen recht of reden om te bestaan zonder de H. Geest. Tegen de gnostische opwerpingen dat de apostelen aanvankelijk nog niet de volmaakte kennis hadden argumenteert Ireneüs vanuit de Schrift met teksten die spreken over de gave van de H. Geest. “Want nadat onze Heer verrezen is uit de doden en zij ‘met de kracht uit den hoge door de plotse komst van de H. Geest; (Lc. 24,49) werden bekleed, werden ze vervuld met alle gaven en hadden ze de ‘volmaakte kennis’ (Hand. 2,4)”. Ook Jezus zelf gaf geen dubbel onderricht aan de apostelen. Zij hebben immers zelfs hun leven gegeven voor deze leer. De prediking van de apostelen wordt gerechtvaardigd door de komst van de H. Geest en door dezelfde Geest wordt hun verkondiging intact bewaard in de kerk. De geest zorgt ook voor de eenheid van de openbaring doorheen heel de geschiedenis. In III,24,1 lezen we dat het leven van de individuele Christen en van de hele Kerk voortkomen uit de “overdracht van de waarheid” en dat de Geest aanwezig is in het verkondigde geloof. Het leven is niet onderscheiden van het geloof, dat voortkomt uit de overdracht van de leer:

1.3.3 Zijn godsleer.

1.3.3.1 De ene God.

Het gnosticisme en m.n. Marcion spreken over twee goden: de kwade god uit het O.T. en de goede god uit het N.T. . Ireneüs moet de identiciteit van beide aantonen. Om dit doel te bereiken moet hij de eenheid van de Schrift en de Traditie aantonen. Zijn uitgangspunt is de H. Schrift. Zij het dat er nog geen duidelijke canon bestond. Heel de geschiedenis van de Schrift: profeten, apostelen en Jezus ziet hij als een hechte eenheid. Zijn conclusie zal dan ook de volgende zijn: “Al dezen (evangelisten en apostelen) hebben ons de volgende leer overgeleverd: één God van hemel en aarde, aangekondigd door de wet ene de profeten, en één Christus, de Zoon van God”. Hierbij worden voor de eerste maal in de geschiedenis de teksten van het N.T. geanalyseerde en van commentaar voorzien, waarbij ze dezelfde autoriteit genieten als het O.T. . Een prachtig staaltje van zijn exegetisch kunnen toont hij in zijn uiteenzetting. Hij begint bij de profetische uitspraken over God en gaat verder met de brieven van Paulus en de woorden van Jezus. De hechtheid van het geloof in de éne God van het O.T. en N.T. kan hij zo vaststellen in Schrift en traditie, en a fortiori in de vier evangelies die in feite maar één evangelie zijn. De zekerheid van de eenheid van God, voortvloeiend uit de eenheid van Schrift en traditie, wordt nog bevestigd door het getuigenis van Petrus in Hand. 1-5,10. Andere argumenten voor de eenheid van God haalt Ireneüs uit de getuigenissen van Filippus (Hand. 8, 27-40), van Paulus te Damascus (9,20), op de Areopaag (17,24-31) en te Lystra (14,8-17), ook uit het getuigenis van Stefanus (7) en van het concilie van Jeruzalem (15,6-29). God is ook de Drie-ene God zoals wordt overgeleverd in de traditie en zoals geschreven staat in de H. Schrift: “’Eén God en Vader van allen die is boven allen en met allen en in allen’ (Ef. 4,6). Want boven allen is de Vader, maar met allen is het Woord, want het is door zijn tussenkomst dat alles geschapen werd door de Vader’; maar in ons allen is de Geest, die roept ‘Abba, Vader’ (Gal. 4,6; Rom. 8,15) en die de mens vormt tot gelijkenis van God…”. Alhoewel Ireneüs vele trinitaire teksten heeft weigert hij speculaties op vlak van de Triniteit. Hij houdt zich aan de bijbelse taal.

1.3.3.2 De kennis van God.

Voor het gnosticisme was God totaal onbekend (ἀγνωστος). De gnosis gaat veel verder dan de Bijbelse verborgen God of de moeilijk te kennen Platoonse God. Zij huldigt een radicaal dualisme tussen God en de wereld, bijgevolg kan God enkel via de demiurg gekend worden, zodat alleen de ingewijde tot de kennis van God kan komen. Voor Ireneüs heeft de geschiedenis als geschiedenis de taak om God te doen kennen, bovendien is de eenheid van de geschiedenis ook nog een argument voor de eenheid van God, immers de ene God is nodig om ervoor te zorgen dat de geschiedenis geen zinloze verzameling van losse feiten wordt. Voor Ireneüs is de openbaring van God in de geschiedenis dé weg waarlangs de mens de wel en de eigenschappen vang God kan kennen. De Demonstrationes is het boek dat de lijn van de heilshistorie schildert, van de profeten tot de Zoon. De hele heilseconomie is een zichtbaar-worden van God. “Eerst werd Hij in de Geest profetisch gezien, dan door de tussenkomst van de Zoon, zoals het aangenomen kinderen toekomt, in het hemelrijk zal Hij gezien worden al Vader. De Openbaring is verbonden met alle ogenblikken waarin God zichzelf liet zien. Ireneüs huldigt hierbij een zekere dialectiek: de proefeten zagen God en tegelijk zagen ze Hem niet. Deze beperkingen moeten Gods transcendentie vrijwaren. Dit zien van God is geen louter theoretisch gebeuren, maar een echt levengevend gebeuren waarin de H. Geest een centrale rol speelt. Het is geen immanent gebeuren, zoals in de gnostische systemen. Immers dit zien gebeurt met de aardse ogen die door de genade versterkt zijn. dit laatste ie een Christelijke aanpassing van de neo-Platoonse θεωρίa. Het aanschouwen is de weg en het doel van hen die naar God toegaan, daarom kan het werk van de rede niets anders zijn dan voorbereiding op de aanschouwing. Het geloof kan hierbij niet worden weggecijferd.

1.3.4 De Christologie.

Binnen het gnosticisme zijn er verschillende leren over Christus. Maar allemaal zijn ze docetistisch. Er is een hoogste “geestelijke” Christus, een emanatie van de hoogste God. Hij is in een schijnlichaam naar beneden gekomen. Hij is onder ons verschenen, gehuld in ‘geestelijke elementen’, zonder materie, want deze laatste is in wezen slecht. Het moment van Zijn nederdaling is voor de een in de kribbe, voor de ander bij de doop in Jordaan. Voor de Valentinianen is de geestelijke Christus de Zoon van de God van de Joden, die “door Maria gegaan is als door een buis”. Ebionieten houden hem voor een louter menselijk wezen, geboren uit Maria en Jozef. Voor alle gnostici heeft de geestelijke Christus zich losgemaakt van Jezus bij de passie. Ireneüs toont aan dat het Woord van God waarlijk vlees geworden is en dat de mens Jezus God is.

1.3.4.1 Christus, het Woord van God is waarlijk vlees geworden.

Het belangrijkste argument om dit te bewijzen ontleent Ireneüs aan het begin van het Johannes-evangelie. Hij stelt: “Met de woorden van Johannes zelf hebben wij alles bewezen”. Het begin van het Matteüs-evangelie: “Geslachtslijst van Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham (1,1) ziet hij als een bewijs voor zijn waarlijk mens-zijn en Mt. 1,20-23: “het kind in haar schoot is van de H. Geest” als een bewijs voor Zijn godheid. Andere schriftargumenten haalt hij uit de brieven van Paulus, vooral Rom. en Gal, uit Mc. 1,1, Lc. en uit de brieven van Joh.. De gnostische opvatting dat de hoogste Christus neergedaald is op de geestelijke Christus in de vorm van een duif bij de doop in de Jordaan wordt weerlegd door erop te wijzen dat de Geest die bedoeld is in Mt. 3,16 (Hij zag de Geest Gods neerdalen in de gedaante van een duif en over zich komen), de H. Geest is. Na zijn uitgebreide schriftargumentatie spreekt Ireneüs over het motief van de incarnatie: alle mensen moeten gered worden en dit kan alleen gebeuren door de éne Christus. Om dit te bevestigen onderzoekt Ireneüs de woorden van de Heer en van de apostelen en hij besluit zijn betoog dan met een samenvatting van de nieuw-testamentische leer, waarbij hij zonder de latere technische termen te gebruiken, het Woord schildert als één persoon met twee naturen.

  • “Want als het geen mens zou zijn, die de vijand van de mens had overwonnen dan zou de nederlaag van deze vijand niet rechtvaardig zijn; als van de andere kant iemand anders dan God ons het heil zou gegeven hebben, can zouden wij het niet op zekere wijze bezitten. En als tenslotte de mens niet in eenheid met God geplaatst was, zou hij nooit deel kunnen hebben aan de onvergankelijkheid.”

1.3.4.2 De mens Jezus is God.

Dit moet hij niet verdedigen tegen de Valentinianen wel tegen Joden en Ebionieten hierin Ireneüs in verlengde van Justinus’ Dialoog met de jood Tryphon. Ireneüs neemt in III,19,1-21,9 niet meer het woord (λογος) maar de mens Jezus als uitgangspunt. Justinus heeft deze kwestie al uitvoerig behandeld. Ireneüs herhaalt het motief van de incarnatie: “Daarom is het Woord van God mens geworden en de Zoon van God mensenzoon geworden: opdat de mens in gemeenschap treedt met het Woord van God en door de aanname (adoptie) zoon van God wordt (vgl. Joh. 1,12)”. Door de profetische voorspellingen wordt bewezen dat de Jezus die door de profeten voorspeld is, het Woord is dat van vóór alle eeuwigheid bestaat.

  • “De H. Schrift geeft een dubbel getuigenis over Hem: enerzijds is Hij ‘mens’, ‘zonder eer’, ‘onderworpen aan het lijden’, ‘gezeten op het jonge van een ezelin’, met ‘azijn en gal gelaafd’, ‘veracht’ door het volk en ‘vernederd tot de dood’. Anderzijds is Hij de ‘Heilige Heer’, de ‘Wonderbaarlijke’, de ‘Raadgever’, ‘Schitterend door schoonheid’, ‘sterke God’, ‘Hij zal komen op de wolken gezeten’ als ‘Rechter’ van het heelal. Al deze dingen zijn over hem gezegd in de Schriften”.

Twee tekens heeft God gegeven in Zijn goedheid die verwijzen naar Zijn Zoon met “twee naturen”: de Emmanuelprofetie (Jes. 7,10-16) en het teken van Jona (Jon. 1,1v). De noodzaak om verlost te worden toont Ireneüs aan aan de hand van Paulus en de profeten die hun wijsheid van Christus gekregen hebben.

1.3.5 Zijn theorie van de “recapitulatio”.

De theorie van de “recapitulatio” (ἀνακεφαλαιοσις) is een prachtig voorbeeld van de kracht van Ireneüs’ denken. Hij ziet hierin de hele wereld en zijn geschiedenis in één grote eenheid tezamen. Het geloof verbindt Ireneüs met de geschiedenis. Hij maakt er een apologetische constructie van. Uit deze grootse constructie is de eenheid van de wereld- en heilsgeschiedenis (m.n. door het verbond met Abraham en Noach), van de H. Schrift en van de traditie af te lezen en daarmee is ook de mogelijkheid voor allen gegeven om God en Christus te kennen en om te verwijzen naar hun beider eenheid. In grote lijnen kunnen we de leer van de “recapitulatio mundi” als volgt schetsen: Christus is de volheid der tijden en het culminatiepunt van de mensengeschiedenis. In Zijn hele levensloop, van geboorte tot verrijzenis, vat Jezus de heilsgeschiedenis samen. Jezus vervult de geschiedenis en “bundelt het voorbijgaande samen tot één wezens- en zineenheid.” “Op de ‘recapitulatio’ heeft Christus het hele mensengeslacht, de hele schepping van meet af aan gericht.” De recaputulatio van de Adam gevallen mens gebeurt door genadevolle vernieuwing en herstelling (in Christus) en wordt uiteindelijk volledig voltooid bij de verrijzenis van het lichaam. De komst van Gods Zoon en de daardoor ontstane verwantschap tussen God en mens is het begin van de eschatologische recaputulatio.”

1.3.5.1 De incarnatie.

De theorie van de ‘recapitulatio’ gebruikt Ireneüs om de incarnatie van Christus te schilderen in het geheel van de heilsgeschiedenis. Ireneüs veronderstelt een overeenkomst tussen Adam en Christus, de nieuwe Adam, en tussen Eva en Maria. “Heel zijn werk, dat Hij van te voren heeft gemaakt, heeft Hij ‘in Christus onder één hoofd gebracht’ (Ef. 1,10)” “De eerste Adam is geboren uit de maagdelijke aarde, de tweede uit een maagd. Zelfs Zijn wijze van ontstaan gebeurt zoals het eerste werk, om het precies zo opnieuw op te nemen om het te ‘herhalen’, dit wil zeggen om het ‘opnieuw op te nemen’ in zich”. Wat bij de eerste Adam verloren ging moest de tweede redden, daarom heeft God de Schepper aan de ‘gelijkenis’ tussen hen beiden vastgehouden, ook in het ontstaan. De waarheid van de incarnatie -tegen het docetisme- wordt bevestigd door de schriftteksten die Ireneüs citeert, vooral komen ze weer uit de brieven van Paulus en uit de evangelies. Het hoogtepunt van de verlossing en van de incarnatie is het lijden (vgl. D. 25). Aan de hand van vele schriftcitaten schildert Ireneüs de parallel tussen de beide Adams door de overeenkomst tussen Eva en Maia. Omdat de mensheid niet buiten de volheid van God gesloten is, maar door Zijn goedheid en geduld wordt verder gedragen, daarom kan een schepsel ook God dragen. Zo kan men begrijpen dat het voor Ireneüs niet slechts een vrome wens, maar een theologische noodzaak is, dat de eerste Adam werkelijk gered is. Daarom wijdt hij een heel hoofdstuk aan de realiteit van de erfzonde, de positieve en universele heilswil van God en de uiteindelijke redding van Adam.<

1.3.5.2 Kosmo-(theo)-logie en anthropologie.

Kosmologie en antropologie zijn nauwelijks te scheiden bij Ireneüs, want deze wereld heeft slechts zin doordat hier de mensen leeft, die doorheen de hele geschiedenis naar God gevoerd wordt. Beide themata moeten daarom samen behandeld worden. De gnosis huldigt haar onbekende God, die niets met de wereld te maken heeft. De wereld is een minderwaardig product van een lagere godheid: de demiurg of de God van de Joden. Voor Ireneüs is God, de onmeetbare en verborgene, de schepper van de wereld. Zijn verhouding met deze wereld is wezenlijk trinitair, met Zijn “beide handen”, de Zoon en de Geest heeft de Drie-ene God deze wereld en de mens geschapen uit liefde. De materiële dingen hebben wel degelijk een echte waarde antwoordt Ireneüs op de gnostische these van de minderwaardigheid van deze wereld. Het duidelijkst wordt dit in de testen waarin hij spreekt over de mensheid van Christus. God en schepping (schepsel) verhouden zich als ‘zijn en worden’, als ‘eeuwigheid en tijd. God is zijn en daardoor eeuwig; de mens, het wordende schepsel -dat noodzakelijk begin, midden en einde heeft- is wezenlijk op God aangewezen en heeft Hem nodig. Dit onderscheid, tussen God en wereld, werkt zo diep door bij Ireneüs dat het Griekse onderscheid tussen materie en geest erbij verbleekt. God is absoluut onkenbaar als Hij zich niet openbaart; deze openbaring gebeurt -parallel met de schepping- door de Zoon en de H. Geest. Ireneüs komt tot deze opvatting door Mt. 11,27: “Niemand kent de Vader tenzij de Zoon en niemand kent de Zoon tenzij hij aan wie de Zoon het wil openbaren”. Ook hier neemt hij zijn toevlucht tot de recapitulatie-theorie. Hierin plaats hij zijn progressief, dynamisch mensbeeld. De mens was bij de schepping volmaakt, “zo was de mens vanaf het begin in staat tot onvergankelijkheid en om te zijn naar de gelijkenis (met God)”. door de zonde van Adam ging deze volmaaktheid verloren, de eerste mens kon de rijkdom van Gods Geest nog niet dragen. De eerste zonde, waarvoor vooral de gevallen Chiliarch (= de engel die voor de mensen moet zorgen) verantwoordelijk is, heeft een verstoring aangebracht in de geschiedenis zonder echter de werkelijke lijn te veranderen. Het wegnemen van de boom des levens is een daad van God, waardoor de mensen de genade krijgt om te sterven (= einde van zijn zondig leven), zo kan de sterfelijke mensen weer hermaakt worden door God in de verrijzenis, ook dan zal de mens bestaan uit lichaam en ziel. De hele geschiedenis en openbaring zijn een opvoeding (παιδεία) van een voor het menselijk geslacht. In deze opvoeding staat de komst van Christus op het juiste ogenblik centraal. Hij neemt de menselijke natuur op zich en herstelt de rijkdom en volmaaktheid van het begin weer. Het aardse bestaan van de mens is slechts tijdelijke en uiteindelijk gericht op de onvergankelijkheid. De vrijheid van de mens sluit de mogelijkheid om te zondigen niet uit. Ireneüs bewijst dat de ene God tegelijk goed is én rechter, aan de hand van de Schrift. Marcion zag in deze “dubbelheid” van God namelijk een argument voor het bestaan van twee goden. Ireneüs benadrukt daarom de universele heilswil van God én de vrijheid van de mens.

