Gabriël Marcel : Christelijke filosofie…

HEBBEN EN ZIJN – PROBLEEM EN MYSTERIE – DE FILOSOFIE VAN GABRIEL MARCEL (Frans Katholieke filosoof)

door  Kris Biesbroeck

Enige verduidelijking van de tekst kan men vinden  gans op het einde van dit artikel….

1.SUBJECT-OBJECT  VERHOUDING / DE TECHNIEK

We leven in een gebroken wereld. De mens is gescheiden van deze wereld, en daarmee ook van zichzelf, van de anderen en van God. Het is een wereld waarin men dingen als objecten gaat beschouwen, die het eigenlijk niet mogen zijn.

De eerste reflectie van de mens op zijn situatie is die der wetenschap. Zij geeft weten  dat algemeen geldig is, zij geldt voor ieder mens met gelijke kracht.

Wetenschap is gericht op het oplossen van problemen . De wetenschappelijke beheersing van een situatie is echter iets heel anders dan zich rekenschap geven van de situatie, waarin men als concrete persoon gesteld is (1). Volgens Marcel kan ik nooit object zijn voor mijzelf. Het object is dat wat tegenover mij staat, een ding. Daarom staat Marcel ook zo wantrouwig tegenover de techniek. In ‘Les Hommes contre l’humain’  vergelijkt hij de techniek met zonde. ‘Er zijn evenwel tegen het gebruik van de term zonde, niet op theologisc , maar op filosofisch terrein bezwaren denkbaar. Zonde is immers in wezen de opstand van het schepsel tegen zijn Schepper. Kan dit woord een betekenis behouden voor de ongelovige die het bestaan van een scheppende God betwist ? Formeel schijnt dit bezwaar niet weerlegbaar, maar als men dieper graaft, moet men dunkt mij, toegeven, dat ook de ongelovigen tegenover de systematische afschuwelijke misdrijven van de voorbije eeuw meer en meer tot het bewustzijn zijn gekomen van het begrip zonde, dat met dergelijke monsterachtigheden verbonden is (2) Deze opvatting over de techniek stamt nog uit de tijd toen hij als vrijwilliger dienst deed bij het Rode Kruis, toen hij de ellende zag die de bombardementen veroorzaakten. ’Vandaag moet men luidop verklaren dat de oorlog in zijn huidige gedaante de zonde zelf is. Tegelijkertijd moeten we echter erkennen dat die oorlog steeds meer een zaak van technici wordt’ (3)

Verder geeft Marcel nog twee opmerkingen die de verbinding van zonde en techniek kunnen verhelderen. Vooreerst zijn alleen de staten nog rijk genoeg om de gigantische laboratoria te financieren waarin de nieuwe fysica gestalte krijgt. Vervolgens zijn de eisen van hun onderzoekingen gericht op de groei van hun macht, met het oog op toekomstige conflicten tussen concurrerende imperialistische machten. In deze zin is de verstatelijking van wetenschap en techniek zonder twijfel een van de ergste rampen van onze tijd (4). Het werkelijk doel dat de techniek beoogt, een goed te zijn, omdat het een verbijzondering is van de rede in zijn toepassingen op de werkelijkheid, schijnt men uit het oog te verliezen. Een automobilist die misbruik maakt van zijn auto door overdreven snelheid, verliest het schone der natuur uit het oog. Verder kan iemand volledig opgaan in een of ander technische hobby zodat de techniek voor deze beoefenaar een soort afgod kan worden, welke uiteindelijk kan ontaarden in zelf verafgoding, in aanbidding van zichzelf (5). Voor zover de techniek verworven wordt, is ze gelijk te stellen aan een hebben (6). Wanneer men Marcel in deze zin hoort spreken, zou men de neiging hebben met S. Ysseling  te spreken van ‘misschien wel de meest pessimistische onder de grote auteurs’ (7)

Nochtans is Marcels opvatting over de techniek niet van die aard, dat hij ze maar verwerpt zonder meer. Hij ziet er ook het nut van in, en hij noemt het zelfs een teruggang van de menselijke soort indien men de huidige crisis zou willen oplossen door alle fabrieken en laboratoria te sluiten. Hij is tégen de technocratische mentaliteit die de hele werkelijkheid waartoe ook de mens behoort, als een ding gaat behandelen (8).Deze beschouwingswijze kan de mens tot wanhoop brengen, en uiteindelijk tot zelfmoord, voornamelijk als men de mens op dezelfde wijze gaat behandelen als een versleten apparaat dat wordt weggeworpen.Dit zou dan voor de mens gebeuren bij de dood.

Hier raken we de kern van Marcels  beschouwingen : de liefde voor de mens.

