St.Augustinus :Het verhaal van Sint-Augustinus met het kind is bij velen bekend…….

SANTISSIMA

SINT-AUGUSTINE EN HET KIND

Het verhaal van Sint-Augustinus met het kind is bij velen bekend. Het komt voort uit de vele tijd die deze grote heilige en theoloog besteedde aan het nadenken over het mysterie van de Heilige Drie-eenheid, hoe drie verschillende mensen één enkele God konden vormen.

Het verhaal gaat dat Augustinus, terwijl hij op een dag over het strand liep en nadacht over het mysterie van de Drie-eenheid, een jongen vond die een gat in het zand had gemaakt en het gat met een schelp met zeewater had gevuld. De jongen rende naar de kust, vulde de schelp met zeewater en deponeerde het water in het gat dat hij in het zand had gemaakt. Toen Sint-Augustinus dit zag, stopte hij en vroeg de jongen waarom hij het deed, waarop de kleine jongen hem vertelde dat hij probeerde al het zeewater in het gat in het zand te gieten.

Toen Sint-Augustinus hem hoorde, zei hij tegen de jongen dat dit onmogelijk was, waarop de jongen antwoordde dat als dat onmogelijk was, het nog onmogelijker was om te proberen het mysterie van de Heilige Drie-eenheid te ontcijferen.

Laten we over dit verhaal mediteren en het als voorbeeld nemen wanneer we ook veel situaties proberen te ontcijferen die we met onze rede niet begrijpen.

Gebed

Vernieuw, Heer, in uw Kerk de geest die U in Sint-Augustinus hebt ingeprent, zodat wij, doordrongen van diezelfde geest, naar U dorsten, bron van wijsheid, U zoeken als de enige ware liefde en in de voetsporen treden van zo’n grote heilige. Door Jezus Christus, onze Heer. Amen.

Bron : sal de tu cielo

KIRST

Augustinus : Verhoog uw geld niet onder het mom van gezinsvroomheid…….

GENERATIONS

Verhoog uw geld niet onder het mom van gezinsvroomheid. “Ik bewaar het voor mijn kinderen”; een prachtig excuus! Hij bewaart het voor zijn kinderen. Laten we eens kijken, oké? Je vader bewaart het voor jou, jij bewaart het voor je kinderen, jouw kinderen voor hun kinderen, enzovoort, door alle generaties heen, en niet één van hen zal de geboden van God uitvoeren.

Augustinus van Hippo

Augustinus : de verdediging van het geloof…..

PROCLAIM

.… terwijl de vurige onrust van ketters vragen oproept over veel artikelen van het katholieke geloof, dwingt de noodzaak om ze te verdedigen ons om ze zorgvuldiger te onderzoeken, ze duidelijker te begrijpen en ze oprechter te verkondigen. En de vraag die door een tegenstander wordt opgeworpen, wordt aanleiding tot onderricht.

Augustinus van Hippo

Augustinus : Over de interpretatie van de Heilige Schrift…..

SCRIPTURE

Over de interpretatie van de schrift

“We moeten de weg wijzen om erachter te komen of een zin letterlijk of figuurlijk is. En de weg is zeker als volgt: alles wat er in het Woord van God is, dat niet, letterlijk genomen, kan worden aangeduid met zuiverheid van leven of deugdelijkheid van leer, kunt u als figuurlijk opschrijven. Zuiverheid van leven heeft betrekking op de liefde voor God en de naaste; deugdelijkheid van de leer voor de kennis van God en de naaste. “

Augustinus : -Over de Christelijke Leer Boek III: 10:14

Augustinus : De wereld is als een veld dat gevuld is met de geur van Christus’ naam…..

SERVE

De wereld is als een veld dat gevuld is met de geur van Christus’ naam: Hem is de zegen van de dauw van de hemel, dat wil zeggen, van de stortbuien van goddelijke woorden; en van de vruchtbaarheid van de aarde, dat wil zeggen, van de samenkomst van de volkeren: Hem is de overvloed van graan en wijn, dat wil zeggen, de menigte die brood en wijn verzamelt in het sacrament van Zijn lichaam en bloed. Hem dienen de volken, Hem aanbidden de vorsten.

Augustinus  – De Stad van God

 

Augustinus : Vertrouw op het auteurschap van de Bijbelboeken…..

FRIENDS

Hoe kunnen we zeker zijn van de auteur van een boek, als we twijfelen aan de apostolische oorsprong van die boeken die aan de apostelen worden toegeschreven door de Kerk die de apostelen zelf hebben gesticht, en die in alle landen zo’n opvallende plaats inneemt, en als we tegelijkertijd erkennen als het onbetwistbare voortbrengsel van de apostelen wat door ketters tegen de Kerk naar voren wordt gebracht, waarvan de auteurs, aan wie zij hun naam ontlenen, lang na de apostelen leefden? En zien we in de profane literatuur niet dat er bekende schrijvers zijn onder wier naam veel dingen zijn gepubliceerd na hun tijd, die zijn verworpen, hetzij omdat ze niet in overeenstemming waren met hun vastgestelde geschriften, of omdat ze niet bekend waren tijdens het leven van de auteurs, zodat ze werden afgezwakt door de bevestigende verklaring van de auteurs zelf? Of van hun vrienden?

Augustinus van Hippo

 

Augustinus : Geloof dat niet geleefd wordt , redt niet…

Geloof dat niet geleefd wordt, redt niet

 Sint Augustinus vertelt ons dat het passend was dat Sint Jacobus ons in zijn brief waarschuwde om niet te denken dat we gered konden worden door geloof als ons leven niet hervormd werd. Want hij verkondigde heel duidelijk: “Als iemand zegt dat hij geloof heeft, maar hij heeft geen werken, zal zijn geloof hem dan kunnen redden?”

St. Augustine tells us that it was fitting for St. James to warn us in his epistle not to think that we could be saved by faith if our lives were not reformed. For he very clearly proclaimed “If any say that he have faith, and have not works, shall his faith be able to save him?”

 

Het was beslist een heilzame waarschuwing opdat gelovigen niet zouden denken dat zij alleen op grond van hun geloof gered zouden kunnen worden, ook al zouden zij in dit kwaad moeten leven: de apostel Jakobus heeft zich met de meest duidelijke woorden tegen dat idee uitgesproken en gezegden : Als iemand zegt dat hij geloof heeft en geen werken heeft, zal zijn geloof dan in staat zijn Hem te redden.

Augustinus van Hippo

 

Augustinus : Het is de autoriteit van de kerk die het geloof in het evangelie beweegt……

MANNER

Maar als u iemand ontmoet die nog niet in het evangelie gelooft, hoe zou u hem dan antwoorden als hij zou zeggen: “Ik geloof niet?” Wat mij betreft, ik zou het evangelie niet moeten geloven, tenzij als het door het gezag van de katholieke Kerk wordt bewogen. Dus als degenen op wier gezag ik heb toegestemd om in het evangelie te geloven, mij zeggen dat ik niet in Manichaeus moet geloven, hoe kan ik dan niet toestemmen? Maak uw keuze. Als u zegt: Geloof de katholieken: hun advies aan mij is om geen vertrouwen in u te stellen; zodat ik, als ik ze geloof, u niet kan geloven – Als u zegt: Geloof de katholieken niet: u kunt het evangelie niet eerlijk gebruiken om mij in Manichaeus tot geloof te brengen; want het was op bevel van de katholieken dat ik het evangelie geloof; Nogmaals, als u zegt: U had gelijk toen u de katholieken geloofde toen zij het evangelie prezen, maar ongelijk toen u hun scheldwoorden van Manichaeus geloofde: denkt u dat ik zo’n dwaas ben om te geloven of niet te geloven zoals u wilt of niet leuk vindt? Zonder enige reden? Het is daarom veel eerlijker en veiliger voor mij, omdat ik in één geval vertrouwen heb gesteld in de katholieken , om niet naar u toe te gaan, totdat u, in plaats van mij te vragen te geloven , mij iets op de duidelijkste en meest openlijke manier laat begrijpen.

