Dit is een privé christelijke blog van Kris Biesbroeck, Licentiaat Theologie en filosofie. De inhoud van blog : Theologie, filosofie, Kerkvaders, Heiligenlevens, Exegese, Augustinus,enz… Alles wat sinds 2007 op de site is verschenen kan hier teruggevonden worden bij de Categorieën (bij het begin van de site) HET ADRES VAN DE SITE IS : CHRISTELIJKEINFORMATIEBRON.WORDPRESS.COM.
Sint Cyrillus van Jeruzalem (380-444), bisschop van Jeruzalem, Kerkleraar Commentaar op het Evangelie van Johannes 9 ; PG 74, 182-183
“Opdat ook gij moogt zijn, waar Ikzelf ben”
“In het huis van mijn Vader vinden velen hun verblijf ; heb Ik u niet gezegd : Ik vertrek om voor U een plaats te bereiden ?”… Als er niet zo veel verblijven bij de Vader zouden zijn, dan zou de Heer hebben gezegd dat Hij als voorloper zou gaan, overduidelijk om de verblijven van de heiligen voor te bereiden. Maar Hij wist dat er al veel verblijven klaar waren en wachtten op de vrienden van God. Hij geeft dus een ander motief bij zijn vertrek: Hij bereidde de weg van onze hemelvaart naar plaatsen in de hemel door een doorgang te banen, terwijl van tevoren deze weg voor ons onbegaanbaar was. Want de hemel was geheel gesloten voor de mensen, en nooit was een wezen met een vleselijk lichaam dat zeer heilige en zuivere verblijf van de engelen binnengegaan.
Christus heeft die weg in de hoogte voor ons ingewijd. Door zichzelf aan God de Vader aan te bieden als eersteling van hen die sliepen in de graven van de aarde, staat Hij het lichaam toe om naar de hemel te gaan, en Hij was zelf de eerste mens die aan de hemelbewoners verscheen. De engelen kenden dat verheven en grootse mysterie niet van een hemelse inhuldiging van het lichaam. Ze zagen met verbazing en bewondering de hemelvaart van Christus. Bijna verward door dat onbekende schouwspel, riepen ze uit: “Wie is het die uit Edom komt?” (Jes 63,1), dat wil zeggen van de aarde. Dus onze Heer Jezus Christus “heeft voor ons een weg naar een nieuw leven gebaand” (He 10,20). Zoals de Paulus het zegt: “Christus is immers niet binnengegaan in een heiligdom dat door mensenhanden is gemaakt…, maar in de hemel zelf, waar Hij nu bij God voor ons pleit” (He 9,24).
Sint Cyrillus van Alexandrië (380-444), bisschop, Kerkleraar Over Jesaja IV, 1
“Mijn Vader geeft u het ware brood uit de hemel”
“Zing voor de Heer een nieuw lied!” (Ps 96,1) Om zich aan de nieuwe omstandigheden aan te passen, is het lied nieuw; Paulus schreef hierover: “Daarom ook is iemand die één met Christus is, een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen” (2Kor 5,17). Zij die Israëlieten waren door het bloed werden bevrijd van de tirannie van Egypte dankzij de middelaar uit die tijd, de zeer wijze Mozes; ze werden bevrijd van het werken met bakstenen, van onnodig zweet… van de aardse taken, van de wreedheid van hun bewakers, van de onmenselijke hardheid van de farao. Ze zijn door de zee getrokken; in de woestijn hebben ze manna gegeten; ze hebben water dat uit de rots ontsprong gedronken; ze zijn met droge voeten door de Jordaan getrokken; ze zijn het beloofde land binnengegaan.
Welnu voor ons is dat alles vernieuwd en de nieuwe wereld is onvergelijkelijk beter dan de oude. Wij zijn bevrijd van slavernij, niet de aardse, maar de geestelijke; wij werden niet meer van de taken van deze aarde bevrijd, maar van de smet van de vleselijke begeerte. Wij zijn niet ontsnapt aan de Egyptische opzichters of aan de kwade en meedogenloze tiran, die een mens is zoals wij, maar aan de kwade en onzuivere demonen die aandringen op het zondigen, en aan de chef van hun gebroed, Satan.
Wij hebben de stromen van het huidige leven doorkruist als door een zee, met zijn lawaai en dwaze onrust. Wij hebben geestelijk manna gegeten, het brood dat uit de hemel neerdaalde en dat leven aan de wereld geeft. Wij hebben water gedronken dat opborrelde uit de rots, welke de zaligheid van het levend water van Christus was. Wij zijn door de Jordaan getrokken dankzij de heilige doop die wij waardig waren om te ontvangen. Wij zijn het Land dat aan de heiligen beloofd was en voor hen bereid, binnengegaan . De Heer herinnert aan dat land, als Hij zegt: “Gelukkig de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten” (Mt 5,4).
