
“Mensen haten de waarheid omwille van datgene wat ze meer liefhebben dan de waarheid zelf. Ze houden van de waarheid wanneer die hen warm toeschijnt en haten haar wanneer die hen berispt.”
― Augustinus van Hippo, Belijdenissen [Hoofdstuk XXIII]
Dit is een privé christelijke blog van Kris Biesbroeck, Licentiaat Theologie en filosofie. De inhoud van blog : Theologie, filosofie, Kerkvaders, Heiligenlevens, Exegese, Augustinus,enz… Alles wat sinds 2007 op de site is verschenen kan hier teruggevonden worden bij de Categorieën (bij het begin van de site) HET ADRES VAN DE SITE IS : CHRISTELIJKEINFORMATIEBRON.WORDPRESS.COM.

“Mensen haten de waarheid omwille van datgene wat ze meer liefhebben dan de waarheid zelf. Ze houden van de waarheid wanneer die hen warm toeschijnt en haten haar wanneer die hen berispt.”
― Augustinus van Hippo, Belijdenissen [Hoofdstuk XXIII]

Ik stuitte onlangs op het volgende citaat, dat u misschien interessant vindt:
Augustinus… vertelt een verhaal over een man die van mening was dat de duivel de vlieg had gemaakt, en niet God. Augustinus zei tegen de man: “Als de duivel vliegen had gemaakt, dan had de duivel wormen gemaakt, en God had ze niet gemaakt, want het zijn net zo goed levende wezens als vliegen.” “Klopt,” zei de man, “de duivel heeft wormen gemaakt.” Maar, zei Augustinus, “als de duivel wormen had gemaakt, dan had hij vogels, dieren en de mens gemaakt. Hij heeft alles toegestaan.” Zo zei Augustinus: door God in de vlieg te ontkennen, kwam de mens ertoe God in de mens te ontkennen, en de hele schepping te ontkennen.
Uit Precious Remedies Against Satan’s Devices van Thomas Brooks

Dit is de opdracht in ons leven:
door arbeid en gebed
groeien in de genade van God,
totdat we de hoogte van perfectie bereiken
waarin wij met een rein hart God kunnen aanschouwen.
St Augustinus

O mijn God, laat mij, met dankzegging, gedenken en U Uw barmhartigheden aan mij belijden. Laat mijn beenderen bezaaid zijn met Uw liefde, en laten zij tot U zeggen: Wie is aan U gelijk, o Heer? Gij hebt mijn banden in tweeën verbroken, ik zal U het offer van dankzegging brengen. En hoe Gij ze hebt verbroken, zal Ik verklaren; en allen die U aanbidden, zullen, wanneer zij dit horen, zeggen: “Gezegend zij de Heer, in hemel en op aarde, groot en wonderbaar is Zijn naam.” Uw woorden waren in mijn hart blijven hangen en ik werd aan alle kanten door U omsloten. Van Uw eeuwig leven was ik nu zeker, hoewel ik het zag in een beeld en als door een spiegel. Toch twijfelde ik er niet meer aan dat er een onvergankelijke substantie was, waaruit alle andere substantie voortkwam; en ik verlangde er nu niet naar om zekerder van U te zijn, maar standvastiger in U. Maar voor mijn tijdelijke leven was alles wankel en moest mijn hart worden gezuiverd van het oude zuurdesem. De Weg, de Heiland Zelf, behaagde mij wel, maar tot nu toe deinsde ik ervoor terug om door de benauwdheid ervan te gaan. En Gij hebt mij in het gemoed gesteld, en het leek mij goed om naar Simplicianus te gaan, die mij een goede dienaar van U leek; en Uw genade scheen in hem. Ik had ook gehoord dat hij vanaf zijn jeugd zeer toegewijd aan U had geleefd. Nu was hij al jarend; en vanwege zo’n hoge leeftijd, doorgebracht in zo’n ijverige volging van Uw wegen, leek het mij waarschijnlijk dat hij veel ervaring had opgedaan; En dat had hij gedaan. Uit welke voorraad ik wenste dat hij mij zou vertellen (terwijl hij hem mijn zorgen voorhield) welke de meest geschikte manier was voor iemand in mijn geval om op Uw paden te wandelen.
AUGUSTINUS
Uit : Belijdenissen