Augustinus van Hippo

 

 

Augustinus : Hoe ziet liefde er uit ?

fcece460421dccf61d4458d435783770 (1)

Als ik in de tongen van mensen en engelen spreek,

maar geen liefde heb, ben ik een luide gong of

een rinkelende cimbaal… 1 Korintiërs 13,1

LOOKS12

Hoe ziet liefde eruit?
Het heeft de handen om anderen te helpen.
Het heeft de voeten om zich naar de armen en behoeftigen te haasten.
Het heeft ogen om de ellende en het gebrek te zien.
Het heeft oren om de zuchten en het verdriet van mensen te horen.
Zo ziet liefde eruit.

St Augustinus (351-130)

Augustinus : Laten wij ook roemen in het kruis van de Heer….

PASSIE

Laten wij ook roemen in het kruis van de Heer

door Augustinus van Hippo (354-430 n.Chr.)

De passie van onze Heer en Redder Jezus Christus is de hoop op glorie en een les in geduld. Wat mogen de harten van gelovigen zichzelf niet beloven als het geschenk van Gods genade, wanneer Gods enige Zoon, co-eeuwig met de Vader, omwille van hen niet tevreden was om alleen als mens geboren te worden uit menselijke afkomst, maar zelfs stierf door de handen van de mensen die hij had geschapen?

Het is een groot ding dat ons door de Heer is beloofd; maar veel groter is wat al voor ons is gedaan en dat wij nu herdenken. Waar waren de zondaars, wat deden zij toen Christus voor hen stierf? Wanneer Christus ons reeds de gave van zijn dood heeft gegeven, wie twijfelt er dan aan dat hij de heiligen de gave van zijn eigen leven zal geven? Waarom aarzelt onze menselijke zwakheid om te geloven dat de mensheid op een dag met God zal leven?

Wie is Christus als niet het Woord van God: in het begin was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God? Deze kracht van zichzelf om voor ons te sterven: hij moest ons sterfelijk vlees van ons nemen. Dit was de manier waarop hij, hoewel onsterfelijk, in staat was om te sterven; de manier waarop hij ervoor koos om leven te geven aan sterfelijke mensen: hij zou eerst met ons delen, en ons dan in staat stellen om met hem te delen. Van onszelf hadden we geen kracht om te leven, noch had hij van zichzelf de kracht om te sterven.

jDaarom heeft hij een wonderbaarlijke uitwisseling met ons tot stand gebracht, door middel van wederzijdse uitwisseling: wij gaven hem de macht om te sterven, hij zal ons de macht geven om te leven.

De dood van de Heer onze God zou voor ons geen reden tot schaamte moeten zijn; het zou eerder onze grootste hoop, onze grootste glorie moeten zijn. Door de dood op zich te nemen die hij in ons vond, heeft hij zeer getrouw beloofd ons leven in hem te geven, zoals wij dat niet uit onszelf kunnen hebben.

Hij hield zoveel van ons dat Hij, zelf zondeloos, voor ons zondaars de straf leed die wij verdienden voor onze zonden. Hoe kan Hij dan nalaten ons de beloning te geven die wij verdienen voor onze rechtvaardigheid, want Hij is de bron van rechtvaardigheid? Hoe kan Hij, wiens beloften waar zijn, nalaten de heiligen te belonen wanneer Hij de straf van zondaars droeg, hoewel Zelf zonder zonde?

Broeders en zusters, laten wij dus onbevreesd erkennen en zelfs openlijk verkondigen dat Christus voor ons gekruisigd is. Laten wij dit belijden, niet met vrees, maar met vreugde, niet met schaamte, maar met heerlijkheid.

De apostel Paulus zag Christus en prees zijn aanspraak op glorie. Hij had veel grote en geïnspireerde dingen over Christus te zeggen, maar hij zei niet dat hij roemde in Christus’ wonderbaarlijke werken: in het scheppen van de wereld, aangezien hij God was met de Vader, of in het regeren van de wereld, hoewel hij ook een mens was zoals wij. In plaats daarvan zei hij: Laat mij niet roemen, behalve in het kruis van onze Heer Jezus Christus.

Bron : Bron : https://dailyscripture.servantsoftheword.org

Augustinus : De dood van de dood, door Augustinus van Hippo (354-430 n.Chr.)….

DOOD10

De dood van de dood ,door Augustinus van Hippo (354-430 n.Chr.)

Hij stierf, maar hij overwon de dood. Hij maakte in zichzelf een einde aan wat wij vreesden. Hij nam de dood op zich en overwon hem. Als een machtige jager ving en doodde hij de leeuw.

Waar is de dood? Zoek hem in Christus, want hij bestaat niet meer; maar hij bestond en is nu dood. O leven, o dood van de dood! Wees goedhartig; hij zal ook in ons sterven. Wat in ons hoofd heeft plaatsgevonden, zal in zijn leden plaatsvinden; de dood zal ook in ons sterven. Maar wanneer? Aan het einde van de wereld, bij de opstanding van de doden waarin wij geloven en waaraan wij niet twijfelen.
( Preek 233.3-4 )

Augustinus : Terwijl zij toekeken , zo kijken ook wij naar zijn wonden terwijl hij hangt…….

LOOKING

“Terwijl zij toekeken , zo kijken ook wij naar zijn wonden terwijl hij hangt. We zien zijn bloed terwijl hij sterft. We zien de prijs die de verlosser biedt, raken de littekens van zijn opstanding aan. Hij buigt zijn hoofd, alsof hij je wil kussen. Zijn hart wordt als het ware opengelegd in liefde voor jou. Zijn armen zijn uitgestrekt zodat hij je kan omhelzen. Zijn hele lichaam wordt tentoongesteld voor jouw verlossing. Denk eens na over hoe groot deze dingen zijn. Laat dit alles goed in je gedachten worden gewogen: zoals hij ooit in elk deel van zijn lichaam voor jou aan het kruis werd bevestigd, zo kan hij nu in elk deel van je ziel worden bevestigd.”

St.Augustinus

De zaligsprekingen – de Bergrede….