Heilige Ireneus van Lyon (rond 130-rond 208), bisschop, theoloog en martelaar Tegen ketterijen , III, 1
Ireneus van Lyon
“Gaat heel de wereld door, en predikt het evangelie aan ieder schepsel”
De Heer van alle dingen heeft aan zijn apostelen de macht gegeven om het Evangelie te verkondigen. Door hen hebben wij de waarheid leren kennen, dat wil zeggen het onderricht van de Zoon van God. Tegen hen had de Heer gezegd: “Zij die naar jullie luisteren, luisteren naar Mij; zij die jullie verwerpen, verwerpen Mij en verwerpen Degene die Mij gezonden heeft” (Lc 10,16). Want wij kenden het plan van onze redding niet door anderen dan door hen die ons het Evangelie gebracht hebben.
Dat Evangelie hebben ze eerst gepredikt. Vervolgens hebben zij het door de wil van God overgebracht in de Schrift opdat het de “pilaar en de ondersteuning” (1 Tim 3,15) van ons geloof wordt. Het is niet toegestaan om te zeggen dat zij gepredikt hebben voordat zij de volmaakte kennis hebben ontvangen, zoals sommigen durven te pretenderen, die proberen de verbeteraars van de apostelen te zijn. Immers nadat onze Heer uit de doden is verrezen en nadat de apostelen “bekleed werden met de kracht uit de hemel” (Lc 24,49) door de komst van de Heilige Geest, werden ze vervuld met zekerheid betreffende alles en bezaten ze de volmaakte kennis. Toen gingen ze op pad om het Goede Nieuws van wat tot ons van God komt “tot aan de uiteinden der aarde” (Ps 18,5; Rm 10,18) te verkondigen en verkondigden aan de mensen de vrede van de Hemel. Ze bezaten allen evenveel en ieder in het bijzonder, het Evangelie van God.
Heilige Simeon de Nieuwe Theoloog (rond 949-1022), Griekse monnik
Catechismus 3
Simeon de Nieuwe Theoloog
“Hij, die God heeft gezonden, spreekt de woorden van God”
De Heer heeft tegen ons gezegd ; “Doorgrond de Schrift” (Joh 5,39). Doorgrond het dus en onthoud met veel precisie en veel geloof wat de Schrift zegt. Op die wijze kent u de wil van God duidelijk en zult u in staat zijn om het goede van het kwade te onderscheiden, zonder u te vergissen, in plaats van te luisteren naar zomaar een geest en meegenomen te worden door schadelijke gedachten.
Wees er zeker van zusters en broeders dat niets zo gunstig voor uw heil is als het beoefenen van de goddelijke voorschriften van de Heer… We hebben altijd veel vrees, geduld en volharding in het gebed nodig, opdat ons de betekenis van een woord van de Meester geopenbaard wordt, opdat wij de grote verborgen mysteriën zullen kennen tot in de kleinste woorden, en opdat we klaar zijn om ons leven te geven voor een klein teken, een jota, van de geboden van God (cf Mt 5,18).
Want het woord van God is als een tweesnijdend zwaard (Heb 4,12) die de ziel bijsnijdt en elke begeerte en alle instincten van het vlees wegsnijdt. Nog meer dan dat wordt ze ook een brandend vuur (Jr 20,9) als ze het vuur in onze ziel oprakelt, als ze ons alle droefheden van het leven laat minachten en de beproevingen als vreugde laat beschouwen (Jac 1,2), als, tegenover de dood waar alle andere mensen beducht voor zijn, zij ons er naar laat verlangen en het leven laat omhelzen door ons het middel te geven om er te komen.
Sint Basilius (ca. 330-379), monnik en bisschop van Caesarea in Cappadocïe, Kerkleraar
Overweging over de Heilige Geest, 14
“Opdat ieder die in Hem gelooft, het eeuwige leven zou hebben”
Het beeld is een manier om de dingen die we verwachten te tonen, door de vergelijking. Bijvoorbeeld, Adam is de voorafbeelding van de Adam die moest komen (1 Kor 15,45) en de rots [in de woestijn tijdens de Uittocht] is op figuratieve wijze de Christus; het water dat van de rots stroomde is voorafbeelding van de levengevende kracht van het Woord (Ex 17,6; 1Kor 10,4), want Hij heeft gezegd: “Als iemand dorst heeft, dat hij tot Mij komt en drinkt” (Joh 7,37). Het manna is de voorafbeelding van “het levende brood dat uit de hemel is neergedaald” (Joh 6,51); en de slang die op een stok werd geplaatst is het beeld van de Passie, van onze redding dat op het kruis werd volvoerd, aangezien
zij die er naar keken gered werden (Nb 21,9). Zo werd ook hetgeen de Schrift zegt over de Israëlieten die uit Egypte vertrokken, verteld als een voorafbeelding van hen die gered zijn door de doop; want de eerstgeborenen van de Israëlieten werden gered… door de genade die toegekend werd aan hen die het teken van het bloed van het Paaslam hadden en dat bloed was een voorafbeelding van Christus…
Wat betreft de zee en de wolk (Ex 14), in die tijd leidden zij door de bewondering naar het geloof; maar voor de toekomst beelden zij de genade die komen moest uit. “Wie is wijs? Die er de liefde van de Heer in ziet” (Ps 107,43) Hij zal begrijpen dat de zee, die de doop verbeeldde, van de farao scheidde, evenals de doop ons aan de tirannie van de duivel doet ontsnappen. Vroeger heeft de zee de vijand in haar verstikt; nu sterft het vijandschap die ons van God scheidde. Het volk is veilig en gezond uit de zee gekomen; en wij komen uit het water als herboren uit de doden, gered door de genade van Hem die ons geroepen heeft. De wolk was de schaduw van de gave van de Heilige Geest, die onze ledematen verfrist, door het vuur van de begeerte te doven.