Heer, ik heb tot U geroepen, verhoor mij. Dit kunnen wij allen zeggen. Dit zeg niet ik, maar de gehele Christus. En meer nog is dit gezegd door de Persoon van het Lichaam. Omdat Hij het was, die toen Hij met het vlees bekleed was heeft gebeden, en vanuit de persoon van zijn lichaam tot de Vader bad, en toen Hij bad, dropen er druppels bloed van heel zijn lichaam af. Zo staat er geschreven in het Evangelie: Jezus bad in een vurig gebed, en Hij zweette Bloed. Wat is die bloedvloeiing uit heel zijn Lichaam anders dan het lijden van de martelaren in geheel de Kerk?
Heer, ik heb tot U geroepen, verhoor mij. Luister naar de stem van mijn smeking, zolang ik tot U blijf roepen. Denkt ge, dat ge ermee klaar bent met te zeggen: Ik heb tot U geroepen? Ge hebt geroepen, maar wees daarom nog niet zeker. Als de kwelling voorbij is, eindigt ook het roepen. Maar als de kwelling van de Kerk en van het Lichaam van Christus tot het einde van de wereld blijft, moet men niet alleen zeggen: Ik heb tot U geroepen, verhoor mij, maar: Luister naar de stem van mijn smeking zolang ik tot U blijf roepen. Moge mijn gebed als een wierook opstijgen voor uw aanschijn en moge het opheffen van mijn handen voor U zijn als een avondoffer.
Iedere christen weet, dat diot gewoonlijk begrepen wordt van het Hoofd zelf. Want toen tegen de avond de dag reeds ten einde liep, legde Hij op het kruis zijn leven af, om het weer terug te nemen; Hij verloor het niet zonder zin. Maar toch ook hier zijn wij voorafgebeeld. Want wat hing er van Hem anders aan het kruis, dan wat Hij van ons ontvangen heeft? En hoe kan het gebeuren, dat God de Vader op een bepaald ogenblik zijn enige Zoon opgeeft en verlaat, die toch met Hem één God is? Hij sloeg onze zwakheid toch aan het kruis, waar, zoals de Apostel zegt: onze oude mens aan het kruis geslagen is met Hem, en Hij met de stem van diezelfde mens van ons uitriep: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?
Dat is dus het avondoffer, het lijden van de Heer, het kruis van de Heer, de opdracht van het heilzame slachtoffer, het door God aangenomen brandoffer. Dat avondoffer werd bij de Verrijzenis een morgen-gave. Het gebed dus, dat zuiver gericht wordt vanuit een gelovig hart, stijgt als wierook op van het heilig altaar. Niets is welriekender voor de Heer. Mogen allen die geloven deze geur verspreiden.
Onze oude mens, dus, zo luiden de woorden van de Apostel, is aan het kruis geslagen met Hem, opdat, zegt hij, het lichaam der zonde wordt vernietigd zodat wij niet langer aan de zonde dienstbaar zijn.
Ex Enarrationibus in psalmos, Ps 140,4-6; CCL 40,2028-2029

