Bernardus van Clairvaux: Genade is noodzakelijk voor verlossing…..

“Genade is noodzakelijk voor verlossing, vrije wil is evenzeer zo — maar genade om verlossing te geven, vrije wil om het te ontvangen.”

— St. Bernardus van Clairvaux (1090–1153)

   +++++++++++++++

[Dit citaat van Bernardus van Clairvaux — “Genade is noodzakelijk voor verlossing, vrije wil is evenzeer zo — maar genade om verlossing te geven, vrije wil om het te ontvangen” — is rijk aan betekenis en heeft door de eeuwen heen verschillende interpretaties opgeroepen. Hier zijn een paar mogelijke benaderingen:

1. Samenwerking tussen God en mens Deze interpretatie benadrukt dat verlossing niet alleen een goddelijke gave is (genade), maar ook een menselijke verantwoordelijkheid vereist (vrije wil). Bernardus lijkt te zeggen: God reikt de hand, maar de mens moet die hand aannemen.

2. Tegenwicht aan determinisme In een tijd waarin sommige theologen sterk de nadruk legden op voorbeschikking, biedt dit citaat ruimte voor menselijke keuzevrijheid. Het stelt dat de mens niet louter een passieve ontvanger is van genade, maar actief moet instemmen met die gave.

3. Mystieke ervaring van overgave Vanuit een mystiek perspectief kan het citaat gelezen worden als een uitnodiging tot innerlijke overgave. Genade is als het goddelijke licht dat binnenkomt, maar de ziel moet haar deuren openen — dat is de vrije wil in actie.

4. Theologisch evenwicht Bernardus zoekt hier misschien een middenweg tussen de leer van Augustinus (die sterk de nadruk legde op genade) en latere scholastieke denkers die meer ruimte gaven aan de menselijke wil. Hij erkent beide als essentieel.

Praktische spiritualiteit Voor de gelovige betekent dit citaat dat men niet passief mag wachten op redding, maar actief moet leven in overeenstemming met Gods wil — in gebed, daden en keuzes.]

———————

St. Robert Bellarmine: O Oneindige Goedheid – Akte van berouw….

O Oneindige Goedheid – Akte van berouw

door de heilige Robert Bellarminus (1542-1621) – Kerkleraar

+++++

O mijn God,

ik ben buitengewoon bedroefd,

omdat

ik U

heb beledigd en met heel mijn hart berouw heb over de zonden die ik heb begaan.

Ik haat en verafschuw hen boven elk ander kwaad,

niet alleen omdat

ik door zo te zondigen de hemel heb verloren en de hel heb verdiend,

maar nog meer omdat ik U heb beledigd,

o oneindige Goedheid,

die het waard bent om boven alles bemind te worden.

Ik neem mij vast voor,

met de hulp van Uw genade, U

in de komende

tijd nooit meer te beledigen en die gelegenheden te vermijden

die mij tot zonde zouden kunnen brengen.

Amen

————–

St.Patrick van Ierland: Christus zij met mij, Christus in mij….

Christus zij met mij, Christus in mij,

 Christus achter mij, Christus voor mij,

Christus naast mij, Christus om mij te winnen,

 Christus om mij te troosten en te herstellen,

Christus onder mij, Christus boven mij,

Christus in stilte, Christus in gevaar,

Christus in de harten van allen die van mij houden,

Christus in de mond van vriend en vreemdeling.

St.Patrick van Ierland

—————

Sint Catherina van Siena: Ik overweeg dat wanneer ons geheugen gevuld is met het bloed van de gekruisigde Christus……

Wie de wil van God doet….

Ik overweeg dat wanneer ons geheugen gevuld is met het bloed van de gekruisigde Christus, ons verstand onweerstaanbaar wordt aangetrokken om daarnaar te kijken. Daar ontdekt het bloed dat vermengd is met het vuur van goddelijke liefde – een oneindige liefde – omdat het bloed werd vergoten en ons uit liefde werd gegeven. Dan volgt onze wil onmiddellijk ons verstand: zij begint lief te hebben en te verlangen naar wat het verstand gezien heeft. Onze wil richt zich met kracht en liefde op de liefde van Christus de Gekruisigde – de liefde die zij heeft ontdekt in het bloed.

Zo dompelen wij onszelf onder in dat bloed. Daarmee bedoel ik dat we onze eigen zondige wil tot de dood onderdompelen – de wil die zich vaak verzet tegen haar Schepper. We werpen alle eigenliefde af en kleden ons in Gods eeuwige wil, de wil die we juist hebben leren kennen en ervaren in het bloed. Want het bloed openbaart dat God niets anders wil dan dat wij geheiligd worden. Als God iets anders had gwild, zou Hij ons nooit het Woord – zijn eniggeboren Zoon – gegeven hebben.

We zien dus duidelijk dat alles wat God in dit leven toelaat, Hij toelaat met slechts dat ene doel. Alles wat bestaat, komt van God. Niets dat ons overkomt – of het nu moeilijkheden zijn, verzoekingen, pijn, leed, kwaadsprekerij of welk ander lijden dan ook – kan ons verstoren. Integendeel, we zijn tevreden en ontvangen het met eerbied, wetend dat het van God komt en ons gegeven is als een gunst – niet uit haat, maar uit liefde.

— Heilige Catharina van Siena

+++++++++++++

[De tekst van de heilige Catharina van Siena komt uit haar beroemde werk De Dialoog (ook wel Het Boek van de Goddelijke Leer genoemd), dat ze in 1377 dicteerde tijdens momenten van mystieke extase. In deze dialogen spreekt ze met God de Vader over thema’s als liefde, gehoorzaamheid, lijden, en de weg naar heiligheid.

Deze passage valt onder haar beschouwingen over de wil van God en de rol van het lijden in het heiligingsproces van de mens. Catharina benadrukt dat het bloed van Christus – symbool van zijn ultieme liefde en offer – ons verstand en onze wil moet doordringen. Door ons te verenigen met deze liefde, leren we onze eigen wil los te laten en ons volledig over te geven aan Gods plan, zelfs als dat gepaard gaat met pijn of beproeving2.

Deze mystieke theologie was bedoeld als geestelijke begeleiding voor zowel leken als geestelijken in een tijd van grote kerkelijke en maatschappelijke onrust. Catharina wilde mensen helpen om hun leven te richten op God, ondanks de chaos van hun tijd.]

https://www.ctsnet.edu/the-dialogue-of-st-catherine-of-siena/

——————-

Charles de Foucauld: Mijn Vader, ik leg mijn geest in Uw handen….

“Mijn Vader, ik leg mijn geest in Uw handen… Dat is het laatste gebed van onze Meester, van onze Geliefde… Moge het ook het onze zijn… En moge het niet alleen ons laatste gebed zijn, maar dat van elk moment…

Mijn Vader, ik leg mijzelf in Uw handen; mijn Vader, ik vertrouw mij aan U toe; mijn Vader, ik geef mij over aan U; mijn Vader, doe met mij wat U behaagt; wat U ook met mij doet, ik dank U; dank voor alles; ik ben tot alles bereid; ik aanvaard alles; ik dank U voor alles.

Als slechts Uw Wil in mij geschiedt, mijn God, als slechts Uw Wil wordt vervuld in al Uw schepselen, in al Uw kinderen, in allen die Uw hart liefheeft, dan wens ik niets anders, mijn God.