De wereld zwijgt nu alles is volbracht. Nooit was er stiller nacht Dan deze waarin een zachte moederhand U voor het laatst ontvangen mag op haar gewijde schoot en U met tederheid voorgoed te rust mag leggen. Nooit was een afscheid zo gevuld met goddelijke aanwezigheid.
Gij keert terug naar Hem: uw oorsprong en uw huis waar Gij ons thuis verwacht. Leid mij doorheen de nacht van dood en duisternis naar licht en eeuwig leven.
De wereld zwijgt nu alles is volbracht. Nooit was er stiller nacht Dan deze waarin een zachte moederhand U voor het laatst ontvangen mag op haar gewijde schoot en U met tederheid voorgoed te rust mag leggen. Nooit was een afscheid zo gevuld met goddelijke aanwezigheid.
Gij keert terug naar Hem: uw oorsprong en uw huis waar Gij ons thuis verwacht. Leid mij doorheen de nacht van dood en duisternis naar licht en eeuwig leven.
H. Hiëronymus (347-420), priester en vertaler van de Bijbel, Kerkleraar
Commentaar op het evangelie van Marcus ; PLS 2, 125v
“Het huis was vol van de balsemgeur”
In het evangelie van Marcus lezen we: “Toen Hij zat te eten bij Simeon de Melaatse in Bethanië, kwam er een vrouw binnen met een kruikje dure balsemolie (14,3). Deze vrouw gaat u allen, die de doop gaat ontvangen, direct aan. Ze heeft het albasten kruikje voor Christus gebroken, de Zalf van de Heer maakt van u christenen door de zalving. Wat in het Hooglied wordt gezegd: “Je naam is als een parfum……. “(1,3-4). Voor zover het parfum opgesloten was, voor zover was God slechts bekend in Judea, voor zover was zijn naam slechts groot in Israël (Ps 75,2) de meisjes volgden Jezus niet. Maar toen de parfumgeur zich verspreidde over de gehele wereld, hebben gelovige zielen de Verlosser gevolgd… Ze brak haar albasten kruikje, zodat allen van het parfum profiteerden…, deze handeling herinnert aan “de graankorrel die als hij niet op aarde valt en sterft, geen vrucht zal dragen” (Joh 12,24): zo ook, als de kruik niet gebroken was, konden we niet zalven met parfumolie.
Deze vrouw was niet degene die in een ander evangelie genoemd werd door de voeten van de Heer te wassen (Lc 7,38). Want deze vrouw, die tot dan een zondares was met een slecht leven…, overspoelt met haar tranen de voeten van de Heer en droogt het met haar haren; maar ze wast slechts aan de buitenkant de voeten van de Verlosser, want in werkelijkheid wast ze haar zonden..
Dat het voor u hetzelfde zal zijn als u de doop gaat ontvangen: aangezien we allen zondaars zijn, en “niemand zuiver is, zelfs als het leven kort was” (Jb 14,4 LXX)…, begin daarom met het vastgrijpen van de voeten van de Verlosser, was ze met uw tranen, droog ze met uw haren; als u dat gedaan hebt, dan raakt u pas zijn hoofd aan, zoals de vrouw bij Marcus. Op het moment dat we afdalen in de levensbron met de Heer, moet u leren hoe het parfum op het hoofd van de Heer komt. Want als “Christus het hoofd van alle mensen is” (1 Kor 11,3) dan moet uw hoofd ook geparfumeerd worden; door de doop ontvangt u deze zalving.
H. Petrus Chrysologus (ca 406-450) bisschop van Ravenna, Kerkleraar Sermon 108 ; PL 52, 499
“Om welk werk stenigt u Mij?”