1.4 Slotopmerkingen.

Ireneüs leverde een enorme prestatie. Hij behandelt niet alleen grote themata zoals schepping, incarnatie en verlossing, maar hij bestrijkt ook -als eerste- ongeveer het hele terrein van de dogmatiek, aan het “begin” pas van de systematische theologische reflectie. Zo behandelt hij het wezen van de Godmens Jezus-Christus, de relatie van Christus en de Kerk, de rol van de H.- Geest, van Maria, de H. Schrift, het mysterie van de Kerk, de traditie. Verrassend is de bibliciteit en de rijpheid van zijn theologisch denken in zo’n vroeg fase van het theologisch denken.

 

Bron : Apowiki

Theophilus van Antiochië : Verdediging van de scheppingsleer

Theophilus van Antiochië :  Verdediging van de scheppingsleer

theophilus van Antiochië.jpg

Theophilus van Antiochië

1 Literatuur.

  • H.U. Meyboom, De Apologeten III. Theophilus aan Autolycus, Leiden, A.W. Sijthoff’s, 1910. (Ook de gebruikte vertaling komt uit dit boek).

2 Leven.

Theophilus van Antiochië is een vrij onbekende kerkvader, of apologeet. Een van de weinige biografische gegevens uit zijn werken is dat hij pas als volwassen man Christen werd (Ad Autol. 2,24 en 14). Volgens Hiëronymus

Lees verder “Theophilus van Antiochië : Verdediging van de scheppingsleer”

Hemelse Koning,overpeinzingen over de reinheid van het hart – Jim Forest

Hemelse Koning

Overpeinzingen over de reinheid van hart

Lezing gehouden door Jim Forest op 4 oktober 2010

in het klooster New Skete te Cambridge, New York

 

 

 

jim-forest.jpg

Jim Forest

 

 

 

Graag zou ik een van onze meest gebruiktegebeden, “Hemelse Koning”, wat nader willen bespreken waarbij ik speciaal de woorden“reinig ons van alle smet” er uit zal lichten. Hemelse Koning, Trooster, Geest der waarheid,die alom tegenwoordig zijt, en alles vervult,Schatkamer van het goede, en Schenker van het leven, kom en verblijf in ons, reinig ons van alle smet, en red onze zielen, o Goede.Met niet veel woorden – minder dan veertig– is dit een van de oudste Christelijke gebeden. Het is een gebed dat met name met Pinksteren wordtgeassocieerd – de neerdaling van de Heilige Geest,de Geest der Waarheid, op de apostelen – als de volgelingen van Christus uiteindelijk begrijpen waar ze getuige van zijn geweest en welke taak Christus voor hen heeft voorbereid. Het is een gebed dat de meeste Christenen uit hun hoofd kennen en dat thuis gebeden wordt, zelfs in de kortste ochtend- en avondgebeden. Het wordt ook gebeden bij het begin van Proskomedie die vooraf gaat aan de Goddelijke Liturgie. We zeggen en zingen de woorden zo vaak dat ze zichzelf reciteren. Ik vermoed dat een ieder van ons bij dit gebed wel eens een moment heeft gehad dat een bepaalde zin ons als een pijl midden in ons hart raakte. En omdat dit gebed verbonden is met iedere liturgie en met ieder ochtend- en avondgebed, is het een gebed der gebeden, een gebed dat gemeenschap schept. Het gebed doet twee dingen.Ten eerste verwoordt het de focus van al onze gebeden. Het noemt namen. Door de Heilige Geest aan te roepen, worden we eraan herinnerd dat de Heilige Drieëenheid, de gemeenschap van drie Personen in Eén God, de focus en het centrum van ons leven is. Dit is waar ons Christelijk leven om draait. Dit is het gebed dat ons allemaal in hetzelfdeperspectief plaatst.Ten tweede is het een vurig appèl dat alles opsomt waar we naar op zoek zijn. We willen dat God komt en in ons verblijft, dat Hij ons reinigt van alle smet en dat Hij onze ziel redt. Het is een gebed om diepgaande genezing. We kunnen onszelf niet reinigen of onze eigen ziel redden, niet zonder Godshulp. Het eerste gedeelte kan in drie stukken worden verdeeld. Het eerste gedeelte, Hemelse Koning, Trooster, Geest der waarheid, beantwoordt de vraag: “Tot wie bidden wij?”. Het tweede gedeelte, Die alom tegenwoordig zijt, en alles vervult, geeft antwoord op de vraag: “Waar bent U?”. Het derde gedeelte, Schatkamer van het goede, en Schenker van het leven, beantwoordt de vraag: “Wat doet U?”.

Het begin van het gebed herinnert ons eraan dat we geen mensen zonder vorst zijn. We hebben een Vorst, namelijk een Hemelse Koning. Slechts aan deze vorst zijn wij verantwoording schuldig, en zijn geboden hebben voor ons absolute prioriteit. God heeft ons geen wetten in de gebruikelijke zin van het woord gegeven, maar een aantal geboden. Zo is er bijvoorbeeld de Bergrede. Die opent met de Zaligsprekingen, die in de Russische kerk de “geboden van de zaligheid” worden genoemd.

De Zaligsprekingen vormen eigenlijk een zeer korte samenvatting van het Evangelie. Elke Zaligspreking heeft betrekking op bepaalde aspecten van een leven in de Opstanding – dat wil zeggen een leven dat niet wordt vormgegeven door de dood. Een manier om de Zaligsprekingen te lezen is om de woorden “Opgestaan uit de doden” aan het begin van ieder vers te lezen – bijvoorbeeld: “Opgestaan uit de doden zijn de armen van geest”. Ook is er een gebod om te vergeven: en niet één keer, maar zeventig maal zeven keer. Eén keer is meestal al niet eenvoudig. Dan zijn er ook nog de tweeledige geboden– om God lief te hebben (niet zo eenvoudig als het klinkt) en onze naaste lief te hebben (veel moeilijker dan het klinkt). Het gebod om God lief te hebben is onlosmakelijk verbonden aan het gebod om onze naasten lief te hebben als ons zelf. Uit het Evangelie wordt duidelijk dat met die naaste niet alleen een vriendelijke buurman wordt bedoeld die naast ons woont en met wie we soms een aardig praatje maken hebben en die mogelijk zelfs naar dezelfde kerk gaat als wij. De naaste waar het gebod op doelt is om het even welke persoon die God op ons pad brengt. We hebben het niet over relaties met wederzijdse affectie, maar over nabijheid, hoe kort, tijdelijk en onbedoeld ook: de bedelaar op straat, de atheïst die het Christendom hartgrondig veracht, de mede- Christen voor wie we dekking willen zoeken, de man die net mijn portemonnee heeft gestolen, de gewonde vreemdeling die aan de kant van de weg ligt, degene die mijn leven of dat van mijn dierbaren bedreigt. We hebben een Koning en als we serieus zijn over het feit dat we onszelf Christenen noemen, dan zijn we een volk dat tracht onder zijn heerschappij te leven. Maar het is moeilijk. We zijn zeelieden die bijna altijd tegen alle winden in zeilen, tegen de winden van onze eigen onzekerheid, angsten en ons eigen egoïsme, de winden van niet geheelde verwondingen en bittere herinneringen, de winden van ongeloof, de winden van de politiek, van propaganda, van slogans en van nationale identiteit, de winden van wat we menen te moeten zeggen en denken om verder te kunnen met ons leven.

Onze Koning is een Hemelse Koning – dat wil zeggen, niet van deze wereld – maar wel een Koning die deze wereld liefheeft, die Zichzelf geeft voor het leven van de wereld, een Koning die de zieken van lichaam en geest geneest, een Koning die de hongerigen voedt, een Koning die zonden vergeeft en de levens van zondaars redt, een Koning die weent, een Koning die bidt om vergeving van hen die Hem kruisigen, een Koning die Zichzelf verschuilt in de hongerigen, de dorstigen, de naakten, de daklozen, de zieken en de gevangenen, een Koning die onze reactie op de minste persoon beschouwt als het ultieme criterium om gered te worden. Niet uw gebruikelijke koning. Onze Koning is iemand die we aanspreken als “Trooster”. In de oorspronkelijke Griekse tekst wordt het woord “parakleet” gebruikt, dat verschillende betekenissen kan hebben: krachtgever, advocaat, raadgever, trooster, bemoediger, steungever, helper, beschermer. Eigenlijk is geen enkel Nederlands woord helemaal passend. Hier in uw klooster is gekozen voor “trooster”. In het Engels wordt meestal het woord “comforter” gebruikt. Dat woord is afkomstig van het Latijnse woord “comfortare”, dat krachtgeven betekent. God geeft ons tegelijkertijd kracht voor de strijd en ook troost.

(…) Gods Heilige Geest is de “Geest der Waarheid”, een zinsnede die mij vaak doet denken aan het Engelse gezegde “Speak the truth and shame the devil”. Er bestaat ook een Russisch spreekwoord, “Eet brood en zout en spreek de waarheid”. Wat een uitdaging is het om de waarheid te kennen, de waarheid te spreken en een waarachtig leven te leiden. Waarachtig spreken is veel meer dan zeggen wat je oprecht denkt over een bepaald onderwerp,hoewel dat soms moeilijk genoeg kan zijn. Het is niet eenvoudig om gewoon de waarheid te weten over eenvoudige dingen. Hoeveel onschuldige mensen zitten er vandaag de dag niet vast in de gevangenis voor misdrijven die ze niet hebben begaan, die schuldig zijn bevonden en veroordeeld omdat een getuige hen per abuis heeft aangewezen als de schuldige. De getuige legde zijn of haar verklaring in alle oprechtheid af, maar heeft zich vergist en als resultaat zit de verkeerde persoon nu jarenlang in de gevangenis. Oprechtheid staat niet gelijk aan waarachtigheid. Men kan oprecht verkeerd zitten. (…) Als antwoord op de vraag “God waar bent U?

komt de volgende zinsnede Die alom tegenwoordig zijt, en alles vervult. Soms zouden we, net als Jona, wel willen dat God overal is, maar niet hier. Maar God kan niet niet-aanwezig zijn. Licht kan zichzelf niet verschuilen in het duister. Zelfs in de hel is God niet afwezig – dat is onmogelijk. De hel is wat wij ervaren wanneer wij pogen om bij God weg te blijven, dat wil zeggen om niet lief te hebben. Zoals Bernanos het zegt: “De hel is niet meer liefhebben”. God is alom tegenwoordig. Een goed gebouwde kerk doet al het mogelijke om ons te helpen ons bewust te worden van die aanwezigheid en onze harten ervoor open te stellen, maar God is niet minder aanwezig in je keuken of in een bus of in de gevangenis, of op een plek waar mensen worden gefolterd. En God is niet alleen tegenwoordig maar de gehele schepping is vervuld met die tegenwoordigheid. We kunnen delfstoffen gebruiken om dodelijke wapens te maken, instrumenten die ons aan de hel doen denken, maar het materiaal waar die wapens van gemaakt zijn zou ons wel aan God moeten herinneren. “De gehele schepping zingt Uw glorie” zeggen we in een van de avondgebeden. Alles wat door God geschapen wordt vormt voor ons een mogelijkheid om te offeren. Alles wat wij moeten meebrengen voor de ontmoeting is een gevoel van verwondering. Als antwoord op de vragen “Wat doet U? Hoe kennen wij U?” noemen we God de schatkamer van het goede en Schenker van het leven.  (…) Het goede waar hier op gedoeld wordt is een leven in gemeenschap, in de eerste plaats met God, maar ook met elkaar. Verbinding. Wat een zegen is het om ontvankelijk te worden om het beeld van God in een ander mens te kunnen zien. Hoe vaker dat gebeurt, hoe gelukkiger we zijn. Door God in anderen te zien worden we geholpen God te zien. Het is een voorproefje van de hemel. Het betekent in staat te zijn om lief te hebben, om Gods liefde voor onze medemensen te ervaren en te delen. Het is het grootste goed om Gods aanwezigheid gewaar te worden – niet het idee dat God aanwezig is, maar bewust in die aanwezigheid te leven. Niet in staat zijn om de aanwezigheid van God in de ander te zien is een vorm van blindheid, die erger is dan gewoon niets kunnen zien. Dat doet mij denken aan wat Dorothy Day eens zei: “Zij die God niet kunnen zien in arme mensen zijn werkelijk atheïsten”. Nu komen we pas aan bij wat we eigenlijk vragen in dit korte gebed Kom en verblijf in ons, reinig ons van alle smet en red onze zielen, o Goede. Men kan een ellenlange lijst maken van de verschillende smetten waar de meesten van ons mee worstelen. Ik wil mij slechts op drie daarvan concentreren: tribalisme, angst en het leven in haast (ik beperk mij tot drie onderwerpen op advies van metropoliet Kallistos).

Ten eerste tribalisme. Eén aspect van onze beschadigde menselijke natuur is een sterke neiging tot stammencultuur, wat de illusie van afgescheidenheid met zich meebrengt. Het leven van een ieder in deze ruimte kan gered worden door een bloeddonatie van een Latijns-Amerikaanse Azteek, een Inuït-eskimo uit Alaska of een Afrikaanse Zulu. Toch geven wij er de voorkeur aan onszelf te zien als hoofdzakelijk verbonden met degenen met wie we onze nationaliteit delen, onze taal delen, onze voorgeschiedenis, of – in het geval de stamcultuur een religieus karakter heeft – met degenen die dezelfde rituelen naleven, die eenzelfde rituele vocabulaire hebben. Binnen de grenzen van die stammencultuur, of subcultuur daarvan, zijn we bereid aanzienlijke offers te brengen, zelfs ons leven te riskeren en te geven als er geen respectabel alternatief is. Maar de stam sluit veel meer uit dan er in wordt opgenomen. We zien onszelf als radicaal anders en ver verwijderd van de grote massa, terwijl zij in werkelijkheid – als we oprecht menen wat we zeggen als we het Onze Vader bidden – onze broeders en zusters zijn, die net als wij afstammen van die mysterieuze eerste mensen die we Adam en Eva noemen, en net als wij voorwerp zijn van Gods liefde en genade. Er bestaat een commentaar van een rabbijn dat zegt, dat God alleen Adam en Eva heeft geschapen zodat niemand kon denken dat hij of zij van een hogere of specialeafkomst was.

Ook in de Orthodoxe Kerk kennen we tribalisme. ik ben in Orthodoxe kerken geweest waar de onuitgesproken vraag was: “Waarom ben je hier? Jouw voorouders komen niet van dezelfde plek waar onze voorouders zijn geboren. Je bent niet welkom”. Op een kerkelijk concilie in de 19e eeuw, onder voorzitterschap van de Patriarch van Constantinopel, is nationalisering of tribalisering van het Christendom ‘etnophyletisme’ genoemd – letterlijk ‘liefde voor de stam’ – en is bepaald dat dit ketterij is. Maar tot op heden is het een ketterij die welig tiert. ‘De ander’ op een afstand houden is een van de smetten waarvan God ons het moeilijkst van kan reinigen, omdat we zo sterk hechten aan tribale identiteit. We zijn zelfs niet erg bereid om het probleem te onderkennen. “De essentie van zonde is de angst voor de Ander, wat een onderdeel vormt van de verwerping van God”, schreef metropoliet Johannes Zizioulas van Pergamon. Op het moment dat de bevestiging van de ‘ik’ is gerealiseerd door verwerping en het niet accepteren van de Ander – dat is wat Adam in zijn vrijheid verkoos te doen – op dat moment is het alleen maar natuurlijk en onvermijdelijk voor de ander om een vijand en een bedreiging te worden. Verzoening met God is een noodzakelijke voorwaarde voor verzoening met iedere ‘ander’”.