IC XC
Jezus Christus OVERWINT

Prayer to the Holy Spirit (by Saint Augustine)
Gebed tot de Heilige Geest (door Sint Augustinus)
(Nederlands Engelse vertaling)
Adem mij in
Breathe in me
O Heilige Geest
O Holy Spirit
Dat al mijn gedachten
That my thoughts
Heilig zouden zijn
May be holy
Handel in mij
Act in me
O Heilige Geest
O Holy Spirit
Dat is ook mijn werk
That my work too
Heilig mag zijn
May be holy
Teken mijn hart
Draw my heart
O Heilige Geest
O Holy Spirit
Waar ik van houd
That I love
Maar wat heilig is
But what is holy
Mij moge versterken
Strengthen me
O Heilige Geest
O Holy Spirit
Om alles wat heilig is te verdedigen
To defend all that is holy
Bewaak mij dan
Guard me then
O Heilige Geest
O Holy Spirit
Dat ik altijd heilig mag zijn
That I always may be holy
Adem mij in
Breathe in me
O Heilige Geest
O Holy Spirit
Dat zijn mijn gedachten
That my thoughts
Heilig moge zijn
May be holy
Handel in mij
Act in me
O Heilige Geest
O Holy Spirit
Dat ook mijn werk
That my work too
Heilig mag zijn
May be holy
Trek mijn hart
Draw my heart
O Heilige Geest
O Holy Spirit
Waar ik van houd
That I love
Maar wat heilig is
But what is holy
Versterk mij
Strengthen me
O Heilige Geest
O Holy Spirit
Om alles wat heilig is te verdedigen
To defend all that is holy
Bewaak mij dan
Guard me then
O Heilige Geest
O Holy Spirit
Dat ik altijd heilig mag zijn
Dat ik altijd heilige mag zijn
That I always may be holy
Amen
Amen
Bron: LyricFind
Songwriters: Francesca Rohrer
Songteksten voor Prayer to the Holy Spirit (by Saint Augustine) © O/B/O DistroKid


Hoe zoet was het voor mij om ineens verlost te zijn van die vruchteloze vreugden die ik ooit vreesde te verliezen en nu graag verwierp!
U hebt ze van mij verdreven, U die de ware, de soevereine vreugde bent. U hebt ze van mij verdreven en hun plaats ingenomen,
U die zoeter bent dan alle genot, hoewel niet voor vlees en bloed, U die alle licht overstraalt maar dieper verborgen bent dan enig geheim in onze harten,
U die alle eer overtreft, hoewel niet in de ogen van mensen die alle eer in zichzelf zien. Eindelijk was mijn geest vrij van de knagende
angsten van ambitie en winst, van het wentelen in vuiligheid en het krabben aan de jeukende zweer van lust. Ik begon vrijuit met u te praten,
O Heer mijn God, mijn Licht, mijn Rijkdom en mijn Verlossing.

God van ons leven, er zijn dagen dat de lasten die we dragen onze schouders schuren en ons belasten; wanneer de weg somber en eindeloos lijkt, de lucht grijs en dreigend; wanneer ons leven geen muziek in zich heeft, en onze harten eenzaam zijn, en onze zielen hun moed hebben verloren. Overspoel het pad met licht, laat onze ogen glijden naar waar de lucht vol belofte is; stem ons hart af op dappere muziek; geef ons het gevoel van kameraadschap met helden en heiligen van alle tijden; En verlevendig onze geest zo, dat wij in staat zullen zijn de zielen te bemoedigen van allen die met ons op de weg des levens gaan, tot Uw eer en glorie.
Sint Augustinus

