
HEBBEN EN ZIJN – PROBLEEM EN MYSTERIE – DE FILOSOFIE VAN GABRIEL MARCEL (Frans Katholieke filosoof)
door Kris Biesbroeck
Enige verduidelijking van de tekst kan men vinden gans op het einde van dit artikel….
1.SUBJECT-OBJECT VERHOUDING / DE TECHNIEK
We leven in een gebroken wereld. De mens is gescheiden van deze wereld, en daarmee ook van zichzelf, van de anderen en van God. Het is een wereld waarin men dingen als objecten gaat beschouwen, die het eigenlijk niet mogen zijn.
De eerste reflectie van de mens op zijn situatie is die der wetenschap. Zij geeft weten dat algemeen geldig is, zij geldt voor ieder mens met gelijke kracht.
Wetenschap is gericht op het oplossen van problemen . De wetenschappelijke beheersing van een situatie is echter iets heel anders dan zich rekenschap geven van de situatie, waarin men als concrete persoon gesteld is (1). Volgens Marcel kan ik nooit object zijn voor mijzelf. Het object is dat wat tegenover mij staat, een ding. Daarom staat Marcel ook zo wantrouwig tegenover de techniek. In ‘Les Hommes contre l’humain’ vergelijkt hij de techniek met zonde. ‘Er zijn evenwel tegen het gebruik van de term zonde, niet op theologisc , maar op filosofisch terrein bezwaren denkbaar. Zonde is immers in wezen de opstand van het schepsel tegen zijn Schepper. Kan dit woord een betekenis behouden voor de ongelovige die het bestaan van een scheppende God betwist ? Formeel schijnt dit bezwaar niet weerlegbaar, maar als men dieper graaft, moet men dunkt mij, toegeven, dat ook de ongelovigen tegenover de systematische afschuwelijke misdrijven van de voorbije eeuw meer en meer tot het bewustzijn zijn gekomen van het begrip zonde, dat met dergelijke monsterachtigheden verbonden is (2) Deze opvatting over de techniek stamt nog uit de tijd toen hij als vrijwilliger dienst deed bij het Rode Kruis, toen hij de ellende zag die de bombardementen veroorzaakten. ’Vandaag moet men luidop verklaren dat de oorlog in zijn huidige gedaante de zonde zelf is. Tegelijkertijd moeten we echter erkennen dat die oorlog steeds meer een zaak van technici wordt’ (3)
Verder geeft Marcel nog twee opmerkingen die de verbinding van zonde en techniek kunnen verhelderen. Vooreerst zijn alleen de staten nog rijk genoeg om de gigantische laboratoria te financieren waarin de nieuwe fysica gestalte krijgt. Vervolgens zijn de eisen van hun onderzoekingen gericht op de groei van hun macht, met het oog op toekomstige conflicten tussen concurrerende imperialistische machten. In deze zin is de verstatelijking van wetenschap en techniek zonder twijfel een van de ergste rampen van onze tijd (4). Het werkelijk doel dat de techniek beoogt, een goed te zijn, omdat het een verbijzondering is van de rede in zijn toepassingen op de werkelijkheid, schijnt men uit het oog te verliezen. Een automobilist die misbruik maakt van zijn auto door overdreven snelheid, verliest het schone der natuur uit het oog. Verder kan iemand volledig opgaan in een of ander technische hobby zodat de techniek voor deze beoefenaar een soort afgod kan worden, welke uiteindelijk kan ontaarden in zelf verafgoding, in aanbidding van zichzelf (5). Voor zover de techniek verworven wordt, is ze gelijk te stellen aan een hebben (6). Wanneer men Marcel in deze zin hoort spreken, zou men de neiging hebben met S. Ysseling te spreken van ‘misschien wel de meest pessimistische onder de grote auteurs’ (7)
Nochtans is Marcels opvatting over de techniek niet van die aard, dat hij ze maar verwerpt zonder meer. Hij ziet er ook het nut van in, en hij noemt het zelfs een teruggang van de menselijke soort indien men de huidige crisis zou willen oplossen door alle fabrieken en laboratoria te sluiten. Hij is tégen de technocratische mentaliteit die de hele werkelijkheid waartoe ook de mens behoort, als een ding gaat behandelen (8).Deze beschouwingswijze kan de mens tot wanhoop brengen, en uiteindelijk tot zelfmoord, voornamelijk als men de mens op dezelfde wijze gaat behandelen als een versleten apparaat dat wordt weggeworpen.Dit zou dan voor de mens gebeuren bij de dood.
Hier raken we de kern van Marcels beschouwingen : de liefde voor de mens.