Ik geef mijn ziel in Uw handen; ik geef haar aan U, mijn God, met heel de liefde van mijn hart, omdat ik van U houd, en omdat het een behoefte van liefde is mij te geven, mij in Uw handen te leggen, zonder voorbehoud, met oneindig vertrouwen, want U bent mijn Vader…”

— Br. Charles de Foucauld

+++++++++++++++++

[Deze tekst is een diep spiritueel gebed dat toewijding, vertrouwen en volledige overgave aan God uitdrukt. Het is geschreven door broeder Charles de Foucauld, een Franse kluizenaar en mysticus die bekendstaat om zijn radicale eenvoud en navolging van Jezus.

Hier is de kern van de tekst:

“Mijn Vader, ik leg mijn geest in Uw handen…”: Dit is een echo van Jezus’ laatste woorden aan het kruis. Het is een uitdrukking van ultiem vertrouwen, zelfs in het gezicht van de dood.

Overgave en vertrouwen: De spreker geeft zichzelf volledig over aan God, zonder voorbehoud. Hij drukt dankbaarheid uit voor alles wat hem overkomt, goed of slecht, omdat het deel is van Gods wil.

Liefde als drijfveer: De herhaling van “omdat ik van U houd” en “ik geef mij over” onderstreept dat deze toewijding geen verplichting is, maar een daad van liefde en vertrouwen, gevoed door een intiem verlangen één te zijn met God.

Spirituele overgave als levenshouding: Niet alleen als laatste gebed, maar als een voortdurende houding door het leven heen – in vreugde én lijden.

Het is tegelijk nederig en krachtig: de wil om zich geheel toe te vertrouwen aan iets groters, zelfs wanneer men niet alles begrijpt. Het inspireert tot innerlijke vrede, zelfs middenin onzekerheid.

Wie was Charles de Foucauld ?

Hij werd geboren in 1858 in Straatsburg en verloor op jonge leeftijd beide ouders. Als jonge man leidde hij een losbandig leven vol luxe en plezier. Hij was militair, ontdekkingsreiziger en stond bekend om zijn intellect, maar ook om zijn rusteloosheid2.

Rond zijn dertigste maakte hij een radicale bekering door. Hij werd monnik bij de trappisten, maar verliet het klooster om Jezus nog radicaler na te volgen: als eenvoudige kluizenaar in Nazareth en later in de woestijn van Algerije. Daar leefde hij onder de Toearegs, een Berbervolk, en leerde hun taal en cultuur kennen. Hij wilde geen bekeringsijver tonen, maar een “universele broeder” zijn — iemand die leeft in liefdevolle nabijheid, zonder oordeel3.

In 1916 werd hij vermoord in Tamanrasset, Algerije, tijdens een periode van onrust. Pas na zijn dood kreeg zijn levenswijze navolging. Hij werd in 2005 zalig verklaard en in 2022 heilig verklaard door paus Franciscus.

Zijn leven is een getuigenis van hoe iemand, zelfs na een roerige jeugd, een diep spiritueel pad kan vinden — en hoe stilte, eenvoud en liefde een krachtige boodschap kunnen zijn. Als je wilt, kan ik ook iets vertellen over de mensen die vandaag in zijn voetsporen treden.]

—————-

Abba Agathon: De broeders vroegen ook aan Abba Agathon…

De broeders vroegen ook aan Abba Agathon: “Onder alle goede werken, welke deugd vereist de grootste inspanning?” Hij antwoordde: “Vergeef me, maar ik denk dat er geen arbeid groter is dan die van het gebed tot God. Want elke keer dat een man wil bidden, willen zijn vijanden, de demonen, hem verhinderen, want zij weten dat het alleen door hem van het gebed af te houden is dat zij zijn reis kunnen hinderen. Wat voor goed werk een man ook onderneemt, als hij volhardt, zal hij rust bereiken. Maar gebed is strijd tot de laatste adem.”

De broeders aan  abba Agathon

++++++++++++++++++

[Deze tekst gaat over de kracht en moeilijkheid van gebed in het spirituele leven, vooral binnen de context van het christelijk monastieke leven.

Abba Agathon, een van de woestijnvaders (vroege christelijke monniken), benadrukt dat gebed de meest veeleisende deugd is van alle goede werken. Waarom? Omdat gebed een directe verbinding is met God—en juist daarom proberen demonische krachten iemand ervan af te houden. Het is niet zomaar iets wat je “even doet”; volgens hem is het een levenslange strijd die volharding en geestelijke alertheid vereist, tot aan je laatste adem.

Andere goede werken—zoals vasten, liefdadigheid, nederigheid—zijn waardevol, maar in vergelijking brengt gebed de grootste innerlijke weerstand met zich mee. Het is een spirituele strijd, en tegelijk de weg naar de diepste rust als je volhoudt.

Het is een diep spiritueel thema dat uitnodigt tot verstilling en reflectie. De woorden van Abba Agathon snijden inderdaad diep: gebed als strijd én vrede, als de plek waar hemel en aarde elkaar raken—maar ook waar innerlijke chaos kan opvlammen.

Het beeld van gebed als levenslange strijd is tegelijkertijd ontmoedigend en hoopgevend. Het herinnert eraan dat falen en afleiding er soms bij horen, maar dat juist de volharding—het telkens weer terugkeren—is wat telt. Net als de monniken in de woestijn, worden wij uitgenodigd om trouw te zijn, ook als het droog aanvoelt, als er weerstand is of stilte van Gods kant.

+++++++++++++

[Wie was abba Agathon?

Abba Agathon was een Egyptische christelijke monnik en een van de zogeheten Woestijnvaders uit de 4e eeuw. Hij leefde in Scetis, een kloostergemeenschap in de Egyptische woestijn, en stond bekend om zijn uitzonderlijke nederigheid, zachtmoedigheid en spirituele scherpzinnigheid.

Hij werd op jonge leeftijd opgeleid door Abba Poemen, die hem ondanks zijn jeugd al “Abba” (vader) noemde—aanduiding van groot respect. Agathon leefde later met andere monniken zoals Alexander en Zoilus, en trok zich uiteindelijk terug in de buurt van de Nijl.

Een van de bekendste verhalen over hem is dat hij drie jaar lang met een steen in zijn mond leefde om zichzelf te leren zwijgen en zijn tong te beheersen. Toen hij op zijn sterfbed lag, zei hij: “Tot dit moment heb ik mijn uiterste best gedaan om Gods geboden te onderhouden; maar ik ben een mens—hoe kan ik weten of mijn daden God welgevallig zijn?]

Paulus van het Kruis: Uit deze vallei van tranen, richt je blik voortdurend op God….

“Uit deze vallei van tranen, richt je blik voortdurend op God, altijd wachtend op het moment dat je met Hem verenigd zult worden in de hemel. Overdenk vaak de hemel, en roep vurig uit: ‘Wat een prachtige woning is er boven! Het is voor ons bestemd!’ En wanneer je een prachtig landschap aanschouwt, zeg: ‘De hemel is mooier dan dat! Daarboven zijn ware genoegens en heilige vreugden!'”

– St. Paulus van het Kruis

+++++++++++++

[Deze tekst wordt toegeschreven aan St. Paulus van het Kruis, een Italiaanse priester en mysticus uit de 18e eeuw, die vooral bekendstaat als de stichter van de Passionistenorde. Hij had een diepe devotie voor het lijden van Christus en schreef veel spirituele brieven en meditaties die doordrenkt zijn van verlangen naar de hemel en eenheid met God]

——————-

Johannes van Damascus: Dat wat aan Mozes werd geopenbaard in de struik, zien we hier op een vreemde manier volbracht….

“Dat wat aan Mozes werd geopenbaard in de struik, zien we hier op een vreemde manier volbracht. De Maagd droeg Vuur in haar, maar werd niet verteerd, toen zij de Weldoener baarde die ons licht brengt.”

