St.Augustinus: Geloof is geloven in wat je niet ziet….

“Geloof is geloven in wat je niet ziet.

 De beloning van geloof is het zien van wat je

gelooft.”

************

Korte verklaring:

Geloof is geloven in wat je niet ziet.

De beloning van geloof is het zien van wat je gelooft.”

— komt uit een religieuze en filosofische context, en wordt vaak toegeschreven aan Augustinus van Hippo, een invloedrijke kerkvader uit de vierde eeuw.

Context van de korte tekst:

Theologische betekenis:

Augustinus benadrukt hier het belang van geloof als een innerlijke overtuiging die voorafgaat aan bewijs of zichtbare bevestiging.

 In het christendom is geloof vaak het fundament waarop men vertrouwt op Gods aanwezigheid en beloften, zelfs als die niet direct zichtbaar zijn.

Spirituele beloning:

De tweede zin — “De beloning van geloof is het zien van wat je gelooft” — verwijst naar het idee dat wie gelooft, uiteindelijk de waarheid of realiteit van dat geloof zal ervaren.

Dit kan slaan op spirituele inzichten, goddelijke openbaring, of zelfs het eeuwige leven.

Augustinus’ visie:

Hij zag geloof als een noodzakelijke stap vóór begrip.

Zijn beroemde uitspraak “Geloof om te begrijpen” (Latijn: crede ut intellegas) sluit hier mooi bij aan.

 Voor Augustinus was geloof geen blind vertrouwen, maar een pad naar diepere kennis en waarheid.

—————

 

 

Fragment uit de ‘Belijdenissen van Augustinus'(12.11 – 12.14)……

12.11 : Gesprek van Augustinus met zijn moeder over het Koninkrijk van de Hemelen, en het ontslapen van Augustinus’moeder, de Heilige Monica.

Fragment uit de ‘Belijdenissen’ van Augustinus

Toen nu de dag aanstaande was, waarop zij uit dit leven zou scheiden, – welke dag U bekend was, maar ons niet – was het door U, naar ik geloof, in Uw verborgen wijze van handelen, zo beschikt, dat wij samen, zij en ik, geleund stonden aan een venster, vanwaar men uitzicht had op de binnentuin van het huis, waarin wij vertoefden, daar, te Ostia aan de Tiber, waar wij, ver van het gewoel van de wereld, na de inspanning van een lange reis, krachten verzamelden tot de zeereis. Wij spraken dan samen zeer liefelijk en vergetende hetgeen achter was en strekkende ons tot hetgeen voor was, vroegen wij elkaar in de tegenwoordigheid van U, die de Waarheid bent, hoe het eeuwige leven van de heiligen zou zijn, hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen. En wij smachtten met de mond van ons hart naar de wateren van boven uit Uw bron, de bron van het leven, die bij U is, opdat wij, door die wateren besprenkeld, naar de mate van ons begrip, zo goed we dat konden, over een zo verheven onderwerp konden nadenken.  

Toen nu ons gesprek zo ver gekomen was, dat het ons toescheen, dat geen enkele genieting van de vleselijke zinnen, hoe groot die ook ware en in hoe helder aards licht die ook schitterde, waardig was om vergeleken te worden met de heerlijkheid van dat leven, ja zelfs ook maar genoemd te worden, verhieven wij ons hart in klimmende vervoering tot het Zijnde zelf en doorliepen trapsgewijs alle lichamelijke dingen en de hemel zelf, vanwaar de zon en de maan en de sterren lichten over de aarde. En wij stegen nog hoger, in ons hart overdenkend en besprekend en bewonderend Uw werken en zo kwamen wij tot onze zielen en stegen ook daar boven uit, om het land van de onuitputtelijke vruchtbaarheid te bereiken, waar U Israël weidt tot in eeuwigheid met het voedsel van de waarheid en waar het leven de wijsheid is, door welke dat alles wordt, zowel wat geweest is als wat zijn zal, maar zij zelf wordt niet, maar is zo, als zij geweest is, en zal altijd zo zijn. Ja veeleer: in haar is niet een geweest-zijn en een zuilen-zijn, maar alleen het zijn, daar ze eeuwig is: want geweest-zijn en zullen-zijn is niet eeuwig. En terwijl we over haar spraken en naar haar smachtten, raakten wij haar min of meer aan met de gehele beweging van ons hart; en wij hijgden en wij lieten daar gebonden de eerstelingen van de Geest en keerden terug tot de klank van onze mond, waar het woord een begin en een eind heeft. Maar wat is gelijk aan Uw Woord, onze Heere, dat in zich blijft zonder te verouderen en dat alles nieuw maakt?  

Wij dan spraken aldus: Indien in iemand zwijgt de onrust van het vlees, indien zwijgen de gedachten aan de aarde en de wateren en de lucht, indien zwijgt het uitspansel en de ziel zelf zwijgt en, niet aan zichzelf denkend, boven zichzelf zich verheft, en de dromen en de openbaringen van de verbeelding zwijgen en elke tong en elk teken en al wat voorbijgaand van aard is, indien dat voor iemand geheel zwijgt – want indien iemand het horen kon, zouden al deze dingen zeggen: niet wijzelf hebben ons gemaakt, maar Hij heeft ons gemaakt, die blijft in eeuwigheid – indien zij, na dit gezegd te hebben, weer zwegen, omdat zij hun oor gericht houden op Hem, die hen gemaakt heeft, en indien Hij zelf alleen sprak niet door hen, maar door Zichzelf, zodat wij zijn Woord zouden horen niet door de tong van het vlees noch door de stem van een engel, noch door de klank van een wolk noch door de raadselen van een gelijkenis, maar wij Hemzelf zouden horen, wie wij in al deze dingen beminnen, wanneer wij Hemzelf zonder dat alles zouden horen, zoals wij nu onszelf uitstrekken en in snelle gedachte aanraken de eeuwige wijsheid, die boven alles stand houdt; indien dit dan blijvend was en het andere schouwen, dat van zo geheel anderen aard is, verdween en alleen dit een zijn beschouwer meevoerde en in zich opnam en verborg tot innerlijke vreugde, zodat het eeuwige leven zo was, als dit ogenblik van begrijpen, waarnaar wij hijgden, geweest is – zou dat dan niet zijn: “Ga in, in de vreugde van uw Heer?” En wanneer zal dat zijn? Zal het zijn wanneer wij allen opstaan, maar niet allen veranderd zullen worden?  

Dergelijke dingen zei ik, zij het dan niet op die manier en met die woorden: maar toch, Heere, U weet, dat op die dag, toen wij dergelijke dingen met elkaar spraken en onder onze woorden de wereld met al haar bekoringen voor ons haar waarde geheel verloor, zij toen zei: “Mijn zoon, wat mij aangaat, niets in dit leven bekoort mij nog. Wat ik hier nog moet doen en waarom ik hier ben, weet ik niet, want van deze wereld verwacht ik niets meer. Eén ding was er, waarom ik nog een weinig in dit leven wenste te blijven, namelijk, dat ik u mocht zien als een katholiek Christen voor mijn sterven. Meer dan mijn verlangen heeft God mij geschonken, zodat ik zelfs mag zien, dat U met verachting van aards geluk zijn dienaar bent. Wat doe ik nog hier?”   

12.12 Het ziekbed en het sterven van Monica.  

Wat ik haar hierop geantwoord heb, weet ik me niet meer voldoende te herinneren; maar onmiddellijk daarna, ongeveer vijf dagen of iets meer, legde zij zich in koortsen te bed. En toen ze daar ziek lag, overviel haar op zekeren dag een bewusteloosheid en was zij korten tijd buiten kennis. Wij liepen toe, maar spoedig kwam ze weer bij en zag ons bij haar staan, mijn broer en mij, en zei tot ons, zoals iemand spreekt, die iets vraagt: “Waar was ik?” En toen zij zag, dat wij door droefheid overweldigd waren, zei zij: “Gij begraaft uw moeder hier.” Ik zweeg en onderdrukte mijn tranen. Maar mijn broeder zei iets van die aard, dat hij wenste en het voor gelukkiger zou houden, wanneer zij niet in de vreemde, maar in haar vaderland zou sterven. En toen zij dat hoorde, zag zij hem met angstig gelaat en verwijtende blik aan, omdat hij dergelijke dingen dacht, en daarop mij aanziende zei zij: “Hoor toch eens, wat hij zegt.” En daarop zei ze tot ons beiden: “Begraaft dit lichaam, waar gij wilt: maakt u daarover niet de minste zorg; slechts dit vraag ik van u, dat U van mij gedenkt voor het altaar van de Heer, waar U ook zult zijn.” En toen ze deze zin had uitgesproken, zo goed en kwaad ze dat nog in woorden kon, zweeg zij en kreeg een aanval van de ziekte, die steeds heviger werd.  

