Maximus de Confessor: Een zekere garantie om met hoop uit te zien naar de vergoddelijking van de menselijke natuur….

NATURE

“Een zekere garantie om met hoop uit te zien naar de vergoddelijking van de menselijke natuur wordt verschaft door de incarnatie van God, die de mens tot god maakt in dezelfde mate als God zelf mens werd. Want het is duidelijk dat hij die mens werd zonder zonde (Hebreeën 4:15) de menselijke natuur zal vergoddelijken zonder deze te veranderen in de goddelijke natuur, en deze zal verheffen omwille van zichzelf in dezelfde mate als hij zichzelf verlaagd heeft omwille van de mens.”

 De mensheid moet niet God worden, maar de menselijke natuur moet verlost worden in de richting van de goddelijke natuur, de natuur die mensen altijd bedoeld waren te dragen door van nature geschapen te zijn naar de gelijkenis van God. Opnieuw is het gemeenschappelijke refrein van de vroege kerkelijke auteurs van toepassing: “God werd mens, zodat de mens als God zou worden.”

St.Ephrem de Syriër : Vastengebed en verhandeling over de liefde…..

efrem10

Vastengebed en verhandeling over de liefde

O Heer en Meester van mijn leven!
Neem van mij weg de geest van luiheid,
kleinmoedigheid, machtswellust en ijdel gepraat.

Maar schenk aan Uw dienaar liever de geest van kuisheid, nederigheid, geduld en liefde.

Ja, Heer en Koning! Geef mij mijn eigen fouten te zien en mijn broeder niet te oordelen, want Gij
zijt gezegend tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.

Verhandeling “Over de liefde” door St. Ephrem (+373):

Daarom, mijn geliefde broeders, laten wij niets verkiezen, laten wij niet haasten om iets meer te verkrijgen dan de liefde. Laat niemand iets tegen iemand hebben, laat niemand kwaad met kwaad vergelden. Laat de zon niet ondergaan over uw toorn, maar laten wij onze schuldenaren alles vergeven en laten wij de liefde verwelkomen, want de liefde bedekt een menigte van zonden.

Want wat voor voordeel is er, mijn kinderen, als iemand alles heeft, maar geen liefde heeft die redt? Want net zoals iemand een groot diner zou maken om de koning en de heersers uit te nodigen, en alles weelderig zou bereiden, zodat er niets zou ontbreken, maar geen zout zou hebben, zou iemand dat diner kunnen eten? Zeker niet. Maar hij zou alles wat hij had uitgegeven hebben verloren en al zijn harde werk verspild hebben, en spot over zichzelf hebben gebracht van degenen die hij had uitgenodigd. Zo is het in het huidige geval. Want wat voor voordeel is er in het zwoegen tegen de wind, zonder liefde? Want zonder liefde is elke daad, elke handeling onrein. Zelfs als iemand volledige kuisheid heeft bereikt, of vast, of waakt; of hij nu bidt of banketten geeft voor de armen; zelfs als hij eraan denkt om geschenken, of eerstelingen, of offerande aan te bieden; of hij nu kerken bouwt, of iets anders doet, zonder liefde zullen al die dingen door God als niets worden beschouwd. Want de Heer heeft er geen behagen in. Luister naar de apostel als hij zegt: ‘Als ik spreek met de tongen van engelen en mensen; als ik profetie heb en alle geheimen ken, en volledige kennis heb, zodat ik bergen kan verzetten, maar geen liefde heb, win ik niets’. Want iemand die vijandschap heeft tegen zijn broeder en denkt dat hij iets aan God offert, zal zijn alsof hij een hond offert, en zijn offer zal worden gerekend als het loon van prostitutie.

Dietrich Bonhoeffer : Verzet en overgave en over de God stoplap….

traditional-tile-murals

Dietrich

BONHOEFFER

(1906-1945)

“Bonhoeffer is de enige grote twintigste eeuwse Duitse theoloog, die men in deeenentwintigste eeuw nog de moeite van hetlezen waard zal vinden”

Dorothee Sölle

 

BON1
  1. BIOGRAFISCHE GEGEVENS1

Op 6 april 1945 stierf Dietrich Bonhoeffer in het concentratiekamp van Flossenbürg. Twee

jaar lang zat hij gevangen, de laatste zes maanden in de gevangenis van de Gestapo in Berlijn. De kamparts die de executie meemaakte, zonder te weten wie Bonhoeffer was, schreef tien jaar later: “Op de morgen van de bedoelde dag, ongeveer tussen vijf en zes, werden de gevangenen uit hun cellen gehaald en werd hun het standrechterlijk vonnis voorgelezen. Door de halfopen deur van een kamer in de barakken zag ik, voordat hij zijn gevangeniskleding uittrok, pastor Bonhoeffer neergeknield in innig gebed met zijn God. De manier van bidden, zo vol overgave en zo zeker van verhoring, van deze buitengewoon sympathieke man heeft me zeer diep aangegrepen. Ook op de terrechtstellingsplaats zelf verrichtte hij nog een kort gebed en beklom toen moedig en kalm de trap naar de galg. De dood volgde na een paar seconden. Ik heb in mijn vijftig jaren als dokter zelden een man zo vol overgave aan God zien sterven.” Er is geen graf van hem bewaard. Alleen hangt op de muur van de kerk van Flossenbürg een gedenkplaat waarop geschreven staat: ‘Dietrich

Bonhoeffer, getuige van Jezus Christus’.

 1.1. Van theoloog wordt Bonhoeffer een christen

Bonhoeffer werd te Breslau geboren op 6 februari 1906. Hij is afkomstig uit de hoge burgerij en van lutherse huize. Zijn vader is hoogleraar psychiatrie in Berlijn. Het gezin is gelovig maar niet erg praktizerend. Het geloof is geen echte persoonlijke keuze. Het behoort nu eenmaal tot de westerse beschaving. Een soort ‘cultuurchristendom’. Geen belijdend christendom, eerder vrijblijvend. Toch gaat hij theologie studeren, aanvankelijk met de bedoeling een academische carrière op te bouwen. Maar stilaan ontdekt hij hoezeer het evangelie hem persoonlijk begint te raken. Het wordt alsmaar minder vrijblijvend. Alsmaar concreter. Van theoloog wordt hij christen. In een brief van 1936 lezen we: “Toen kwam iets anders, iets dat mijn leven tot hiertoe veranderd en een andere richting gegeven heeft. Ik kwam voor het eerst in contact met de bijbel. Ik had al dikwijls gepreekt, ik had al veel van de kerk gezien, erover gesproken, – en toch was ik nog steeds geen christen geworden. Ik weet het, ik heb uit de zaak van Jezus Christus profijt voor mezelf getrokken. Ik smeek God dat dit nooit meer mag gebeuren. Ik had ook nog nooit of maar heel weinig gebeden. Ik was bij al mijn verlatenheid heel tevreden over mezelf. Daaruit heeft de bijbel mij bevrijd, en vooral de bergrede. Van toen af is alles anders geworden.”

