Augustinus Gebed : Vertrouw op Gods hemelse belofte Mijn God……

SMEEKBEDE

Afbeelding door Simone Martini

GEBED VAN DE HEILIGE AUGUSTINUS

Vertrouw op Gods hemelse belofte Mijn God, laat mij U kennen en liefhebben,
zodat ik mijn geluk in U kan vinden.
Omdat ik dit op aarde niet volledig kan bereiken,
help mij om dagelijks te verbeteren
totdat ik het volledig kan bereiken.
Laat mij U steeds beter kennen op aarde,
zodat ik U volmaakt kan kennen in de hemel.
Laat mij U steeds meer liefhebben op aarde,
zodat ik U volmaakt kan liefhebben in de hemel.
Op die manier mag mijn vreugde groot zijn op aarde,
en volmaakt met U in de hemel.

O God van de waarheid,
geef mij het geluk van de hemel,
zodat mijn vreugde vol mag zijn in overeenstemming met Uw belofte.
Laat in de tussentijd mijn gedachten bij dat geluk stilstaan,
mijn tong erover spreken,
mijn hart ernaar smachten,
mijn mond het uitspreken,
mijn ziel ernaar hongeren,
mijn vlees ernaar dorsten,
en mijn hele wezen ernaar verlangen
totdat ik door de dood heen
in de vreugde van mijn Heer voor altijd binnenga.

Amen.

 

“ Hij maakte een zweep van touwen en joeg ze allemaal uit het tempelgebied…” – Johannes 2:15…

BODY10

“ Hij maakte een zweep van touwen en joeg ze allemaal uit het tempelgebied…” – Johannes 2:15

“De apostel Paulus zegt: “ De tempel van God, die u bent, is heilig ” (1 Kor. 3:17), dat wil zeggen – allen die in Christus geloven, geloven tot liefhebben. … Allen die zo geloven, zijn de levende stenen waaruit Gods tempel is gebouwd (1 Petr. 2:5), zij zijn als het onvergankelijke hout waarvan de Ark werd gebouwd, dat de vloed niet kon overweldigen (Gen. 6:14). Deze tempel – het volk van God, menselijke personen zelf – is de plaats waar God degenen die bidden, verhoort. Mensen die buiten deze tempel tot God bidden, kunnen hun gebeden, voor de vrede van het Jeruzalem hierboven, niet verhoord krijgen, ook al worden ze verhoord met betrekking tot bepaalde materiële dingen die God schenkt, zelfs aan heidenen. … Maar het is iets heel anders om iemands gebeden verhoord te krijgen in de kwestie van het eeuwige leven. Dit wordt alleen verleend aan hen die binnen Gods tempel bidden.

Want iemand die bidt in de Tempel van God, bidt in de vrede van de Kerk, in de eenheid van het Lichaam van Christus, aangezien het Lichaam van Christus is opgebouwd uit de menigte van gelovigen verspreid over de hele wereld. … En iemand die bidt in de vrede van de Kerk, bidt “ in geest en waarheid ” (Joh. 4:23), waarvan de vroegere Tempel slechts een symbool was.

In feite was het voor onze instructie dat onze Heer die mannen uit de tempel wierp die alleen hun eigen belang zochten en die er alleen heen gingen om te kopen en verkopen. Als die eerste tempel deze reiniging moest ondergaan, dan is het duidelijk dat ook het Lichaam van Christus, de ware Tempel, kopers en verkopers bevat onder degenen die daar bidden, dat wil zeggen mensen die alleen “ hun eigen belang zoeken en niet dat van Jezus Christus ” (Fil. 2,21). … Maar de tijd zal komen dat de Heer al die zondaars zal uitwerpen. ”

– St. Augustinus (354-430) Bisschop van Hippo, Noord-Afrika, Vader en Genadeleraar van de Kerk ( Preek over Psalm 130, nr. 1-2 )

Bron Annastpaul

 

Kierkegaard en de angst….

kierkegaard12

Søren Kierkegaard (Kopenhagen 1813-Kopenhagen 1855)

Oorzaken van hedendaagse angst

door Ab Klink

Van de bekende Deense filosoof Søren Kierkegaard is de volgende uitspraak: ‘Eén ding is er wat onze tijd mist en dat is wel te verstaan “eeuwigheid”.’ In deze woorden legt Kierkegaard (1813-1855) de kern bloot van zijn hele oeuvre. Ook uit hij in dit aforisme zijn zorg over de toekomst van Europa. Waar het in zijn dagen aan schortte en waaraan het meer en meer zal schorten is het besef van de eeuwigheid. Het tekort daaraan leidt tot geestloosheid, hedonisme, technificering van het leven, mateloze bedrijvigheid en vooral: tot angst.
***
jKierkegaard heeft veel geschreven over het fenomeen angst. Een vluchtige blik op de titels van zijn boeken laat dat zien: Vrees en beven, Het begrip angst, Ziekte tot de dood. Ook veel van zijn zogenoemde ‘stichtelijke redevoeringen’, die hij parallel aan zijn hoofdwerken liet verschijnen, gaan over ‘zorg’ en ‘angst’.

Dat Kierkegaard zich zo intensief met ‘angst’ heeft beziggehouden, heeft alles te maken met zijn eigen leven. Van jongs af aan was hij vertrouwd met ‘angst’. Zijn dagboek, dat hij op vrij jonge leeftijd begon, laat dat zien. Toen hij rond de twintig jaar was, moet hij obsessief geleden hebben aan wat wij tegenwoordig een ‘angststoornis’ zouden noemen. Het is onbekend waar het object van zijn angst in gelegen was, maar duidelijk is dat iets hem als een idee-fixe stoorde en bezighield. Het dagboek laat ook zien wat het hem deed toen hij de sleutel vond om van de obsessieve angst af te komen. Hoe hij die vond en wat die sleutel daadwerkelijk was, valt op te maken uit het slothoofdstuk van Het begrip angst en uit meerdere ‘stichtelijke redevoeringen’.

Dat Kierkegaard vertrouwd was met angst, heeft te maken met een zekere erfelijke belasting. Zijn vader leed onder zwaarmoedigheid. Kierkegaard was uiterst begaafd en fijnzinnig. De voelsprieten van zijn innerlijk waarmee hij de werkelijkheid aftastte waren buitengewoon gevoelig. Zijn opvoeding heeft dan ook in het ontwikkelen van ‘angst’ een belangrijke rol gespeeld. Later zou hij ervan zeggen dat deze tot op zekere hoogte ‘krankzinnig’ was. Hij vertelt dat zijn vader zijn toch al rijk ontwikkelde fantasie prikkelde door het nabootsen van situaties uit het gewone leven. Hij maakte fictief wandelingen, waarbij hij zijn zoon wees op dingen die ze ‘zagen’ en waarbij ze mensen ontmoetten (en groette!) die in de grote kamer waarin hij dit spel speelde natuurlijk volstrekt niet te zien waren. De zwaarmoedigheid van Kierkegaards vader hing samen met een voorval uit zijn jeugd: als jonge knaap had hij op de Jutlandse hei bittere kou geleden. In zijn radeloosheid balde hij op een onbedacht moment op een grove manier zijn vuisten naar de hemel, om daar direct grote spijt van te krijgen. Er kan nog iets anders meegespeeld hebben. Kierkegaard vertelt in een van zijn boeken over Salomo. Hij beschrijft hoe deze op een dag ongezocht zijn vader hoort bidden. Deze vertelt berouwvol wat hij gedaan heeft (met Bathseba). Sommigen vermoeden een autobiografisch aspect: de vader van Kierkegaard was na het overlijden van zijn eerste vrouw getrouwd met zijn vroegere dienstmeisje. Was er voordien al sprake van een affaire tussen beiden? Het blijft gissen.

Daarbij kwam het piëtistische klimaat waarin hij opgroeide. Daarin was het niet zomaar gezegd dat iemand werkelijk gelovig was, terwijl dit een voorwaarde is voor eeuwig behoud. Begaafd als hij was, moest hij zijn weg door het leven zien te gaan met deze ‘bagage’. En dat in een tijd van de romantiek en het opkomend hegelianisme, waarin het christelijke geloof geherdefiniëerd werd.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Kierkegaard in zijn jonge jaren geen existentieel houvast vond. Het enige verweer dat hij tegenover dit leven en de angst had, was zijn genialiteit. Die maakte dat hij geestig was, zichzelf anders kon voordoen dan hij zich voelde, met het leven spelen kon. Die maakte ook dat hij de bewegingen van de angst vanuit de innerlijke ervaringen in zijn eigen leven kon observeren en enigszins in kaart kon brengen. Inzicht in de processen van angst geeft enig soelaas – maar de oplossing bood het niet. Die vond hij ergens anders.
***
Kierkegaard hecht, ter genezing van angst, waarde aan het inzicht in hoe het ‘proces van de angst’ in de mens optreedt. Dit verbindt hem met Sigmund Freud. In Het begrip angst beschrijft hij de dialectiek van de angst als weinig anderen. In dat opzicht kan hij gelden als de eerste dieptepsycholoog.

Desalniettemin is er een groot verschil tussen Freud en Kierkegaard. In de psychotherapie, waarvan Freud de vader is, probeert de hulpverlener de ‘objecten’ waarop de angst van iemand die aan een angststoornis lijdt zich richt, te interpreteren met het oog op de angst zelf. Deze objecten vertellen iets over de bron (de oorzaak) van de angst. De psychotherapeut probeert de ‘betekenis’ van het object of de objecten waarop de angst zich richt, te achterhalen met het oog op de persoon die voor hem zit. Als hij daarin slaagt en deze ter sprake kan brengen bij de hulpaanvrager, krijgt men ‘vat’ op de bron van de angst. Deze wordt in het bewustzijn gebracht. Als gevolg daarvan neemt de angst ook af. De objecten verliezen hun angstaanjagende karakter.

Bij Kierkegaard bevinden we ons op een ander niveau. Zijn visie op de angst is niet minder diep dan die van Freud, maar hij plaatst en duidt de angst in een groter filosofisch en levensbeschouwelijk verband en wel in het kader van ethiek en geloof, van de vraagstukken van goed en kwaad en van de toekomst. Met deze ‘psychologie’ zou hij weleens meer recht aan de mens kunnen doen dan Freud. Kierkegaard benadert de angst dus niet louter psychologisch. Hij brengt deze in verband met wat hij ziet als kenmerkend voor de mens: de mens als een synthese van ziel en lichaam, van tijd en eeuwigheid.

Kierkegaard plaatst de angst in het kader van ethiek en geloof, van de vraagstukken van goed en kwaad en van de toekomst
***
De mens is volgens Kierkegaard een synthese van ziel en lichaam, tijd en eeuwigheid, noodzakelijkheid en vrijheid. Beide verhouden zich tot elkaar en in deze verhouding verhoudt de mens zich tot deze synthese. Dit zich verhouden tot deze synthese doet een mens in zijn bewustzijn. Omdat de synthese tussen ziel en lichaam een gegeven is dat door God gesteld is (de mens heeft niet zichzelf gemaakt) moet de mens zich, wil hij zich tot zichzelf verhouden, ook tot God verhouden. Dit kan op een goede manier – dan is er sprake van geloof en vrede. Het kan ook op een verkeerde manier – dan is er sprake van onrust en vertwijfeling.