Wie is ‘de Ander’? Zizioulas schrijft het woord ‘Ander’ met een hoofdletter om de betekenis en het mysterie ervan te benadrukken. De ‘Ander’ is eenieder van wie ik geneigd ben te denken dat die beter dood dan levend kan zijn, beter veraf dan dichtbij. Meestal is het iemand van buiten mijn eigen stam, van buiten mijn etnische, religieuze of nationale groep. We zijn geneigd om vrij veel aandacht te besteden aan het opzettelijk doden binnen onze eigen stam – met een gepast rechtssysteem etc. – maar niet als het gaat om moorden buiten de stam. We tellen heel precies het aantal Amerikanen dat gedood is in de oorlog en we proberen niet de anderen te tellen die door ons zijn gedood, hoewel dat er mogelijk veel meer in aantal zijn. Als Christen kan ik in theorie geloven dat ieder mens – iedere ‘Ander’– een drager is van het beeld van God, maar in de praktijk? De waarheid is dat ik er nauwelijks over nadenk dat mensen buiten mijn eigen stam dragers van het beeld van God zijn. Meer nog, ik heb het er al moeilijk genoeg mee om dat beeld binnen mijn stam te onderscheiden, ja zelfs binnen mijn eigen familie.

Wat metropoliet Zizioulas zegt is eigenlijk dat als ik ‘de Ander’ verwerp, ik niet een bepaald persoon verwerp, maar de Goddelijke oorsprong van die persoon. Dat is de essentie van de zonde, het verdelen van de mensheid in de ‘onzen’ en de ‘niet de onzen’– ervan uitgaande dat ik mij heb ontwikkeld voorbij het punt van de nog meer elementaire verdeling tussen ‘ik’ en ‘niet-ik’. Degenen die ‘niet de onzen’ zijn kunnen worden ontmenselijkt en kunnen een doelwit van een oorlog worden, zonder dat dit als zonde wordt beschouwd. Verzoening begint met God, zegt Zizioulas, maar er kan geen verzoening met God zijn als we weigeren ons te verzoenen met ‘de Ander’. (…) Dan komt de angst, de elementaire kracht die ons weerhoudt van daden van liefde. Als we de boodschap van de engelen samenvatten in een paar woorden, dan luidt die boodschap: “Wees niet bevreesd”. Maar de meesten van ons zijn vergiftigd door angst. Misschien is dit nog niet eerder zo erg geweest als sinds het instorten van de beide torens van het World Trade Centre negen jaar geleden. Destijds, in 2001, deden veel mensen, waaronder – en dat strekt hem tot eer – president Bush, hun best om duidelijk te maken dat de moslims niet de vijand waren, maar dat het ging om fanatiekelingen die hun geloof gebruikten als excuus om te mogen moorden. Niemand had het in die dagen over het verbieden van islamitische culturele centra of moskeeën. Maar meer recentelijk, de afgelopen maanden, zijn dit brandende kwesties geworden. Het zijn niet langer zomaar islamitische fanatiekelingen die het probleem zijn. Voor veel mensen is het de Islam zelf. Voor hen is iedere moslim verdacht. Er zijn zelfs mensen die zeggen dat de Islam geen religie is, maar een ideologie. Sommigen zeggen dat de Koran veel gemeen heeft met Hitlers boek, Mein Kampf. Hoewel er een kleine groep mensen is die oprecht vindt dat de vrijheid van godsdienst sowieso moet worden afgeschaft als een grondrecht, zijn er veel mensen die van mening zijn dat dit een recht is dat plaatselijk niet moet worden toegestaan. Er zijn devote christenen die er bezwaar tegen hebben om moslims te zien als afstammelingen van Abrahamen van ‘het volk van het boek’; ze erkennen niet dat moslims monotheïstisch zijn en dat ze met joden en christenen gemeen hebben dat ze één God belijden, want, zo wordt gesteld, doordat ze Jezus niet erkennen, erkennen en belijden de moslims niet de ware God. (…) Een voorbeeld van een geheel andere houding ten opzichte van moslims is te vinden in het Katharina-klooster in de Sinaï-woestijn. Dit is een van de oudste kloosters ter wereld, een plaats van ononderbroken gebed en devotie sinds de stichting in de zesde eeuw. Als je nauwkeurig kijkt naar de foto’s van het klooster, zie je dichtbij de kloosterkerk een helder witte toren. Het is een minaret van de enige moskee binnen een kloostermuur. De Fatimid Moskee wordt nog steeds gebruikt door bedoeïenen die voor de monniken het land beheren en hun buren zijn. De moskee was oorspronkelijk bedoeld als een gasthuis voor pelgrims, maar in 1106, meer dan negenhonderd jaar geleden, kreeg het zijn huidige bestemming. Het moet haast wel een van de oudste moskees van de wereld zijn. Ongetwijfeld verklaart de gastvrijheid van de monniken tegenover de moslims voor een deel hoe het klooster al die eeuwen heeft kunnen overleven in een gebied dat geheel islamitisch werd. Het verklaart waarschijnlijk ook hoe het klooster een veilige haven werd voor een aantal van de oudste ikonen en Bijbelse manuscripten om zo te overleven sinds het eerste millenium van het christendom. Het is een treffende voorbeeld van een waarachtig Christelijk antwoord op een conflict zonder dat het door angst is ingegeven. (…) Christus vertrad de dood door Zijn dood. Op dezelfde manier wordt vrees weggenomen door vrees – niet vrees voor anderen maar vrees voor God. Ik wil niet beweren dat die twee soorten vrees hetzelfde zijn. De vrees voor God is niet dezelfde als de angst die iemand zou kunnen voelen die voor de tafel van Hitler of Stalin komt te staan. De vrees voor God is iets geheel anders – een staat van absoluut ontzag, verbazing en bewondering, die eenieder overweldigt, die zich ervan bewust is dat hij zich in de aanwezigheid van God bevindt. De vrees voor God is een krachtgevende vrees. Het geeft kracht om tegen de stroom van haat in te zwemmen, tegen de stroom van vijandigheid, propaganda en sociaalgeorganiseerde moord, waar wij medeschuldig aan zijn, ook al wordt daadwerkelijke moord door een ander gepleegd. De vrees voor een tiran kan de poort van de liefde niet openzetten – dat kan alleen de vrees voor God. De liefde voor een ander – dat betekent bereid te zijn je eigen leven op te geven voor een ander – is nooit iemands eigen prestatie, maar louter een geschenk van God, een gift van de Heilige Geest die het hart reinigt. Zelfs de liefde voor je echtgenoot of voor je echtgenote, voor je kinderen of voor je ouders, is een geschenk van God. Het is onmogelijk om te leven zonder de genade van God, maar alleen die liefde is perfect waarbij het beeld van God wordt gezien en beantwoord in een ander met wie we geen familie zijn en die we ook niet lief hoeven te hebben uit sociale verplichting. “De ziel die de Heilige Geest niet heeft gekend”, zo heeft de heilige Silouan van de Heilige Berg ons geleerd, “kan niet begrijpen hoe men zijn vijanden lief kan hebben en kan dat niet accepteren.” Als jongeman werd deze Russische monnik ooit bijna gedood door zijn buurman. Later in zijn leven, toen hij al monnik was geworden, heeft hij steeds volgehouden: “Hij die zijn vijanden niet liefheeft, heeft niet de genade van God.”

Mijn derde en laatste punt heeft te maken met het probleem van het leven in haast. In onze maatschappij, tenminste voor hen die niet in een kloostergemeenschap wonen, is dat het grootste obstakel voor de reiniging van het hart. We hebben het veel te druk. We voelen ons vaak als gevangenen van het spitsuur. (…) In werkelijkheid heeft iedereen tijd, want niets is aan iedereen zo gelijkelijk toebedeeld als tijd. Maar mensen die naast elkaar in dezelfde straat lopen kunnen een geheel verschillend gevoel van tijd hebben. Zo kan het zijn dat de één zo bezig gehouden wordt door zijn veeleisende agenda, of door zijn zorgen of door zijn plannen voor de toekomst dat hij nauwelijks merkt wat er om hem heen gebeurt, terwijl de ander, hoewel die een leven vol verplichtingen heeft, zeer aandachtig is. Ieder persoon heeft de vrijheid om te pauzeren, om te luisteren, om te bidden, om te laat te zijn voor een afspraak, om een andere richting in te slaan. De reiniging van ons hart maakt ons vrijer, meer in staat om te luisteren, om de mensen om ons heen te zien en te reageren op hun behoeftes.

Het kan hard werken zijn om te leren hoe je weg moet komen van de snelweg in je hoofd. Wijlen metropoliet Anthony (Bloom), die jaren aan het hoofd stond van de Russisch-Orthodoxe Kerk in Groot-Brittannië suggereerde, als basisoefening voor een spiritueel leven, om te gaan zitten en tegen jezelf te zeggen: “Ik zit, ik doe niets en de komende vijf minuten zal ik ook niets doen”, en dan te ontspannen. In het begin zal je dit maar één of twee minuten kunnen volhouden. Realiseer je gedurende die hele tijd: “Ik ben alleen maar stil, ik ga nergens heen, ik ben hier in de aanwezigheid van God, in mijn eigen aanwezigheid en in aanwezigheid van alle meubels die om mij heen staan”. Daarbij moet je natuurlijk nog wel één ding doen: je moet besluiten, dat je in die twee of vijf minuten die je hebt bestemd om te leren dat de tegenwoordigheid – het nu – bestaat, dat je niet wordt afgeleid door de telefoon, door een klop op de deur, of door een plotselinge opwelling van energie die je er toe aanzet om nu direct datgene te gaan doen wat je de afgelopen tien jaar hebt laten liggen. Je gaat goed zitten en je zegt: “Hier ben ik” en dat ben je. Als je leert om dit te doen op verloren momenten in je leven, en je geleerd hebt om in je gedachten niet steeds onrustig te zijn, maar volledig kalm en gelukkig, stabiel en helder, probeer dan die paar minuten uit te breiden en die dan nog een beetje langer te maken. Het is een eenvoudige maar niet gemakkelijke oefening, een soort gebed dat zowel fysiek als spiritueel is, waarbij we God vragen ons te helpen ons hart te reinigen. (…) Maar wat is een rein hart? Een hart vrij van bezitterigheid, een hart dat in staat is om te treuren, een hart dat dorst naar gerechtigheid, een barmhartig hart, een liefhebbend hart, een hart dat niet door hartstochten wordt beheerst, een onverdeeld hart, een hart dat zich bewust is van het beeld van God in de ander, een hart dat zich bewust is van Gods aanwezigheid in de schepping. In de woorden van de heilige Isaak de Syriër: “Iemand heeft werkelijk een rein hart als hij alle mensen als goed beschouwt en geen enkel schepsel hem als onrein of geschonden voorkomt”. (…) Hoe reiner het hart, heeft de heilige Isaak gezegd, hoe meer iemand zich bewust wordt van de Schepper in de schepping. De heilige Isaak legde veel nadruk op ascese – gebed, vasten, vrijwillige armoede, vrijgevigheid aan de armen – als een manier om het hart te reinigen. Als strijder tegen de hartstochten van de wereld, was deze zevendeeeuwse bisschop hartstochtelijk in zijn liefde voor de schepping, niet alleen voor de mens als schepping naar Gods beeld, maar voor alles dat God leven heeft ingeblazen. “Wat is reinheid?”, vroeg de heilige Isaak. “Het een hart vol compassie met de hele geschapen natuur (…) En wat is een hart vol compassie? (…) Dat is een hart dat brandt voor de hele schepping, voor de vogels, voor de beesten, voor de duivels, voor ieder schepsel. Als die mens aan hen denkt, naar hen kijkt, vullen zijn ogen zich met tranen. Zo sterk, zo heftig is zijn compassie (…) dat zijn hart breekt wanneer hij de pijn ziet en het lijden van het meest eenvoudige schepsel. Daarom bidt hij steeds met tranen in zijn ogen (…) voor alle vijanden van de waarheid en voor iedereen die hem kwaad doet, opdat zij mogen worden beschermd en vergeven. In zijn eindeloze compassie, die opwelt in zijn hart naar Gods gelijkenis, bidt hij zelfs voor slangen”.

Laten we eindigen waar we begonnen zijn en,staande, samen het gebed bidden:

Hemelse Koning, Trooster, Geest der waarheid,

Die alom tegenwoordig zijt, en alles vervult,Schatkamer van het goede, en Schenker van het leven, kom en verblijf in ons, reinig ons van alle smet, en red onze zielen, o Goede.

 

Vertaling: Annet Crouwel

Uit : nummer 1 · 2011 · Nikolaas in de Jordaan

Techniek voor het schilderen van ikonen

Techniek voor het schilderen van ikonen

Gewoonlijk denktmen bij het begrip ikoon aan een op hout geschilderde religieuze voorstelling.Maar vooral uit de vroege tijd zijn ikonen behouden die uit ivoor, goud, email,mozaïek of marmer zijn gemaakt.Ook geweven of bestikte textielikonen zijn bewaard gebleven. Vooral in de 18e en 19e eeuw in Rusland waren de kleine metaalikonen zeer populair.Deze waren meestal in brons of in messing gegoten.

Lees verder “Techniek voor het schilderen van ikonen”

Staretz Silouan : God geeft het gebed aan hen die bidden

God geeft het gebed aan hen die bidden

STARETS SILOUAN Monnik van de Athos (1866-1936)
 

silouan-mtathos.jpg

Silouan de Athoniet (fresco uit de Athos)

Diegenen die de Heer liefhebben brengen Hem dikwijls in herinnering, en de herinnering aan God doet het gebed groeien. Als gij u de Heer niet in herinnering brengt, zult gij ook niet meer bidden. Zonder gebed zal de ziel niet meer in Gods liefde verblijven, want het is door het gebed dat de genade van de heilige Geest tot u komt. Door het gebed houdt de mens zich weg van de zonde, want een geest die bidt wordt door God opgenomen. Het is door de  nederigheid dat hij zich bevindt voor het Aangezicht van God, Die zijn ziel kent.
Maar, wel te verstaan, een beginner heeft nood aan een spiritueel leider, want voor de komst van de genade van de Heilige Geest moet de ziel een grote strijd voeren met de vijanden en kan hij nog niet zien als het niet de vijand is die is die hem zijn geluk geeft. Alleen hij kan hij de onderscheiding maken die persoonlijk heeft geproeft van de genade van de Heilige Geest. Wie de heilige Geest zelf geproefd heeft kan de genade ervan onderscheiden.

O mens, leer de nederigheid van Christus, en de Heer zal u de smaak van de zoetheid van het gebed geven. Als gij het zuivere gebed zoekt, wees dan nederig, sober, biecht oprecht, en het gebed zal van u houden. Wees gehoorzaam, leer de nederigheid van Christus, onderwerp u goedhartig aan de autoriteiten, wees tevreden over alles, dan zal uw geest zich zuiveren van ijdele gedachten. Breng in uw herinnering dat de Heer u ziet en wees bevreesd om uw broeder te kwetsen. Oordeel niet over hem, zelfs niet door je gelaatsuitdrukking, dan zal de Heilige Geest u beminnen en helpen in alles.

De heilige Geest gelijkt op een moeder vol tederheid. Zoals een moeder haar kind liefheeft en het beschermt , zo beschermt ook de Heilige Geest ons, vergeeft Hij ons, geneest Hij ons , onderwijst ons en verblijd ons; de heilige Geest wordt gekend in het gebed dat gebeurt in nederigheid. (…).

Hij die bidt uit gewoonte vind geen verandering in zijn gebed, maar hij die bidt met heel zijn hart kent wel beproevingen in het gebed; hij moet strijden tegen de vijand en moet strijden met zichzelf, met zijn passies, met de mensen, en vooral : hij moet waakzaam zijn. Het onophoudelijk gebed moet in liefde gebeuren, maar men verliest het door de oordelen, de ijdele woorden en de mateloze woordenvloed. Hij die God liefheeft kan dag en nacht aan Hem denken, want geen enkele bezigheid kan hem verhinderen God lief te hebben. De Apostelen hielden van de Heer zonder dat de wereld hen hinderde, en nochtans wisten zij zich in een wereld te bevinden, zij baden voor hem en gaven zich over aan de prediking (…).

Slechts wanneer wij bidden voor onze vijanden,  kan de ziel vrede vinden. De ziel waaraan de genade van God word meegedeeld heeft met mededogen elk schepsel lief, en vooral de mens. Op het kruis heeft de heer geleden voor de mensen en zijn ziel was in doodstrijd voor elk van ons.

De Heer heeft mij de liefde voor de vijanden geleerd. Als wij verstoken blijven van Gods genade, kunnen wij de vijanden niet liefhebben, maar de heilige Geest leert om te beminnen; hij heeft zelfs medelijden met de demonen, omdat zij verstoken zijn van het goede, zij hebben de nederigheid verloren en de liefde tot God. Ik smeek u, doe een poging. Indien iemand u beledigt, of u misprijst, of u ontneemt wat u toebehoort, of de kerk vervolgt, bid dan de Heer zeggend : “Heer, wij zijn allen uw schepselen; heb medelijden met uw dienaren en richt hen op ,het berouw”. Zo  zal je zichbaar de genade in uw hart dragen. In het begin moet jje je hart forceren om de vijanden lief te hebben. De Heer, die uw goede wil ziet zal u in alles helpen, en de ervaring zelf zal het u leren. Maar hij die slecht denkt over zijn vijanden, heeft de liefde van God niet in zich en hij kent God niet.(…).