 

1.2. Het nazisme, de kerk en de Ariërparagraaf

Op 30 januari 1933 wordt Hitler rijkskanselier van Duitsland. Het betekent een enorme verandering, ook voor de kerk, zowel de protestantse als de katholieke. Wel zegt Hitler in een redevoering op 23 maart van dat jaar : “De nationale regering ziet in de beide christelijke confessies de belangrijkste factoren voor het behoud van onze volksaard.” Op het eerste gezicht goed nieuws voor de kerken, maar feitelijk komt het hierop neer: ofwel een kerk die zich schaart achter het nationaal-socialisme ofwel geen kerk. De invoering van de Ariërparagraaf liegt er niet om: wie geen ariër is of met een niet-ariër is gehuwd, kan geen officieel ambt bekleden. Deze paragraaf geldt ook voor kerkelijke ambtsdragers. Door de invoering van deze paragraaf is Bonhoeffer van meetaf aan overtuigd van de radicale perversiteit van dat regime, ook al zal hij slechts geleidelijk zien waartoe het wérkelijk in staat is.

 

1.3. Bonhoeffer en de ‘Belijdende kerk’

Een gedeelte van de protestantse kerk schaart zich min of meer achter het nieuwe regime met zijn nieuwe orde. De enige manier om de staatsbezoldiging van predikanten en andere privileges te behouden. Maar er zijn er ook die weigeren en in het verzet gaan. Ze groeperen zich onder de naam ‘Belijdende Kerk’ (‘Bekennende Kirche’). Het is aan deze kerk dat Bonhoeffer zijn beste krachten zal wijden. Hij wordt er in 1935 verantwoordelijk voor de predikantenopleiding. Geen gemakkelijke taak, noch voor de rector, noch voor de studenten. Men gaat een onzekere toekomst tegemoet zonder privileges. Maar het zijn wel allemaal mensen die voor deze situatie kiezen. De opleiding behelst daarom ook méér dan alleen maar theologie. De toekomstige predikanten moeten niet alleen het geloof kennen; ze moeten allereerst christenen zijn. Wie is Christus voor ons nu? Wat is de kerk? Wat is een christen? Dat zijn de vragen waarrond alles draait. Het is in het seminarie van Finkenwalde

dat het boek ‘Navolging’ 2 ontstaat als antwoord op die vragen. Vanuit een lezing van de Bergrede gaat het boek over de vraag wat het concreet betekent christen te zijn in de jaren dertig in Duitsland.

Bonhoeffer is het niet altijd eens geweest met de standpunten van de Belijdende Kerk. Het sierde haar natuurlijk dat ze ook neen durfde zeggen tegen het regime. Maar was het werkelijk uit protest tegen de onmenselijkheid en perversiteit ervan of was het alleen uitprotest tegen onwettige inmenging van de staat in kerkelijke aangelegenheden? Was het echt om de joden te verdedigen of alleen maar uit zelfbehoud? Bonhoeffer vond dat ze in haar protest niet altijd waarachtig was. Hij had verder willen gaan. “Alleen wie het opneemt voor de joden heeft het recht Gregoriaans te zingen.”

1.4. De weigering van de vlucht

Vanaf 1938 wordt alles alsmaar duidelijker. Op 9 november is er de Kristallnacht. Op 20 april eist de Evangelische Kerk van haar ambtsdragers de eed van trouw aan de Führer. De Belijdende Kerk heeft de moed niet openlijk te weigeren. Dat jaar brengt voor Bonhoeffer nog een complicatie: de lichting 1906 zal onder de wapens geroepen worden. Voor hem is de dienst opnemen onder dat regime onmogelijk. Liever dan te provoceren, zoekt hij een andere oplossing. Langs bemiddeling van vrienden wordt hij uitgenodigd om gastcolleges te geven

in Amerika. Op 2 juni 1939 scheept hij in. Wat tijdens de reis een vermoeden is, wordt eenmaal in Amerika aangekomen een zekerheid. Op 20 juni besluit hij terug te keren. Een beslissing die hem uiteindelijk het leven zal kosten.

1.5 Aandeel in het verzet

Vanaf 1938 wordt alles alsmaar duidelijker. Op 9 november is er de Kristallnacht. Op 20 april eist de Evangelische Kerk van haar ambtsdragers de eed van trouw aan de Führer. De Belijdende Kerk heeft de moed niet openlijk te weigeren. Dat jaar brengt voor Bonhoeffer nog een complicatie: de lichting 1906 zal onder de wapens geroepen worden. Voor hem is de dienst opnemen onder dat regime onmogelijk. Liever dan te provoceren, zoekt hij een andere oplossing. Langs bemiddeling van vrienden wordt hij uitgenodigd om gastcolleges te geven

in Amerika. Op 2 juni 1939 scheept hij in. Wat tijdens de reis een vermoeden is, wordt eenmaal in Amerika aangekomen een zekerheid. Op 20 juni besluit hij terug te keren. Een beslissing die hem uiteindelijk het leven zal kosten.

 

1.6 ‘Verzet en overgave’

In de gevangenis schrijft Bonhoeffer brieven naar zijn ouders en naar zijn vriend Eberhard Betghe (1909-2000). Betghe was lid van de Belijdende Kerk en student bij Bonhoeffer in het predikantenseminarie. Hij huwde met Renate Schleicher, de dochter van Bonhoeffers zus. Na de oorlog heeft hij de brieven vezameld en uitgegeven onder de titel ‘Verzet en overgave’3 . Het is een pakkend menselijk document en het bevat aanzetten van echt visionaire theologische reflectie. Met deze gedachten inspireerde Bonhoeffer in de zestiger jaren heel wat moderne theologen.

  1. GEEN GOD-STOPLAP

In de gevangenisbrieven en vooral vanaf de brief van 30 april 1944 ontwikkelt Bonhoeffer nieuwe theologische gedachten. Samengevat gaat het hem om een ‘niet-religieuze interpretatie van de bijbelse begrippen in een mondige wereld’. Kort gezegd komt het hierop neer: Bonhoeffer gaat ervan uit dat de wereld, op alle terreinen, niet meer ‘religieus’ is, maar mondig en autonoom. Deze autonome wereld heeft de werkhypothese ‘God’ niet meer nodig. In zijn deelname aan het verzet tegen Hitler heeft Bonhoeffer concrete menselijke solidariteit beleefd, ook met niet-christenen. En dit in tegenstelling tot zijn ervaringen in de Bekennende Kirche, in wie hij gaandeweg ontgoocheld was geraakt omdat zij alleen gestreden had uit zelfbehoud. Deze ervaringen en zijn ervaringen in de gevangenis hebben zijn denken grondig beïnvloed.