“Ik smeek u door de barmhartigheid van God” (Rm 12,1). Paulus vraagt, of liever door Paulus vraagt God dit, Hij wil liever geliefd dan gevreesd worden. God vraagt omdat Hij minder Heer dan Vader wil zijn… Luister naar het vragen van de Heer: “Elke dag heb Ik mijn handen uitgestrekt” (Jes 65,2). Vraagt men meestal niet door het uitstrekken van de handen? “Ik heb de hand uitstrekken”. Naar wie? “Naar het volk?” Naar welk volk? Niet alleen naar een ongelovig volk, maar ook nog “opstandig”. “Ik heb de hand uitstrekken”.: Hij opent zijn armen, verwijdt zijn hart en toont zijn borst, opent zijn schoot, Hij maakt van zijn gehele lichaam een schuilplaats, om zo door deze smeekbede te tonen hoe Hij een Vader is. Luister hoe God elders vraagt: “Mijn volk wat heb Ik u gedaan of waarin heb Ik u bedroefd?” (Mi 6,3). Zei Hij niet : “Als u mijn goddelijkheid niet kent, zult u dan mijn vlees herkennen? Zie uw lichaam in mijn lichaam, uw ledematen, uw lendenen, uw botten, uw bloed! En als u vreest wat van God is, waarom houdt u dan niet van hetgeen het uwe is? Als u de Heer ontvlucht, waarom rent u dan niet naar de Vader?
Maar de grootheid van de Passie, waar u de oorzaak van bent, bedekt u misschien met verwarring. Vrees niet! Dat kruis is niet mijn galg, maar die van de dood. Deze spijkers nagelen niet de pijn in Mij, maar ze dringen de liefde die Ik voor u heb, dieper in Mij door. Deze wonden rukken uit mij geen kreten, maar ze brengen u meer op de bodem van mijn hart. De verscheurdheid van mijn lichaam geeft u steeds meer plaats in mijn schoot, het doet niet mijn smeken toenemen. Ik verlies mijn bloed niet, ik vergiet het om het uwe te betalen.
Kom dus, kom dus terug en herken in Mij een vader, die u het goede voor het kwade ziet teruggeven, liefde voor onrechtvaardigheid, zo’n grote tederheid voor dergelijke wonden.
H. Efraïm (ca. 306-373), diaken in Syrië, Kerkleraar Over Abraham en Izaak
“Abraham heeft mijn dag gezien en van vreugde gejubeld”
Omwille van hun leeftijd waren Abraham en Sarah niet meer in staat om leven te geven; in hun beider lichamen was de jeugd uitgedoofd, maar hun hoop op God bleef levend; dat verzwakte niet, het was onverwoestbaar.
Daarom verwekte Abraham, tegen elke hoop in, Izaak, die vervuld was met de Heer. Het was immers niet natuurlijk dat de reeds dode schoot van Sarah Izaak kon ontvangen en dat ze hem met haar melk voedde; dat was het eveneens toen de Maagd Maria, zonder een man te bekennen, de Heer van de wereld ontving, en het ter wereld bracht zonder haar ongeschonden toestand te verliezen… Voor de tent zegt de engel tegen de patriarch: “Volgend jaar rond deze tijd, zal Sarah een zoon hebben” (Gn 18,14). De engel zei ook tegen Maria: “U zijt vol van genade en zult een zoon baren” (Lc 1,28.31). Sarah lachte toen ze aan haar steriliteit door haar leeftijd dacht (v.12); zonder het woord te geloven, riep ze: “Hoe kunnen Abraham en ik een kind krijgen? Wij zijn beiden te oud!” Maria dacht aan haar maagdelijkheid die ze wilde behouden, ze aarzelde en zei: “Hoe zal dat gebeuren, aangezien ik geen man beken?” (Lc 1,34) De belofte was zeker tegen de natuur in, maar Degene die, tegen alle hoop in, Izaak aan Sarah heeft gegeven, is werkelijk zelf geboren, in het vlees, uit de Maagd Maria.
Toen Izaak de dag zag volgens het woord des Heren, waren Sarah en Abraham vol met vreugde. Toen Jezus op de wereld kwam, volgens de aankondiging van Gabriël, waren Maria en Jozef vol met blijdschap… “Wie zou tegen Abraham gezegd hebben dat Sarah op haar oude dag een zoon zou voeden?” riep de steriele vrouw uit. “Wie zou tegen de wereld gezegd hebben dat ik als maagd een kind zou voeden met melk?”, riep Maria uit. De oorzaak dat Sarah begon te lachen, is immers niet Izaak, maar Degene die uit Maria werd geboren; en zoals Johannes de Doper zijn vreugde liet blijken door op te springen in de schoot van zijn moeder, toonde Sarah haar blijdschap door te lachen.