Ik heb je pas laat liefgehad, Schoonheid zo oud en zo nieuw, ik heb je pas laat liefgehad!
Zie, jij was binnenin,
maar ik buiten, daar op zoek naar jou,
en op de welgevormde dingen die jij gemaakt hebt,
stortte ik me hals over kop – ik, misvormd.
Jij was bij me, maar ik was niet bij jou.
Ze hielden me ver van jou vandaan,
die dingen die niet zouden bestaan als
ze niet in jou waren.
Je riep, schreeuwde, doorbrak mijn doofheid;
je laaide op, je vlamde, verdreef mijn blindheid;
je verspreidde je heerlijke geuren, ik snakte naar adem; en nu verlang ik naar je;
ik heb je geproefd, en nu heb ik honger en dorst;
je raakte me aan, en ik brandde van verlangen naar jouw vrede.
Oorspronkelijke tekst – “Sero te amavi, pulchritudo tam antiqua et tam nova! sero te amavi! (Late have I loved you, beauty so old and so new: late have I loved you.)”—St. Augustine, The Confessions
Wanneer ik mij eindelijk met heel mijn wezen aan U vastklamp, zal er voor mij geen angst of moeite meer zijn, en zal mijn leven werkelijk levend zijn, levend omdat het vervuld is van U. Maar nu is het heel anders. Iedereen die U vervult, verheft U ook; maar ik ben niet vervuld van U, en daarom ben ik een last voor mezelf. Vreugden waarover ik zou moeten wenen, strijden tegen verdriet dat aanleiding zou moeten geven tot vreugde, en ik weet niet welke zal overwinnen. Maar ik zie ook verdriet dat kwaad is in mij strijden met vreugde die goed is, en ik weet niet welke de overhand zal krijgen. Dit is doodsangst, Heer, heb medelijden met mij! Het is doodsangst! Zie, ik verberg mijn wonden niet; U bent de dokter en ik ben ziek; U bent barmhartig, ik heb barmhartigheid nodig.
Is het menselijk leven op aarde niet een tijd van beproeving? Wie zou moeilijkheden en ontberingen kiezen? U gebiedt ons ze te verdragen, maar niet om ze lief te hebben. Niemand houdt van wat hij moet verdragen, zelfs als hij het uithoudingsvermogen liefheeft, want hoewel hij zich mag verheugen in zijn vermogen om te volharden, zou hij er de voorkeur aan geven niets te hebben dat uithoudingsvermogen vereist. In ongunstige omstandigheden verlang ik naar voorspoed, en in tijden van voorspoed vrees ik tegenspoed. Welke middenweg is er tussen deze twee, waar het menselijk leven vrij zou kunnen zijn van beproeving? Wee wereldse voorspoed, en wee opnieuw, door angst voor onheil en vluchtige vreugde! Maar wee, wee, en wee opnieuw over wereldse tegenspoed, door afgunst op beter fortuin, de ontberingen van de tegenspoed zelf, en de angst dat het uithoudingsvermogen zal wankelen. Is het menselijk leven op aarde niet een tijd van beproeving zonder respijt?
Op uw buitengewoon grote genade, en daarop alleen, rust al mijn hoop.
“Laat heb ik U liefgehad.” In dit beroemde fragment uit zijn Belijdenissen (Lib. 10, 26, 37-29, 40; CSEL 33, 255-256) worstelt Augustinus, net als Job, met het probleem van lijden, tegenspoed, beproeving en het verdriet dat voortkomt uit Gods schijnbare afwezigheid in moeilijke tijden. “Laat heb ik U liefgehad”, voor het feest van Augustinus op 28 augustus. Augustinus vindt zijn vrede in het doen van Gods wil en zijn dienaar te zijn.

De Heilige Geest heeft , met bewonderenswaardige wijsheid en zorg voor ons welzijn, de Heilige Schrift zo gerangschikt dat de eenvoudiger passages onze honger stillen en de meer obscure passages onze eetlust stimuleren. Want er wordt bijna niets opgegraven uit die obscure passages dat niet elders in de duidelijkste taal kan worden weergegeven.
St Augustinus

“Laat de mens begrijpen dat God een arts is en dat verdrukking een medicijn is voor verlossing, geen straf voor verdoemenis. Geniet u van troost? Erken een vader die u liefkoos. Wordt u in verdrukking gebracht? Erken een ouder die u corrigeert. U bent ongelukkig als God u, nadat u gezondigd hebt, vrijstelt van de gesel in deze leugen. Het is een teken dat Hij u uitsluit van het aantal van Zijn kinderen.
Sint Augustinus

