Efraim de Syrier : Zij vulden twaalf korven met de resten die overbleven

Sint Efraïm (ca. 306 – 373), diaken in Syrië, Kerkleraar
Diatesseron, 12, 4-5, 11

Efraïm de Syriër 111

“Zij vulden twaalf korven met de resten die overbleven

      In een oogwenk heeft de Heer een beetje brood vermeerderd tot een grote hoeveelheid. Wat mensen in tien maanden werk doen, doen zijn tien vingers in een ogenblik… Toch meet Hij dit wonder niet af aan zijn kracht, maar aan de honger van hen die daar aanwezig waren. Als het wonder afgemeten werd aan zijn kracht, dan zou het onmogelijk zijn om het in te schatten; maar afgemeten aan de honger van duizenden mensen, heeft dit wonder tien manden overvol gemaakt. Bij bepaalde handwerklieden is de kracht minder dan het verlangen van de klanten, ze kunnen niet alles doen wat men hen vraagt; de verwerkelijkingen van God, gaan alle verlangens te boven…

      Toen de Israëlieten vroeger vervuld waren in de woestijn door het gebed van Mozes, riepen ze uit: “Dit is de profeet waarvan gezegd is dat hij in de wereld zou komen”. Ze maakten daarmee een toespeling op de woorden van Mozes: “Hij zal in uw midden een profeet laten opstaan, niet zomaar een profeet, maar “een profeet zoals ik. Naar hem moet u luisteren” (Dt 18,5). Hij zal u vervullen met brood in de woestijn. Evenals ik heeft Hij op het water gelopen en is Hij verschenen in een lichtende wolk (Mt 17,5), Hij heeft zijn volk bevrijd. Hij heeft Maria aan Johannes toegewezen, zoals Mozes zijn kudde aan Joshua heeft toegewezen… Maar het brood van Mozes was niet volmaakt; Hij heeft het alleen aan de Israëlieten gegeven. Om te laten zien dat deze gave hoger was dan die van Mozes en bestemd was voor alle volkeren, zei onze Heer: “Wanneer iemand van mijn brood eet zal hij eeuwig leven”, want “het brood van God komt uit de hemel” en wordt aan de gehele wereld gegeven, (Joh 6,51).

Bron : Dagelijks evangelie : www.evangelizo.org

 

Cyrillus van Alexandrië : Mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel

Sint Cyrillus van Alexandrië (380-444), bisschop, Kerkleraar
Over Jesaja IV, 1

 

cyril van Alexandrië112

 

“Mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel”

       “Zing voor de Heer een nieuw lied!” (Ps 96,1) Om zich aan de nieuwe omstandigheden aan te passen, is het lied nieuw; Paulus schreef hierover: “Daarom ook is iemand die één met Christus is, een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen” (2Kor 5,17). Zij die Israëlieten waren door het bloed werden bevrijd van de tirannie van Egypte dankzij de middelaar uit die tijd, de zeer wijze Mozes; ze werden bevrijd van het werken met bakstenen, van onnodig zweet… van de aardse taken, van de wreedheid van hun bewakers, van de onmenselijke hardheid van de farao. Ze zijn door de zee getrokken; in de woestijn hebben ze manna gegeten; ze hebben water dat uit de rots ontsprong gedronken; ze zijn met droge voeten door de Jordaan getrokken; ze zijn het beloofde land binnengegaan.

      Welnu voor ons is dat alles vernieuwd en de nieuwe wereld is onvergelijkelijk beter dan de oude. Wij zijn bevrijd van slavernij, niet de aardse, maar de geestelijke; wij werden niet meer van de taken van deze aarde bevrijd, maar van de smet van de vleselijke begeerte. Wij zijn niet ontsnapt aan de Egyptische opzichters of aan de kwade en meedogenloze tiran, die een mens is zoals wij, maar aan de kwade en onzuivere demonen die aandringen op het zondigen, en aan de chef van hun gebroed, Satan.

      Wij hebben de stromen van het huidige leven doorkruist als door een zee, met zijn lawaai en dwaze onrust. Wij hebben geestelijk manna gegeten, het brood dat uit de hemel neerdaalde en dat leven aan de wereld geeft. Wij hebben water gedronken dat opborrelde uit de rots, welke de zaligheid van het levend water van Christus was. Wij zijn door de Jordaan getrokken dankzij de heilige doop die wij waardig waren om te ontvangen. Wij zijn het Land dat aan de heiligen beloofd was en voor hen bereid, binnengegaan . De Heer herinnert aan dat land, als Hij zegt: “Gelukkig de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten” (Mt 5,4).