Wat Kierkegaard in Ziekte tot de dood pregnant naar voren brengt, maakt hij inzichtelijk in zijn stichtelijke redevoeringen, onder meer in de toespraak ‘De bevestiging in de inwendige mens’ (1842). Daarin schetst hij een adolescent die zich rekenschap begint te geven van zijn leven. Het leven ‘vraagt van hem een verklaring’. Het kan zijn dat de jongeman alles mee heeft en dat de toekomst hem toelacht. Het kan ook zijn dat hij te kampen heeft met allerlei frustrerende situaties. De omstandigheden variëren, de vraag blijft dezelfde: hoe moet hij zijn leven zien en interpreteren? Wie nadenkt, legt zich rekenschap af van het leven, van wat hij in het leven doen moet, wat hij van het leven verwachten mag en wat het leven van hem verwachten mag. In deze vraag dient zich de ‘inwendige mens’ aan. Anders gezegd: het bewustzijn van de mens, zijn geest wordt geboren. Zijn geest moet zich rekenschap gaan afleggen van waar zijn ziel om vraagt, de existentiële vraag: Waaraan heb ik alles wat ik ontvang te danken? Wat wil het leven van mij? Waarom ben ik hier? Wat is mijn roeping? Niemand ontkomt aan die vraag. Ze dient zich aan. Ze heeft te maken met het concrete leven en toch overstijgt ze dit concrete. Want wat zich in feite afspeelt, is dat (zoals gezegd) de ziel van de mens geboren wordt in deze vraag. En de ziel is eeuwig en moet, wil ze in haar onrust tot rust komen, kunnen aanhaken bij God, die het antwoord geeft op de vragen die de ziel stelt, en een ‘verklaring’ kan geven over iemands leven – over zijn roeping en bestemming. Daarom is de vraag naar de bestemming ook een vraag naar God. God kan het getuigenis in de inwendige mens geven, zodat iemands bestemming helder wordt. Belangrijk is dat in de vraag die het leven de mens stelt (er valt dus niet aan te ontkomen) de ziel oftewel het inwendige van de mens geboren wordt, dat wil zeggen: aanklopt aan het bewustzijn, dat zich rekenschap moet geven. Deze rekenschap die het leven vraagt, kan niet gegeven worden zonder God. Als vanzelf dient de gedachte aan Hem zich aan. Deze verhouding nu tot God, wordt, waar de mens met de vraag naar de zin van het leven, zich wendt tot God, belangrijker dan al het andere – zelfs dan het leven hier. De eeuwigheid laat zich dus sterk gelden. Als de mens zich op een juiste manier tot God gaat verhouden, krijgt hij een juist zicht op zijn roeping, maar wat nog veel belangrijker is: hij heeft God gevonden en zo zijn uiteindelijke, eeuwige bestemming gevonden. Om in Kierkegaards termen te spreken: hij heeft geleerd zich absoluut tot het absolute te verhouden (de verhouding tot God is voor hem alles) en relatief tot het relatieve (de dingen van de wereld zijn betrekkelijk – van minder betekenis dan de relatie tot God).

In feite laat Kierkegaard zien wat Augustinus als volgt onder woorden bracht: ‘Wij zijn door U en tot U geschapen en onrustig is ons hart tenzij het rust vindt in U o God.’1
***
De geest van degene die geestrijk is, vraagt naar de eeuwigheid, een vraag die Plato eroos noemde. De keerzijde van deze eroos is angst. Angst komt voort uit het feit dat de mens die op de eeuwigheid is aangelegd deze niet kan vinden. De angst ‘vertelt’ de mens dat hij zijn echte houvast nog niet gevonden heeft. Ze staat de mens niet toe het in het tijdelijke te vinden.

Angst komt voort uit de wanverhouding dat de mens die aangelegd is op de eeuwigheid verloren is in de tijd. Als de mens in wie de eeuwigheid zich aandient niet luistert naar God en niet in God en zijn wil zijn vreugde vindt, staat hij met de rug naar zijn eigen geluk toe. Hij zoekt zijn heil in het tijdelijke en daarmee zondigt hij. Dat heeft effect op zijn innerlijk, dat van God vervreemdt en nog eenzamer wordt dan het al was. Het gevolg is geestloosheid of – als een mens ‘geest’ heeft – een nog groter gevoel van onbehagen en angst. De mens krijgt iets vertwijfelds. Hij verkrampt in zichzelf, zoekt het geluk op deze wereld en raakt daarin verstrikt. Als hij erkennen zou dat hij daarmee op de verkeerde weg zit, moet hij zijn schuld erkennen en God onder ogen komen als schuldige. Dat schuwt hij, iets wat de angst nog vergroot en het innerlijk ondermijnt.

Bij Kierkegaard is het niet zo dat het object van de angst per se in relatie staat tot de bron van de angst. De bron van de angst is het gemis aan eeuwigheid. Als iemand die angstig is dit niet beseft, begrijpt hij zichzelf niet in zijn angst. Hij raakt verstrikt in het labyrint van zijn innerlijk en wordt zwaarmoedig. Omdat hij zich verloren weet in de wereld en met zichzelf geen raad weet, kan de angst zich overal op richten. In de angst zit de eeuwigheidsdimensie. Maar juist daarom ontstaat er vaak een wanverhouding. De angst in de mens richt zich op iets wat vrij onbetekenend kan zijn en ontlaadt zich op dat object, met de intensiteit van de vraag naar het eeuwige geluk. De angst doet alsof het object van de angst de werkelijke bron is van de angst en vertelt de mens dat hier de eigenlijke vraag van geluk of ongeluk ligt, terwijl dat niet het geval is. Hier ligt de oorzaak van een idee fixe. Deze berust op een misverstand dat voor degene die eraan lijdt niet helder is. De angst is als een ongeleid projectiel: hij kan zich overal op richten, terwijl de bron de onrust is van de ziel en de oplossing gelegen is in God, de eeuwigheid.

In de zomer gebeurt het soms bij mooi weer dat iemand ‘elektrisch geladen’ is. Als hij in de buurt van een auto komt en deze aanraakt vindt er een ontlading plaats – een vonk schiet over en men voelt een pijnscheut. Wie dit verkeerd interpreteert, zou angstig kunnen worden voor een auto omdat deze een schok teweegbrengt. De werkelijkheid is natuurlijk anders: omdat de persoon ‘spanning’ met zich omdroeg trad deze ‘ontlading’ op. De spanning richtte zich willekeurig op deze auto. Het object had ook anders kunnen zijn. Zo is het met angst en met een idee-fixe: de angst heeft iemand om de tuin geleid. De angst zou verdwijnen als de mens de zinvraag waaraan hij vaak onbewust lijdt, tot een oplossing kon brengen door met God in aanraking te komen. Angst en vertwijfeling komen dus voort uit de discrepantie tussen tijd en eeuwigheid.
Angst en vertwijfeling komen voort uit de discrepantie tussen tijd en eeuwigheid

Maar juist zo heeft bij Kierkegaard angst een ‘functie’: angst kan een opvoedende werking hebben. Daaraan is de voorwaarde verbonden dat men de ‘opvoeding’ van de angst begrijpt. Dat kan alleen als men gelooft. Kierkegaard wijst in Het begrip angst op twee soorten angst: de angst voor het noodlot en de angst voor zonde/schuld. In het eerste geval kan men ook spreken van de angst voor mogelijkheid. Deze angst zorgt ervoor dat iemand geen zekerheid kán vinden in het raam van de tijd. Zelfs Napoleon niet. Op de dag dat hij bij Waterloo slag moest leveren tegen de geallieerden werd hij overvallen door angst: de zon ging anders op dan bij Austerlitz! De eeuwigheid maakte zich geldig ín de angst: de angst was er een symptoom van dat hij geen houvast kon vinden in de tijd en hij ging door de grond. Kierkegaard geeft een ander voorbeeld: iemand zoekt er serieus naar God te dienen. Hij hoort van een kluizenaar die twee jaar op water en brood leefde. Aan het eind ervan kwam hij in een stad en verviel alsnog in dronkenschap. Degene die het verhaal hoort, wordt gegrepen door angst: welke garantie is er dat hij niet ooit zou vallen als die ander? De angst laat hem niet meer los. Elk houvast dat hij tegenover deze mogelijkheid wil stellen, schiet tekort. Zo dwingt de angst hem zijn houvast alleen te vinden in God.

Deze dialectiek van de angst doet zich ook voor met betrekking tot goed en kwaad (zonde). Het kwade heeft iets angstaanjagends. Maar de angst maakt ook dat het kwade als het ware biologeert: iemand komt tot de ontdekking dat er een geheime correspondentie is tussen hem en het zondige dat hij om zich heen ziet. Hij kan (zeker als hij geest heeft) aan zichzelf vertwijfelen, omdat hij merkt dat zijn verweer tegen het kwade tekortschiet. Het kwade is echter zo angstaanjagend dat hij erdoor gebiologeerd raakt. De angst krijgt hem te pakken. De beleving van dit moment van angst is zo angstig dat hij in zichzelf verkrampt raakt. Het moment waarop hij de angst voor het kwade ondervond, is zo angstig dat hij dat niet meer terug wenst: liever de verkramping dan de herbeleving van dat moment. Op die manier verliest hij zijn vrijheid. Dit fenomeen doet zich ook voor als men kwaad, zonde, gedaan heeft. Men raakt erin verstrikt en durft er niet meer uit te komen, omdat men dan opnieuw de angst voor de mogelijkheid om het kwaad te kúnnen doen gaat ondervinden. In vertwijfeling herinnert men zich er geen verweer tegen te hebben

Alleen Christus kan volgens Kierkegaard deze spiraal doorbreken, omdat Hij boven deze angst staat en machtiger is dan het zondige en het demonische. Het geloof helpt om de angst te doorbreken en te benutten: de angst laat geen ander houvast toe dan de macht en de liefde van Christus en in de vergeving van zonde. Zo is de angst een autodidact en tegelijk een theodidact: ‘Wie met betrekking tot de schuld, door de angst wordt opgevoed, zal pas kunnen uitrusten in de verzoening.’2

Noten
1.Aurelius Augustinus, Belijdenissen (vierde druk). Vertaald en ingeleid door Gerard Wijdeveld. Amsterdam: Ambo, 1997, boek 1, 1, 1, p. 29.
2.Søren Kierkegaard, Der Begriff Angst. Düsseldorf: Diederichs, 1952, IV 427, 428, pp. 168 en 169.

Bron : Tijdschriftcdv.nl/inhoud/tijdschrift_artikel/CD-2015-1-141/Soren-Kierkegaard-Kopenhagen-1813-Kopenhagen-1855

 

 

 

“Het loont de moeite om zich te verdiepen in het leven en werk van deze Deense filosoof. Er zij veel parallelen te vinden tussen deze filosoof en St.Augustinus.

Er staat op deze blog een artikel dat ik geschreven heb toen ik in Leuven (1968) filosofie studeerde over het leven en de filosofie van Kierkegaard.
Je kan dit artikel/werk vinden  bij de Categorieën (bovenaan de inlogpagina) bij FILOSOFIE . Vragen en bedenkingen zijn altijd welkom !!! 

Er staat ook een LINK boven het artikel , je kan daar op klikken , en dan kom je ook automatisch op dit werkje.