Maar ik overdacht Uw gaven, o onzichtbare God, die U legt in de harten van Uw gelovigen, en waaruit wonderbare vruchten voortkomen, en ik verheugde mij en dankte U, daar ik mij herinnerde, wat ik wist, namelijk met hoeveel zorg en onrust zij altijd vervuld geweest was over haar graf, waarvoor zij gezorgd had en dat zij had laten aanleggen naast het lichaam van haar man. Want daar zij in zo grote eendracht geleefd hadden, wilde zij ook – zo weinig is de menselijke geest geschikt het Goddelijke te vatten – dat aan dat geluk zou worden toegevoegd en door de mensen worden vermeld dit, dat het haar vergund was na de lange zeereis, dat het stoffelijk overschot van de beide echtgenoten door dezelfde aarde bedekt werd. Wanneer echter deze zinledige wens door de volheid Uwer goedheid uit haar hart was geweken, wist ik niet, en vol bewondering verheugde ik me er over, dat ze zich nu zo aan mij had geopenbaard, ofschoon ook al uit ons gesprek aan het venster, toen ze zei: “Wat doe ik hier nog?” mij niet gebleken was, dat ze verlangde in haar vaderland te sterven. Later hoorde ik ook, dat ze, toen we reeds te Ostia waren, met enige van mij vrienden op zekeren dag in moederlijke vertrouwelijkheid een gesprek hield over de verachting hiervan levens en het goede van de dood en dat ze toen, terwijl ik zelf er niet bij was, en zij verbaasd waren over de deugdzaamheid van de vrouw – want U had haar die verleend – en haar vroegen of zij niet bang was haar lichaam zo ver van haar vaderland achter te laten, zei: “Niets is ver van God, en ik behoef niet te vrezen, dat Hij in het einde van de eeuwen de plaats niet zou kennen, waar Hij mij zal opwekken.” Zo is dan op de negenden dag van haar ziekte, in het zesenvijftigste jaar van haar leven, in het drieëndertigste jaar van mijn leven, die godvruchtige en vrome ziel van het lichaam bevrijd.   

12.13 Augustinus’ rouw en de begrafenis van zijn moeder.   

Ik drukte haar de ogen toe en geweldige droefheid stroomde samen in mijn binnenste en vloeide over in tranen en onmiddellijk daarop drongen op krachtig bevel van mijn geest mijn ogen het stromen van de tranenbron terug, zodat ze droog werden, maar in die worsteling was het mij droef te moe. Toen zij de laatste adem uitgeblazen had, barstte de jonge Adeodatus in geween uit, maar werd, door ons allen bedwongen, stil. Op die manier werd ook die kinderlijke aandoening van mij, die zich uitte in tranen, door de mannelijke stem mijns harten, bedwongen en zweeg. Want wij achtten het niet passend dit overlijden met tranenrijke klachten en zuchten te vieren, omdat men daarmee het ongelukkige lot van de stervenden of hun als het ware algehele vernietiging pleegt te bewenen. Maar zij stierf niet ongelukkig en stierf in het geheel niet. Hieraan hielden wij vast op grond van haar leven en haar ongeveinsd geloof en haar vaste beginselen.  

Wat was het dan, dat in mijn binnenste zo diep treurde, anders dan de wonde, die vers geslagen was, doordat het gewend zijn aan het liefelijke en dierbare samenleven zo plotseling was afgebroken? Wel was ik dankbaar voor wat ze getuigde, toen ze in haar laatste ziekte, terwijl ik haar hielp, zo vol liefde mij haar lieve goede zoon noemde en in grote tederheid vermeldde, dat zij nimmer uit mijn mond een hard woord of een smadelijke klank jegens haar gehoord had. Maar toch, mijn God, die ons gemaakt hebt, wat was de eerbied, die ik haar bewees, vergeleken bij haar diensten jegens mij? Daar ik dus verstoken was van haar zo grote vertroosting, was mijn ziel gewond en mijn leven, dat met het haar een was geworden, als het ware verscheurd.  

Toen we dan de knaap met wenen hadden doen ophouden, nam Evodius het psalmboek en begon een psalm te zingen. En wij antwoordden daarop met allen die in huis waren: “Ik zal van goedertierenheid en recht U psalmzingen, o Heere”. Toen ze hoorden, wat er gebeurde, kwamen vele broederen en godvruchtige vrouwen samen, en terwijl volgens de gewoonte zij, van wie ambt dat was, voor de begrafenis zorgden, hield ik op een afzonderlijke plaats, waar dat passend kon, met hen, die oordeelden, dat ze mij niet alleen mochten laten, een gesprek over een onderwerp, dat paste bij de omstandigheden, en zo verzachtte ik door de balsem van de waarheid mijn pijn, die U bekend was, maar waarvan zij niets wisten, terwijl ze aandachtig toeluisterden en meenden, dat ik vrij was van gevoel van smart. Maar voor Uw oren, waar niemand van hen het hoorde, verweet ik mij de weekheid van mijn gevoel en drong de stroom van mij droefheid terug, en hij week een weinig voor me: maar dan brak hij zich opnieuw met kracht baan, wel niet zover, dat ik in tranen uitbarstte of mijn gelaat veranderde, maar ik wist wel, wat ik in mijn hart te onderdrukken had. En omdat het mij ernstig mishaagde, dat zoiets menselijks, dat toch naar de gestelde orde en naar onze staat noodzakelijk komt, zo de overhand over mij had, had ik ook nog smart over mijn smart en werd ik door dubbele droefheid gekweld.  

Toen, zie, het lijk werd uitgedragen, gingen en keerden wij terug zonder tranen. Want ook bij de gebeden, die wij voor Gij Uitstortten, toen voor haar het offer van onze losprijs werd gebracht, terwijl het lijk reeds naast het graf geplaatst was, voordat het erin gelegd werd, zoals daar pleegt te geschieden, ook bij die gebeden heb ik niet geweend, maar de gehele dag was ik in het verborgen diep bedroefd en in de verwarring van mijn geest vroeg ik U, zo goed ik kon, dat U mijn smart zou willen genezen, maar U deed het niet, – naar ik geloof, om in mijn geheugen in te prenten door dit een voorbeeld, hoe de kluister van iedere gewoonte zelfs tegen een geest, die zich niet meer voedt met bedrieglijke woorden, gekeerd is. Ook besloot ik een bad te nemen; omdat ik gehoord had, dat het Griekse woord voor bad, (waarvan het Latijnse is afgeleid) aanduidde, dat het de onrust uit het gemoed wegneemt. Zie, ook dat belijd ik aan Uw barmhartigheid, Vader van de wezen, dat ik mij baadde en dezelfde bleef, die ik voordien geweest was. Immers de bitterheid van de smart zweette mijn hart niet uit. Daarop legde ik mij te slapen en ik ontwaakte en vond mijn smart voor een niet gering deel verzacht en, terwijl ik op mijn bed alléén was, herinnerde ik mij de ware verzen van Uw dienaar Ambrosius:  

O God, U Schepper van ‘t heelal, 

Die ‘s hemels baan bestuurt, en kleedt 

De dag met ‘t schitterende zonnelicht, 

De nacht met zoete sluimering, 

Opdat de rust de leden sterkt ,

en weer in staat stelt tot het werk, en de vermoeiden geest verkwikt,  Bekommerden bevrijdt van zorg. 

En daarop kwam ik langzamerhand weer terug op mijn vroegere gedachten over Uw dienstmaagd en haar levenswandel, die vroom was tegenover U en zo vol heilige vriendelijkheid en welwillendheid tegenover ons, waarvan ik zo plotseling beroofd was, en ik begeerde te wenen voor Uw aangezicht over haar en voor haar, over mij en voor mij. En ik liet de tranen, die ik ingehouden had, de vrije loop, ze als een bed spreidend onder mijn hart: en het rustte uit in hen, want daar waren Uw oren, en niet die van een mens, die mijn geween hoogmoedig zou hebben uitgelegd. En nu, Heere, belijd ik het U in het geschreven woord. Leze dat wie wil en laat hij het uitleggen, zoals hij wil, en als hij bevindt, dat het zonde was, dat ik een klein deel van een uur weende om mijn moeder, mijn moeder, die nu voor mijn ogen dood was, maar die vele jaren om mij geweend had, opdat ik voor Uw ogen zou leven, laat hij mij dan niet uitlachen, maar veeleer, wanneer zijn liefde groot is, zelf voor mijn zonden wenen tot U, Vader van alle broederen van Uw Christus.  

12.14 Hij bidt voor zijn gestorven moeder.  

Nu echter, nu mijn hart genezen is van die wonde, om welke men het van vleselijke aandoeningen had kunnen beschuldigen, vergiet ik voor U, o onze God, voor Uw dienstmaagd tranen van geheel anderen aard, die stromen uit een geest, die geschokt is door de overweging van de gevaren van iedere ziel, die in Adam sterft. Ofschoon zij, levend gemaakt in Christus, ook toen zij nog niet van vlees ontbonden was, zo leefde, dat Uw naam geprezen wordt in haar geloof en haar wandel, durf ik toch niet te zeggen, dat, sedert U haar door de doop hebt wedergeboren, geen enkel woord uit haar mond gegaan is tegen Uw gebod. En er is gezegd door de Waarheid, Uw Zoon: “Wie tot zijn broeder zegt: U dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur; en wee het leven van de mensen, ook al is dat prijzenswaardig, indien U het met terzijdestelling Uwer barmhartigheid zou onderzoeken. Maar omdat U onze misdrijven niet met gestrengheid onderzoekt, hopen wij vol vertrouwen een plaats bij U te vinden. Wie echter U zijn werkelijke verdiensten opsomt, wat somt hij U anders op dan Uw gaven? O leerden toch de mensen zichzelf kennen als mensen, en: die roemt, roemt in de Heere.  