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Chrysostomos Johannes : U zult een schat bezitten in de hemel

H. Johannes Chrysostomes (ca 345-407), priester te Antiochië daarna bisschop van Constantinopel, Kerkleraar
Homilie 63 over Matteus PG 58,603

 

Chrysostomos 1

 

“U zult een schat in de hemel bezitten”

      Christus zei tegen de jongeman : “Indien je het leven wilt binnengaan, onderhoud de geboden” (Mt 19,17). Hij vraagt: “Welke?”, niet om Hem op de proef te stellen, verre van dat; hij veronderstelt dat Hij  nog andere geboden voor hem heeft naast de tien geboden van Mozes, andere geboden die hem het leven zullen geven, dat was het bewijs van zijn vurig verlangen.. Toen Jezus hem de tien geboden opgesomd had, zei de jongeman tegen Hem: “Dat alles heb ik al onderhouden van mijn jeugd af aan”. Hij hield daarmee niet op, hij vroeg: “Wat mist er nog?” (Mt 19,20), wat het teken van zijn vurig verlangen is. Een ziel die denkt dat hem nog iets ontbreekt, die het voorgestelde ideaal onvoldoende vindt om bij het doel van zijn verlangen te komen, is geen kleine ziel.

      En wat gaat Christus zeggen? Hij stelt iets groots voor: Hij stelt eerst de beloning voor door te zeggen: “Als je volmaakt wilt zijn, ga, verkoop alles wat je hebt, geef het aan de armen en je zult een schat in de hemel hebben; kom dan terug en volg Mij”. Zie je welke prijs, welke bekroning Hij voorstelt voor deze sportieve prestatie? … Om hem aan te trekken toont Hij een beloning van grote waarde en Hij laat alles aan zijn eigen oordeel over. Wat pijnlijk lijkt, laat Hij in de schaduw. Alvorens over strijd en moeite te praten, toont Hij hem de beloning: “Als je volmaakt wil zijn” zegt Hij: dat is de heerlijkheid, het geluk!… “Je zult een schat in de hemel hebben; kom dan en volg Mij”: dat is de beloning. De fantastische beloning om met Christus mee te mogen lopen, om zijn maat en vriend te zijn! Die jongeman had achting voor de rijkdom van de aarde; Christus adviseert hem om zich te ontdoen van die rijkdom, niet om hem te verarmen, maar opdat hij nog rijker zou worden.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Cyrillus van Alexandrië : Opdat de één mogen zijn , zoals Wij

H. Cyrillus van Alexandrië ((380-444), bisschop, Kerkleraar
Commentaar op het evangelie van Johannes, 11, 11 ; PG 74, 558

 

Cyrillos van Alexandrië 159

“Opdat ze één mogen zijn, zoals Wij”

      Toen Christus aan ons gelijk werd, dat wil zeggen mens werd, heeft de Heilige Geest Hem gezalfd en gewijd, hoewel Hij van nature God was… Hij heiligt zelf zijn eigen lichaam, en alles wat geschapen is, is waardig om geheiligd te worden. Het mysterie dat in Christus gebeurde, is de oorsprong en de weg van onze deelname aan de Heilige Geest.

      Om ook ons te verenigen, om ons te versmelten in de eenheid met God en onder elkaar, hoewel gescheiden door onze individuele verschillen van onze zielen en van onze lichamen, heeft de Eniggeboren Zoon een middel gevonden en voorbereid om ons te verzamelen, dankzij de wijsheid die de zijne is en volgens de raad van zijn Vader. Door één enig lichaam, zijn eigen lichaam, zegent Hij hen die in Hem geloven, in een mystieke vereniging maakt Hij er één lichaam van met Hem en onder hen.

      Wie zou ons dus kunnen scheiden, wie zou de fysieke eenheid kunnen ontnemen van degenen, die door dat heilige lichaam en door Hemzelf alleen verenigd zijn in de eenheid van Christus? Als wij eenzelfde brood delen, vormen wij allen één enig lichaam (1 Kor 10,17). Want Christus kan niet verdeeld worden. Daarom wordt, volgens de leer van Paulus (Ef 5,30), de Kerk ook het lichaam van Christus genoemd, en wij zijn leden. Allen verenigd in één Christus door zijn heilig lichaam ontvangen we Hem, één en ondeelbaar in ons eigen lichaam. Wij moeten ons eigen lichaam beschouwen als niet meer aan ons toebehorend.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Johannes Chrysostomos : Wie oren heeft om te horen, hij hore

H. Johannes Chrysostomos (ca 345-407), priester te Antiochië daarna bisschop van Constantinopel, Kerkleraar
Sermons over Mattheus, nr 44 ; PG 57, 467

Chrysostomos modern onbekend

“Wie oren heeft om te horen, hij hore”

      Als het zaad verdroogd, dan komt dat niet door de hitte. Jezus heeft niet gezegd dat het verdroogd is door de hitte, maar “als gevolg van een fout in de wortel”… Als het woord verstikt is, komt dat niet door de doornstruiken, maar door hen die ze in vrijheid hebben laten groeien. Met de wil kun je ze belemmeren om te groeien, je kunt gepast gebruik maken van de rijkdommen. Daarom heeft de Heer niet gesproken over de ‘wereld’, maar over de ‘zorg van de wereld’, niet over ‘de rijkdom’  maar over de ‘verleiding van de rijkdom’. Laten we de dingen op zich niet de schuld geven, maar het bederf van ons bewustzijn…