Het kwaad van de techniek, zoals we het hierboven hebben beschreven, behoort echter slechts tot het gebied van het problematische, namelijk. iets dat vreemd is aan mijzelf. Aan mij daarentegen openbaart het kwaad zich als Mysterie  wanneer ik erken dat ik mijzelf niet kan zien als buiten het kwaad (9). Het hangt uiteindelijk van ons af hoe wij zullen komen te staan tegenover de techniek. Daarom mag de filosoof het niet houden bij een eerste reflectie, maar moet hij dieper gaan. Dit gebeurt in de tweede reflectie waarin we het kwaad niet meer als een probleem gaan beschouwen, maar als een mysterie, als iets waar wijzelf bij betrokken zijn. We mogen niet blijven staan bij het voortdurend objectiveren van de waarheid. De mens wil in de grond niet hebben, maar hij wil zijn. In deze tweede reflectie ga ik de onmiddellijkheid heroveren en wel bewust door de participatie van het subject met de werkelijkheid. Dit object laat zich juist niet objectiveren, het is niet in een logisch proces te vangen, het is, dit wil zeggen : het deelt in de realiteit van het zijn (10).  J.Delhomme  heeft in haar heldere weergave van Marcels  denken een goed voorbeeld daarvan gegeve : ik heb gelogen. Iemand ontdekt mijn leugen en noemt mij een leugenaar. Hiertegen protesteer ik, ik heb inderdaad  onwaarheid gesproken, maar het is onjuist mij van het etiket leugenaar te voorzien. Mijn echte zijn is méér dan deze leugen, deze éne daad put niet mijn wezen uit. Normaal spreek ik de waarheid, ik wil dit ook, ik wil trouw zijn aan een diepere werkelijkheid in mij, waarvan ik helaas in een ogenblik van zwakte ontrouw ben geweest. Dit betekent : mijn denken weigert zich te vereenzelvigen met de begrensdheid van het objectieve denken en stijgt nu uit deze limitatie op tot het echte zijn. Hier vindt het zichzelf als een identificatie van denken en zijn, die de tegenstelling subject-object transcendeert, op een niveau waar de distinctie in mij en buiten mij zijn zin verliest. De reflectie was dus gericht op het erkennen van een participatie die realiteit als subject bezit. Deze participatie kan  -per definitie- geen object van denken worden…Het is een erkennen, dat het denken is omringd door het zijn, dat het in zekere zin erin is (11)

2.HEBBEN ZN ZIJN / PROBLEEM EN MYSTERIE

HEBBEN EN ZIJN

HEBBEN:

Laten we om te beginnen de grensgevallen uitsluiten waarin de betekenis van hebben verzwakt is : hoofdpijn hebben, nodig hebben enz.. Het gaat hier over het hebben in de volle betekenis van het woord, als uitdrukking van een bezit hebben. Welnu, bij dit hebben gaat het steeds om een ding, of iets dat met een ding kan gelijkgesteld worden, iets dat losgemaakt is uit een geheel, een quid dus, waarop aanspraak wordt gemaakt door iemand, een ‘qui,’ die van meet af aan op een ander vlak staat en beschouwd wordt als centrum van inherentie of waarneming (1). In de band die het ‘qui’ met het ‘quid’ verbindt, kunnen we drie aspecten onderscheiden: de exclusieve aanspraak, de zorg voor het onderhoud en meesterschap of de slavernij.

Een bepaalde hond behoort mij toe, indien niemand anders met recht aanspraak op hem maakt. Vandaar zal ik niet gemakkelijk moeten zegge : ‘mijn neus behoort mij toe’, want het is moeilijk denkbaar dat anderen mijn neus zouden opeisen. Het geval stelt zich reeds anders voor de delen van mijn lichaam : handen en voeten, die door een ander zouden kunnen gebruikt worden als instrument. Hebben betekent in principe altijd: voor-zich-hebben, voor zich behouden. Als men de kennis neemt als de modus van het hebben, is het meest typerend voorbeeld : het geheim (2).

Een geheim bezitten betekent: het voor-zich-behouden, het verbergen, dus anderen uitsluiten.  Mijn geheim heeft des te meer waarde in mijn eigen ogen, wanneer de ander er het bestaan van kent zonder de inhoud te kennen. Mijn geheim is maar een geheim voor zover ik het voor mijzelf behoud, maar evenzeer voor zover anderen het mij zouden kunnen ontstelen. Indien niemand nog belangstelling heeft voor zijn geheim, dan is het alsof het niet meer bestaat: het zou uitdoven als een vuurpijl. Integendeel, het geheim dat ik werkelijk bezit, ontleent zijn belang grotendeels aan de nieuwsgierigheid die het wekt bij anderen (3). Hier raken we iets, dat precies de tragiek uitmaakt van alle bezit: zohaast ik iets heb, stel ik mij in oppositie tegenover de anderen die niet hebben wat ik heb en die mij mijn bezit zouden willen ontfutselen.

Meteen komen we aan het tweede aspect: een hond is maar echt van mij, indien ik –rechtstreeks of onrechtstreeks- de zorg voor zijn onderhoud op mij neem. Het hebben is altijd in functie van de tijd, het veronderstelt het voortbestaan zowel van het ‘qui’ als van het ‘quid’. Welnu, dit voortbestaan wordt voortdurend bedreigd – vooral wegens de spanningen met de anderen (4). Vandaar dat het echte hebben (5) steeds riskeert bij de eigenaar angstige zorg te verwekken.

Het zou belachelijk zijn een dier mijn hond te noemen, indien het mij volkomen ignoreert, indien het geen rekening houdt met mij. Ik heb slechts datgene, waarover ik tenminste enigszins kan beschikken. Het is nochtans van belang te bemerken dat er een verschil bestaat tussen iets hebben als object en iets gebruiken als instrument. Wanneer ik de dingen zuiver als instrumenten gebruik, beschik ik er over en hebben zij op mij geen macht (6).  Zo is de arme van geest, die het hebben volkomen onderschikt aan het gebruiken. Wanneer ik integendeel geld bezit in massa, of obligaties, zonder dat ik aan het werk en de verantwoordelijkheid van de maatschappij deelheb, dan is het gevaar groot dat dit bezit mij aan zich gaat verslaven(7).