“Vraag en u zal gegeven worden: zoek en u zult vinden: klop en er zal voor u opengedaan worden. ” – Lukas 11:9
“Wat je ook zult vragen.” Waarom zien we dan vaak dat gelovigen vragen en niet ontvangen? Misschien is het dat ze het niet goed vragen. Wanneer een persoon een slecht gebruik zou maken van waar hij om vraagt, schenkt God hem in Zijn genade het niet. Het is zelfs nog meer het geval, dat als iemand vraagt wat als het beantwoord zou worden, alleen maar tot zijn nadeel zou leiden, er zeker meer reden is om te vrezen, in het geval dat God in Zijn toorn zou toegeven wat God niet met vriendelijkheid kon tegenhouden. Toch, als God, zelfs in vriendelijkheid, vaak de verzoeken van gelovigen weigert, hoe moeten wij dan begrijpen: “Wat u ook in Mijn Naam zult vragen, Ik zal doen?” Werd dit alleen tegen de apostelen gezegd? Nee. Hij zegt…, “Wie in Mij gelooft, de werken die Ik doe, zal hij ook doen.” En als we naar de levens van de apostelen zelf gaan, zullen we zien dat hij die meer werkte dan zij allen, bad dat de boodschapper van Satan van hem zou weggaan, maar zijn verzoek niet werd ingewilligd.
Word dan wakker, gelovige en let op wat hier staat: “In mijn Naam.” Die [Naam] is Christus Jezus. Christus betekent Koning, Jezus betekent Redder. Daarom, wat we ook vragen dat onze redding zou belemmeren, we vragen niet in de Naam van onze Heiland en toch is Hij onze Redder, niet alleen wanneer Hij doet wat wij vragen, maar ook wanneer Hij het niet doet. Als Hij ziet dat wij iets vragen ten nadele van onze zaligheid, toont Hij Zich onze Redder door het niet te doen. De arts weet of wat de zieke vraagt, in het voordeel of in het nadeel van zijn gezondheid is. En [de arts] laat niet toe wat schadelijk voor hem zou zijn, hoewel de zieke het zelf wenst. Maar de arts kijkt uit naar zijn uiteindelijke genezing.
En sommige dingen mogen wij zelfs in Zijn Naam vragen en Hij zal ze ons op dat moment niet toestaan, hoewel Hij dat op een gegeven moment wel zal doen. Wat we vragen wordt uitgesteld, niet ontkend. Hij voegt eraan toe: “opdat de Vader verheerlijkt mag worden in de Zoon.” De Zoon doet niets zonder de Vader, voor zover Hij het doet, opdat de Vader verheerlijkt wordt in de Zoon, want de Vader en de Zoon zijn één.”
– St Augustinus (354-430) Grote westerse vader en doctor van de genade van de kerk (Tractaten over het evangelie van Johannes, 73)
Bron : Anastpaul

“Aangezien Maria waardig werd bevonden om vlees te geven aan het Goddelijk Woord en zo de prijs voor onze verlossing te betalen, zodat wij van de eeuwige dood verlost zouden worden, is zij duidelijk machtiger dan alle anderen om ons te helpen het eeuwige leven te verwerven.”
– St. Augustinus


Door geboren te worden uit een Maagd die
ervoor koos om Maagd te blijven,
zelfs voordat ze wist wie er uit haar geboren
zou worden,
wilde Christus de maagdelijkheid
goedkeuren in plaats van het op te leggen.
En hij wilde dat maagdelijkheid een vrije
keuze was, zelfs in die vrouw
in wie hij de vorm van een slavin aannam”
Augustinus ( Holy Virginity) – 4:4 – 401 A.D.

Waak, o Heer,
met hen die waken,
of waakzaam zijn,
of vanavond wenen
en geef uw engelen en heiligen
de leiding over hen die slapen.
Zorg voor uw zieken, o Heer Christus.
Laat uw vermoeiden rusten.
Zegen uw stervenden;
verzacht uw lijdenden.
Heb medelijden met uw gekwelden.
Bescherm uw blijden.
En alles, omwille van uw liefde.
Amen