Kris Biesbroeck – Koor van de orth.kerk van Gent olv. Paul morreel

Vragen en problemen

Voordat we nader ingaan op Augustinus’ toelichting, zijn er nog enkele inleidende opmerkingen te maken. Ten eerste wordt duidelijk dat Augustinus de zaligsprekingen in een iets andere volgorde leest dan wij in onze moderne vertalingen. Zie het schema hieronder:

Augustinus / Latijnse tekst       moderne vertaling / Griekse tekst

1.         armen van geest => rijk der hemelen     (identiek)

2.         zachtmoedigen => land verdriet => troost

3.         verdriet => troost         zachtmoedigen => land

4.         hongerigen en dorstigen naar gerechtigheid => verzadiging       (identiek)

5.         barmhartigen => barmhartigheid          (identiek)

6.         zuiveren van hart => God zien  (identiek)

7.         vredebrengers => kind van God (identiek)

8.         vervolgden => rijk der hemelen (identiek)

9.         uzelf, bij scheldpartijen en vervolging om Jezus => loon in de hemel     (identiek)

Die verschillende volgorde roept bijna vanzelfsprekend de vraag op naar de  achtergrond ervan: waarom staan de zaligsprekingen in deze volgorde? En misschien nog fundamenteler: waarom deze zaligsprekingen en deze beloningen? Dat verdrietigen getroost worden is logisch; hetzelfde geldt voor hongerigen en dorstigen die verzadigd worden en voor barmhartigen die barmhartigheid ondervinden. Maar wat is de samenhang tussen de armen van geest en het rijk der hemelen? En tussen zachtmoedigen en het land als erfenis? Tussen een zuiver hart en het zicht op God? Of tussen vredestichters en het kindschap van God?

Verder valt op dat de armen van geest (1) en de vervolgden (8) allebei het rijk der hemelen krijgen toegezegd: daar kun je gemakkelijk aan voorbij lezen en bij het luisteren in de liturgie valt het nauwelijks op. Maar Augustinus wijst daar in zijn beschouwingen heel uitdrukkelijk op, vooral als blijkt dat er dan sprake is van bijzondere aantallen in de reeks: 1 verwijst naar 8; 7+1=8…

En nu we toch aan het bevragen zijn: ik vond het vroeger als theologiestudent bijna irritant dat Jezus hier in de Bergrede spreekt over “armen van geest” en “hongerigen en dorstigen naar gerechtigheid”. Jezus’ Veldrede in Lucas 6 kon bij ons, jonge theologen in opleiding, op heel wat meer sympathie rekenen: daar ging het immers eenvoudigweg over de armen en hongerigen. Bovendien ging Jezus daar na slechts vier zaligsprekingen goed te keer tegen de rijken    en verzadigden! Dat paste beter bij de opkomende vormen van Bijbeluitleg     in de jaren zeventig waarin men aansloot bij de bevrijdingstheologie en bij de materialistische exegese.

Augustinus’ visie op de zaligsprekingen en de Bergrede als geheel: een samenvatting

Anders dan in de moderne uitleg brengt Augustinus in zijn toelichting op de Bergrede de afzonderlijke zaligsprekingen en voorschriften niet in verband met verschillende groepen gelovigen zoals de armen van geest, de zachtmoedigen of de mensen die verdriet hebben. Hij beschouwt de verschillende zaligsprekingen steeds als een stap onderweg of als een trede van een trap, die iedere gelovige mens beklimt op weg naar God7. Deze zoektocht naar God beschouwt hij als de weg naar volmaaktheid.

Elke stap omhoog vergt niet alleen een menselijke inspanning, maar is ook een geschenk van God: Augustinus legt aldus een relatie tussen de zeven treden van de weg naar de volmaaktheid en de zeven gaven van de Heilige Geest (s.dom.m. 1,11-12: ontzag voor god, godsvrucht, kennis, sterkte, beleid, inzicht en wijsheid in Js 11,2-3 volgens de Latijnse Bijbel en omgekeerd); hij waagt zelfs een samenhang te verwoorden naar de zeven beden van het onzevader.8 Vanzelfsprekend wacht aan het einde van die geestelijke weg omhoog het hemels koninkrijk als beloning.

Op weg naar het hemels koninkrijk vinden gelovigen steun in de reeks voorschriften van de Bergrede. Die werpen een nieuw licht op de geschriften van de joodse wet en de profeten. Uitvoerig staat Augustinus dan ook stil bij de vraag wat de door Jezus aangezegde wetsvervulling inhoudt. Het gaat daarbij volgens hem om een aanvulling van de wetsbepalingen én om het volbrengen van die aangevulde wet. Deze interpretatie dient tot structuur van het vervolg. Augustinus onderkent steeds eerst de grote waarde van een bepaling uit de joodse wet; vervolgens maakt hij duidelijk hoe de Heer de wet wil vervullen en ten slotte onderzoekt hij voor de gelovigen naar een zinvolle betekenis van die wetsvervulling.

Als eerste komt zo het verbod om te doden aan de orde (1,22-32); als tweede het verbod op echtbreuk (1,33-38); als derde het gebod voor een scheidingsbrief in geval een man zijn vrouw wil verstoten (1,39-50); als vierde het gebod om zich aan een eed voor de Heer te houden (1,51-55); als vijfde het gebod tot evenwichtige vergelding (1,56-68) en ten slotte het gebod om de naaste lief te hebben (1,69-80)9. Deze indeling valt dus niet samen met die van de zeven zaligsprekingen.

Echte wetsvervulling heeft met integriteit te maken. In Bijbelse taal spreekt Augustinus dan over een zuiver of oprecht hart. Als men dat heeft, streeft men er niet naar om bij het doen van goede werken door de mensen te worden gezien, maar beoogt men om zelf God te zien met de ogen van het hart. Dat geldt bij het schenken van aalmoezen (2,6-9), bij het bidden (2,10-39 met daarin de uitleg van het onzevader in 2,15-35) en bij het vasten (2,40-43). De integere levenshouding waarmee de wet wordt vervuld, vindt haar oorsprong en voltooiing in de liefde. De voorschriften om zich niet bezorgd te maken voor de dagelijkse dingen, vormen een hulpmiddel om die integere levenshouding te bewaren. Zij maken mensen bedacht op de komst van het koninkrijk der hemelen. Ten  aanzien   van onszelf kunnen we daarbij niet kritisch genoeg zijn. Maar ten aanzien van anderen is het belangrijk geen voorbarig en onrechtvaardig oordeel te vellen, zeker als dat een veroordeling zou inhouden. Het blijft bovendien belangrijk zich te realiseren dat een van liefde kloppend hart een gave van God is. Dat geschenk valt mensen ten deel wanneer zij zich daarvoor ontvankelijk maken. Die ontvankelijkheid kan groeien door gebed.

Beïnvloeding

De christelijke gemeenschappen hebben al in een vroeg stadium een bijzonder gezag aan het Matteüsevangelie toegekend en Augustinus staat met zijn belangstelling voor teksten uit dit evangelie dus al in een eeuwenoude traditie. Ook in de manier waarop hij de Bergrede van aantekeningen voorziet zijn invloeden aanwijsbaar van directe leermeesters en verre voorgangers. Zo hoeft het geen verwondering te wekken dat in Augustinus’ beschouwingen over het begin van de Bergrede met de zogeheten zaligsprekingen overeenkomsten zijn terug te vinden met de manier waarop Ambrosius (340-397) de Veldrede uit  het Lucasevangelie van aantekeningen voorziet:10 Augustinus was immers in 387 door Ambrosius zelf gedoopt en was een groot bewonderaar van de manier waarop de bisschop van Milaan teksten uit de Heilige Schrift aan gelovigen wist uit te leggen11. In de bibliotheek van Hippo bewaarde Augustinus dan ook een exemplaar van Ambrosius’ commentaar op het Lucasevangelie12. Naast de invloed van Ambrosius zijn ook opvattingen van Gregorius van Nyssa (335-394) terug te vinden. Hoewel Augustinus zelf geen geschriften van deze Gregorius in de oorspronkelijke, Griekse taal kon raadplegen of lezen, zijn onmiskenbaar enkele van diens karakteristieke beschouwingen over de zaligsprekingen door Augustinus in zijn eigen commentaar verwerkt. Dat rechtvaardigt het vermoeden dat Augustinus over een vertaling van Gregorius’ uitleg beschikte13. In de manier waarop Augustinus de zaligsprekingen in hun onderlinge samenhang bespreekt, zijn ook overleveringen te ontdekken die teruggaan op Irenaeus († 202/3), bisschop van Lyon, en op Hilarius (315-367), bisschop van Poitiers. Achter Augustinus’ uitleg van Mt 6,9-13 over het onzevader is naast de invloed van Ambrosius ook de uitleg herkenbaar van de Carthaagse martelaar-bisschop Cyprianus (200/10-258), van Tertullianus (160- na 220) en van Origenes (ca 185-ca 254)14. Augustinus bedient zich dus van verschillende tradities, maar verwerkt die wel op een zelfstandige en creatieve manier.