Je vind er heel wat gemeenschappelijke kentrekken die we ook bij Augustinus tegenkomen.

De onrust bij Augustinus…….

KIERKEGAARD10


De onrust bij de H. Augustinus van Hippo

Door Gabriël Marcel – Frans christelijk filosoof

Wij hebben ons er rekenschap van kunnen geven dat het van een christelijk gezichtspunt uit niets slechts mogelijk, doch zonder de minste twijfel zelfs onvermijdelijk is, een innerlijke rechtvaardiging te vinden voor de onrust, beschouwd als de beweging waardoor de menselijke ziel zich losmaakt van zichzelf en in zekere zin de genade tegemoet streeft terwijl zij elk welgevallen in zichzelf en zelfs in de zichtbare wereld verwerpt. Het is natuurlijk in deze zin dat wij de woorden moeten verstaan van de beroemde aanroeping waarmee de ‘belijdenissen’ van St Augustinus beginnen : ‘Gij zijt groot o Heer, en oneindig prijzenswaardig. Groot is Uw macht en onberekenbaar Uw wijsheid , en de mens, die een nietig deeltje van Uw schepping is wil Uw lof zingen; de mens, die zijn sterfelijkheid overal met zich draagt, die met zich draagt het getuigenis het getuigenis van zijn zonde en het bewijs de Gij de hoogmoedigen weerstaat. En toch wil hij Uw lof zingen, deze mens, dit nietig deeltje van Uw schepping . Gij zijt het, die hem ertoe brengt vreugde te zoeken in het zingen van Uw lof, want Gij hebt ons voor U gemaakt, en onrustig is ons hart totdat het rust in U.’

Maar onmiddellijk daarna vraagt Augustinus zich af, of een dergelijke aanroepng wel zin heeft en of zij zelfs wel mogelijk is. ‘Is er in mij’, zo vraagt hij, ‘een plaats waar mijn God kan komen ? ‘Omdat ik zelf ben, waarom zou ik U dan vragen in mij te komen, terwijl ik er niet zou zijn als Gij niet in mij waart ?… ‘ ‘Ik zou er dus niet zijn, mijn God, ik zou er volstrekt niet zijn als Gij niet in mij waart. Of liever, ik zou er niet zijn als ik niet in U was, van wie, door wie en in wie alle dingen zijn ‘ En terstonds hopen zich de vragen opeen welke voortvloeien uit de schijnbare tegenspraak tussen de goddelijke alomtegenwoordigheid en het feit, dat ik God schijn te vragen in mij te komen, alsof Hij niet reeds in mij was.

Hier worden wij dus wel geplaatst voor een vraagstelling, welke de naam van metaphysieke of religieuze onrust verdient, want het gaat in geen enkel opzicht om gewone speculatieve nieuwsgierigheid. De gestelde vraag raakt op de allerintiemste wijze aan het leven zelf van mijn ziel.

Etienne Gilson zegt in zijn ‘Introduction a l’étude de St Augustin’ dat de grond van deze onrust in werkelijkheid gezocht moet worden in de radicale ontoereikendheid, het wezenlijk tekort waaraan de mens lijdt door zijn hoedanigheid van uit het niets geheven schepsel. ‘Daar hij in de orde van het zijn zichzelf niet genoeg is, kan hij zichzelf ook niet genoeg zijn in de orde van het kennen, noch in de orde van het doen : maar juist dit tekort, waaraan hij lijdt, richt hem op Degene die alleen in staat is hem in alles van overvloed te voorzien. Dit is de bron van de vruchtbare onrust, welke de mens onophoudelijk kwelt, doch hem tevens redt coordat ze hem, die voor God gemaakt is, slechts in God vrede en rust laat vinden.’ St Augustinus merkt in ‘De civitate Dei’ op, dat wij onze eigen wijsheid hadden kunnen voortbrengen als onze natuur door ons zelf gemaakt gemaakt was : ‘onze liefde, die uitging van ons zelf en betrokken en betrokken was op onszelf, was dan genoeg geweest om onze gelukzaligheid te verzekeren, en we geen behoefte hebben gehad aan enig goed, vreemd eid te genieten : maar omdat onze natuur aan God haar aanzijn dankt, is het voor geen twijfel vatbaar dat wij, om de waarheid te leren kennen (ut vera sapiamus) het niet zonder Zijn onderrichting kunnen stellen.’ Hem komt het ons toe ons datgene te verschaffen, wat Augustinus de ‘suavitas intima’ noemt, en wat ik het liefst zou vertalen met de woorden die innerlijke of inwendige balsen’ welke het beginsel is van onze gelukzaligheid

Het is, geloof ik, in dit verband allerbelangrijkst niet te vergeten, dat de zo kennelijke oorspronkelijkheid van Augustinus’denken enerzijds voortvloeit uit het feit dat hij bekeerling was, en dat hij er op deze wijze toe kwam, nadenkend over zijn bekering, een wonderlijk nauwkeurig besef te krijgen van de Genade, van het werk der Genade in ons. De ‘Belijdenissen’ vormen een getuigenis van zeker onovertrokken waarde aangaande dit beslissende feit van de bekering. Van rationalistisch standpunt zal deze altijd onbegrijpelijk blijven, zodat degenen die haar van buitenaf pogen te benaderen, derhalve onherroepelijk geneigd zullen zijn haar natuur te miskennen of zelfs te ontledigen. Er is geen gemene maat en er kan ook geen gemene maat zijn tussen de doorleefde ervaring van de bekeerling en de wijze, waarop iemand deze probeert te verstaan die daar geen deel aan heeft en dus geneigd is er iets anders voor in de plaats te stellen…….

Ik meen mij niet te vergissen als ik zeg, dat de overweging van dit onvermijdelijke verschil van inzicht een der uitgangspunten is van de existentie-filosofie, zoals die zich bij de moderne denkers heeft ontwikkeld. In deze zin heeft men niet zonder grond in St.Augustinus een voorloper kunnen zien van wat men met een barbaars en door mij persoonlijk verworpen woord existentialisme noemt.

Doen deze opmerkingen ons van ons onderwerp afdwalen ? Kennelijk is dat niet waar. Want wij moeten altijd voor ogen houden, dat onrust positieve waarde verkrijgt in het licht van een bewustzijn, dat in zichzelf de werking van de genade heeft bespeurd. Wij zullen dit natuurlijk nog eens opnieuw moeten vaststellen wanneer wij aan de bespreking van Pascal toe zijn.

Maar laten wij intussen nu reeds constateren, dat het omgekeerde niet waar is, tenminste niet waaar schijnt . Er kunnen gevallen zijn waarin de onrust als waardevol wordt gezien, zonder dat hij, die haar weldadige invloed ondergaat en erkent, zichzelf ook maar op enigerlei wijze geraakt acht door de genade. Bij St.Augustinus evenwel en bij zijn geestverwanten is dit verband onmiskenbaar.
Ik moet hieraan toevoegen,dat er rechtstreeks verband bestaat met de evangelische gedachten, die ik in een vorig hoofstuk aanhaalde, als St.Augustinus zich bijvoorbeeld in het achtste boek van zijn ‘Belijdenissen’ op de volgende wijze uitdrukt :

Goede God, hoe kan het toch komen, dat de mens zich nog meer kan verheugen over het heil van een ziel, als hij daaraan wanhoopte en hij haar verlost zag uit een groot gevaar, dan als hij altijd enige hoop omtrent haar lot is blijven koesteren en het gevaar minder ernstig was ?…. Hoe kan het toch komen, dat de ziel meer vreugde ervaart bij het vinden of herkrijgen van wat zij liefheeft, dan bij het voortdurend bezit daarvan ? Vele andere voorbeelden bevestigen dit; alles getuigt luidkeels van alle kanten : zo is het !… Iemand waarvan wij houden is ziek; zijn polsslag leert ons dat hij in gevaar verkeert; allen die zijn genezing wensen zijn tegelijk met hem ziek in hun ziel. De beterschap treedt in. Nu loopt hij rond zonder nochtans zijn oude kracht herwonnen te hebben, en reeds is er een vreugde, zoals er nooit geweest is toen hij vroeger volop sterk en gezond rondliep.’

‘Wat betekent dit, mijn Heer en mijn God ?…. Ach ja, dat Gij verheven zijt in de hoogten en diep in de afgronden ! Nooit verwijdert Gij U van ons, en toch : hoe moeilijk is het tot U te komen !?

Men ziet hier dus weer de Alles overtreffende waard van deze onrust, die de menselijke ziel er toe drijft zonder ophouden van het ene ding te gaan tot het andere (ik citeer hier weer Etienne Gilson)alsof de volledige voldoening, welke de kennis van het ene hem niet geschonken heeft, hem verschaft zou kunnen worden door de kennis van iets anders. In werkelijkheid bestaat er geen vrede, en derhalve ook geen gelukzaligheid voor ons denken, hoe lang het dit onderzoek ook voortzet, zelfs niet in de veronderstelling dat het ons slechts tot de ene waarheid na de andere zou voeren. Wat is de gelukzaligheid immers anders dan dat de ziel staat in tegenwoordigheid van een laatste waarheid, die tegelijk het enige Goed is, omdat zij God is ? Doch dit Goed dat wij begeren, dit Ware waarnaar ons verlangen uitgaat, het is reeds in zeker opzicht in ons, en door beroep te doen op een beschouwing over het geheugen tracht Augustinus ons enigzins een voorstelling te geven, van welke aard deze inwoning van God zou kunnen zijn in de mens die Hem zoekt.

Wij moeten hier de onvergetelijkie bladzijden van het tiende boek van de Belijdenissen bijnemen, waar St.Augustinus, als hij zich gesteld ziet voor het mysterie van het geheugen, geslagen wordt met een waarlijk religieuze verbazing. ‘zelfs als mijn tong zwijgt en mijn keel stil blijft, kan ik zingen naar believen, en al heb ik ook voorstellingen van kleuren, zij komen mij niet in de weg en storen mij niet terwijl ik bezig ben met die andere schat welke mijn oren mij hebben verschaft. Zo kan ik naar believen de indrukken, die de andere zintuigen mij gebracht en in mij vergaard hebben weer aan mij voorbij laten gaan. Dit alles speelt zich in mijn binnenste af, in het weidse paleis van mijn geheugen…. Groot, mijn God, is deze macht van het geheugen…. ; ja zeker, zeer groot. Het is een geweldig, een onmetelijk heiligdom. Wie is ooit tot de uithoeken ervan doorgedrongen ! Toch is het iets anders dan een vermogen van mijn geest, dat voortvloeit ui mijn natuur.

Maar ik kan mij niet volledig voorstellen wat ik ben. Is de geest dan te eng om zichzelf te kunnen bevatten ? Waar blijft dan datgene wat hij van zichzelf niet bevatten kan ? Zou dit dan buiten hem zijn en niet in hem ? Maar op welke wijze bevat hij het niet ? Deze gedachte doet mij geheel verbaasd staan, en ik voel mij met verbijstering geslagen.