H. Cyrillus van Alexandrië ((380-444), bisschop, Kerkleraar
Cyrillus van Alexandrië
Commentaar op het boek Numeri 2 ; PG 69, 619
“Als de graankorrel sterft, brengt ze rijke vruchten voort”
Christus, eerstgeborene van de nieuwe schepping… is na begraven te zijn geweest, verrezen en is opgestegen naar de Vader als een geweldig en schitterend offer, op een bepaalde manier als de eerstgeborene van het vernieuwde en onvergankelijke menselijk ras… Men zou Hem kunnen beschouwen als het symbool van de schoof van eerstelingsgarve, welke de Heer aan Israël heeft gevraagd om te offeren in de Tempel (Lv 23,9). Wat betekent dat?
Men kan het menselijk soort vergelijken met een korenaren. Ze worden uit de aarde geboren, ze wachten om geheel uit te groeien en op een gegeven moment worden ze door de dood afgemaaid. Zo zei Christus het tegen zijn leerlingen: “Jullie zeggen toch: “Nog vier maanden en dan komt de oogst”? Ik zeg jullie: kijk om je heen, dan zie je dat de velden rijp zijn voor de oogst! De maaier krijgt zijn loon al en verzamelt vruchten voor het eeuwige leven, zodat de zaaier en de maaier tegelijk feest kunnen vieren.” (Joh 4,35-36). Welnu Christus is onder ons geboren, Hij werd uit de heilige Maagd geboren zoals de korenaren uit de aarde komen. Soms noemt Hij zichzelf overigens de graankorrel: “Waarachtig, ik verzeker u: als een graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft het één graankorrel, maar wanneer hij sterft draagt hij veel vrucht”. Zo heeft Hij zich op de wijze van een korenschoof voor ons geofferd aan zijn Vader en als de eerstelingen van de aarde.
Want de korenaar, evenals wij zelf overigens, kan niet geïsoleerd beschouwd worden. Wij zien het in een schoof, gevormd door meerdere aren in één bundel. Jezus Christus is uniek, maar Hij verschijnt aan ons en Hij vormt werkelijk een soort van bundel, in die zin dat Hij alle gelovigen in zich bevat, natuurlijk in een geestelijke eenheid. Hoe zou de apostel Paulus zonder dat gegeven kunnen schrijven: “ze maken deel uit van hetzelfde lichaam met Hem (Ef 3,6)… Hijzelf richt zich overigens tot zijn Vader met deze woorden: “Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals U in Mij bent en Ik in U, laat hen zo ook in Ons zijn, opdat de wereld gelooft dat U Mij hebt gezonden” (Joh 17,21). De Heer is dus de eerstgeborene van de mensheid die bestemd is om binnengehaald te worden in de graanschuren van de hemel.
H. Johannes Chrysostomos (ca 345-407), priester te Antiochië daarna bisschop van Constantinopel, Kerkleraar
2e Sermon over Genesis
“Want als u Mozes had geloofd, dan zou u ook in Mij geloven; want over Mij heeft hij geschreven”
In de begintijd sprak de Heer, die de mens had geschapen, zelf tegen de mens op zo’n wijze dat hij Hem kon horen. Zo sprak Hij ook met Adam… , en later met Noach en Abraham. En zelfs toen de mensheid zich in de afgrond van de zonde stortte, heeft God niet zijn gehele relatie met hem verbroken, zelfs als het noodzakelijkerwijze met minder familiariteit was, omdat ze zich onwaardig hadden gemaakt. Hij heeft erin toegestemd om met hen nieuwe banden van welwillendheid te sluiten, maar door brieven, zoals we dat ook doen met een afwezige vriend; op die wijze kon Hij zich ook, in zijn goedheid, weer verbinden met de gehele mensheid. Mozes is de drager van die brieven die God ons stuurt.
Laten we die brieven openen; wat zijn de eerste woorden? “In den beginnen schiep God de hemel en de aarde.” Hoe wonderbaarlijk!… Mozes is eeuwen daarna op de wereld gekomen en werd werkelijk geïnspireerd vanuit boven, om ons de wonderen die God heeft gedaan bij de schepping van de wereld te vertellen… Lijkt hij ons niet duidelijk te zeggen: “Wat ik u ga openbaren, heb ik van de mensen geleerd? Helemaal niet, maar alleen van de Schepper, die de wonderen gedaan heeft. Hij stuurt mij de taal om het u te leren. Van dat ogenblik af, smeek ik u om alle gemopper van het menselijk geredeneer de stilte op te leggen. Luister niet naar dit relaas alsof het slechts de woorden van Mozes waren; het is God zelf die tot ons spreekt; Mozes was slechts zijn vertolker.