— Johannes van Damascus

++++++++++++++

[Johannes van Damascus (ca. 676–749), een invloedrijke theoloog en hymneschrijver uit de oosterse kerk. Hij staat bekend als een van de laatste kerkvaders en werd later heilig verklaard. De passage die is aangehaald is een poëtische meditatie die een diep theologisch beeld oproept: het verbindt het Oude Testament met het Nieuwe Testament door een typologische vergelijking.

In het boek Exodus verschijnt God aan Mozes in een brandende struik die niet verteert. Johannes van Damascus ziet hierin een voorafbeelding van Maria: zij draagt het goddelijke (het “Vuur”) in zich wanneer zij Jezus, de Zoon van God, baart, maar blijft zelf ongedeerd. Dit beeld benadrukt zowel de maagdelijke geboorte als de mystieke eenheid van het goddelijke en menselijke in Christus.

Deze manier van denken is typisch voor de Byzantijnse theologie, waarin symboliek en typologie een grote rol spelen. Johannes gebruikte zulke beelden vaak in zijn hymnen en preken, vooral om de rol van Maria in het heilsmysterie te verheerlijken.]

———————–

Heilige Bruno van Keulen: In de eenzaamheid en stilte van de wildernis….

“In de eenzaamheid en stilte van de wildernis… geeft God zijn atleten de beloning waar zij naar verlangen: een vrede die de wereld niet kent, en vreugde in de Heilige Geest.”

St. Bruno van Keulen – stichter van de Carthuizerorde

++++++++++++

[Bruno werd rond 1030 geboren in Keulen en was een briljante theoloog en leraar. Hij leidde jarenlang de kathedraalschool van Reims, waar hij onder andere lesgaf aan de latere paus Urbanus II. Maar ondanks zijn intellectuele successen verlangde hij naar een leven van stilte, gebed en afzondering. In 1084 trok hij zich met enkele metgezellen terug in de Franse Alpen, waar hij de kartuizerorde stichtte: een gemeenschap van monniken die zich toeleggen op contemplatie, eenvoud en afzondering2.

De tekst op de afbeelding weerspiegelt precies dat ideaal: in de stilte van de wildernis vond Bruno — en vinden zijn volgelingen — een diepe innerlijke vrede en vreugde in de Heilige Geest. Het is een spirituele beloning die niet voortkomt uit wereldse roem of bezit, maar uit overgave en toewijding. ]

Christian pure.com

Teresa van Avila :Ik ben van mijn geliefde….

Ik ben van mijn Geliefde

En ik ben van mijn Geliefde… Ja, zo’n missie was jouw deel:  om kloosters te bouwen in de Spaanse streken; maar vandaag, zonder je sandalen, begrijpen we misschien niet de liefde die je voor het leven zaaide.

Van Ávila kwam je kracht, die geen martelaarschap bracht, je bereikte de incarnatie  en werd heilig in deze wereld.

Het lijden leefde in het geluk; je pen, een wijze balsem.  Je kende Engelen, Demonen, en God bewoog zijn hand.

Bezieler van het wezen, op blote voeten zaaide je liefde in de harten; kluizenaar in je leven, oplossend in je daden.

Men eerde je geleerd, als hervormde vrouw, wetende dat de pijn jou leidde langs paden die sporen nalieten waaraan eer werd gehecht.

In de armen van je Heer vond je eeuwige vrede. Je ging voorbij het vergankelijke; je dronk van zijn woord en je dorst werd nooit gelest toen de liefde je omhelsde.

Heilige Teresa van Ávila

+++++++++++++++

 

[Het gedicht over de heilige Teresa van Ávila raakt aan verschillende diepgaande thema’s die verweven zijn met spiritualiteit, toewijding en innerlijke kracht. Hier zijn de belangrijkste:

  • Liefde en toewijding aan God: De herhaling van “Ik ben van mijn Geliefde” benadrukt de mystieke band tussen de heilige en haar geloof. Haar liefde voor God wordt gepresenteerd als allesoverheersend en richtinggevend.
  • Spiritualiteit en mystiek: Teresa’s ervaringen met engelen, demonen en God verwijzen naar haar mystieke inzichten en haar rol als spirituele gids.
  • Opoffering en eenvoud: Zonder sandalen en als kluizenares symboliseert ze nederigheid en een terugtrekking uit wereldse zaken om zich volledig aan het geestelijke te wijden. Lijden als weg naar heiligheid: Haar pijn en strijd worden niet weggemoffeld, maar juist gepresenteerd als bronnen van wijsheid en innerlijke groei.
  • Vrouwelijke kracht en hervorming: Teresa wordt geëerd als een geleerde vrouw en hervormer. Ze staat symbool voor vrouwelijke invloed binnen een religieuze context, iets wat historisch gezien niet vanzelfsprekend was.
  • Eeuwigheid en vrede: Het slot van het gedicht werpt een blik voorbij de dood, waar ze in de armen van haar Heer rust vindt en de liefde haar dorst voor altijd lest.

Het gedicht is zowel een eerbetoon als een spirituele meditatie.]

——————–

Heilige Johannes van het kruis: Ik leef zonder in mij te leven … ik sterf omdat in niet sterf…..

Johannes van het Kruis : Ik leef zonder in mij te leven

Ik leef zonder in mij te leven

en ik hoop op zo’n hoog leven

dat ik sterf omdat ik niet sterf.

 

Ik leef buiten mezelf,

nadat ik van liefde ben gestorven;

want ik leef in de Heer

die mij voor zichzelf wilde:

toen ik hem mijn hart gaf

zette hij er dit teken op,

dat ik sterf omdat ik niet sterf.

 

Deze goddelijke gevangenis

van de liefde waarin ik leef,

heeft God mijn gevangene gemaakt,

en mijn hart vrij;

en het veroorzaakt zo’n passie

om God mijn gevangene te zien

dat ik sterf omdat ik niet sterf.

 

O, hoe lang is dit leven!

Hoe zwaar zijn deze verbanningen

deze gevangenis, deze ijzers

waarin de ziel is opgesloten!

Alleen al het wachten op de uitweg

bezorgt me zo’n hevige pijn

dat ik sterf omdat ik niet sterf.

 

O, wat een bitter leven

waarin de Heer zich niet verheugt!

Want als liefde zoet is

is lange hoop niet zoet:

God neem deze last van mij

zwaarder dan staal,

 

Ik sterf omdat ik niet sterf.

Alleen met het vertrouwen

Ik leef in de wetenschap dat ik zal sterven,

want in het sterven

verzekert mij van mijn hoop;

dood waar leven wordt bereikt,

treuzel niet, ik wacht op je,

 

Ik sterf omdat ik niet sterf.

Zie dat liefde sterk is;

leven, wees mij niet tot last,

zie dat het alleen voor mij overblijft

om je te winnen, om je te verliezen.

 

Laat de zoete dood nu komen,

de dood komt licht

Ik sterf omdat ik niet sterf.

 

Dat leven van boven

dat is het ware leven,

totdat dit leven sterft,

wordt niet genoten terwijl ik leef:

dood, wees niet ongrijpbaar voor mij;

leef door eerst te sterven,

Ik sterf omdat ik niet sterf.

 

Leven, wat kan ik geven

aan mijn God die in mij leeft

als het niet is om jou te verliezen,

zodat ik het verdien om Hem te winnen?

 

Ik wil Hem bereiken door te sterven,

want ik hou zoveel van mijn geliefde,

dat ik sterf omdat ik niet sterf.