Ik ben dus als het ware wezenlijk ongelijk aan mijzelve; ik ben te groot voor mij. Als hij dieper doordringt in dit mysterie komt St.Augustinus om te beginnen tot de erkentenis, dat God zelf op zekere wijze in ons geheugen aanwezig is. Dit echter zou natuurlijk ondenkbaar zijn, wanneer ons geheugen iets was dat dingen bevat. Het geheugen moet in ons meer zijn dan wijzelve, zodanig dat wij tenslotte God vinden in God. ‘In ‘De Trinitate’ komt St.Augustinus derhalve tot de uitspraak, dat de ziel, wanneer zij zich haar Heer herinnert omdat zij de Geest ontvangen heeft, dan heel goed beseft dat zij onderricht wordt door het inwendig leergezag dat Hij over haar uitoefent. Omdat God overal in Zijn totaliteit tegenwoordi is, leeft en beweegt zich de ziel in Hem, en zo kan zij zich Hem ook herinneren.

Derhalve zouden wij God dus niet liefhebben, als Hij ons niet eerst bemind had. Er bestaat geen enkele andere leer die volstrekter beheerst wordt door de gedachte dat God liefde is, en men heeft terecht wel eens gezegd dat een leer augustiniaans is, naarmate zij vollediger geneigd is haar organisch middelpunt te zoeken in de liefde.

Het is dus heel duidelijk dat de onrust hier slechts een gissingsmiddel is, of anders gezegd een zuurdesem, zonder welke de ziel zich niet werkelijk zou kunnen bekeren. Want deze zuurdesem is evenzeer het werk van God, dat de Genade verricht in de diepten bvan het schepsel.

Gabriël Marcel (1889–1973) was een filosoof, toneelcriticus, toneelschrijver en muzikant. Hij bekeerde zich in 1929 tot het katholicisme en zijn filosofie werd later beschreven als “Christelijk existentialisme” (het meest bekend in Jean-Paul Sartre’s “Existentialisme is een humanisme”), een term die hij aanvankelijk onderschreef maar later verwierp.
Dit artikel is genomen uit één van zijn boeken : ‘De mens zichzelf een vraagteken’ pp 100 tot 105.

HIPPO20

 

ENGELSE TEKST VAN DIT ARTIKEL

The unrest of Saint Augustine of Hippo

Lees verder “De onrust bij Augustinus…….”

Augustinus : een reus van het geloof…..

f797dcf5ea2d9a7db0b0657e47efc878

Augustinus van Hippo, een reus van het geloof

Augustinus van Hippo (354-430) was een christelijke filosoof en theoloog uit Noord-Afrika. Hij bekeerde zich als volwassene tot het christendom en droeg in hoge mate bij aan de totstandkoming van de leer ervan. Hij is een van de Kerkvaders.

door Claire Lesegretain

SINT10

Wie was hij?
Geboren in 354 in Tagaste – nu Souk-Ahras, Algerije – ontving Augustinus bij zijn geboorte de “voorbereidende riten” van het doopsel, volgens Het leven van Sint Augustinus, geschreven door zijn leerling Possidius van Calame. Zijn moeder, Monique, voedde hem op in het christelijk geloof. Hij stond bekend om zijn scherpe intelligentie en ging retorica studeren in Carthago. Daar raakte hij bevriend met een metgezel die hem een kind schonk: Adéodat (Dieudonné) die op 18-jarige leeftijd stierf. Ambitieus begon Augustinus aan een vurige zoektocht naar de waarheid, verleid door de zoektocht naar genoegens en vervolgens door het manicheïsme dat hij negen jaar lang frequenteerde.

In 383 verliet hij Carthago voor Rome en vervolgens voor Milaan, waar hij een leerstoel kreeg en waar zijn moeder zich bij hem voegde. Augustinus, die er een gewoonte van maakte om ’s zondags naar bisschop Ambrosius te luisteren, vroeg zich af hoe het met Christus zat… Tot die beslissende dag in augustus 386 – zoals hij vertelde in zijn Belijdenissen – toen een kinderliedje hem opdroeg de brieven van de heilige Paulus “op te nemen en te lezen”.

Na een retraiteperiode van enkele maanden ontving Augustinus in de paasnacht van 387 het doopsel uit de handen van Ambrosius. Vastbesloten om terug te keren naar Afrika, ervoeren hij en Monica een mystieke extase terwijl ze wachtten om aan boord te gaan in Ostia – die hij de “contemplatie van Ostia” noemde. Een paar dagen later stierf zijn moeder op 56-jarige leeftijd.

Augustinus en zijn metgezellen keerden in 388 terug naar Tagaste en vestigden zich op de familieboerderij en stichtten een gemeenschap. In 391 werd hij tot priester gewijd en vijf jaar later tot bisschop van Hippo (in de buurt van het huidige Annaba, in Algerije). Augustinus legde zijn geestelijken een bescheiden levenswijze op, die hij als voorbeeld stelde. Hij was “een voorbeeldige bisschop in zijn pastorale werk, met aandacht voor de armen en voor de vorming van zijn geestelijkheid, stichter van kloosters”, benadrukte Benedictus XVI in het portret dat hij in januari 2008 van de heilige Augustinus tekende.

Het was in Hippo dat hij zijn grote werken schreef: De Bekentenissen (397-400); van de Drie-eenheid (410-416); De stad van God (410-426)… Het was ook van Hippo dat hij vocht tegen de Manicheeërs (387-400), de Donatisten (392-412) en de Pelagianen (412-430). Augustinus was een van de belangrijkste figuren van het christendom van die tijd geworden en stierf in 430, tijdens het beleg van Hippo door de Vandalen. Zijn lichaam werd naar Sardinië vervoerd, voordat het rond 725 naar Pavia werd vervoerd, waar het nog steeds wordt bewaard in de basiliek van San Pietro in Ciel d’Oro. Augustinus werd in 1298 bij acclamatie heilig verklaard en in hetzelfde jaar door paus Bonifatius VIII erkend als kerkleraar.

Wat is het filosofische en theologische belang van de heilige Augustinus?

De Augustijner geleerde, Henri-Irénée Marrou, placht te zeggen: “Zestien eeuwen scheiden ons van deze man; Zestien eeuwen verenigen ons met Hem. Zijn Bekentenissen, deze “buitengewone spirituele autobiografie die veel aandacht schenkt aan het mysterie van God dat in ons verborgen is”, stelt ons volgens Benedictus XVI in staat de innerlijke reis te volgen van een man die gepassioneerd is door God.

In De stad van God – geschreven tussen 413 en 416, als reactie op de aanvallen van heidenen die het christendom ervan beschuldigden de oorzaak te zijn van de val van Rome in 410 – recapituleert Augustinus de geschiedenis van de mensheid, geregeerd door de Voorzienigheid maar verdeeld over twee liefdes die aan de oorsprong liggen van twee steden: de aardse stad, geboren uit eigenliefde en onverschilligheid voor God, en de hemelse stad, geboren uit liefde voor God en onverschilligheid voor zichzelf. Augustinus verduidelijkt ook wat het terrein is van het tijdelijke en wat het terrein van het geloof is.

« Augustinus van Hippo bleef aanwezig in het leven van de Kerk en in de geest en cultuur van het hele Westen Johannes Paulus II had eerder in Augustinum Hipponensem de Apostolische Brief geschreven die hij in 1986 aan deze Kerkleraar opdroeg, voor de 16een honderdste verjaardag van zijn bekering. In feite stond Augustinus het christendom toe om het Griekse erfgoed – met een allegorische lezing van de Schrift gekoppeld aan het neoplatonisme – en het Romeinse erfgoed – te integreren door een deel van de Romeinse Republiek op te nemen. Hij veranderde het begrip rechtvaardigheid, maakte een duidelijk onderscheid tussen goed en kwaad, en droeg bij aan “de vorming van de moderne identiteit” – aldus de Canadese filosoof Charles Taylor. Hij ontwikkelde ook de grote filosofische vragen zoals verlangen, zelfkennis, innerlijkheid, herinnering… en tijd.

Op theologisch niveau drong Augustinus aan op goddelijke transcendentie, in de diepten van elk ervan: “Je was intiemer dan de intimiteit van mijzelf, en hoger dan de toppen van mezelf” Belijdenissen. Deze woorden zijn nog steeds actueel, zoals in 2003 bleek uit de lezingen van de Bekentenissen van Gérard Depardieu in Parijs en Straatsburg, en de publicatie van zijn volledige werken in La Pléiade (1).

Hoewel hij ertoe heeft bijgedragen dat de liefde in het christendom op de voorgrond is getreden, wordt Augustinus er toch van beschuldigd dat hij een wantrouwen jegens het vlees op het Westen heeft overgebracht – met het begrip “zonde van het vlees” dat hij van de neoplatonisten heeft overgenomen. Het is aan hem dat we de uitdrukking “erfzonde” te danken hebben om te zeggen dat ieder mens, vanaf zijn geboorte, deel uitmaakt van een menselijke geschiedenis die gekenmerkt wordt door de verwerping van God.

In welk opzicht is Augustinus vandaag de dag nog steeds belangrijk?

Volgens Marcel Neusch, een theoloog van de Assumptionisten (1935-2015), bestaat de spiritualiteit van Augustinus uit niets anders dan het maken van de waarheid over het eigen leven en het richten ervan op het ware welzijn ervan.

En deze zoektocht naar waarheid heeft zeven elementen:

1. De drijvende kracht achter de zoektocht naar waarheid is verlangen, liefde;
2. Deze zoektocht wordt gedaan door een pad te volgen dat van buiten naar binnen gaat, van het lagere (de gemakkelijke genoegens) naar het hogere (ware zelfrealisatie);
3. Deze zoektocht is het werk van genade. De mens kan geen enkele eer voor zichzelf opeisen;
4. Deze zoektocht vereist aandacht voor de tekenen die God maakt door anderen, gebeurtenissen, lezingen… Maar God spreekt ook binnenin, en het is het geloof dat zich opent voor Zijn waarheid;
5. Deze zoektocht vereist onderscheidingsvermogen, dat wordt gedaan door dialoog met ervaren mensen;
6. De gemeenschap is de bevoorrechte plaats om de toewijding om Christus te volgen te verifiëren;
7. De zoektocht naar de waarheid moet apostolische urgentie opwekken.

Wat het religieuze leven betreft, bleef Augustinus zeer belangrijk, aangezien veel ordes of congregaties onder het gezag van zijn heerschappij leefden, vooral de Assumptionisten

Bron : la-croix.com/Abonnes/Theologie/Augustin-dHippone-geant-foi-2019-03-15-1701008983

Augustinus (354 – 430)
Een theoloog tussen twee werelden

door André Larané

 

Bas10

 

Augustinus van Hippo is de meest fascinerende christelijke theoloog die er is en misschien wel de belangrijkste na Paulus van Tarsus.

Augustinus, geboren aan het einde van het Romeinse Rijk, was getuige van de grote invasies en de verovering van Rome door de Visigotische Alarik. Hij had het gevoel dat een hele wereld om hem heen instortte en dit gevoel zou zijn geschriften doordringen.

Een jonge man aangetrokken door sensualiteit

Augustinus werd in 354 geboren in Tagaste, in een Romeinse provincie die bestond uit het huidige Algerije en Tunesië, als zoon van een heidense en libertijnse vader en een christelijke en vrome moeder, Monica. Hij leidde een leven van plezier voordat hij zich op 32-jarige leeftijd bekeerde, naar het voorbeeld van zijn moeder.