Het kwaad van de techniek, zoals we het hierboven hebben beschreven, behoort echter slechts tot het gebied van het problematische, namelijk. iets dat vreemd is aan mijzelf. Aan mij daarentegen openbaart het kwaad zich als Mysterie wanneer ik erken dat ik mijzelf niet kan zien als buiten het kwaad (9). Het hangt uiteindelijk van ons af hoe wij zullen komen te staan tegenover de techniek. Daarom mag de filosoof het niet houden bij een eerste reflectie, maar moet hij dieper gaan. Dit gebeurt in de tweede reflectie waarin we het kwaad niet meer als een probleem gaan beschouwen, maar als een mysterie, als iets waar wijzelf bij betrokken zijn. We mogen niet blijven staan bij het voortdurend objectiveren van de waarheid. De mens wil in de grond niet hebben, maar hij wil zijn. In deze tweede reflectie ga ik de onmiddellijkheid heroveren en wel bewust door de participatie van het subject met de werkelijkheid. Dit object laat zich juist niet objectiveren, het is niet in een logisch proces te vangen, het is, dit wil zeggen : het deelt in de realiteit van het zijn (10). J.Delhomme heeft in haar heldere weergave van Marcels denken een goed voorbeeld daarvan gegeve : ik heb gelogen. Iemand ontdekt mijn leugen en noemt mij een leugenaar. Hiertegen protesteer ik, ik heb inderdaad onwaarheid gesproken, maar het is onjuist mij van het etiket leugenaar te voorzien. Mijn echte zijn is méér dan deze leugen, deze éne daad put niet mijn wezen uit. Normaal spreek ik de waarheid, ik wil dit ook, ik wil trouw zijn aan een diepere werkelijkheid in mij, waarvan ik helaas in een ogenblik van zwakte ontrouw ben geweest. Dit betekent : mijn denken weigert zich te vereenzelvigen met de begrensdheid van het objectieve denken en stijgt nu uit deze limitatie op tot het echte zijn. Hier vindt het zichzelf als een identificatie van denken en zijn, die de tegenstelling subject-object transcendeert, op een niveau waar de distinctie in mij en buiten mij zijn zin verliest. De reflectie was dus gericht op het erkennen van een participatie die realiteit als subject bezit. Deze participatie kan -per definitie- geen object van denken worden…Het is een erkennen, dat het denken is omringd door het zijn, dat het in zekere zin erin is (11)
2.HEBBEN ZN ZIJN / PROBLEEM EN MYSTERIE
HEBBEN EN ZIJN
HEBBEN:
Laten we om te beginnen de grensgevallen uitsluiten waarin de betekenis van hebben verzwakt is : hoofdpijn hebben, nodig hebben enz.. Het gaat hier over het hebben in de volle betekenis van het woord, als uitdrukking van een bezit hebben. Welnu, bij dit hebben gaat het steeds om een ding, of iets dat met een ding kan gelijkgesteld worden, iets dat losgemaakt is uit een geheel, een quid dus, waarop aanspraak wordt gemaakt door iemand, een ‘qui,’ die van meet af aan op een ander vlak staat en beschouwd wordt als centrum van inherentie of waarneming (1). In de band die het ‘qui’ met het ‘quid’ verbindt, kunnen we drie aspecten onderscheiden: de exclusieve aanspraak, de zorg voor het onderhoud en meesterschap of de slavernij.
Een bepaalde hond behoort mij toe, indien niemand anders met recht aanspraak op hem maakt. Vandaar zal ik niet gemakkelijk moeten zegge : ‘mijn neus behoort mij toe’, want het is moeilijk denkbaar dat anderen mijn neus zouden opeisen. Het geval stelt zich reeds anders voor de delen van mijn lichaam : handen en voeten, die door een ander zouden kunnen gebruikt worden als instrument. Hebben betekent in principe altijd: voor-zich-hebben, voor zich behouden. Als men de kennis neemt als de modus van het hebben, is het meest typerend voorbeeld : het geheim (2).
Een geheim bezitten betekent: het voor-zich-behouden, het verbergen, dus anderen uitsluiten. Mijn geheim heeft des te meer waarde in mijn eigen ogen, wanneer de ander er het bestaan van kent zonder de inhoud te kennen. Mijn geheim is maar een geheim voor zover ik het voor mijzelf behoud, maar evenzeer voor zover anderen het mij zouden kunnen ontstelen. Indien niemand nog belangstelling heeft voor zijn geheim, dan is het alsof het niet meer bestaat: het zou uitdoven als een vuurpijl. Integendeel, het geheim dat ik werkelijk bezit, ontleent zijn belang grotendeels aan de nieuwsgierigheid die het wekt bij anderen (3). Hier raken we iets, dat precies de tragiek uitmaakt van alle bezit: zohaast ik iets heb, stel ik mij in oppositie tegenover de anderen die niet hebben wat ik heb en die mij mijn bezit zouden willen ontfutselen.