Terwijl ik dus, o mijn Lof en mijn Leven, God mijns harten, voor een ogenblik haar goede daden, voor welke ik U vol vreugde dank, ter zijde laat, bid ik U nu voor de zonden van mij moeder: hoor mij door de Medicijn van onze wonden, die aan het hout hing en zittend aan Uw rechterhand U voor ons bidt. Ik weet, dat zij barmhartigheid geoefend heeft en van harte haar schuldenaren hun schulden vergeven heeft: vergeef ook U haar, haar zonden, die zij gedurende zoveel jaren na het ontvangen van het water van het heil wellicht begaan heeft. Vergeef, Heere, vergeef, smeek ik U; ga niet in het gericht met haar. Moge de barmhartigheid roemen tegen het oordeel; want Uw uitspraken zijn waar en U hebt de barmhartige barmhartigheid beloofd. Dat zij dat zijn, hebt U hun geschonken, Gij, die U zult ontfermen, diens Gij U ontfermt en barmhartig zijn, wie U barmhartig bent.  

En ik geloof, dat U reeds gedaan hebt, wat ik U bid, maar laat U toch, o Heer, welgevallen de vrijwillige offeranden van mijn mond. Want toen de dag van haar ontbinding nabij was, was haar geest niet vervuld met de gedachte aan een kostbare begrafenis of de balseming van haar lijk met specerijen en ook begeerde zij niet een uitgezocht gedenkteken of zorgde zij er voor, dat ze in haar vaderland begraven zou worden: niets van dat alles droeg zij ons op, maar alleen wenste zij, dat van haar gedacht zou worden voor Uw altaar, dat zij geen enkelen dag nagelaten had te dienen, want zij wist, dat vandaar het heilige offer uitgedeeld wordt, waardoor het handschrift uitgewist is, dat tegen ons was, waardoor onze vijand overwonnen is, die onze misdrijven optelde en zocht, wat hij ons voor de voeten zou kunnen werpen, maar die niets vond in Hem, in wie wij overwinnen. Wie zal Hem zijn onschuldig bloed teruggeven? Wie zal Hem de prijs terugbetalen, waarvoor Hij ons gekocht heeft, om ons aan hem te ontrukken? En aan het sacrament van die losprijs van ons had Uw dienstmaagd haar ziel gebonden met de band van het geloof. Niemand scheurt haar los van Uw bescherming. Leeuw en draak mogen zich noch met geweld noch met list daartussen stellen: immers zij zal niet antwoorden, dat zij geen schuld heeft, opdat ze niet overtuigd worde en in de macht komt van de sluwe aanklager, maar zij zal antwoorden, dat haar schulden kwijtgescholden zijn door Hem, aan wie niemand teruggeeft, wat Hij voor ons betaald heeft, hoewel Hij niets schuldig was.  

Ruste zij dus in vrede met haar man, vóór wie en na wie zij met niemand gehuwd geweest is, die zij diende, U vrucht voortbrengende met lijdzaamheid, opdat zij ook hem zou winnen voor U. En leg het in het hart, mijn Heer en mijn God, leg het in het hart van Uw dienaren, mijn broeders, Uw zonen, mijn heer, die ik die met het hart en met de stem en met mijn geschriften, dat allen die dit lezen, voor Uw altaar gedenken Monica, Uw dienstmaagd, met Patricius, die eens haar man was, door wie U mij dit leven binnen gebracht hebt; hoe, weet ik niet. Mogen zij in vroomheid gedenken hen, die in dit voorbijgaande licht mijn ouders waren en die mijn broederen zijn onder U als Vader en in de kerk als moeder, en mijn medeburgers in het eeuwige Jeruzalem, waarnaar de vreemdelingschap van Uw volk hijgt van de uitgang tot de terugkeer, opdat, wat zij van mij verzocht als haar laatste bede, haar in veler gebeden overvloediger worde verleend door deze mijn belijdenissen dan door mijn gebeden. 

Bron : Augustinus Confessiones

Hst.12.11-12.14

Uit Latijn vertaald door Dr.A. SIZOO

St.Augustinus: Geloof is geloven wat je niet ziet….

“Geloof is geloven in wat je niet ziet.

 De beloning van geloof is het zien van wat je

gelooft.”

Augustinus.

++++++++++++

Korte verklaring:

Geloof is geloven in wat je niet ziet.

De beloning van geloof is het zien van wat je gelooft.”

— komt uit een religieuze en filosofische context, en wordt vaak toegeschreven aan Augustinus van Hippo,

een invloedrijke kerkvader uit de vierde eeuw.

Context van de korte tekst:

Theologische betekenis:

Augustinus benadrukt hier het belang van geloof als een innerlijke overtuiging die voorafgaat aan bewijs of zichtbare bevestiging.

 In het christendom is geloof vaak het fundament waarop men vertrouwt op Gods aanwezigheid en beloften, zelfs als die niet direct zichtbaar zijn.

Spirituele beloning:

De tweede zin — “De beloning van geloof is het zien van wat je gelooft” — verwijst naar het idee dat wie gelooft, uiteindelijk de waarheid of realiteit van dat geloof zal ervaren.

Dit kan slaan op spirituele inzichten, goddelijke openbaring, of zelfs het eeuwige leven.

Augustinus’ visie:

Hij zag geloof als een noodzakelijke stap vóór begrip.

Zijn beroemde uitspraak “Geloof om te begrijpen” (Latijn: crede ut intellegas) sluit hier mooi bij aan.

 Voor Augustinus was geloof geen blind vertrouwen, maar een pad naar diepere kennis en waarheid.

————–

St. Augustinus: De belijdenis van slechte daden is het eerste begin van goede daden……

“De belijdenis van slechte daden is het eerste begin van goede daden. Je doet de waarheid en komt tot het licht.”

St.Augustinus.

++++++++++++

Deze uitspraak wordt toegeschreven aan Sint-Augustinus (354–430), een kerkvader en kerkleraar.

De afbeelding waar je naar verwijst komt van een pagina met citaten van Sint-Augustinus over lijden. Hier is een toelichting op de inhoud en betekenis van de citaten die op die pagina staan:

 Thema: Lijden volgens Sint-Augustinus

Sint-Augustinus beschouwde lijden niet als iets zinloos of puur negatief, maar als een middel tot geestelijke groei en verlossing. Enkele kernideeën uit de citaten:

Lijden als genezing:

Lijden als deel van het leven van Christus,

Lijden als oefening in geduld en vergeving,

Lijden als transformatie

Liefde en lijden

 Sint-Augustinus’ visie op lijden wijkt op opvallende manieren af van andere filosofen — zowel klassieke als christelijke denkers. Hier is een overzicht van de belangrijkste verschillen:

Augustinus’ kijk op lijden:

Lijden als genezing en genade Augustinus zag lijden niet als straf, maar als een medicijn voor de ziel. God is als een arts die lijden toelaat om mensen te zuiveren en dichter tot Hem te brengen.

Lijden als deel van de christelijke weg Hij benadrukte dat zelfs Jezus leed, en dat niemand zonder lijden door het leven gaat — het is een noodzakelijk onderdeel van spirituele groei.

Lijden als oefening in liefde en geduld Lijden biedt de kans om vergeving, geduld en naastenliefde te beoefenen. Het is een test van innerlijke transformatie.

 

Vergelijking met andere filosofen:

Filosoof: Visie op lijden – Verschil met Augustinus:

Boeddha: Lijden is inherent aan het leven (dukkha); moet worden overwonnen via het Achtvoudige Pad. Augustinus omarmt lijden als heilzaam, Boeddha wil het beëindigen

Epictetus (Stoa): Lijden komt door verkeerde oordelen; leer je emoties beheersen. Stoïcijnen willen lijden rationeel neutraliseren, Augustinus ziet het als spiritueel waardevol

Nietzsche: Lijden is noodzakelijk voor zelfverheffing en kracht (“amor fati”). Nietzsche verheerlijkt lijden als kracht, Augustinus als genade

Plato: Lijden komt door onwetendheid en afstand tot het Ware. Augustinus neemt Plato’s idee over, maar voegt er christelijke genade aan toe

Kierkegaard: Lijden is existentieel en hoort bij geloof en innerlijke strijd. Dicht bij Augustinus, maar meer gericht op individuele angst en paradox

Samenvatting:

Augustinus’ visie is theologisch en therapeutisch:

 lijden is een middel tot verlossing, niet iets om koste wat kost te vermijden.

Waar andere filosofen lijden willen begrijpen, beheersen of overstijgen, ziet Augustinus het

 als een goddelijke uitnodiging tot transformatie.

++++++++++++++++

Hoe kan Augustinus’ visie op lijden ons heden beïnvloeden?

Augustinus’ visie op lijden kan verrassend relevant zijn voor ons moderne leven — juist omdat hij lijden niet ziet als iets zinloos, maar als een spirituele kans. Hier zijn enkele manieren waarop zijn ideeën ons vandaag kunnen beïnvloeden:

2. Lijden als innerlijke groei:

Augustinus stelt dat lijden ons helpt om onszelf te transformeren. In een tijd waarin we vaak streven naar comfort en succes, herinnert hij ons eraan dat moeilijkheden ons karakter vormen. Zijn oproep om “onze zonden te bestrijden en onszelf te verbeteren” kan ons aanzetten tot zelfreflectie en persoonlijke ontwikkeling.