Heilige Johannes van het Kruis

Uitleg: 

[Het gedicht “Vivo sin vivir en mí” is een klassiek mystiek werk uit de Spaanse literatuur, toegeschreven aan heilige Teresa van Ávila of soms ook aan San Juan de la Cruz. Het drukt een diepe spirituele dorst uit—een verlangen om het aardse bestaan achter zich te laten en volledig verenigd te worden met God.

De kern van de tekst draait om een paradox: “Ik leef zonder in mij te leven” en “ik sterf omdat ik niet sterf.” De dichter leeft, maar voelt zich afgesneden van het ware leven—dat is volgens hen het leven in Gods nabijheid. Omdat die ultieme vereniging nog niet bereikt is, voelt het leven op aarde als een sterven.

Dit is typische mystieke taal: de ziel lijdt omdat ze gescheiden is van haar goddelijke oorsprong, en verlangt hevig naar hereniging. Het gedicht balanceert tussen liefde, lijden, en hoop, met een intens persoonlijk en existentieel karakter.

Ik sterf omdat ik niet sterf

“Ik sterf omdat ik niet sterf” drukt een existentiële paradox uit: de spreker verlangt zó intens naar de dood — niet als einde, maar als overgang naar de vereniging met God — dat het voortbestaan op aarde als een soort levende dood voelt. De ziel wil ontsnappen aan de aardse beperkingen en volledig opgaan in het goddelijke, maar zolang dat niet gebeurt, is er een innerlijke onrust, een pijn van het afgescheiden-zijn.

Dus:

“Ik sterf” verwijst naar het lijden, het brandende verlangen.

“omdat ik niet sterf” betekent dat de ziel die ware dood — het opgaan in God — nog niet heeft bereikt.

In deze mystieke beleving is sterven dus iets waarnaar men verlangt, niet iets dat men vreest. Het is een poort naar vervulling.]

———————

 

Nicholas Harelson: over de verlossingstheologie van C.S.Lewis….

De verlossingstheologie van CS Lewis

Nicholas Harelson

De veelgeprezen auteur van zowel fictie als christelijke apologetiek, CS Lewis, gebruikte zijn penvaardigheid om een ​​alomvattend beeld van de christelijke theologie te schetsen. In veel gevallen deed hij dit op een eenvoudige manier, zoals in zijn boek ‘ Onversneden Christendom’ . Maar op andere momenten probeerde Lewis christelijke theologie te injecteren in plaatsen, omgevingen en personages die op het eerste gezicht allesbehalve een typische uiteenzetting over theologie leken. Lewis was en is nog steeds beroemd om zijn vermogen om de geest en identiteit van vele verschillende christenen aan te spreken, waarbij hij de kloof tussen generaties en denominaties overbrugde, en daarbij enkele tamelijk onorthodoxe opvattingen over verlossing en inclusivisme verwerkte.

Of het nu in de vorm van fictie, apologetiek, toespraken of correspondentie is, Lewis’ bespreking van verlossing biedt enkele aanwijzingen voor zijn ongewoon brede interpretatie van Gods vergeving en genade. De term ‘ongebruikelijk’ moet worden gebruikt met betrekking tot de algemene overtuiging, zowel toen als nu, van christenen die zich conformeren aan een veel strengere en onvergeeflijkere leer van verlossing, niet per se ongebruikelijk in termen van theologische interpretatie. Velen hebben Lewis ervan beschuldigd een verlegen universalist te zijn (iemand die gelooft in de verlossing van de hele mensheid). Het is waar dat Lewis figuren als George McDonald, een gerenommeerd en productief auteur van universalistische theologie, vereerde; hij koos er zelfs voor om McDonald op te nemen als een van de hoofdpersonen in The Great Divorce . Hoewel dit zeker waar is en Lewis misschien flirtte met enkele concepten die inherent zijn aan het universalisme, diende het als een middel om zijn verlossingstheologie in bredere zin uit te breiden, niet om zijn geloof in eeuwige straf als nietig te bestempelen. In dit essay zal ik dieper ingaan op verschillende fictiewerken, apologetische werken en correspondentiewerken in een poging de kenmerken en theologie van CS Lewis’ brede weg naar verlossing te identificeren. Zo wil ik zijn onderliggende sympathieën voor het universalisme laten zien en tegelijkertijd zijn soteriologie daarbuiten duidelijk definiëren.

Lewis’ heilstheologie omvat unieke ideeën over het voortdurende proces van het bereiken van heiligheid, zelfs na de dood, vooral binnen het protestantisme. Op het eerste gezicht lijkt dit concept misschien vreemd voor de meeste protestantse toehoorders. Sterker nog, het lijkt zelfs vreemd, zoals Lewis beschrijft, voor veel rooms-katholieke gelovigen. De Grote Scheiding bevat een unieke bespreking van ideeën over het vagevuur, de hemel en de hel. “De Grijze Stad” functioneert zowel als domein van het vagevuur als van eeuwige scheiding van God (de hel). Zelfs de hemel, zoals beschreven in het verhaal, maakt deel uit van deze wereld en is slechts een korte busrit verwijderd. Hoewel Lewis niet beweert dat universele verlossing een realiteit is, wijst hij wel op de mogelijkheid van progressie naar heiliging na de dood en legt hij de mogelijkheid van verlossing expliciet bij de simpele aanvaarding van Gods liefde door het individu. Dit concept impliceert theoretisch dat God universalisme tot een mogelijkheid heeft gemaakt, terwijl hij realistisch gezien de onmogelijkheid ervan erkent vanwege het onvermogen van de mens om universeel heiliging boven verdorvenheid te verkiezen, zelfs in het hiernamaals. [1]

Het is opmerkelijk dat Lewis de beroemde George MacDonald als personage in dit werk gebruikt. MacDonalds aanwezigheid in het verhaal is illustratief voor Lewis’ eigen soteriologische ontwikkeling. Ten eerste is het veelzeggend dat Lewis zo’n polariserend individu als een van de hoofdpersonen in het werk gebruikt. Dit is waarschijnlijk gedaan om hem terloops te betitelen als een theologische hoeksteen van zijn ontwikkeling. Dit impliceert natuurlijk niet dat Lewis het volledig met hem eens was, maar eerder dat Lewis’ eigen heilstheologie breed en inclusief is vanwege zijn aandacht voor MacDonalds eigen theologie. Het is nog veelzeggender hoe Lewis ervoor kiest om MacDonalds personage in het boek te gebruiken. De verteller merkt op dat MacDonalds personage een universalist was op aarde, maar toch lijkt het alsof hij dergelijke overtuigingen in het hiernamaals niet aanhangt. McDonalds personage antwoordt: “De keuze van wegen ligt voor u. Geen van beide is uitgesloten. Iedereen kan de eeuwige dood kiezen. Degenen die ervoor kiezen, zullen die krijgen.” [2] De wending die MacDonalds personage maakt, geeft nauwkeurig de ontwikkeling weer van CS Lewis’ eigen theologie met betrekking tot verlossing. In dit geval spreekt MacDonald mogelijk uitsluitend over heiliging in het hiernamaals, of misschien bedoelt hij dat het zowel leven als dood omvat. Hoe dan ook, hij ontkent de mogelijkheid van universalisme niet ronduit. Sterker nog, het lijkt erop dat hij insinueert dat God de kans openlaat, misschien zelfs hoopt op zo’n resultaat. Met andere woorden, MacDonald erkent dat, hoewel de mogelijkheid van universele verlossing bestaat, realistisch gezien niet iedereen voor verlossing zal kiezen, zelfs niet in het hiernamaals.

