Augustinus : tekst uit de belijdenis van Augustinus- de verandering…

De verandering ….

Nu was mijn slechte en afschuwelijke jeugd voorbij en ik ging over in de vroege volwassenheid; des te meer bezoedeld door ijdele dingen naarmate ik ouder werd, die zich geen andere substantie kon voorstellen dan die welke gewoonlijk met deze ogen wordt gezien. Ik dacht niet aan U, o God, onder de gedaante van een menselijk lichaam; sinds ik iets van wijsheid begon te horen, vermeed ik dit altijd; en verheugde mij dat ik hetzelfde had gevonden in het geloof van onze geestelijke moeder, Uw katholieke kerk. Maar wat ik anders van U moest bedenken, wist ik niet. En ik, een man, en zo’n man, probeerde mij van U de soevereine, enige, ware God voor te stellen; en ik geloofde in het diepst van mijn ziel dat U onvergankelijk, onschendbaar en onveranderlijk was; want hoewel ik niet wist vanwaar of hoe, zag ik toch duidelijk en was ik er zeker van dat datgene wat verdorven kan worden, inferieur moet zijn aan datgene wat niet kan worden beschadigd; wat niet kon worden beschadigd, gaf ik zonder aarzelen de voorkeur boven wat wel beschadigd kon worden; het onveranderlijke tot dingen die aan verandering onderhevig zijn. Mijn hart schreeuwde hartstochtelijk tegen al mijn fantomen, en met deze ene slag probeerde ik al die onreine troep die eromheen zoemde, van het oog van mijn geest weg te slaan. En zie, nauwelijks afgezet, verzamelden ze zich in een oogwenk weer dicht om me heen, vlogen tegen mijn gezicht en vertroebelden het; zodat ik, hoewel niet onder de vorm van het menselijk lichaam, toch gedwongen werd om U te bedenken (dat onvergankelijke, onschadelijke en onveranderlijke, dat ik verkoos boven het vergankelijke, en schadeloze en veranderlijke) als zijnde in de ruimte, hetzij in de wereld gegoten, hetzij oneindig verspreid zonder haar. Want wat ik ook bedacht, beroofd van deze ruimte, leek mij niets, ja helemaal niets, zelfs geen leegte, alsof een lichaam van zijn plaats werd genomen, en de plaats leeg zou blijven van enig lichaam, van aarde en water, lucht en hemel, zou het toch een lege plaats blijven, als het ware een ruim niets.

HEILIGE AUGUSTINUS

Uit de Belijdenissen

Augustinus : Hoewel goede en slechte mensen hetzelfde lijden, moeten we niet veronderstellen dat er geen verschil is tussen de mensen zelf….

Daarom, hoewel goede en slechte mensen hetzelfde lijden, moeten we niet veronderstellen dat er geen verschil is tussen de mensen zelf, omdat er geen verschil is in wat ze beiden lijden. Want zelfs in de gelijkenis van het lijden blijft er een ongelijkheid in de lijdenden; en hoewel blootgesteld aan dezelfde kwelling, zijn deugd en ondeugd niet hetzelfde. Want zoals hetzelfde vuur goud helder laat gloeien en kaf laat roken; en onder dezelfde dorsvlegel het stro klein wordt geslagen, terwijl het graan wordt gereinigd; en zoals de droesem niet met de olie wordt gemengd, hoewel het door dezelfde druk uit de kuip wordt geperst, zo bewijst, zuivert, verheldert dezelfde hevigheid van beproeving het goede, maar verdoemt, ruïneert, vernietigt het de goddelozen. En zo is het dat in dezelfde beproeving de goddelozen God verafschuwen en lasteren, terwijl de goeden bidden en prijzen. Zo’n materieel verschil maakt het niet welke kwalen worden geleden, maar wat voor soort mens ze lijdt. Want modder verspreidt een vreselijke stank als het met dezelfde beweging wordt opgeroerd, en zalf verspreidt een aangename geur.

HEILIGE AUGUSTINUS Stad van God

[Een prachtige passage uit Stad van God van Heilige Augustinus! Dit werk, geschreven tussen 413 en 426, is een diepgaande verhandeling over de tegenstelling tussen de stad van God en de aardse stad, waarbij Augustinus reflecteert op de rol van het christelijk geloof in de wereld

De vergelijking die hij hier maakt—hoe beproevingen verschillende effecten hebben op mensen, afhankelijk van hun innerlijke gesteldheid—is een krachtige illustratie van zijn filosofie. Net zoals vuur goud zuivert en kaf doet roken, zo worden de rechtvaardigen door lijden verfijnd, terwijl het de goddelozen verder ten val brengt.]