Broeders en zusters, laten we dus het Woord van God ontvangen met een dankbaar en nederig hart… Want het is God die alles geschapen heeft, Hij bereidt alles voor en beschikt erover met wijsheid… Hij leidt de mens door hetgeen zichtbaar is in de kennis van de Schepper van het universum. Hij leert de mens om de hoogste Arbeider in zijn werken te herkennen zodat de mens zijn Schepper weet te aanbidden
H. Hiëronymus (347-420), priester en vertaler van de Bijbel, Kerkleraar
Commentaar op het Evangelie van Marcus 2 ; PLS 2, 125v
Hiëronimos (Geb. in Stridon in Dalmatië : ca.347 – Bethlehem 30 sept.419/420?)
Feestdag in de orthodoxe Kerk : 15 juni
“Zwijg en ga uit hem weg!”
“Jezus sprak hem streng toe en zei: ‘Zwijg en ga uit hem weg!” De Waarheid heeft geen behoefte aan de getuigenis van een Leugenaar… “Ik heb de erkenning niet nodig van degene die hoort bij de verscheuring. Zwijg! Dat mijn heerlijkheid in jouw stilte mag stralen. Ik wil niet dat jouw stem mij eert, maar jouw kwellingen; want jouw verscheuring is mijn overwinning… Zwijg, en verlaat deze mens!” Hij lijkt te zeggen: “Ga weg uit mijn huis, wat doe je onder mijn dak? Ik wil naar binnen: zwijg en ga uit deze mens weg”…
Hier ziet u waarin de ziel van de mens kostbaar is. Dat is in tegenspraak met hen die denken dat wij, de mensen, en de dieren zijn begiftigd met dezelfde ziel en dat we door eenzelfde geest worden bewogen. Op een ander moment wordt een demon uitgedreven uit een mens en die wordt in tweeduizend varkens gestuurd (Mt 8,32); de kostbare Geest staat tegenover de lage geest, de een wordt gered, de ander gaat verloren. “Ga weg uit deze mens, ga in de varkens, ga waar je naar toe wilt, ga naar de afgrond. Verlaat deze mens, dat wil zeggen uit mijn eigendom; Ik zal je niet de mens laten bezetten, want dat zou een belediging voor Mij zijn als jij je, in plaats van Mij, in hem zou installeren. Ik heb het menselijk lichaam aanvaard, Ik woon in de mens: dit vlees dat Ik bezit maakt deel uit van mijn vlees. Ga uit de mens weg”
H. Izaak de Syriër (7e eeuw), monnik nabij Mossoel Ascetische overweging
Zeer vroeg in de morgen stond Jezus op, en ging heen; Hij begaf zich naar een eenzame plaats”
Niets maakt een ziel zo zuiver en vreugdevol, verlicht de ziel en verwijdert slechte gedachten, als het waken dat doet. Daarom hebben onze vaderen volhard in dat zware werk van waken en ze hebben als regel aanvaard om ’s nachts wakker te blijven gedurende hun ascetische leven. Ze deden dat in het bijzonder omdat ze onze Heer met zijn levend Woord ons op verschillende plaatsen ertoe hoorden uitnodigen: “Wees waakzaam en bid onophoudelijk” (Lc 21,36) ; “Blijf wakker en bid dat jullie in de beproeving niet bezwijken” (Mt 26,41) ; “Bid zonder ophouden”(1 Tes 5,17).
En Hij vond het niet genoeg om ons alleen maar met zijn woorden te waarschuwen. Hij heeft ons ook persoonlijk het voorbeeld gegeven door de praktijk van het gebed boven alle andere dingen te verkiezen. Daarom isoleerde Hij zich voordurend om te bidden, en dat niet op willekeurige wijze, maar door de nacht als tijd daarvoor te kiezen en de woestijn als plaats, opdat ook wij in staat werden om in eenzaamheid te bidden, door de menigte en het lawaai te mijden.
Daarom hebben onze vaderen dit hoge onderricht over het gebed ontvangen, alsof het van Christus zelf kwam. En ze hebben ervoor gekozen om te waken in gebed, op de wijze van de apostel Paulus, om vóór alles voortdurend in de nabijheid van God te kunnen verblijven door het onophoudelijke gebed… Niets van buiten bereikt hen, want daardoor zou de zuiverheid van hun intellect kunnen veranderen, hetgeen hun waken zou kunnen verstoren. Daarom vervult het waken hen met vreugde en is dit het licht van de ziel.
Commentaar op het Evangelie van Johannes, 10, 39 ; PG 14, 369 e.v.
“Weet u niet dat u de tempel van God bent” (1Kor 3,16)
Jezus zei tegen de joden: “Breek deze tempel maar af, en Ik zal hem in drie dagen weer opbouwen…Hij sprak over de tempel van zijn lichaam” (Joh 2,21)… Sommige mensen denken dat het onmogelijk was om op het lichaam van Christus alles toe te passen wat over de tempel is gezegd. Zij denken dat zijn lichaam tempel werd genoemd omdat, evenals de eerste Tempel bewoond werd door de glorie van God, zo ook de Eerstgeborene van alle schepselen het beeld en glorie van God is (Kol 1,15) en dat het dus klopt als zijn Lichaam, de Kerk, de tempel van God wordt genoemd, omdat dit het beeld van God bevat… Wij hebben van Petrus begrepen dat de Kerk zijn lichaam is en het huis van God, gebouwd met levende stenen, een geestelijk huis voor een heilige priesterschap (1P 2,5).