2. Lijden als oefening in geduld en vergeving:

In een wereld vol conflicten en sociale spanningen zegt Augustinus: “Als je lijdt door de onrechtvaardigheid van een slecht mens, vergeef hem, opdat er geen twee slechte mensen zijn.”Dit daagt ons uit om niet te reageren met wrok, maar met vergeving — een houding die in relaties, politiek en sociale media zelden voorkomt maar des te krachtiger is.

3. Liefde maakt lijden draaglijk

Augustinus schrijft:

“Wie liefheeft, doet alles zonder lijden, of — als hij lijdt — houdt van zijn lijden.” In onze tijd van burn-outs en mentale druk kan deze gedachte helpen om zin te vinden in zorg, werk en relaties. Liefde geeft betekenis aan inspanning, zelfs als die pijn doet.

4. Lijden als genezing, niet als straf:

Hij noemt God een arts en lijden een medicijn. Dat is een radicaal ander perspectief dan het idee dat lijden vermeden moet worden. Het nodigt uit tot acceptatie en vertrouwen, vooral in periodes van ziekte, verlies of onzekerheid.

5. Lijden als onderdeel van verandering:

Augustinus zegt dat wie zichzelf wil verbeteren, ook de beproevingen moet verdragen die daarmee gepaard gaan. In een tijd waarin we snel resultaat willen, herinnert hij ons eraan dat echte verandering tijd en pijn kost.

+++++++++++

“O God, red mij door Uw Naam en door Uw macht verlos mij.” – Psalm 53:3

 “Als iemand dorst heeft, laat hij

tot Mij komen en drinken.

Wie in Mij gelooft,

zoals de Schrift zegt:

‘Uit Hem

zullen stromen van levend water stromen.”

Johannes 7:37-38

St.Augustinus van Hippo: Laat niemand zeggen: “Waarom zou ik naar de kerk gaan?….

Er is een mooie reflectie van Sint-Augustinus die luidt:

Laat niemand zeggen: “Waarom zou ik naar de kerk gaan? Kijk naar degenen die elke dag gaan, ze oefenen niet wat ze horen.” Maar ze doen iets: luisteren, en op een dag zullen ze beide dingen kunnen doen: luisteren en oefenen. En jij, hoe ga je oefenen als je wegloopt van luisteren?

— Sint-Augustinus van Hippo

++++++++++

De tekst van Sint-Augustinus past binnen zijn bredere visie op bekering, volharding en de rol van de kerk als leerplaats.

 Hier is wat context om het beter te begrijpen:

De spirituele achtergrond van de tekst:

Sint-Augustinus (354–430) was een kerkvader die veel schreef over de menselijke zwakheid, genade, en de noodzaak van voortdurende groei in geloof. In deze reflectie:

Luisteren staat symbool voor openheid en bereidheid om te leren, zelfs als men nog niet handelt naar wat men hoort.

Oefenen verwijst naar het in praktijk brengen van het geloof en de morele lessen.

Hij verdedigt de waarde van aanwezigheid in de kerk, zelfs als mensen nog niet perfect leven volgens de leer.

De boodschap in context:

Deze tekst is waarschijnlijk bedoeld als antwoord op kritiek van mensen die zeggen:

“Waarom zou ik naar de kerk gaan als de mensen daar zelf niet goed leven?”

Augustinus zegt dan:

Het luisteren is al een eerste stap.

Verandering kost tijd, en mensen groeien langzaam in geloof en gedrag.

Wie niet luistert, sluit zich af van die mogelijkheid tot groei.

Theologisch perspectief:

Dit sluit aan bij Augustinus’ visie dat:

Genade geleidelijk  werkt.

De kerk  een plek is voor zondaars, niet alleen voor heiligen.

Volharding in het geloof is essentieel, ook als je nog niet alles begrijpt of toepast.

www.filosofie.nl

www.filosofie-blog.nl

————-

St.Augustinus: Als je lijdt onder het onrecht van een slecht mens, vergeef hem—opdat er niet twee slechte mensen zijn…..

“Als je lijdt onder het onrecht van een slecht mens, vergeef hem—opdat er niet twee slechte mensen zijn.”

— Augustinus.

+++++++++++

Achtergrond van de tekst van Augustinus:

“Als je lijdt onder het onrecht van een slecht mens, vergeef hem—opdat er niet twee slechte mensen zijn.”

Deze tekst is afkomstig uit het werk Enchiridion (Hoofdstuk 27), geschreven rond het jaar 420 door Sint Augustinus van Hippo, een invloedrijke kerkvader en filosoof.

Wat betekent deze tekst?

Morele reflectie:

Augustinus benadrukt dat wraak of haat als reactie op onrecht ons zelf tot slechte mensen kan maken.

Christelijke ethiek:

Vergeving is een centrale waarde in het christendom. Door te vergeven, blijven we trouw aan het goede en laten we het kwaad niet in onszelf wortelen.

Spirituele wijsheid:

Augustinus stelt dat God het beter vond om goed voort te brengen uit kwaad dan om helemaal geen kwaad te laten bestaan. Dit idee onderstreept het belang van vergeving als een manier om het kwaad te overstijgen

————-

St. Augustinus: Geef mij uzelf, o mijn God, geef uzelf aan mij….

Geef mij uzelf, o mijn God, geef

uzelf aan mij. Zie, ik hou van je,

en als mijn liefde te zwak is, geef mij dan de kans

om heel veel van je te houden…. Al de overvloed in de wereld die niet mijn God is, is

puur gebrek. Amen.

 

Augustinus van Hippo (Catholics striving for holiness)

+++++++++++++

“Geef jezelf aan mij. Zie, ik houd van je, en als mijn liefde te zwak is, schenk mij dan de kracht om sterker van je te houden… Ik verlang naar jou in mijn diepste wezen. Alle overvloed in de wereld die niet mijn God is, is pure leegte. Amen.” — is een spirituele uiting van overgave, verlangen en liefde voor God. Hier is een uitleg van de betekenis:

Spirituele betekenis van de tekst:

Volledige overgave aan God De spreker vraagt God om zichzelf volledig te mogen geven. Het is een gebed van toewijding, waarin de ziel zich openstelt voor Gods liefde en leiding.

Liefde als krachtbron De erkenning dat menselijke liefde soms tekortschiet, maar dat God de kracht kan geven om die liefde te verdiepen. Het is een nederige vraag om versterking van het vermogen om lief te hebben.

Diep innerlijk verlangen “Ik verlang naar jou in mijn diepste wezen” drukt een existentiële honger uit — een dorst naar God die niet oppervlakkig is, maar geworteld in het hart van de mens.

Verwerping van wereldse overvloed De zin “Alle overvloed in de wereld die niet mijn God is, is pure leegte” benadrukt dat materiële rijkdom of wereldse genoegens zonder God betekenisloos zijn. Het is een echo van Augustinus’ gedachte dat alleen God ware vervulling biedt.

Theologische achtergrond:

Deze tekst sluit aan bij de spiritualiteit van Sint Augustinus van Hippo, die in zijn Confessiones schreef:

“U hebt ons voor uzelf gemaakt, en ons hart is rusteloos totdat het rust vindt in U.”

Augustinus zag het menselijke leven als een zoektocht naar God, waarbij alle aardse zaken uiteindelijk leeg zijn zonder de goddelijke aanwezigheid.

Persoonlijke toepassing:

Innerlijke rust zoeken bij God In plaats van te jagen op externe successen, nodigt deze tekst uit tot contemplatie en gebed.

Liefde als spirituele oefening Liefde wordt hier niet alleen als emotie gezien, maar als een daad van wil en genade — iets dat groeit door Gods hulp.

Bewust leven:

Het is een oproep om niet te leven voor oppervlakkige overvloed, maar voor datgene wat eeuwige waarde heeft.

————–

 

 

 

 

 

 

St.Augustinus: Laat heb ik u liefgekregen, schoonheid zo oud en zo nieuw, laat heb ik u liefgekregen!..

“Laat heb ik u liefgekregen, schoonheid zo oud en zo nieuw, laat heb ik u liefgekregen!

En u was binnen in mij, en ik buiten, en zo zocht ik u buiten mij;

en mismaakt als ik was, stortte ik mij op de dingen die u geschapen hebt.

__________

U was bij mij, maar ik was niet bij u. Die dingen hielden mij ver van u, terwijl ze, als ze niet in u waren, niet zouden bestaan.

__________

U riep mij en schreeuwde, en u brak mijn doofheid; u straalde en schitterde,

en u genas mijn blindheid;  u verspreidde uw geur, en ik ademde hem in,

 en nu verlang ik naar u; ik proefde u,  en nu heb ik honger en dorst naar u;

u raakte mij aan, en ik verlang hevig naar de vrede die van u komt.

