Augustinus : “Welke vader van jullie zou zijn zoon een slang geven als hij om een vis vraagt? Of geef je hem een schorpioen als hij om een ei vraagt?” – Lukas 11:11-12……

EGG

“Welke vader van jullie zou zijn zoon een slang geven als hij om een vis vraagt? Of geef je hem een schorpioen als hij om een ei vraagt?” – Lukas 11:11-12

“Van die drie dingen die de apostel aanbeveelt, wordt het geloof ofwel aangeduid door de vis vanwege het water van de doop, of omdat het ongedeerd blijft door de golven van deze wereld. De slang is ertegen, omdat hij de mens listig en bedrieglijk heeft overgehaald om niet in God te geloven. Het ei symboliseert hoop, want het kuiken leeft nog niet, maar zal er wel zijn; Het is nog niet gezien, maar er wordt gehoopt. “Hoop die gezien wordt, is geen hoop.” De schorpioen is tegengesteld aan de hoop, want wie op het eeuwige leven hoopt, vergeet de dingen die achter hem liggen en reikt uit naar de voorgaande. Het is gevaarlijk voor hem om achterom te kijken en hij is op zijn hoede voor de achterkant van de schorpioen, die een vergiftigde pijl in zijn staart heeft. Brood symboliseert liefde omdat “de grootste hiervan liefde is” en onder voedsel overtreft brood zeker alle andere in waarde. De steen verzet zich ertegen, omdat de steenhartige de liefde uitdrijft. Het kan zijn dat deze geschenken iets passenders betekenen, maar Hij die weet hoe hij goede gaven aan Zijn kinderen moet geven, spoort ons aan om te vragen, te zoeken en te kloppen.”

– St Augustinus (354-430) Vader en Doctor van Genade (Brief 130)

St.Augustinus : Houd vast aan de bevelen van de Heer…..

BODY19

Houd vast aan de bevelen van de Heer

Wanneer u gedoopt bent, houd dan een goed leven vast in de geboden van God, zodat u uw Doop tot het einde toe kunt bewaken. Ik zeg u niet dat u hier zonder zonde zult leven; maar ze zijn vergeeflijk, zonder welke dit leven niet is. Ter wille van alle zonden werd de Doop verschaft; ter wille van lichte zonden, zonder welke wij niet kunnen zijn, werd gebed voorzien. Wat heeft het gebed? “Vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven onze schuldenaren.” Eens en voor altijd hebben wij de wassing in de Doop, elke dag hebben wij de wassing in gebed. Alleen, doe niet die dingen waarvoor u noodzakelijk gescheiden moet worden van Christus’ lichaam: die ver van u zijn! Want degenen die u boete hebt zien doen, hebben afschuwelijke dingen gedaan, hetzij overspel of een aantal enorme misdaden: voor deze doen zij boete. Want als hun zonden licht waren geweest, zou het voldoende zijn om deze dagelijkse gebeden uit te wissen. Op drie manieren worden de zonden in de Kerk vergeven: door het doopsel, door het gebed en door de grotere nederigheid van de boete.

Sint Augustinus: over de Geloofsbelijdenis: een preek tot de Catechumenen

 

 

ANDERS19

 Het volledige artikel :

Houd vast aan de geboden van de Heer :

Sint Augustinus, Boete en de vergeving van zonden

In de vroege Kerk was de praktijk van het sacrament van de biecht niet heel gebruikelijk. Hoewel er zeker getuigenissen zijn van de biecht van lichte zonden in het sacrament van de biecht, werd het het meest geassocieerd met ernstige zonden die een canonieke en publieke boete vereisten. St. Augustinus verbindt de vergeving van lichte zonden vaak met het gebed “vergeef ons onze zonden, zoals wij vergeven aan hen die tegen ons zondigen”:

jDaarom wordt de doop verzegeld met het zegel van Christus, dat wil zeggen, wanneer u in het water wordt gedompeld en als het ware door de Rode Zee gaat. Uw zonden zijn uw vijanden; zij volgen, maar alleen tot aan de zee. Wanneer u erin gaat, zult u eraan ontsnappen, zij zullen vernietigd worden, zoals het water de Egyptenaren bedekte terwijl de Israëlieten door het droge land ontsnapten. En wat zegt de Schrift? Niet één van hen bleef over. U hebt veel zonden begaan, u hebt weinig zonden begaan; u hebt grote zonden begaan, u hebt kleine zonden begaan. Wat maakt het uit, wanneer er niet één van hen overbleef? Maar aangezien u in deze wereld gaat leven, waar niemand zonder zonde leeft, is de vergeving van zonden daarom niet alleen in de wassing van de heilige doop, maar ook in het Onze Vader, een dagelijks gebed, dat u na acht dagen zult ontvangen. Daarin zult u als het ware uw dagelijkse doop vinden, zodat u God dankt, die deze gave aan zijn Kerk heeft gegeven, die wij belijden in de geloofsbelijdenis, zodat wij, wanneer wij zeggen “heilige Kerk”, “vergeving van zonden” toevoegen. ( Preek 213)

Wanneer gij gedoopt zijt, houd dan een goed leven in de geboden van God, opdat gij uw doop tot het einde toe bewaart. Ik zeg u niet dat gij hier zonder zonde zult leven; maar zij zijn vergeeflijk, zonder welke dit leven niet is. Ter wille van alle zonden werd de doop voorzien; ter wille van lichte zonden, zonder welke wij niet kunnen zijn, werd gebed voorzien. Wat heeft het gebed? “Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.” Eens en voor altijd hebben wij de wassing in de doop, elke dag hebben wij de wassing in gebed. Alleen, bega niet die dingen waarvoor gij noodzakelijkerwijs gescheiden moet worden van Christus’ lichaam: die ver van u zijn! Want zij die gij boete hebt zien doen, hebben afschuwelijke dingen begaan, hetzij overspel of enige enorme misdaden: voor deze doen zij boete. Want als het lichte zonden waren geweest, zou het voldoende zijn om deze dagelijkse gebeden uit te wissen. ( De geloofsbelijdenis: Een preek tot de cathechumenen )

De canonieke boetedoening, net als de doop, kon slechts één keer worden gedaan. Dit impliceerde niet noodzakelijkerwijs wanhoop over de redding van de redding van die mannen die terugvielen in zonde terwijl ze boete deden of daarna, hoewel het enige twijfel zou kunnen suggereren over de zekerheid van de echtheid van berouw:

jEr zijn mensen wier slechtheid zo ver gaat dat ze, na boete te hebben gedaan en verzoend te zijn met het altaar, dezelfde zonden opnieuw begaan, of zelfs ergere zonden. En toch geeft God, die zelfs over zulke mensen zijn zon laat opgaan, niet minder dan voorheen de gave van leven en verlossing. En hoewel hun in de Kerk geen gelegenheid tot boete wordt gegeven, vergeet God zijn geduld jegens hen niet.

Als een van hen tot ons zegt: “Geef mij opnieuw de gelegenheid om boete te doen of verkondig dat het hopeloos is, zodat ik kan doen wat ik wil, voor zover mijn middelen en menselijke wetten mij dat toestaan, door gemeenschap te hebben met prostituees en mij over te geven aan alle soorten lusten die in de ogen van God veroordeeld zijn, hoewel door de meeste mensen geprezen. Of als u mij weghaalt van deze ongerechtigheid, zeg mij dan of het voor het toekomstige leven van enige waarde is dat ik de verlokkingen van ongeoorloofd genot veracht, dat ik de aansporingen van lust ontken, als ik om mijn lichaam te kastijden mezelf zelfs veel dingen ontzeg die mij geoorloofd en toegestaan ​​zijn, als ik mezelf nog meer dan voorheen kwel in boetedoening, als ik kreun met groter verdriet, als ik overvloediger ween, als ik beter leef, als ik guller geef aan de armen, als ik vuriger brand met de liefdadigheid die een veelheid aan zonden bedekt?” wie van ons is zo dwaas om tegen die man te zeggen: “Niets daarvan zal u in de toekomst baten; ga heen, geniet tenminste van de zoetheid van dit leven”? Moge God ons behoeden voor zulk een monsterlijke heiligschennis en waanzin!