 

2.1 Brieven uit de gevangenis

De brief van 30 april 19444

“Beste Eberhard,

Weer een maand voorbij; gaat de tijd voor jou ook zo razend snel? Ik sta er vaak verwonderd over. Wanneer komt de maand, dat wij twee elkaar weer ontmoeten? Het is of er iedere dag iets geweldigs kan gebeuren, iets dat de wereld en ons persoonlijk leven kan veranderen. Dat voel ik zo sterk dat ik je graag vaker zou willen schrijven. Je weet immers niet hoe lang het nog kan en vooral, je wilt zolang en zoveel mogelijk delen met een ander. Eigenlijk ben ik er vast van overtuigd dat de beslissende slag op alle fronten al begonnen zal zijn, als je deze brief ontvangt. Deze weken zullen een grote innerlijke kracht van ons vragen en ik wens je toe dat je die op kunt brengen (…)

Voor jou is het nog moeilijker dan voor mij. Jij moet dit alles meemaken gescheiden van Renate en je kind. Daarom zal ik heel speciaal aan je denken en dat doe ik nu al. Wat zou het goed zijn als we deze tijd samen konden beleven en elkaar konden helpen. Maar het zal wel ‘beter’ zijn dat het niet zo is, dat we alleen deze tijd moeten doorkomen. Het valt me zwaar dat ik je op het ogenblik in niets kan helpen. Ik denk alleen aan je, iedere morgen en avond en bij de bijbellezing en nog dikwijls overdag. Je hoeft me over mij echt geen zorgen te maken ; ik maak het abnormaal goed, je zou verbaasd staan als je me kwam opzoeken. De mensen hier zeggen me telkens – en je merkt hoe het me vleit – dat er ‘zo’n rust van me uitgaat’, dat ik ‘altijd zo opgewekt ben’. Mijn eigen tegengestelde ervaringen moeten dus wel op een vergissing berusten (wat ik overigens niet echt geloof!). Hoogstens zou je verbaasd zijn over mijn theologische opvattingen en hun consequenties en wat dat betreft mis ik je erg, want ik zou niet weten met wie, buiten jou, ik zou kunnen praten om tot helder inzicht te komen. Ik kom niet los van de vraag, wat het christendom of wie Christus op dit ogenblik voor ons eigenlijk is. De tijd dat je de mensen alles kon zeggen met woorden – theologische of vrome woorden – is voorbij. Wij gaan een tijd zonder enige religie tegemoet. De mens, zoals hij op dit ogenblik is, kan eenvoudig niet langer religieus zijn. Ook degenen die eerlijk van zichzelf zeggen dat ze ‘religieus’ zijn, maken dit absoluut niet waar in hun leven ; waarschijnlijk bedoelen ze met ‘religieus’ iets heel anders. (…) Religieuze mensen spreken over God zodra hun menselijke kennis hen in de steek laat (vaak ten gevolge van denk-luiheid) of zodra menselijke krachten te kort schieten. Het is eigenlijk altijd weer de deus ex machina, die ze laten opdraven als schijnoplossing voor onoplosbare problemen, of als kracht wanneer de mens tekort schiet. Steeds weer wordt er geprofiteerd van menselijke zwakheid, steeds weer wordt er geopereerd aan de grenzen van het menselijke. Dit kan uiteraard maar standhouden, totdat de mens met eigen kracht de grenzen nog verder terugdringt en God als deus ex machina overbodig wordt. Dit praten over grenzen is voor mij een zeer bedenkelijke zaak geworden (is zelfs de dood nog een echte grens? – de mensen zijn er nauwelijks meer bang voor – en de zonde – de mensen weten nauwelijks nog wat het is). Ik heb altijd de indruk dat we hiermee angstig ruimte uitsparen voor God. Ik zou van God willen spreken, niet aan de grenzen maar in het centrum, niet bij zwakheid maar bij kracht, dus niet bij dood en schuld maar bij het leven en het goede van de mens. Aan de grenzen lijkt het mij beter te zwijgen en het onoplosbare onopgelost te laten. Geloof in de opstanding is geen oplossing van het probleem dood. Wat voor ons kenvermogen onbereikbaar is, is iets anders dan de onbereikbaarheid van God. De transcendentie van de kenleer heeft niets te maken met de transcendentie van God. Midden in het leven is God transcendent. De kerk staat niet daar waar menselijk kunnen ophoudt, niet aan de grenzen maar midden in het dorp. Dat is de geest van het Oude Testament en in deze zin lezen wij het Nieuwe Testament nog veel te weinig vanuit het Oude. Hoe ziet dit religieloze christendom eruit, welke vormen gaat het aannemen : dat zijn vragen waarover ik op dit ogenblik veel nadenk. Ik schrijf er spoedig meer over. (…) Nu moet ik werkelijk sluiten. Wat zou het prachtig zijn, als ik van jou hierover eens iets mocht horen. Datzou werkelijk zeer veel voor me betekenen, meer wellicht dan jij denken kunt. (…)

Het beste, met alles!

De hartelijkste groeten, je Dietrich”

Uit een brief van 29 mei 19445

“…Het boek van Weizsäcker over het wereldbeeld van de fysica houdt me nog erg bezig. Het is me weer eens duidelijk geworden dat we God niet mogen gebruiken om de lacunes in onze kennis aan te vullen, want dan wordt God teruggedrongen naarmate de wetenschap vooruitgaat en die vooruitgang is niet te stuiten. Dan is God constant op de terugtocht. In wat we kennen moeten we God vinden, niet in wat we niet kennen. God wil begrepen worden in de opgeloste, niet in de open vragen? Dit geldt voor de verhouding God-wetenschap. Maar evengoed voor de algemeen menselijke vragen van dood, lijden en schuld. We hebben op het ogenblik menselijke antwoorden op deze vragen, we hoeven niet terug te vallen op God. Ook zonder God komen de mensen klaar met deze vragen en dit is altijd zo geweest. Het is eenvoudig niet waar dat alleen het christendom hier een oplossing heeft. De christelijke antwoorden zijn niet meer of minder overtuigend dan eventuele andere oplossingen. Ook hier is God geen stoplap. Hij moet erkend worden midden in het leven en niet pas aan de grenzen van ons kennen, als we sterk en gezond zijn en niet pas als we lijden, als we handelen en niet pas als we zondigen. Dit is gefundeerd op Gods openbaring in Jezus Christus. Hij is het centrum van het leven en kwam beslist niet om vragen te beantwoorden. Gezien vanuit het centrum vallen bepaalde vragen eenvoudig weg en ook het antwoord op die vragen (ik denk aan het oordeel over Jobs vrienden). In Christuszijn geen ‘christelijke problemen’. Genoeg hierover; ik werd juist weer eens gestoord.”