Op het eerste gezicht lijkt het idee dat heiliging zich na de dood als een zich ontvouwend proces kan voortzetten, in strijd met onze Schriftopvatting, of op zijn minst met onze protestantse opvatting van verlossing en dood. Rooms-katholieke ideeën over het vagevuur als een boetedoening op weg naar de hemel zijn zeker wijdverbreid en worden beschouwd als een variant op dit idee, hoewel anders dan die van Lewis, omdat het vagevuur niet losstaat van hemel en hel, en Lewis het vagevuur ook niet beschouwt als een plaats die uitsluitend bedoeld is voor boetedoening. Lewis ziet het vagevuur veeleer als een plaats die ons ofwel naar de hemel leidt ofwel onze hel wordt. De hoofdpersoon uit The Great Divorce merkt dit precies op wanneer hij vraagt: “Maar is er een echte keuze na de dood? Mijn rooms-katholieke vrienden zouden verbaasd zijn, want voor hen zijn de zielen in het vagevuur al gered. En mijn protestantse vrienden zouden het niet beter vinden, want zij zouden zeggen dat de boom ligt terwijl hij valt.” [3] In zijn Brieven aan Malcolm breidt Lewis zijn persoonlijke begrip van het vagevuur uit en hoe het verschilt van meer gereformeerde ontkenningen van het bestaan ​​ervan en het rooms-katholieke idee van een plaats voor degenen die al gered zijn om boete te doen. Hij stelt dat de traditionele protestantse visie stelt dat “alle doden verdoemd of gered zijn. Als ze verdoemd zijn, is gebed voor hen nutteloos. Als ze gered zijn, is het even nutteloos. God heeft al alles voor hen gedaan.” [4] Eenvoudig gezegd beweert Lewis dat protestanten simpelweg geloven dat de dood het ultieme en definitieve eindpunt en de bestemming voor het individu is. Bij het bereiken van de dood zal een persoon ofwel geïdentificeerd worden als deel van de uitverkorenen en opstijgen tot hemelse gemeenschap met God, ofwel verdoemd worden tot een eeuwigheid van kwelling en pijn. De meeste protestanten schenken geen aandacht aan ideeën over een hiernamaals dat de voortgezette reis van heiliging (of verdoemenis) mogelijk maakt. Lewis verwerpt een dergelijk idee volledig en, zoals ik betoog, betoogt hij dat het niet zo eenvoudig is. Hij verwerpt eveneens de rooms-katholieke visie op het vagevuur, omdat hij gelooft dat dit een systeem is dat draait om “puur vergeldende straf” in plaats van een plaats van zuivering. [5] Lewis beschrijft een scène waarin een ruw, vuil, verwaarloosd individu God benadert om te horen dat zijn uiterlijk en staat er voor niemand in de hemel toe doen en dat hij in de hemel wordt verwelkomd. Het individu antwoordt: “Met alle respect, mijnheer, en als er geen bezwaar is, word ik liever eerst gereinigd.” [6]Hij beweert dat we simpelweg de gelegenheid verlangen om onszelf te ‘verzamelen’ voordat we met God communiceren. Terecht, gezien het drastische verschil in uiterlijk en karakter tussen God en het zondige schepsel dat zich aandient. Lewis schrijft een groot deel van zijn theologie rond het vagevuur toe aan de geschriften van Sint John Henry Newman, een Anglicaanse bekeerling tot het rooms-katholicisme, die in zijn gedicht The Dream of Gerontius de dood van een persoon en zijn reis door het hiernamaals beschrijft. Het gedicht is lang; het besteedt slechts een korte tijd aan de uiteindelijke setting van de hemel en kiest er in plaats daarvan voor om uitgebreider de verschillende beelden, geluiden en redenen te bespreken voor de reis van zijn ziel naar het oordeel voor God en de uiteindelijke acceptatie in de hemel. [7]

Deze gedachte van het voortzetten van onze heiligingsreis is in feite gemeenschappelijk aan het Anglicaanse Book of Common Prayer. Tijdens de viering van de Heilige Communie roept het Gebed voor de Gehele Staat van Christus’ Kerk de zegen uit over de onlangs overledene, zeggende: “En wij zegenen ook Uw heilige Naam voor al Uw dienaren die dit leven zijn ontslapen in Uw geloof en vrees; smekend U om hun voortdurende groei in Uw liefde en dienst te schenken, en om ons de genade te geven hun goede voorbeelden te volgen…” [8] In deze eenvoudige bewoording, afkomstig uit een steunpilaar van de Heilige Communie in het Book of Common Prayer, vinden we bevestiging van de overtuigingen van CS Lewis met betrekking tot de voortdurende heiliging van een individu na de dood. Dit staat haaks op onze algemene opvatting binnen het protestantisme dat heiliging eindigt waar ons lichamelijk bestaan ​​eindigt. Binnen het algemene denken wordt iemands leven op aarde beoordeeld als waardig of onwaardig, en daar eindigt het verhaal. We zien, zowel in Lewis’ fictie als door de leer in het Book of Common Prayer, dat dit niet noodzakelijkerwijs het geval is.

Als we de Schrift raadplegen, vinden we meerdere passages die het concept van heiliging na de dood ondersteunen. Twee passages verwijzen naar de mogelijkheid van een voortgaande reis naar latere heiliging, één uit het Nieuwe Testament en de andere uit de Apocriefen (deuterocanonieke boeken van het Oude Testament). Zo staat er in 2 Timoteüs 1:16-18:

Moge de Heer barmhartigheid schenken aan het huis van Onesiforus, want hij heeft mij vaak verkwikt en zich niet geschaamd voor mijn ketenen. Maar toen hij in Rome aankwam, heeft hij mij ernstig gezocht en gevonden. Moge de Heer hem schenken dat hij op die dag barmhartigheid van de Heer mag vinden! En u weet heel goed welke diensten hij in Efeze heeft bewezen.

In deze passage uit de tweede brief van Paulus aan Timoteüs wordt Onesiforous in de verleden tijd besproken. Er wordt dan aangenomen dat Onesiforous gestorven is. Paulus wordt duidelijk gezien terwijl hij bidt voor de overledene en daarmee dient Paulus als voorbeeld voor hoe we de opbouw en heiliging moeten zoeken van hen die naar het hiernamaals zijn gegaan. Hoewel dit niet noodzakelijkerwijs een verdere reis naar heiliging impliceert, ontkent het de mogelijkheid zeker niet, noch is er enige mogelijkheid om te concluderen dat we moeten aannemen dat het oordeel iets is dat onmiddellijk na de dood plaatsvindt. Daarin ligt het meest voor de hand liggende argument ter ondersteuning van Lewis’ noties van voortdurende heiliging. Als Paulus geloofde dat het oordeel onmiddellijk na de dood plaatsvond, dan zouden zijn woorden niet impliceren dat er een verwachte maar ongerealiseerde toekomstige dag des oordeels zou zijn.

2 Makkabeeën 12:44-45 luidt:

Want als hij niet verwachtte dat de gevallenen zouden opstaan, zou het overbodig en dwaas zijn geweest om voor de doden te bidden.  Maar als hij uitkeek naar de schitterende beloning die klaarligt voor hen die in godsvrucht ontslapen, was dat een heilige en vrome gedachte. Daarom deed hij verzoening voor de doden, zodat zij van hun zonde verlost zouden worden.

Hoewel de apocriefen voor veel protestanten niet gezaghebbend zijn en mogelijk ongelezen blijven, hebben ze nog steeds gewicht binnen de Anglicaanse traditie die C.S. Lewis aanhing, samen met de rooms-katholieke en oosters-orthodoxe kerken, waar ze als canoniek worden beschouwd. Deze passage uit 2 Makkabeeën is veel explicieter in de implicatie van een mogelijke voortzetting van de reis naar heiliging na de dood. Het eerste vers stelt de noodzaak vast van gebeden voor de doden, geworteld in een begrip van de opstanding, terwijl het laatste vers de noodzaak erkent van verzoening door de levenden ten behoeve van de doden, omdat hun reis naar heiligheid na de dood doorgaat.