Zo kunnen we ook naar Salomo, de zoon van David die de Tempel had gebouwd, kijken als een voorafbeelding van Christus: na de oorlog, toen er grote vrede heerste, heeft Salomo een tempel voor de glorie van God gebouwd in het aardse Jeruzalem… Totdat alle vijanden van Christus “onder zijn voeten gelegd zijn. En de laatste vijand die uitgeschakeld wordt, is de dood” (1Kor 15,25-26). Dan zal de vrede volmaakt zijn. En Christus zal dan Salomo zijn – deze naam betekent “vredelievend”- en in Hem zal deze profetie vervuld worden: “Te lang reeds woon ik bij wie de vrede haten; ik ben een en al vrede” (Ps 120, 6-7). Dan zal elke levende steen, naar de verdiensten van zijn huidige leven, een steen van de tempel zijn. De één een apostel of een profeet die geplaatst is in de fundamenten, zal de stenen die op hem geplaatst zijn dragen. Een ander, die na degenen komt die het fundament vormen, wordt zelf gedragen door de apostelen, en draagt met hen de meest zwakken. De één zal een steen helemaal in het midden zijn, daar waar zich de ark met de cherubijnen en de offerplaats bevinden (1 Kon 6,27); een ander een steen in het voorportaal (v.3). Weer een ander buiten het voorportaal van de priesters en de levieten, zal een altaarsteen zijn waar de offerandes van de oogst gehouden worden… Hoe het met het gebouw verloopt, en de organisatie van de ambten, zal aan de engelen van God toevertrouwd worden, die heilige krachten die afgebeeld worden als de voormannen van de werken van Salomo… Dat alles zal zich vervullen wanneer de vrede volmaakt zal zijn, wanneer er een grote vrede zal heersen.
H. Clemens van Rome, paus van ongeveer 90 tot 100 AC
Clemens van Rome
Brief aan de Korintiërs, 49-50
“Weest dus barmhartig, zoals ook uw Vader barmhartig is”
Dat degene die de liefde van Christus bezit, de geboden van Christus uitvoert. Wie kan dat verbond waaruit de liefde van God bestaat, uitleggen? Wie kan de grootte van de schoonheid van de liefde uitdrukken? De hoogten waarop de liefde ons brengt zijn onuitsprekelijk. De liefde verenigt ons met God; Hij “bedekt een grote hoeveelheid zonden” (1P 4,8)… De Meester laat ons in liefde tot Hem komen. Door zijn liefde voor ons heeft onze Heer Jezus Christus zijn bloed voor ons gegeven, volgens het plan van God, door zijn vlees te offeren voor ons vlees, zijn leven voor onze levens.
Lieve mensen, u ziet hier hoe de liefde iets groots en bewonderenswaardig is; het is onmogelijk de volmaaktheid ervan uit te leggen. Wie kan het bereiken, behalve zij die de genade van God hebben ontvangen? Laten we er dus om bidden en laten we aan zijn barmhartigheid vragen om elkaar in de volmaakte liefde te vinden, en niet of we elkaar als persoon accepteren. Vanaf Adam tot nu zijn alle generaties verdwenen; maar zij die door de genade van God de volmaaktheid van liefde hebben bereikt, blijven in de tegenwoordigheid van de heiligen, die zullen verschijnen als Christus met zijn heerschappij zal komen…
Gelukkig zijn wij, lieve mensen, als we de geboden van God vervullen, in de eensgezindheid die voortkomt uit de liefde, opdat onze zonden worden vergeven omdat we veel liefhebben.
H. Johannes Chrysostomos (ca 345-407), priester te Antiochië daarna bisschop van Constantinopel, Kerkleraar
Homilie over het verraad van Judas, 2, 6 ; PG 49, 390
“Hij heeft door beiden in één lichaam met God te verzoenen door het kruis, de vijandschap gedood“
Christus heeft zijn leven voor je gegeven en jij gaat door met een afkeer hebben van een dienaar zoals je zelf ook bent? Hoe kun je naar de tafel van vrede gaan? Jouw Meester heeft niet geaarzeld om alle lijden voor jou te doorstaan, en jij weigert zelfs om op te houden met je woede?… “Iemand heeft me ernstig beledigd, zeg je, hij was zo vaak onrechtvaardig tegen mij, hij heeft me zelfs met de dood bedreigd!” Wat is dat nou? Hij heeft je nog niet gekruisigd zoals de Heer door zijn vijanden gekruisigd is.