Heel veelzeggend begint Ambrosius zijn toelichting met een gebed: “Kom, Heer Jezus, leer ons de samenhang van uw zaligsprekingen. U hebt immers niet op goed geluk eerst de armen van geest zalig of gelukkig genoemd, dan  de zachtmoedigen en ten derde de treurenden.” (Expositio euangelii secundum Lucam (ex.eu.Lc) 5,52) Het is verleidelijk om Augustinus bespiegelingen tegen het licht te houden van Ambrosius, maar in deze bijdrage beperk ik mij tot de aantekeningen van de bisschop van Hippo Regius.

Uit het lezen van de teksten bij Augustinus en Ambrosius wordt overigens nog wel iets anders duidelijk: de treden der zaligsprekingen omvatten een geestelijke trap. Daarop klim je dus in geestelijke zin omhoog. Het bereiken van de ene trede vormt niet zoals bij een gewone trap een garantie voor het beklimmen van de volgende. En anders dan in het gewone leven kun je in het geestelijke leven op het ene moment op een hoge trede verwijlen en op een volgend moment weer moeten ploeteren op de onderste trede. Mediteren over de zaligsprekingen is daarom ook een oefening in geestelijke beklimming en behoedzame afdaling.

Dat maakt gelovigen ook tot broeders en zusters, want de ene trede van die geestelijke trap staat wel hoger aangeschreven dan de andere, maar iedere gelovige stijgt en daalt langs die trap zoals Gods engelen langs de ladder die Jakob in zijn droom te schouwen kreeg.

Bij het bekijken van Augustinus’ beschouwing bij een Bijbeltekst valt altijd te bedenken dat hij als het ware met de Bijbel “mee-leest”. Zijn leeshouding wordt veel meer gekenmerkt door sympathie en inleving met Bijbelteksten in het algemeen, met evangelieteksten in het bijzonder en met Jezus’ Bergrede in het allerbijzonderst; veel meer door sympathie en inleving dus dan door antipathie en oppositie. Centraal staat niet: de tekst raakt mij niet (omdat de tekst vreemd is of onlogisch volgens onze maatstaven); centraal staat evenmin: ik kan niks met de tekst. Nee, uitgangspunt is: de Bijbeltekst is a priori zin- en betekenisvol. En het is aan mij als lezer, aan ons als gelovigen, om via bevraging en aankloppen te bezien of er wordt opengedaan en zich diepere betekenissen te kennen geven. Wat tekent Augustinus nu aan bij de verschillende zaligsprekingen als stadia van geestelijk leven? En welke aantekening van hem kan ons vandaag het meeste bekoren? Op welke trede van de geestelijke ladder kan men zich vandaag in het geloof aangesproken of geïnspireerd weten?

Zalig de armen van geest want hun behoort het rijk der hemelen

Kort en goed verwijst voor Augustinus armoede van geest naar nederigheid: “Wat wil dat zeggen: arm van geest? Arm aan wensen, niet arm aan middelen. Wie arm van geest is, is nederig. God hoort,” aldus Augustinus, “de verzuchtingen van de nederigen en Hij veronachtzaamt hun gebeden niet. Daarom begint de Heer zijn toespraak met die aanbeveling van de nederigheid, dat wil zeggen: van de armoede. U kent allemaal waarschijnlijk wel iemand die godsdienstig leeft en rijkelijk gezegend is met aardse goederen, maar toch bescheiden blijft en niet hoogmoedig is. En u kent ook wel iemand die gebrek lijdt, niets heeft en op zwart zaad zit. Heeft de een meer hoop dan de ander? Nee, de een is arm van geest omdat hij nederig is; de ander is gewoon arm, maar niet arm van geest. Daarom voegde Christus de Heer toen Hij zei: ‘Gelukkig die arm zijn,’ eraan toe: ‘van geest.’ Wie naar mij (= Augustinus!) luistert en arm is, hoeft dus niet te proberen om rijk te worden.” (s. 53A,2)

Augustinus verbindt deze aantekening met een beschouwing rond 1 Tim 6,9: “Wie rijk wil worden valt gemakkelijk ten prooi in valstrikken vol bekoringen, ondergang en verderf.” In dit verband staat Augustinus ook stil bij enkele verzen uit het vervolg van 1 Tim 6,17-19: “Vermaan de rijken niet hoogmoedig te zijn. Laat hen niet vertrouwen op de wisselvalligheid van materiële rijkdom. Je kunt beter vertrouwen op de levende God, die ons overvloedig van alles voorziet en te genieten geeft om goede werken te doen, vrijgevig te zijn en mededeelzaam.” Augustinus is onmiskenbaar een pleitbezorger voor nivelleringspolitiek.

In elk geval maakt de uitleg van “arm van geest” via “arm aan wensen en begeerten” en opgevat als nederigheid het iets gemakkelijker te begrijpen dat juist aan nederigen het rijk der hemelen wordt toegezegd en dat dit gepaard gaat met de eerste geestesgave: ontzag of vrees voor de Heer. Ontzag of vrees is uitdrukkelijk te onderscheiden van angst of bangheid. De laatste is opgelegd of afgedwongen en kenmerkt bijvoorbeeld de verhouding tussen een slaaf en diens eigenaar; een slaaf kan bang zijn uit angst voor lijfstraf. In de eerste geestesgave gaat het om iets anders: uit liefdevol ontzag of eerbiedige vrees spreekt behoedzaamheid of vrijwillige nederigheid: de hoge hemel is er de beloning voor.