— Sint Augustinus

___________

De tekst is een beroemd citaat van Sint Augustinus van Hippo, afkomstig uit zijn werk Confessiones (Belijdenissen), geschreven rond het jaar 397 na Christus. Hier is wat meer context:

Over de auteur: Sint Augustinus:

Leefde van 354 tot 430 na ChristusEen van de invloedrijkste kerkvaders in het christendom. Zijn werken hebben diepe invloed gehad op theologie, filosofie en spiritualiteit. Confessiones is zijn autobiografisch werk waarin hij zijn zondig verleden beschrijft en zijn bekering tot het christendom

Context van het citaat:

Het fragment komt uit Boek X van de Confessiones

Augustinus reflecteert op zijn late bekering tot God

Hij beschrijft hoe hij God buiten zichzelf zocht, in aardse dingen, terwijl God in zijn innerlijk aanwezig was

Het is een uiting van berouw, verwondering en liefde voor God

De tekst is doordrenkt met neoplatonische invloeden, waarin het innerlijke leven en de zoektocht naar het goddelijke centraal staan

Thema’s in het citaat:

Verlangen naar God:

Augustinus ervaart een diepe honger en dorst naar God nadat hij Hem heeft “geproefd”

Innerlijke transformatie:

 Zijn zintuigen worden als het ware geopend door Gods aanwezigheid

Berouw en dankbaarheid:

Hij betreurt dat hij God pas laat heeft liefgekregen, maar is dankbaar voor de genade

++++++++++++++

Diepere betekenis van het citaat:

  1. De paradox van afstand en nabijheid:

Augustinus zegt dat God in hem was, terwijl hij buiten zichzelf zocht. Dit drukt een fundamentele spirituele waarheid uit: we zoeken vaak vervulling in uiterlijke dingen—bezit, status, relaties—terwijl het goddelijke, het ware, al in ons aanwezig is. Het is een oproep tot innerlijke contemplatie.

“U was bij mij, maar ik was niet bij u.” → Hier klinkt het verdriet door van een mens die zich realiseert dat hij lange tijd blind is geweest voor de aanwezigheid van God in zijn eigen hart.

  1. De zintuiglijke bekering:

Augustinus gebruikt krachtige beelden van de vijf zintuigen:

Horen:

“U riep mij en schreeuwde”

Zien:

“U straalde en schitterde”

Ruiken:

“U verspreidde uw geur”

Proeven:

“Ik proefde u”

Voelen:

“U raakte mij aan”

Deze zintuiglijke taal maakt zijn bekering tastbaar. Het is alsof hij pas echt begint te leven wanneer hij God ervaart.

Zijn hele wezen wordt wakker.

  1. Verlangen als spirituele motor:

Na de ontmoeting met God ontstaat een intens verlangen:

“Nu heb ik honger en dorst naar u”

Dit is geen oppervlakkige wens, maar een existentiële dorst.

Augustinus beschrijft een liefde die alles overstijgt

—een verlangen naar een eeuwige, onveranderlijke bron van vrede.

  1. Berouw en genade:

De openingszin—“Laat heb ik u liefgekregen”—is doordrenkt van berouw.

Hij betreurt dat hij God pas laat heeft leren kennen.

Maar tegelijk klinkt er dankbaarheid: ondanks zijn omzwervingen heeft God hem niet verlaten.

Dit is een kernidee in Augustinus’ theologie:

Genade is altijd beschikbaar, zelfs voor wie lang dwaalt.

Spirituele les:

Augustinus’ woorden nodigen ons uit tot:

Zelfonderzoek:

Waar zoeken wij vervulling? Buiten onszelf of in ons innerlijk?

Openheid:

Durven we ons te laten raken door iets dat groter is dan ons verstand?

Vertrouwen:

Zelfs als we laat tot inzicht komen, is het nooit te laat voor transformatie

 

Enkele bronnen:

https://www.litcharts.com/lit/confessions/summary

https://nl.frwiki.wiki/wiki/Les_Confessions_%28Augustin_d’Hippone%29

https://theologie.katholiekelsloo.nl/index.php?title=Augustinus,_Confessiones

 

________

Augustinus: Waarom streven wij er op aarde niet naar om zelfs nu nog rust te vinden bij Hem in de hemel….

“Waarom streven wij er op aarde niet naar

om zelfs nu nog rust te vinden bij Hem in de hemel,

door het geloof, de hoop en de liefde die ons met Hem verenigt?

Terwijl hij in de hemel is, is Hij  ook bij bij ons

en wij, terwijl wij op aarde zijn, zijn bij Hem.

Hij is hier bij ons door Zijn goddelijkheid,

Zijn kracht en Zijn liefde.

We kunnen niet in de hemel zijn,

zoals Hij op aarde is, door goddelijkheid,

maar in Hem kunnen we daar zijn door liefde.”

Sint-Augustinus (354-430)

+++++++++++++++

Kernideeën in deze passage:

Tegelijk hier en daar:

Augustinus benadrukt dat God niet beperkt is tot één plaats. Hij is in de hemel én bij ons op aarde.

En door geloof, hoop en liefde kunnen wij — geestelijk — ook bij Hem zijn.

Mystieke eenheid:

De passage verwijst naar een mystieke verbondenheid tussen mens en God.

Niet fysiek, maar door de kracht van liefde.

Gods aanwezigheid:

God is bij ons door Zijn goddelijke natuur, Zijn kracht en Zijn liefde. Dat betekent dat we Hem kunnen ervaren, zelfs in ons dagelijks leven.

Onze toegang tot het hemelse:

Wij kunnen niet zoals Christus op aarde zijn door goddelijkheid, maar we kunnen wel in de hemel zijn — door liefde. Liefde is de brug tussen hemel en aarde.

———

Theologische context:

Deze gedachte past perfect binnen Augustinus’ bredere visie zoals verwoord in zijn werken Confessiones en De Civitate Dei:

In Confessiones beschrijft hij hoe hij God buiten zichzelf zocht, maar uiteindelijk ontdekte: “Gij waart binnen in mij, maar ik was buiten.”

Augustinus ziet de menselijke ziel als een spiegel van het goddelijke — een plek waar God woont als we ons openen in liefde.

Spirituele toepassing:

Innerlijke rust: De tekst nodigt uit tot contemplatie. Rust vinden in God betekent niet ontsnappen aan de wereld, maar Hem vinden in het midden ervan.

Liefde als toegangspoort:

Liefde is niet alleen een emotie, maar een spirituele kracht die ons verbindt met het goddelijke.

Geloof, hoop en liefde:

Deze drie zijn de pijlers van christelijk leven.

Augustinus benadrukt dat ze ons al hier en nu met de hemel verbinden.

————-

St.Augustinus: Als je een persoon wilt leren kennen……

“Als je een persoon wilt leren kennen, vraag dan niet wat hij denkt, maar wat hij liefheeft.”

St Augustinus

++++++++++

Mooi en diepzinnig –  Augustinus van Hippo wist hoe je rechtstreeks naar iemands hart kon kijken.

Dit citaat van Augustinus – “Als je een persoon wilt leren kennen, vraag dan niet wat hij denkt, maar wat hij liefheeft” – draait om het idee dat onze diepste overtuigingen en waarden niet het best zichtbaar zijn in onze woorden of gedachten, maar in wat we écht liefhebben.

Hier zijn een paar lagen van betekenis-

Wat we liefhebben, vormt wie we zijn:

 Onze passies, voorkeuren en toewijding laten zien wat ons drijft en wat ons leven richting geeft.

Gedachten zijn veranderlijk, liefde is onthullend: Meningen kunnen wisselen, maar waar je hart naar uitgaat, toont je ware aard.

Liefde als sleutel tot begrip: Iemand begrijpen betekent niet alleen rationeel doorgronden, maar emotioneel invoelen – en dat doe je door te kijken naar wie of wat iemand liefheeft.

Kortom:

liefde onthult de ziel, meer dan woorden ooit kunnen. Augustinus nodigt ons uit om voorbij het oppervlakkige te kijken en het hart van de ander te leren kennen.

—————

Augustinus: Laat uw Geschriften mijn kuise vreugde zijn … O Heer….

“Laat uw Geschriften mijn kuise vreugde zijn … O Heer, maak mij volmaakt en onthul mij die bladzijden! Uw stem is mijn vreugde. Geef mij wat ik liefheb … Mogen de innerlijke geheimen van uw woorden voor mij worden ontsloten wanneer ik klop. Dit bid ik door onze Heer Jezus Christus, in wie alle schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn. Deze schatten zoek ik in uw boeken.”

— Augustinus

+++++++++

Deze tekst weerspiegelt een diep verlangen van Augustinus naar innerlijke verlichting en goddelijke wijsheid, en sluit perfect aan bij zijn filosofische en theologische kernideeën:

 Zoektocht naar Goddelijke Wijsheid:

Augustinus beschouwde wijsheid niet als louter intellectuele kennis, maar als een spirituele eenwording met God. In deze tekst bidt hij om toegang tot de “geheimen van uw woorden”, wat verwijst naar zijn overtuiging dat ware wijsheid voortkomt uit goddelijke openbaring, niet uit menselijke rede alleen.

De Bijbel als Mystieke Bron:

Hij zag de Bijbel als een tekst die niet letterlijk, maar allegorisch en spiritueel gelezen moest worden. De “bladzijden” waar hij om vraagt zijn dus niet alleen fysieke pagina’s, maar symbolen van diepere, eeuwige waarheden die hij wil begrijpen door contemplatie en gebed.

Innerlijke Dialoog met God:

Augustinus geloofde dat echte kennis ontstaat in een innerlijk gesprek met God. De passage “Uw stem is mijn vreugde” benadrukt dat hij God niet alleen als leermeester ziet, maar als bron van vreugde en waarheid die in het hart spreekt.

Christus als Sleutel tot Wijsheid:

De verwijzing naar Christus “in wie alle schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn” is een echo van Augustinus’ overtuiging dat alle waarheid uiteindelijk in Christus te vinden is. Filosofie en theologie zijn voor hem geen gescheiden werelden, maar één pad naar God.