      Niet de landbouwer, niet het zaad, maar de aarde, die het ontvangen heeft, verklaart alles, dat wil zeggen de neigingen van ons hart. Ook daar is de goedheid van God voor de mens enorm, Hij eis niet een zelfde mate van deugdzaamheid, Hij oogst de eerstelingen, Hij laat de tweede niet opnieuw groeien en Hij geeft plaats aan de derde…

      Men moet dus eerst met aandacht naar het Woord luisteren, vervolgens het trouw in het geheugen bewaren, en daarna vol met goede moed zijn, vervolgens de rijkdom minachten en zich bevrijden van liefde voor alle wereldse bezit. Als Jezus aandacht voor het Woord op de eerste plaats zet en vóór alle andere voorwaarden, dan is dat omdat dit dè nodige voorwaarde is. “Hoe kun je geloven zonder eerst te luisteren?” (Rm, 10,14) Als wij ook niet aandacht geven aan hetgeen ons verteld wordt, weten we niet welk werk we moeten vervullen. Daarna komen pas de moed en de minachting voor de wereldse bezittingen. Laten we ons, om profijt uit de lessen te trekken, op allerlei wijzen versterken: laten we aandachtig zijn voor het Woord, en onze wortels diep laten groeien en laten we ons losmaken van de wereldse zorgen.

Gregorius van Nazianze : Zie, de bruidegom komt

H. Gregorius van Nazianze (330-390), bisschop en Kerkleraar
Overweging over de doop, 40, 46 ; PG 36, 425


GregoriusNazianze

“Zie, de Bruidegom komt”

      Weldra zul je na je doop voor het Heilige der heiligen staan, dat de heerlijkheid van de komende wereld  aanduidt. Het psalmlied dat je ontvangt is de prelude van de hemelse lofzangen. De lampen die je aan zult steken, zijn een voorafbeelding van de stoet lichtjes die onze stralende en zuivere zielen, uitgerust met stralende lampen van geloof, tot voor de Bruidegom zullen leiden.

      Laten opletten om niet uit onzorgvuldigheid in slaap te vallen, uit angst dat degene waarop we wachten zich spontaan zal tonen zonder dat we Hem zien aankomen. Laten we niet zonder voorraad olie en goede werken blijven, uit vrees buiten de bruiloftszaal gesloten te worden… De Bruidegom zal er in grote haast binnengaan. De voorzichtige zielen zullen er met Hem binnengaan. De anderen die druk bezig zijn met hun lampen, zullen geen tijd hebben om er binnen te gaan en zullen in klaagzangen buiten blijven. Ze realiseren zich te laat wat ze door hun achteloosheid hebben verloren…

      Ze lijken ook op de andere genodigden voor een bruiloft, die een vader vierde ter ere van een bruidegom, en die weigerden om eraan deel te nemen: de een omdat hij net een vrouw had gevonden, een ander omdat hij net een stuk land had gekocht; een derde omdat hij zich zojuist een paar runderen had aangeschaft (Lc 14, 18-20)… Want er is in de hemel geen plaats voor de trotsen en de achtelozen, voor een man zonder passende kleding, die niet het bruiloftskleed draagt (Mt 22,11), zelfs waneer hij, toen hij op aarde was, dacht dat hij de hemelse pracht waardig was, en zich heimelijk onder de groep gelovigen bevond en valse hoop koesterde.

      Wat zal er daarna gebeuren? De Bruidegom weet wat Hij ons onderricht wanneer we in de hemel zijn, en Hij weet welke relatie Hij met de zielen zal onderhouden die er met Hem binnengegaan zijn. Ik geloof dat Hij in hun gezelschap zal leven, en dat Hij hen de meest volmaakte en zuiverste mysteriën zal leren kennen..

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Eucherius : Hij ging heen en begaf zich naar een eenzame plaats

H. Eucherius (? – ca. 450), bisschop van Lyon
Lofrede aan de woestijn

eucherius van Lyon (goede foto)

“Hij ging heen, en begaf Hij Zich naar een eenzame plaats”

      Kan men niet redelijkerwijze aannemen dat de woestijn de onbegrensde tempel van God is? Want Degene die in de stilte leeft moet het zeker bevallen op teruggetrokken plaatsen. Daar heeft Hij zich vaker getoond aan heiligen; dankzij de eenzaamheid heeft Hij mensen willen ontmoeten.

      Mozes heeft met een lichtend gelaat God in de woestijn gezien… Daar begon hij vertrouwelijk met God te spreken; hij wisselde woorden uit; hij onderhield zich met de hemelse Meester zoals de mens de gewoonte heeft om zich met zijn gelijke te onderhouden. Daar ontvangt hij de krachtige staf om wonderen mee te doen; en na in de woestijn gekomen te zijn als schaapsherder, verlaat hij de woestijn als herder van mensen (Ex 3; 33,11; 34).