Hij vertelt in de Bekentenissen = belijdenissen) dat hij, overmand door twijfels in de tuin van zijn huis in Milaan, een kind in de aangrenzende tuin hoorde zingen: “Tolle, lege, tolle, lege!” (“Neem en lees! Neem en lees! in het Frans). Hij wierp zijn blik op een boek dat zijn vriend Alypius opensloeg en las vervolgens een brief van de heilige Paulus aan de Romeinen: “Laten we eerlijk leven, als op klaarlichte dag, zonder gulzigheid of drank… Laten we, als we ons in een nieuw kleed kleden, Christus aandoen en ons geen zorgen maken over ons lichaam.” Dit besliste zijn bekering en hij werd gedoopt door Ambrosius, de bisschop van Milaan.

Volgens de legende vroeg de jongeman op een dag aan Ambrosius of de wekelijkse rust op zaterdag moest worden gevierd zoals in Milaan of op zondag zoals in Rome. Hij tekende een antwoord dat spreekwoordelijk is geworden: “Doe in Rome zoals de Romeinen deden”.
Augustinus werd al snel tot bisschop van Hippo gekozen en speelde tot aan zijn dood een centrale rol in de Kerk, vooral door zijn prediking, brieven en geschriften.

Een lucide analist van zijn tijd

In de eerste eeuwen van het christendom geloofden gelovigen dat het einde van de wereld en het Laatste Oordeel op handen waren. Ze zagen geen belang in het handhaven van de sociale orde. Het celibaat, de kuisheid en de weigering om de wapens te dragen getuigden van een letterlijke lezing van de evangeliën en de leer van de heilige Paulus.

Sint-Augustinus geschrift (anoniem van de vijftiende eeuw, Dijon Museum)In de tijd van Augustinus zijn wij er niet meer. Het einde van de wereld staat niet meer op de agenda. Aan de andere kant lijkt het christendom stevig verankerd te zijn in het Romeinse Rijk. Keizer Theodosius erkende het overwicht ervan en riep het in 392 uit tot de officiële religie.

Tegen degenen die het bijbelse gebod letterlijk nemen: “Gij zult niet doden”, legitimeert hij het concept van een “rechtvaardige oorlog”. Op zoek naar het juiste evenwicht streed hij met zijn pen tegen de sektarische tendensen die in de eerste eeuwen in het christendom floreerden.

Augustinus stierf op 76-jarige leeftijd, op 28 augustus 430, terwijl de Vandalen van Genserik zijn goede stad Hippo belegerden. Zijn immense werk (meer dan dertigduizend pagina’s) rangschikt hem onder de grootste leraren van de Kerk; Hij is de patroonheilige van de theologen.

Bron : https://www.herodote.net/Un_theologien_entre_deux_mondes-synthese-207.php

Augustinus : Onophoudelijk bidden…

4dd87ac4332bc813236609ec2819b08b (1)

NOSTRUM

“Je verlangen is gebed; en als je verlangen voortdurend is, is je gebed voortdurend. Daarom, is het niet tevergeefs dat de apostel zei: Het is niet voor niets dat de apostel Paulus zegt: “Bid zonder ophouden”. Zullen we dan altijd met onze knieën op de grond zitten, onze lichamen neergebogen, onze handen opgeheven? Handen omhoog, zodat hij tegen ons zegt: “Bid zonder ophouden”? Als we dat bidden noemen, denk ik niet dat we het zonder kunnen. Ik denk niet dat we het zonder onderbreking kunnen doen. Maar er is een ander gebed in de ziel  voor onophoudelijk bidden, wat verlangen is. Wat je ook doet, je houdt niet op met bidden, als je verlangt naar de rest van de hemel. Dus als je je gebed niet wilt onderbreken, onderbreek dan je verlangen niet.  Een onophoudelijk verlangen is een voortdurende stem”….

(Augustinus van Hippo, Vertoog over Psalm 37, 14, Vertoog over de Psalmen, Les éditions du Cerf, Col. Sagesses chrétiennes, 2007, p. 553)

Vertaald met DeepL.com (gratis versie)

Augustinus :Ik ben een goede leraar zolang ik student blijf…..

12 LERINGEN VAN AUGUSTINUS

1 -Ik ben een goede leraar zolang ik student blijf.

2 – Verwacht niet dat je van mij alle antwoorden krijgt die je nodig hebt. Ik ben geen perfecte leraar, ik leer gewoon elke dag nieuwe dingen, in de oefening van het lesgeven.

3- De ware leraar is altijd bereid om gecorrigeerd te worden.

4- Een man met een normaal lichaam en een misvormde geest is beklagenswaardiger dan wanneer hij volledig misvormd zou zijn.

5-Waarheid is het voedsel van de ziel.

6-Er gaat niets verloren terwijl we aan het zoeken zijn.

7 – Het maakt niet uit hoeveel je doet, het gaat erom hoeveel je liefhebt.

8- Liefde, zoals een vreugdevuur, hoe meer het brandt, hoe meer het brandt.

9-Als de wil compleet is, wordt werk vrije tijd.

10 – Gedeelde pijn is pijnverlichting.

11 – Een valse nederigheid is verfijnde trots.

12 – Als je aalmoezen geeft met verdriet, verlies je aalmoezen en liefde.

 

Bron : diocesedeformosa.com.br/artigos/os-12-ensinamentos-de-santo-agostinho/

De regel van Augustinus…….

H.-Augustinus-van-Hippo2

De regel van Augustinus met commentaar

Inleiding op de regel van Augustinus

Augustinus (354-430) is bekend als onrustig zoeker naar waarheid, als bekeerling, als bisschop en als geleerde. Hij is minder bekend als monnik. Toch kan men zijn persoonlijkheid slechts ten volle begrijpen wanneer men voor ogen houdt dat hij na zijn bekering niets anders wilde zijn dan dienaar Gods, wat voor hem “monnik” betekende. Als monnik heeft hij geleefd, ook toen hij priester was en later zelfs als bisschop. Maar er is meer. Hij heeft ook een meer dan gewone invloed uitgeoefend op het christelijke ideaal van het religieuze leven door het schrijven van de oudste, bewaarde kloosterregel van het westen. Daardoor heeft hij een zeer grote betekenis gehad voor de ontwikkeling van het latere westerse religieuze leven.

Maar in de loop van de eeuwen hebben verschillende kloosterregels de naam van Augustinus gedragen: een Regel voor vrouwen (Regularis informatio), een Regel voor mannen (Praeceptum) en een Reglement voor een klooster (Ordo monasterii). Deze zijn in niet minder dan negen verschillende vormen overgeleverd. Maar de laatste onderzoekingen hebben uitgewezen dat slechts één ervan op Augustinus zelf teruggaat. Vooral Luc Verheijen o.s.a. heeft op dit gebied baanbrekend werk verricht. Na jarenlang onderzoek heeft hij ons een kritische Latijnse tekst van de Regel van Augustinus bezorgd in zijn tweedelig monumentaal werk: La Règle de saint Augustin, Parijs, 1967. Het is op deze tekst dat wij onze Nederlandse vertaling (zowel in vrouwelijke als in mannelijke vorm) gebaseerd hebben.

INVLOED

biesbroeck

De invloed van de Regel van Augustinus blijkt uit het feit dat er veertien handschriften van voor het jaar 1000 bewaard gebleven zijn, waarvan het oudste dateert uit de zesde eeuw. Die invloed laat zich ook aflezen uit het gebruik dat schrijvers in Gallië, Spanje en Italië, in de twee eeuwen volgend op Augustinus’ dood, van de Regel van Augustinus gemaakt hebben. Bij het samenstellen van richtlijnen voor mannelijke of vrouwelijke religieuzen in hun omgeving halen zij bepaalde gedeelten uit de Regel van Augustinus aan. De bekendsten onder hen zijn: Fulgentius van Ruspe (462/8-527/33), Caesarius van Arles (ca. 470-542), Leander van Sevilla (ca. 545-600/1), Isidorus van Sevilla (ca. 560-636), de schrijver van de Regel van de Magister en Benedictus van Nursia.

Ilse

De Regel van Augustinus werd dus overgeschreven en raakte aldus wijd verspreid. Dit bewijst alleszins dat er mensen waren die leefden van de inspiratie die de Regel bood. Maar we mogen ons dit niet te eenzijdig voorstellen. Voor het jaar 1000 werd de Regel van Augustinus altijd samen met andere Regels en monastieke documenten overgeleverd. Zo vloeiden verschillende religieuze stromingen samen in één grote traditie. Deze traditie van de Vaders werd als één geheel aan de toenmalige kloosterlingen als inspiratiebron aangeboden. Slechts tussen de negende en de elfde eeuw verschijnt de Regel van Augustinus als alleen geldende leefregel voor een bepaalde groepering van kloosterlingen. Juist die eeuwen vormen de periode waarin een hervorming van het monastieke leven en van de diocesane clerus werd doorgevoerd. In die hervorming speelde de Regel van Augustinus een belangrijke rol en werd hij door verschillende groepen aangenomen als alleengeldende leefregel

Karakter van de Regel

BOUD

De Regel geeft duidelijk de indruk een samenvatting te zijn van mondelinge conferenties die Augustinus voor zijn monniken hield. Hij is een soort beginselverklaring. De ideeën zijn er niet uitgewerkt, maar op een erg bondige manier weergegeven. Zij worden als bekend verondersteld. Daarom moet men al vertrouwd zijn met Augustinus’ andere werken om tot de diepere betekenis van de korte zinnen van de Regel door te dringen. De parallelteksten uit de andere werken moeten het geheel van de Regel verhelderen en doorzichtig maken. Voor Augustinus’ volgelingen is de Regel ongetwijfeld een samenvatting geweest om het geheugen op te frissen.

De Regel van Augustinus beslaat weinig bladzijden en heeft vooral de bedoeling enkele gedachten aan te bieden die inspirerend kunnen werken. Deze gedachten steunen vooral op de H. Schrift. In de korte tekst van de Regel zijn minstens vijfendertig verwijzingen naar de Schrift aanwezig, acht naar het Oude Testament en zevenentwintig naar het Nieuwe Testament. De tekst van de Regel is daarom een treffend voorbeeld van bijbelse stijl. Zelfs de meest eenvoudige zinnen zijn doorweven met bijbelse ideeën, die de grondinspiratie dragen. In deze verwijzingen naar de Heilige Schrift treedt ook Augustinus’ eigen visie en spiritualiteit aan het licht, want de bijbelse gedachten waar hij de nadruk op legt, zijn voor hem de dierbare bronnen waaruit hijzelf leefde. Juist deze bijbelse en evangelische grondslag vormt de blijvende structuur van de Regel, die de waarde ervan blijft verzekeren door de wisselende tijden en culturen heen.