Deze tekst is dus geen gewone smeekbede, maar een spirituele meditatie die Augustinus’ hele levenshouding samenvat:

een hartstochtelijke zoektocht naar God via liefde, innerlijke reflectie en heilige teksten.

De ideeën uit de tekst over het verlangen naar goddelijke wijsheid en het openen van de Schrift —zijn diep verweven met Augustinus’ Confessiones. Hier zijn een paar kernpunten waarin dat tot uiting komt:

De Schrift als bron van waarheid:

In Confessiones beschrijft Augustinus hoe hij jarenlang worstelde met filosofieën zoals het manicheïsme en het neoplatonisme, maar pas in de Bijbel vond hij de waarheid die zijn hart raakte. Hij noemt de Schrift “laag van stijl, maar hoog van inhoud” — een paradox die hem eerst afstootte, maar later juist aantrok toen hij de spirituele diepgang begon te begrijpen.

Innerlijke zoektocht en contemplatie:

Boek X van Confessiones (of Belijdenissen) is een meesterwerk van introspectie. Augustinus onderzoekt zijn geheugen, verlangens en motieven, en komt tot de conclusie dat God dieper in hem woont dan hijzelf. Zijn gebed om de “geheimen van de woorden” te ontsluiten is dus niet alleen een intellectuele wens, maar een spirituele roep om transformatie.

Gebed als toegang tot wijsheid:

De hele Confessiones is geschreven in de vorm van een gebed. Augustinus spreekt niet tot de lezer, maar tot God. Dat maakt zijn smeekbede om wijsheid — zoals in de tekst die je eerder gaf — een levende praktijk in het boek zelf. Hij vraagt God om hem te zuiveren, te leiden en te onderwijzen.

 Christus als sleutel tot inzicht:

In Boek VII beschrijft Augustinus hoe hij dankzij de brieven van Paulus en de preken van Ambrosius tot het inzicht kwam dat Christus de brug is tussen God en mens. Hij noemt Christus expliciet als degene “in wie alle schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn” — precies zoals in jouw tekst.

Een passage uit Confessiones die dit illustreert?

“Groot bent U, Heer, en zeer te prijzen: groot is Uw kracht, en van Uw wijsheid is er geen getal. En prijzen wil U de mens, een deel van Uw schepping, namelijk de mens die zijn sterfelijkheid ronddraagt, die het getuigenis van zijn zonde ronddraagt, en het getuigenis dat U de trotsen weerstaat. En toch — prijzen wil U de mens, een deel van Uw schepping. U wekt hem ertoe op dat hij er behagen in schept U te prijzen, omdat U ons gemaakt hebt voor U, en onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U.” Augustinus ‘Confessiones’

Deze beroemde openingszin is een samenvatting van Augustinus’ hele spirituele zoektocht: het verlangen naar God, de erkenning van menselijke zwakheid, en de diepe rust die alleen in God gevonden kan worden.

Hier is een ontroerende passage uit Confessiones, Boek IX, waarin Augustinus de dood van zijn moeder Monnica beschrijft. Dit moment staat bekend als het visioen van Ostia, vlak voor haar overlijden:

“Wij spraken samen, alleen met elkaar, zoet en innig. Wij vergaten het verleden en richtten ons op de toekomst. In de tegenwoordigheid van de waarheid, die Gij zijt, vroegen wij ons af hoe het eeuwige leven zou zijn van de heiligen. En terwijl wij spraken, steeg onze geest op, hoger dan de wereld en haar zon en maan en sterren, tot wij kwamen bij het land van overvloedige vreugde, waar Gij uw volk eeuwig voedt. Daar, waar het leven is, dat niet vergaat, waar de wijsheid is, die niet bedriegt. En terwijl wij zo spraken, raakten wij het aan met een flits van ons hart.” (Confessiones IX, hoofdstuk 10)

Deze passage is een spiritueel hoogtepunt in het boek. Augustinus en zijn moeder delen een moment van mystieke eenheid, waarin ze samen God naderen in contemplatie.

 Kort daarna overlijdt Monnica — in vrede, vervuld van haar levensdoel: de bekering van haar zoon.

Nog een pareltje uit Confessiones, dit keer over zijn zoon Adeodatus — een ontroerend moment van vaderlijke trots en spirituele verbondenheid. :

Over Adeodatus (Boek IX, hoofdstuk 6)

“Samen met mij was er ook mijn zoon Adeodatus, geboren uit mijn zonde. Hij was vijftien jaar oud en had een verstand dat mij verbaasde. Wij spraken samen, en ik vond in hem niet alleen een leerling, maar ook een vriend. In onze gesprekken over waarheid en wijsheid was hij mijn gelijke. Wat een gave van U, o God!”

Augustinus noemt Adeodatus “geboren uit mijn zonde”, maar tegelijk erkent hij hem als een goddelijke gave. Hun gesprekken zijn niet alleen intellectueel, maar ook spiritueel — een vader en zoon die samen God zoeken.

De diefstal van de peren uit deperenboom :

“Er was een perenboom vlak bij onze wijngaard, vol met vruchten die niet bijzonder aantrekkelijk waren, noch qua smaak, noch qua uiterlijk. Met een stel kameraden gingen we er ’s nachts heen, na ons spel op straat, en stalen er een enorme hoeveelheid peren. Niet om ze zelf op te eten — we gooiden ze zelfs weg, of gaven ze aan de varkens. Het ging ons niet om de peren, maar om het stelen zelf. Ik hield van mijn misdaad, niet om wat ik ermee bereikte, maar om de misdaad zelf.”

Wat betekent dit in zijn filosofie?

Zonde om de zonde:

Augustinus erkent dat hij niet stal uit nood of honger, maar puur uit een verlangen om te overtreden. Dit is voor hem het bewijs van de gevallen aard van de mens.

Symboliek van de boom:

Hij verbindt deze daad met de boom van kennis van goed en kwaad uit Genesis. Het is zijn persoonlijke “oerzonde”.

Reflectie en spijt:

Hij kijkt terug met een mengeling van afschuw en verwondering — hoe kon hij zo handelen, en waarom vond hij daar vreugde in?

De gestolen peren – Symbool van zonde (Confessiones II, 4–6):

“Ik hield van mijn misdaad, niet om wat ik ermee bereikte, maar om de misdaad zelf.”

Augustinus gebruikt het perenverhaal als illustratie van zondigheid als begeerte naar het kwaad, niet uit nut maar uit drang.

Het toont hoe zonde in de wil zelf huist, iets dat hij later koppelt aan de erfzondeleer.

Zijn bekering – De vijgenboomscène (Confessiones VIII, 12):

“Waarom niet nu? Waarom niet op dit ogenblik een einde aan mijn vuilheid?”

Het fragment over Augustinus’ bekering in Confessiones, Boek VIII, hoofdstuk 12, is inderdaad beroemd én aangrijpend.

Hier s een volledige Nederlandse vertaling van dat moment, gebaseerd op erkende vertalingen:

“Ik wierp mij neer onder een vijgenboom en liet mijn tranen de vrije loop. De stromen van mijn ogen kwamen uit mijn hart, en ik riep tot U: ‘Hoe lang nog, Heer? Hoe lang nog, Heer, zult Gij vertoornd blijven? Vergeet niet mijn vroegere misdaden!’ Ik riep uit: ‘Hoe lang nog? Hoe lang nog? Morgen en morgen? Waarom niet nu? Waarom niet op dit ogenblik een einde aan mijn vuilheid?’

En plotseling hoorde ik een stem, alsof van een kind, uit een naburig huis, dat herhaaldelijk zei: ‘Neem en lees, neem en lees.’ Ik hield op met huilen en begon na te denken: was dit een kinderliedje? Nee, ik had zoiets nog nooit gehoord. Ik nam aan dat het een goddelijke opdracht was om het boek te openen en het eerste te lezen wat ik zag. Ik haastte mij terug naar de plek waar ik het boek van de apostel had neergelegd. Ik opende het en las in stilte het eerste vers waarop mijn ogen vielen: ‘Niet in zwelgpartijen en drinkgelagen, niet in ontucht en losbandigheid, niet in twist en jaloezie, maar bekleed u met de Heer Jezus Christus en geef niet toe aan de begeerten van het vlees.’

Ik las niet verder. Het was niet nodig. Want zodra ik deze woorden las, stroomde er een licht van zekerheid in mijn hart en verdwenen alle duistere twijfels.”

Dit is het moment waarop Augustinus zijn innerlijke strijd loslaat en zich volledig overgeeft aan God. Het is een existentiële doorbraak:

 Geen filosofie, geen redenering, maar een directe aanraking van genade.

————–

St.Augustinus: Niemand wordt verlost behalve door onverdiende genade, en niemand wordt veroordeeld behalve door verdiend oordeel…..

“Niemand wordt verlost behalve door onverdiende genade, en niemand wordt veroordeeld behalve door verdiend oordeel.”

 – Augustinus.

+++++++++++++

Deze uitspraak van Augustinus — “Niemand wordt verlost behalve door onverdiende genade, en niemand wordt veroordeeld behalve door verdiend oordeel” — is vandaag nog verrassend actueel, vooral als we kijken naar hoe mensen omgaan met schuld, gerechtigheid, en vergeving. Hier zijn een paar manieren waarop die relevantie zichtbaar wordt:

In spirituele context

Genade versus verdienste: In veel religies blijft de gedachte leven dat verlossing niet te verdienen is, maar een geschenk is. Die insteek verzet zich tegen een cultuur van “ik heb het goed gedaan, dus ik verdien het”.