Ook hieraan twijfel ik niet, dat er vóór de eerste mens werd geschapen, helemaal geen mens was geweest, noch deze zelfde mens zelf die in ik weet niet welke cycli terugkeerde en ik weet niet hoeveel omwentelingen maakte, noch enige andere van soortgelijke aard. Vanuit dit geloof word ik niet bang gemaakt door filosofische argumenten, waaronder die welke als de meest scherpe wordt beschouwd die gebaseerd is op de bewering dat het oneindige niet kan worden begrepen door welke vorm van kennis dan ook. Bijgevolg, zo betogen zij, heeft God in Zijn eigen geest eindige concepten van alle eindige dingen die Hij maakt. Nu kan niet worden verondersteld dat Zijn goedheid ooit lui was; want als dat zo was, zou er aan Hem een ontwaken tot activiteit in de tijd worden toegeschreven, vanuit een voorbije eeuwigheid van inactiviteit, alsof Hij berouw had van een luiheid die geen begin had, en daarom een begin van werk maakte. Dit zijnde het geval, zeggen ze dat het moet zijn dat dezelfde dingen altijd herhaald worden, en dat ze, terwijl ze voorbijgaan, altijd bestemd zijn om terug te keren, of de wereld te midden van al deze veranderingen dezelfde blijft, de wereld die altijd is geweest, en toch geschapen werd, of dat de wereld in deze revoluties voortdurend uitsterft en vernieuwd wordt; anders, als we wijzen op een tijd waarin de werken van God begonnen, zou men geloven dat Hij Zijn voorbije eeuwige vrije tijd als inert en lui beschouwde, en het daarom veroordeelde en veranderde als onaangenaam voor Hemzelf. Nu, als verondersteld wordt dat God inderdaad altijd tijdelijke dingen heeft gemaakt, maar verschillend van elkaar, en de een na de ander, zodat Hij zo uiteindelijk kwam om de mens te maken, die Hij nog nooit eerder had gemaakt, dan kan het lijken dat Hij de mens niet met kennis heeft gemaakt (want ze veronderstellen dat geen kennis de oneindige opeenvolging van schepselen kan bevatten), maar op het dictaat van het uur, zoals het Hem op dat moment trof, met een plotselinge en toevallige verandering van gedachten. Aan de andere kant, zeggen zij, als die cycli worden toegelaten, en als wij veronderstellen dat dezelfde tijdelijke dingen worden herhaald, terwijl de wereld óf identiek blijft door al deze rotaties, óf anders sterft en wordt vernieuwd, dan wordt aan God noch het trage gemak van een voorbije eeuwigheid, noch een overhaaste en onvoorziene schepping toegeschreven. En als dezelfde dingen niet op deze manier in cycli worden herhaald, dan kunnen ze door geen enkele wetenschap of voorwetenschap in hun eindeloze verscheidenheid worden begrepen. Zelfs al zou de rede het niet kunnen weerleggen, het geloof zou glimlachen om deze argumentaties, waarmee de goddelozen proberen onze eenvoudige vroomheid van de juiste weg af te brengen, zodat wij met hen “in een cirkel” kunnen wandelen. Maar met de hulp van de Heer onze God, verbrijzelt zelfs de rede, en dat is gemakkelijk genoeg, deze ronddraaiende cirkels die gissingen omlijsten. Want datgene wat deze mannen in het bijzonder op een dwaalspoor brengt en hun eigen kringen verkiest boven het rechte pad van de waarheid, is dat zij met hun eigen menselijke, veranderlijke en beperkte intellect de goddelijke geest meten, die absoluut onveranderlijk, oneindig ruim en, zonder opeenvolging van gedachten,alle dingen tellend zonder getal. Zodat dat gezegde van de apostel op hen van toepassing is, want “zichzelf met zichzelf vergelijkend, begrijpen zij niet.” Want omdat zij, krachtens een nieuw doel, alles wat nieuw is in hun opgekomen om te doen (hun gedachten zijn veranderlijk), concluderen zij dat het zo is met God; en vergelijken aldus niet God,—want zij kunnen God niet bevatten, maar denken aan iemand zoals zijzelf wanneer zij aan Hem denken,—niet God, maar zichzelf, en niet met Hem, maar met zichzelf. Wat ons betreft, wij durven niet te geloven dat God op de ene manier wordt beïnvloed wanneer Hij werkt, en op een andere manier wanneer Hij rust. Inderdaad, om te zeggen dat Hij überhaupt wordt beïnvloed, is een misbruik van taal, aangezien het impliceert dat er iets in Zijn natuur komt dat er voorheen