Hoewel de kerkelijke discipline om redenen van voorzichtigheid en ter wille van het heil van de zielen slechts één keer de gelegenheid biedt om zich te vernederen in boetedoening, opdat het medicijn niet als goedkoop wordt gezien en dus minder nuttig voor de zieken, aangezien het medicijn des te heilzamer zal zijn naarmate het minder wordt veracht, wie zal dan tot God durven zeggen: “Waarom vergeeft u deze man opnieuw die, nadat hij eenmaal de boete heeft aanvaard, zich opnieuw in de strikken van de zonde heeft gebonden?” ( Brief 153)

Hoewel Augustinus over het algemeen onderscheid maakt tussen ernstige zonden, waarvoor men zich van het Lichaam van Christus moet scheiden en een periode van boete moet ondergaan, en lichte zonden, die vergeven worden door het Onze Vader – ‘Vergeef ons, zoals ook wij anderen vergeven’ – komt dit onderscheid niet consequent overeen met het onderscheid tussen dodelijk en vergeeflijk.

  1. … Wanneer die vleselijke of dierlijke zin in dit doel van de geest die vertrouwd is met tijdelijke en lichamelijke zaken, met het oog op de functies van de handelingen van een mens, door de levende kracht van de rede, enige aansporing introduceert om van zichzelf te genieten, dat wil zeggen, om van zichzelf te genieten alsof het een eigen privé-goed was, niet als het publieke en algemene, wat het onveranderlijke goed is; dan spreekt de slang als het ware met de vrouw. En instemmen met deze verleiding is eten van de verboden boom. Maar als die instemming alleen door het genoegen van de gedachte wordt bevredigd, maar de leden zo worden ingeperkt door het gezag van hogere raad dat ze niet als instrumenten van onrechtvaardigheid aan de zonde worden overgegeven; dit moet, denk ik, worden beschouwd alsof de vrouw alleen het verboden voedsel zou hebben gegeten.

Maar als in deze toestemming om de dingen die door de zintuigen van het lichaam worden waargenomen, op een slechte manier te gebruiken, elke zonde op die manier wordt bepaald, zodat deze indien mogelijk ook door het lichaam wordt vervuld, dan moet die vrouw worden begrepen als iemand die het onwettige voedsel aan haar man heeft gegeven om het samen met haar te eten. Want het is niet mogelijk voor de geest om te bepalen dat een zonde niet alleen met plezier moet worden gedacht, maar ook daadwerkelijk moet worden begaan, tenzij ook die intentie van de geest toegeeft en de slechte daad dient, waarmee de voornaamste macht rust om de leden aan een uiterlijke daad te onderwerpen of ze ervan te weerhouden.

  1. En toch, zeker, wanneer de geest alleen in gedachten behagen schept in onwettige dingen, terwijl hij niet beslist dat ze gedaan moeten worden, maar toch met vreugde dingen vasthoudt en overweegt die verworpen hadden moeten worden op het moment dat ze de geest raakten, kan het niet ontkend worden dat het een zonde is, maar veel minder dan wanneer hij ook besloten was om het in uiterlijke daad te volbrengen . En daarom moet er ook voor zulke gedachten vergeving gezocht worden, en de borst moet geslagen worden, en er moet gezegd worden: “Vergeef ons onze schulden;” en wat volgt moet gedaan worden, en moet in ons gebed samengevoegd worden, ” Zoals ook wij onze schuldenaren vergeven. ” Want het is niet zoals het was met die twee eerste menselijke wezens – in dat geval droeg ieder zijn eigen persoon, en dus, als de vrouw alleen het verboden voedsel had gegeten, zou zij inderdaad alleen met de straf van de dood geslagen zijn; we kunnen dit nu niet zeggen in het geval van een enkel mens, dat als de gedachte, alleen gelaten, met genoegen gevoed wordt met onwettige genoegens, waarvan hij zich direct zou moeten afwenden, terwijl er nog geen bepaling is dat de slechte daden gedaan moeten worden, maar alleen dat ze met genoegen in herinnering worden gehouden, de vrouw als het ware veroordeeld kan worden zonder de man. Het zij verre van ons om dit te geloven. Want hier is één persoon, één mens, en hij als geheel zal veroordeeld worden, tenzij die dingen die , omdat ze de wil om te doen missen, en toch de wil hebben om de geest ermee te behagen, worden gezien als zonden van alleen de gedachte, vergeven worden door de genade van de Middelaar . ( Over de Drie-eenheid XII, hfdst. 12, nadruk toegevoegd.)

Voor zover het geloof van de Kerk tot uiting komt in haar praktijk, kan de discipline van boetedoening in de Kerk de ene of de andere interpretatie van de algemene levenswandel van een christen ondersteunen.

Hoewel er geen strikt logisch verband mee bestaat, zou de praktijk van boetedoening na de doop als een eenmalige aangelegenheid wel passen bij het idee dat niet verwacht kan worden dat de fundamentele oriëntatie van het leven van mensen snel en frequent verandert. In die zin zou de vroege praktijk van de Kerk een bepaalde interpretatie van een fundamentele optie ondersteunen.

Brron : https://www.pathsoflove.com/blog/2010/05/st-augustine-penance-and-the-forgiveness-of-sins/

 

 

 

St.Augustinus : U hebt gehoord wat de Heer tot zijn discipelen zei na de opstanding…

Ga de hele wereld in

en predikt het Evangelie

aan alle mensen

Marcus 16 : 15

OFFERS

“ U hebt gehoord wat de Heer

tot zijn discipelen zei na de opstanding.

Hij zond hen uit om het evangelie te prediken

en dat deden ze.

Luister: “Over de hele aarde weerklinkt hun stem

en tot aan de uiteinden van de wereld, hun boodschap” (Ps. 18[19],5).

Stap voor stap heeft het evangelie zelfs ons

en de uiteinden van de aarde bereikt.

In een paar woorden heeft de Heer, Zich

tot zijn discipelen richtend, uiteengezet wat we moeten doen

en waarop we moeten hopen.

Zoals u hebt gehoord, zei Hij:

“Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden.”

Hij vraagt ​​om ons geloof en biedt ons redding aan.

Wat Hij ons aanbiedt, is zo kostbaar

dat wat Hij van ons vraagt, als niets is. ”

 

Sint Augustinus (354-430)

Belijdenissen van Augustinus : uitgebreide citaten

HOUDEN

Uit de Belijdenissen van st.Augustinus

(38) Ik begon laat van je te houden, schoonheid zo oud, schoonheid zo nieuw: hoe laat begon ik! Toch was je in mij: en ik stond buiten, en daar zocht ik je. Ontdaan van de schoonheid waarmee je mijn ziel had verfraaid, ging ik over op wat je verspreidde op je werken die mij omringden. Dus toen jij bij mij was, was ik niet bij jou: omdat juist die dingen die er niet zouden zijn als ze niet in jou waren, mij bij je vandaan hielden. Ten slotte belde je me vriendelijk, en de kreet die je maakte dwong mijn doofheid af. Je hebt bliksem en lichtstralen uitgezonden en mijn blindheid is verdwenen. Zodra ik de geur van je parfums inademde, zuchtte ik achter je aan. Wat ik ervan heb geproefd, houdt een honger en een dorst in stand die mij gelukkig maken. Eindelijk, door de aanraking van jouw genade, zocht mijn hart, helemaal in vuur en vlam, alleen jouw omhelzingen. (39) Dit komt omdat als ik volkomen verenigd ben met U, ik niet langer pijn of arbeid zal ervaren, en mijn leven, waarvan U de volledige capaciteit zult vervullen, in al zijn delen levend zal zijn; terwijl ik nu een last voor mezelf ben, omdat ik niet gevuld ben met jou, en jij alleen degenen steunt die jij vervult.

Dus wat is tijd? Als niemand het mij vraagt, weet ik het. Maar als iemand het mij vraagt ​​en ik wil het uitleggen, dan weet ik het niet meer. Toch verklaar ik stoutmoedig dat ik dat weet als er niets is.

38) Sero te amavi, pulchritudo tam antiqua et tam nova, sero te amavi ! Et ecce intus eras et ego foris et ibi te quærebam et in ista formosa, quæ fecisti, deformis irruebam. Mecum eras, et tecum non eram. Ea me tenebant longe a te, quæ si in te non essent, non essent. Vocasti et clamasti et rupisti surdidatem meam, coruscasti, splenduisti et fugasti cæcitatem meam; fragrasti, et duxi spiritum et anhelo tibi, gustavi, et esurio et sitio, tetigisti me, et exarsi in pacem tuam. (39) Cum inhæsero tibi ex omni me, nusquam erit mihi dolor et labor, et viva erit vita mea tota plena te. Nunc autem quoniam quem tu imples, sublevas eum, quoniam tui plenus non sum, oneri mihi sum.