Vergeving als keuze: Mensen kunnen elkaar fouten vergeven niet omdat iemand dat verdient, maar omdat genade transformeert. Augustinus’ woorden dagen uit om voorbij straf en verdienste te kijken.

In maatschappelijke debatten:

Strafrecht & herstelrecht: Moderne discussies over justitie gaan vaak over wanneer iemand vergeving verdient, en of dat überhaupt het juiste woord is. Augustinus’ uitspraak zou in zulke contexten pleiten voor meer focus op genade en minder op vergelding.

Sociale ongelijkheid: De gedachte dat sommigen “onverdiend” kansen krijgen herinnert ons eraan dat het leven niet altijd eerlijk is — en dat dat misschien ook niet het punt is.

In persoonlijke relaties:

Spreekt empathie aan: Zijn woorden nodigen uit tot mildheid. In conflicten zijn we geneigd om te oordelen, maar Augustinus herinnert ons eraan dat echte verlossing — lees: heling van relaties — niet afgedwongen kan worden.

Zelfreflectie: Het helpt mensen ook hun eigen fouten onder ogen te zien zonder zichzelf volledig af te wijzen. Genade wordt dan een bron van hoop.

—————-

St.Augustinus: Wanneer het uur van afrekening komt, zul je spijt hebben dat je deze tijd niet in dienst van God hebt gebruikt…..

Wanneer het uur van afrekening komt, zul je spijt hebben dat je deze tijd niet in dienst van God hebt gebruikt. Waarom niet nu je tijd zo indelen en gebruiken als je zou willen dat je het zou herinneren wanneer je sterft?” – St. Johannes van het Kruis

+++++++++

Dit citaat van Johannes van het Kruis is diep en confronterend — een soort wake-up call voor de ziel. Zijn woorden herinneren eraan hoe kostbaar onze tijd is, en hoe belangrijk het is om te leven met intentie, niet alleen voor onszelf, maar in dienst van iets groters.

Zijn mystieke spiritualiteit daagt uit tot reflectie: wat laat ik achter? Wat is écht van waarde op het moment van afscheid? Het nodigt uit om nu keuzes te maken die we later met vrede en voldoening zullen herinneren.

Als jij zou mogen invullen wat “in dienst van God” voor jou betekent — is dat gebed, hulp aan anderen, innerlijke groei, iets anders? Ik denk graag met je mee over manieren om je dagen zo te vormen dat ze resoneren met wie je écht wil zijn. Wil je daar samen over reflecteren?

Wie was Johannes van het Kruis ?

Johannes van het Kruis (Juan de la Cruz, 1542–1591) was een Spaanse mysticus, dichter, priester en hervormer van de karmelietenorde. Hij wordt beschouwd als een van de grootste spirituele denkers binnen het christendom en kreeg in 1926 de titel kerkleraar toegekend2.

 Zijn leven in vogelvlucht:

Geboren in Fontiveros, Spanje, in een arme familie.

Trad op jonge leeftijd toe tot de karmelietenorde en studeerde filosofie en theologie in Salamanca.

Werkte nauw samen met Theresia van Ávila aan de hervorming van de karmelieten, wat leidde tot de stichting van de Ongeschoeide Karmelieten.

Werd vanwege zijn hervormingsijver gevangen gezet door tegenstanders binnen de orde.

Tijdens deze periode schreef hij enkele van zijn bekendste mystieke gedichten.

Stierf op 14 december 1591 in het klooster van Úbeda, uitgeput door ziekte en boetedoening.

Mystieke werken:

Johannes schreef diepgaande spirituele teksten die de weg naar innerlijke zuivering en vereniging met God beschrijven:

De bestijging van de berg Karmel

Donkere nacht van de ziel

Geestelijk Hooglied

Levende liefdesvlam

Zijn poëzie en geschriften zijn doordrenkt van symboliek, verlangen naar God, en het mystieke pad van lijden en liefde. Hij zag het lijden niet als iets om te vermijden, maar als een weg naar spirituele diepgang.

Zijn gedachtegoed leeft voort in kloosters, literatuur en gebedstradities.

+++++++++++++++

Wat betekenen zijn werken voor spirituele ontwikkeling?

De werken van Johannes van het Kruis zijn als een innerlijke reisgids voor wie verlangt naar diepe spirituele groei. Hij beschrijft het pad naar vereniging met God als een proces van zuivering, loslaten en overgave — vaak gepaard met duisternis, stilte en lijden, maar uiteindelijk leidend tot een intense liefdevolle verbondenheid.

 Kernbetekenis voor spirituele ontwikkeling:

Zuivering van het ego: Johannes benadrukt dat men moet loskomen van gehechtheid aan zintuiglijke genoegens, religieuze troost en zelfs spirituele ervaringen. Alleen dan kan de ziel zich volledig richten op God2.

De ‘Donkere Nacht’: Dit is geen depressie, maar een mystieke fase waarin God de ziel zuivert van alles wat haar afleidt. Het is een noodzakelijke leegte waarin de ziel leert vertrouwen zonder houvast3.

Van meditatie naar contemplatie: Johannes beschrijft een overgang van actieve gebedsvormen naar een passieve, ontvangende houding waarin God zelf de ziel voedt.

Liefde als drijvende kracht: Zijn poëzie en geschriften zijn doordrenkt van een vurige liefde voor God. Spirituele ontwikkeling is volgens hem geen intellectuele oefening, maar een liefdesrelatie die alles transformeert.

Fasen van spirituele groei volgens Johannes

Fase en kenmerken:

Beginnelingen: Troost in gebed, spirituele genoegens, zintuiglijke devotie

Gevorderden: Dorheid, twijfel, innerlijke leegte — de ‘Donkere Nacht’ begint

Volmaakten: Vereniging met God, diepe vrede, liefde zonder voorwaarden

Zijn werken nodigen uit tot een radicale eerlijkheid tegenover jezelf en een moedige overgave aan het mysterie van God. Ze zijn niet altijd makkelijk te lezen, maar ze raken aan de kern van wat het betekent om spiritueel volwassen te worden.

www.sporenvangod.nl/Mystiek/Klassieke-teksten-1/Johannes-van-het-Kruis-3/

St.Augustinus: Je draaide mij om zodat ik naar mezelf keek….

“Je draaide mij om zodat ik naar mezelf keek. Want ik had mezelf achter mijn eigen rug geplaatst, weigeren mezelf te zien. Er was geen plaats meer waar ik voor mezelf kon vluchten, toen jij mij oog in oog met mezelf bracht.”

Augustinus.

++++++++++

Deze tekst komt uit Confessiones (Belijdenissen) van Augustinus van Hippo, een van de meest invloedrijke kerkvaders uit de vroege christelijke traditie.

Hier is wat achtergrond:

Over het werk Confessiones:

Geschreven rond 397–400 na Christus, toen Augustinus al bisschop was in Hippo (Noord-Afrika).

Het boek bestaat uit 13 delen: de eerste negen zijn autobiografisch, de laatste vier zijn filosofisch en theologisch.

De titel Confessiones betekent zowel belijdenis van zonden als lofprijzing van God—een dubbele betekenis die het hele werk doordrenkt2.

Thema’s en bedoeling:

Augustinus reflecteert op zijn zondige jeugd, zijn zoektocht naar waarheid, en zijn uiteindelijke bekering tot het christendom.

Hij wil niet zichzelf verheerlijken, maar juist Gods genade en barmhartigheid laten zien.

Het citaat gaat over zelfinzicht: Augustinus beschrijft hoe God hem confronteerde met zijn eigen innerlijke toestand, waardoor hij niet langer kon vluchten voor zichzelf.

Historische context

Augustinus leefde in een tijd van grote religieuze en politieke veranderingen: het Romeinse Rijk was in verval, en het christendom werd steeds dominanter.

Hij was eerst aanhanger van het manicheïsme, een dualistische religie, maar keerde zich daarvan af onder invloed van bisschop Ambrosius van Milaan3.

Deze passage is dus niet zomaar een introspectieve gedachte—het is een spirituele mijlpaal in een levenslange zoektocht naar waarheid, rust en God.

Augustinus’ denken is nog steeds een intellectuele krachtbron in hedendaagse religieuze discussies—soms als fundament, soms als tegenpool. Hier zijn een paar manieren waarop zijn invloed vandaag de dag zichtbaar is:

Theologische fundamenten:

Zijn ideeën over genade, erfzonde en predestinatie vormen nog steeds het hart van veel christelijke tradities, vooral binnen het katholicisme en het protestantisme.

Tegelijkertijd worden deze concepten ook bekritiseerd: erfzonde en predestinatie worden door sommige moderne theologen als immoreel of problematisch beschouwd.

Geloof en rede:

Augustinus zocht een verzoening tussen geloof en filosofie, vooral via het neoplatonisme. Dat maakt hem relevant in discussies over de verhouding tussen openbaring en rationeel denken.

Zijn idee dat ware kennis voortkomt uit introspectie én goddelijke inspiratie blijft invloedrijk in spirituele en filosofische kringen.