Als jij de schulden van je naaste niet vergeeft, dan zal jouw Vader in de hemel jouw schuld ook niet vergeven (Mt 6,15). Wat zegt je geweten als je deze woorden uitspreekt: “Onze Vader die in de hemel zijt, uw Naam worde geheiligd” en alles wat daarna volgt? Christus maakt geen onderscheid: Hij heeft zijn bloed vergoten voor hen die de Zijne vergoten hebben. Zou jij zoiets dergelijks kunnen doen? Als jij weigert om je vijand te vergeven, dan ben jij het die iemand schaadt, niet hij…; wat je doet is een straf voor jezelf voorbereiden op de Dag des Oordeels…
Luister naar wat de Heer zegt: “Als u dus uw offergave brengt naar het altaar, en u daar herinnert, dat uw broeder iets tegen u heeft, laat dan uw offer voor het altaar, en ga u eerst met uw broeder verzoenen; kom dan terug, en draag uw offer op”… Want de Mensenzoon is in de wereld gekomen om de mensheid te verzoenen met zijn Vader. Of zoals Paulus het zegt: “Nu heeft God u met zich verzoend in Christus’ sterfelijk lichaam” (Kol 1,22); “en beiden in één lichaam met God verzoend door het kruis” (Ef 2,16).
Sint Afraat ( ?- rond 345), monnik en bisschop nabij Mossoel
Overwegingen 3, over het vasten
“Is dit niet het vasten dat Ik verkies: de boeien der onrechtvaardigheid los te maken?” (Jes 58,6)
De Ninevieten hebben gevast op een zuivere wijze toen Jonas hun de bekering predikte… Zo staat het geschreven: “En God zag wat zij deden; Hij zag dat zij terugkwamen van hun slechte wegen. En God kwam terug op wat hij gedreigd had hun aan te doen. Hij bracht het niet ten uitvoer” (Jon 3,10). Men zegt niet: “Hij zag dat ze vastten op water en brood, in zak en as”, maar: “Dat ze terugkomen van hun slechte wegen en slechte daden”. Want de koning van Ninive sprak en zei: “Laat iedereen anders gaan leven en breken met het onrecht dat hij doet” (v.8). Het was een zuiver vasten en het werd aanvaard…
Want mijn vrienden, als men vast, is het beste altijd de onthouding van slechtheid. Dit is beter dan vasten met brood en water, beter dan “dat iemand het hoofd buigt als een riet en zich met een rouwkleed neerlegt in het stof?”, zoals Jesaja zegt (58,5). Wanneer de mens immers gaat leven op water en brood of welke voeding dan ook, wanneer hij zich bedekt met zak en as en zich neerbuigt, dan is hij geliefd en mooi in de ogen van God en aanvaard. Maar wat God het meest behaagt is : “Het losmaken van de boeien der onrechtvaardigheid en breken met de banden van het bedrog” (Jes 58,6). Opdat dan voor deze mens “zijn licht doorbreekt als de dageraad. Zijn gerechtigheid gaat voor hem uit. Hij zal zijn als een goed bevloeide tuin, als een bron waarvan het water nooit opdroogt” (v.8-11). Hij zal niet meer op de schijnheiligen lijken “want zij zetten dan een somber gezicht, zij doen dat om iedereen te laten zien dat ze aan het vasten zijn (Mt 6,16).
De Heer wordt overgeleverd aan hen die Hem haten. Om zijn koninklijke waardigheid te beledigen, verplicht men Hem om zelf het instrument van zijn foltering te dragen. Zo vervulde het orakel van de profeet Jesaja zich: “De heerschappij rust op zijn schouders”(Jes 9,5). Door zo het houten kruis op zich te nemen, was dat hout wat Hij om ging vormen tot scepter van zijn kracht, in de ogen van de ongelovigen een onderwerp van spot, maar voor de gelovigen een verbazingwekkend mysterie. De glorieuze overwinnaar van de duivel, de machtige tegenstander van de kwade krachten, toonde op zijn schouders, met een onoverwinnelijk geduld, de trofee van zijn overwinning, het teken van heil, om door alle volken bewonderd te worden. En over wat Hij door dit gebaar toont, zou men kunnen zeggen, dat Hij allen die Hem na zullen volgen, wilde bekrachtigen, allen tot wie Hij zegt: “Degene die zijn kruis niet opneemt en Me navolgt, is Mij niet waardig” (Mt 10,38).
Aangezien het volk met Jezus naar de folterplaats ging, zal men een zekere Simon van Cyrene ontmoeten, en men zal het kruishout van de schouders van de Heer op zijn schouders leggen. Dat gebaar was een voorafbeelding van het geloof van de naties, voor wie het kruis van Christus, niet een beproeving, maar een glorie moest worden.