TRUUS

De grondideeën van de Regel zijn opgebouwd rond het ideaal van de eerste gemeente van Jeruzalem uit Hand. 4, 31-35. Daardoor komen liefde en gemeenschap centraal te staan: een goed gemeenschapsleven is niets anders dan het in praktijk brengen van de liefde. Het valt onmiddellijk op hoe weinig concrete voorschriften of detailwetten in de Regel gegeven worden. Het gaat nergens om details, maar om de kern van de dingen en het hart van de mens. Vandaar de weg van de verinnerlijking die in de Regel herhaaldelijk toegepast wordt: het uiterlijke alleen is niet genoeg, het uiterlijke moet het symbool worden van het innerlijke. Het uiterlijke mag niet leeg blijven, maar moet bezield zijn. Een ander kenmerk dat hiermee samenhangt, is de nagenoeg totale afwezigheid van nadruk op het “ascetisme”, dat wil zeggen de beoefening van ascese in de materiële zin zoals het zich ontzeggen van eten en drinken of allerhande vormen van zelfkastijding. Het accent verschuift meer naar het leven in gemeenschap als overwinning op de zelfzucht. De Regel vraagt ons alle aandacht te laten uitgaan naar de onderlinge liefdesrelaties.

sikro

STRUCTUUR

Hoofdstuk I: Het grondideaal: liefde en gemeensch

De eerste gemeente van Jeruzalem als model: één van hart en één van ziel op weg naar God – Leef één van hart en één van ziel samen en eer in elkaar God. Gemeenschap van goederen als eerste verwezenlijking van leven in gemeenschap. Leven in gemeenschap is geen blinde uniformiteit, maar eist de erkenning van ieders persoonlijke geaardheid. Nederigheid en hoogmoed als positieve en negatieve factor in het gemeenschapsleven.

Hoofdstuk II: Gebed en gemeenschap

Vaste tijden voor gemeenschappelijk gebed. Mogelijkheid tot individueel gebed. De grondwet van het bidden. Praktische richtlijnen voor het zingen van psalmen en hymnen.

Hoofdstuk III: Gemeenschap en zorg voor het lichaam
Soberheid in eten en drinken. Lezing onder de maaltijd. Ook hier: verschil in behandeling naargelang de persoon. De zorg voor zieken.

Hoofdstuk IV: Gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor elkaar
Algemene richtlijn voor een onberispelijk gedrag. Toegespitst op de innerlijke houding tegenover de andere sekse. Gezamenlijke verantwoordelijkheid voor elkaars fouten. Deze verantwoordelijkheid moet zich uiten in terechtwijzing. Procedure van terechtwijzing. Deze handelwijze geldt ook als model bij alle andere fouten.

Hoofdstuk V: Onderlinge dienstverlening

Gemeenschap en kleding. Zorg voor het belang van de gemeenschap als criterium van vooruitgang. Publieke baden en de zorg voor zieken. Voor elkaar zorgen in alle lichamelijke behoeften.

Hoofdstuk VI: Liefde en conflict

Laat ruzie niet uitgroeien tot haat. Wederzijds elkaar vergiffenis schenken. Houding tegenover minderjarigen in het klooster.

Hoofdstuk VII:

Liefde in gezag en gehoorzaamheid
Gehoorzaam aan uw overste. Taak van de overste: dienen in liefde, leiding geven, voorbeeld zijn. Gehoorzaamheid als daad van mede-lijdende liefde.

Hoofdstuk VIII: Slotaansporing
Verlangen naar geestelijke schoonheid. Levende propaganda zijn voor Christus. Vrij onder de genade. Als in een spiegel

tsoepDe regel van Augustinus

Hoofdstuk I

U die een kloostergemeenschap vormt, dragen wij op het volgende na te leven.

  1. Allereerst moet u eensgezind tezamen wonen (Ps. 68/67,7), één van ziel en één van hart (Hand. 4,32) op weg naar God. Want is dat juist niet de reden waarom u samen bent gaan leven?

2. Allereerst moet u eensgezind tezamen wonen (Ps. 68/67,7), één van ziel en één van hart (Hand. 4,32) op weg naar God. Want is dat juist niet de reden waarom u samen bent gaan leven?

3. Bij u mag er geen sprake zijn van persoonlijk eigendom. Zorg er integendeel voor dat alles onder u gemeenschappelijk is. Uw overste moet ieder van voedsel en kleding voorzien. Niet dat hij iedereen evenveel moet geven, want u bent niet allen even sterk, maar aan elke persoon moet gegeven worden wat hij persoonlijk nodig heeft. Zo leest u immers in de Handelingen van de Apostelen: “Zij bezaten alles gemeenschappelijk en ieder kreeg wat hij nodig had” (Hand. 4,32 en 35).

4. Zij die in de wereld iets bezaten, moeten er prijs op stellen dat dit, bij hun intrede in het klooster, van de gemeenschap wordt.

5. Maar zij die niets bezaten, moeten in het klooster niet gaan streven naar dat wat zij daarbuiten niet konden bereiken. Wel moet men hun zwakheid tegemoet komen door hun alles te verschaffen wat zij nodig hebben, ook al waren zij vroeger zo arm dat zij niet eens over het allernoodzakelijkste konden beschikken. Zij mogen zich echter niet gelukkig prijzen om het feit dat zij nu voedsel en kleding vinden, die tevoren buiten hun bereik lagen.

6. Zij mogen er evenmin groot op gaan dat zij nu omgang hebben met mensen die zij vroeger niet durfden benaderen, maar hun hart moet naar het hogere zoeken en niet naar aardse schijn. Als in de kloosters rijke mensen nederig en arme mensen verwaand worden, dan zouden de kloosters alleen maar van nut blijken voor rijke mensen, maar niet voor arme.

7. Van de andere kant mogen zij die in de wereld iets schenen te betekenen, niet uit de hoogte neerzien op hun broeders die vanuit een armoedig bestaan tot deze religieuze gemeenschap zijn toegetreden. Zij moeten ervoor zorgen veeleer trots te gaan op het samenleven met arme broeders dan op de maatschappelijke rang van hun rijke ouders. Ook mogen zij geen hoge dunk van zichzelf hebben omdat zij een deel van hun vermogen ter beschikking van de gemeenschap gesteld hebben. Anders zou de nietige mens nog meer ten prooi vallen aan hoogmoed door de gemeenschap in zijn rijkdom te laten delen dan door er zelf in de wereld van te genieten. Want terwijl iedere ondeugd tot uiting komt in het stellen van slechte daden, bedreigt de hoogmoed bovendien zelfs goede daden om deze te vernietigen. En wat voor zin heeft het zijn eigen bezit aan de armen uit te delen en zelf arm te worden, wanneer afstand doen van rijkdom iemand hoogmoediger zou maken dan het bezitten van een fortuin?

8. Leef dus allen één van ziel en één van hart (Hand. 4,32) samen en eer in elkaar God, want ieder van u is zijn tempel geworden (2 Kor. 6,16).

Hoofdstuk II

1. Volhard trouw in het gebed (Kol. 4,2) op de vastgestelde uren en tijden.

2. De gebedsruimte mag nergens anders voor gebruikt worden dan waarvoor zij bestemd is, want zij draagt die naam niet voor niets. Dan kan ieder die misschien ook buiten de vastgestelde uren wil bidden, er in zijn vrije tijd terecht zonder gestoord te worden door iemand die daar eigenlijk niets te maken heeft.

3. Wanneer u in psalmen en liederen tot God bidt, moeten de woorden die u uitspreekt ook in uw hart leven.

4. Houd u bij het zingen aan de tekst en zing niet wat niet bestemd is om gezongen te worden.

truusje

Hoofdstuk III

1. Bedwing uw lichaam door vasten en onthouding van eten en drinken voorzover uw gezondheid het toelaat. Wie niet zonder voedsel kan tot de hoofdmaaltijd, die tegen de avond plaats heeft, mag tevoren iets gebruiken, maar alleen rond het middaguur. Maar zieken mogen altijd iets gebruiken.

2. Luister van het begin tot het einde van de maaltijd naar de gebruikelijke lezing zonder lawaai te maken of te protesteren tegen de heilige Schrift. Want u moet niet alleen uw gewone honger stillen, maar ook hongeren naar het woord van God (Amos 8,11).

3. Sommigen zijn zwakker ten gevolge van een andere opvoeding. Als er voor hen aan tafel een uitzondering wordt gemaakt, behoren de overigen die vanwege een andere levenswijze sterker zijn, dat niet kwalijk te nemen of onrechtvaardig te vinden. Zij moeten niet denken dat de anderen gelukkiger zijn, omdat die beter voedsel krijgen dan zijzelf. Zij moeten er eerder blij om zijn dat zij tot iets in staat zijn wat de anderen niet aankunnen

4. Sommigen waren voor hun intrede een comfortabel leven gewend en ontvangen daarom wat meer voedsel of kleren, een beter bed of meer dekens. De anderen die sterker en daarom gelukkiger zijn, krijgen dat niet. Maar besef dan wel hoeveel die medebroeders nu moeten missen vergeleken bij hun vroegere levensomstandigheden, ook al kunnen zij niet dezelfde soberheid opbrengen als zij die lichamelijk sterker zijn. Niet iedereen moet willen hebben wat hij een ander meer ziet krijgen. Dat gebeurt immers niet om iemand voor te trekken, maar alleen om hem te ontzien. Anders zou in het klooster de verwerpelijke wantoestand ontstaan dat de armen een gemakkelijk leventje gaan leiden, terwijl de rijken zich alle mogelijke inspanningen getroosten.

5. Zieken moeten vanzelfsprekend aangepast voedsel krijgen; anders zou men de ziekte verergeren. Wanneer zij beter zijn, moeten zij goed verzorgd worden zodat ze zo vlug mogelijk herstellen, ook al behoorden zij vroeger tot de armste klasse van de maatschappij. Tijdens de herstelperiode behoren zij hetzelfde ontvangen als wat de rijken toegestaan wordt vanwege hun vroegere levenswijze. Maar als zij weer op krachten gekomen zijn, moeten ze opnieuw gaan leven zoals vroeger, toen ze gelukkiger waren omdat ze minder nodig hadden. Hoe soberder een levenswijze, hoe beter zij past bij dienaren van God.
Als een zieke genezen is, moet hij ervoor oppassen niet de slaaf te worden van eigen genoegens; hij moet weer afstand kunnen doen van de voorrechten die zijn ziekte meebracht. Zij die het gemakkelijkst sober kunnen leven, zullen zich de rijkste mensen achten. Want weinig nodig hebben is beter dan veel bezitten.

Hoofdstuk IVaugustaaf

1. Ga niet opvallend gekleed. Probeer niet door uw kleding in de smaak te vallen, maar door uw levenshouding.

2. Als u uitgaat, ga dan niet alleen en blijf bijeen als u op de plaats van bestemming bent gekomen.

3. Uw gaan en staan, heel uw gedrag mag niemand aanstoot geven, maar moet in overeenstemming zijn met een heilige levenswijze.

4. Wanneer u een vrouw ziet, blijf haar niet uitdagend aankijken. Natuurlijk kan niemand u verbieden vrouwen te zien, maar wel is het verkeerd een begeerte naar een vrouw te koesteren of te willen dat zij u begeert (vgl. Mat. 5,28). Want niet alleen een gebaar van genegenheid, ook de ogen wekken in man en vrouw de begeerte naar elkaar.

Zeg dus niet dat uw innerlijke houding goed is, als uw ogen begeren haar te bezitten, want het oog is de bode van het hart. En als men elkaar verkeerde bedoelingen laat blijken, ook zonder woorden, alleen maar door naar elkaar te kijken, en men genot vindt in elkaars hartstocht, al is het niet in elkaars armen, dan is er van echte reinheid, namelijk die van het hart, al geen sprake meer.