(Vertaling : Ik hield laat van je, schoonheid zo oud en zo nieuw, ik hield laat van je! En zie, jij was binnen en ik was buiten en daar zocht ik jou en snelde ik op die mooie dingen af ​​die jij lelijk maakte. Jij was bij mij, en ik was niet bij jou. Ze hielden me ver van je vandaan, wat niet het geval zou zijn als ze niet in jou waren. Je riep en huilde en verbrak mijn doofheid, je flitste, straalde en verdreef mijn blindheid; je brak me, en ik ademde en verlangde naar je, ik proefde, en ik had honger en dorst, je raakte me aan, en ik brandde in je vrede. (39) Als ik me met heel mijn wezen aan je vastklamp, zal ik nooit pijn of bevalling hebben, en zal mijn hele leven levend en vol van jou zijn. Maar nu, omdat jij hem vult, ontlast je hem, aangezien ik niet vol van jou ben, draag ik een last.)

“De Bekentenissen (Confessionum Libri Tredecim)” ( boek X, hfdst. 27, §.38 & hfdst. 28, §.39, in De Bekentenissen van St. Augustinus vertaald in het Frans, Augustine d’Hippone, ed. Pierre-Alexandre Martin, 1741, t. 2, p. 82-84

Dus wat is tijd? Als niemand het mij vraagt, weet ik het. Maar als iemand het mij vraagt ​​en ik wil het uitleggen, dan weet ik het niet meer. Toch verklaar ik stoutmoedig dat ik weet dat als er niets voorbijgaat, er geen tijd voorbij zou zijn; dat als er niets gebeurde, er geen tijd zou zijn om te komen; dat als er niets bestond, er geen huidige tijd zou zijn. Hoe zijn deze twee tijden, het verleden en de toekomst, nu het verleden er niet meer is en de toekomst er nog niet is? Wat het heden betreft: als het altijd aanwezig zou zijn, als het zich niet zou aansluiten bij het verleden, zou het geen tijd zijn, maar de eeuwigheid. Dus als het heden, om tijd te zijn, zich bij het verleden moet voegen, hoe kunnen we dan verklaren dat dit ook het geval is, wat alleen kan gebeuren door op te houden te bestaan? Zozeer zelfs dat wat ons machtigt om te bevestigen dat als tijd bestaat, het de neiging heeft er niet meer te zijn.

De bekentenissen, Augustinus van Hippo , ed. Garnier-Flammarion, 1964, hfst. 4, Boek XI, p. 264

Maar hoe ellendig ik ook was, en ellendiger dan iemand kan zeggen, vanaf mijn vroegste jeugd had ik je om de gave van kuisheid gevraagd; maar hoe heb ik erom gevraagd? Ik had tegen u gezegd: “Geef mij, Heer, om kuis te zijn, maar nu nog niet” omdat ik bang was dat ik te snel zou worden vergeven, ik was bang dat ik te snel zou worden genezen van het onzuivere kwaad waarvan ik bezeten was, en dat ik er de voorkeur aan gaf verteerd te worden door zijn vuren dan om ze volledig gedoofd te zien.

De Bekentenissen, Augustinus van Hippo , ed. Charpentier, 1841, Boek VII, hfdst.8, p. 213

Volledig bedekt met beschamende wonden wierp [mijn ziel] zichzelf buiten zichzelf, zoekend in gevoelige voorwerpen een verzachting van haar kwaad [letterlijk: verlangend om ellendig gekieteld te worden door het contact van lichamen], maar omdat we leven willen vinden in wat we liefde [letterlijk: maar als ze geen ziel hadden, zouden we niet van ze houden], het was echt lief voor mij om lief te hebben en bemind te worden, dat in het geheel bezit van het object van mijn gehechtheid [letterlijk: en nog meer als ik zou kunnen genieten van het lichaam van de minnaar]. Zo corrumpeerde ik de bronnen van vriendschap door alle onzuiverheden van losbandigheid erin te vermengen [letterlijk: ik bevuilde daarom de intieme diepten van vriendschap met het vuil van de begeerte]; Ik droogde zijn lieflijke zuiverheid op met deze helse dampen die voortkwamen uit de afgrond van een hart dat besmet was met alle verdorvenheden [letterlijk: ik bedekte zijn witheid met een wolk [afkomstig] uit de Tartarus van [ongereguleerde seksuele] verlangens; en toch beïnvloedde ik door monsterlijke ijdelheid, hoe berucht ik ook was, de eerlijke moraal en elegante manieren. Eindelijk viel ik in de netten van de liefde, waarin ik zo vurig verlangde gevangen te worden. O mijn God, wat een bitterheid stortte u onmiddellijk uit over wat ik zo verlangde, en met wat een genadige vriendelijkheid! Want ik was er nauwelijks in geslaagd bemind te worden en in het geheim te genieten [letterlijk: omdat er van mij gehouden werd, en ik in het geheim de ketenen van genot bereikte] en in een waanzinnige roes van wat mijn verlangen had vervuld [letterlijk: en ik werd gehinderd, [gelukkig gemaakt door gekwelde omhelzingen], dat ik me onmiddellijk getroffen voelde en alsof ik door brandende staven werd verscheurd; jaloezie, achterdocht, angst, ruzie, woede, waardoor ik geen moment rust heb.

(la) et ideo non bene valebat anima mea et ulcerosa proiciebat se foras, miserabiliter scalpi avida contactu sensibilium. sed si non haberent animam, non utique amarentur. amare et amari dulce mihi erat, magis si et amantis corpore fruerer. venam igitur amicitiæ coinquinabam sordibus concupiscentiæ candoremque ejus obnubilabam de tartaro libidinis, et tamen fœdus atque inhonestus, elegans et urbanus esse gestiebam abundanti vanitate. rui etiam in amorem, quo cupiebam capi. deus meus, misericordia mea, quanto felle mihi suavitatem illam et quam bonus aspersisti, quia et amatus sum, et perveni occulte ad vinculum fruendi, et conligabar lætus ærumnosis nexibus, ut cæderer virgis ferreis ardentibus zeli et suspicionum et timorum et irarum atque rixarum.

Vertaling :

 (en daarom was het niet goed met mijn ziel en met zweren wierp ze zich naar buiten, ellendig verlangend om gescalpeerd te worden door het contact van de zintuigen. maar als ze geen ziel hadden, zouden ze zeker niet geliefd zijn. Het was lief voor mij om lief te hebben en bemind te worden, en nog meer als ik genoot van het lichaam van de minnaar. Daarom verontreinigde ik de ader van de vriendschap met het vuil van de begeerte, en vertroebelde de witheid ervan met het tandsteen van de lust, en toch deed ik alsof ik smerig en oneerlijk was, elegant en beleefd, met overvloedige ijdelheid. Ik werd ook verliefd op wie ik meegenomen wilde worden. mijn god, mijn genade, hoe fel besprenkelde je mij met die zoetheid en hoe goed besprenkelde je mij, omdat ik geliefd was, en ik in het geheim de band van genot bereikte, en ik mijn vreugde met ijzeren banden bond, zodat ik zou kunnen toegeven aan de brandende ijzeren staven van jaloezie en achterdocht en angsten en woede en ruzies.)

“De Bekentenissen (Confessionum Libri Tredecim)”, boek III, hoofdstuk 2, in De Bekentenissen van Sint-Augustinus, Augustinus van Hippo, ed. Charpentier, 1841, p. 55-56

Kennen wij plekken waar beruchte en onnatuurlijke misdaden, zoals bijvoorbeeld die van de inwoners van Sodom, niet [overal en altijd] afschuwelijk werden geacht en de zwaarste straffen waard waren? Geen twijfel mogelijk; en als alle volkeren op aarde samen zouden komen om soortgelijke misdaden te begaan, zouden ze niettemin allemaal schuldig zijn aan de goddelijke wet die hen niet geschapen heeft om onder soortgelijke omstandigheden samen te leven; en het is een schending van deze samenleving van een hogere orde, die tussen de mens en God moet bestaan, om met zulke gruwelen de zuiverheid van de natuur waarvan hij de schepper is, te verontreinigen.

Itaque flagitia, quæ sunt contra naturam, ubique ac semper detestanda atque punienda sunt, qualia Sodomitarum fuerunt. Quæ si omnes gentes facerent, eodem criminis reatu divina lege tenerentur, quæ non sic fecit homines, ut se illo uterentur modo. Violatur quippe ipsa societas, quæ cum Deo nobis esse debet, cum eadem natura, cuius ille auctor est, libidinis perversitate polluitur

Vertaling :

(Daarom moeten de wreedheden die tegen de natuur ingaan overal en altijd worden verafschuwd en bestraft, zoals die van de Sodomieten. En als alle naties dat zouden doen, zouden ze gebonden zijn aan dezelfde misdaad door de goddelijke wet, die de mensen er niet toe bracht deze op deze manier te gebruiken. Want juist de gemeenschap die wij met God zouden moeten hebben, wordt geschonden, wanneer dezelfde natuur, waarvan Hij de auteur is, wordt vervuild door de perversie van de lust.)