Oh, hoe nodig is het aan de Heer te vragen dat Hij aan de nederig ziel de Heilige Geest zou schenken ! De nederige ziel verheugt zich in een grote vrede, maar de hoogmoedige ziel pijnigt zichzelf. De hoogmoedige mens kent de goddelijke liefde niet, hij is ver van God. Hij is fier om rijk te zijn, of geleerd, of in de glorie, maar hij, de ongelukkige, heeft geen weet van zijn armoede en de puinhoop die hij veroorzaakt door God niet te kennen. Maar de Heer help hem die strijd levert tegen zijn hoogmoed om te triomferen over deze passie (…)
Voor dat de mens geraakt wordt door de genade leeft de mens in de gedachte dat alles goed is en in orde met zijn ziel : maar wanneer de genade hem bezoekt en in hem blijft, dan ontdekt hij iets gans anders. En het is pas wanneer de genade hem opnieuw in de steek laat, dat hij zich rekenschap geeft dat leven zonder genade een groot onheil is (…)

Ik schrijf de waarheid omdat ik de mensen liefheb.Immers, mijn hart lijdt voor hen. Indien ik één persoon zou kunnen helpen om de weg te vinden die redt, dan zou ik de Heer altijd danken. O volkeren van de aarde ! Ik ben twee en zeventig jaar, ik ,ga weldra sterven. Ik schrijf voor u over de tederheid van God. Door de Heilige Geest heeft de Heer mij deze tederheid leren kennen. En de Heilige Geest heeft mij geleerd om alle mensen lief te hebben. Ik zeg u de waarheid : ik vind niets goed in mij. Ik heb veel gezondigd, maar de Heilige Geest heeft ze uitgewist. Het is de liefde Gods die mij gedwongen heeft te schrijven.
 
In “Starets Silouane, Vie-Doctrine-Ecrits, par l’Archimandrite Sophrony, Ed. Présence P : 274, 344, 288, 298
Vertaling : Kris Biesbroeck

Mandilion

Mandylion

 (Niet door Mensenhanden gemaakte portret van Christus)

 

mandylion 16 aug.jpg

 

 

Het woord Mandylion is afgeleid van het Arabische woord mandil dat doek betekent. De afbeelding zou teruggaan op de doek van koning Abgar van Edessa. Volgens de legende zou deze, toen hij ernstig ziek was, een dienaar naar Christus hebben gezonden met het verzoek om naar Edessa te komen om hem te genezen. In plaats van zelf te komen nam Christus een doek en drukte die op zijn gelaat, waarna een afdruk van zijn gezicht op de doek achterbleef. De dienaar nam de doek mee naar Edessa. Daar werd de doek op het gezicht van de koning gelegd, waarop deze genas.

 

De voorstelling

In wezen is de voorstelling van het Mandylion een zeer eenvoudige: het is de afdruk van het gelaat van Christus op een doek. Het gelaat en de linnen doek vormen de twee entiteiten van de compositie. De doek valt in plooien neer. De bovenhoeken schijnen opgehouden te worden in twee knopen, die de illusie wekken de draagpunten van de doek te zijn.

Christus wordt met nimbus afgebeeld. In de kruisarmen leest men “HO OON”, “de Zijnde”. Het gelaat wordt voorgesteld zonder de aanzet van een hals, want het gaat immers slechts om het gelaat, zoals de legende verhaalt. In lange lokken golft het haar aan weerszijden van het gelaat. De baard loopt in twee punten uit, die compact zijn bijeengehouden, waardoor dit type in de Russische volksmond “Christus met de natte baard “ is gaan heten. De gelaatstrekken van Christus tonen geen emoties. Karakteristiek is juist de rustige en ontzagwekkende ernst. Het Goddelijk aangezicht wordt niet gestoord door de doek op de achtergrond. Het gelaat staat nooit óp de doek, maar wekt altijd de illusie ervóór te zweven. Het Goddelijke gelaat is onkreukbaar en daarom kan Het zich niet conformeren aan de natuurlijke plooival van de doek. De doek gelijkt daarom eerder op een toneeldecor.

 

Inhoudelijke aspecten

Het Mandylion heeft een belangrijke rol gespeeld in de Byzantijnse gedachtewereld. De geestelijke volheid van de voorstelling is hier verantwoordelijk voor.

In de eerste plaats moet de afbeelding gezien worden als een theologisch symbool: het Mandylion verbeeldt een wezenlijk dogma van de orthodoxe theologie, namelijk het mysterie van de incarnatie, de menswording van Gods Zoon. Voor de incarnatie van Christus bestaat door de afdruk van de gelaatstrekken van Christus een authentiek bewijs van zijn aanwezigheid op aarde, of anders gezegd, met de existentie van het Mandylion is een zichtbaar bewijs voorhanden van de incarnatie van Gods Zoon. De theologische gedachtegang van de incarnatie volgend, is het logisch, dat het Mandylion in de kerk een speciale plaats wordt toegewezen, namelijk onder de tamboer van de koepel. Hij bevindt zich aldus tussen de koepel, symbool van het hemelse, en de aarde; een betere plaats is er voor het symbool van de incarnatie welhaast niet te vinden!

In de tweede plaats symboliseert het Mandylion het Eucharistisch offer. De Mandylion-ikoon wordt daarom ook dikwijls in de nabijheid van het altaar aangetroffen. Een anonieme Griekse tekst geeft uitsluitsel over de liturgische betekenis van de Mandylion-ikoon. Volgens de tekst heet het, dat het Mandylion op daarvoor vastgestelde feestdagen uit het diakonikon wordt gehaald om in processie door de kerk gedragen te worden. Vervolgens wordt de ikoon op het altaar geplaatst. Gedurende de liturgie blijft het Mandylion daar en de schrijver zegt dat het “het niet-bloedende offer van Jezus symboliseert”, met andere woorden: de eucharistie. Hieruit blijkt, dat de plaats, waar het Mandylion aangetroffen wordt, bepalend is voor de symbolische betekenis. Onder de koepel is het Mandylion het symbool van de incarnatie, op het altaar het symbool van de eucharistie.

In de derde plaats bezit het Mandylion een beschermend karakter. Reeds het prototype, de afbeelding te Edessa, bezat deze eigenschap; de legende wil dat men “het niet door mensenhanden gemaakte beeld van Christus” boven de stadspoort had gehangen om het onheil buiten de stad te houden. Door het beschermende karakter is het Mandylion vooral bij de bevolking populair geworden. Als amulet en talisman draagt de gelovige deze voorstelling op metalen draagikoontjes met zich mee, in het geloof en in de hoop dat onverwacht onheil verre zal blijven.

 

Christus, het levende Woord

Een ikoon verteld van de hemelse werkelijkheid, laat daarvan de trekken zien. Het Mandylion geldt als het oudste en meest natuurgetrouwe Christusbeeld. En daarmee wordt meer bedoeld dan een soort foto of portret; het is een beeld van Zijn Wezen. Dat wordt mede aangegeven door de aureool rond het hoofd, met daarin de letters HO OON: – de Godsnaam – Hij IS er – Hij die aanwezig is voor Zijn Volk. Zo immers openbaarde God zich aan Mozes bij de brandende braambos (Exodus 3,14). In de oosterse beleving houdt dat dan ook in: daar waar de ikoon is daar is de Heer voor wie hem gelovig aanschouwt. En omgekeerd: Hij aanschouwt jóu!

Dat Wezen van het Christusbeeld is tevens de uitdrukking van Gods Woord (de Logos). Hij is immers het Woord dat Vlees geworden is. Hij is het Woord van de Vader, zoals we zo nadrukkelijk kunnen lezen in het Evangelie volgens St.Jan (zie 1e hoofdstuk). In Hem is de volheid van de Schriften, van Mozes en de profeten. Het is dan ook niet zomaar dat het Kind in de kribbe (Lucas 2) in doeken gewikkeld wordt. Die doeken verwijzen naar de doeken waarin de Torah-rollen worden bewaard in de Ark van de synagoge. Daarmee wordt dan aangegeven dat het Kind in de kribbe de Torah is, het Woord van God, dat tot voedsel wordt gegeven aan de kudden gelovigen waarmee de Herders van de Kerk naar de kribbe=voerbak komen.

Waar het gelovige Volk (de Kudde Gods) zich door dát Woord laat leiden, komt het elke crisis te boven en is er Leven in overvloed.

Opvallend is dat er van het doek een genezende werking uitging in het verhaal van Abgar. Iets dergelijks vinden we b.v. ook terug bij Mattheus 9,18-26. Daar is het kleed kennelijk het joodse gebedskleed met de kwasten, dat Jezus als rechtgeaarde Jood droeg. Dat gebedskleed verwijst ook naar de Torah, de Boeken van Mozes, waarvan Jezus zelf de levende gestalte is. Er gaat een genezende kracht vanuit. De vrouw die 12 jaar aan bloedvloeiing leed – symbool voor Vrouwe Kerk die aan geestelijke bloedarmoede lijdt en onvruchtbaar voor de Kerk is – wordt genezen zodra ze weer verlangd naar het Woord zoals dat in Jezus Christus gestalte heeft gekregen. En dat niet alleen. Ook het dochtertje van de overste van de synagoge – symbool voor de jeugd waarvan de plaatselijke pastor moet vaststellen dat er geen toekomst voor de Kerk meer van te verwachten is – komt dan weer tot leven. Er komt weer leven in de kerkelijke brouwerij!  De gezondheid van het Kerkvolk, van oud tot jong, heeft dus alles te maken met de aanraking van het gebedskleed. Dus met de Torah, het Woord van God. Er gaat een roep van uit. 

Bron : http://www.iconen.nl

Het opnieuw vinden van een spirituele blik op de mens en de schepping Patriarch Bartholomeüs

Het opnieuw vinden van een spirituele blik op de mens en de schepping
Patriarch Bartholomeüs
 