Triniteit en relationele theologie:

Zijn werk De Trinitate is een klassieker, maar moderne theologen bekritiseren zijn nadruk op Gods eenheid boven de drieheid. Dit heeft geleid tot een herwaardering van de relationele ontologie, waarin de relaties tussen Vader, Zoon en Geest centraal staan.

Toch biedt Augustinus’ benadering ook correcties op moderne stromingen, zoals de zogeheten “Radical Orthodoxy”, die juist zijn mystieke en negatieve theologie omarmen.

Filosofie van de geest en tijd:

Zijn reflecties over tijd als een uitgebreid heden en de innerlijke ervaring van de ziel hebben invloed gehad op denkers als Heidegger en Kant.

jIn discussies over bewustzijn, spiritualiteit en de menselijke ervaring blijft Augustinus een intellectuele sparringpartner.

Interdisciplinair gesprekspartner:

Augustinus wordt ook gezien als een psycholoog en econoom avant la lettre, en zijn inzichten worden toegepast in ethiek, politiek en zelfs economische theorieën5.

Zijn werk is dus niet alleen een historische erfenis, maar een levende dialoog met de vragen van vandaag.

www.theologie.nl

www.isgeschiedenis.nl

————-

St Augustinus: Er zijn veel andere dingen die mij het beste in de schoot van de Kerk kunnen houden…

“Er zijn veel andere dingen die mij het beste in de schoot van de Kerk kunnen houden… De opvolging van priesters, vanaf de zetel van de apostel Petrus, aan wie de Heer, na zijn opstanding, de opdracht gaf om zijn schapen te hoeden [Johannes 21:15–17], tot aan het huidige episcopaat, houdt mij hier.”

— Sint Augustinus van Hippo De doop van Augustinus door Sint Ambrosius van Milaan

++++++++++++++

Enkele kernzinnen uitgelegd :

“De opvolging van priesters, vanaf de zetel van de apostel Petrus…”

Betekenis:

Dit verwijst naar het idee van apostolische successie—het geloof dat er een ononderbroken lijn van leiderschap is binnen de Kerk, beginnend bij Petrus (door Jezus zelf aangesteld) tot aan de hedendaagse bisschoppen en priesters.

Waarom dit belangrijk is:

Voor Augustinus was deze continuïteit een bewijs van de legitimiteit en stabiliteit van de Kerk. Het verbindt het heden met het goddelijke begin.

“…aan wie de Heer, na zijn opstanding, de opdracht gaf om zijn schapen te hoeden…”

Betekenis:

Dit verwijst naar Johannes 21:15–17, waar Jezus aan Petrus zegt: “Weid mijn schapen.” Het symboliseert de opdracht van spirituele zorg en leiderschap.

Waarom dit relevant is:

Augustinus ziet hierin een goddelijke mandaat—een directe overgave van verantwoordelijkheden door Jezus aan Petrus en diens opvolgers.

“…tot aan het huidige episcopaat…”

Betekenis:

Hiermee bedoelt hij het huidige bestuur van bisschoppen binnen de Kerk.

Waarom dit telt: Hij stelt dat deze leiders nog steeds de geestelijke autoriteit dragen die oorspronkelijk door Christus gegeven werd.

Kortom, Augustinus zegt hier in essentie: “Wat mij bij de Kerk houdt, is niet alleen geloof, maar ook haar historische en goddelijke legitimiteit.”

—————–

St.Augustinus: Gebed – Alleen voor jou, in jou, door jou……

Alleen voor jou, in jou, door jou.

Door de heilige Augustinus (354-430), vader en kerkleraar

Heer Jezus,

laat mij mijzelf kennen en U kennen en niets

verlangen dan alleen U.

Laat me mezelf haten en U liefhebben.

Laat mij alles doen, ter wille van U.

Laat mij mijzelf vernederen en U verhogen.

Laat mij aan niets denken, behalve aan U.

Laat mij aan mijzelf sterven en in U leven.

Laat mij aanvaarden, wat er ook gebeurt, als van U.

Laat mij mijzelf verbannen en U

volgen en altijd verlangen U te volgen.

Laat mij voor mijzelf wegvluchten en mijn toevlucht tot U zoeken,

opdat ik het verdien om door U verdedigd te worden.

Laat me voor mezelf vrezen.

Laat mij U

vrezen en laat mij behoren tot degenen die door U zijn uitverkoren.

Laat me mezelf wantrouwen en mijn vertrouwen in U stellen.

Laat mij bereid zijn te gehoorzamen, ter wille van U.

Laat mij mij aan niets vastklampen, behalve aan U,

en laat mij arm zijn vanwege U.

Kijk naar mij, opdat ik U mag liefhebben.

Roep mij, opdat ik U

mag zien en voor altijd van U mag genieten.

Amen

+++++++

Het gebed van Sint-Augustinus is een spirituele smeekbede die diep gaat in het verlangen naar een nauwe relatie met Christus. Hier zijn de belangrijkste lagen van betekenis:

Overgave aan God:

Hi die bidt vraagt om zichzelf te leren kennen en te haten, wat duidt op nederigheid en het loslaten van ego.

Tegelijkertijd wordt er gebeden om liefde en verlangen voor Christus, als het hoogste doel van het leven.

Zelfverloochening en navolging:

Augustinus roept op tot het verlaten van eigen wil, comfort, en bezittingen.

Hij wil Christus volgen, zelfs als dat betekent lijden of verlies.

 Vertrouwen en bescherming:

Er is een nadrukkelijke vraag om beschermd te worden door God, niet door eigen kracht.

Hij wil God vrezen, wat niet betekent bang zijn, maar eerbied hebben en bewust leven volgens Gods wil.

 Transformatie:

Het gebed drukt een verlangen uit om getransformeerd te worden — van een leven voor zichzelf naar een leven in en voor Christus.

Elke zin is een stap verder in het afleggen van het oude zelf en het aannemen van het goddelijke karakter.

Het is een intens persoonlijk gebed dat bedoeld is om de bidder te vormen tot iemand die volledig gefocust is op God. Het weerspiegelt Augustinus’ eigen reis van zonde naar genade — van intellect en trots naar geloof en overgave.

Dat gebed past wonderwel bij het levensverhaal van Sint-Augustinus—

alsof hij zijn persoonlijke transformatie in gebedsvorm heeft gegoten.

Van losbandig leven naar heiligheid:

Augustinus begon zijn leven niet als heilige. Hij was intellectueel briljant, maar leefde een losbandig leven en zocht bevrediging in kennis, liefde en wereldse genoegens.

Hij werd beïnvloed door het manicheïsme, een filosofie waarin het leven draait om de strijd tussen licht en duisternis. Maar innerlijk bleef hij onrustig.

“Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U.” — een van zijn beroemdste uitspraken, uit de Belijdenissen.

Spirituele ommekeer:

Zijn moeder, Monica, was een toegewijde christen die jarenlang voor zijn bekering bad.

Na een periode van filosofisch zoeken en innerlijke worsteling, hoorde hij een kinderstem roepen “Neem en lees” (Tolle lege), waarna hij een passage uit de Bijbel las die zijn hart opende voor God.

Hij bekeerde zich en liet zich dopen in 387, op 33-jarige leeftijd.

Intellect en nederigheid:

Augustinus was een filosoof én een theoloog. Hij wilde begrijpen om te geloven en later geloven om te begrijpen.

Het gebed toont zijn diepe overtuiging dat kennis zonder nederigheid en liefde niets betekent. Dat is precies waar zijn leven op uitliep: van trots naar overgave.

Gebed als geestelijke spiegel:

Alles in het gebed weerspiegelt zijn bekering: de verloochening van het ego, de volledige afhankelijkheid van Christus, en het verlangen om in Hem te leven.

Het is alsof hij zijn Confessiones (of Belijdenissen)heeft samengevat in één vurige gebedsroep.

——————–

St. Augustinus: Het Woord is alleen zichtbaar voor het hart, terwijl het vlees zichtbaar is voor de lichamelijke ogen….

“Het Woord is alleen zichtbaar voor het hart, terwijl het vlees zichtbaar is voor de lichamelijke ogen.

 Het Woord is vlees geworden zodat wij het konden zien, om dat deel van ons te genezen waarmee we het Woord kunnen waarnemen.”

— St. Augustinus

+++++++++++++++++

Deze gedachte roept het mysterie van de incarnatie op: dat goddelijke waarheid — ongrijpbaar voor onze zintuigen — zich tóch zichtbaar heeft gemaakt uit liefde voor onze menselijke beperkingen. Augustinus laat zien dat ware spirituele kennis niet via de ogen komt, maar via innerlijke transformatie. Alleen een genezen en geopend hart kan het Woord werkelijk “zien”.

Het is meer dan poëtische theologie; het is een uitnodiging om je innerlijke blik te scherpen. De zichtbaarheid van het vlees nodigt ons uit om dieper te kijken — met het hart — naar datgene wat ons echt wil raken.

——————

 

St. Augustinus: Zij haten de waarheid omwille van wat zij in plaats van de waarheid liefhebben….. 

“Zij haten de waarheid omwille van wat zij in plaats van de waarheid liefhebben.  Zij houden van de waarheid wanneer zij op hen schijnt, maar haten haar wanneer zij hen terechtwijst.”

St.Augustinus.

+++++++++++++++

Dit fragment is een krachtige reflectie op hoe mensen selectief kunnen omgaan met de waarheid

— het verwelkomen als het hen dient, maar het afwijzen zodra het hen confronteert.