Zalig de zachtmoedigen want zij zullen het land erven

Voor wie in eerste (en laatste) instantie het rijk der hemelen wordt toegezegd, is het in zekere zin vanzelfsprekend dat na de hemel ook goed land wordt beloofd: dat gebeurt aan zachtmoedigen. Augustinus tekent  daarbij  aan:  “Wilt u het land nu al bezitten? Ga dan eerst na of het land u niet bezit. Bent   u zachtmoedig, dan zult u het land bezitten. Bent u niet zachtmoedig, dan    zal het land u bezitten. En dan hoort u niet wat de beloning is, die u in het vooruitzicht wordt gesteld – namelijk het bezit van het land. Pas op dat u dan de zak van uw hebzucht, waardoor u het land nu al wilt bezitten en ook nog eens uw buurman van dat bezit wilt uitsluiten, niet te ver oprekt. Laat u niet misleiden door dat waanidee. U zult het land alleen maar werkelijk bezitten, wanneer u zich vastklampt aan Hem die de hemel en de aarde gemaakt heeft (Gn 1,1). Zachtmoedig zijn wil namelijk zeggen: geen weerstand bieden aan uw God. Het gevolg daarvan is dat Hij u behaagt in wat u aan goeds doet in plaats van dat u zichzelf behaagt. En dat Hij u niet mishaagt in wat u terecht aan slechts ondergaat maar dat u zichzelf mishaagt. Het is namelijk niet van geringe betekenis dat u Hem zult behagen door uzelf te mishagen. Want door uzelf te behagen, mishaagt u Hem.” (s. 53,2)

Bij de erfenis van het land gaat het dus niet om grootgrondbezit. In het commentaar op de Bergrede verbindt Augustinus dat beloofde land met het land van de levenden, waar God onze hoop en ons erfdeel is (Ps 142,6): dat is de rust en het leven van de heiligen. “Zachtmoedig zijn zij die berusten bij bruut gedrag en geen weerstand bieden aan het kwade (Mt 5,39), maar het kwade overwinnen door het goede (Rom 12,21). Laten hardvochtigen maar ruzie maken en vechten om aardse en tijdelijke zaken; gelukkig wie zachtmoedig zijn, want zij zullen het land erven waaruit zij niet kunnen worden verdreven.” (s.dom.m. 1,4)

Zalig wie verdriet hebben want zij zullen worden getroost

Kritisch zelfonderzoek van je eigen tekortkomingen (als kenmerk van zachtmoedigheid) leidt niet alleen tot ongenoegen maar tot verdriet als uitdrukking van spijt en berouw. Wat we hier via Augustinus van de Bijbel kunnen leren, is dat echt verdriet niet alleen een uitdrukking is van wat een ander aan tegenslag, onrecht, ziekte en dood overkomt. Op het geestelijke parcours heeft verdriet vooral betrekking op de treurnis over onze eigen beperkingen, nalatigheden, fouten, onrecht en – ik gebruik het woord toch maar – zonden.

Augustinus verwoordt het aldus: “Broeders en zusters, treuren is pas echt treuren, als het gaat om het zuchten van een berouwvolle zondaar. Iedere zondaar moet namelijk treuren. Wie wordt er anders betreurd dan een dode? En bestaat er iets wat zo dood is als een ongerechtige? Is dat niet iets geweldigs? Laat zo iemand om zichzelf treuren, dan komt hij weer tot leven. Laat hij treuren en berouw hebben over zijn zonden, dan zal hij vertroost worden en vergeving krijgen.” (s. 53A,8) Mag het subtiele gebruik van dood en zonde in deze passage opvallend heten?

Zalig wie hongeren en dorsten naar gerechtigheid want zij zullen verzadigd worden

Wie ooit intens verdriet heeft meegemaakt, heeft er weet van dat het de stofwisseling blokkeert en de honger- en dorstreflexen uitschakelt. Wie zijn verdriet de vrije loop laat ondervindt opluchting. Zo bezien is het dus heel logisch dat na de zaligspreking van de verdrietigen aandacht wordt gevraagd voor hongerigen en dorstigen. Augustinus tekent daarbij aan: “U wilt verzadigd worden. Maar waarmee dan? Als u naar lichamelijke verzadiging snakt, zult    u zodra alles verteerd is, opnieuw honger lijden. De Heer zegt zelf: “Iedereen die van dit water drinkt, krijgt weer dorst.” (joh 4,13) Als een geneesmiddel dat op een wond wordt gelegd, die wond geneest, doet die wond geen pijn meer. Maar het geneesmiddel van het eten dat tegen de honger wordt gebruikt, wordt zo toegediend dat het maar voor korte tijd verlichting brengt. Want als de verzadiging voorbij is, keert de honger terug. Iedere dag die God geeft, krijgt u het geneesmiddel van de verzadiging, maar de wónd van de zwakheid geneest nooit.

Laten wij dus hongeren en dorsten naar de gerechtigheid,  want  dan worden we door dezelfde gerechtigheid verzadigd waarnaar we nu hongeren en dorsten. We zullen dan immers verzadigd worden door datgene waarnaar we hongeren en dorsten. Laat ons innerlijk maar hongeren en dorsten: het innerlijk heeft zijn eigen voedsel en zijn eigen drank. “Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald,” zegt de Heer (Joh 6,41). Daar hebt u het brood voor wie hongert. Verlang dan ook naar de drank voor wie dorst: “Bij U is de bron van het leven” (Ps 36,10) (s. 53,4).

Zalig de barmhartigen want zij zullen barmhartigheid ondervinden

In Bertold Brechts (1898-1956) Die Dreigroschenoper vinden we de uitspraak “Erst kommt das Fressen, dann kommt die Moral.” Het zou onbewust een weerklank kunnen zijn van de Bijbelse reeks in de Bergrede: na de verzadiging van hongerigen en treurenden vinden we de aandacht voor de moraal naar      de naasten. Augustinus wijst al op de naadloze aansluiting tussen deze twee zaligsprekingen, al legt hij – eerlijk is eerlijk – een ander accent. Gelukkig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden: Augustinus leest in die ondervinding van de barmhartigheid van een ander de barmhartigheid van God. “U hongert en dorst namelijk naar gerechtigheid. En als u daarnaar hongert en dorst, bedelt u bij God. Dan komt u dus bij God aan de deur om te bedelen. Maar er komt ook weer iemand bij ú aan de deur om te bedelen. Zo simpel is het: dat wat u met úw bedelaar doet, doet God met de zijne” (s. 53A,10).

De toelichting is wellicht zo compact dat ik hier ter verheldering gemakkelijk ook de korte toelichting uit de andere preek kan aanhalen: “Wees barmhartig en u zult barmhartigheid ondervinden. Wees barmhartig voor een ander in de hoop dat die barmhartig is voor u. U hebt namelijk overvloed en gebrek tegelijk: overvloed aan tijdelijke goederen, gebrek aan eeuwige. Er komt iemand bij u bedelen, maar zelf bedelt u bij God. Er wordt iets gevraagd van u, maar zelf vraagt u iets van God. Wat u doet voor degene die iets van u vraagt, zal God doen voor degene die iets van Hem vraagt. U bent vol en leeg tegelijk: vul iemand die leeg is uit uw eigen volheid, in de hoop dat uw eigen leegte wordt gevuld uit de volheid van God” (s. 53,5).

Zalig de zuiveren van hart want zij zullen God zien

Door de beoefening van liefdevolle barmhartigheid groeit belangeloze integriteit. Mensen groeien in hun integriteit wanneer hun (goede) woorden en daden met elkaar overeenkomen. Die integriteit is van groot belang in verband met Augustinus’ visie op de zuiveren van hart. Zoals eerder vermeld besteedt hij aan deze zaligspreking de meeste aandacht. Hij heeft er een uitvoerige brief (147) aan besteed en in sermo 53 strandt hier zijn voornemen om alle zaligsprekingen te bespreken en besteedt hij aan deze zaligspreking ruim driemaal zoveel aandacht als aan alle andere samen (vgl. s. 53,6-16). Vanzelfsprekend gaat het daarbij niet om een lichamelijk zien. In elke toelichting spant Augustinus zich eerst in om dat misverstand uit de weg te helpen. In zijn Bergredecommentaar lezen wij daarover: “Hoe dom zijn dus zij die God zoeken met de ogen van het lichaam, aangezien Hij met de ogen van het hart wordt gezien zoals er ook ergens anders staat: ‘Zoek Hem in eenvoud van hart!’ (W 1,1) Een zuiver hart is een eenvoudig hart. En zoals we het licht om ons heen alleen kunnen zien met zuivere ogen, zo kunnen wij ook God alleen zien als het instrument zuiver is waarmee Hij kan worden gezien” (s.dom.m. 1,8).