 “De Bekentenissen (Confessionum Libri Tredecim)” , boek III, hoofdstuk 8, in De Bekentenissen van Sint-Augustinus, Augustinus van Hippo, ed. Charpentier, 1841, p. 69

Hoeveel hij ook zei, mijn moeder wilde zijn redenen niet accepteren, ze spoorde hem aan met haar gebeden en haar tranen zodat hij mij zou zien en met mij zou praten. Toen zei de bisschop ongeduldig tegen hem: ‘Laat mij, hoe waar je ook leeft, de zoon van tranen zoals de jouwe kan niet verloren gaan. »

Deze woorden, zo vertelde mijn moeder mij vaak in haar gesprekken, werden door haar ontvangen alsof ze uit de hemel kwamen.

De bekentenissen, Sint-Augustinus, ed. Flammarion, 1964 (ISBN 978-2-0807-0021-6), deel 3, hfst. 12, blz. 64 (zie het referentieblad van het werk)

Ja, dwaas, dat was ik toen. Ik maakte me zorgen, ik zuchtte, ik huilde, ik was verontrust, en er was geen rust of wijsheid voor mij. Ik droeg een verscheurde en bloedige ziel die het niet langer kon verdragen door mij gedragen te worden, en ik wist niet waar ik hem moest laten. […]

Het is aan u, Heer, dat het nodig was om het op te voeden, het is aan u dat het nodig was om om genezing ervan te vragen; Ik wist het, maar ik had noch de wil, noch de kracht. In mijn ogen was jij niets wezenlijks of echts. Jij was het niet, maar een ijdele geest, en mijn fout was mijn god. Als ik probeerde mijn ziel daar te laten rusten, viel ze in de leegte en stortte weer bovenop mij in. En ik bleef voor mezelf als een verlaten plek waar ik niet kon staan ​​en die ik niet kon verlaten.

De bekentenissen, Sint-Augustinus, ed. Flammarion, 1964 (ISBN 978-2-0807-0021-6), deel 4, hfst. 7, blz. 72-73 (zie het referentieblad van het werk)

Ik was blij Ambrosius in zijn preken tot het volk vaak te horen herhalen, zoals gewoonlijk met de grootste ijver aanbevolen: ‘De letter doodt en de geest maakt levend.’ En toen hij, terwijl hij de mystieke sluier verwijderde, de spirituele betekenis ontdekte van teksten die, letterlijk gehoord, een fout leken te onderwijzen, zei hij niets dat mij schokte, hoewel ik nog steeds niet wist of hij de waarheid sprak.

De bekentenissen, Sint-Augustinus, ed. Flammarion, 1964 (ISBN 978-2-0807-0021-6), deel 6, hfst. 4, blz. 110-111 (zie het referentieblad van het werk)

“Ah! Moge dit allemaal vergaan! Laten we deze ijdelheden, deze kleinigheden achterwege laten. Laten we onszelf wijden aan de enige zoektocht naar de waarheid. Het leven is ellendig, het uur van de dood is onzeker: als het plotseling komt, in welke staat zal ik dan deze wereld verlaten? En waar kan ik leren wat ik hieronder heb nagelaten te leren? Moet ik voor deze nalatigheid geen zware boete betalen? […]

Maar nog even! De goederen van deze wereld zijn ook lieflijk; ze hebben een niet geringe zoetheid. We moeten niet overhaast zijn om de neiging te doorbreken die mij daartoe leidt: het zou een schande zijn om er later op terug te komen. Hier ben ik al op weg om een ​​kantoor te krijgen. Wat zou ik op dit punt nog meer willen?

De bekentenissen, Sint-Augustinus, ed. Flammarion, 1964 (ISBN 978-2-0807-0021-6), deel 6, hfst. 4, blz. 110-111 (zie het referentieblad van het werk

Ik was blij Ambrosius in zijn preken tot het volk vaak te horen herhalen, zoals gewoonlijk met de grootste ijver aanbevolen: ‘De letter doodt en de geest maakt levend.’ En toen hij, terwijl hij de mystieke sluier verwijderde, de spirituele betekenis ontdekte van teksten die, letterlijk gehoord, een fout leken te onderwijzen, zei hij niets dat mij schokte, hoewel ik nog steeds niet wist of hij de waarheid sprak.

De bekentenissen, Sint-Augustinus, ed. Flammarion, 1964 (ISBN 978-2-0807-0021-6), deel 6, hfst. 4, blz. 110-111 (zie het referentieblad van het werk)

“Ah! Moge dit allemaal vergaan! Laten we deze ijdelheden, deze kleinigheden achterwege laten. Laten we onszelf wijden aan de enige zoektocht naar de waarheid. Het leven is ellendig, het uur van de dood is onzeker: als het plotseling komt, in welke staat zal ik dan deze wereld verlaten? En waar kan ik leren wat ik hieronder heb nagelaten te leren? Moet ik voor deze nalatigheid geen zware boete betalen? […]

Maar nog even! De goederen van deze wereld zijn ook lieflijk; ze hebben een niet geringe zoetheid. We moeten niet overhaast zijn om de neiging te doorbreken die mij daartoe leidt: het zou een schande zijn om er later op terug te komen. Hier ben ik al op weg om een ​​kantoor te krijgen. Wat zou ik op dit punt nog meer willen?

jWat zou ik op dit punt nog meer willen? Toen hij, terwijl hij de mystieke sluier verwijderde, de spirituele betekenis ontdekte van teksten die, letterlijk gehoord, een fout leken te onderwijzen, zei hij niets dat mij schokte, hoewel ik nog steeds niet wist dat hij de waarheid sprak.

De bekentenissen, Sint-Augustinus , ed. Flammarion, 1964 (ISBN 978-2-0807-0021-6), deel 6, hfst. 4, blz. 110-111 (zie het referentieblad van het werk)

Ik hield deze taal voor mezelf, de afwisselende ademhalingen van deze tegenwind duwden mijn hart heen en weer; en de tijd verstreek, en ik aarzelde om mij tot de Heer te wenden. Ik heb het leven in jou van dag tot dag uitgesteld, maar ik heb het sterven niet elke dag in mezelf uitgesteld. Omdat ik van een gelukkig leven hield, was ik er bang voor waar het was, en door het te ontvluchten zocht ik het.

De bekentenissen, Sint-Augustinus , ed. Flammarion, 1964 (ISBN 978-2-0807-0021-6), deel 6, hfst. 11, blz. 122-123 (zie het referentieblad van het werk)

En jij ook, het leven van mijn leven, ik heb je gezien als een immense substantie, die van alle kanten door oneindige ruimtes de hele massa van de wereld doordringt, zich eindeloos in onmetelijkheid verspreidt, zodat de aarde je bevatte, de lucht je bevatte, alle dingen bevatte jou, en dit alles had zijn limiet in jou, maar jij nergens. […] Dit was mijn hypothese, omdat ik geen andere kon bedenken; maar het was vals. Om deze reden zou een groter deel van de aarde in feite een groter deel van jouw wezen hebben omvat; een kleiner deel van de aarde zou een kleiner deel ervan hebben bevat; […] Maar dit is niet het geval. Maar je had mijn duisternis nog niet verlicht.

De bekentenissen, Sint-Augustinus, ed. Flammarion, 1964 (ISBN 978-2-0807-0021-6), deel 7, hfst. 1, blz. 130 (zie het referentieblad van het werk)

[…] het is uit de perverse wil dat passie wordt geboren, uit de slavernij aan passie wordt gewoonte geboren, en uit het niet-verzetten van weerstand tegen gewoonte wordt noodzaak geboren.