5. Trouwens wie zijn ogen niet van een vrouw af kan houden en graag haar aandacht trekt, moet niet denken dat anderen dit niet zien. Natuurlijk zien zij het; zelfs mensen van wie je het niet verwacht, merken het. Maar al blijft het verborgen en ziet geen mens het, wat dan te beginnen met God die het hart van iedere mens kent (Spr. 24,12) en voor wie niets verborgen is? Of moet men denken: God ziet het niet (Ps. 94/93,7), omdat Hij naarmate zijn wijsheid die van mensen te boven gaat, ook meer geduld tegenover de mens aan de dag legt? Een religieus moet bang zijn God in zijn liefde te krenken (Spr. 24,18). Omwille van deze liefde moet hij bereid zijn een zondige liefde tot een vrouw op te geven. Wie bedenkt dat God alles ziet, zal geen vrouw met zondige gevoelens willen aankijken. Want het woord van de Schrift “De Heer verafschuwt een begerig oog” (Spr. 27,20) drukt ons juist op dit punt ontzag voor Hem op het hart.

6. Weet u daarom verantwoordelijk voor elkaars zuiverheid, als u in de kerk samen bent of overal elders waar u in het gezelschap van vrouwen bent. Dan zal God die in u woont (2 Kor. 6,16), door uw verantwoordelijkheid voor elkaar over u waken.

7. Als u deze uitdagende blik waarover ik spreek bij een medebroeder opmerkt, waarschuw hem dan terstond, opdat het begonnen kwaad niet erger wordt, maar hij zijn gedrag zo snel mogelijk betert.

8. Ziet men hem na zo’n waarschuwing, of wanneer dan ook, toch weer hetzelfde doen, dan moet ieder die dat merkt hem beschouwen als een zieke die een behandeling nodig heeft. Het staat dan niemand meer vrij te zwijgen. Maar eerst moet u één of twee andere personen op de hoogte brengen om hem met twee of drie van zijn fout te kunnen overtuigen (Mat. 18,15-17) en met gepaste gestrengheid tot de orde te roepen. U mag niet denken dat u handelt uit kwaadwilligheid door dit te doen. Integendeel, u laadt schuld op uzelf als u door te zwijgen uw broeders hun ondergang tegemoet laat gaan, terwijl u hen op de goede weg zou kunnen brengen door te spreken. Stel bijvoorbeeld dat uw broeder een lichamelijke wonde had en die uit vrees voor een medische behandeling verborgen wilde houden; zou het dan niet harteloos zijn erover te zwijgen? En zou het daarentegen niet van medeleven getuigen dit bekend te maken? Hoeveel groter is dan niet uw plicht iemands toestand bekend te maken wanneer u daarmee kunt beletten dat het kwaad het hart van uw broeder verder aantast, wat veel erger is.

9. Wil hij niet luisteren naar uw waarschuwing, dan moet men eerst de overste erbij betrekken voor een gesprek onder vier ogen, om zo de anderen er buiten te houden. Luistert hij dan nog niet, dan mag u er anderen bijhalen om hem van zijn fout te overtuigen. Want als hij blijft ontkennen, dan moet men er buiten zijn weten anderen bij betrekken om hem in tegenwoordigheid van allen met meerdere personen op zijn fouten te kunnen wijzen (1 Tim. 5,20), omdat twee of drie personen eerder iemand kunnen overtuigen dan één persoon.
Is zijn schuld eenmaal bewezen, dan moet de overste of de priester onder wiens gezag het klooster valt, oordelen welke straf hij moet ondergaan ter verbetering. Wanneer hij weigert zich daaraan te onderwerpen, moet hij uit uw gemeenschap weggestuurd worden, ook wanneer hijzelf niet heen wil gaan. Ook dit gebeurt niet uit harteloosheid, maar uit liefde, want daardoor voorkomt men dat hij anderen door zijn slechte invloed te gronde richt.

10. Wat ik gezegd heb over het begerig kijken naar vrouwen, geldt ook voor alle andere zonden. Dezelfde gedragslijn moet u nauwgezet en trouw volgen bij het ontdekken, het verhinderen, het aan het licht brengen, het bewijzen en het bestraffen van andere fouten; wel met liefde voor de mensen, maar met afkeer van hun fouten.

11. Bekent iemand spontaan dat hij zover op het verkeerde pad is geraakt, dat hij in het geheim van een vrouw brieven ontvangt of geschenken aanneemt, dan moet men hem sparen en voor hem bidden. Maar wordt hij betrapt en schuldig bevonden, dan moet hij ernstig bestraft worden naar het oordeel van de priester of de overste.

Hoofdstuk V

1. Uw kleren moeten door één of meerdere personen gemeenschappelijk beheerd worden. Zij zullen ervoor zorgen ze te luchten en motvrij te houden. Zoals uw eten uit één keuken komt, zo moeten uw kleren uit één linnenkamer komen.
En als dat mogelijk is, moet het u eigenlijk weinig kunnen schelen welke zomer- of winterkleding u krijgt. Het maakt toch niets uit of u hetzelfde terugkrijgt als u afgegeven hebt of iets anders dat door een ander gedragen is. Als iedereen maar krijgt wat hij nodig heeft (Hand. 4,35). Wanneer dit jaloersheid en ontevredenheid wekt, of wanneer iemand gaat klagen iets gekregen te hebben dat minder goed is dan hij eerst had, en het beneden zijn stand acht kleren te dragen die een ander gedragen heeft, is dat dan geen les voor u? Als u om uw uiterlijk onenigheid krijgt, is dat geen bewijs dat er innerlijk nog heel wat ontbreekt aan de houding van uw hart? Maar ook wanneer u dit niet kunt opbrengen en men ontziet u op dit punt door uw eigen kleren terug te bezorgen, bewaar ze dan nog op één plaats, waar anderen er zorg voor dragen.

2. De bedoeling van dit alles is: dat niemand in zijn werk eigen voordeel zoekt. Alles moet gebeuren in dienst van de gemeenschap en met meer ijver en meer geestdrift dan wanneer ieder voor zichzelf en zijn eigen belang zou werken. Want over de liefde staat geschreven dat zij niet het eigen belang zoekt (1 Kor. 13,5), dat wil zeggen dat zij het gemeenschappelijke boven het eigen belang stelt en niet omgekeerd. Het feit dat u meer zorg aan de dag legt voor het belang van de gemeenschap dan voor uw eigen belang, is daarom een criterium voor uw vooruitgang. Zo zal zich in alles wat de voorbijgaande nood van de mens betreft, iets blijvends en verhevens openbaren, namelijk de liefde (1 Kor. 12,31 en 13,8 en 13. Ef. 3,19).

3. Hieruit volgt tevens dat een kloosterling die van zijn ouders of familieleden kleren of andere nuttige dingen krijgt, deze niet stiekem voor zichzelf mag houden. Hij moet ze ter beschikking van de overste stellen. Eenmaal gemeenschappelijk bezit geworden, moet de overste deze zaken geven aan wie ze nodig heeft (Hand. 4,35).

4. Als u uw kleren wilt wassen of laten wassen in een wasserij, zal dit gebeuren in overleg met de overste om te voorkomen dat een overdreven verlangen naar schone kleren uw karakter ontsiert.

5. Publieke baden mogen om gezondheidsredenen nooit geweigerd worden. Volg in deze zonder tegenspraak het medisch advies van de dokter. En al zou iemand het niet willen, dan moet hij het toch doen, desnoods op bevel van de overste, omdat het nodig is voor zijn gezondheid. Maar wil iemand gaan baden alleen omdat hij het fijn vindt, terwijl het echt niet nodig is, dan moet hij van eigen wensen afstand kunnen doen. Want wat prettig is, is nog niet altijd goed. Wat prettig is, kan ook schadelijk zijn.

6. Hoe het ook zij, als een medebroeder zegt dat hij zich niet goed voelt, ook al manifesteert de ziekte zich nog niet, geloof hem dan zonder meer. Maar als u er niet zeker van bent of de verzorging die iemand wil hebben, iets zal uithalen, roep er dan een dokter bij.

7. Zorg dat u altijd met twee of meer bent om naar een publieke badinrichting te gaan. Dat geldt trouwens ook als u ergens anders heen moet. En kies dan niet zelf de personen uit die met u mee zullen gaan, maar laat de overste beslissen wie met u mee zal gaan.

8. De gemeenschap zal iemand aanwijzen om voor de zieken te zorgen. Deze persoon moet tevens zorgen voor hen die aan de beterende hand zijn en voor hen die zwak zijn, ook al hebben zij geen koorts. De ziekenverzorger kan voor hen uit de keuken halen wat hijzelf nodig oordeelt.

9. Wie de zorg heeft voor voedsel, kleren of boeken moet zonder mopperen zijn medebroeders van dienst zijn.

10. De boeken kunt u dagelijks op een vastgestelde tijd gaan halen; buiten die tijd zijn ze niet beschikbaar.
11. Wie daarentegen verantwoordelijk is voor kleren en schoenen, mag niet uitstellen ze te geven aan hen die ze nodig hebben.

Hoofdstuk VI

1. Maak geen ruzie, maar als u ruzie hebt, maak er dan zo spoedig mogelijk een eind aan. Anders groeit een klein moment van woede uit tot haat, wordt een splinter een balk (Mat. 7,3-5) en maakt u van uw hart een moordkuil. Want er staat geschreven: “Ieder die zijn broeder haat is een moordenaar” (1 Joh. 3,15).

2. Als u iemand gekwetst hebt door hem uit te schelden, te verwensen of grof te beschuldigen, denk er dan aan het kwaad dat u aangericht hebt zo vlug mogelijk te herstellen door uw verontschuldigingen aan te bieden. En de ander die gekwetst werd moet op zijn beurt aan u vergiffenis schenken zonder er veel woorden aan vuil te maken. Als twee medebroeders elkaar beledigd hebben, moeten zij elkaar hun schuld vergeven (Mat. 6,12). Anders wordt uw bidden van het Onzevader een leugen. Trouwens hoe meer u bidt, hoe eerlijker uw gebed behoort te zijn.

Men kan beter te doen hebben met iemand die vlug kwaad wordt, maar het meteen weer goed maakt, zodra hij beseft dat hij een ander onrecht heeft aangedaan, dan met iemand die minder opvliegend is, maar er moeilijk toe overgaat zijn verontschuldigingen aan te bieden. Wie echter nooit vergiffenis wil vragen, of het niet van harte doet (Mat. 18,35), hoort niet thuis in een klooster, ook al wordt hij niet weggezonden.
Pas dus op voor harde woorden. Als ze u toch ontvallen zijn, wees dan niet bang het genezende woord te spreken met dezelfde mond die de wonde toebracht.

3. Het kan echter gebeuren dat de noodzakelijke zorg voor de goede gang van zaken iemand van u dwingt harde woorden te gebruiken tegenover minderjarigen om hen tot de orde te roepen. In dat geval wordt van u niet verlangd dat u hen daarvoor vergiffenis vraagt, ook al hebt uzelf het gevoel dat u daarin te ver bent gegaan. Want als u zich tegenover deze jongeren door overdreven nederigheid te onderdanig gaat gedragen, doet dit afbreuk aan het gezag dat hen leiding moet geven en waaraan zij zich moeten onderwerpen. In zulke omstandigheden moet u wel vergiffenis vragen aan de Heer van allen die weet hoeveel u van uw medebroeders houdt, ook van hen die u misschien te streng hebt aangepakt. Uw liefde voor elkaar mag niet in eigenliefde blijven steken, maar moet geleid worden door de Geest.