Meteen komen we aan het tweede aspect: een hond is maar echt van mij, indien ik –rechtstreeks of onrechtstreeks- de zorg voor zijn onderhoud op mij neem. Het hebben is altijd in functie van de tijd, het veronderstelt het voortbestaan zowel van het ‘qui’ als van het ‘quid’. Welnu, dit voortbestaan wordt voortdurend bedreigd – vooral wegens de spanningen met de anderen (4). Vandaar dat het echte hebben (5) steeds riskeert bij de eigenaar angstige zorg te verwekken.
Het zou belachelijk zijn een dier mijn hond te noemen, indien het mij volkomen ignoreert, indien het geen rekening houdt met mij. Ik heb slechts datgene, waarover ik tenminste enigszins kan beschikken. Het is nochtans van belang te bemerken dat er een verschil bestaat tussen iets hebben als object en iets gebruiken als instrument. Wanneer ik de dingen zuiver als instrumenten gebruik, beschik ik er over en hebben zij op mij geen macht (6). Zo is de arme van geest, die het hebben volkomen onderschikt aan het gebruiken. Wanneer ik integendeel geld bezit in massa, of obligaties, zonder dat ik aan het werk en de verantwoordelijkheid van de maatschappij deelheb, dan is het gevaar groot dat dit bezit mij aan zich gaat verslaven(7).
Ik word verslonden door mijn bezit (8). Dit zal des te meer waar zijn, in de mate dat ikzelf meer inert sta tegenover objecten, die zelf inert zijn. En des te meer vals, in de mate dat ik op meer actieve, vitale wijze verbonden ben met het ding, dat als de steeds hernieuwde stof is van een persoonlijke schepping. De tuin van hem die erop werkt, de hoeve voor wie ze uitbaat, de piano of viool van de muzikant, het laboratorium van de natuurkundige (9). In al deze gevallen kan men zeggen dat het ‘avoir’ neigt naar, tot op zekere hoogte gesublimeerd wordt tot, verandert in zijn (10).
Zohaast er schepping is, wordt het hebben getranscendeerd: de dualiteit van bezitter en bezetene verdwijnt en maakt plaats voor een levende realiteit (11).
Men kan dit illustreren met tal van voorbeelden. Hoe meer ik mijn ideeën en overtuigingen behandel als iets dat mij toebehoort, waarop ik trots ben, zoals ik trots ben op mijn kleren of serre, des te meer zij, juist door hun inertie, mij zullen tiranniseren (12)(13). Ik word er slaaf van, word gealiëneerd, treed in oppositie met anderen om ze voor mij te bewaren, om ze te doen triomferen. Dit is precies het principe van het fanatisme onder al zijn vormen (14). Hetzelfde geldt voor het geloof : wie zegt dat hij het geloof bezit, beschouwd dit geloof impliciet als een toestand, als iets inerts, een formule, een exlusiviteit, en maakt het tot principe van verdeeldheid.
WAT IS HET ‘ZIJN’
De vraag lijkt zeer simpel. Het antwoord nochtans vraagt veel omzichtigheid, want, indien we er niet toe komen de juiste betekenis van zijn te bepalen, riskeren we de toegang tot de metafysiek te missen. Het zou een vergissing zijn te denken dat, wanneer men de vraag stelt: wat is zijn? men een Probleem stelt, dat zou kunnen opgelost worden door een geëigende techniek. Het zijn is geen probleem, maar een mysterie.
Hoofdstuk 2: PROBLEEM EN MYSTERIE
Probleem: Het probleem is iets dat de weg afsnijdt, iets waartegen de geest op een gegeven ogenblik van het onderzoek stoot, zoals de voet op een steen. Een probleem stelt zich zegt men, het staat tegenover mij. De gegevens van het probleem verschijnen als uitwendig aan mijzelf, of kunnen minstens veruitwendigd worden. Door het feit dat het probleem los staat van mij, kan het ook tot een oplossing gebracht worden (15). Alles verloopt, alles mag verlopen zonder dat ik mij bekommer om het ik, dat het probleem oplost.
Ik beschouw het probleem in zichzelf, abstractie gemaakt van de wijze, waarop het in mijn leven is ingeschakeld.