De bekentenissen, Sint-Augustinus, ed. Flammarion, 1964 (ISBN 978-2-0807-0021-6), deel 8, hfst. 5, blz. 161 (zie het referentieblad van het werk)

“Vertel mij, bid ik u, met al het kwaad dat we onszelf geven, waar doen we dit ? Wat zoeken wij ? In het licht van wat we dienen ? Kunnen we nog meer verwachten, in het paleis, dat op een dag worden ze vrienden van de keizer ? […] En dan wanneer komen er ? Maar, als ik wil de vriend van God is, zie, word ik onmiddellijk. ” Zo sprak hij, bewogen door de geboorte van een nieuw leven ; en toen bracht hij zijn blik op het boek, hervatte hij zijn lezing, en een ingrijpende verandering plaats in de hem in deze regio ‘ s, waar uw ogen ; zijn denken stond uit de wereld, want het werd al snel. Als hij las, en werden gedreven met het ruisen van de golven van zijn hart, hij maakte er het beste van, vastbesloten om het te omarmen, en, al van jou, zei hij tegen zijn vriend : “Het is gedaan, ik brak met de hoop ; ik heb besloten om God te dienen, en, vanaf dit uur, op deze plaats, ik wil mij. Als u répugnes het nabootsen van mij, hoeft u geen object in de minste van mijn ontwerp. “

De Belijdenissen, de Heilige Augustinus, ed Flammarion, 1964 (ISBN 978-2-0807-0021-6), deel 8, chap. 6, blz. 165 (zie de referentie blad van het werk)

“Waar wachten we op? Dus wat is het? Heb je het gehoord? Onwetende mensen staan ​​op en veroveren de lucht met geweld, en wij, met onze harteloze kennis, hier rollen we van vlees en bloed! »

De Bekentenissen, Sint-Augustinus, uitg. Flammarion, 1964 (ISBN 978-2-0807-0021-6), deel 8, hfst. 8, blz. 167 (zie het referentieblad van het werk)

Ik was aan het praten en ik huilde in de meest bittere berouw van mijn hart. En hier is die ik hoor, dat oprijst uit de naburige woning van een stem, de stem van een jongen of een meisje, ik weet het niet. Ze zegt zingen en herhaalt meerdere malen : “Neem en lees ! Neem en lees ! “[…] Ik keerde mij, daarom, in haast naar de plek waar het zat Alypius : want ik had er, toen ik wakker werd, het boek van de Apostel. Ik pakte het op, opende het en leest in stilte het eerste hoofdstuk, waar hij viel in mijn ogen : “woont niet op het feest, en dronkenschap, noch aan de genoegens geil aan het bed, niet in twist en afgunst ; maar gij zult aan de Here Jezus Christus, en niet bieden niet de begeerte van het vlees. “Ik wil niet meer lezen, het was nutteloos. Nauwelijks was ik klaar met het lezen van deze zin, een soort van geruststellend licht had verspreid naar mijn hart, er wegnemen van alle duisternis van de onzekerheid.

(nl) De Bekentenissen, de Heilige Augustinus , ed Flammarion, 1964 (ISBN 978-2-0807-0021-6), deel 8, chap. 12, blz. 174-175 (zie de referentie blad van het werk)

En we gingen weer omhoog, mediterend, beschrijvend, bewonderend wat U in de mens hebt gedaan; en we bereikten onze zielen, toen gingen we verder dan die zielen om dat gebied van onuitputtelijke overvloed te bereiken waar U Israël eeuwig voedt met het voedsel van de waarheid, waar het leven Wijsheid is, door wie alle dingen worden, verleden en toekomst, maar die zelf niet wordt, want ze is zoals ze altijd is geweest en zoals ze altijd zal zijn… En terwijl we over deze Wijsheid spraken en naar haar verlangden, raakten we haar in een roes aan met heel ons hart. […] En terwijl we over deze Wijsheid spraken en naar haar verlangden, raakten we haar met heel ons hart aan. Toen, na een zucht, en daar gefixeerd achterlatend “deze lokalen van de Geest”, vielen we terug op het ijdele geluid van onze monden, waar spraak begint en eindigt. […]

Heer, weet u, het was op de dag dat we dit gesprek hadden, toen deze wereld en haar genoegens in onze ogen al hun waarde verloren, dat mijn moeder tegen me zei: “Mijn zoon, voor mij is er niets meer dat me bekoort in dit leven. Wat zal ik nu doen? En waarom ben ik hier nog? Ik weet het niet. Mijn hoop in deze wereld is uitgeput. Er is maar één ding waardoor ik nog een beetje langer wil leven en dat is om jou, voor mijn dood, als christen en katholiek te zien. Mijn God heeft me deze genade overvloedig geschonken, want ik zie dat je vastbesloten bent om Hem te dienen, zelfs in weerwil van aards geluk. Wat doe ik hier?

De Bekentenissen, Sint Augustinus (uitg. Flammarion, 1964 (ISBN 978-2-0807-0021-6), deel 9, hfdst. 10, blz.

En nu, Heer, doe ik mijn bekentenis aan U in dit boek. Lees het zoals je wilt en laat het interpreteren zoals je wilt. En als een lezer een zonde ziet in deze tranen die ik een paar ogenblikken aan mijn moeder gaf, aan mijn moeder die een tijdje in mijn ogen was gestorven en die zoveel jaren had gehuild om mij in de jouwe te laten leven, laat me dan deze spot niet, maar laat hem, als zijn naastenliefde sterk is, zelf huilen om mijn zonden, voor u, de vader van alle broeders van uw Christus!

De bekentenissen, Sint-Augustinus ed. Flammarion, 1964 (ISBN 978-2-0807-0021-6), deel 9, hfst. 12, blz. 199 (zie het referentieblad van het werk)

O licht, wat Tobias zag toen hij met zijn blinde ogen zijn zoon het levenspad toonde en hem daar voorging met de voet van de naastenliefde zonder ooit te dwalen! Het licht dat Isaac zag toen hij, met zijn vleselijke ogen zwaar en gesluierd door de ouderdom, het verdiende om zijn kinderen niet te zegenen door ze te herkennen, maar om ze te herkennen door ze te zegenen! Licht dat Jakob zag toen hij, eveneens blind geworden vanwege zijn hoge leeftijd, met de stralen van zijn verlichte hart de generaties van de toekomstige mensen verlichtte, voorafschaduwd door zijn zonen, en dat hij voor zijn kleinkinderen, de zonen van Jozef, legde zijn mystiek gekruiste handen neer, niet zoals hun vader ze wilde rangschikken, die met uiterlijke ogen zag, maar volgens zijn eigen innerlijke onderscheidingsvermogen! Dit is het ware licht; ze is één en één met iedereen die haar ziet en van haar houdt.

De bekentenissen, Sint-Augustinus , ed. Flammarion, 1964 (ISBN 978-2-0807-0021-6), deel 10, hfst. 34, blz. 238 (zie het referentieblad van het werk

Sta mij toe te horen en te begrijpen hoe u “in principe” “Hemel en Aarde” hebt gemaakt. Mozes heeft het geschreven. […] Als hij daar was, […] [als] hij in het Hebreeuws tegen mij sprak, zou zijn stem tevergeefs mijn oor treffen, mijn geest zou hij niet bereiken; maar als hij Latijn tegen mij sprak, zou ik zijn woorden begrijpen. Maar waar kan ik weten of hij de waarheid spreekt? Zelfs als ik het wist, zou ik het dan van hem weten? Nee, het zou in mij zijn, in de innerlijke uithoek van het denken dat de Waarheid, die noch Hebreeuws, noch Grieks, noch Latijn, noch barbaars is, mij zou vertellen, zonder de hulp van een mond of een taal, zonder het geluid van een lettergreep: ‘Hij spreekt de waarheid. » En ik zei onmiddellijk, met de zekerheid van het geloof, tegen de man van God: “Je spreekt de waarheid! » Maar omdat ik hem niet kan ondervragen, richt ik mijn gebed tot u, o Waarheid, die zijn geest vervulde toen hij de ware woorden sprak: tot u, mijn God: vergeef mij mijn zonden . U hebt uw dienaar toegestaan ​​deze dingen te zeggen, sta mij toe ze te begrijpen.

De bekentenissen, Sint-Augustinus , ed. Flammarion, 1964 (ISBN 978-2-0807-0021-6), deel 11, hfst. 3, blz. 255 (zie het referentieblad van het werk)

Gelukkig zo’n schepsel, als het bestaat, om aldus verenigd te zijn met jouw zaligheid, gelukkig om voor eeuwig door jou bewoond en verlicht te worden. Ik vind niets waarvoor, naar mijn mening, de uitdrukking ‘de hemel van de hemel die de Heer toebehoort’ passender is dan deze woonplaats van uw goddelijkheid die uw geneugten aanschouwt zonder enige mislukking en deze ergens anders naartoe te brengen, dan deze zuivere geest, nauw verbonden door een vredesband met deze heilige geesten, burgers van uw stad die in de hemel en boven de hemel is.