De oecumenische patriarch Bartholomeüs Ie, waarvan de zetel is te Istanbul (het oude Constantinopel) heeft op 12 april laatstleden de franse vertaling voorgesteld van zijn boek getiteld “A la rencontre dy mystère. Comprendre le christianisme orthodoxe d’aujour’hui” dat gepubliceerd is bij Cerf. Bij deze gelegenheid heeft de patriarch een toespraak gehouden voor de vertegenwoordigers van de pers en de verantwoordelijken van de kerken – katholieken, protestanten , orthodoxen Wij reproduceren hierbij de bijzonderste passages van zijn toespraak.
“De intieme band welke bestaat tussen theologie en leven”
Het instituut Saint serge, gesticht in 1925, was de ziel van de theologische vernieuwing die schitterde vanuit Parijs. De “school van Parijs” heeft haar theologische reflexie ontwikkeld volgens een dubbel perspectief : enerzijds de religieuze filosofie, erfgenaam van de sophiologie van Vladimir Soloviev en geïllustreerd door twee buitengewone denkers, Nicolas Berdiaev en Vader Serge Boulgakov, en anderzijds de neo-patristische synthese geleid door Vader Georges Florofsky, Vladimir Lossky en anderen.
Het lijkt ons belangrijk dat de “school van Parijs” de intieme band welke er bestaat tussen theologie en het leven, de liturgische en spirituele ervaring van de kerkelijke gemeenschap  heeft weten te valoriseren – zoals wij het bescheiden doen in ons werk . In een laatste analyse, zelfs al gebruikt zij de wetenschappelijke bekwaamheid, is de theologie een gave en zij openbaart een charismatische ervaring door enkelen voor het geheel van de Kerk. God openbaart zich op de Sinaï als “Hij die is” (Ex.3,14), maar dat wat aan onze geest ontsnapt, kennen wij beter doorheen datgene wat Hij niet is. Zo is de theologie een vorm van goddelijke “onwetendheid”, zoals Gregrios Palamas het schreef in de 14e eeuw. Niet een onwetendheid in de zin van agnosticisme, maar een onwetendheid die steunt op de ervaring van het mysterie van de levende en levengevende God. Ziedaar waarom mijn werk als titel draagt “A la rencontre du mystère”. Zonder deze apophatische en proefondervindelijke benadering, zal de theologie  verworden tot een intellectuele speculatie zonder band met de Levende noch zelfs met het leven van de mensen. Dit principe, dat zo dikwijls werd verwaarloosd verklaart ons wellicht waarom de christelijke theologie op onze dagen zo weinig wegen voorhoudt voor de hedendaagse wereld.
In elk geval heeft de bescheiden “school van parijs” de ganse orthodoxie weten te inspireren in een dialoog die rijk en levend is met het christendom in zijn geheel genomen. Het onderricht van deze theologen was niet zuiver gericht op de orthodoxie; het kwam er voor hen vooral op aan te getuigen met het hart van hun geloof in de context van de moderniteit, opdat het Westen zich zou vertrouwd maken met dit geloof in Christus om er zekere karakteristieken van mee te dragen. Maar om dit te doen, moeten bruggen gebouwd worden opdat het Oosten en het Westen tot een dialoog zouden komen. Dit is een werk dat generaties duurt. Enig in deze betekenis is de bijdrage van de franse theoloog Olivier Clément, leerling van Vladimir Lossky en van Paul Evdokimov : wij zijn hem het ganse werk van een “leidsman” verschuldigd.
De historische roeping van het oecumenisch patriarchaat
Het oecumenisch patriarchaat, dat zich incarneert in het centrum van de totaliteit van de orthodoxe kerken overal ter wereld, is een institutie van 16 eeuwen oud, en heeft een supra-nationaal en supraregionaal karakter. Zijn spirituele verantwoordelijkheid in de ontwikkeling van het christelijk geloof bij alle volkeren, van welk ras of taal zij ook mogen zijn, maakt dat het zijn activiteit uitstrekt doorheen gans de wereld tot in Amerika, het Verre Oosten en Australië. Na de pijnlijke scheuring tussen de kerken van  het eerste en het tweede Rome in 1054, is de oecumenische patriarch voortgegaan met zijn rol van garant voor de eenheid te vervullen, een rol die zijn voorgangers reeds vanaf de eerste eeuwen vervulden in het Oosten, door hun dienstbaarheid en solidariteit te geven aan de Oosterse Kerken. Gedurende de moeilijke periodes en tot de recente actualiteit, is de oecumenisch patriarch geregeld geconsulteerd om problemen op te lossen die zich voordeden tussen de Kerken. De materiële zwakheid van onze Kerk in haar actuele historische conditie is volgens ons geen obstakel voor de realisatie van haar missie, wel integendeel; want “de kracht van God ontplooit zich in de zwakheid”
Eén van de essentiële taken van het oecumenisch patriarchaat is te waken  op de communio van de orthodoxe autocephale kerken. Zijn primaatschap is juist in dienst van de kerkelijke communio, wat een verantwoordelijkheid impliceert en een voorrecht in de initiatieven ten dienste van de panorthodoxe eenheid. Dit levendig sentiment van verantwoordelijkheid en van leadership voor de andere volkeren en voor God verklaart de onvermoeibare inzet van het patriarchaat om de orthodoxe eenheid te versterken op wereldvlak, een inspanning die moeilijk blijkt te zijn omwille van de nationale spanningen en de politieke verdeeldheden.
De verschillende vormen van dialoog
Vanaf het begin van de 20e eeuw, is het oecumenisch patriarchaat volledig bertrokken bij de oecumenische beweging en is er een dynamische leider van geweest. In januari 1920, sprak een encyckliek van de patriarch van Constantinopel over de noodzaak om een liga van Kerken op te richten. Dit laatste resulteerde in 1948 onder de vorm van de oecumenische Raad van Kerken : deze laatste vertegenwoordigde voor de orthodoxie geen universele Kerk in de canonische term van het woord, maar een plaats van delen van christenen onderling die bedroefd waren omwille van  hun scheidingen. Het oecumensich patriarchaat neemt tegelijk ook deel aan locale oecumenische entiteiten, en zit wederzijdse theologische dialogen voor die geleid worden met de verschillende niet-orthodoxe christenen en zelfs met andere monotheïstische religies.
De meest geslaagde dialogen en de meest vruchtbare die tot op vandaag geleid werden door het Patriarchaat waren deze met de oosterse orthodoxe Kerken, die geleid hebben tot de gemeenschappelijke Verklaring van 1989, en deze geëngageerd sedert meer dan veertig jaar met de rooms katholieke Kerk. Deze officiële dialoog tussen onze Kerken gaat onvermijdelijk over moeilijkheden, het vraagt een groot geduld en nederigheid, maar wij denken dat deze vooruitgang onomkeerbaar is in de betekenis van de komende éénheid, wanneer de Heer het toestaat.
In elk geval, ondanks de telkens terugkerende beschuldigingen die het moet dragen, de waarheid van het evangelie te verloochenen, heeft het oecumensich patriarchaat nooit zijn engagement beperkt in de dialoog onder alleen maar christelijke belijdenissen, ervan overtuigt van zijn bredere rol in de wereld en zijn universele verantwoordelijkheid.  Zich bevindend op het kruispunt van de continenten, van beschavingen en gemeenschappen van geloof, heeft het oecumenisch patriarchaat het altijd als haar verantwoordelijkheid gezien om een brugfunctie te vervullen tussen christenen, moslims en joden. Sedert 1994 hebben wij verschillende Multi-religieuze dialogen geleid die verdiepende discussies toestonden tussen de christelijke gemeenschap, de joodse en de muzelmaanse, en dit over themata zoals de religieuze vrijheid, de verdraagzaamheid en de vrede. Wij moeten immers absoluut een confrontatie tussen de religies vermijden, en God kan nooit een voorwendsel zijn voor geweld en de dood tegenover andere personen of naties.
De coëxistentie in de verscheidenheid van  culturen en de religies.
Tijdens de conferentie die door onze zorgen werd georganiseerd te Brussel in 2001 over de vreedzame coëxistentie tussen het jodendom, het christianisme en de Islam als gevolg van de aanslag van 11 september, verwierp in de eindverklaring “ de hypothese dat de religie bijdraagt aan de cultuurshock”, en trok de aandacht op de rol van het geloof om bij te dragen aan een constructieve en instructieve dialoog tussen de beschavingen”
Deze ontmoetingen hebben onze ogen geopend voor de diversiteit van culturen en religies alsook voor de complexiteit van de mondiale realiteit. De wereldevolutie karakteriseert voortaan een verregaande secularisatie en een pluralisme. Geen enkel van onze landen kan zich niet meer voorstellen als mono-etnisch, unireligieus of monocultureel. In Frankrijk telt de islam niet minder dan vijf miljoen gelovigen, hetzij 8% van de bevolking. Veeleer dan dit te zien als een bedreiging of als een probleem, moet deze sociale realiteit gezien worden als een uitdaging waarop wij kunnen antwoorden vanuit een wederzijds respect, dialoog en broederlijke ontmoetingen.
Geloof en vrijheid, bewustzijn en rechten van de mens.
De vraag naar de vrijheid en de rechten van de mens, zo centraal voor onze moderne en geseculariseerde wereld, lijkt ons belangrijk om ons voor de geest te halen, want zijn ontvangt specifieke antwoorden van de kant van de orthodoxe traditie. In de eerste plaats, voor de moderne wereld is vrijheid synoniem van keuze. Welnu, de waarachtige vrijheid is een gave van hierboven en wordt slechts verworven doorheen een spirituele strijd. Elke persoon bevat een goddelijke vonk van vrijheid en hij is “gelast” om een kind van de enige en authentieke God te worden.
De vrijheid, in de volle zin van het woord, wordt niet verworven in een individueel of communautair egoïsme, maar in de erkenning – dikwijls moeilijk – van de ander. In de hedendaagse steden en de  geseculariseerde stedelijke milieus heeft het leven het isolement van de mensen aangemoedigd en de verdachtmaking jegens de vreemdelingen vermeerderd, met name met de recente achteruitgang van de economische situatie en de crisis in de werkgelegenheid. Nochtans hangt onze bestemming van de wereld en van de komende eeuw af van de wijze waarop wij de anderen behandelen. Op het oecumenisch patriarchaat heeft men geen schrik van de vreemdelingen,wij hebben hen lief. Wij hebben de woorden van de apostel tot de onze gemaakt “ vergeet niet zorg te dragen voor de vreemdelingen” (Hebr.13,2), het is onze dagelijkse praktijk gedurende eeuwen. Wij leggen er de nadruk op dat alle mensen gelijk zijn, zowel voor de wet van God als voor de burgerlijke wet.
Wanneer wij in de wereld van vandaag zoveel wreedheid zien die nog altijd verder worden bedreven tegen personen en volkeren, zonder dat wij reageren, dan vragen wij ons af hoe wij kunnen voorwenden dat wij vrij zijn ? Wij zijn ervan overtuigd dat de geloofsgemeenschappen waarlijk de wereld moeten wakker maken van de bevangenheid en de onverschilligheid. Want “de rechten van de mens zijn niet enkel een uitvinding van de Verlichten : zij horen toe  aan de essentie zelf van het christelijk geloof en van elke religie die van nature de vrijheid en de religieuze tolerantie belooft. Wanneer wij als gelovigen mislukken wanneer het gaat over intolerantie en de marteling, dan zijn wij noch religieus, noch menselijk. En zijn wij niet vrij. En wanneer wij  als gelovig volk de marteling van andere volkeren ontkennen, dan weigeren wij per slot van rekening ons te herkennen in de anderen. Het geloof en de tolerantie delen dezelfde taal. Haar alfabet is de vrijheid. Iedere menselijke persoon is geschapen op een unieke wijze naar het beeld van God en vormt een mysterie die wij moeten respecteren.
Engagement ten gunste van het milieu
De laatste tientallen jaren is de evolutie van onze wereld gemarkeerd door wat wij zouden noemen : een ecologisch ramp. De laatste grote gebeurtenis is de nucleaire catastrofe van Fukushima in Japan, en dit als gevolg van een hevige aardbeving. Algemeen gesproken zijn de specialisten van het milieu eenstemmig om te onderlijnen dat de verandering van het klimaat die zij zien gebeuren op wereldvlak en die kan uitgelegd worden door de uitstoot van gas door de menselijke activiteit, het ecosysteem kan verstoren en vernietigen. Welnu, dit kan niet alleen het menselijk ras vernietigen, maar ook de wereld van de dieren en planten die van elkaar afhankelijk zijn. Het zijn de keuzes en de daden van de moderne mens die geleid hebben tot deze tragische situatie, en die op zich een spiritueel en moreel probleem vormen. De apostel Paulus, goddelijk geïnspireerd, heeft negentien eeuwen geleden dit probleem beschreven in zijn brief aan de Romeinen, door er de ontologische dimensie van te onderlijnen :” De schepping is onderworpen aan de vruchteloosheid, – niet vrijwillig maar omwille van Hem, die haar daaraan onderworpen heeft…Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is” (Rom.8,20,22).
Dank zij de wetenschappelijke ontmoetingen, die het heeft georganiseerd en waaraan vertegenwoordigers van verschillende christelijke Kerken en religies van de wereld hebben deelgenomen alsook specialisten van verschillende universitaire disciplines, heeft het oecumenisch patriarchaat zich ingezet om een klimaat van stabiliteit en vernieuwende samenwerking tot stand te brengen tussen de religieuze wereld en de wetenschap, zich funderend op het fundamentele principe  volgens dewelke – om het objectief te bereiken en de natuurlijke omgeving te behouden – de twee partijen moeten samenwerken in wederzijds respect. Deze samenwerking tussen wetenschap en religie is erop gericht bij te dragen aan de ontwikkeling van een ethiek van de leefomgeving : dit heeft tot doel, volgens ons, aan te tonen dat het gebruik van de wereld en het genot van de materiële goederen eucharistisch moet zijn, zich moet laten vergezellen door een lofprijzing aan de Schepper. Omgekeerd vormen een slecht gebruik van de leefomgeving en de deelname ervan zonder verwijzing naar God een zonde, niet alleen tegenover de Schepper maar ook tegenover de schepping.
Deze waarachtige zonde ten overstaan van de leefomgeving vindt haar oorzaak in ons egoïsme en in de valse waarden die wij hebben ontvangen zonder enige kritiek. Wij hebben er nood aan om onze relatie met de wereld en met God opnieuw te overdenken. Zonder deze metanoïa, zonder deze “ommekeer van hart” zijn alle maatregelen voor het behoud van de schepping, welke ook onze goede bedoelingen zijn ondoeltreffend, want wij buigen ons alleen over de symptomen en niet over de oorzaken van de situatie.
Wij worden uitgenodigd om tot ons op te nemen datgene wat de paas hymnografie “een andere wijze van leven” noemt. Want wij hebben een arrogante en misprijzende houding tegenover de natuurlijke schepping. Wij weigeren om het Woord van God te zien in de oceanen van onze planeet, in de bomen van onze continenten, en in de dieren die de aarde bevolken. Wij verloochenen onze eigen natuur die ons oproept om het Woord van God in de schepping te onderscheiden, indien wij “deelnemers aan de goddelijke natuur” (2 Petr.1,4) willen worden. Hoe kunnen wij  de kosmische  draagwijdte ontkennen dat het goddelijk Woord is vlees geworden ?  Waarom nemen wij de geschapen natuur niet waar als een uitbreiding zelf van het lichaam van Christus ?
“De kosmische dimensies van de goddelijke incarnatie”
De oosterse theologen hebben altijd terecht de kosmische dimensies van de goddelijke incarnatie onderlijnd De Heilige Maximos de Belijder legt de nadruk op de tegenwoordigheid van het Woord van God in alle dingen (cf. Coll.3,11). De goddelijke logos blijft het centrum van de wereld op mysterieuze wijze het eerste principe en haar laatste doel openbarend  (cf.Petrus 1,20). Het is daarom dat de orthodoxe christenen op de zondag van Pasen, wanneer de celebratie van Pasen zijn hoogtepunt bereikt zingen :”Nu is alles vervuld met goddelijk licht : de hemel en de aarde en alle dingen op aarde. Dat gans de schepping zich verheuge !” Wanneer de Kerk de eigen kosmische dimensies van het Woord van God niet herkent, door zich te houden aan de zuiver “spirituele” vraagstukken, zonder band met de realiteit van de wereld, dan verwaarloost zij haar zending die erin bestaat om God te smeken om de ganse verontreinigde kosmos te transformeren.
Iedereen onder ons is geroepen om een spirituele blik op de schepping te hervinden, in de betekenis van wat de ascetische traditie van het oosters christendom noemt “de beschouwing van de natuur”. Dit philokalisch ethos, dat in staat  is om de schoonheid van de werken van God te onderscheiden, zou het gemeenschappelijk goed moeten worden van alle christenen. Deze bezorgdheid wordt elders uitgedrukt bij vele artiesten. Wij denken aan dit vers van Paul Claudel, in zijn gedicht De zwarte vogel in de opgaande zon : “ Het is slechts een gezuiverde ziel die de geur van de roos zal begrijpen” Elk ding celebreren in zijn evidentie en zijn geheim : dat is onze verantwoordelijkheid als christenen.
Ondanks onze onrust zijn wij optimistisch en vertrouwend in de schat van goedheid dat het menselijk zijn , geschapen naar het beeld van God om op Hem te gelijken(Gen.1,26) verborgen houdt. Zoals wij het hebben uitgedrukt in Venetië in 2002 met de betreurde Johannes Paulus II : “Het is niet te laat. De wereld die door God geschapen is bezit ongelooflijke krachten tot genezing. Wij zouden in één generatie de aarde kunnen leiden naar een toekomst voor onze kinderen. Laat ons ervoor zorgen dat deze generatie nu begint, met de hulp en de zegen van God !” Maar het past dat wij handelen op alle niveau’s : de Kerken, de diocesen, de parochies, de verenigingen en de personen indien wij een verantwoordelijke liefde hebben voor onze kinderen en voor de komende generaties.
 
Uit : SOP 358 – mei 2011 pp.23-27
Vertaling : Kris Biesbroeck

Canonische discipline van de orthodoxe Kerk

Canonische discipline van de orthodoxe Kerk

 

Ik geloof waarlijk, zoals ik het zo dikwijls bevestig in het Credo, «in de Kerk ». Ik kan niet ontkennen dat  de teksten die de Kerk heeft geschreven in de loop van haar geschiedenis, canons genoemd, mij zowel bevallen als hinderen. Deze teksten hebben als doel om de grenzen te definiëren van het ware leven die de christen niet zomaar achter zich kan laten, zonder aan deze  vormende daad voorbij te gaan. Een daad waardoor de hemelse Vader de christen  behandelt als zijn enige Zoon, dit wil zeggen , Hij geeft hem er een vergoddelijkende gave van Zijn heilige Geest mee.

De kerkelijke Canons tonen ons de weg die wij moeten gaan opdat ons leven in de Kerk niet slechts een natuurlijke sociaal leven zou zijn, maar ook opdat wij de autonomie van onze natuurlijke individualiteit zouden overschrijden door het ontvangen van de Heilige Geest en door de ervaring van onze deïficatie (…) Maar daarvoor moeten wij twee dwalingen vermijden . De ene bestaat erin

Dat wij zouden zeggen : het verleden is voorbij bij het begin van dit derde millennium, het is hoog tijd om een aggiornamento door te voeren. Als we zo denken dan miskennen wij volledig de diachronische (= historische ontwikkeling) en synthetische (op een synthese berustend)dimensie, en dit zonder onderbreking doorheen de periode van de kerkelijke Traditie en de eenheid van de Kerk.

Indien de kerkelijke canons ons voor alles spreken over de mogelijkheden van onze vergoddelijking in het zijn-in-communio van de Kerk, dan is het ware leven waarvan zij spreken ook het ware leven voor ons, hoe ver we nu ook mogen verwijderd zijn van hun auteurs. Er is nochtans nog een tweede dwaling waar we moeten op letten : men moet de christenen nu ook niet beangstigen met de canons door hen op een fanatieke wijze te bestoken door een automatische toepassing ervan. Gaan we in deze tijd een christen excommuniceren die de kerk verlaat vóór de anaphora zonder medisch motief ?

Zal men een moordenaar die berouw heeft, de heilige communie onthouden  tot aan het einde van zijn leven, en voor zeven jaar iemand die overspel heeft gepleegd ? Voor een  goed gebruik van de canons moeten wij voor ogen houden  dat, indien in de Oudheid de heilige Kerk, nochtans zo goed, zo moederlijk, zich streng heeft opgesteld, dat het is omdat ook nog in onze dagen, zonde exstreem zwaar is en dat wij als gevolg hiervan haar als zodanig moeten behandelen, zelfs al moet dit gebeuren met minder zware straffen. Want vroeger gaf de Kerk de communie voor zeven jaar niet aan iemand die echtbreuk had gepleegd of tot het einde van zijn leven niet aan iemand die een moord had bedreven. Wij hebben ook nu nog het recht niet om ons tevreden te stellen om zo een zonde in de biecht te belijden en direct na de biecht te communiceren  » 

 

Vader André Borrély, in Orthodoxes à Marseille octobre-Novembre 2002.

Vertaling : Kris Biesbroeck

De techniek van het schilderen van ikonen

De techniek van het schilderen van ikonen


Christus in het graf_ ween niet over mij_.jpg

Gewoonlijk denkt men bij het begrip ikoon aan een op hout geschilderde religieuze voorstelling.Maar vooral uit de vroege tijd zijn ikonen behouden die uit ivoor, goud, email,mozaïek of marmer zijn gemaakt.Ook geweven of bestikte textielikonen zijn bewaard gebleven. Vooral in de 18e en 19e eeuw in Rusland waren de kleine metaalikonen zeer populair.Deze waren meestal in brons of in messing gegoten. De op hout geschilderde ikonen zijn meestal in ei-tempera geschilderd. Bij ei-tempera is eidooier het bindmiddel voor de pigmenten.De encaustische techniek,waarbij de verf in verhitte was werd ingebrand, raakte na het iconoclasme in onbruik. Materialen :  De ikonenschilder begon met het uitzoeken van een bij voorkeur harsvrij houten paneel (bijvoorbeeld linde, beuk, cipres of ceder) en maakte dat op maat. Bij grotere exemplaren moesten meerdere planken verlijmd worden. Dikwijls maakte hij met een beitel een verdieping in het hout (kovcjek), zodat er een meer of minder brede en verhoogde rand (polje) bleef staan als omlijsting. In Ruslandwerden dan meestal in de achterkant van het paneel twee gleuven horizontaal uitgeschaafd,waar vervolgens latten (sponki)met een zwaluwstaartverbinding vastgezet werden om het kromtrekken tegen te gaan.Vanaf de 18e eeuw gebeurde dit soms in de onder- en bovenkant. In Griekenland werden latten direct op de achterkant bevestigd door middel van nagels of houten pennen.De van tevoren geruwde voorkant van de plank bestreek de schilder met lijm,waarop hij vaak een stuk linnen (povoloka) of grof papier kleefde.Vervolgens bracht hij een pasta aan die bestond uit een krijtlaag van bijvoorbeeld gemalen marmer, of soms albast, en verschillende bindmiddelen.Deze pasta (levkas)werd in verschillende lagen — vijftien tot twintig lagen was niet ongebruikelijk — aangebracht en steeds geschuurd en gepolijst, net zolang tot een spiegelglad oppervlak verkregen was. Op deze glanzende witte achtergrond tekende of kraste de schilder de tekening.Als voorbeeld gebruikte hij een oude ikoon of een schilderhandboek. Vaak kende hij de voorstelling zo goed, dat hij de tekening uit zijn herinnering kon maken.Hierna bedekte hij de achtergrond met bladgoud of soms met bladzilver. Vervolgens maakte hij de schildering in ei-temperatechniek. De kleurstoffen bestonden uit organische stoffen of werden uit de bodem gewonnen en konden bijvoorbeeld bestaan uit verpulverde mineralen. Ook werden soms heilige relikwieën door de verf gemengd.De kunstenaar schilderde in laagjes, van donker naar licht, en bracht ten slotte lichttoetsen en eventueel goudversieringen aan. De schildering werd afgedekt met een vernis die bestond uit lijnolie en hars, de zogenaamde olifa, die de kleuren een diepe glans gaf.Het nadeel van olifa was dat het snel donker werd door het aantrekken van roet afkomstig van kaarsen en wierook.Hierin vindt men de verklaring voor de Zwarte Madonna’s.Deze ikonen danken het donkere gelaat van de Moeder Gods slechts aan roet en vervuiling. Het voorschrift van de kerk volgend, schreef de schilder ook de naam of naamtekens van de heilige persoon of voorstelling op de ikoon.Naast de Griekse heiligemonogrammen voor Christus en de Moeder Gods was het Oudkerkslavisch de taal die voor de Russische ikonen gebruikt werd. [26] Dit is een Zuidslavisch dialect,waarin de monnik Cyrillus zijn bijbelvertaling schreef.Als laatste handeling werd de ikoon in de kerk gewijd.