Een probleem veronderstelt altijd dat een zekere inhoud is losgemaakt van de context, die het met het ik verbindt.
Daarom kan het ook opgelost worden door een techniek, waarvan de toepassing onpersoonlijk is, in deze zin dat zij kan geschieden door om het even wie.
MYSTERIE:
Men moet er zich voor hoeden het mysterie te verwarren met het onkenbare (16). Dit laatste is in zekere zin de limiet van het problematische(17), een onoplosbaar probleem, zo men wil. Het behoort dus essentieel tot de orde van het problematische. Het mysterie is van een andere orde, het behoort tot een transcendente sfeer, die men zou kunnen noemen meta-problematisch of ook nog meta-technisch
(18). Het mysterie is dus geen leemte in het kennen, geen leegte die moet gevuld worden, maar een volheid. Terwijl het probleem voor mij staat, is het mysterie iets waarin ikzelf ben geëngageerd, geïmpliceerd, zodanig dat het onderscheid tussen in-mij en voor-mij zijn betekenis verliest (19).
Daarom kan men een mysterie nooit denken, voorstellen, bewijzen, want dan objectiveert men het. Het kan enkel erkend worden door een concrete intuitie, die duister is, afhankelijk van de vrijheid en verwant met het geloof. Zeker is het altijd mogelijk een mysterie te degraderen, door er een probleem van te maken, maar dit is een volledig verkeerde werkwijze waarvan de oorzaak moet gezocht worden in een soort corruptie van het verstand (20).
Bij de beschrijving van de techniek hebben we al even melding gemaakt van het mysterie van het kwaad. Hier willen we er nog eens uitvoeriger op terugkomen, en tevens nog een paar andere voorbeelden van een mysterie naar voor brengen, om de hierboven beschreven formele definitie aldus meer inhoud te geven.
HET MYSTERIE VAN HET KWAAD:
Men is steeds geneigd het kwaad te beschouwen als een defect in het functioneren van een zekere machine, die het universum is, en die men zou kunnen onderzoeken zoals een technieker een kapotte motorfiets uit elkaar neemt (21). Aldus neem ik een zuiver fictieve positie in, die het wezen van het kwaad verloochent, waardoor het tot probleem wordt. Het kwaad, de pijn die enkel wordt geconstateerd, van buiten uit bekeken, houdt door het feit zelf op kwaad, pijn te zijn. Pijn die niet geleden wordt is geen pijn. Hoe reëler het lijden is, des te vollediger het mij doordringt, het maakt een eenheid uit met mijzelf, het is mijzelf. Daarom is de daad, waardoor ik het lijden buiten mij ga plaatsen, volkomen arbitrair. Daarom ook moet de metafysische rechtvaardiging van het lijden, en van het kwaad in het algemeen, een referentie bevatten tot mijn lijden, of althans tot lijden dat ik tot het mijne maak, dat ik assumeer. Ik vat het lijden slechts als lijden, in de mate dat het mij aangrijpt, dat ik erken dat het in-mij is. Indien ik het lijden alleen maar constateer, verliest mijn poging tot rechtvaardiging alle betekenis. Daarom ook geeft de traditionele filosofie, wanneer zij over het kwaad spreekt, en over alle werkelijkheden van deze orde : liefde, dood..enz., vaak de indruk een soort spelletje te spelen, een soort intellectuele goochelkunst te bedrijven. Gezonde mensen die tegenover zieken redevoeringen en toespraken houden, weten al te dikwijls niet waarover zij spreken. Hun comfortabele spraakzaamheid heeft iets beledigends voor deze vreselijke werkelijkheid die de ziekte is, en die zij ten minste moesten respecteren. De echte ziekte is een wereld die zich niet van buiten uit laat bekijken. Men moet erin staan, men moet er deel van uitmaken, ten minste door een warme sympathie (22). Indien men zich tegenover de ziekte houdt in het perspectief van zuivere objectiviteit, ziet men de ziekte niet anders dan een zekere wanorde in het functioneren van het lichamelijk apparaat, maar dat is allerminst een trouwe weergave van de werkelijkheid. De ziekte is een wijze van zijn van de zieke, een zijnswijze tegenover dewelke de zieke op een bepaalde wijze moet reageren (23). Voor de objectieve toeschouwer is de ziekte een obstakel, aldus gewoonlijk voor de geneesheer; de zieke echter, vooral de ongeneeslijke zieke, kan ertoe komen zijn ziekte te zien in een ander perspectief: ze kan voor hem, althans op zekere ogenblikken, verschijnen als een weg, en niet zuiver als een obstakel.