 De bekentenissen, Sint-Augustinus, ed. Flammarion, 1964 (ISBN 978-2-0807-0021-6), deel 12, hfst. 11, blz. 289 (zie het referentieblad van het werk)

Ik zou willen dat mannen nadenken over drie dingen die ze bij zichzelf kunnen waarnemen. Ze verschillen alle drie enorm van de Drie-eenheid, en ik noem ze alleen zodat ze dienen als een thema waarop ze hun denken kunnen oefenen en uitproberen, en hen zo kunnen laten begrijpen hoe ver ze van dit mysterie verwijderd zijn. Hier zijn deze drie dingen: zijn, weten, willen. Want ik ben, ik weet het, ik wil. Ik ben degene die het weet en die wil. Ik weet dat ik ben en dat ik wil. En ik wil het zijn en het weten. Hoezeer vormt het leven in deze drie dingen een ondeelbaar geheel, de eenheid van het leven, de eenheid van intelligentie, de eenheid van essentie, de onmogelijkheid om onafscheidelijke en toch verschillende elementen te onderscheiden, begrijpt wat dat wel kan. Wat zeker is, is dat de mens in de aanwezigheid van zichzelf is; laat hem mij onderzoeken, zien en antwoorden.

De bekentenissen, Sint-Augustinus , ed. Flammarion, 1964 (ISBN 978-2-0807-0021-6), deel 13, hfst. 11, blz. 322 (zie het referentieblad van het werk)

Wat u betreft, het “uitverkoren ras”, “de zwakken van de wereld” die alles hebben achtergelaten om de Heer te volgen, volg Hem en beschaam de sterken; volg hem met je stralende voeten en schijn aan het firmament zodat ‘de hemel vertelt over zijn glorie’, waarbij je onderscheid maakt tussen het ‘licht’ van de volmaakten, die nog niet zijn als de engelen, en de ‘duisternis’ van de kleintjes, die dat niet zijn, hebben niet alle hoop verloren. Schijn op de hele aarde! […] Ren overal heen, heilige vuren, bewonderenswaardige vuren. Jij bent het licht van de wereld, en je zit niet ‘onder de korenmaat’. Hij aan wie u gehecht bent, is verhoogd, en hij heeft u verhoogd. Ren en laat jezelf zien aan alle naties.

De bekentenissen, Sint-Augustinus, ed. Flammarion, 1964 (ISBN 978-2-0807-0021-6), deel 13, hfst. 19, blz. 331 (zie het referentieblad van het werk)

https://fr.wikiquote.org/wiki/Augustin_d%27Hippone

Augustinus : Over verschillende theorieën over zuivering….

6ccda89a651005ec68421c8cd2aff053

Augustinus :Over verschillende theorieën over zuivering

St. Augustinus van Hippo ca. 354-430

Maar als er wordt gezegd dat in het tijdsinterval tussen de dood van dit lichaam en de Laatste Dag van Oordeel en vergelding die zal volgen op de Opstanding, de lichamen van de doden zullen worden blootgesteld aan een vuur van een zodanige aard dat het niet zal worden verbrand. het zal invloed hebben op degenen die zich in dit leven niet hebben overgegeven aan genoegens en bezigheden die zullen worden geconsumeerd als hout, hooi en stoppels, maar die anderen zullen beïnvloeden die dergelijke structuren met zich meedragen; als er wordt gezegd dat zulke wereldsgezindheid, omdat ze vergeeflijk is, zal worden verteerd in het vuur van de verdrukking, hetzij alleen hier, of hier en in het hiernamaals, of hier zodat het hiernamaals niet meer zal zijn – dit spreek ik niet tegen, omdat het mogelijk waar is . Want misschien is zelfs de dood van het lichaam zelf een onderdeel van deze verdrukking, want deze is het gevolg van de eerste overtreding, zodat de tijd die volgt op de dood in elk geval zijn kleur ontleent aan de aard van het gebouw van de mens. Ook de vervolgingen, die de martelaren hebben gekroond, en waar christenen van allerlei soort onder lijden, beproeven beide gebouwen als een vuur, waarbij ze sommige samen met de bouwers zelf verteren, als Christus er niet in wordt gevonden als hun fundament, terwijl ze andere verteren. zonder de bouwers, omdat Christus in hen gevonden wordt, en zij gered worden, zij het met verlies; en andere gebouwen verbruiken ze nog steeds niet, omdat daarin materialen worden aangetroffen die eeuwig blijven bestaan. Aan het einde van de wereld zal er in de tijd van de Antichrist een verdrukking zijn zoals er nog nooit eerder is geweest. Hoeveel gebouwen zullen er dan niet zijn, van goud of van hooi, gebouwd op het beste fundament, Christus Jezus, wat dat vuur zal bewijzen, sommigen vreugde brengend, anderen verlies, maar zonder een van beide te vernietigen, vanwege dit stabiele fundament! (Stad van God, Boek 21.26)

Bron : Filed Under: Allen , Heilige Augustinus ca. 354-430 , Gehenna , Heilige Vaders , Postmortem , Redding

111116

On different theories of purification

St Augustine of Hippo c. 354-430

But as it is said that in the interval of time between the death of this body and the Last Day of Judgement and retribution that will follow the Resurrection, the bodies of the dead will be taken up to a fire of a certain kind that it will not be burnt. it will affect those who have not indulged in pleasures and pastimes in this life that will be consumed like wood, hay and stubble, but those others will affect certain structures with them; if it is said that various worldliness, because it is forgivable, will be consumed in the fire of tribulation, otherwise only here, or here and in the hereafter, or here so that the hereafter will be no more – this I do not contradict, because it may be true. For perhaps even the death of the body itself is part of this tribulation, for it is the consequence of the first movement, so that the time that follows death at least derives its colour from the nature of man’s building. Similarly, the persecutions, which have crowned the martyrs, and where countless of all kinds suffer, test both buildings like a fire, consuming some along with the builders themselves, if Christ is not found in them as their foundation, while they consume others. without the builders, because Christ is inered, albeit at a loss; and other buildings they still do not consume, because in them are found materials that last forever. At the end of the world, in the time of the Antichrist, there will be a tribulation such as there has never been before. How many buildings there will not be then, of gold or of hay, built on the best foundation, Christ Jesus, which that fire will prove, bringing joy to some, loss to others, but without destroying either, because of this stable foundation! (City of God, Book 21.26)

Bron : Filed Under: Allen , Heilige Augustinus ca. 354-430 , Gehenna , Heilige Vaders , Postmortem , Redding

St Augustinus : “Heer, ik ben het niet waard” (Uit Sermon 62

1af8f4d299e90b01160afe601ee56490

Augustinus from Sermon 62

“Lord, I am not worthy”

When the gospel was read, we heard Jesus praise our faith in an act of humility. When the Lord Jesus, you remember, promised he would go to the centurion’s house to heal his servant, the man replied, “I am not worthy that you should enter under my roof, but only say the word, and he will be healed”. By calling himself unworthy, he showed he was worthy to have Christ enter, not within his walls, but within his heart…

There would, after all, have been no great benefit if the Lord Jesus had entered within his walls, and had not been in his bosom. Christ, the teacher of humility by both word and example had, you may remember, sat down in the house of a certain proud Pharisee called Simon (Lc 7,36f.). And though he was sitting in his house, there wasn’t anywhere in his heart where the Son of man might lay his head (Lk 9,58)… But into this centurion’s house he never entered, yet he took possession of his heart… So this man’s faith is discerned and praised in an act of humility. He said, “I am not worthy that you should enter under my roof” and the Lord said, “Amen I tell you, I have not found such great faith in Israel”… The Lord had come to Israel according to the flesh, that is to the Jews, there first to seek the sheep that were lost (Lk 15,4)… We, as human beings, can assess the faith of human beings – from the outside; he, who could look inside, whom no one could deceive, bore witness to the faith of this man, and on hearing his humble words, he gave him a clean bill of health.