      Zoekt het volk van God niet op dezelfde wijze, als het uit Egypte en van de wereldse werken bevrijd moet worden, afgelegen oorden en vlucht het niet in eenzaamheid? Ja, in de woestijn nadert het volk God die het uit de slavernij heeft bevrijd… En de Heer maakte zich tot Gids van zijn volk om het door de woestijn te leiden. Onderweg plaatste Hij dag en nacht een kolom, vurige vlammen of een lichtende wolk, als teken uit de hemel… De kinderen van Israël verkregen dus om de troon van God te zien en om zijn stem te horen, terwijl ze in de woestijn leefden…

      Moet er nog aan toegevoegd worden dat ze in het land van hun verlangen aankwamen na in de woestijn te hebben geleefd? Opdat het volk op een dag een gebied binnengaat waar melk en honing stroomt, moet het eerst door dorre en verwilderde oorden heen gaan. Altijd door te kamperen in de woestijn, komt men in het ware vaderland aan. Dat degene, die “de goedheid van de Heer wil zien in het land der levenden” (Ps 27,13),  een onbewoonbaar land mag bewonen. Dat hij die bewoner van de hemelen wil worden, de gast van de woestijn mag zijn.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Isaak de Syriër : Wie zich vernedert, zal verheven worden

H. Isaak de Syriër (7 e eeuw), monnik te Ninive, nabij Mossoel in het actuele Irak
Ascetische overweging, 1e serie, nr. 20

 

Isaac_de Syriër

 

“Wie zich vernedert, zal worden verheven”

      Nederigheid is een geheime kracht die de heiligen ontvangen als ze de gehele ascese van hun leven tot een goed einde gebracht hebben. Die kracht is immers slechts gegeven aan hen die komen tot de volmaaktheid van de deugd door de kracht van de genade… En die kracht zelf hebben de gelukzalige apostelen ontvangen in de vorm van vuur. De Verlosser had hen immers bevolen om Jeruzalem niet te verlaten totdat ze een kracht van boven hadden ontvangen (Hand 2,3;1,4). Jeruzalem is hier de deugd. De kracht is de nederigheid. En de kracht van boven is Trooster, dat wil zeggen de H. Geest.

      Welnu, daarover zei de heilige Schrift: de mysteriën zullen aan de nederigen geopenbaard worden. Aan de nederigen is gegeven om in henzelf deze Geest van de openbaringen te ontvangen die mysteriën laat ontdekken. Daarom zeggen heiligen dat de nederigheid de ziel vervult met goddelijke schouwingen. Laat niemand zich verbeelden dat hij tot een bepaalde mate van nederigheid is gekomen, omdat hij op een gegeven moment een berouwvolle gedachte had of dat hij enkele tranen heeft vergoten… Maar als een mens alle tegenwerkende geesten heeft overwonnen…, als hij alle kracht van de vijanden heeft verslagen en onderworpen, en als hij voelt dat hij deze genade heeft ontvangen, wanneer “de H. Geest tot zijn geest getuigt” (Rom 8,16) volgens het woord van de apostel Paulus, dan bevindt zich daar de volmaaktheid in nederigheid. Zalig degene die dit bezit. Want hij omhelst op elk moment het hart van Jezus (cf Joh 13,25).

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Petrus damianus : Vanaf nu, in deze tijd, het honderdvoud ontvangen

H. Petrus Damianus (1007-1072), kluizenaar en vervolgens bisschop, Kerkleraar
Sermon 9 ; PL 144, 549-553

PetrusDamianus_02

“Vanaf nu, in deze tijd, het honderdvoud ontvangen” (Mc 10,30)

      Het is nodig dat we onthecht van onze bezittingen en van onze eigen wil leven, als we Hem willen volgen die “geen plaats had om zijn hoofd neer te leggen” (Lc 9,58) en die gekomen is “om niet zijn wil te doen, maar de wil van Degene die Hem gezonden had” (Joh 6,38)… Weldra zullen we uit ervaring weten wat de Waarheid beloofde aan wie alles verlaat en Hem navolgt: “Hij zal het honderdvoud ontvangen…, en hij zal het eeuwig leven erven” (Mc 10,30). De gave van het honderdvoud is immers voor ons een troost voor het navolgen, en het bezit van het eeuwig leven zal altijd ons geluk zijn in het hemels vaderland.

       Maar wat is het honderdvoud? Dat zijn eenvoudigweg de vertroostingen van de Heilige Geest die zoet zijn als honing, zijn bezoeken en zijn eerste vruchten. Dat is de getuigenis van ons geweten, dat is het gelukkige en zeer vreugdevolle wachten van de rechtvaardigen, dat is de herinnering aan de overvloedige goedheid van God, dat is ook werkelijk zijn immense tederheid. Zij die de ervaring van deze gaven hebben, hebben het niet meer nodig dat men er met hen over spreekt, en wie kan deze gaven met eenvoudige woorden beschrijven aan degenen die er geen ervaring mee hebben?