Het zuiveren van het hart verlangt een fikse schoonmaakbeurt. Het verrassende bij Augustinus is dat wanneer we zelf niet voldoende daartoe in staat blijken, we niet hoeven schromen om God zelf als schoonmaker in te huren: “Als u alles doet, wat ik hierboven heb gezegd, wordt uw hart gereinigd. U hebt een zuiver hart wanneer u niet doet alsof u iemands vriend bent, terwijl u in uw hart zijn vijand bent. Want daar waar God ziet, in uw hart, bekranst Hij u (Mt 6,4.18). Niets van wat u daar in uw hart genoegen schenkt, mag u goedkeuren of prijzen. Als een slechte begeerte u prikkelt, mag u daaraan niet toegeven. En als zij toch in u oplaait, roep God dan tegen haar te hulp in uw gebed. Bid dan dat er binnenin u iets mag gebeuren, dat uw hart gereinigd mag worden, de plaats waar men tot God bidt. Want het is niet meer dan normaal dat u de kamer schoonmaakt, wanneer u God daar wilt uitnodigen, en dat u uw kamer goed schoonmaakt, in de hoop dat God u verhoort. Soms zwijgt de tong, maar zucht de ziel. Dat betekent niets meer of minder dan dat u in die kamer, in uw hart, tot God bidt. Daar mag dus niets zijn dat de ogen van God tegenstaat, niets wat God mishaagt. Als het uzelf soms moeite kost om uw hart te reinigen, dan moet u God aanroepen. Die zal het zeker niet beneden zijn waardigheid vinden om voor zichzelf een plaatsje schoon te maken. En Hij zal zeker bij u willen wonen. Of bent u soms bang dat die zo grote en machtige God u zenuwachtig zal maken, als u Hem in uw hart opneemt? Zoals mensen die in eenvoudige en armoedige omstandigheden leven, altijd bang zijn gedwongen te worden om anderen die belangrijker zijn dan zij, wanneer die toevallig langskomen, in hun huis op te nemen. En groter dan God kan al helemaal niet. Toch hoeft u niet bang te zijn dat u niet genoeg plaats hebt. Neem Hem gewoon op, dan zal Hij u verruimen. U hebt niets om Hem voor te zetten? Neem Hem op, dan zal Hij u voeden. En – wat u nog liever zult horen – Hij zal u voeden met zichzelf. Hij zal uw voedsel zijn, want Hij heeft zelf gezegd: ‘Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald’ (Joh 6,41). Dat soort brood verkwikt en raakt nooit op. Kortom: ‘Gelukkig die zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien’”.   Wanneer God op bezoek komt, maakt Hij je huis schoon en neemt Hij ook nog van alles mee waaraan je je kunt laven: de regels van de gastvrijheid worden op hun kop gezet. En zo bezien wordt het eigenlijk een feest om religieus te leven15!

Zalig wie vrede brengen want zij zullen kinderen van God worden genoemd

Valt God te zien met een zuiver hart dan daagt de ware vrede. Vredebrengers zijn, aldus Augustinus, mensen die onenigheid tussen mensen weten te stelpen en de vrede herstellen: “Zeg tegen de een iets goeds over de ander en tegen de ander iets goeds over de een. U hoort van een van hen iets slechts over de ander, gewoon omdat hij kwaad is? Vertel dat dan niet door. Houd de boze woorden van iemand die kwaad is, voor u. Maan hen in alle oprechtheid tot eendracht. Maar ook als u de vrede wilt herstellen tussen twee vrienden van u die onenigheid hebben, moet u bij uzelf beginnen met vreedzaam te zijn. U moet uzelf vanbinnen tot vrede brengen, waar u waarschijnlijk elke dag strijd levert met uzelf. (…) Als er in uw binnenste dus elke dag een soort ruzie wordt uitgevochten, en u met dit prijzenswaardige gevecht weet te voorkomen dat het lagere in u de overhand krijgt over het betere, dat de wellust het verstand overheerst en de begeerte de wijsheid, dan is dat de ware vrede die u in uzelf tot stand moet brengen, dat het betere in u het lagere in u in zijn macht heeft.

Het betere in u, dat is datgene waarin u het beeld van God bent. We noemen het ook wel geest, of bevattingsvermogen. Daar gloeit het geloof, daar groeit de hoop, daar ontbrandt de liefde. Wil uw geest in staat zijn om uw lusten de baas te worden? Dan moet hij zich onderwerpen aan iemand die groter is, en hij zal degene die lager is, de baas worden. Dan zal er ware, zekere en uitstekend geordende vrede in u heersen. Hoe die vrede geordend is? God heeft de geest in zijn macht, de mens het vlees. Een betere ordening is er niet.

Maar wel is het zo, dat het vlees nog steeds zijn zwakheden heeft. In het paradijs was dat in oorsprong niet het geval. Dat is zo gekomen door de zonde. Vanwege de zonde moet het vlees de knellende band van de tweedracht dragen ten nadele van onszelf. Maar er is iemand gekomen, die zonder zonde was, om onze ziel en ons lichaam op elkaar af te stemmen. Ook is Hij zo goed geweest om ons de Heilige Geest als onderpand te geven. Want allen die zich laten leiden door de Geest van God, zijn kinderen van God (Rom 8,14). Gelukkig die vreedzaam zijn, want zij zullen kinderen van God genoemd worden” (s. 53A,12).

Bij dit lange en wat gecompliceerde citaat veroorloof ik mij enkele verhelderingen. Augustinus ziet vredebrengers als vredeherstellers. Daarin klinkt de overtuiging door dat het werk voor de vrede als daad van herstel gezien moet worden: dat herstel staat ten dienste aan wat door mensen is geschonden. Geschonden is de ware vrede, die allereerst met God van doen heeft. Augustinus brengt de vrede dan ook heel vanzelfsprekend in verband met de drie goddelijke deugden: geloof, hoop en liefde. Over vrede als toestand van orde schrijft de bisschop van Hippo Regius later uitvoerig in De ciuitate dei 19,11-2816. Maar in bovenstaand preekfragment wordt al duidelijk hoe het herstel van de vrede te maken heeft met ieder mens afzonderlijk. In die orde van de mens staat wat aan de mens ondergeschikt is in een voortdurend verband met aan wie de mens zichzelf weet te onderschikken. Door die samenhang valt ook weer bijzonder licht op de aan de orde zijnde zaligspreking. Daarin is het kindschap van God voor de mensen door hun vrijwillige onderschikking de vanzelfsprekende beloning voor het werk aan de vrede.

Zalig wie vervolgd worden om de gerechtigheid want hun behoort het rijk der hemelen

Ter verdieping of toetsing van je integriteit gaat het vervolgens om wie vervolgd worden omdegerechtigheid: “De toevoeging van de laatste woorden onderscheidt de martelaar van de moordenaar. Want ook moordenaars worden vervolgd, voor hun wandaden. Alleen: moordenaars zijn niet uit op de martelaarskrans, maar ondergaan gewoon hun verdiende straf. Het is niet de straf, die iemand tot martelaar maakt, maar de zaak waarom het gaat. Hij moet eerst zijn zaak kiezen, dan kan hij gerust zijn straf verdragen.