 Ik word verslonden door mijn bezit (8). Dit zal des te meer waar zijn, in de mate dat ikzelf meer inert sta tegenover objecten, die zelf inert zijn. En des te meer vals, in de mate dat ik op meer actieve, vitale wijze verbonden ben met het ding, dat als de steeds hernieuwde stof is van een persoonlijke schepping. De tuin van hem die erop werkt, de hoeve voor wie ze uitbaat, de piano of viool van de muzikant, het laboratorium van de natuurkundige (9). In al deze gevallen kan men zeggen dat het ‘avoir’ neigt naar, tot op zekere hoogte gesublimeerd wordt tot, verandert in zijn (10).

Zohaast er schepping is, wordt het hebben getranscendeerd: de dualiteit van bezitter en bezetene verdwijnt en maakt plaats voor een levende realiteit (11).

Men kan dit illustreren met tal van voorbeelden. Hoe meer ik mijn ideeën en overtuigingen behandel als iets dat mij toebehoort, waarop ik trots ben, zoals ik trots ben op mijn kleren of serre, des te meer zij, juist door hun inertie, mij zullen tiranniseren (12)(13). Ik word er slaaf van, word gealiëneerd, treed in oppositie met anderen om ze voor mij te bewaren, om ze te doen triomferen. Dit is precies het principe van het fanatisme onder al zijn vormen (14). Hetzelfde geldt voor het geloof : wie zegt dat hij het geloof bezit, beschouwd dit geloof impliciet als een toestand, als iets inerts, een formule, een exlusiviteit, en maakt het tot principe van verdeeldheid.

WAT IS HET ‘ZIJN’

De vraag lijkt zeer simpel. Het antwoord nochtans vraagt veel omzichtigheid, want, indien we er niet toe komen de juiste betekenis van zijn te bepalen, riskeren we de toegang tot de metafysiek te missen. Het zou een vergissing zijn te denken dat, wanneer men de vraag stelt: wat is zijn? men een Probleem stelt, dat zou kunnen opgelost worden door een geëigende techniek. Het zijn is geen probleem, maar een mysterie.

Hoofdstuk 2: PROBLEEM EN MYSTERIE

Probleem: Het probleem is iets dat de weg afsnijdt, iets waartegen de geest op een gegeven ogenblik van het onderzoek stoot, zoals de voet op een steen. Een probleem stelt zich zegt men, het staat tegenover mij. De gegevens van het probleem verschijnen als uitwendig aan mijzelf, of kunnen minstens veruitwendigd worden. Door het feit dat het probleem los staat van mij, kan het ook tot een oplossing gebracht worden (15). Alles verloopt, alles mag verlopen zonder dat ik mij bekommer om het ik, dat het probleem oplost.

 Ik beschouw het probleem in zichzelf, abstractie gemaakt van de wijze, waarop het in mijn leven is ingeschakeld.

Een probleem veronderstelt altijd dat een zekere inhoud is losgemaakt van de context, die het met het ik verbindt.

Daarom kan het ook opgelost worden door een techniek, waarvan de toepassing onpersoonlijk is, in deze zin dat zij kan geschieden door om het even wie.

MYSTERIE:

Men moet er zich voor hoeden het mysterie te verwarren met het onkenbare (16). Dit laatste is in zekere zin de limiet van het problematische(17), een onoplosbaar probleem, zo men wil. Het behoort dus essentieel tot de orde van het problematische. Het mysterie is van een andere orde, het behoort tot een transcendente sfeer, die men zou kunnen noemen meta-problematisch of ook nog meta-technisch

 (18). Het mysterie is dus geen leemte in het kennen, geen leegte die moet gevuld worden, maar een volheid. Terwijl het probleem voor mij staat, is het mysterie iets waarin ikzelf ben geëngageerd, geïmpliceerd, zodanig dat het onderscheid tussen in-mij en voor-mij zijn betekenis verliest (19).

Daarom kan men een mysterie nooit denken, voorstellen, bewijzen, want dan objectiveert men het. Het kan enkel erkend worden door een concrete intuitie, die duister is, afhankelijk van de vrijheid en verwant met het geloof. Zeker is het altijd mogelijk een mysterie te degraderen, door er een probleem van te maken, maar dit is een volledig verkeerde werkwijze waarvan de oorzaak moet gezocht worden in een soort corruptie van het verstand (20).

 Bij de beschrijving van de techniek hebben we al even melding gemaakt van het mysterie van het kwaad. Hier willen we er nog eens uitvoeriger op terugkomen, en tevens nog een paar andere voorbeelden van een mysterie naar voor brengen, om de hierboven beschreven formele definitie aldus meer inhoud te geven.