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Athanasius van Alexandrië : U zult een schat in de hemel bezitten

H. Anastasius (295-373) bisschop van Alexandrië en Kerkleraar
Het leven van de H. Antonius, vader van de monniken, 2-4

 

Athanasius van Alexandrië57

 

“U zult een schat in de hemel bezitten”

      Na de dood van zijn ouders, toen Antonius tussen de achttien en twintig jaar oud was…, kwam hij op een dag in de kerk op het moment dat het Evangelie voorgelezen werd, en hij hoorde dat de Heer tegen de rijke jongeling zei: “Als je volmaakt wilt zijn, ga en verkoop alles wat je bezit en geef de opbrengst aan de armen; dan zul je een schat in de hemel bezitten. Kom daarna terug en volg mij”. Antonius had de indruk dat die lezing speciaal voor hem bedoeld was. Hij ging meteen naar buiten en gaf zijn bezittingen aan de mensen in het dorp. Na zijn andere bezit verkocht te hebben, gaf hij al het geld dat hij had aan de armen en zette een klein deel apart voor zijn zusje.

      Een andere keer ging hij weer eens de kerk binnen en hoorde de Heer in het Evangelie zeggen: “Maak je geen zorgen over de dag van morgen” (Mt 6,34). Hij kon het niet verdragen dat hij nog iets achtergehouden had, en dat gaf hij ook aan de armste mensen. Hij bracht zijn zus onder bij bekende en trouwe vrouwen, die samen in een huis woonden, om bij hen opgevoed te worden. En hij heeft zich vanaf dat moment, dicht bij zijn huis, toegewijd aan het ascetische leven. Hij was waakzaam over zichzelf en hij volhardde in een streng leven…

     Hij werkte met zijn handen, want hij had dit woord gehoord: “Wie niet wil werken, niet zal eten” (2Tes 3,10). Hij kocht zijn brood met een gedeelte dat hij verdiende en verdeelde de rest onder de behoeftigen. Hij bad zonder ophouden, want hij had geleerd “bid onophoudelijk en in eenzaamheid” (Lc 21,36). Hij was zo oplettend op wat er gelezen werd dat hij niets verloren liet gaan van de Schrift en onthield alles; vervolgens kon zijn geheugen de boeken vervangen. Alle inwoners van het dorp en alle godvrezende mensen die hem vaak bezochten en die hem zo zagen leven, noemden hem vriend van God. Sommigen hielden van hem als van een zoon en anderen als hun broer.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Caesareus van Arles : Komt gezegenden van de Vader…

H. Caesareus van Arles (470-543), monnik en bisschop
Sermon 25

 

Caesareus van Arles

 

“Komt, gezegenden van mijn Vader; neemt bezit van het rijk, dat voor u is bereid van de grondvesting der wereld af.”

      Als we goed opletten, broeders en zusters, dan kunnen we profiteren van het feit dat Christus honger heeft .. Kijk: een muntstuk aan de ene kant, het Koninkrijk aan de andere. Welke vergelijkingen zijn er? Je geeft een muntstuk aan een arme en van Christus ontvang je het Koninkrijk; je geeft een stuk brood en van Christus ontvang je het eeuwige leven; je geeft een kledingstuk en van Christus ontvang je de vergeving van je zonden.

      Laten we de armen dus niet minachten, maar laten we ze liever bij ons wensen en laten we ons haasten om bij hen te komen, omdat de ellende van de armen het geneesmiddel van de rijken is, zoals de Heer heeft gezegd: “Doch geeft liever de inhoud als aalmoes en zie, alles in u is rein.”  En “Verkoop je bezittingen en geef aalmoezen” (Lc 11,41;12,33). En de heilige Geest roept door de profeet: “Water blust een laaiend vuur, mededogen neemt je zonden weg”  (Sir 3,30)… Laten we dus barmhartig zijn, broeders en zusters en met de hulp van Christus, houden we de verbinding met zijn belofte vast; vooral die die ik u heb herinnerd, toen Hij zei: “Geef en u zal gegeven worden” (Lc 6,38) en ook: “Gelukkig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden” (Mt 5,7).