Bij de verdere bespreking van het onderwerp universalisme merkt McDonalds personage op dat “je niets kunt weten over het einde van alle dingen, of niets dat in die termen kan worden uitgedrukt. Het kan zijn, zoals de Heer tegen Lady Julian zei, dat alles goed zal komen, en alles zal goed komen, en alle dingen zullen goed komen. Maar het is verkeerd om over zulke vragen te praten.” [9] In deze bewoordingen blijft Lewis de mogelijkheid van universele verlossing suggereren, terwijl hij de realiteit openlaat dat deze, hoewel mogelijk, realistisch onhaalbaar is. Hoe dan ook, in lijn met het Book of Common Prayer, lijkt het waarschijnlijk dat Lewis hoop op dergelijke mogelijkheden handhaafde in zijn erkenning van de mogelijkheid ervan, misschien zelfs hintend op de hoop op een dergelijke realiteit. Dit idee van hoop op universele verlossing is niet uniek voor Lewis. Een groot deel van Hans Urs von Balthasars verlossingstheologie concentreerde zich op de christelijke noodzaak om te hopen en te bidden voor de uiteindelijke verlossing van alle mensen, of het nu een realistische of een theoretische mogelijkheid is. Dit is niet noodzakelijkerwijs een oprecht geloof in de realiteit van universalisme. In plaats daarvan is het een argument waar CS Lewis het waarschijnlijk mee eens zou zijn, namelijk dat de juiste christelijke reactie op het idee van universalisme niet een regelrechte veroordeling is, maar eerder de oprechte hoop dat iedereen gered zal worden, zelfs als dat realistisch gezien niet mogelijk is. Kunnen wij als christenen eerlijk gezegd iets anders rechtvaardigen dan deze reactie? [10]

We kunnen nu al zien dat Lewis’ idee van verlossing de harde en vaste interpretatie van de meesten overstijgt. Verlossing is voor Lewis een weg die potentieel nog lang duurt nadat we deze fysieke vlakte hebben verlaten voor een spirituele wereld. McDonalds personage merkt op dat “er uiteindelijk maar twee soorten mensen zijn: zij die tegen God zeggen: ‘Uw wil geschiede’, en zij van wie God uiteindelijk zegt: ‘Uw wil geschiede’. Allen die in de hel zijn, kiezen ervoor.” [11] Dit eenvoudige concept verbreedt ons begrip van de aard van verlossing en heiliging, die we maar al te vaak beperken tot simpelweg dit lichamelijke bestaan, en terecht. Het is onze gemeenschappelijke ervaring, maar is volgens de Schrift niet noodzakelijkerwijs beperkt tot slechts dit aardse bestaan.

In zijn persoonlijke brieven vermeldde Lewis zijn eigen gewoonte om voor de doden te bidden. In zijn brieven aan Malcolm zegt Lewis:

Natuurlijk bid ik voor de doden. De handeling is zo spontaan, zo bijna onvermijdelijk, dat alleen de meest dwingende theologische argumenten ertegen me zouden kunnen afschrikken… Hoewel zelfs in de hemel een voortdurende toename van gelukzaligheid, bereikt door een steeds meer extatische zelfovergave, zonder de mogelijkheid van mislukking maar misschien niet zonder de eigen hartstocht en inspanningen voor genot, ook zijn strengheid en steile stijgingen kent… Ik geloof in het vagevuur. [12]

De overtuigingen die in deze passage worden verwoord, sluiten perfect aan bij zijn stellingen in The Great Divorce . Lewis beschrijft het grootste deel van zijn fictie in slechts een paar regels door te erkennen dat zelfs zij die een plek in de hemel hebben gevonden (hoe oppervlakkig dat ook mag zijn) waarschijnlijk een steeds toenemende heiliging ervaren, ongeacht hun status van geredde ziel.

Dit korte fragment uit zijn brieven aan Malcolm illustreert ook de praktische kant van Lewis’ theologie. Hij biedt dit niet alleen aan als wetenschappelijk theologisch inzicht, maar hij neemt het ook op in zijn eigen ascetische praktijk. Voor Lewis is dit niet zomaar een discussie, het is zijn eigen levenservaring, wat het des te waardevoller en leerzamer voor ons maakt, zowel academisch als praktisch.

Voortdurende heiliging is niet het enige idee dat inherent is aan C.S. Lewis’ brede heilstheologie. Lewis heeft herhaaldelijk, zowel in zijn literatuur als in zijn correspondentie, gezinspeeld op een geloof in inclusiviteit. Eenvoudig gezegd gelooft Lewis dat de meeste, zo niet alle religies, een element van waarheid bezitten en daarom een ​​element van God bevatten. Als zodanig gelooft hij dat het mogelijk is voor iemand die Christus niet rechtstreeks heeft aanvaard, zelfs voor iemand die nog nooit van de historische en theologische figuur Jezus Christus heeft gehoord, om verlossing in God te vinden. In zijn brief aan mevrouw Ashton van 8 november 1952 beschrijft Lewis precies zo’n geloof: “Ik denk dat elk gebed dat oprecht wordt gericht, zelfs tot een valse god of tot een zeer onvolmaakt bedachte ware God, door de ware God wordt aanvaard en dat Christus velen redt die denken Hem niet te kennen.” [13] Lewis duikt dieper in dit onderwerp in Mere Christianity , en merkt op dat “er mensen in andere religies zijn die, geleid door Gods geheime invloed, zich concentreren op die delen van hun religie die in overeenstemming zijn met het christendom, en die dus tot Christus behoren zonder het te weten.” [14] In zowel zijn correspondentie als zijn apologetische geschriften is Lewis vrij duidelijk in zijn geloof dat alle mensen de potentie hebben tot verlossing, zelfs zij die het christendom niet in zijn volheid omarmen. Deze visie valt samen met zijn verbrede theologie van verlossing en handhaaft de invloeden van universalistisch denken binnen een context die het misschien nog steeds weigert te erkennen als realiteit. Lewis stopt hier echter niet. Hij neemt zijn inclusivistische theologie ook prominent op in zijn fictiewerken. In The Last Battle gebruikt Lewis het personage Emeth als een display voor zijn inclusivistische theologie. Emeth, een vijandelijke soldaat die tegenover Aslan staat (de Christusfiguur in het verhaal), is een aanbidder van de valse god Tash. Hij komt erachter dat Tash inderdaad een valse god is en beklaagt zich bij Aslan dat al zijn aanbidding tegen hem is gericht, hoewel hij de ware redder is. [15] Aslan antwoordt: “Kind, alle diensten die je aan Tash hebt bewezen, beschouw ik als diensten die aan mij zijn bewezen.” [16] Aslan legt zijn redenering verder uit door te zeggen: “Ik neem de diensten die je aan hem hebt bewezen voor mij. Want ik en hij zijn van zo’n verschillende aard dat geen enkele dienst die verachtelijk is aan mij kan worden bewezen, en geen enkele die niet verachtelijk is, aan hem kan worden bewezen.” [17]

In De Brieven van Schroevenband merkt de demon Schroevenband een soortgelijke vertoning van verlossing op, ondanks misplaatste actie. Schroevenband merkt op dat hoewel het voor mensen gunstig kan zijn om hun inspanningen te richten op misleide wereldse bezigheden, het net zo snel nadelig kan uitpakken voor de demonen die de ondergang van hun menselijke ‘patiënten’ nastreven. Hij merkt op: ‘Maar dát is waar Hij [God] zo oneerlijk is. Hij maakt vaak prijzen van mensen die hun leven hebben gegeven voor zaken die Hij slecht vindt, op de monsterlijk geraffineerde grond dat de mensen hen goed vonden en het beste volgden wat ze wisten.’ [18] Hij merkt vervolgens op dat God ‘wil dat ze leren lopen en daarom Zijn hand moet wegnemen, en als de wil om te lopen er echt is, is Hij zelfs blij met hun struikelen.’ [19] Elk van deze voorbeelden toont een diepgaande inclusiviteit aan in Lewis’ begrip van verlossing. Dit is een inclusiviteit die veel medechristenen moeilijk als mogelijkheid konden accepteren en nog steeds moeilijk vinden. Pleit Lewis in wezen voor de acceptatie van zonde? Het is zeker een argument dat naar voren gebracht kan worden, maar het lijkt erop dat Lewis eerder pleit voor de alomvattende genade van de Drie-enige God.