HET MYSTERIE VAN HET KWAAD:

Men is steeds geneigd het kwaad te beschouwen als een defect in het functioneren van een zekere machine, die het universum is, en die men zou kunnen onderzoeken zoals een technieker een kapotte motorfiets uit elkaar neemt (21). Aldus neem ik een zuiver fictieve positie in, die het wezen van het kwaad verloochent, waardoor het tot probleem wordt. Het kwaad, de pijn die enkel wordt geconstateerd, van buiten uit bekeken, houdt door het feit zelf op kwaad, pijn te zijn. Pijn die niet geleden wordt is geen pijn. Hoe reëler het lijden is, des te vollediger het mij doordringt, het maakt een eenheid uit met mijzelf, het is mijzelf. Daarom is de daad, waardoor ik het lijden buiten mij ga plaatsen, volkomen arbitrair. Daarom ook moet de metafysische rechtvaardiging van het lijden, en van het kwaad in het algemeen, een referentie bevatten tot mijn lijden, of althans tot lijden dat ik tot het mijne maak, dat ik assumeer. Ik vat het lijden slechts als lijden, in de mate dat het mij aangrijpt, dat ik erken dat het in-mij is. Indien ik het lijden alleen maar constateer, verliest mijn poging tot rechtvaardiging alle betekenis. Daarom ook geeft de traditionele filosofie, wanneer zij over het kwaad spreekt, en over alle werkelijkheden van deze orde : liefde, dood..enz., vaak de indruk een soort spelletje te spelen, een soort intellectuele goochelkunst te bedrijven. Gezonde mensen die tegenover zieken redevoeringen en toespraken houden, weten al te dikwijls niet waarover zij spreken. Hun comfortabele spraakzaamheid heeft iets beledigends voor deze vreselijke werkelijkheid die de ziekte is, en die zij ten minste moesten respecteren. De echte ziekte is een wereld die zich niet van buiten uit laat bekijken. Men moet erin staan, men moet er deel van uitmaken, ten minste door een warme sympathie (22). Indien men zich tegenover de ziekte houdt in het perspectief van zuivere objectiviteit, ziet men de ziekte niet anders dan een zekere wanorde in het functioneren van het lichamelijk apparaat, maar dat is allerminst een trouwe weergave van de werkelijkheid. De ziekte is een wijze van zijn van de zieke, een zijnswijze tegenover dewelke de zieke op een bepaalde wijze moet reageren (23). Voor de objectieve toeschouwer is de ziekte een obstakel, aldus gewoonlijk voor de geneesheer; de zieke echter, vooral de ongeneeslijke zieke, kan ertoe komen zijn ziekte te zien in een ander perspectief: ze kan voor hem, althans op zekere ogenblikken, verschijnen als een weg, en niet zuiver als een obstakel.

Lees verder “Gabriël Marcel : Christelijke filosofie…”

Solzhenitsyn : De schuchtere beschaafde wereld heeft niets gevonden om zich te verzetten tegen de aanval van een plotselinge heropleving van barbaarsheid………

blob

“The timid civilized world has found nothing with which to oppose the onslaught of a sudden revival of barefaced barbarity, other than concessions and smiles. The spirit of Munich is a sickness of the will of successful people, it is the daily condition of those who have given themselves up to the thirst after prosperity at any price, to material well-being as the chief goal of earthly existence. Such people— and there are many in today’s world—elect passivity and retreat, just so as their accustomed life might drag on a bit longer, just so as not to step over the threshold of hardship today—and tomorrow, you’ll see, it will all be all right. But it will never be all right! The price of cowardice will only be evil; we shall reap courage and victory only when we dare to make sacrifices.”
— Aleksandr Solzhenitsyn

 
(1) Met het verdrag van Münchenwerd de agressieve annexatie door Adolf Hitler van het Tsjechische Sudetenland door de grote mogendheden geaccepteerd

Filosofie : ( Ongeloof) en (Geloof)

Vandaag een beetje filosofie

Twee artikels die bij mekaar aansluiten : Ongeloof (Sartre) en geloof (uit de film : de wazige spiegel -Ingmar Bergman)