Met toestemming overgenomen uit het boek ‘De rijkdom van ikonen’ door Drs.Ingrid Zoetmulder

Gebruik van Ikonen

Gebruik van ikonen

 

 

In het oude Rusland was het hele leven gekleurd door religie. Door de eeuwen heen speelden ikonen een belangrijke rol in het leven van de gelovigen. Het voordeel van ikonen boven fresco’s en mozaïeken was dat zij meegenomen konden worden, in processie, naar huis en op reis. Behalve in de kerken waren ikonen in het tijdperk vóór de Oktoberrevolutie overal te vinden: in scholen, instituten, kantoren, ziekenhuizen, kazernes, in een nis tegen muren en bomen en zelfs in restaurants en op lantaarnpalen. Nooit zou een Rus zijn ikoon in de steek laten. Ikonen waren een essentieel onderdeel van zijn leven en vergezelden hem van de wieg tot het graf. Ieder orthodox huis, hoe arm ook, had een ‘mooie hoek’ of ‘rode hoek’, waar ikonen voor de privédevotie stonden opgesteld.Het was de belangrijkste plaats in het huis.Gasten begroetten eerst de ikonen en dan pas de familie. In de huizen van de adel was een speciale ikonenkamer.Tsaar Ivan de Verschrikkelijke bewaarde daarmeer dan drieduizend ikonen.Niet alleen bij een geboorte of een huwelijk,maar ook bij een gevaarlijke reis of veldtocht werd een ikoon aan de gelovige geschonken. Iedere dag van het jaar was gewijd aan een heilige.Als iemand overleden was, gaf men een ikoon mee om hem te vergezellen op de laatste reis en werd een metalen ikoon op het grafkruis bevestigd. Men dichtte de ikonen wonderbaarlijke en mystieke krachten toe.Voor iedere gebeurtenis was er een speciale ikoon die te hulp geroepen kon worden. Zo werd de profeet Elia aangeroepen bij slecht weer, de heiligen Blasius en Modestos tegen de dierenpest,Antipas bij kiespijn en Johannes de Doper bij hoofdpijn. Voor allerlei menselijke nood, kwalen en ziekten waren speciale heiligen. Iedere gelovige had natuurlijk ook nog zijn eigen beschermengel of engelbewaarder.

Ikonen werden in tijden van oorlog door het leger meegedragen.Menig overwinning zou door de hulp van een ikoon tot stand gekomen zijn.Ook op feestdagen of andere plechtige gebeurtenissen werden en worden ikonen in processie rondgedragen. [15] De gelovigen vertrouwden hun problemen toe aan de ikonen en vroegen om hulp en raad. Russen sluiten hun ogen niet bij het gebed,maar staan oog in oogmet de ikoon.De Russische schrijver A.I.Herzen (1812- 1870) neemt in zijn memoires een brief op van zijn vriend de filosoof Kirejevski (1806-1856):

‘Ik stond eens voor een schrijn te staren naar de wonderikoon van de

Moeder Gods en bedacht hoe kinderlijk toch het geloof was van de

mensen die ervoor stonden te bidden. Enkele vrouwen en zwakke

oudemannen sloegen kruistekens en bogen naar de grond.Met vurige

hoop keek ik naar de heilige afbeeldingen en beetje bij beetje begon

mij het geheim te dagen van hun wonderlijke kracht.Dit was immers

niet zomaar een schildering,want het had eeuwenlang de hartstochten,

de hoop en de gebeden van al deze lijdende en ongelukkige

mensen opgenomen.Het was vervuld van de energie van al deze

gebeden, het was een levend organisme geworden, een plaats waar de

Heer en de mens elkaar ontmoetten.Terwijl ik dit bedacht, keek ik

nogmaals naar de oude mannen, de vrouwen en kinderen die in het

stof neerknielden en opkeken naar de heilige ikoon en toen zag ik de

bezielde trekken van de Moeder Gods en zag hoe zij met liefde en

mededogen naar deze eenvoudige mensen keek en ik zonk op mijn

knieën en bad deemoedig tot haar.’

Iedereen die weleens een Russische kerk is binnengegaan, komt onder de indruk van de bijzondere sfeer die van de schittering van de door kaarsen verlichte ikonen uitgaat. Je krijgt het gevoel dat je een microkosmos betreedt, een andere wereld vol kleur en theologie.Overal in de kerk hangen ikonen, op lezenaars, aan lampen en aan de wanden,maar vooral in de ikonostase. [16]

De ikonostase



iconostase6.jpg



Deze beeldenwand, die in Rusland soms wel in vijf verdiepingen tot het plafond rijst,maakt het altaar onzichtbaar voor de gelovigen.Ook in westerse kerken was er in vroeger tijden een afscheiding tussen koor en schip.Maar deze afsluiting werd verwijderd om de betrokkenheid van de gelovigen bij het liturgisch gebeuren te bevorderen.De oosterse opvatting is duidelijk anders.De afscheiding door de ikonostase en het gesloten houden van de koningsdeuren gedurende een groot gedeelte van de eucharistie, hebben niet de bedoeling het mysterie te versluieren; zij willen slechts het heilige en gewijde karakter ervan benadrukken.De altaarruimte staat symbool voor het spirituele, en het schip,waar de gelovigen zich bevinden, symboliseert de materiële wereld. De ikonostase heeft al eeuwenlang eenzelfde voorgeschreven ordening en compositie. In de ikonostase bevinden zich drie ingangen: twee deuren aan de zijkanten en een dubbele deur in het midden.Op de zijdeuren bevinden zich ikonen van engelen of van een heilige diaken.De linkerdeur geeft toegang tot de Proskomidikon,waar de eucharistie wordt voorbereid.De rechterdeur geeft toegang tot het Diakonikon, de plaats waar de liturgische gewaden en boeken bewaard worden.De middelste deuren worden de ‘deuren naar het paradijs’ of ‘koningsdeuren’ genoemd. Achter deze deuren bevindt zich de allerheiligste ruimte, waar de heiligemysteriën zich voltrekken.Alleen de celebrerende priester mag door deze middelste deuren.

Op de koningsdeuren [17-19] vinden wijmeestal de afbeeldingen van de

vier evangelisten, Johannes,Mattheüs, Lucas enMarcus [19-20] en van de aankondiging van de aartsengel Gabriël aan Maria.De priester verkondigt dan ook voor deze deuren het evangelie. Rechts van de koningsdeur is een ikoon van Christus en links een van de Moeder Gods.Naast de ikoon van Christus bevindt zich de ikoon van de heilige of het feest naar welke de kerk genoemd is. En naast de ikoon van de Moeder Gods is een ikoon die bijzondere verering geniet bij de gelovigen, afhankelijk van de streek of stad waar de kerk zich bevindt.Boven deze rij komt de uitgebreide Deësis-rij met Christus in het midden. [21]Het van oorsprong Griekse woord Deësis betekent gebed en afsmeking.Aan weerszijden van Christus hangen de ikonen van de Moeder Gods en Johannes de Voorloper (de Doper). [22] Engelen en heiligen neigen zich naar Christus om voor de mensheid voorspraak te doen en vergeving voor haar zonden af te smeken. Voor de gelovigen is het een uitnodiging om zich te voegen in dit gebed. De rij daarboven brengt ons het leven van Christus onder demensen. Hier worden de twaalf grote feesten uit de orthodoxe kerk afgebeeld (de Dodekaorton). Terwijl de onderste rijen scènes laten zien uit het Nieuwe Testament, vertegenwoordigen de bovenste rijen symbolisch het Oude Testament:profeten met schriftrollen in hun handen,waarvan de teksten duiden op de komst van Christus,wenden zich tot de centrale ikoon van deMoeder Gods van het Teken.Hierboven is een rij voorvaders afgebeeld, die zich wenden tot de ikoon van de Drie-eenheid.De ikonostase wordtmeestal gekroond door een kruis.


Met toestemming overgenomen uit het boek ‘De rijkdom van ikonen’ door Drs.Ingrid Zoetmulder

Waar komen ikonen voor ?

Waar komen ikonen voor?

 

 

Ikonen komen voor in al die gebieden die erfgenaam zijn van de Byzantijnse orthodoxie: in de Grieksemediterrane wereld vanaf de vroege middeleeuwen,bij de orthodoxe volkeren in de Balkan en in het gebied van de voormalige Sovjet Unie sinds de 9e en 10e eeuw, in enkele kleine gebieden in de Arabische wereld en in Ethiopië. [8]

Byzantijnse ikonen

Behalve de ikonen uit het Catharinaklooster zijn er uit de periode vóór het iconoclasme ook ikonen overgebleven in Rome.De ikonen uit deze vroege tijd verschillen allemaal van elkaar in stijl en vorm. Er was nog geen duidelijke norm.

Toen in 843 de ikonenschilderkunst weer in ere werd hersteld, viel dat samen met het begin van een grote bloeiperiode of was daar juist de oorzaak van.Door de crisis van het iconoclasme werd de ikoon theologisch gedefinieerd.

Er kwamen duidelijke richtlijnen voor het schilderen van specifieke ikonentypen.Men spreekt van de Middelbyzantijnse stijl of de Macedonische renaissance, die samenvalt met de Macedonische (876-1081) en de Comnenische keizerlijke dynastie (1081-1204). In deze perioden is de stijl streng en voornaam,maar ook onthecht en spiritueel.

Aan het bewind van de Comnenen kwam een einde toen in 1204 de kruisvaarders van de Vierde Kruistocht Constantinopel veroverden en plunderden.Wederom werden kunstschatten vernield of meegevoerd als oorlogsbuit naar het Westen. Constantinopel werd bijna zestig jaar geregeerd door de Latijnen.3 Uit deze tijd stammen de kruisvaardersikonen.

Tijdens de laatste keizerdynastie der Paleologen werd Constantinopel weer heroverd. Er is dan een laatste bloeiperiode (1259-1453). In deze Paleologische renaissance wordt de stijl levendiger en verfijnder, en doet de emotie haar intrede in de kunst.Het is vooral deze stijl, die in Rusland veelinvloed heeft gehad.

Na de val van Constantinopel in 1453 werd met name Kreta,waar veel kunstenaars hun toevlucht gevonden hadden, het centrum waar de Byzantijnse traditie werd voortgezet.Ook ging de traditie verder in Macedonië en de Balkanlanden. Veel namen van schilders uit Kreta zijn overgeleverd.De bloeitijd was van de 15e tot de 17e eeuw. In de ateliers werd in verschillende stijlen geschilderd: ‘alla latina’ of ‘alla greca’.Dit hing af van de voorkeur van de klant. Bestelde hij een ikoon ‘alla latina’, dan waren er opvallende Italiaanse invloeden, zoals een vloeiende plooival en ingegraveerde ornamenten. Bij de ‘alla greca’ stijl was de overgang van licht naar donker sterk begrensd en het contrast tussen de kleuren expressief. In Kreta werden nieuwe ikonentypen ontwikkeld, zoals de Moeder Gods van de Passie [9] en de Madre de la Consolacione [10]. In Venetië verbleef in die periode ook een belangrijke groep Griekse kunstenaars, die ging werken in een westers georiënteerde stijl.

Russische ikonen

De Russische ikonenkunst is veruit de belangrijkste die uit de Byzantijnse kunst is voortgekomen. Zij heeft voor ons het begrip ikonen gedefinieerd. Als wij aan ikonen denken, denken wij aan Rússische ikonen. Volgens de Nestorkroniek, de eerste geschreven bron van Kiev-Rus4,nam Vladimir, vorst van Kiev, in 988 het christelijk geloof aan.De schoon-heid van deHaghia Sophia in Constantinopel had daarvoor de doorslag gegeven. Vladimir had gezanten gestuurd naar verschillende landen om op zoek te gaan naar het Ware Geloof. Eerst bezochten zij de mohammedanen in Volga-Bulgarije,maar daar hadden zij ‘geen vreugde of deugd’ aangetroffen in hun godsdienst. Vervolgens waren zij naar Rome en Duitsland getogen,waar zij de kerken te sober vonden. ‘Maar in Constantinopel’, zo vertelden de gezanten, ‘wisten we niet of we in de hemel waren of op aarde, want deze pracht en schoonheid wordt beslist nergens op aarde geëvenaard’.

Vladimir verplicht vervolgens de hele bevolking zich te laten dopen in de rivier de Dnjepr en gooit het beeld van de dondergod Perun in de rivier.Het feit dat Vladimir tot de Grieks-orthodoxe kerk overging en zich niet tot Rome wendde, had grote gevolgen voor Rusland en met name voor de ontwikkeling van de kunst.

In 988 huwt Vladimir de Byzantijnse prinses Anna.Met haar komen behalve priesters en theologen ook ikonenschilders mee, die de eerste ikonen op Russische bodem schilderen.Ook de eerste kerken die gebouwd worden onder leiding van Griekse leermeesters, zijn in stijl en uitvoering volledig Byzantijns.Alles wordt overgenomen uit Byzantium: de heiligen,de liturgie, de ikonografie en de hymnografie.Alleen de Bijbel wordt gelezen in de Slavische vertaling die de twee broers Methodius en Cyrillus hadden gemaakt.Ook worden ikonen geïmporteerd, zoals de beroemde Moeder Gods Vladimirskaja, uit het begin van de 12e eeuw.

Door deMongoolse invasie in de 13e eeuw raakt Rusland afgesneden van Byzantiumen beginnen de kloosters, die door de Mongolen met rust werden gelaten, een eigen stijl te ontwikkelen. Eeuwenlang zouden de kloosters de enige relevante instanties zijn voor kunst en cultuur.

Nieuwe centra ontstaan, zoals Vladimir, Suzdal en Jaroslav.Novgorod,de in het noorden gelegen handelsstad, ontsnapt aan de verovering van de Mongolen en ontwikkelt een kunst die weliswaar trouw blijft aan de Byzantijnse traditie,maar met een geheel eigen stijl.Kenmerkend voor deze stijl zijn de heldere, onvermengde kleuren, de geprononceerde, donkere omlijningen en de eenvoudige tekening. [4, 67] Veel ikonen uit het conservatieve Novgorod en ook uit andere steden in het Noorden blijven tot in de 17e eeuwvolledig middeleeuws van karakter.Aan het eind van de 14e eeuw begint de politieke en economische opgang van Moskou.Na de val van Constantinopel in 1453 wordt Moskou het centrum van de orthodoxe wereld. Bekend zijn de woorden van de monnik Filofej van Pskov: ‘Twee Romes zijn gevallen, het derde Rome zal niet sterven, er komt geen vierde’. Ivan de Grote huwde een nicht van de laatste Byzantijnse keizer, nam het symbool van de tweekoppige adelaar van de Byzantijnse keizer over en gaf zichzelf de titel Tsaar, afgeleid van Caesar. Het Mongoolse juk, dat Kiev verpletterd had,werd afgeworpen,Novgorod en de andere vorstendommen werden veroverd en de katholieke Polen en Litouwers werden teruggedreven.Het ‘Heilige Rusland’was een feit.Chateaubriand, die Napoleon in 1812 vergezelde op diens veldtochtnaarMoskou, schrijft in zijnmemoires: ‘Moskou,met zijn gouden koepels van tweehonderdvijfennegentig kerken, schitterde in de zon,met vijftienhonderd paleizen en zijn huizenmet sierlijk uitgesneden hout; gele, groene,roze, alleen de cipressen en de Bosporus ontbraken’.Kapuscinski voegt daaraan toe: ‘Zo was het,want Moskou was voor hen een heilige stad, dehoofdstad van de wereld, het derde Rome, de grens van de geschiedenis, het einde van de aardse wandeling van het menselijk geslacht, de open poort naar de hemel’.