Lewis’ redenering achter elk van deze voorbeelden is een uiting van ware inclusiviteit, wat betekent dat Lewis gelooft dat God in staat is om in en door alle dingen te werken, inclusief valse religies. Logisch gezien klinkt zo’n stelling logisch; emotioneel gezien vinden veel christenen dit echter een stap te ver gaan. Er zijn zeker veel plaatsen in de Schrift waar een dergelijke opvatting mogelijk kan worden tegengesproken. Het stellen van grenzen aan Gods handelen en vermogen verandert echter de aard van God zelf, zoals beschreven in de Schrift en zoals bevestigd door de universele kerk. God is volkomen in staat om alles te doen en alleen al op die basis; Lewis’ opvatting van inclusiviteit moet de nodige aandacht krijgen.

Lewis schreef de heidense mythologie zelfs een rol toe in zijn uiteindelijke bekering van het atheïsme tot het christendom. “Het christendom is in de eerste plaats de vervulling van de joodse religie, maar ook de vervulling van wat vaag werd gesuggereerd in alle religies op hun best.” [20] Lewis citeerde zijn ervaring waarin hij getuige was van een natuurlijke progressie van de waarheden die in de heidense mythologie werden getoond naar de incarnatie, en betoogde dat het de incarnatie zelf was die de vaag gedefinieerde waarheden van andere religies scherp in beeld bracht. Sterker nog, voor Lewis waren het andere religies die hem uiteindelijk in gemeenschap met Christus brachten. [21] Lewis gaat zelfs zo ver dat hij kritiek levert op de “elitaire” mentaliteit van veel christelijke missionarissen die neerkijken op de primitieve religies van degenen aan wie ze evangeliseren. Lewis merkt een element van het goddelijke op in elk van deze mensen, wat theologisch verantwoord is wanneer het wordt bekeken in de context van de Imago Dei. We zijn allemaal, of we nu christen, boeddhist, moslim of anderszins zijn, geschapen naar het beeld van de ene Drie-enige God, daarom dragen we het goddelijke beeld. Het is niet zo’n grote stap om aan te nemen dat we, als bijproduct van deze goddelijke afdruk, elementen van de waarheid in alle aspecten van ons bestaan ​​meedragen, inclusief primitieve, onontwikkelde en valse religies. [22] Volgens Lewis is er slechts één vereiste voor de redding van hen die buiten het christendom staan. Die vereiste is een oprechte en voortdurende poging om de waarheid te vinden, zelfs als die zoektocht iemand naar paden leidt die buiten het eigenlijke christendom vallen. [23]

Wat moeten we denken van deze heilstheologie volgens C.S. Lewis? Ze blijkt in veel opzichten een interessant middengebied te vormen tussen protestantisme en rooms-katholicisme. Ze reikt zeker veel verder dan de theologie van typische protestantse denominaties. Terwijl de Rooms-Katholieke Kerk wel een leer van het vagevuur aanhangt, ontkennen de meeste protestantse denominaties het bestaan ​​ervan simpelweg. Dit is natuurlijk niet universeel het geval, aangezien sommige lutherse en anglicaanse tradities zeker een bepaalde notie van het bestaan ​​ervan aanhangen. Welk pad baant C.S. Lewis voor ons? Is dit een lange weg naar universalisme of een kronkelpad naar een breder begrip van heil? Uiteindelijk lijkt het het laatste te zijn, met enkele kanttekeningen.

Het is niet mogelijk de urgentie en noodzaak van George MacDonald en zijn universalistische ideeën in de ontwikkeling van de theologie van C.S. Lewis te negeren. Hoewel het Lewis niet dwong tot een volledig geloof in universalisme, is het zeker zo dat het Lewis’ verlossingstheologie verruimde, tot het punt dat deze aanzienlijk verschilt van orthodoxe, traditionele opvattingen binnen zowel het protestantisme als de rooms-katholieke kerk. Het is waarschijnlijk, zoals te zien is in The Great Divorce , dat Lewis de mogelijkheid van universele verlossing openlaat, slechts beperkt door ons eigen aangeboren vermogen om God te ontkennen, zelfs in de dood. Dit resulteert in een realiteit die de mogelijkheid van universalisme onwaarschijnlijk maakt, zelfs binnen Lewis’ uitgebreide verlossingstheologie. We moeten opnieuw zijn tamelijk onorthodoxe overtuiging erkennen dat andere religies waarheid bevatten die terugwijst naar God. Dit is een zeer grote sprong in het diepe van Lewis, omdat het haaks staat op veel geaccepteerde en traditionele opvattingen binnen de universele kerk. Maar wederom, door voor deze mogelijkheid te pleiten, bepleit Lewis uiteindelijk dat de opperste soevereiniteit van God handelt op elke manier die God geschikt acht. Lewis verwerpt het idee van universalisme niet ronduit. In plaats daarvan geeft Lewis expliciete en gedetailleerde voorbeelden die samen aantonen dat verlossing, hoewel niet universeel, veel breder, barmhartiger en begripvoller is dan de kerk vaak heeft geleerd.

1.Lewis, CS (2017). De kenmerkende klassiekers van CS Lewis . San Francisco: HarperOne, 538. ↑

2. Ibid., 539. ↑

3. Ibid., 504. ↑

4. Lewis, CS (2017) Brieven aan Malcolm: voornamelijk over gebed . HarperOne. (Origineel werk gepubliceerd in 1964), 144. ↑

5. Ibid., 145. ↑

6. Ibid., 146. ↑

7. Newman, John, H. (1865) ‘De droom van Gerontius’, The Newman Reader. http://www.newmanreader.org/works/verses/gerontius.html 

8. (2015). Het Book of Common Prayer: een administratie van de sacramenten en andere rituelen en ceremonies van de Anglicaanse katholieke kerk . Athene: Anglican Parishes Association, 75. ↑

9. Lewis, CS (2017). De kenmerkende klassiekers van CS Lewis . San Francisco: Harper  One, 538. ↑

10. Balthasar, Hans, U. (1988). Durven we te hopen “dat alle mensen gered zullen worden?” (D. Kipp, vertaling) San Francisco: Ignatius Press (Origineel werk gepubliceerd in 1987), 18. ↑

11. Lewis, CS (2017). De kenmerkende klassiekers van CS Lewis . San Francisco: HarperOne, 506. ↑

12. Lewis, CS (2017) Brieven aan Malcolm: voornamelijk over gebed . HarperOne. (Origineel werk gepubliceerd in 1964), 144-145. ↑