HET ONGELOOF VAN JEAN- PAUL SARTRE

Frans filosoof
De ongelovige existentialist Jean-Paul-Sartre (1905-1980) rekent in zijn psychologisch toneelstuk ‘huis clos’ (met gesloten deuren,1944) op een theatrale manier met het geloof in de anderen af.
Hij projecteert drie mensen in een hiernamaals, dat eigenlijk het aardse leven voorstelt. Dit hiernamaals speelt zich af in een Second-Empiresalon, waarin men met twee anderen moet leven : er zijn –geen deuren : dus je kan niet naar buiten; geen vensters : je bent geïsoleerd van de buitenwereld; geen spiegels : je kan jezelf maar spiegelen in en door de ogen van de anderen. Net als de andere mensen hebben deze drie hun eigen fouten, die ze willen verbergen. In een situatie met deuren, vensters en spiegels lukt dit doorgaans wel vrij goed; er zijn heel wat ontsnappingsroetes in de werkelijkeheid in gebouwd. In het hiernamaals is ontsnappen onmogelijk : ze vernemen spoedig elkaars geheim : Estelle vermoordde haar kind. Inès is een lesbische vrouw en Garcin is een lafaard.
Voeg daarbij nog de affiniteit tussen twee vrouwen en één man. Liefde in zijn hechtste vorm is immers een tweepersoonsrelatie. Wie zal de afgewezen en jaloerse derde zijn ? Alle ingrediënten voor de driehoeksverhouding zijn aanwezig… Psychologisch wordt het een boeiend spel… Naar het einde van het stuk vloeien climax en anti-climax sterk in elkaar
‘Ze zijn dood. Dit betekent : ze hebben niets anders meer dan hun verleden. Er is geen toekomst meer. Ze bestaan zonder persoonlijk levensontwerp, versteend met het beeld dat de anderen zich van hen hebben gevormd. De dialectiek van die situatie, het versteend zijn voor en door de blik van de andere is de’hel’. L’enfer c’est les autres. (Bauters, Jean Paul-Sartre, ontmoetingen, DDB,1964,pp.48-49)
Estelle:
Luister niet naar haar. Neem mijn mond; ik ben van jou helemaal van jou.
Inès
Nou, waar wacht je op ? Doe wat je gezegd is.
De lafaard Garcin houdt de kindermoordenares Estelle
in zijn armen. Er kan worden gewed. Zal de lafaard
Garcin haar kussen ?
Ik zie jullie; ik alleen ben de menigte, de menigte,Garcin,de menigte, hoor je het ?
Lafaard ! Lafaard ! Lafaard ! Tevergeefs vlucht je voor me, ik laat je niet los ! Wat zoek je op haar lippen ?
Vergetelheid ? Maar ik vergeet je niet.
Mij moet je overtuigen. Kom ! Kom !
Ik wacht op je.
Je ziet, Estelle, hij maakt zich los uit de omarming,
Hij is zo gedwee als een hondje….Je krijgt hem niet !
Garcin :
Wordt het dan nooit nacht ?
Inès :
Nooit.
Garcin :
Zal je me altijd zien ?
Inès :
Altijd
(Garcin: laat Estelle aan haar lot over en doet een paar stappen
door het vertrek, naar het bronzen beeld op de schoorsteenmantel)
Garcin :
Het beeld….(Hij streelt het).
Nu is het ogenblik gekomen. Hier is het bronzen
Beeld, ik kijk ernaar en begrijp dat ik in de hel ben.
Ik zeg jullie dat alles was voorzien.
Zij hadden voorzien, dat ik voor deze schoorsteen
Zou staan, dat ik met mijn hand op dit beeld zou
Drukken, met al die blikken die mij verslinden…
(zich met een ruk omdraaiend)
Ha zijn jullie maar met z’n tweeën.
Het leek me dat er veel meer waren.(Lacht)
Dus dit is nu de hel. Ik zou nooit geloofd hebben …
Herinneren jullie je nog : zwavel, brandstapel,
Braadrooster… Ha ! Wat een grap !
Een braadrooster is niet nodig :De hel dat zijn de
Anderen.

De ongelovige existentialist Jean-Paul-Sartre (1905-1980) rekent in zijn psychologisch toneelstuk ‘huis clos’ (met gesloten deuren,1944) op een theatrale manier met het geloof in de anderen af.

Hij projecteert drie mensen in een hiernamaals, dat eigenlijk het aardse leven voorstelt. Dit hiernamaals speelt zich af in een Second-Empiresalon, waarin men met twee anderen moet leven : er zijn –geen deuren : dus je kan niet naar buiten; geen vensters : je bent geïsoleerd van de buitenwereld; geen spiegels : je kan jezelf maar spiegelen in en door de ogen van de anderen. Net als de andere mensen hebben deze drie hun eigen fouten, die ze willen verbergen. In een situatie met deuren, vensters en spiegels lukt dit doorgaans wel vrij goed; er zijn heel wat ontsnappingsroetes in de werkelijkeheid in gebouwd. In het hiernamaals is ontsnappen onmogelijk : ze vernemen spoedig elkaars geheim : Estelle vermoordde haar kind. Inès is een lesbische vrouw en Garcin is een lafaard.

Voeg daarbij nog de affiniteit tussen twee vrouwen en één man. Liefde in zijn hechtste vorm is immers een tweepersoonsrelatie. Wie zal de afgewezen en jaloerse derde zijn ? Alle ingrediënten voor de driehoeksverhouding zijn aanwezig… Psychologisch wordt het een boeiend spel… Naar het einde van het stuk vloeien climax en anti-climax sterk in elkaar

‘Ze zijn dood. Dit betekent : ze hebben niets anders meer dan hun verleden. Er is geen toekomst meer. Ze bestaan zonder persoonlijk levensontwerp, versteend met het beeld dat de anderen zich van hen hebben gevormd. De dialectiek van die situatie, het versteend zijn voor en door de blik van de andere is de’hel’. L’enfer c’est les autres. (Bauters, Jean Paul-Sartre, ontmoetingen, DDB,1964,pp.48-49)

(J.P.Sartre.De Vliegen e.a., De Bezige Bij, 1966, pp.119-120)

Volgens Sartre kan een mens op twee manieren bestaan : als een subject en als object.

Als subject (‘corps-pour-soi’) is de mens pas echt mens door zich voortdurend te realiseren in en met de wereld : hij denkt aan, hij werkt met… Het menselijk bewustzijn is als het ware een verbindingselement tussen het ik en de wereld. Doordat de mens bewust is, is hij altijd al in de wereld. Zelfs in de droom is de mens aanwezig in de wereld. Een droom is samengesteld uit ‘ervaringsresten’ van de wereld. Het is dank zij het bewustzijn dat de mens vrij is. Hij is in de wereld, maar valt er niet mee samen. Een mens neemt voortdurend afstand : ik ben geen plant, geen dier, geen vrouw (man), geen volwassene….