Een belangrijke ikonenschilder was Theophanes de Griek, die naar Rusland verhuisde.Kenmerkend voor het werk van deze schilder zijn de krachtige penseelstreken en gedempte kleuren die hij met lichteffecten versterkte. Samen met zijn leerling Andrej Roebljev (1360-1430) schilderde hij de ikonostase in de Annunciatiekathedraal van het Moskouse Kremlin.

Roebljev schilderde de meest beroemde ikoon aller tijden: de Triniteit (Drieeenheid).[14]De kerk spoorde de schilders aan om de Roebljev-manier van schilderen na te volgen.Dit deden zij ook, tot meer dan honderd jaar na zijn dood.

In hetmidden van de 15e eeuw kwam Dionisij, een andere beroemde Griekse schilder, in Moskou werken.Hoewel er nog weinig ikonen van hem bestaan, bepaalde hij de stijl van Moskou.Deze was verfijnder en delicater dan die van hetNoorden.

Toen in 1547 een groot deel vanMoskou door brand werd verwoest,werden ook zóveel ikonen door het vuur vernietigd, dat schilders uit Novgorod, Pskov en andere steden de Moskouse schilders te hulp kwamen. Zo ontstond een mengstijl van Novgorod en Moskou.Een andere belangrijke stijl werd ontwikkeld door de Stroganovs, een rijke adellijke familie, die in de 16e eeuw een eigen ikonenschool oprichtte.Stroganov-ikonen zijn wonderen van prachtige, verfijnde miniatuurkunst.Deze bijzondere school bloeide tot het eind van de 17e eeuw en had grote invloed tot in de 19e eeuw. [12] Omstreeks het midden van de 17e eeuw scheidden de Oudgelovigen zich af van de kerk. Zij konden zich niet verenigen met de westerse stijl die door kerk en staat gepropageerd werd. Er ontstonden hele schildersdorpen van Oudgelovigen in de provincie Vladimir,waarvan Palech en Mstera het meest verfijnde ikonen met veel figuren en een harmonieuze en afgewogen kleurcompositie had.

Ook schilderden zij op aanvraag ikonen in iedere stijl. Zij verzamelden ikonen om ze te reinigen, te restaureren en te kopiëren, en niet in delaatste plaats om ze te eren.Het zijn deze verzamelingen, aangelegd door de Oudgelovigen, die nu prijken in de Russischemusea en in de kerken van Oudgelovigen. [13]

Simon Oesjakov (1626-1686) was een voorname ikonenschilder; hij schilderde in een door de westerse schilderkunst beïnvloede stijl. [6]Hij enzijn leerlingen werkten in de ateliers (de voormalige wapenkamers) van het Kremlin. Zij pasten de clair-obscurtechniek toe, hadden oog voor de anatomie en gebruikten lijnperspectief.

In 1703 maakte Peter de Grote St. Petersburg de nieuwe hoofdstad. Hij liet een moderne, Europese stad bouwen en richtte een kunstacademie op naar westers model. Voor het eerst werden behalve ikonen ook andere onderwerpen geschilderd. Vooral in centraal Rusland bleef een grote vraag naar ikonen bestaan, die in alle stijlen geschilderd werden.Naast massaproductie werden ook nog steeds meesterwerken geschilderd. Er kwam een ambachtelijke productie op gang in de ateliers van kloosters, steden en dorpen.Kooplui brachten manden vol ikonen naar de markt,waar zij tussen kinderspeelgoed en aardappels uitgestald werden.In intellectuele kringen, die veel meer geïnteresseerd waren in de westerse cultuur, vond men ikonen achterhaald en achterlijk; niet meer dan aankleding voor de kerken. Bovendien spraken zij bij voorkeur Frans in plaats van Russisch.Misschien als reactie op de europeanisatie van Rusland werden door collectioneurs de eerste ikonenverzamelingen aangelegd.De eerste tentoonstelling in 1914 opende de deuren voor velen. Schilders als Kandinsky en Chagall vonden in ikonen hun inspiratie.Ook niet-Russische schilders, zoals Picasso en Matisse,waren onder de indruk van de oude ikonen.

Na de Oktoberrevolutie van 1917 hield de traditie van het ikonenschilderen vrijwel op te bestaan. Lenin haatte godsdienst en alles wat daarmee temaken had.Kerken werden gesloten en afgebroken.Wederom werden ikonen verwoest,maar gelukkig ook naar het Westen verkocht.Het is mede aan de belangstelling van verzamelaars in het Westen te danken, dat betrekkelijk veel ikonen bewaard gebleven zijn.

Na het ontbinden van de Sovjet-Unie werden de kerken en kloosters weer in ere hersteld.Monniken namen de kloosters weer in gebruik, ikonenwerden gerestaureerd en er werden weer nieuwe ikonen geschilderd. Veel ikonen die in het Westen terecht waren gekomen,worden nu door Russische verzamelaars teruggekocht.

Griekse ikonen

Tijdens de Turkse overheersing van Griekenland (1453-1821) werd de

ikonenverering in kerken en huizen wel getolereerd,maar de functie van ikonen in het openbare leven nam sterk af.De ikonen die nu nog in Griekenland gemaakt worden, zijn door het toenemen van het toerisme vaak eerder handelswaar geworden.Het mystieke karakter is grotendeels verloren gegaan. Zelfs de ikonen van de geïsoleerd gelegen berg Athos ontkomen daar niet aan.Het zijn flauwe aftreksels geworden van wat eens was.Het is een feit dat voor alle gelovigen ikonen een devotionele waarde hebben.Naast de devotionele waarde spelen voor de kunstverzamelaar de factoren artistieke schoonheid en bezieling de belangrijkste rol.

noten

3 De Vierde Kruistocht,met als doel het veroveren van het Heilige Land via Egypte,mislukte door een gebrek aan middelen.Men haalde Palestina niet eens. In plaats daarvan veroverden de kruisvaarders Constantinopel.Daar stichtten zij het Latijnse Keizerrijk (1204-1261).

4Naamvan het oude Rusland.Kiev is de huidige hoofdstad van Oekraïne en de oudste stad van Rusland.


Brton : met toestemming overgenomen uit het boek : De rijkdom van ikonen, door Ingrid Zoetmulder.

Het iconoclasme

Het iconoclasme

Christus het heilig gelaat_ rond 1750 Moscou.jpg

 

De kerk bleef zeer wantrouwend ten opzichte van de om zich heen grijpende beeldencultus.Keizer Leo III (717-741) steunde de kerk om paal en perk te stellen aan de mateloze ikonenverering.Mede gedreven door politieke motieven gaf hij de opdracht om de zeer vereerde Christusikoon, die boven de ingangspoort van het keizerlijk paleis hing,met een bijl stuk te slaan.Alle ikonen uit kerken en huizen werden verzameld en verbrand en vervangen door kruisen en andere symbolen en ornamenten.Deze strijd is de geschiedenis ingegaan als het ‘iconoclasme’. De tegenstanders van de beeldenverering, de iconoclasten, beriepen zich op het tweede van de tien geboden: ‘Gij zult geen gesneden beeld maken’.De voorstanders, de iconodoulen,wezen dit af met de verklaring dat het gebod alleen van toepassing was op afgoden. Volgens hen was de eerste ikoon afkomstig van Christus zelf.Men doelde hiermee op de ‘niet door mensenhanden gemaakte ikoon’. Daarover bestaan verschillende legenden,waarvan de

Lees verder “Het iconoclasme”

Iconostase : de koninklijke deuren

Iconostase : de koninklijke deuren

 

koninklijke deuren.jpgDe centrale deuren van de iconostase worden de Koninklijke deuren genoemd want het was hierdoor dat de keizer van Constantinopel plechtig het schip van de kerk binnentrad. Deze deuren zijn heilig en blijven altijd gesloten. Het is enkel tijdens de Goddelijke Liturgie dat de priester ze opent om het heiligdom binnen te treden (bema), waar hij het brood en de wijn consacreert. Op de vleugels van de poort worden de engel Gabriël en de Maagd Maria voorgesteld, alsook de vier evangelisten. Soms wordt ook de communie der apostelen afgebeeld. In de XVIe eeuw opent men de linkse zijdeur (op de Russische iconen) om naar de plaats te gaan waar de prothesis plaatsvindt, waar men de heilige gaven voorbereid, de zuidelijke zijdeur leidt naar het diakonikon, een soort sacristie, waar men de liturgische gewaden bewaart. Op de diaconale poorten zijn soms diakens afgebeeld of scènes die verband houden met de Verbanning uit het paradijs of scènes van de Goede Moordenaar, van het laatste oordeel en van de dodencultus. In het bijzonder legt de aanwezigheid van eschatologische thema’s op sommige diaconale poort van de prothesis uit, dat hier de ceremoniën plaatsvinden voor de overledenen. Binnenin, op de tafel van de prothesis bevinden zich onder andere de lijsten van de weldoeners waarvoor men zal bidden tijdens de Goddelijke Liturgie.

Uit : Icones et saints d’Orient

Vertaling : Kris Biesbroeck

Ikonen in de vroegchristelijke tijd

Ikonen in de vroegchristelijke tijd

Hoewel er geen ikonen overgebleven zijn uit de eerste eeuwen van het christendom,is het eigenlijk vanzelfsprekend dat die er wel geweest zijn.De ikonen pasten in de schildertraditie en waren daar een voortzetting van.De eerste christenen immers leefden in het Romeinse Rijk in een zeer kunstlievende omgeving.Overal in de stad stonden standbeelden van goden, heersers en filosofen;ook in de huizen waren afbeeldingen van voorouders, goden en filosofen te vinden.De wanden van de villa’s van de welgestelde klasse waren bedekt met decoratieve schilderingen.Alleen in Pompeii zijn daar voorbeelden van overgebleven.De Romeinse wandschilders hebben zich vermoedelijklaten inspireren door Griekse voorbeelden.2 De schilderkunst van de oude Romeinen kende vele motieven, zoals mythologische voorstellingen, landschappen, planten, dieren en scènes uit het dagelijks leven.Ook waren er portretten op panelen van de klassieke goden, helden en familieleden. Van dit type antieke (voorchristelijke) ikonen zijn er tot nu toe zo’n twintigtal gevonden.De meeste zijn in Egypte ontdekt, in huizen en in tempels. Zij dateren uit de 2e tot de 4e eeuw.De eerste portretschilderkunst waarvan genoeg bewaard is gebleven om er een beeld van te vormen, zijn de Fayoemportretten.Hoewel deze portretten ook op andere plaatsen gevonden zijn, zijn zij vernoemd naar de Fayoemdelta in Egypte, een vruchtbare en welvarende delta (ongeveer 60 km ten zuiden van Caïro) waar de meeste portretten zijn ontdekt. [1-3]De eerste twee portretten werden ontdekt in het begin van de 17e eeuw door Pietro della Valle, die op pelgrimage naar het Heilige Land in Egypte belandde. In 1888 heeft de Britse archeoloog W.M. Flinders Petrie portretten opgegraven in Hawara; dit waren de eerste portretten die wetenschappelijk zijn onderzocht. Van deze buitengewoon mooie portretten zijn er tot nu toe zo’n duizend gevonden. Ze zijn geschilderd op dunne houten panelen en verkeren veelal in een uitstekende staat.Het zijn portretten van mannen, vrouwen en kinderen, jong en oud, zowel eenvoudig als gedetailleerd uitgewerkt.

In deze streek van het Romeinse Egypte woonden in de eerste drie eeuwen Grieken, Egyptenaren, Romeinen, Syriërs, Libiërs,Nubiërs en Jodennaast en met elkaar. In deze multiculturele samenleving waren de cultuur en de taal voornamelijk Grieks,maar men had veel respect voor de Egyptische religie en gebruiken. In navolging van de Egyptische dodenmaskers uit de vroege tijd van de farao’s, bestond de gewoonte om de doden te balsemen en hun sarcofaag te tooien met het portret van de overledene. Na röntgenonderzoek van enkele mummies die samen met hun portret gevonden zijn, bleek een discrepantie te bestaan in leeftijd: het portret toonde een veel jonger iemand dan de mummie.Daarom wordt aangenomen dat de meeste van deze portretten nog tijdens het leven van de geportretteerde werden geschilderd en in huis opgehangen.De Fayoemportretten en de christelijke ikonen hebben duidelijke overeenkomsten.Het meest opvallend, behalve de gebruikte schildertechniek en materialen, is de expressieve blik in de ogen.Mogelijk hebben Fayoemportretten en ikonen naast elkaar bestaan totdat deze mummieportretten in onbruik raakten.De ikonen uit de 5e en 6e eeuw die bewaard zijn in het afgelegen Catharinaklooster in de Sinaïwoestijn, hebben een opvallende gelijkenismet de Fayoemportretten. [5, 40]

Het moet voor de eerste christenen niet moeilijk geweest zijn om over te stappen van de verering van geschilderde portretten van goden, keizers en familieleden naar de verering van ikonen als afbeeldingen van goddelijke personen, zoals Christus, de Moeder Gods, heiligen en martelaren.Het blijft heel moeilijk om zich een voorstelling te maken van het religieuze leven van de christenen in de eerste eeuwen. Zij probeerden een weg te vinden tussen enerzijds hun behoefte iets tastbaars van hun geloof te bezitten en anderzijds hun verzet tegen afgodsbeelden. Bovendien bestond de ban op afbeeldingen die de joden uitgesproken hadden.

Eusebius (265-340), die bisschop was van Caesarea, schrijft over oude portretten van Christus en van Petrus en Paulus, die hij in grote aantallen gezien heeft. Eusebius en ook andere kerkvaders vonden de ikonen overbodig. Zij voegden niets toe aan de ‘openbaring door middel van het woord’.

Epifanius (315-403),metropoliet van Cyprus, vertelt in zijn Epistola ad Joannem, dat hij op een avond een kerk binnenging en daar op het gordijn dat het heiligdom van het schip scheidde, religieuze afbeeldingen aantrof. Hij scheurde het gordijn af en gaf het aan een plaatselijke bewaarder, die hetaan een arme kon geven om als lijkkleed te dienen. Ondanks de negatieve kritiek van bisschoppen en kerkvaders waren ikonen niet alleen een zaak van de theologen maar ook van een gemeenschap die zich in en door de religie wilde uitdrukken.Maar er zijn tot nu toe weinig ikonen teruggevonden en de oude documenten hierover zijn niet altijd betrouwbaar.Wél gevonden zijn de symbolische voorstellingen uit de 3e en 4e eeuw in de catacomben waar christenen samenkwamen.De oudste christelijke kunst zijn muurschilderingen met Bijbelse thema’s in een huis in Dura Europos in Syrië uit 232.

De eerste literaire bron over een ikoon is te vinden in de apocriefe Handelingen van Johannes, een tekst uit het midden van de 2e eeuw uit Klein-Azië. Lycomedes, een leerling van Johannes, had in het geheim een portret van de apostel laten schilderen en het op een altaartje versierd met bloemen in zijn kamer neergezet.Toen Johannes het portret zag, vroeg hij vol verbazing wie deze figuur was die door Lycomedes op heidense manier vereerd werd.Toen hij hoorde dat hij het zelf was, vroeg hij om een spiegel,want hij had zichzelf nooit eerder gezien.Hij keurde het gebruik af: ‘Het portret lijkt opmij,maar niet op mijzelf’.

4e – 7e eeuw

Na het Edict vanMilaan in 313 waren de Romeinse burgers vrij om hun godsdienst te kiezen en ontstond er een gunstig klimaat voor de ontwikkeling van de christelijke kunst.Keizer Constantijn [4] verplaatste in 330 de zetel van het Romeinse Rijk naar Byzantium, dat werd omgedoopt tot Nova Roma (Nieuw Rome),maar al snel Constantinopel (stad van Constantijn) werd genoemd. In 395 leidde de stichting van Constantinopel, het huidige Istanbul, tot een permanente scheiding tussen de oostelijke (Griekse) en westelijke (Latijnse) helft van het rijk. Aan de oever van de Nijl hadden zich heremieten teruggetrokken, op de vlucht voor de christenvervolgingen.Hieruit ontstonden kloostergemeenschappen, die een belangrijke rol gingen spelen in het debat over de legitimiteit van ikonen.Ook in Constantinopel waren aan het eind van de 6e eeuw alleen al zeventig kloosters.