 

Uit een brief van 16 juli 19446

“… We kunnen niet redelijk zijn, als we niet erkennen dat we in de wereld moeten leven, ‘etsi deus non daretur’. En dat erkennen wij voor God! God zelf dwingt ons dit te erkennen. Zo brengt onze mondigheid ons tot de waarachtige kennis van onze situatie tegenover God. God doet ons weten dat wij moeten leven als diegenen, die hun leven inrichten zonder God. De God, die met ons is, is de God die ons verlaat (Mc 15,347) ! De God die ons in de wereld doet leven zonder de werkhypothese God, is de God voor wiens aanschijn wij staan. Voor en met God leven wij zonder God. God laat zich uit de wereld terugdringen tot op het kruis, God is zwak en machteloos in de wereld en juist zo en alleen zo is Hij met ons en helpt Hij ons. In Mt 8,178 staat overduidelijk dat Christus ons niet helpt krachtens zijn almacht, maar krachtens zijn zwakheid, zijn lijden! Hier ligt het wezenlijke verschil met alle religies. Het religieuze in de mens verwijst hem in zijn nood naar Gods macht in de wereld, God is de deus ex machina. De bijbel verwijst de mens naar Gods onmacht en lijden; alleen de lijdende God kan helpen. In zoverre kan men zeggen dat de geschetste ontwikkeling tot mondigheid, die afrekent met een verkeerde voorstelling van God, de blik vrijmaakt voor de God van de bijbel, die door zijn machteloosheid in de wereld macht en ruimte krijgt.”

Brief van 21 juli 19449

“Beste Eberhard,

Vandaag alleen een korte groet. Ik denk dat je in gedachten zo vaak hier bij ons bent, dat ieder levensteken welkom is, ook al komt er een keer geen theologie in voor. De theologische gedachten houden me constant bezig, maar soms komen er ook uren dat je eenvoudig leeft en gelooft zonder te reflecteren. (…) Ik heb de laatste jaren steeds meer de diepe aardsheid van het christendom leren doorgronden. De christen is geen homo religiosus maar gewoon een mens, zoals Jezus mens was. Niet de vlakke, banale aardsheid van rationalisten, bedrijvigen, gemakzuchtigen of wellustelingen maar de diepe, gedisciplineerde aardsheid, doortrokken van het besef van dood en opstanding. (…) Ik moet denken aan een gesprek met een jonge Franse predikant, dertien jaar geleden inAmerika. We hadden ons eenvoudig de vraag gesteld wat we eigenlijk wilden met ons leven. Hij zei: ik zou een heilige willen worden (en ik acht het niet onmogelijk dat hij het geworden is). Dat maakte indruk op me. Toch kwam ik met een andere mening en zei ongeveer: ik zou willen leren geloven. Lange tijd heb ik niet beseft hoe diep deze tegenstelling is. Mijn ‘Navolging’ schreef ik als afsluiting van die periode. Ik zie op dit ogenblik duidelijk de gevaren van dat boek, maar blijf er desondanks achterstaan. Later heb ik ervaren en ik ervaar het tot op dit moment, dat je pas leert geloven als je midden in de aardsheid van dit leven staat; (…) als je aards leeft, dus met alle taken en problemen, successen en mislukkingen, met alle ervaringen en twijfels; want dan geef je je helemaal over aan God, dan neem je niet meer je eigen lijden, maar Gods lijden in de wereld au sérieux, dan waak je met Christus in Ghetsemane. Dat is, meen ik, geloof ik, dat is ‘metanoia’; zo word je een mens, een christen. Hoe zou je bij successen overmoedig of bij mislukkingen wanhopig kunnen worden als je in het aardse leven het lijden van God mee lijdt? Jij begrijpt wat ik bedoel, al zeg ik het kort. Ik ben dankbaar dat ik dit heb mogen inzien en ik weet dat ik tot dit inzicht alleen kon komen langs de weg die ik in feite gegaan ben. Daarom ben ik dankbaar aan het verleden en het heden. Je verwondert je misschien over zo’n persoonlijke brief. Maar als ik zoiets wil uitspreken, wieheb ik dan behalve jou? Misschien komt het nog eens zo ver, dat ik er ook met Maria10 overkan praten; dat hoop ik. Maar nu kan ik haar er nog niet mee belasten. (…)

Het beste, blijf gezond en verlies niet de hoop dat wij elkaar spoedig zullen terugzien. Ik denk

steeds aan je in dankbaarheid en trouw.

Je Dietrich”

2.2 Interpretatie11

2.2.1. Niet-religieuze interpretatie van het christendom in een mondig geworden wereld

Om deze gedachten van Bonhoeffer goed te begrijpen moet men rekening houden met de omstandigheden waarin ze zijn ontstaan: het gaat om brieven aan een vriend, niet om een wetenschappelijk werk bestemd om gepubliceerd te worden. Bonhoeffer speelde trouwens met de idee om na zijn gevangenschap een nieuw wetenschappelijk werk te schrijven over wat het betekent christen te zijn in een mondig geworden wereld. Die studie is er helaas nietgekomen

Mondigheid’ betekent bij Bonhoeffer autonomie: de wereld staat niet meer onder de ‘voogdij’ van God. De mondige wereld is een wereld die van oordeel is dat hij zich wat ,zijn lot en bestemming betreft, niet hoeft te verlaten op iemand anders en die in feite ook steeds beter greep krijgt op de ‘geheimen van de natuur’. De mondige mens heeft geleerd om in alle belangrijke vragen met zichzelf klaar te komen, zonder de werkhypothese ‘God’ ter hulp te roepen. Deze autonomie heeft niet alleen betrekking op de wetenschappelijke en technische vragen en problemen, maar ook op de grote levensvragen van de mens.

Lees verder “Dietrich Bonhoeffer : Verzet en overgave en over de God stoplap….”

Dietrich Bonhoeffer :Men is verontrust over het feit dat redelijke mensen noch de diepte van het kwaad…..

BLIND8

Men is verontrust over het feit dat redelijke mensen noch de diepte van het kwaad, noch de diepte van het heilige kunnen bevatten…. Ze zijn zo blind in hun verlangen om recht te doen aan beide kanten dat ze klem komen te zitten tussen de twee classificerende krachten en uiteindelijk niets bereiken……Het nieuws dat God mens is geworden treft het hart van een tijdperk waarin de goeden en de slechten ofwel minachting voor de mens ofwel de verafgoding van de mens als de hoogst bereikbare wijsheid beschouwen.

Dietrich Bonhoeffer

st.Cyprianus van Carthago : God is één en Christus één en Zijn Kerk één en het Geloof één en het volk één, allen samengevoegd door de band van eendracht tot een solide eenheid van lichaam….

LOSES

“God is één en Christus één en Zijn Kerk één en het Geloof één en het volk één, allen samengevoegd door de band van eendracht tot een solide eenheid van lichaam. De eenheid kan niet uit elkaar worden gescheurd, noch kan het ene lichaam worden gescheiden door een verdeling van zijn structuur, noch in stukken worden gescheurd door het scheuren van zijn ingewanden. Wie zich verwijdert van de wortel van het ouderlijk lichaam zal niet in staat zijn om gescheiden te ademen en te leven. Door te verlaten verliest men de substantie van gezondheid.”