Door het bewustzijn is de mens vrij, hij is een wezen dat niet vastligt (vandaag is hij anders dan gisteren) en niet vastgelegd kan worden. Zelfs in een gevangenis kan de mens , volgens hem, zijn vrijheid bewaren. Ook ziek zijn zou volgens Sartre een keuze zijn.

Als object (‘corps-en-soi’) : op zijn eentje kan de mens zonder problemen als subject bestaan. Eenmaal tussen andere personen echter zijn er twee mogelijkheden : hij blijft bestaan als subject ofwel wordt hij herleid tot een ding, een object.

Een voorbeeld : een vrouw is in de badkamer, ze voelt zich vrij, niemand ziet haar, ze is naakt en zingt. Plotseling ontdekt ze dat ze begluurd wordt door iemand doorheen het sleutelgat. Op dat moment verliest de vrouw haar
subject-zijn en voelt ze zich als een object, bekenen. Ze voelt zich herleid tot een object. Maar tezelfdertijd gaat ook zij diegene die gluurt objectiveren, tot een object herleiden. Zo verliezen beiden op dat moment hun subject-zijn, en zijn ze voor elkaar tot objecten geworden.

Sartre gelooft niet in de liefde. De sterkste persoonlijkheid zal altijd de ander domineren, in zijn macht gevangen houden, waardoor de ander tot ding of instrument herleid wordt.

Dit –tot-ding herleiden gebeurt bij uitstek op twee manieren : door de blik en het oordeel.

De blik : de ‘pornografische blik’ , de ‘betrappende blik’. Enz…
Het oordeel : Iemand vastspijkeren op zijn anders-zijn, hij is jood, neger,homo enz..

Sartre kan ook niets anders dan God verwerpen. God kan niet bestaan, God mag niet bestaan, als God bestaat is de mens niet vrij, zegt hij.
Een God aanvaarden betekent voor hem, door iemand (een god) tot object worden herleid. Iemand die gelooft moet geboden onderhouden. Als ik dat doe, verlies ik mijn vrijheid en leef ikzelf niet meer, maar laat ik me leven. Opdat een mens vrij zou zijn;, moet hij elke band met een opperwezen verloochenen, om zelf zijn leven in handen te geven.

Deze visie van Sartre spruit voort uit zijn opvoeding. Sartre is opgegroeid in een milieu, waar hij de slechtheid heeft leren kennen. Drugs, alcohol, verraad, overspel enz.. Dit heeft hem getekend. Als je in je leven niets anders dan slechtheid hebt gekend, hoe kun je dan nog een geloof hebben in de goedheid van de mens. En het geloof in de mens is een voorwaarde tot Godsgeloof. Wat hij zegt is waar, het bestaat. Mensen kunnen voor elkaar de hel zijn. We leven in een wereld waar de hel voorturend dichtbij is. Irak, Afrika, maar ook bij ons. Armoede, drugs, depressies, zich aan zijn lot overgelaten voelen. Niemand meer hebben om eens mee te praten, ouderen die vereenzamen in bejaardentehuizen, door iedereen in de steek gelaten, kinderen die mishandeld en misbruikt worden, kinderarbeid,prostitutie enz… Dit is een reële wereld, maar Sartre heeft het mis, wanneer hij stelt dat dit altijd , in elke situatie en voveral zo is. Ook de hemel is een realiteit, we kunnen zeker ook voor de ander een stukje hemel zijn. Liefde bestaat echt. En godsdienst maakt de mens niet noodzakelijk tot een object. Christus is voor een christen juist ‘de meest vrije mens’, en zo zou ook een christen moeten zijn. Geboden en voorschriften zijn niet noodzakelijk een beperking van onze vrijheid, maar zijn juist een garantie om ons vrij te kunnen voelen. Natuurlijk, teveel geboden, teveel inmenging van de kerkelijke overheid (denken we aan de uitspraken van de pausen in morele kwesties) kan als een beperking van onze vrijheid aangevoeld worden. Vandaar dat de orthodoxie niet aan systematisch moraal doet. De mens is een vrij wezen, en hijzelf moet in eer en geweten over zijn handelen oordelen. Alleen tegenover God hebben we verantwoording af te leggen. En we weten dat de mens zwak en zondig is ( maar wat is zonde ? – voor mij is elke daad tegen de liefde voor onze medemens zonde). Met welk recht gaan we over anderen oordelen ? Christus maakt ons vrij, Hij leert ons te beminnen. Dit kan ook voor een ongelovige een realiteit zijn, en voorbeelden hiervan zijn ons bekend. Ook Sartre zou naar het einde van zijn leven toe een kleine copernicaanse zwenking hebben gemaakt. Hij was lid van de communistische partij, maar toen hij zag wat de russen hadden aangericht in Budapest in 1956, was de maat vol. Zoiets kan men mensen niet aandoen. Sartre wordt de spreekbuis van de vervolgden. Dit is een kleine maar belangrijke koerswijziging. Of hij daarmee zijn vroegere ideeën heeft gecorrigeerd blijft te betwijfelen.
°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°
Tot slot wil ik , met een dialoog uit Ingmar Bergman’s film ‘Als in een wazige spiegel’ proberen aan te tonen, dat een andere visie en houding mogelijk is, zelfs in een gebroken wereld.
In die film heeft Bergman het over een gesprek dat Minus heeft met zijn vader David, nadat hij de crisis van godsdienstwaanzin van zijn zus Karin heeft meegemaakt :