++++++++++++++++++

Stad van God …

Stad van God werd geschreven door Augustinus in een tijd van grote politieke en religieuze onrust. In 410 viel de Visigotische koning Alarik I Rome binnen en plunderde de stad. Dit veroorzaakte een crisis onder veel Romeinen, die geloofden dat hun afwijzing van de traditionele goden hen de ondergang had gebracht. Christenen werden beschuldigd van het verlies van de macht en de glorie van Rome.

Augustinus schreef Stad van God als een antwoord op deze beschuldigingen. Hij stelde dat de vergankelijke aardse stad niet de ultieme realiteit was, maar dat er een goddelijke stad bestond die eeuwig en rechtvaardig was. Door de geschiedenis heen, betoogde hij, strijden twee ‘steden’: de stad van de mens, gedreven door wereldse verlangens, en de stad van God, waar ware rechtvaardigheid heerst.

Zijn werk heeft een diepgaande invloed gehad op de westerse politieke en theologische gedachtegang en blijft relevant in discussies over geloof, moraliteit en samenleving.

 

Augustinus :Uw wil geschiede in de hemel en op aarde…..

“Uw wil geschiede in de hemel en op aarde; of, zoals het in veel manuscripten wordt gelezen en vaker door gelovigen wordt gebeden: Zoals in de hemel, zo ook op aarde, wat veel mensen begrijpen als: Mogen wij uw wil doen, zoals de heilige engelen. Maar de leraar en martelaar interpreteerde hemel en aarde als geest en vlees, en zei dat wij bidden om Gods wil te volbrengen in volledige harmonie van beide. Hij zag in deze woorden ook een andere betekenis, die in lijn is met het zuiverste geloof, namelijk dat gelovigen bidden voor ongelovigen, die nog ‘aards’ zijn en alleen de aardse mens in hun eerste geboorte dragen; terwijl gelovigen, gekleed in de hemelse mens, terecht ‘hemel’ worden genoemd. Zo toont hij duidelijk aan dat zelfs het begin van geloof een geschenk van God is, aangezien de heilige Kerk niet alleen bidt voor gelovigen—dat hun geloof mag groeien of behouden blijven—maar ook voor ongelovigen, opdat zij mogen beginnen te ontvangen wat zij voorheen niet hadden, en waartegen zij zich zelfs vijandig opstelden.”

St Augustinus

[ Wat meer uitleg bij deze tekst :

“Uw wil geschiede in de hemel en op aarde; of, zoals in veel manuscripten wordt gelezen en vaak door gelovigen wordt gebeden: Zoals in de hemel, zo ook op aarde. Velen interpreteren dit als een verlangen om Gods wil te volbrengen zoals de heilige engelen dat doen. Maar de leraar en martelaar zag in ‘hemel’ en ‘aarde’ een diepere betekenis: geest en vlees, en hij stelde dat wij bidden om Gods wil te vervullen in volledige harmonie tussen beide.

Daarnaast ontdekte hij nog een andere betekenis die strookt met het zuiverste geloof: dat gelovigen bidden voor ongelovigen, die nog ‘aards’ zijn en in hun eerste geboorte alleen de aardse mens dragen. Gelovigen daarentegen, gekleed in de hemelse mens, worden terecht ‘hemel’ genoemd. Zo toont hij helder aan dat zelfs het begin van geloof een geschenk van God is, omdat de heilige Kerk niet alleen bidt voor gelovigen—dat hun geloof mag groeien of behouden blijven—maar ook voor ongelovigen, opdat zij mogen beginnen te ontvangen wat zij voorheen niet bezaten en waartegen zij zich zelfs verzetten.”]

Augustinus : Alle ketters velieten de Kerk…..

“Alle ketters verlieten de Kerk, zoals nutteloze ranken die van de wijnstok zijn afgesneden.”

++++++++++

[Dit citaat van Sint Augustinus van Hippo benadrukt zijn overtuiging dat ketterij voortkomt uit degenen die zich afsplitsen van de ware kerk. Het beeld van de wijnstok en de ranken is een bijbelse metafoor die verwijst naar Johannes 15:5, waar Christus zichzelf vergelijkt met een wijnstok en zijn volgelingen met de ranken]

St.Augustinus : O almachtige en goede Heer, die voor ieder van uw kinderen zorgt alsof hij de enige is….

“O almachtige en goede Heer, die voor ieder van uw kinderen zorgt alsof hij de enige is, en die voor allen zorgt alsof zij één enkel wezen zijn!”

St.Augustinus

+++++++++++++++

[Hier zijn enkele filosofische citaten die een vergelijkbare boodschap van zorg en eenheid uitdragen:

1.Mahatma Gandhi: “Als je zorg draagt voor de middelen, zal het doel wel voor zichzelf zorgen.”

2. Dalai Lama: “Als mensen hebben we allemaal de verantwoordelijkheid om voor de mensheid te zorgen. Het uiten van zorg voor anderen brengt innerlijke kracht en diepe voldoening.”