Toen Christus leed, stonden er vlak bij elkaar drie kruisen: in het midden hing Christus, links en rechts van Hem een moordenaar. Die hadden dus precies dezelfde straf gekregen. Hebt u dat in de gaten? En toch was er maar een van de twee die hangend aan het kruis het paradijs vond. Hij die in het midden hing, sprak het oordeel uit, en veroordeelde de hoogmoedige moordenaar, terwijl Hij de nederige te hulp kwam. Het kruishout was dus Christus’ rechtbank. Waartoe zal Hij als Rechter niet in staat zijn, als Hij als veroordeelde al zoiets kon? Tegen de moordenaar die zijn schuld beleden had, zei Hij: ‘Ik verzeker je, vandaag nog zul je met Mij zijn in het paradijs’ (Lc 23,43). Die moordenaar had er niet op gerekend dat het zo snel zou gaan. Wat had hij namelijk gezegd? ‘Heer, denk aan mij, wanneer U in uw rijk gekomen bent’ (Lc 23,42). Ik ben me bewust van mijn wandaden,’ zei hij, ‘laat me in ieder geval maar gekruisigd blijven totdat U komt’. En omdat ieder die zichzelf vernedert, verheven zal worden, sprak Christus meteen zijn vonnis uit en schonk hem vergeving: ‘Vandaag nog zul je met Mij zijn in het paradijs’” (s. 53A,13).

Het beslissende criterium om echte en onechte vervolgde bloedgetuigen van elkaar te onderscheiden wordt volgens Augustinus niet bepaald door vervolging of het verduren van folteringen, maar alleen door de zaak waarvoor men sterft. Over die rechtvaardige zaak lijkt bij de bisschop van Hippo Regius geen discussie mogelijk: de inzet voor de gerechtigheid betreft de zaak van Jezus Christus en diens lichaam over de wereld verspreid, dat wil zeggen: de katholieke kerk.

Bron :    KU Leuven – Collationes – 43e jaargang, nr. 3, September 2013

Augustinus : “Genadige Vrouwe,  u bent een Moeder en Maagd…..

1bd7b055cd72e7f00477a373f441e5fa

MARIA2

“Genadige Vrouwe,  u bent een Moeder en Maagd,

u bent de Moeder van het lichaam en de ziel

van ons Hoofd en Verlosser,  u bent ook werkelijk Moeder

van alle leden van het Mystieke Lichaam van Christus.

Want door uw liefde hebt u meegewerkt

aan de verwekking van de gelovigen in de Kerk.

Uniek onder de vrouwen, u bent Moeder en Maagd,

Moeder van Christus en Maagd van Christus.

U bent de schoonheid en charme van de aarde, O Maagd.

U bent, voor altijd, het beeld van de heilige Kerk.

Door een vrouw kwam de dood,

door een vrouw kwam het leven,

ja, door u, O Moeder van God.”

 

Sint Augustinus (354-430)

Vader en Doctor in de Gena

 

RON : https://anastpaul.com/category/catholic-quotes/

Augustinus : over de Canon van de Bijbel…….

CANON

“Nu is de hele canon van de Schrift waarop wij zeggen dat dit oordeel moet worden uitgeoefend, vervat in de volgende boeken: — Vijf boeken van Mozes, dat wil zeggen Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium; één boek van Jozua, de zoon van Nun; één van Rechters; één kort boek genaamd Ruth, dat eerder lijkt te behoren tot het begin van Koningen; vervolgens vier boeken van Koningen en twee van Kronieken — deze laatste volgen elkaar niet op, maar lopen parallel, om zo te zeggen, en gaan over hetzelfde terrein. De boeken die nu worden genoemd, zijn geschiedenis, die een samenhangend verhaal van de tijden bevat en de volgorde van de gebeurtenissen volgt. Er zijn andere boeken die geen vaste volgorde lijken te volgen en noch met de volgorde van de voorgaande boeken noch met elkaar verbonden zijn, zoals Job en Tobias, en Esther en Judith, en de twee boeken van Makkabeeën, en de twee van Ezra, die laatste meer lijken op een vervolg op de doorlopende regelmatige geschiedenis die eindigt met de boeken van Koningen en Kronieken. Vervolgens zijn er de Profeten, waarin er één boek van de Psalmen van David is; en drie boeken van Salomo, namelijk Spreuken, Hooglied en Prediker. Want twee boeken, één genaamd Wijsheid en de andere Ecclesiasticus, worden aan Salomo toegeschreven vanwege een zekere gelijkenis in stijl, maar de meest waarschijnlijke mening is dat ze zijn geschreven door Jezus, de zoon van Sirach. Toch moeten ze worden gerekend tot de profetische boeken, aangezien ze erkenning hebben gekregen als gezaghebbend. De rest zijn de boeken die strikt de Profeten worden genoemd: twaalf afzonderlijke boeken van de profeten die met elkaar verbonden zijn en nooit van elkaar zijn gescheiden, worden gerekend als één boek; de namen van deze profeten zijn als volgt: Hosea, Joël, Amos, Obadja, Jona, Micha, Nahum, Habakuk, Zefanja, Haggaï, Zacharia, Maleachi; dan zijn er de vier grotere profeten, Jesaja, Jeremia, Daniël, Ezechiël.

Het gezag van het Oude Testament is vervat in de grenzen van deze vierenveertig boeken. Dat van het Nieuwe Testament is weer vervat in het volgende: — Vier boeken van het Evangelie, volgens Mattheüs, volgens Markus, volgens Lukas, volgens Johannes; veertien brieven van de apostel Paulus — één aan de Romeinen, twee aan de Korintiërs, één aan de Galaten, aan de Efeziërs, aan de Filippenzen, twee aan de Thessalonicenzen, één aan de Kolossenzen, twee aan Timotheüs, één aan Titus, aan Filemon, aan de Hebreeën: twee van Petrus; drie van Johannes; één van Judas; en één van Jakobus; één boek van de Handelingen der Apostelen; en één van de Openbaring van Johannes.”

Augustinus :- Over Christelijke Doctrine Boek II: 8:13

Augustinus :Een christelijk volk viert gezamenlijk in religieuze plechtigheid de herdenkingen van de martelaren…….

PEOPLE

“Een christelijk volk viert gezamenlijk in religieuze plechtigheid de herdenkingen van de martelaren, zowel om hun navolging aan te moedigen als om te delen in hun verdiensten en geholpen te worden door hun gebeden”

(Tegen Faustus de Manicheeër [400 n.Chr.]).

Augustinus : een verhaal en icoon….

ICOON1

Icoon van Sint Augustinus van Hippo door Theophilia op DeviantArt

 

“U inspireert ons, o Heer, om u te prijzen,

omdat u ons voor uzelf hebt gemaakt;

ons hart is rusteloos totdat het rust vindt in u.”

~ Antifoon voor het feest van Sint Augustinus

 

“Laat heb ik u liefgehad,

o Schoonheid, altijd oud, altijd nieuw,

laat heb ik u liefgehad.

U riep, u schreeuwde

en u verbrijzelde mijn duisternis.”