      Dat iedereen naar zijn bezit moeite doet om niet met lege handen naar de kerk te komen: degene die verlangt te ontvangen, moet iets geven. Dat degene die het zich kan permitteren, de arme met een nieuw kledingstuk bedekt; dat degene die dat niet kan tenminste een oud kledingstuk geeft. Wat degene betreft die zich daarvoor niet voldoende rijk acht, dat hij een stuk brood geeft, dat hij een reiziger ontvangt, dat hij een bed klaarmaakt, dat hij hem de voeten wast; om te verdienen dat Christus tegen hem zegt: “Komt gezegenden van mijn Vader, neem bezit van het Koninkrijk; want ik had honger en u hebt me te eten gegeven; ik was een vreemdeling en u hebt me ontvangen.” Niemand zal zich kunnen verontschuldigen dat hij geen aalmoes geeft, wanneer Christus heeft beloofd om een beloning te geven in ruil voor een glas water (Mt 10,42).

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Eusebius van Caesaria : Het martelaarschap van de apostel Jacobus

Eusebius van Cesarea (rond 265-340), bisschop, theoloog en historicus.
Kerkelijke geschiedenis, II, 3, 9

 

eusebius van Caesarea2 (260 x 357)

 

Het martelaarschap van de apostel Jacobus

      Het was ongetwijfeld dankzij de genade van kracht en hulp uit de hemel dat de leer van het heil als een zonnestraal plotseling de gehele aarde verlichtte. Volgens de goddelijke Schrift weerklonken immers de stemmen van de goddelijke Evangelisten en Apostelen over de gehele aarde; hun woorden bereikten de uiteinden van het universum. En in elke stad, in elk dorp, als in de open lucht vormden zich massaal sterke Kerken met duizenden mensen, gevuld met gelovigen…

      Maar onder de regering van keizer Claudius, begon koning Herodes met het slecht behandelen van enkele leden van de Kerk; zo liet hij Jacobus, de broer van Johannes omkomen door het zwaard (Hand 2,2). Clemens vertelt het volgende verhaal over Jacobus, welke waard is om herinnerd te worden: degene die hem had meegenomen naar de rechtbank was geraakt toen hij zag hoe Jacobus getuigenis aflegde, en hij beleed openlijk dat hij ook christen was. Beiden werden meegenomen naar terechtstelling; en onderweg vroeg hij aan Jacobus om hem te vergeven. Jacobus dacht een ogenblik na en omhelsde hem vervolgens en zei: “De vrede zij met u!” En beiden werden tegelijkertijd onthoofd

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Cyrillus van Alexandrië : Het brood dat ik zal geven, is het leven der wereld

H. Cyrillus van Alexandrië ((380-444), bisschop, Kerkleraar
Commentaar op het Evangelie van Lucas, 22

 

cyrillus van Alexandriê..213

 

“Het brood, dat Ik zal geven, is mijn vlees voor het leven der wereld”

      Hoe kan een mens die vastgeklonken op aarde en onderworpen aan de dood blijft, opnieuw toegang hebben tot  de onsterfelijkheid? Zijn vlees moet deelnemen aan de levengevende kracht die in God is. Welnu de levengevende kracht van God de Vader is zijn Woord, de eniggeboren Zoon; Hij werd dus naar ons gezonden als Redder en Verlosser…

    Als je een klein stukje brood in de olie drenkt, dan wordt het onmiddellijk doordrenkt met olie. Als je ijzer in vuur legt, dan zal het onmiddellijk doordrenkt worden met de energie van het vuur, en hoewel het vuur niet dezelfde natuur heeft als het ijzer, wordt het gelijk aan het vuur. Zo ook het levengevende Woord van God, die door zich met het vlees te verenigen dat Hij zich toegeëigend heeft, het de levengevende natuur geeft.

      Hij heeft immers gezegd: “Degene die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven”. En ook: “Ik ben het levende brood, dat uit de hemel is neergedaald; als iemand van dit brood eet, zal hij eeuwig leven; en het brood dat Ik zal geven, is mijn vlees. Waarlijk, als u het vlees van de Mensenzoon niet eet en als u zijn bloed niet drinkt, zult u niet het eeuwige leven in u hebben”. Zo dus, door het vlees van Christus, de Redder van allen, te eten en zijn bloed te drinken, hebben wij het leven in ons, wij worden één met Hem, wij wonen in Hem en Hij woont in ons.

      Het is dus nodig dat Hij in ons komt op de wijze die God past, door de Heilige Geest, en dat Hij zich op zekere wijze met ons lichaam vermengt met zijn heilig vlees en door zijn kostbaar bloed, dat wij als levengevende zegen ontvangen door brood en wijn. God heeft immers zijn toegeeflijkheid naar onze zwakheid getoond en heeft al zijn levenskracht in de elementen brood en wijn gestopt, die ook begiftigd zijn met de energie van zijn eigen leven. Aarzel dus niet om het te geloven, aangezien de Heer zelf duidelijk heeft gezegd: “Dit is mijn lichaam” en ” Dit is mijn bloed”.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Johannes van Damascus : Op een hoge berg waar ze helemaal alleen waren

H. Johannes van Damascus (ca. 675-749), monnik, theoloog, Kerkleraar
Homilie voor het feest van de Transfiguratie; PG 96, 545

 

Johannes van Damascus54

“Op een hoge berg waar ze helemaal alleen waren”