Sint Cyprianus van Carthago

De eenheid van de Kerk

St Basilius : De aarde is van de Heer en alles wat erop leeft……

EARTH

De aarde is van de Heer en alles wat erop leeft.

God, vergroot in ons het gevoel van verbondenheid met alle levende wezens, onze kleine broeders, aan wie U deze aarde als hun gemeenschappelijk thuis hebt gegeven.

Laten we beseffen dat zij niet alleen voor ons leven, maar voor zichzelf en voor U, en dat zij de zoetheid van het leven liefhebben, net als wij, en dat zij U beter dienen in hun plaats dan wij in de onze.

Amen

Julian of Norwich : Wees een tuinier, graaf een greppel……

WATER9

Wees een tuinier.

Graaf een greppel,

zwoeg en zweet

en keer de aarde om

en zoek de diepte

en geef de planten op tijd water.

Zet deze arbeid voort

en laat zoete overstromingen stromen

en edele en overvloedige vruchten

ontkiemen.

Neem dit voedsel en deze drank

en draag het naar God

als uw ware aanbidding.

Julian of Norwich

St.Gregorius van Nazianze : “God aanvaardt onze verlangens alsof ze van grote waarde zijn……

FRIVOLOUS

“God aanvaardt onze verlangens alsof ze van grote waarde zijn. Hij verlangt er vurig naar dat wij Hem begeren en liefhebben. Hij aanvaardt onze verzoeken om voordelen alsof wij Hem een ​​gunst bewijzen. Zijn vreugde in het geven is groter dan de onze in het ontvangen. Laten wij dus niet apathisch zijn in ons vragen, noch te nauwe grenzen stellen aan onze verzoeken; noch om frivole dingen vragen die Gods grootheid niet waardig zijn”. – Sint Gregorius van Nazianze

St. Gregorius van Nazianze [ geboren 329]

Joys Killer : Bomen… (gedicht)

TREES1

Bomen

Door Joyce Kilmer

BOOM

Ik denk dat ik het nooit zal zien

Een gedicht, mooi als een boom.

 Een boom wiens hongerige mond wordt gevuld

Tegen de zoete vloeiende borst van de aarde;

Een boom die de hele dag naar God kijkt,

En heft haar bladerrijke armen op om te bidden;

Een boom die in de zomer kan dragen

Een nest roodborstjes in haar haar;

Op wiens boezem sneeuw heeft gelegen;

Die nauw met regen leeft.

Gedichten worden gemaakt door dwazen zoals ik,

Maar alleen God kan een boom maken.

KILLER

BOOM

BLOWING

“Jezus is daar, slapend als in vroegere dagen, in de boot van de vissers van Galilea. Hij slaapt… en je ziet Hem niet, want de nacht is gevallen op de boot… Je hoort de stem van Jezus niet. De wind waait… je hoort het; je ziet duisternis… en Jezus slaapt altijd. Maar als Hij maar even wakker zou worden, zou Hij alleen maar de wind en de zee hoeven te bevelen, en er zou een grote stilte zijn… en je ziel zou getroost worden.

Maar Jezus zou ook niet meer slapen, en Hij is zo moe! De apostelen gaven Hem geen kussen. Het Evangelie geeft ons dit detail. Maar in het kleine bootje van Zijn geliefde echtgenote vindt de Heer een ander kussen, veel zachter, jouw hart. Daar vergeet Hij alles, Hij is thuis. Het is geen steen die Zijn goddelijk hoofd ondersteunt, het is het hart van een kind, het hart van een echtgenote. Oh, hoe gelukkig is Jezus!”

Heilige Theresia van het Kind Jezus van het Heilig Aanschijn

TERESA100

Charles de Foucauld : Laten we dit geloof hebben dat alle angst verdrijft…

FACING

“Laten we dit geloof hebben dat alle angst verdrijft. We hebben naast ons, tegenover ons, in ons, onze Jezus, onze God die oneindig veel van ons houdt, almachtig is, weet wat het beste voor ons is, ons vertelt het koninkrijk te zoeken en dat de rest ons gegeven zal worden.”

Met andere woorden, je bent het aan Jezus verschuldigd om nooit iets te vrezen.

Het volledige artikel :

Wees niet bang

charles de Foucauld

Angst. Heb je het gevoeld? Er zijn weinig dingen die ons zo diepgaand kunnen beheersen als echte angst.

We kunnen bang zijn voor veel dingen, zelfs dingen waarvan we weten dat ze goed zijn: een verbintenis, een persoon, schuldgevoel, het gevoel van pijn. We kunnen bang zijn voor de onzekerheid van de toekomst, of wereldgebeurtenissen, of kwetsbaar zijn tegenover een ander persoon, of schaamte, of financiële omstandigheden, of onverwachts sterven.

God weet dat wij angstige wezens zijn. Daarom spreekt hij altijd eerst de woorden: “Vrees niet.” Deze twee woorden worden bijna tweehonderd keer herhaald in de Schrift. Ze zijn bedoeld om vertrouwen en zekerheid te inspireren, maar bovenal geloof.

Denk aan de discipelen in hun fragiele vissersboot, heen en weer geslingerd door een hevige storm op de zee van Galilea. Ze zijn bang, zelfs doodsbang, door de storm. Zullen ze het overleven? Zullen ze hun families ooit nog zien? Maar dan zien ze iets wat ze nauwelijks kunnen geloven: een man die op het water naar hen toe loopt. Kan dat? Ze zijn nog  banger voor deze verschijning dan voor de storm. Ze willen in paniek vluchten, maar dat kunnen ze niet.

Eindelijk spreekt de man. “Houd moed! Ik ben het. Wees niet bang.” Bij deze woorden verdwijnt alle angst uit hun hart. Ze weten dat het Jezus is. Petrus, vervuld van het vertrouwen dat voortkomt uit geloof, springt uit de boot en begint over de door de wind geteisterde zee naar zijn meester te lopen. Pas als hij zijn ogen van zijn Heer afwendt, begint hij in de golven te zinken.

Het is geloof dat het ware tegengif is tegen angst. Geloof is geloven en handelen naar wat we weten dat waar is, ondanks onze door angst veroorzaakte verlamming. Het is de oprechte overtuiging dat Jezus bij ons is, en dat we met hem aan onze zijde nooit echt geschaad kunnen worden.

j“Een van de dingen die we absoluut aan onze Heer verschuldigd zijn, is om nooit bang te zijn,” zei de zalige Charles de Foucauld. “Laten we dit geloof hebben dat alle angst verdrijft. We hebben naast ons, tegenover ons, in ons, onze Jezus, onze God die oneindig veel van ons houdt, almachtig is, weet wat het beste voor ons is, ons vertelt het koninkrijk te zoeken en dat de rest ons gegeven zal worden.” Met andere woorden, je bent het aan Jezus verschuldigd om nooit iets te vrezen.