niet was. Want hij die wordt beïnvloed, wordt beïnvloed, en alles waarop wordt gehandeld, is veranderlijk. In Zijn vrije tijd is er daarom geen luiheid, luiheid, inactiviteit; zoals er in Zijn werk geen arbeid, inspanning, ijver is. Hij kan handelen terwijl Hij rust, en rusten terwijl Hij handelt. Hij kan een nieuw werk beginnen met (niet een nieuw, maar) een eeuwig ontwerp; en wat Hij nog niet eerder heeft gemaakt, begint Hij nu niet te maken omdat Hij berouw heeft van Zijn vroegere rust. Maar wanneer men spreekt over Zijn vroegere rust en daaropvolgende werking (en ik weet niet hoe mensen deze dingen kunnen begrijpen), worden deze “vroegere” en “volgende” alleen toegepast op de geschapen dingen, die voorheen niet bestonden en vervolgens tot bestaan kwamen. Maar in God wordt het vroegere doel niet veranderd en uitgewist door het daaropvolgende en andere doel, maar door één en dezelfde eeuwige en onveranderlijke wil die Hij bewerkstelligde met betrekking tot de dingen die Hij schiep, zowel dat zij voorheen, zolang zij niet bestonden, niet zouden zijn, en dat zij vervolgens, toen zij begonnen te zijn, tot bestaan zouden komen. En zo zou Hij misschien op een zeer treffende manier aan degenen die oog hebben voor zulke dingen, laten zien hoe onafhankelijk Hij is van wat Hij maakt, en hoe het van Zijn eigen gratuite goedheid is dat Hij schept, aangezien Hij van eeuwigheid af zonder schepselen woonde in een niet minder volmaakte zaligheid.inactiviteit; zoals in Zijn werk geen arbeid, inspanning, ijver is. Hij kan handelen terwijl Hij rust, en rusten terwijl Hij handelt. Hij kan een nieuw werk beginnen met (niet een nieuw, maar) een eeuwig ontwerp; en wat Hij niet eerder heeft gemaakt, begint Hij nu niet te maken omdat Hij berouw heeft van Zijn vroegere rust. Maar wanneer men spreekt over Zijn vroegere rust en daaropvolgende handeling (en ik weet niet hoe mensen deze dingen kunnen begrijpen), worden deze “vroegere” en “volgende” alleen toegepast op de geschapen dingen, die voorheen niet bestonden, en vervolgens tot bestaan kwamen. Maar in God wordt het vroegere doel niet veranderd en uitgewist door het daaropvolgende en andere doel, maar door één en dezelfde eeuwige en onveranderlijke wil die Hij bewerkstelligde met betrekking tot de dingen die Hij schiep, zowel dat zij voorheen, zolang zij niet waren, niet zouden zijn, en dat zij vervolgens, toen zij begonnen te zijn, tot bestaan zouden komen. En zo zou Hij misschien op een heel treffende manier aan hen die oog hebben voor zulke dingen, laten zien hoe onafhankelijk Hij is van wat Hij maakt, en hoe Hij schept uit Zijn eigen onverdiende goedheid, aangezien Hij van eeuwigheid af zonder schepselen heeft geleefd in een niet minder volmaakte zaligheid.inactiviteit; zoals in Zijn werk geen arbeid, inspanning, ijver is. Hij kan handelen terwijl Hij rust, en rusten terwijl Hij handelt. Hij kan een nieuw werk beginnen met (niet een nieuw, maar) een eeuwig ontwerp; en wat Hij niet eerder heeft gemaakt, begint Hij nu niet te maken omdat Hij berouw heeft van Zijn vroegere rust. Maar wanneer men spreekt over Zijn vroegere rust en daaropvolgende handeling (en ik weet niet hoe mensen deze dingen kunnen begrijpen), worden deze “vroegere” en “volgende” alleen toegepast op de geschapen dingen, die voorheen niet bestonden, en vervolgens tot bestaan kwamen. Maar in God wordt het vroegere doel niet veranderd en uitgewist door het daaropvolgende en andere doel, maar door één en dezelfde eeuwige en onveranderlijke wil die Hij bewerkstelligde met betrekking tot de dingen die Hij schiep, zowel dat zij voorheen, zolang zij niet waren, niet zouden zijn, en dat zij vervolgens, toen zij begonnen te zijn, tot bestaan zouden komen. En zo zou Hij misschien op een heel treffende manier aan hen die oog hebben voor zulke dingen, laten zien hoe onafhankelijk Hij is van wat Hij maakt, en hoe Hij schept uit Zijn eigen onverdiende goedheid, aangezien Hij van eeuwigheid af zonder schepselen heeft geleefd in een niet minder volmaakte zaligheid.
HEILIGE AUGUSTINUS (Tekst uit ‘De stad van de mens’)
Uit : De stad van God