      Vroeger op de berg Sinaï, openbaarden de rook, de storm, de duisternis en het vuur (Ex 19,16v) de extreme toegeeflijkheid van God, en liet zien dat Degene die de Wet gaf, ontoegankelijk was… en dat de Schepper zich alleen liet kennen door zijn werken. Maar nu is alles vervuld van licht en schittering. Want de Maker en de Heer van alle dingen is uit de schoot van de Vader gekomen. Hij heeft zijn eigen verblijf niet verlaten, dat wil zeggen: zijn zetel in de schoot van de Vader, maar Hij is nedergedaald om met de slaven te zijn. Hij heeft de toestand van een dienaar aangenomen, en Hij is mens geworden in zijn natuur en zijn gedrag (Fil 2,7), opdat God, die onbegrijpelijk is voor de mensen, begrepen wordt. Door zichzelf en in zichzelf toont Hij de pracht van de goddelijke natuur.

      Vroeger had God de mens in eenheid met zijn genade gemaakt. Toen Hij de Geest van leven had ingeblazen bij de nieuwe mens die van klei gemaakt was, toen Hij hem het beste van zichzelf had gegeven, heeft Hij hem met zijn eigen beeld en gelijkenis vereerd (Gn 1,27). Hij heeft hem Eden gegeven als verblijfplaats en heeft van hem de nabije broer van de engelen gemaakt. Maar aangezien wij verward werden en het goddelijk beeld lieten verdwijnen onder de modder van onze ongeordende begeertes, is de Barmhartige een tweede verbond met ons aangegaan, veel zekerder en bijzonderder dan de eerste. Hij bleef in zijn goddelijke verhevenheid, maar aanvaardde ook wat onder Hem was, en schiep zelf de mens; Hij vermengde het archetype met het beeld, en nu toont Hij in haar zijn eigen schoonheid.

      Zijn gelaat straalt als de zon, want in zijn goddelijkheid wordt Hij geïdentificeerd met het immateriële licht ; daarom werd Hij de Zon van Gerechtigheid (Ml 3,20). Maar zijn kleding werd wit als sneeuw, want ze ontving de heerlijkheid door de bekleding en niet door vereniging, door relatie en niet van nature. En “een wolk bedekte hen met zijn schaduw”, wat de straling van de Heilige Geest waarneembaar maakt.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Macarios :totdat het meel geheel was gegist

H. Macarius (? – 405), monnik in Egypte
Homilie nr. 24

macarius de grote 123

“Totdat het meel geheel was gegist”

      Sinds de overtreding van Adam, zijn de gedachten van de ziel ver van de liefde van God verstrooid geraakt door de huidige wereld en ze zijn vermengd met materiėle en aardse gedachten. Want Adam heeft door zijn overtreding het zuurdesem van de slechte neigingen in zichzelf ontvangen, en zo allen die uit hem geboren zijn en alle afstammelingen van Adam hebben een gedeelte van dat zuurdesem gehad. Vervolgens zijn de slechte neigingen gegist en hebben zich ontwikkeld onder de mensen, totdat ze tot allerlei soorten van wanorde gekomen zijn. Uiteindelijk is de gehele mensheid binnengedrongen in het zuurdesem van het kwaad…

      Op analoge wijze heeft de Heer gedurende zijn verblijf op aarde willen lijden voor alle mensen; door ze met zijn eigen bloed te verlossen, het hemelse zuurdesem van zijn goedheid brengen in de gelovige zielen die vernederd zijn onder het juk van de zonde. Hij wilde in hen de gerechtigheid van de voorschriften en alle deugden voltooien, totdat ze, doordrongen met dat zuurdesem, verenigd worden met het goede en “één geest met de Heer” vormen, naar het woord van Paulus (1Kor 6,17). De ziel die geheel is doordrongen met het zuurdesem van de Heilige Geest kan zelfs geen idee van het kwaad en kwaadwilligheid meer hebben, zoals er geschreven staat: “De liefde denkt geen kwaad” (1Kor 13,5). Zonder deze hemelse zuurdesem, anders gezegd zonder de kracht van de Heilige Geest is het onmogelijk dat de ziel doordrongen wordt met de zoetheid van de Heer en tot het ware leven komt.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Ambrosius : David zelf noemt Hem Heer

H. Ambrosius (ca 340-397), bisschop van Milaan en Kerkleraar
Sermon over psalm 36,4-5

Ambrosius van Milaan 1

“David zelf noemt Hem Heer”