In momenten van duisternis, in momenten van twijfel, in momenten van angst, laten we bidden tot onze goede Meester voor de gave van een onbevreesd geloof, een geloof dat alle aarzeling uitdrijft en ons vervult met de vrede die alle begrip tart. En laten we onszelf vaak herinneren aan zijn woorden van troost en redding: “Heb moed! Ik ben het. Wees niet bang.”

Bron : https://www.goodreads.com/author/quotes/64437.Charles_de_Foucauld

Heilige Efraïm de Syriër Leven en werk….

EFREM21

De heilige Efraïm de Syriër

Leven en werk

De heilige Efraïm de Syriër, een leraar van berouw, werd aan het begin van de vierde eeuw geboren in de stad Nisibis (Mesopotamië) in de familie van verarmde arbeiders op de grond. Zijn ouders voedden hun zoon vroom op, maar vanaf zijn jeugd stond hij bekend om zijn opvliegendheid en onstuimige karakter. Hij had vaak ruzie, handelde onnadenkend en twijfelde zelfs aan Gods voorzienigheid. Uiteindelijk kwam hij bij zinnen door de genade van God en begon hij aan het pad van berouw en redding.

Op een keer werd hij ten onrechte beschuldigd van het stelen van een schaap en werd hij in de gevangenis gegooid. Hij hoorde een stem in een droom die hem opriep om berouw te hebben en zijn leven te corrigeren. Hierna werd hij vrijgesproken van de tenlasteleggingen en vrijgelaten.

De jongeman rende naar de bergen om zich bij de kluizenaars te voegen. Deze vorm van christelijke ascese was geïntroduceerd door een leerling van de heilige Antonius de Grote, de Egyptische woestijnbewoner Eugenius.

De heilige Jacobus van Nisibis (13 januari) was een bekende asceet, een prediker van het christendom en een aanklager van de Arianen. De heilige Efraïm werd een van zijn leerlingen. Onder leiding van de heilige hiërarch verwierf de heilige Efraïm christelijke zachtmoedigheid, nederigheid, onderwerping aan Gods wil en de kracht om zonder klagen verschillende verleidingen te ondergaan.

De heilige Jacobus veranderde de eigenzinnige jongeling in een nederige en conritische monnik. Toen hij de grote waarde van zijn discipel besefte, maakte hij gebruik van zijn talenten. Hij vertrouwde hem toe om preken te houden, om kinderen op school te onderwijzen, en hij nam Efraïm mee naar het Eerste Oecumenische Concilie in Nicea (in het jaar 325). De heilige Efraïm was veertien jaar lang in gehoorzaamheid aan de heilige Jacobus, tot de dood van de bisschop in 338.

Na de gevangenneming van Nisibis door de Perzen in 363 ging de heilige Efraïm naar een klooster in de buurt van de stad Edessa. Hier zag hij vele grote asceten, die hun leven brachten in gebed en psalmodie. Hun grotten waren eenzame schuilplaatsen en ze voedden zich met een bepaalde plant.

Hij kreeg vooral een hechte band met de asceet Julianus (18 oktober), die het met hem eens was. De heilige Efraïm combineerde ascese met een onophoudelijke studie van het Woord van God, en putte er zowel troost als wijsheid uit voor zijn ziel. De Heer gaf hem een gave van onderwijs, en de mensen begonnen naar hem toe te komen, die zijn raad wilden horen, wat wroeging in de ziel veroorzaakte, omdat hij begon met zelfbeschuldiging. Zowel mondeling als schriftelijk onderricht de heilige Efraïm iedereen in berouw, geloof en vroomheid, en hij hekelde de Ariaanse ketterij, die in die tijd grote beroering veroorzaakte. Heidenen die de prediking van de heilige hoorden, bekeerden zich tot het christendom.

Hij schreef ook het eerste Syrische commentaar op de Pentateuch (d.w.z. “Vijf Boeken”) van Mozes. Hij schreef vele gebeden en hymnen en verrijkte daarmee de liturgische diensten van de Kerk. Beroemde gebeden van de heilige Efraïm zijn tot de Allerheiligste Drie-eenheid, tot de Zoon van God en tot de Allerheiligste Theotokos. Hij componeerde hymnen voor de twaalf grote feesten van de Heer (de geboorte van Christus, de doop, de opstanding) en begrafenisliederen. Het gebed van berouw van de heilige Efraïm, “O Heer en Meester van mijn leven…”, wordt gereciteerd tijdens de Grote Vasten en roept christenen op tot spirituele vernieuwing.

Sinds de oudheid heeft de Kerk de werken van de heilige Efraïm gewaardeerd. Zijn werken werden in bepaalde kerken in het openbaar voorgelezen naar de Heilige Schrift, zoals de heilige Hiëronymus ons vertelt. Op dit moment schrijft de Kerk Typikon voor dat bepaalde van zijn instructies op de dagen van de vastentijd moeten worden gelezen. Onder de profeten is de heilige David de psalmodist bij uitstek; Onder de Kerkvaders is de heilige Efraïm de Syriër de man bij uitstek van het gebed. Zijn spirituele ervaring maakte hem tot een gids voor kloosterlingen en een hulp voor de pastoors van Edessa. De heilige Efraïm schreef in het Syrisch, maar zijn werken werden al heel vroeg in het Grieks en Armeens vertaald. Van de Griekse tekst werden vertalingen in het Latijn en het Slavisch gemaakt.

In veel van de werken van de heilige Efraïm vangen we een glimp op van het leven van de Syrische asceten, dat gericht was op gebed en werken in verschillende gehoorzaamheden voor het algemeen welzijn van de broeders. De zienswijze van alle Syrische asceten was dezelfde. De monniken geloofden dat het doel van hun inspanningen gemeenschap met God en het verwerven van goddelijke genade was. Voor hen was het huidige leven een tijd van tranen, vasten en zwoegen.

“Als de Zoon van God in u is, dan is Zijn Koninkrijk ook in u. Het Koninkrijk van God is dus binnenin jou, een zondaar. Treed binnen in uzelf, zoekt ijverig en zonder moeite zult gij het vinden. Buiten jou is de dood, en de deur ernaartoe is zonde. Ga binnen in jezelf, woon in je hart, want God is daar.”

Voortdurende geestelijke soberheid, de ontwikkeling van het goede in de ziel van de mens geeft hem de mogelijkheid om een taak op zich te nemen zoals gelukzaligheid, en een zelfbeperking zoals heiligheid. De vergelding is voorondersteld in het aardse leven van de mens, het is een onderneming van geestelijke volmaaktheid in fasen. Wie zich vleugels ontplooit op de aarde, zegt de heilige Efraïm, is degene die opstijgt tot in de hoogte; wie hier beneden zijn geest zuivert, daar vangt hij een glimp op van de heerlijkheid van God. In welke mate een ieder God ook liefheeft, hij wordt door Gods liefde naar die maat tot volheid verzadigd. De mens, die zichzelf reinigt en de genade van de Heilige Geest verwerft terwijl hij nog hier op aarde is, heeft een voorsmaak van het Koninkrijk der Hemelen. Het bereiken van het eeuwige leven betekent in de leer van de heilige Efraïm niet het overgaan van het ene bestaansgebied naar het andere, maar veeleer het ontdekken van ‘de hemelse’, geestelijke toestand van het zijn. Het eeuwige leven wordt de mens niet geschonken door Gods eenzijdige inspanningen, maar het groeit voortdurend als een zaadje in hem door zijn inspanningen, zwoegen en worstelingen.