Minus :
Toen ik daar in het wrak zat en Karin in mijn
Armen hield, toen brak de werkelijkheid, begrijp
je wat ik bedoel ?
David :
Dat begrijp ik wel.
Minus :
De werkelijkheid brak en ik rolde eruit.
Dat is net als in een droom, maar het is echt.
Alles kan gebeuren – alles, vader !
David :
Ja, dat weet ik wel.
Minus :
Dat maakt mij zo bang dat ik ’t wel kan schreeuen.
David :
Kom eens hier ! (hij raakt Minus’hand aan en ze
lopen zo samen op het strand…zwijgend…..
Dan slaat David zijn arm om de schouder van
Minus)
Minus :
Ik kan met dit nieuwe niet leven, vader.
David :
Jawel, dat kun je wel.
Maar je moet iets hebben om je aan vast te houden.
Minus :
Wat zou dat moeten zijn. Een God ?
Een God in de gedaante van een spin, zoals de god
van Karin ?
Of een onzichtbare heerser, ergens in het donker ?
Nee, dat kan niet.
Stilte
Minus :
Nee, vader. Dat kan niet. God bestaat niet in mijn
wereld.
Stilte (ze lopen langs het water)
Minus :
Geef mij een bewijs dat God bestaat.
Stilte
Minus :
Dat kun je niet.
David :
Dat kan wel
Maar nu moet je goed luisteren naar wat ik zeg,
Minus.
Minus :
Dat moet ik wel vader.
David :
Er staat geschreven : God is Liefde.
Minus :
Voor mij zijn dat alleen maar holle woorden.
David :
Wacht nu eens even, je moet mij niet in de rede
vallen.
(Ze zijn bij een laag, zanderig uitsteeksel gekomen
dat bijna onmerkbaar afhelt naar het water. Het
lijkt alsof ze midden in al het wit van de zee staan,
met al het wit van de zomerhemel boven hun
hoofden, alsof ze opgesloten zijn in een stolp van
melkkleurig glas. Oneindig kleine wezens in al dit
wazige stille wit).
David :
Ik wil je alleen maar een vaag idee geven van wat
ik zelf verwacht.
Minus :
En dat is Gods Liefde ?
David :
Het is de wetenschap dat liefde in de wereld van de
mensen bestaat als iets reëels.
Minus :
En het is natuurlijk een bijzondere soort liefde die
bedoeld wordt.
David :
Alle soorten liefde, Minus.
De hoogste en de laagste, de armste en de rijkste,
de belachlijkste en de schoonste.De waanzinnige
of de cynische. Alle soorten liefde.
Minus :
(zacht) Verlangen naar liefde.
David :
Verlangen en verloochening. Achterdocht en
vertrouwen.
Minus :
Dus de liefde zou het bewijs zijn ?
David :
We kunnen niet weten of de liefde Gods bestaan
Bewijst, of dat de liefde God zelf is.
Maar het doet er ook niet zoveel toe.
Minus :
Voor jou zijn liefde en God hetzelfde ?
David :
Die gedachte helpt mij in mijn leegheid en in
mijn smerige wanhoop.
(zwijgt)
Minus :
Zeg nog wat vader !
David :
Plotseling verandert leegheid in rijkdom
en wanhoop in leven.
Het is net alsof je gratie krijgt, Minus.
alsof je gratie krijgt nadat je tot de doodstraf
veroordeeld bent.
Minus :
Dat klinkt allemaal vreselijk onwerkelijk, vader.
Maar ik geloof wel dat je meent wat je zegt.
Ik beef over mijn lichaam.Vader.
David :
Ja.
Minus :
Als het zo is als jij zegt,
dan zou Karin omgeven zijn door God, omdat
wij van haar houden ?
David :Ja.
Minus :
Kan dat haar helpen ?
David :
Dat geloof ik zeker…..

Ingmar Bergman, Filmtrilogie, Bruna, Utrecht, 1965, pp.74-75)

Kris Biesbroeck – 1969 Leuven – studie filosofie

Sartre

Sartre

Jean-Paul Sartre

Jean-Paul Sartre (1905-1980) is wellicht de beroemdste vertegenwoordiger van de filosofische stroming die bekend staat als het existentialisme. Lange tijd werd het existentialisme vooral geassocieerd met zwarte coltruien en jazzmuziek. Het existentialisme draait heel in het kort echter vooral om het idee dat de mens absoluut vrij is en dat hij daarom zijn eigen leven moet ontwerpen. Naast zijn filosofische werk schreef Sartre toneelstukken, verhalen en romans, essays en journalistiek werk. Sartre werd ook beroemd om zijn levensstijl, schrijven in café’s, veel alcohol, sigaretten en drugs en veel vrouwen, die echter altijd de tweede viool speelden naast zijn levensgezellin, de schrijfster en filosofe Simone de Beauvoir.

Lees verder “Sartre”

Domheid

Domheid

Dietrich Bonhoeffer

Domheid is een gevaarlijker vijand van het goede dan slechtheid…Het kwade draagt altijd de kiem van eigen ontbinding in zich, want het laat in de mens ten minste een gevoel van onbehagen achter. Tegen domheid zijn wij weerloos.Noch met protesten noch met geweld is hier iets te bereiken. Argumenten baten niets….Vaststaat dat domheid geen gebrek is, maar een moreel tekort. Er zijn mensen met een buitengewoon snel verstand die dom zijn, en mensen met een traag verstand allesbehalve dom zijn.