13. Lewis, CS (2017). Brieven van CS Lewis (WH Lewis en W. Hooper, red.) HarperOne, 548. ↑

14.Lewis, CS (2017). De kenmerkende klassiekers van CS Lewis . San Francisco: HarperOne, 165. ↑

15.Lewis, CS, & Baynes, P. (2017). De laatste slag . New York, NY: HarperCollins, 153-155. ↑

16.Ibid., 155. ↑

17. Ibid. ↑

18. Lewis, CS (2017). De kenmerkende klassiekers van CS Lewis . San Francisco: HarperOne, 198. ↑

19. Ibid., 208. ↑

20. Richie, TL (2008). Hints uit de hemel: kan CS Lewis evangelicals helpen God in andere religies te horen? Evangelical Review of Theology, 32(1), 40. ↑

21.Ibid. ↑

22. Ibid. ↑

23. McCormack, E. (2008). Inclusivisme in de fictie van CS Lewis: het geval van Emeth. Logos, 11(4), 58. ↑

Over Nicholas Harelson

Nicholas Harrelson is parochiaan van de St. Benedict’s Anglican Catholic Church in Chapel Hill, North Carolina. Hij woont in Mebane, North Carolina, met zijn vrouw Codie, zoon Atticus en binnenkort zijn dochter Harlow. Nicholas is postulant tot priester in de Anglican Catholic Church, student aan de Duke Divinity School en een toegewijde broeder in Christ Mission Anglican Benedictines. Hij behaalde een Bachelor of Art in Geschiedenis aan het Virginia Military Institute (VMI) en een Master of Art in Diplomatie met een specialisatie in Internationale Conflictresolutie aan de Universiteit van Norwich. Nicholas diende zes jaar als infanterist in het Amerikaanse leger en is een veteraan die twee keer gewond raakte tijdens de recente conflicten.

Bron : https://northamanglican.com/the-salvation-theology-of-c-s-lewis/

St.Francis van Sales: In de koninklijke galei van de Goddelijke Liefde, is er geen galeislaaf….

“In de koninklijke galei van de Goddelijke Liefde, is er

geen galeislaaf: alle roeiers zijn vrijwilligers.”

+++++++++++++++

[Een mooie metafoor die benadrukt dat ware liefde tot vrijwillige toewijding leidt, niet tot dwang.]

————————–

St.Ignatius Loyola : Anima Christi….

++++++++++++++++

Ziel van Christus, heilig mij.

Lichaam van Christus, red mij.

Bloed van Christus, bedwelm mij.

Water uit de zijde van Christus, was mij.

Lijden van Christus, versterk mij.

O goede Jezus, hoor mij.

Verberg mij in Uw wonden.

Laat mij niet van U gescheiden worden.

Verdedig mij tegen de boze vijand.

Roep mij in het uur van mijn dood. En laat mij tot U komen, Opdat ik U met Uw heiligen en engelen mag prijzen, Voor altijd en eeuwig. Amen.

 

[Dit gebed is bekend als Anima Christi, vaak toegeschreven aan Ignatius van Loyola, en is al eeuwenlang geliefd in christelijke devotie]

———————

Johannes van het Kruis: Wanneer hij tot niets wordt gebracht, de hoogste graad van nederigheid, zal de geestelijke vereniging tussen zijn ziel en God worden bewerkstelligd….

“Wanneer hij tot niets wordt gebracht, de hoogste graad van nederigheid, zal de geestelijke vereniging tussen zijn ziel en God worden bewerkstelligd. De reis bestaat niet uit recreaties, ervaringen en geestelijke gevoelens, maar uit de levende, zintuiglijke en geestelijke, uiterlijke en innerlijke dood van het kruis.”

Heilige Johannes van het kruis.

Deze tekst komt voort uit een mystieke en spirituele traditie binnen het christendom, waarin het ultieme doel is om een diepe, innerlijke vereniging met God te bereiken. De nadruk ligt op volledige overgave en nederigheid, waarbij men zichzelf volledig loslaat — inclusief verlangens naar spirituele ervaringen of troost — om zich volledig te verenigen met Gods wil.

De passage verwijst naar een proces dat vaak wordt beschreven in de mystieke theologie, zoals bij Johannes van het Kruis of Teresa van Ávila. Het idee is dat de ziel pas echt één kan worden met God wanneer ze door een soort “innerlijke dood” is gegaan: het loslaten van het ego, van zintuiglijke verlangens, en zelfs van spirituele genoegens. Dit wordt vaak aangeduid als “de donkere nacht van de ziel” — een periode van geestelijke leegte of beproeving die uiteindelijk leidt tot een dieper, zuiverder contact met het goddelijke.

———————-

 

Heilige Catherina van Bologna: wie het kruis voor zijn zaak wil dragen, moet de juiste wapens voor de strijd opnemen ….

Wie het kruis voor zijn zaak wil dragen, moet de juiste wapens voor de strijd opnemen, vooral die hier genoemd.

1. Ten eerste, ijver;

2. Ten tweede, wantrouwen in zichzelf;

3. Ten derde, vertrouwen in God;

4. Ten vierde, herinnering aan het lijden;

5. Ten vijfde, bewustzijn van eigen dood;

6. Ten zesde, herinnering aan Gods glorie;

7. Ten zevende, de geboden van de Heilige Schrift volgen naar het voorbeeld  van Jezus Christus in de woestijn.

— Heilige Catharina van Bologna

Catharina van Bologna (1413–1463) was een Italiaanse mystica, kunstenares en heilige, die een opmerkelijke brug sloeg tussen spiritualiteit en creativiteit. Ze werd geboren in Bologna als dochter van een edelman en groeide op aan het hof van Ferrara, waar ze een brede opleiding kreeg in literatuur, muziek, kalligrafie en schilderkunst.

Op veertienjarige leeftijd verliet ze het hofleven om zich aan te sluiten bij een religieuze gemeenschap. Ze werd lid van de Clarissen, een orde geïnspireerd door de heilige Franciscus en Clara van Assisi. In 1456 stichtte ze een nieuw klooster in Bologna, waar ze tot haar dood als abdis diende

 

St.Franciscus van Sales: Alleen liefdadigheid brengt ons tot volmaaktheid; maar gehoorzaamheid, kuisheid en armoede zijn de drie middelen om dit te bereiken….

“Alleen liefdadigheid brengt ons tot volmaaktheid; maar gehoorzaamheid, kuisheid en armoede zijn de drie middelen om dit te bereiken. Gehoorzaamheid heiligt ons hart, kuisheid ons lichaam, en armoede onze bezittingen tot de liefde en dienst van God: zij zijn de drie takken van het geestelijke kruis, alle drie echter, gebaseerd op de vierde, namelijk nederigheid.”

St.Franciscus van Sales

 +++++++++++++++

[Franciscus van Sales was een 17e-eeuwse Franse bisschop, bekend om zijn eenvoud, mildheid en toewijding aan de spiritualiteit van het dagelijks leven.]

—————–

Edith Stein: Dingen waren in Gods plan die ik helemaal niet had gepland….

 

“Dingen waren in Gods plan die ik helemaal niet had gepland. Ik kom tot het levende geloof en de overtuiging dat – vanuit Gods oogpunt – er geen toeval is en dat mijn hele leven, tot in elk detail, is uitgestippeld in Gods goddelijke voorzienigheid en volledig en perfect logisch is in Gods alziende ogen.”

Edith Stein (Zuster Teresa Benedicta van het Kruis)

Deze tekst drukt een diep religieus vertrouwen uit in Gods leiding over iemands leven. De schrijver zegt eigenlijk: “Wat mij overkomt, is niet willekeurig. Alles, zelfs wat ik niet gepland had, maakt deel uit van Gods groter plan.”

———————–