~ Antifoon voor het feest van Sint Augustinus

 

Hier is mijn icoon van een van de grootste mannen en een van de meest productieve genieën in de menselijke geschiedenis: de grote Sint Augustinus van Hippo! Zoals Frank J. Sheed ooit schreef in een voorwoord tot de Belijdenissen : “Iedere man die in de westerse wereld leeft, zou een ander mens zijn als Augustinus niet anders was geweest, of anders was geweest.” Zijn impact op de wereld door zijn geschriften kan werkelijk niet adequaat worden gemeten. Hij was niet alleen een groot heilige, leraar, filosoof, schrijver, theoloog en bisschop, maar zijn verhaal van bekering (verteld in zijn Belijdenissen ) blijft een van de mooiste, psychologisch meest indringende en invloedrijke verhalen aller tijden, en blijft lezers tot op de dag van vandaag beïnvloeden. Ik heb ervoor gekozen om hem hier af te beelden als de bisschop van Hippo, met een mijter, paarse kazuifel, bisschopspallium en kromstaf. In de katholieke kerk is paars de liturgische kleur die boete en nederigheid symboliseert, en die ook associaties heeft met majesteit en koningschap, wat ik passend vond gezien zijn eigen verhaal van bekering en boete en zijn opkomst tot heiligheid. Op zijn kromstaf staat een gestileerde kerk met stralen die eruit stralen, die het hemelse Jeruzalem symboliseren, als een verwijzing naar het andere grote werk van St. Augustinus De stad van God . In één hand houdt hij een vlammend hart, wat het symbool is dat traditioneel met hem wordt geassocieerd, wat zijn grote liefde voor God aangeeft. In de andere hand houdt hij een verguld boek met de evangeliën en een ganzenveer vast, wat zowel zijn rol als groot leraar van het christendom laat zien als een symbool van zijn eigen vele geschreven werken ter verdediging van het geloof. :

+: EEN KORTE BIOGRAFIE VAN DE HEILIGE :

+: Sint Augustinus van Hippo ( 13 november 354 – 28 augustus 430 n.Chr .), of Aurelius Augustinus werd geboren in de stad Tagaste in Romeins Noord-Afrika als zoon van zijn ouders Patricius en St. Monica. Beide ouders waren relatief welgestelde Romeinse burgers. Zijn vader, Patricius, was een ambtenaar in Tagaste en een heiden, die met zijn moeder was getrouwd toen zij nog een jonge vrouw was. St. Monica was een vrome christen en bracht veel van haar tijd door met gebed, aalmoezen geven en liefdadigheidsdaden. Deze religieuze gedragingen waren een bron van ergernis voor haar man Patricius, maar ondanks zijn gewelddadige temperament, losbandige leven en overspelige affaires, hield hij altijd veel respect voor haar. Monica’s schoonmoeder was ook een bron van verdriet vanwege de losbandige gewoonten die ze deelde met haar zoon, hoewel ze uiteindelijk werd gewonnen door Monica’s geduld en vriendelijkheid. De twee andere kinderen van Monica en Patricius die de kindertijd overleefden, waren Perpetua en Navigius, en samen met Augustine werden ze opgevoed in de welgestelde stijl van die tijd en kregen ze de beste opleiding die er was. Patricius verbood Monica om een ​​van hun kinderen te dopen, wat haar erg bedroefde. Toen Augustine ongeveer zeven jaar oud was, werd hij ernstig ziek met een buikkwaal, en Moncia smeekte om haar zoon te laten dopen. De jongen herstelde echter plotseling en zijn doop werd uitgesteld.

Augustine werd al vroeg in zijn leven naar school gestuurd, en als jongen was zijn grootste zorg om te voorkomen dat hij op school werd geslagen, en hij bad vaak tot God dat hij deze vernederende straf kon vermijden. Hij merkte op in zijn Bekentenissendat hij “een hekel had aan leren en het haatte om ertoe gedwongen te worden. Maar ik werd ertoe gedwongen, zodat mij iets goeds werd aangedaan, hoewel het niet mijn schuld was.” Hij merkte verder op dat hij van Latijnse poëzie en literatuur hield, maar een hekel had aan Grieks, en dat hij het daarom nooit leerde, vooral uit koppigheid tegenover zijn leraren omdat hij zo wreed werd geslagen toen hij gedwongen werd het te leren. Toen hij ongeveer twaalf was, werd hij naar school gestuurd in Madaura, zo’n negentien mijl ten zuiden van Tagaste. Daar studeerde hij grammatica en retorica, en zette hij zijn studie Latijnse literatuur en poëzie voort. Hij was daar maar drie jaar toen zijn ouders hem wegens geldgebrek terug moesten halen. Tijdens zijn zestiende jaar verspilde hij zijn tijd in het huis van zijn ouders en begon hij enkele van de vicieuze ondeugden te ontwikkelen die hem nog vele jaren zouden plagen. Tegen die tijd was Patricius een catechumeen (iemand die voor de doop in het geloof werd onderwezen), maar hij was opgewonden toen hij zag dat de wilde lusten van zijn zoon uit de hand liepen omdat hij kleinkinderen wilde. Terugkijkend op dit deel van zijn jeugd, zei Augustinus dat zijn vader niet zo veel om de gezondheid van zijn ziel gaf, alleen zolang hij maar zou opgroeien en mooie, welsprekende toespraken zou houden. Zijn moeder raakte gealarmeerd door alle wellustige daden van haar zoon en ze vermaande hem, hoewel het weinig effect had op de jongen. “Mijn beide ouders waren onnodig vastbesloten om mijn studies te laten slagen, mijn vader omdat hij praktisch geen gedachten had over [God] en alleen ijdele ambities voor mij, mijn moeder omdat ze dacht dat de gebruikelijke studiegang niet alleen geen belemmering zou zijn voor mijn nadering tot [God], maar een echte hulp.” Toen hij vertelde dat hij in wezen werd overgelaten aan zijn eigen wil, werd hij steeds losbandiger. In deze tijd gingen de jonge Augustinus en zijn vrienden ’s nachts naar buiten en stalen alle peren uit de tuin van een buurman en gooiden ze vervolgens allemaal weg voor de lol. Dit incident maakte grote indruk op hem, want toen hij er later in zijn leven over nadacht, zag hij dit incident van destructief vandalisme als een vertoning van zinloze slechtheid. De peren zelf waren van slechte kwaliteit en hijzelf had betere peren, en toen ze ze allemaal hadden gestolen, aten ze ze niet eens op; ze gooiden ze gewoon voor de varkens. Het was dit incident dat Augustinus deed nadenken over de aard van het kwaad, door te zeggen: “de kwaadaardigheid van de daad was laag en ik hield ervan – dat wil zeggen, ik hield van mijn eigen ondergang, ik hield van het kwaad in mij – niet van het ding waarvoor ik het kwaad deed, gewoon het kwaad: mijn ziel was verdorven en wierp zichzelf neer van de veiligheid in [God] in totale vernietiging, zonder winst te zoeken uit slechtheid, maar alleen om slecht te zijn.”

Lees verder “Augustinus : een verhaal en icoon….”

Augustinus : Hoe zoet was het ineens voor mij om verlost te zijn van die vruchteloze vreugden die ik ooit had gevreesd……….

sweet
“Hoe zoet was het ineens
voor mij om verlost te zijn van die
vruchteloze vreugden die ik
ooit had gevreesd te verliezen
…!
Jij hebt ze van mij verdreven,
jij die de ware bent, de
soevereine vreugde. Je hebt
ze van mij verdreven  en nam
hun plaats in, jij die
zoeter bent dan alle plezier
O Heer, mijn God, mijn licht,
mijn rijkdom en mijn redding.
 
Sint-Augustinus