       Laten we eens aandachtig kijken naar het mysterie van Christus! Hij is uit de schoot van de Maagd geboren, tegelijk als Dienaar en als Heer; Dienaar om te werken, Heer om te bevelen, om in het hart van de mensen een Koninkrijk van God te vestigen. Hij heeft een dubbele oorsprong, maar Hij is één wezen. Hij is niet een ander als Hij van de Vader komt en een ander  als Hij uit de Maagd komt. Hij is dezelfde uit de Vader geboren voor de schepping die in de loop van de tijd het lichaam heeft aangenomen van de Maagd. Daarom wordt Hij zowel Dienaar als Heer genoemd; om ons Dienaar; maar om de eenheid met de goddelijke substantie, God uit God, Oorsprong uit Oorsprong, Zoon gelijk aan de Vader, zijn gelijke. De Vader heeft immers niet een Zoon die vreemd aan Zichzelf is, geboren laten worden, deze Zoon waarvan Hij verklaard heeft: “In Hem heb Ik al mijn liefde gelegd” (Mt 3,17)…

      De Dienaar bewaart overal zijn waardigheid. God is groot en groot is de Dienaar: in het vlees verliest Hij niet deze “grenzeloze grootheid” (Ps 145,3)… “Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens” (Fil 2,6-7)… Hij is dus gelijk aan God, als Zoon van God; Hij heeft de gestalte van een slaaf aangenomen door mens te worden; “Hij heeft de dood geproefd” (Hb 2,9), Hij van wie “de grootheid grenzeloos is”…

      De gestalte van de Dienaar, die ons allen heeft bevrijd,  is goed! Ja, zij is goed! Zij was Hem, “de naam die boven alle namen is”, waard! Deze nederigheid is goed! Ze heeft verkregen dat “in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer,’ tot eer van God, de Vader” (Fil 2, 10,11).

Holarius van Poitiers : Deze is waarlijk de profeet die in de wereld moet komen

H. Hilarius (ca 315-367), bisschop van Poitiers, Kerkleraar
Commentaar op het evangelie van Matteüs 14, 11 ; PL 9, 999

 

Hilarius van Poitiers2 (480 x 360)

“Deze is waarlijk de profeet, die in de wereld moet komen!”

      De leerlingen zeggen dat ze slechts vijf broden en twee vissen hebben. De vijf broden betekenden dat ze nog onderworpen waren aan de vijf boeken van de Wet, en de twee vissen dat ze gevoed waren door het onderricht van de profeten en van Johannes de Doper… Dat hadden de apostelen in eerste instantie te bieden, aangezien ze nog op dat punt waren; en van daaruit is de prediking van het Evangelie vertrokken…

      De Heer nam de broden en de vissen. Hij hief zijn ogen op naar de hemel, zei de zegen en brak ze. Hij dankte de Vader omdat Hij het Goede Nieuws in voedsel had veranderd, na de eeuwen van de Wet en de profeten… De broden werden ook aan de apostelen gegeven: door hen moesten de gaven van de goddelijke genade teruggegeven worden. Vervolgens zijn de mensen gevoed met de vijf broden en de twee vissen en toen ze eenmaal verzadigd waren, bleef er zo’n grote hoeveelheid aan stukjes brood en vis over dat er nog twaalf manden mee gevuld werden. Dat wil zeggen dat de menigte vervuld is met het woord van God dat van de Wet en de profeten kwam. Het overschot aan goddelijke kracht, resterend voor de heidense volken, bleef over als gevolg van het opdienen van het eeuwig voedsel. Ze vormt een volheid, dat van het getal twaalf, evenals het aantal apostelen. Welnu het blijkt dat het getal van hen die gegeten hebben dezelfde is als dat van de komende gelovigen, namelijk vijfduizend (Mt 14,21; Hand 4,4).

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Efraïm de Syriër : Het teken van Jonas

H. Efraïm (ca. 306-373), diaken in Syrië, Kerkleraar
Diatessaron XI, 1-3. SC 121 p. 195-197.

Efraim de syrier222

Het teken van Jonas

      Na alle tekenen die Onze Heer had gegeven zeiden de blinden tegen Hem : “Wij willen een teken zien”. Onze Heer begon toen over de Ninevieten… Jonas had de vernietiging aan de Ninevieten verkondigd; hij had hun vrees ingeblazen, en hij had bij hen verbijstering gezaaid; en zij toonden hem berouw van de ziel en vruchten van de boetedoening.  De naties waren dus uitverkoren, en de onbesnedenen zijn God genaderd. De heidenen hebben het leven ontvangen, en de zondaars werden bekeerd…

      “Ze vroegen Hem om een teken uit de hemel”, bijvoorbeeld de donder zoals bij Samuel (cf 1Sm 7,10)… Ze hadden een verkondiging die van boven kwam gehoord, en ze geloofden het niet; de verkondiging kwam ook nog uit de diepte…”De Mensenzoon zal in het hart van de aarde zijn, zoals Jonas in de walvis was”… Jonas kwam uit de zee en predikte tot de Ninevieten die boete deden en gered werden; zo, na met zijn lichaam uit het dodenrijk te zijn verrezen, stuurde Onze Heer  zijn apostelen onder de naties; ze werden volledig bekeerd en ontvingen de volheid van leven.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org