De belofte in ons van “theosis” (of “vergoddelijking”) is de doop van Christus, en de belangrijkste kracht die het christelijk leven drijft, is bekering. De heilige Efraïm was een groot leraar van berouw. De vergeving van de zonden in het Mysterie van het Berouw is volgens zijn leer geen uiterlijke vrijspraak, niet een vergeten van de zonden, maar eerder hun volledige ondergang, hun vernietiging. De tranen van berouw spoelen de zonde weg en verbranden ze weg. Bovendien verlevendigen ze (d.w.z. de tranen), ze transfigureren de zondige natuur, ze geven de kracht “om te wandelen op de weg van de geboden van de Heer”, en moedigen de hoop op God aan. In de vurige bron van berouw schreef de heilige: “je zeilt jezelf naar de overkant, o zondaar, je wekt jezelf op uit de dood.”

De heilige Efraïm, die zichzelf als de minste en de slechtste van allen beschouwde, ging aan het einde van zijn leven naar Egypte om de inspanningen van de grote asceten te zien. Hij werd daar als een graag geziene gast ontvangen en ontving grote troost door met hen te praten. Op zijn terugreis bezocht hij Caesarea in Cappadocië met de heilige Basilius de Grote (1 januari), die hem tot priester wilde wijden, maar hij achtte zichzelf het priesterschap onwaardig. Op aandringen van de heilige Basilius stemde hij er alleen in toe om tot diaken te worden gewijd, in welke rang hij tot aan zijn dood bleef. Later nodigde de heilige Basilius de heilige Efraïm uit om een bisschoppelijke troon te aanvaarden, maar de heilige veinsde waanzin om deze eer te vermijden, en beschouwde zichzelf nederig als onwaardig.

Na zijn terugkeer in zijn eigen wildernis van Edessa hoopte de heilige Efraïm de rest van zijn leven in eenzaamheid door te brengen, maar de goddelijke Voorzienigheid riep hem opnieuw op om zijn naaste te dienen. De inwoners van Edessa leden onder een verwoestende hongersnood. Door de invloed van zijn woord overtuigde de heilige de rijken om hulp te bieden aan mensen in nood. Van de offers van de gelovigen bouwde hij een armenhuis voor de armen en zieken. De heilige Efraïm trok zich vervolgens terug in een grot in de buurt van Edessa, waar hij tot het einde van zijn dagen bleef.

 

Bron : https://www.oca.org/saints/lives/2024/01/28/100328-venerable-ephraim-the-syrian

Heilige Andreas van Kreta : Glorie aan de Heer. Welke glorie? In feite het kruis waaraan Christus werd verheerlijkt…..

CRISTO

“Glorie aan de Heer. Welke glorie? In feite het kruis waaraan Christus werd verheerlijkt. Hij, de luister van de heerlijkheid van de Vader, zoals Hij zelf, toen het Lijden nabij was, zei: Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt; en Hij zal Hem zonder uitstel verheerlijken (Joh 13:31-32). Hij noemt zijn verheerlijking aan het kruis heerlijkheid in deze passage. Want het kruis van Christus is heerlijkheid en, inderdaad, zijn verheerlijking.”

Andreas van Kreta (8e eeuw)

Preken 9 PG 97,1002

Kahlil Gibran : Uit “De profeet”

maria

Over vreugde en verdriet

Kalhil Gibran (Uit ‘De Profeet’

Toen zei een vrouw: Vertel ons over vreugde en verdriet.

En hij antwoordde:

Jouw vreugde is jouw ontmaskerde verdriet.

En dezelfde bron waaruit jouw lach opwelt, werd vaak gevuld met jouw tranen.

En hoe kan het ook anders?

Hoe dieper het verdriet in je wezen dringt, hoe meer vreugde je kunt bevatten.

Is de beker waarin uw wijn zit niet dezelfde beker die in de oven van de pottenbakker is gebakken?

En is de luit die uw geest kalmeert niet hetzelfde hout dat met messen werd uitgehold?

Wanneer u blij bent, kijk dan diep in uw hart en u zult ontdekken dat alleen datgene wat u verdriet bezorgde, u nu vreugde geeft.

Wanneer u verdrietig bent, kijk dan nog eens in uw hart en u zult zien dat u werkelijk huilt om datgene waar u vreugde in had.

Sommigen van jullie zeggen: “Vreugde is groter dan verdriet,” en anderen zeggen: “Nee, verdriet is groter.”

Maar Ik zeg u: ze zijn onafscheidelijk.

Samen komen ze, en als de een alleen met jou aan boord zit, bedenk dan dat de ander op jouw bed slaapt.

Waarlijk, jullie hangen als een weegschaal tussen jullie verdriet en jullie vreugde.

Alleen als je leeg bent, sta je stil en ben je in evenwicht.

Wanneer de schatbewaarder u optilt om zijn goud en zilver te wegen, moet uw vreugde of verdriet stijgen of dalen.

KAHLIL9

 Kahlil Gibran, auteur van De Profeet

 Werd geboren op

 6 januari 1883 in Bsharri, Libanon

Dit gedicht is in het publieke domein. Gepubliceerd in Poem-a-Day op 10 februari 2019, door de Academy of American Poets.

Fulgentius van Ruspe : Liefde was het wapen van Stefanus waarmee hij elke strijd won, en zo de kroon won die door zijn naam wordt aangeduid…

STEPHEN9

Liefde was het wapen van Stefanus waarmee hij elke strijd won, en zo de kroon won die door zijn naam wordt aangeduid

“Liefde was Stephens wapen waarmee hij elke strijd won, en zo de kroon won die door zijn naam werd aangeduid. Zijn liefde voor God weerhield hem ervan toe te geven aan de woeste menigte; zijn liefde voor zijn naaste deed hem bidden voor degenen die hem stenigden. Liefde inspireerde hem om degenen die dwaalden te berispen, om hen te laten herstellen; liefde bracht hem ertoe te bidden voor degenen die hem stenigden, om hen te redden van straf. […] Liefde is inderdaad de bron van alle goede dingen; het is een onneembare verdediging, en de weg die naar de hemel leidt.”

Daarop werden ze allemaal woedend en sleepten hem de stad uit en stenigden hem tot de dood. Stefanus bleef trouw tot het einde en riep: “Heer Jezus, ontvang mijn geest.” Hij knielde en smeekte God om vergeving voor degenen die hem doodden. St. Paulus was onder de menigte die zich tegen Stefanus verzette en getuige was van zijn martelaarschap.