Hoofdstuk VII

1. Gehoorzaam aan uw overste (Hebr. 13,17) als aan een vader, maar ook met de achting die u hem verschuldigd bent omwille van zijn taak, anders misdoet u tegen God in hem. Dat geldt nog meer voor de priester die voor u allen zorg draagt.

2. Het komt in de eerste plaats de overste toe ervoor te zorgen dat men alles wat hier gezegd is, ook naleeft en dat men overtredingen niet achteloos voorbijgaat. Het is zijn taak op fouten te wijzen en ze te verbeteren. Wat zijn bevoegdheid of kracht te boven gaat, zal hij voorleggen aan de priester, wiens gezag in bepaalde opzichten groter is dan het zijne.

3. Wie een overheidsfunctie heeft moet zijn geluk niet zoeken in de macht waarmee hij kan domineren (Luc. 22,25-26), maar in de liefde waarmee hij dienstbaar kan zijn (Gal. 5,13). Door uw achting zal hij uw meerdere zijn; door zijn verantwoordelijkheid tegenover God zal hij zich de minste van allen weten. Voor allen moet hij een voorbeeld zijn in goede werken (Tit. 2,7); hij zal hen die hun werk verwaarlozen terechtwijzen, de moedelozen moed geven, de zwakken steunen, en met allen geduld hebben (1 Tess. 5,14). Hij moet zelf de richtlijnen van de gemeenschap in ere houden en er eerbied voor vragen bij anderen. Hij moet er meer op uit zijn door u bemind dan gevreesd te worden, hoewel liefde en ontzag tegelijk noodzakelijk zijn. Steeds moet hij bedenken dat hij voor u verantwoordelijk is tegenover God (Hebr. 13,17).

4. Door liefdevol te gehoorzamen bewijst u niet alleen medelijden te hebben met uzelf (Sir. 30,23/24), maar ook met uw overste. Want ook voor uw gemeenschap geldt: hoe hoger men geplaatst is, hoe meer gevaar men loopt.

Hoofdstuk VIII

1. De Heer geve dat u, gegrepen door het verlangen naar geestelijke schoonheid (Sir. 44,6), dit alles met liefde onderhoudt. Leef zo dat u door uw leven de levenwekkende goede geur van Christus verspreidt (2 Kor. 2,15-16). Ga niet als slaven gebukt onder de wet, maar leef als vrije mensen onder de genade (vgl. Rom. 6,14-22).

2. Eens in de week moet dit boekje voorgelezen worden. Het is als een spiegel: u kunt erin zien of u niets verwaarloost of vergeet (Jak. 1,23-25). En als u vindt dat u beantwoordt aan wat erin staat, dank dan de Heer, de gever van alle goed. Bemerkt iemand echter dat hij in gebreke gebleven is, dan moet hij betreuren wat voorbij is en op zijn hoede zijn voor de toekomst. Hij moet bidden: “Vergeef mijn schuld en leid mij niet in bekoring” (Mat. 6,12-13).

Bron : www.augustijnen.be/spiritualiteit/de-regel-van-augustinus

Augustinus – Preek over Nederigheid en Hoogmoed…..

H.-Augustinus-van-Hippo2

Nederigheid en hoogmoed

Marc Massaer

Broeders en zusters in Christus,

Wie het geluk heeft een nederig mens te ontmoeten, ontmoet een mooi mens: het is iemand die het niet nodig heeft altijd in de schijnwerpers te staan ondanks prestaties, titeltjes en verworven posities.

Toen de H. Augustinus werd gevraagd wat in de leer van Jezus op de eerste plaats komt, zei hij: nederigheid. “De nederigheid is de erken-ning van God afhankelijk te zijn. De nederige mens schrijft God alleen alle eer en alle roem toe; voor zichzelf ontvlucht en schuwt hij alle lof en iedere eer.”
Ooit omschreef iemand nederigheid als “de droom dat er een einde komt aan onze ijdelheid.” Dat is een droom om te koesteren.

In het evangelie worden we aangespoord ons de deugd van de nederigheid eigen te maken want wie zichzelf verheft, zal vernederd worden en wie zichzelf vernedert, zal verheven worden. Hoe doe je dat en wat zijn kenmerken van nederigheid ?

Nederigheid gaat samen met drie houdingen:

1) Zelfkennis. Zelfkennis is het begin van wijsheid. Het is het vermogen eigen sterkten en beperkingen te kennen. Iemand die zijn eigen fouten niet wil erkennen, is een hoogmoedig iemand en kan God niet op het spoor komen want hij waant zichzelf boven iedereen en God verheven. Een hoogmoedig mens vindt zichzelf heel belangrijk en zoekt zijn eigen voordeel en belangen.
In de brief van de apostel Jakobus staat: “God wederstaat de hoogmoedigen maar de nederigen geeft Hij genade.”

Hoogmoed is een kenmerk van de zonde. Het was hoogmoed die satan deed opstaan tegen God. Het is hoogmoed het beter te willen weten dan God. De hoogmoedige mens buigt niet voor God. De hoogmoedige mens is gericht op zichzelf; God weerstaat zulke mensen. Hun hart is verhard en ze zoeken God niet. De nederige mens heeft ontdekt dat hij God nodig heeft, voor redding en hulp, voor vergeving en leven, voor gezondheid en kracht. De nederige mens zoekt God en ontvangt genade.

2) Het tweede kenmerk is openheid of arm van geest zijn. Dit wil zeggen openstaan voor nieuwe ideeën en benaderingen die de H. Geest je wil aanreiken, en de wil om van anderen te leren. We kunnen van andere mensen veel leren door naar hen te luisteren. Arrogante en hoogmoedige mensen leggen anderen hun visie en mening op en willen niet luisteren naar andere meningen en naar wat God hun te zeggen heeft.

3) Aanvaarden dat je afhankelijk bent van God. Een nederige mens is God en de medemensen dankbaar voor het geschenk van hun vriendschap, dienstbaarheid en liefde. Een hoogmoedige mens denkt dat hij alles aan zichzelf te danken heeft, en wil alles controleren met een berekenende houding tegenover andere mensen. Voor wat, hoort wat. Vriendschappen duren tot zolang hij er voordeel van heeft.

Elke dag is er alle gelegenheid de deugd van de nederigheid te beoefenen door aanwijzingen of terechtwijzingen die we krijgen, ter harte te nemen; door te vechten tegen de altijd aanwezig bekoring van de ijdelheid; door de neiging altijd het laatste woord te willen hebben, te onderdrukken; door te aanvaarden dat we ons vergist hebben in zaken waarin we misschien dachten absoluut gelijk te hebben.

Laten we – Jezus navolgend – ons oefenen in de deugd van de nederigheid door naar Jezus op te kijken en te proberen ons zijn woorden eigen te maken. Want wie zichzelf verheft, zal vernederd worden en wie zichzelf vernedert, zal verheven worden. Als Mens heeft Jezus zichzelf vernederd door gehoorzaam te worden tot de dood, ja zelfs tot de dood aan het kruis. Daardoor is Jezus bron van heil geworden en heeft Hij ons de weg getoond naar het Koninkrijk der hemelen. Amen.

Bron: h-norbertus.nl/bezinning/preken/nederigheid-en-hoogmoed/#:~:text=Augustinus%

Citaten over liefde en nederigheid…..

6ec5cc4e2234cca1dc6537ba981bee5f

Citaten en gedachten van St. Augustinus over liefde en nederigheid

JONGEN

Citaten en gedachten van St. Augustinus over liefde en nederigheid

Bid alsof alles van God afhangt. Werk alsof alles van jou afhangt.

De beste citaten van St. Augustinus – Bid alsof alles van God afhangt. Werk alsof alles van jou afhangt.

We moeten meer aandacht schenken aan degenen die onderwijzen, niet aan degenen die bevelen geven.

Als je bidt, praat je met God, maar als je leest, is hij het die tot je spreekt.

Als je nooit jaloers bent geweest, komt dat omdat je nooit verliefd bent geworden.

Reik uit naar de goede mensen en heb medelijden met de slechte. Hij houdt van iedereen.

Trouwen is een goede keuze in het leven, maar ik doe het liever niet.

Heb lief en wees jezelf. Want als je ruzie maakt, zul je met liefde redetwisten; als je kust, zul je met liefde kussen; Als je knuffelt, knuffel je met liefde, en als je steunt, steun je met liefde.

Als je een handje nodig hebt, kan ik je allebei lenen. We zijn van nature roddelachtig, altijd op zoek naar het leven van anderen; We zijn echter lui over persoonlijke introspectie en we hebben niet de neiging om onszelf te kennen om fouten recht te zetten.

Leef in het heden, want het verleden is voorbij en de toekomst is nog niet aangebroken.

Gun jezelf elk jaar iets geks.

Mensen bidden niet om een weg naar God te leiden, maar om zichzelf te leiden.

De beste citaten van St. Augustinus – Mensen bidden niet om een pad naar God te leiden, maar om zichzelf te leiden.
Hoe beter je bent, als je echt goed bent, hoe slechter het zal zijn voor de slechterik.

jDe enige manier om de waarheid te vertellen is door lief te hebben.

Om grenzen te verleggen, moet je eerst jezelf kennen, dan jezelf accepteren zoals je bent, en ten slotte jezelf overtreffen.

Als je dit inspirerende citaat leuk vond, raden we je aan deze korte en inspirerende citaten over zelfverbetering te lezen.

Ik weet pas iets als niemand het vraagt. Maar als een man me om uitleg vraagt, vergeet ik alles.

Dankzij het gebed kunnen we de mens kruisen met God.

Als ik mezelf bedrieg, besta ik.

Als je niet accepteert dat de waarheid je wint, zal het de fout zijn die je verslaat.

Tranen zijn het bloed van de ziel.

Om troost te vinden, raden we deze pijnzinnen aan.

Het oplossen van een fout is een succes, maar het is nog meer om de verkeerde te beschermen.

Om iemand echt te leren kennen, hoef je niet om je heen te kijken naar hun gedachten, maar naar waar ze van houden.

Hoe langzaam je ook gaat, dwaal nooit van het pad af. Het is duizend keer beter om langs een veilig pad te hinken dan op volle snelheid te rennen en weg te gaan van je doel, omdat je nooit je bestemming zult bereiken.

Hoewel je tijdens een gebed God om alles kunt vragen, moet je je maximale inspanning leveren als je werkt, want je leven hangt af van je vruchten.

Geloof wordt niet alleen geloofd, het wordt gedacht. Als er geen gedachte is, is er geen geloof.
Lees verder “Citaten over liefde en nederigheid…..”

Augustinus : Maar met betrekking tot de vieringen die we zorgvuldig bijwonen en die door de hele wereld worden gehouden…….

2c7722317683b16512f2c661db269907

CONCILIE

Maar met betrekking tot de vieringen die we zorgvuldig bijwonen en die door de hele wereld worden gehouden, en die niet voortkomen uit de Schrift, maar uit de Traditie, wordt ons te verstaan ​​gegeven dat ze worden aanbevolen en verordend om te worden gehouden, hetzij door de apostelen zelf, hetzij door door (oecumenische) concilies.”

St.Augustinus van Hippo