AUG23

Augustinus uit Preek 62

“Heer, ik ben het niet waard”

Toen het evangelie werd voorgelezen, hoorden we Jezus ons geloof prijzen in een daad van nederigheid. Toen de Heer Jezus, weet u nog, beloofde dat hij naar het huis van de hoofdman zou gaan om zijn dienaar te genezen, antwoordde de man: “Ik ben het niet waard dat u onder mijn dak komt, maar spreek een woord en hij zal genezen worden.” Door zichzelf onwaardig te noemen, liet hij zien dat hij het waard was dat Christus binnenkwam, niet binnen zijn muren, maar in zijn hart…

Het zou immers geen groot voordeel zijn geweest als de Heer Jezus binnen zijn muren was gekomen en niet in zijn boezem was geweest. Christus, de leraar van nederigheid door zowel woord als voorbeeld, had, weet u nog, gezeten in het huis van een zekere trotse Farizeeër, Simon genaamd (Lc 7,36v.). En hoewel Hij in zijn huis zat, was er geen plaats in zijn hart waar de Mensenzoon zijn hoofd kon neerleggen (Lc 9,58)… Maar in het huis van deze hoofdman is Hij nooit binnengegaan, maar Hij heeft zijn hart in bezit genomen… Zo wordt het geloof van deze man onderscheiden en geprezen in een daad van nederigheid. Hij zei: “Ik ben niet waardig dat u onder mijn dak komt” en de Heer zei: “Voorwaar, Ik zeg u, Ik heb zo’n groot geloof in Israël niet gevonden”… De Heer was naar het vlees naar Israël gekomen, dat wil zeggen naar de Joden, om daar als eerste de schapen te zoeken die verloren waren (Lc 15,4)… Wij, als mensen, kunnen het geloof van mensen beoordelen – van buitenaf; Hij, die naar binnen kon kijken, die niemand kon misleiden, getuigde van het geloof van deze man, en toen Hij  zijn nederige woorden hoorde, gaf hij hem een ​​gezondheidsverklaring.

Augustinus uit Preek 62

“Heer, ik ben het niet waard”

Vector vintage elegant divider or separator, swirl or corner decorative ornament. Floral line filigree design element. Flourish curl for invitation or menu page illustration

St Augustinus : Laten wij voor de Heer een lied van liefde zingen….

KRISBIESBROECK

Laten wij voor de Heer een lied van liefde zingen

Zing voor de Heer een nieuw lied; zijn lof is in de vergadering van de heiligen.Wij worden aangespoord om een ​​nieuw lied voor de Heer te zingen, als nieuwe mensen die een nieuw lied hebben geleerd. Een lied is iets van vreugde; dieper nog, het is iets van liefde. Iedereen die heeft geleerd om het nieuwe leven lief te hebben, heeft daarom geleerd om een ​​nieuw lied te zingen, en het nieuwe lied herinnert ons aan ons nieuwe leven. De nieuwe mens, het nieuwe lied, het nieuwe verbond, behoren allemaal tot het ene koninkrijk van God, en zo zal de nieuwe mens een nieuw lied zingen en tot het nieuwe verbond behoren.

Er is niemand die niet van iets houdt, maar de vraag is wat je moet liefhebben. De psalmen vertellen ons niet om niet lief te hebben, maar om het object van onze liefde te kiezen. Maar hoe kunnen we kiezen als we niet eerst gekozen zijn? We kunnen niet liefhebben als iemand ons niet eerst heeft liefgehad. Luister naar de apostel Johannes: Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. De bron van de liefde van de mens voor God kan alleen worden gevonden in het feit dat God hem eerst heeft liefgehad. Hij heeft ons zichzelf gegeven als het object van onze liefde, en Hij heeft ons ook de bron ervan gegeven. Wat deze bron is, kunt u duidelijker leren van de apostel Paulus die ons vertelt: De liefde van God is in onze harten uitgestort. Deze liefde is niet iets dat we zelf genereren; het komt tot ons door de Heilige Geest die ons is gegeven.
Omdat we zo’n zekerheid hebben, laten we God dan liefhebben met de liefde die hij ons heeft gegeven. Zoals Johannes ons uitgebreider vertelt . God is liefde, en wie in de liefde woont, woont in God, en God in hem. Het is niet genoeg om te zeggen: Liefde is van God. Wie van ons zou de woorden van de Schrift durven uitspreken: God is liefde? Hij alleen kon het zeggen die wist wat het was om God in zich te hebben wonen. God biedt ons een korte weg naar het bezit van zichzelf. Hij roept uit: Heb mij lief en je zult mij hebben, want je zou niet in staat zijn om mij lief te hebben als je mij niet al had.

Mijn geliefde broeders en zonen, vrucht van het ware geloof, heilig zaad van de hemel, allen die wedergeboren zijn in Christus en wiens leven van boven is, luister naar mij; of liever, luister naar de Heilige Geest die door mij zegt: Zing voor de Heer een nieuw lied. Kijk, zeg je me, ik zing. Jazeker, je zingt; je zingt duidelijk, ik kan je horen. Maar zorg ervoor dat je leven je woorden niet tegenspreekt. Zing met je stemmen, je harten, je lippen en je leven: Zing voor de Heer een nieuw lied.

Nu is het uw onbetwiste verlangen om te zingen over Hem die u liefhebt, maar u vraagt ​​mij hoe u Zijn lof kunt zingen. U hebt de woorden gehoord: Zing voor de Heer een nieuw lied, en u wilt weten welke lofzangen u moet zingen. Het antwoord is : Zijn lof is in de vergadering van de heiligen; het is in de zangers zelf. Als u Hem wilt prijzen, leef dan wat u uitdrukt. Leef goede levens, en u zult zelf Zijn lof zijn .

Uit een preek van Sint Augustinus , bisschop (Sermo 34.1-3, 5-6; CCL 41, 424-426)

Bron : https://www.vatican.va/spirit/documents/spirit_20010508_agostino-vescovo_en.html

LEVEN9

Wij spreken to God wanneer wij bidden.

God spreekt to ons als we de Bijbel lezen . Augusinus

4bc99df8b4097a057a3d649e08746e5c


Uit de Belijdenissen van de heilige Augustinus

50 inspirerende gedachten om naar te leven


“Geloof is geloven wat je niet ziet; de beloning voor dit geloof is zien wat je gelooft.”

“Bid alsof alles van God afhangt. Werk alsof alles van jou afhangt.”

“Dit is de volmaaktheid van een mens: het ontdekken van zijn eigen onvolmaaktheden.”

“Je streeft naar grote dingen? Begin met kleine dingen.”

“Omdat liefde in je groeit, groeit schoonheid. Want liefde is de schoonheid van de ziel.”

“De wereld is een boek, en zij die niet reizen, lezen slechts een pagina.”

“Er is iets in nederigheid dat het hart op vreemde wijze verheft.”

“Het was trots die engelen in duivels veranderde; het is nederigheid die mensen tot engelen maakt.”

“God houdt van ieder van ons alsof er maar één van ons is.”

“Ontdek hoeveel God je heeft gegeven en neem daaruit wat je nodig hebt; de rest is nodig voor anderen.”

“Geduld is de metgezel van wijsheid.”

“Gij hebt ons voor Uzelf geschapen, en ons hart is niet stil totdat het rust vindt in U.”

“Als je gelooft wat je leuk vindt in de evangeliën, en verwerpt wat je niet leuk vindt, dan geloof je niet het evangelie, maar jezelf.”

“Gelooft u niet dat er in de mens een diepte is, zo diep dat deze zelfs voor hem in wie zij zich bevindt, verborgen is?”

“De woorden die hier zijn afgedrukt, zijn concepten. Je moet door de ervaringen heen.”

“Heb lief en doe wat je leuk vindt.”

“Liefde is de schoonheid van de ziel.”

“Ik wil dat mijn vriend mij mist, net zo lang als ik hem mis.”

“Wonderen zijn niet in strijd met de natuur, maar alleen in strijd met wat wij over de natuur weten.”

“O Heer, help mij om zuiver te zijn, maar nog niet.”

“Je moet leeggemaakt worden van datgene waarmee je vol bent, zodat je gevuld kunt worden met datgene waarvan je leeg bent.”

“Hij die ons zonder onze hulp heeft geschapen, zal ons niet redden zonder onze toestemming.”

“Het doel van alle oorlogen is vrede.”

“Probeer niet te begrijpen, zodat u kunt geloven, maar geloof, zodat u kunt begrijpen.”

“Wij behoren zeker tot dezelfde klasse als de dieren; elke handeling van het dierlijk leven is gericht op het zoeken naar lichamelijk genot en het vermijden van pijn.”

“Volledige onthouding is gemakkelijker dan perfecte matiging.”

“Wie jaloers is, is niet verliefd.”

“De belijdenis van slechte werken is het eerste begin van goede werken.”

“Vergeving is de vergeving van zonden. Want hierdoor wordt wat verloren is gegaan en gevonden is, gered van het opnieuw verloren gaan.”

“Wil is voor de gratie wat het paard is voor de ruiter.”

“Hoor de andere kant.”

“God had één zoon op aarde zonder zonde, maar nooit één zonder lijden.”

“Iets is niet per se waar als het slecht is uitgesproken, en niet per se onwaar als het prachtig is uitgesproken.”

“We maken van onszelf een ladder van onze ondeugden als we de ondeugden zelf met voeten treden.”