Heilige Stefanus, de eerste christen die stierf voor uw geloof in Jezus

Thomas Merton (Trappist) : Wat bedoel ik met onszelf op de juiste manier liefhebben?….

RUSPE

“Wat bedoel ik met onszelf op de juiste manier liefhebben? Ik bedoel allereerst, verlangen om te leven, het leven accepteren als een heel groot geschenk en een groot goed, niet vanwege wat het ons geeft, maar vanwege wat het ons in staat stelt om aan anderen te geven.”

—Thomas Merton (Amerikaans Trappist)

Johannes Chrysostomos :Door af te dalen in de Hel, heeft Hij de Hel gevangen genomen……

JOHN1

(De volledige tekst 🙂

“Laat niemand zijn armoede betreuren,

Want het universele Koninkrijk is geopenbaard.

Laat niemand wenen om zijn ongerechtigheden,

Want vergeving is uit het graf verschenen.

Laat niemand de dood vrezen,

Want de dood van de Heiland heeft ons bevrijd.

Hij die er gevangen in werd gehouden, heeft haar vernietigd.

Door af te dalen in de Hel, heeft Hij de Hel gevangen genomen.

Hij verbitterde haar toen zij van Zijn vlees proefde.

En Jesaja, dit voorspellend, riep:

De Hel, zei hij, was verbitterd

Toen zij U ontmoette in de lagere regionen.

Zij was verbitterd, want zij werd afgeschaft.

Zij was verbitterd, want zij werd bespot. Zij

was verbitterd, want zij werd gedood.

Zij was verbitterd, want zij werd omvergeworpen.

Zij was verbitterd, want zij werd geketend in ketenen.

Zij nam een ​​lichaam aan en ontmoette God van aangezicht tot aangezicht.

Zij nam de aarde aan en ontmoette de Hemel.

Het nam datgene wat gezien werd, en viel op het ongeziene.

O Dood, waar is uw angel?

O Hel, waar is uw overwinning? ”

― St. Johannes Chrysostomus

Bron : https://www.goodreads.com/quotes/58652-let-no-one-bewail-his-poverty-for-the-universal-kingdom

Efraim : de Syriër :Gebed is een bewaker van voorzichtigheid….

EFRAIM6

[dit artikel hieronder is het volledige artikel van wat hierboven op de afbeelding staat] :

St. Ephraim the Syrian : Over GEBED :

Niet zondigen is waarlijk zalig; maar wie zondigt, moet niet wanhopen, maar treuren over de zonden die hij heeft begaan, zodat hij door treuren opnieuw de zaligheid kan bereiken. Het is dus goed om altijd te bidden en de moed niet te verliezen, zoals de Heer zegt, En de apostel zegt weer: ‘Bid zonder ophouden’, dat wil zeggen ’s nachts en overdag en op elk uur, en niet alleen als je in de kerk komt, en niet op andere tijden. Maar of je nu werkt, ligt te slapen, reist, eet, drinkt, aan tafel zit, onderbreek je gebed niet, want je weet niet wanneer Hij komt die je ziel opeist. Wacht niet op zondag of een feestdag, of een andere plaats, maar, zoals de profeet David zegt, ‘in elke plaats van zijn heerschappij’. Of je nu in de kerk bent, of in je huis, of op het platteland; of je nu schapen hoedt, of gebouwen bouwt, of aanwezig bent op drinkpartijen, houd niet op met bidden. Als je kunt, buig dan je knieën, als je niet kunt, doe dan voorbede in gedachten, ’s avonds en ’s morgens en ’s middags’. Als het gebed voorafgaat aan je werk en als, wanneer je opstaat uit je bed, je eerste bewegingen gepaard gaan met gebed, kan de zonde geen ingang vinden om je ziel aan te vallen.

Gebed is een bewaker van voorzichtigheid, beheersing van toorn, beteugeling van trots, reiniging van boosaardigheid, vernietiging van afgunst, rechtzetten van verdorvenheid. Gebed is kracht van lichamen, voorspoed van een huishouden, goede orde van een stad, macht van een koninkrijk, trofee van oorlog, zekerheid van vrede. Gebed is een zegel van maagdelijkheid, trouw in het huwelijk, wapen van reizigers, beschermer van slapers, moed van wakkeren, overvloed voor boeren, veiligheid van hen die varen.

Gebed is een pleitbezorger voor hen die berecht worden, kwijtschelding voor de gebondenen, troost voor de treurenden, blijdschap voor de vreugdevollen, troost voor de treurenden, een feest op verjaardagen, een kroon voor de gehuwden, een lijkwade voor de stervenden. Gebed is conversatie met God, gelijke eer met de Engelen, vooruitgang in goede dingen, afwenden van kwaad, rechtzetten van zondaars. Gebed maakte van de walvis een huis voor Jonas, bracht Hizkia weer tot leven uit de poorten van de dood, veranderde de vlam in een wind van vocht voor de jongeren in Babylon. Door te bidden verbond Elias de hemel om drie jaar en zes maanden lang niet te regenen.

Zie, broeders, wat een kracht gebed heeft. Er is geen kostbaarder bezit dan gebed in het hele menselijke leven. Laat het nooit los; laat het nooit in de steek. Maar, zoals onze Heer zei, laten we bidden dat ons zwoegen niet voor niets mag zijn: ‘Wanneer u in gebed staat, vergeef dan als u iets tegen iemand hebt, opdat uw hemelse Vader u uw fouten vergeeft’.

Zien jullie niet, broeders, dat we voor niets zwoegen als we bidden, als we vijandschap tegen iemand hebben?

En opnieuw zegt de Heer: ‘Als je je gave aanbiedt bij het altaar en je herinnert je daar dat iemand iets tegen je heeft, laat dan je gave voor het altaar liggen en ga eerst heen om je met je broeder te verzoenen en kom dan je gave aanbieden’. Het is dus duidelijk dat als je dit niet eerst doet, alles wat je aanbiedt onaanvaardbaar zal zijn, maar als je het gebod van de Meester opvolgt, smeek de Heer dan met vrijmoedigheid en zeg: ‘Vergeef mij mijn schulden, Meester, zoals ik mijn broeder heb vergeven, zo vervul ik uw gebod. Ik, hoe zwak ik ook ben, heb vergeven’. Want de Beminde der mensen zal antwoorden: ‘Als jij vergeven hebt, zal ik ook vergeven. Als jij vergeven hebt, zal ook Ik jouw zonden vergeven. Want Ik heb gezag op aarde om zonden te vergeven. Vergeef en je zult vergeven worden’.

Zie Gods onpeilbare liefde voor de mensheid. Zie Gods onbegrensde goedheid. Hoor onmiddellijke redding van van je zielen.

Bron : https://www.saintolympiaorthodoxchurch.org/images/bulletins/2019/StOlympiaBulletin3_17_19.pdf