Lees verder “Domheid”

Kierkegaard

SÖREN  KIERKEGAARD

 

Kierkegaard

door Kris Biesbroeck

 Inleiding

 Tussen de jaren 1842-1846 heeft Kierkegaard een ongelooflijk grote geestelijke prestatie geleverd. Hij is erin geslaagd een nieuwe wijze te vinden om het leven van de mens tot verwoording te brengen. Hij beschouwde het als zijn roeping, om de mens zichzelf te doen uitspreken, om het individu te brengen tot een bewustwording van zichzelf. Op deze wijze heeft hij een grote stoot gegeven aan het hedendaags denken. In de volgende hoofdstukken zullen wij trachten een kort overzicht te geven van zijn leven zelf en zijn gedachte. Na een beschrijving van zijn leven, in het eerste hoofdstuk, zullen we de twee grondgedachten die men kan onderscheiden bij Kierkegaard behandelen in het tweede en derde hoofdstuk als : zijn strijd tegen de systematische filosofie en theologie, en zijn strijd voor een heroïscher opvatting van het Christendom. Lees verder “Kierkegaard”

Zin geven aan het leven (Olivier Clément)

 

banner 157

ZIN GEVEN AAN HET LEVEN

 1. ZICHZELF SITUERENVoor een christen is de zin van het leven – maar ook van de dood en van een leven dat sterker is dan de dood – Christus, en de God die Hij is en die Hij ons openbaart : de Vader boven alles en de Geest, de levendmakende Adem, “overal tegenwoordig en alles vervullend”. God als offerend en bevrijdend vaderschap, vleesgeworden God als éénmakende broederschap, God-Geest, als de geheimste innerlijkheid waaruit een onuitputtelijke nieuwigheid, een onuitputtelijke creativiteit voortspruit.

Lees verder “Zin geven aan het leven (Olivier Clément)”

 Het ongeloof van Sartre

HET ONGELOOF VAN JEAN- PAUL SARTRE

Frans filosoof

De ongelovige existentialist Jean-Paul-Sartre (1905-1980) rekent in zijn psychologisch toneelstuk ‘huis clos’ (met gesloten deuren,1944) op een theatrale manier met het geloof in de anderen af.

Hij projecteert drie mensen in een hiernamaals, dat eigenlijk het aardse leven voorstelt. Dit hiernamaals speelt zich af in een Second-Empiresalon, waarin men met twee anderen moet leven : er zijn –geen deuren : dus je kan niet naar buiten; geen vensters : je bent geïsoleerd van de buitenwereld; geen spiegels : je kan jezelf maar spiegelen in en door de ogen van de anderen. Net als de andere mensen hebben deze drie hun eigen fouten, die ze willen verbergen. In een situatie met deuren, vensters en spiegels lukt dit doorgaans wel vrij goed; er zijn heel wat ontsnappingsroetes in de werkelijkeheid in gebouwd. In het hiernamaals is ontsnappen onmogelijk : ze vernemen spoedig elkaars geheim : Estelle vermoordde haar kind. Inès is een lesbische vrouw en Garcin is een lafaard.

Voeg daarbij nog de affiniteit tussen twee vrouwen en één man. Liefde in zijn hechtste vorm is immers een tweepersoonsrelatie. Wie zal de afgewezen en jaloerse derde zijn ? Alle ingrediënten voor de driehoeksverhouding zijn aanwezig… Psychologisch wordt het een boeiend spel… Naar het einde van het stuk vloeien climax en anti-climax sterk in elkaar

    Lees verder ” Het ongeloof van Sartre”

 Wat was er aan de hand met de jeugd van de jaren zestig ?

 

 

Jaren ’60 : Wat was er aan de hand met de jeugd van de jaren zestig van vorige eeuw ?

 Door Kris Biesbroeck

We horen veel spreken over de jeugd en de periode van de jaren zestig. Wat was er werkelijk aan de gang ?  De oorlog (’40-’45) had Europa verwoest. Er was ellende , honger en armoede. Na de oorlog zouden  de ouders hun kinderen deze ellende doen vergeten. Ze kregen alles, de consumptie groeide  met de jaren. De jongeren van tijdens of kort na de oorlog waren in de jaren zestig twintigers. Ze voelden zich echter niet zo gelukkig. De consumptie bracht hen wel veel materiële welvaart, maar ze voelden zich er niet mee tevreden. Al vlug kwam er een protestbeweging tot stand. Het was een verzet tegen een maatschappij die ze zelf niet wilden en zelf niet gevraagd hadden. Het was vooral in de Verenigde Staten en aan de universiteiten dat het protest het hevigst was, met als hoogtepunt de studentenrevolte in Parijs, bekend als de meirevolte van Mei ’68. In Leuven was dat in 1969, oorspronkelijk bedoeld om de vernederlandsing van de universiteit, maar het had duidelijk een protest karakter tegen deze consumptiemaatschappij. Het was als het ware de voortzetting van ‘Mei ’68 in Parijs.

Lees verder ” Wat was er aan de hand met de jeugd van de jaren zestig ?”