Onder keizer Justinianus, die regeerde van 527 tot 565,maakte het Byzantijnse Rijk een grote bloeiperiode door, ook op het gebied van de kunst. Justinianus liet in tal van steden prachtige kerken bouwen met schitterende mozaïeken. Helaas werd het merendeel van de gebouwen en mozaïeken in de periode van de Beeldenstorm verwoest.De San Vitale in Ravenna, die wel bewaard gebleven is, geeft een goed beeld van de rijkdomen kwaliteit van de kunst uit die tijd.

Slechts een twintigtal ikonen heeft deze Beeldenstorm overleefd.Het zijn de oudste ikonen die er zijn. Enkele uit de 5e en 6e eeuw worden bewaard in het al eerder genoemde klooster in de Sinaïwoestijn.De beroemdste ikoon is de ikoon van Christus uit de 6e eeuw, die sterke gelijkenis vertoont met de eerdergenoemde Fayoem portretten.

 

Uit het boek : ‘ De rijkdom van ikonen’ Drs. Ingrid Zoetmulder

 

De goddelijke wijsheid (Sophia)

De goddelijke wijsheid (Sophia)

 

Sophia icoon.jpg

 

Het zoeken naar de goddelijke wijsheid heeft de oude volkeren gepassioneerd. Salomon , die koning David opvolgde in 970 na Christus, vroeg aan God de wijsheid vóór alle andere goeds. In het boek der spreuken wordt de wijsheid vergeleken met een huis dat gebouwd is op “zeven zuilen”. De Tempel van Jerusalem ( gebouwd door dezelfde koning Salomon, en heropgebouwd door Herodes de Grote in 18 voor Christus, en vernietigd door de Romeinen in 66-70 na Christus) is het beeld  van de wijsheid, de verblijfplaats van God onder de volkeren. In de iconen is de Wijsheid-Sophia gefigureerd onder het aspect van een koningin-engel gezeten op een troon, een architectonisch element dat verwijst naar de Tempel, en het gezicht, de handen en de vleugels hebben een roze kleur, die het vuur symboliseren van de Geest. Haar kroon symboliseert de nederigheid, de lintvormige versiering die vanuit haar haar hangen symboliseren de kuisheid, en haar klederen symboliseren zowel haar hoge ouderdom als het koninklijk priesterschap. De Sophia zetelt in het midden van een sombere cirkel die het ondoorgrondelijk mysterie van God weergeven. Links en rechts van de “verblijfplaats van de wijsheid” bevinden zich Maria en Johannes de Doper. Achteraan, in het midden van de groep engelen, verschijnen Christus en de Oude der dagen. Bovenaan rollen de engelen de hemelen uit alsof het hier gaat om een tapijt en bereiden zo de Hétimasie, t.t.z.de voorbereiding van de troon voor het laatste oordeel voor, waar Christus zal zetelen op hetb einde der tijden.

Uit : ‘Icones et saints d’orient’

Vertaling : Kris Biesbroeck

De zeven oecumenische concilies

De Zeven Oecumenische Concilies

Het begin van de vierde eeuw is getuige geweest van het grootste keerpunt dat de geschiedenis heeft meegemaakt.
Deze eeuw was pas drie jaar begonnen toen het Romeinse Rijk nog een laatste keer (in 303)probeerde, en met een geweld dat tot nog toe nooit zo hevig was, om de christelijke religie te vernietigen.
Het is waar dat de vervolging van Diocletianus (1), na een tijd van relatieve vrede in de Kerk, heel belangrijk waren voor de de voorbereiding van de kerstening van het rijk, het heeft het leven van de Kerk diep getroffen, vooral de provincies ten oosten van Rome die latijns waren tot het Hellenistische Oosten, anderzijds was in de Kerk van Gallië, Iberia en Brittania deze vervolging niet al te ernstig , in feite werd ze weinig gevoeld in deze provincies die relatief ver lagen van de hoofdstad.

Om strategisch politieke redenen en vooral uit persoonlijk belang deed Diocletianus afstand van de troon in 305. Ook tijdens het bewind van zijn opvolger Galerius (2)en de nieuwe Caesar die hem bijstond, Maximus, nam de vervolging van de christenen een meer systematische karakter aan. Maximinus, nog fanatieker dan de keizer zelf, zocht zijn toevlucht tot nieuwe methoden van anti-christelijke propaganda en afschrikking, maar uiteindelijk moest hij (in 312) terugkeren naar een meer tolerante houding, zeker niet volledig, maar toch belangrijk voor de christenen. Na tien jaar van bloedige vervolging waren duizenden christenen gedood.
Bijna alle historici nu zeggen dat Maximinus besloten had de religieuze vrede te herstellen als gevolg van bedreigingen van binnenuit (de politieke situatie in Rome was zeer verontrustend), en in het bijzonder, onder de slagen die zijn twee collega’s en rivalen van het Westen hem toebrachten : Constantijn en Licinius.
Dit is niet de plaats om alle gebeurtenissen die het begin van de vierde eeuw kenmerkten naar voor te brengen, ze zijn ook zeer complex. Toch is de naam van Constantijn heel nauw verbonden met de triomf van het christendom. Zijn regering zag de vervulling van de omwenteling als de grootste die ooit in de geschiedenis van de christelijke kerk is waargenomen.
Constantijn wordt terecht beschouwd als “isapostolos” (gelijk aan de apostelen). Inderdaad, hij was het die als eerste dacht dat het Romeinse Rijk vroeg of laat een christen rijk zou zijn, het moest in ieder geval stevig vaststaan in het ware geloof. Dus, bezorgd om de eenheid van het geloof van zijn onderdanen te bewaren, riep hij een EERSTE oecumenische concilie samen in 325 in Nicea, een stad dichtbij de nieuwe hoofdstad van het Romeinse Rijk, Constantinopel.
Maar wat is een concilie van de Kerk? En waarom heten sommige”oecumenisch”?
Laat ons meteen zeggen dat “een concilie het orgaan is waarvoor God heeft gekozen om de bisschoppen te leiden, het is een incarnatie van de essentiële aard van de Kerk”. (3) Deze definitie is eerlijk en mooi,. Ik denk dat het voor iedereen toegankelijk is,omdat het gemakkelijk is te begrijpen Voor de oude Grieken was een “Organon” het “middel” bij uitstek en een”middel tot actie” (Organon = Ergon). Het woord “Concilie” wordt elders in het Grieks “synodos” genoemd. Dit woord betekent “samen” of “dezelfde weg opgaan.” De bisschoppen, dus dat wil zeggen zij die “zorgen” (Episkopos) voor de goede werking van de Kerk, komen in een vergadering samen, en werken in een geest van vrede en liefde samen, en ten slotte verwoorden zij op een normatieve manier wat de christologische boodschap van de Kerk is. (4) Een concilie wordt door de keizer samengeroepen; deze laatste versterkt de decreten van het concilie, maar dicteert nooit de termen, het komt toe aan de bisschoppen om het ware geloof te onderwijzen, de keizer was de beschermer. Leken (van het Griekse woord “laos”, dat ” volk” betekent)hadden het recht om concilies bij te wonen en soms een actieve rol te spelen(als de eerste keizer Constantijn en andere keizers van Byzantium). Maar op het moment dat er formele verklaringen moesten gegeven worden waren de bisschoppen de enigen die, vanuit hun charisma tot lering, definitieve besluiten konden nemen.
Een concilie kan “lokaal” of “oecumenisch” zijn. Een “lokaal” concilie bestaat uit leden van één of meerdere kerken, maar zonder de intentie om de ganse Kerk te omvatten. De beslissingen ervan kunnen gevoelig zijn aan fouten. Daarentegen kunnen de leerstellige besluiten van een “oecumenisch concilie” niet worden herzien of veranderd. Ze zijn onfeilbaar en hun autoriteit is universeel omdat ze betrekking hebben op”de gehele bewoonbare aarde” (Oecumene).

Er waren verschillende oecumenische concilies, maar de Orthodoxe Kerk erkent er slechts “zeven” als oecumenisch, en zij werden alle opgeroepen door keizers van het Byzantijnse Rijk. Zij kwamen bijeen in steden van het oostelijk Middelands-Zeegebied.

Het EERSTE oecumenisch concilie van de christelijke Kerk werd in 325 in Nicea (5), bijeengeroepen door Keizer Constantijn die persoonlijk aanwezig was samen met driehonderd bisschoppen. Het is juist dit concilie dat Arius veroordeelde (6), die verklaarde dat de Zoon van God, dat wil zeggen Christus “consubstantieel” is met de Vader (“homoousios” in het Grieks, dwz. van dezelfde essentie). Christus is de ware God uit de ware God, en is niet ondergeschikt aan de Vader volgens Arius. Dit Concilie verkondigde ook dat Christus geboren is en niet geschapen. Dit werd uitdrukkelijk opgenomen in het “Credo”, dat wil zeggen in de belijdenis van het ware geloof van een orthodox Christen. Het concilie hield zich ook bezig met de materiële organisatie van de Kerk, maar de veroordeling van Arius was een bijzondere datum in de geschiedenis van het leerstellige christendom.

Het was een gegantische en vaak gepassioneerde opdracht, maar alles werd gedaan in liefde, begrip en wijsheid. De aarzeling en terughoudendheid echter van sommige bisschoppen schiep een klimaat van onrust binnen de Kerk zelf.

Het is daarom dat in de woelige periode die zich uitstrekt van 325 tot 381, werd besloten terug te keren naar het werk van Nicea en in het bijzonder de ontwikkeling van de geloofsbelijdenis. Ook werd er een nieuw oecumenisch concilie bijeengeroepen (het TWEEDE)in Constantinopel in 381. Tijdens dit concilie werd een bijzonder accent gelegd op de Heilige Geest, die gelijk is aan God op dezelfde wijze als de vader en de Zoon. “De heilige Geest die voortkomt uit de Vader, die met de Vader en de Zoon aanbeden en verheerlijkt wordt”. Maar er werd ook verkondigd dat de absolute eenheid van God (ousia) onlosmakelijk verbonden is die niet verscheiden is. Zo zijn de Vader, de Zoon en de Heilige Geest drie goddelijke personen (hypostases) “in één persoon”. Deze leer werd prachtig ontwikkeld door drie groten van de orthodoxe theologie : de heiligen Gregorius van Nazianze, Basilios de Grote en gregorios van Nyssa.

Vijftig jaar na het concilie van Constantinopel werd een DERDE concilie bijeengeroepen te Efese in 431. Dit concilie verkondigde de hypostatische eenheid van Christus, dat er in Christus geen onderscheid is tussen zijn goddelijkheid en zijn menselijkheid, maar een perfecte combinatie van het goddelijke en het menselijke. Christus kan alleen bestaan in twee verschillende naturen (ousies) : Hij is tegelijk God en mens. Het was ook tijdens dit concilie dat plechtig werd verkondigd dat Maria de Moeder van God is, de Godsmoeder. Maria schonk het leven aan het Woord Gods( de Logos), dat vlees geworden is. Het kind dat maria droeg was een bijzonder persoon (7), zowel God als mens (Johannes 1,14).

Maar nauwelijks twintig jaar waren verstreken sinds het concilie van Efese of er werd een VIERDE concilie bijeengeroepen te Chalcedon, een stad in de buurt van Constantinopel, aan de andere kant van de Bosphorus in 451. Dit vierde oecumenisch concilie maakt samen met het vorige het hoogtepuint uit van de orthodoxe christologie. Het is tijdens de werkzaamheden van dit concilie dat verkondigd werd dat “Christus waarlijk God en waarlijk mens is, Hij laat zich kennen zonder vermenging, zonder verandering, individueel en onlosmakelijk verbonden met elkaar op zo een wijze dat de eigenschappen van elke natuur (goddelijk en menselijk) steviger blijven als ze verenigd zijn in één persoon” (of hypostase). (zie O.Clément : De orthodoxe Kerk).

Hier zien wij dat de concilievaders een beslissende slag wilden toebrengen aan de aanhangers van Nestorius (8)(die in dit concilie en zelfs ervoor sterk insisteerde op het onderscheid tussen de mensheid en de goddelijkheid van Christus), maar ook aan de aanhangers van de leer van één natuur in Christus (monofysieten). Echter verre van een conclusie te geven over de besproken problemen, is het concilie in een lange crisis terechtgekomen die duurde tot het einde van de 5e eeuw en geheel de zesde eeuw.

Het VIJFDE concilie werd bijeengeroepen in Constantinopel in 553 om de nawerking van het Nestorianisme en monofysitisme te boven te komen en om opnieuw te proberen uit te leggen hoe de twee naturen van Christus slechts één zelfde persoon vormen. Maar een aanzienlijk deel van de kerken, vooral in Syrië en Egypte weigerden nog steeds de besluiten van het concilie van Chalcedon te erkennen.

Maar de vrede in de Kerk zal slechts honderddertig jaar duren. In 681 werden de bisschoppen opnieuw geroepen naar Constantinopel om een nieuwe vorm van het monofysitisme te behandelen en er zich over uit te spreken : de ketterij van het “monothélitisme” (één enkele wil). Deze laatsten beweerden dat “omdat er in Christus twee naturen zijn in één persoon, dan zou er in Hem slechts één wil zijn (de goddelijke).De Monothélitisten vielen ook de volheid van de menselijkheid van Christus aan. Dit was het voornaamste doel van het ZESDE oecumenisch concilie.Het is de mening van het geheel van theologen dat het zesde oecumenisch concilie slechts een relatieve vrede in de christelijke Kerk brengt. De geschillen rond de persoon van Christus zouden nog lang duren onder één of andere vorm. Nieuwe problemen hielden niet op om te verschijnen, bijvoorbeeld dit van de verering van de heilige Iconen van Christus, van de Moeder Gods en van de heiligen.Maar voordat wij dit probleem aanraken, zeggen wij eerst iets over de Iconen en wat ze betekenen voor een orthodoxe christen. Een Icoon is volgens de orthodoxe traditie ” een heilige getuigenis van de goddelijke tegenwoordigheid” De icoon is geen schilderij, of een artistiek oevre dat tot een bepaalde school in een bepaald tijdperk behoort en als zodanig niet gedateerd noch gehandtekend is. ze behoort niet tot onze kortstondige en sterfelijke wereld maar wel aan dit van het hemels Jeruzalem.Dat is de reden waarom een orthodoxe icoon dikwijls genoemd wordt : “acheiropdiète” ’t is te zeggen “niet door mensenhanden gemaakt”. Maar de beeldenstormers beschuldigden de orthodoxie van afgoderij. Ze wilden ze vernietigen en laten verdwijnen uit de kerken (beeldenstormers, iconoclasten). De iconoclastische controverse spreidde zich over een periode van 20 jaar en was vaak gekenmerkt door gewelddadige vervolging. Maar de orthodoxie triomfeerde, de iconenverering werd uiteindelijk hersteld door de vrome keizerin Theodora (9) in 843 (Feest van de zondag van de orthodoxie). Het ZEVENDE oecumenisch concilie, dat bijeenkwam in Nicea in 787 verkondigde duidelijk en krachtig dat de afbeeldingen in de kerken moesten blijven bestaan om vereerd te worden zoals de andere materiële symbolen van ons geloof.

Ziehier dus, in het kort de geschiedenis van de Zeven Oecupmenische Concilies, de enige die onfeilbaar zijn en de universele autoriteit bezitten die onze universele kerk erkent. Zij heeft zich nooit ervan verwijderd. Herinneren wij er ons hier aan dat de orthodoxe kerk noch de middeleeuwse scholastiek van het Westen, noch de Hervorming en de Contra-reformatie heeft gekend. Bedenk ook dat de Orthodoxie nooit probeert te overtuigen. Ze heeft de waarheid en de genade van de betovering.

+ Nicolas SARAFOGLOU, in Syntaxis nr.23, Jan.-Febr.-Maart 1993

voetnoten :

(1) Romeins keizer 284 tot 305.

(2) Romeins keizer 306 tot 311.

(3) in : Orthodoxie, Timoty Ware, Desclee de Brouwer 1948

(4) in : De Orthodoxe Kerk. O.Clément : Que sais je ? 1965

(5) Stad in klein Azië in de buurt van Constantinopel.

(6) Arius : priester van Alexandrië (280-336)

(7) in het grieks “Monogénis” (enige zoon)

(8) Nestorius : heresiarch, Patriarch van Constantinopel, afgezet door het concilie van Efese in 453

(9 )Vrouw van de Byzantijnse keizer Theophilos.

vertaling : Kris Biesbroeck