“Door trouw worden wij verzameld en samengebracht tot eenheid in onszelf, terwijl wij in veelheid verspreid waren.”

“Ik heb de hele wereld over mijn God ondervraagd, en hij antwoordde: ‘Ik ben het niet, maar hij heeft mij gemaakt.’”

“Wil je stijgen? Begin met afdalen. Je plant een toren die de wolken zal doorboren? Leg eerst de basis van nederigheid.”

“Liefdadigheid is geen vervanging voor onthouden gerechtigheid.”

“De mensen die overwinnaars bleven, leken minder op veroveraars dan op overwonnenen.”

“Als je geen weerstand biedt aan een gewoonte, wordt het al snel een noodzaak.”

“Straf is gerechtigheid voor de onrechtvaardigen.”

“Geef wat je beveelt en beveel dan wat je wilt.”

“Probeer niet te begrijpen, zodat u kunt geloven, maar geloof, zodat u kunt begrijpen.”

“Er is geen lofrede verschuldigd aan degene die alleen zijn plicht doet en niets meer.”

“Wie vriendelijk is, is vrij, ook al is hij een slaaf; wie slecht is, is een slaaf, ook al is hij een koning.”

“Als je je van de zonde onthoudt wanneer je niet meer kunt zondigen, betekent dat je door de zonde verlaten wordt, niet dat je de zonde verlaat.”

“Orden uw ziel; verminder uw behoeften; leef in liefdadigheid; verenig u in een christelijke gemeenschap; gehoorzaam de wetten; vertrouw op de Voorzienigheid.”

“Het verlangen is uw gebeden; en als uw verlangen onophoudelijk is, zal uw gebed ook onophoudelijk zijn. De voortzetting van uw verlangen is de voortzetting van uw gebed.”

“Verliefd worden op God is de grootste romance; Hem zoeken is het grootste avontuur; Hem vinden is de grootste menselijke prestatie.”

Bron : https://www.marylake.com/augustinians/quotes-of-st-augustine

St Augustius : Adem in mij, o Heilige Geest….

SPIRIT9

Sint Augustinus (354-430) schreef dit poëtische gebed tot de Heilige Geest:

Adem in mij, o Heilige Geest,

Dat al mijn gedachten heilig mogen zijn.

Handel in mij, o Heilige Geest,

Dat ook mijn werk heilig mag zijn.

Trek mijn hart, o Heilige Geest,

Dat ik alleen liefheb wat heilig is.

Versterk mij, o Heilige Geest,

Om alles wat heilig is te verdedigen.

Bewaak mij dan, o Heilige Geest,

Dat ik altijd heilig mag zijn.

St Augustinus : Over de vrije wil…..

NATUUR

“Als zij dan dienaren van de zonde zijn (2 Kor. 3:17), waarom beroemen zij zich dan op hun vrije wil? …

O man! Leer van het voorschrift wat je moet doen; leer van correctie, dat het je eigen schuld is, je hebt de macht niet… Laat de menselijke inspanning, die door Adam is vergaan, hier zwijgen, en laat de genade van God regeren door Jezus Christus …

Wat God belooft, doen wij zelf niet door de vrije wil van de menselijke natuur, maar Hijzelf doet het door genade in ons…De mens streeft ernaar om in zijn eigen wil iets te vinden dat van hemzelf is en niet van God. Hoe hij het kan vinden, weet ik niet!

-Augustinus

St Augustinus : “Wie vader of moeder meer liefheeft dan mij, is mij niet waardig…” … Mattheüs 10:37…..

FATHER19

“Wie vader of moeder meer liefheeft dan mij, is mij niet waardig…” … Mattheüs 10:37

“Het is tot hen die in vuur en vlam staan ​​van liefde, of liever, tot hen die Hij met deze liefde in vuur en vlam wil zetten, dat onze Redder deze woorden richt. Want onze Redder heeft de liefde die wij verschuldigd zijn aan ouders, echtgenoten, kinderen niet afgeschaft, maar gereguleerd. Hij zei niet: “Diegenen die van hen houden”, maar “Diegenen die van hen meer houden dan van mij”… Heb uw vader lief, maar heb de Heer nog meer lief, heb Hem lief die u ter wereld heeft gebracht, maar heb Hem nog meer lief die u het bestaan ​​heeft gegeven. Het was uw vader die u ter wereld heeft gebracht, maar hij was het niet die u heeft geschapen, omdat hij niet wist, toen hij u grootbracht, wie u zou zijn of wat u zou worden. Het was uw vader die u voedde, maar hij is niet de oorsprong van het voedsel dat uw honger stilde. Ten slotte moet uw vader sterven als u zijn goederen wilt erven, maar u zult de erfenis delen die God voor u bedoeld heeft, terwijl u eeuwig met Hem leeft.

Heb dus uw vader lief, maar niet meer dan u uw God liefhebt, heb uw moeder lief, maar heb nog meer de Kerk lief die u tot het eeuwige leven heeft verwekt… Als u inderdaad zoveel dankbaarheid verschuldigd bent aan hen die u voor de sterfelijkheid hebben verwekt, wat voor liefde bent u dan verschuldigd aan hen die u voor de eeuwigheid hebben verwekt? Heb uw echtgenoot lief, heb uw kinderen lief zoals God dat doet, om hen ertoe te brengen God samen met u te dienen en dan, wanneer u herenigd bent, zult u niet bang zijn om gescheiden te worden. Uw liefde voor uw familie zou inderdaad tekortschieten als u hen niet tot God zou leiden…

Bron : https://anastpaul.com/tag/matthew1037/

St Augustinus : Het uur komt, waarin allen die in hun graf zijn, Zijn stem zullen horen en te voorschijn zullen komen” (Joh 5,28)….

DOKTOR

“Zie, een zekere heerser kwam naar Hem toe en aanbad Hem, zeggende: Heer, mijn dochter is nu al dood, maar kom, leg Uw hand op haar en zij zal leven.” – Mattheüs 9:18

“Het uur komst, waarin allen die in hun graf zijn, Zijn stem zullen horen en te voorschijn zullen komen” (Joh 5,28)… We hebben in het Evangelie gelezen over drie dode personen die door de Heer tot leven werden gewekt en, laten we hopen, tot een goed doel. Want voorwaar, de daden van de Heer zijn niet slechts daden, maar tekenen … We luisterden met verbazing… in de lezing van het evangelie, hoe Lazarus weer tot leven werd gewekt (Joh 11). Als we onze gedachten richten op de nog wonderbaarlijker werken van Christus, staat iedereen die gelooft weer op, als we allemaal die gruwelijker soort dood beschouwen en begrijpen, namelijk dat iedereen die zondigt sterft.

Maar ieder mens is bang voor de dood van het vlees, weinigen voor de dood van de ziel! De mens, bestemd om te sterven, zwoegt om zijn sterven af te wenden en toch werkt de mens, bestemd om eeuwig te leven, niet, om op te houden met zondigen! O, dat wij de mensen konden opwekken en zelf samen met hen opgewekt konden worden, om te zijn als grote minnaars van het leven dat blijft, zoals de mensen zijn van het voorbijgaande! … Wie heeft het gehad dat er tegen hem werd gezegd: “Ga naar zee, als je met je leven wilt ontsnappen” en heeft dat uitgesteld? Wie heeft het gehad dat tegen hem zei: “Ga aan het werk als je je leven wilt behouden” en is een luiaard gebleven? Het is maar weinig dat God van ons verlangt opdat wij eeuwig mogen leven en wij verwaarlozen Hem te gehoorzamen?! ...

Als de Heer dan in de grootheid van Zijn genade en barmhartigheid onze zielen tot leven wekt, opdat wij niet eeuwig sterven, dan mogen wij heel goed begrijpen dat die drie doden die Hij in het lichaam heeft opgewekt, een figuurlijke betekenis hebben van die opstanding van de ziel, die door het geloof wordt bewerkstelligd.

Augustinus : Vader en Doctor in de Genade van de Kerk (Preken over het evangelie van Johannes, nr.49, 1-3).

Augustinus : Laat niemand zeggen… ‘Ik heb berouw voor God…….

WOKE

“Laat niemand zeggen… ‘Ik heb berouw voor God. God weet het en vergeeft mij.’ Wat! Werd er toen tevergeefs tegen de priesters gezegd: ‘Wat u ook op aarde verliest, zal in de hemel worden losgelaten’? U acht het Evangelie van geen enkel belang. U veracht de woorden van Christus en u belooft uzelf wat hij u weigert.

– Augustinus van Hippo