3. Margaret Mead: “Geloof nooit dat een paar zorgzame mensen de wereld niet kunnen veranderen. Want inderdaad, dat is alles wat ooit heeft.”

4. Muhammad Ali: “Tel geen dagen, maar zorg dat de dagen tellen.”

5.Robert Louis Stevenson: “Zoals een vogel zingt terwijl het regent, zorg ervoor dat dankbare herinneringen overleven in tijden van verdriet.”

Deze citaten benadrukken de kracht van zorgzaamheid en verbondenheid]

Augustinus :Adem in mij, o Heilige Geest, opdat al mijn gedachten heilig mogen zijn….

Adem in mij, o Heilige Geest, opdat al mijn gedachten heilig mogen zijn.

Werk in mij, o Heilige Geest, opdat ook mijn daden heilig moge blijken.

Trek mijn hart, o Heilige Geest, opdat ik uitsluitend datgene liefheb wat heilig is.

Versterk mij, o Heilige Geest, om al het heilige te verdedigen.

Bewaar mij, o Heilige Geest, opdat ik altijd in heiligheid mag leven

Augustinus van Hippo

Augustinus : Leer uw Schepper lief te hebben…

Linkerkant van de afbeelding: “Leer uw Schepper lief te hebben in de schepselen; en richt uw genegenheid niet op wat God heeft gemaakt, opdat u niet gehecht raakt aan de schepselen en Hem verliest door Wie ook u geschapen bent.” ~ St. Augustinus

Rechterkant van de afbeelding: “Dit was de praktijk van de heilige. Bij het zien van de schepselen was hij gewend zijn hart tot God te verheffen; daarom riep hij uit met liefde: Hemel en aarde en alle dingen zeggen mij dat ik U moet liefhebben. Wanneer hij de hemel, de sterren, de velden, de bergen aanschouwde, leek hij hen te horen zeggen: Augustinus, heb God lief, want Hij heeft ons geschapen met geen ander doel dan dat u Hem zou liefhebben.”

++++++++++++++

[verdere informatie :

St. Augustinus leefde tijdens het late Romeinse Rijk, een tijd van aanzienlijke politieke, culturele en religieuze veranderingen. Geboren in 354 na Christus in Tagaste (het huidige Algerije), was hij getuige van de neergang van de Romeinse macht en de opkomst van het christendom als dominante religie in het rijk. Zijn werken werden diep beïnvloed door Neoplatonisme, een filosofisch systeem dat zijn theologische ideeën vormgaf, en door de voortdurende conflicten tussen de christelijke leer en de heidense tradities.

Augustinus’ geschriften, zoals Belijdenissen (Confessiones) en De Stad van God (De Civitate Dei), waren reacties op de uitdagingen van zijn tijd. Belijdenissen is een persoonlijke reflectie op zijn spirituele reis, terwijl De Stad van God werd geschreven na de plundering van Rome in 410 na Christus, als verdediging van het christendom tegen beweringen dat het de val van het rijk had veroorzaakt. Zijn ideeën over erfzonde, genade en vrije wil werden fundamenteel voor de westerse christelijke traditie.

Een interessant aspect van De Stad van God is dat Augustinus niet alleen het christendom verdedigde, maar ook een historisch wereldbeeld presenteerde waarin beschavingen kunnen worden verdeeld in de “Stad van de Mensen” en de “Stad van God.” Dit idee had een diepgaande invloed op het middeleeuwse politieke denken.]

Augustinus van Hippo

 

 

 

 

Augustinus : De heilige Traditie…

“Maar met betrekking tot die gebruiken die we zorgvuldig naleven en die de hele wereld handhaaft, en die niet uit de Schrift komen maar uit de Traditie, moeten we begrijpen dat ze zijn aanbevolen en verordend om nageleefd te worden, hetzij door de apostelen zelf, hetzij door algemene [oecumenische] concilies, waarvan het gezag van essentieel belang is in de Kerk.”

— Brief aan Januarius (Geschreven in 400 na Chr.)

St.Augustinus :Aanschouw de buitengewone schoonheid van de wereld en prijs de raad van haar Schepper….

“Aanschouw de buitengewone schoonheid van de wereld en prijs de raad van haar Schepper. Aanschouw wat Hij heeft gemaakt en heb Hem lief die het gemaakt heeft; wees dit uw grootste zorg. Heb Hem lief die het gemaakt heeft; want Hij heeft ook u naar Zijn beeld geschapen, opdat u Hem zou liefhebben.” –

St.Augustinus

Augustinus fragment uit ‘de” stad van God’-over de dood….

Augustinus met zijn moeder, de Heilige Monika

Het tijdstip waarop de zielen van de goeden en de slechten van het lichaam worden gescheiden, moeten we zeggen dat het na de dood is, of liever in de dood? Als het na de dood is, dan is het niet de dood die goed of kwaad is, aangezien de dood voorbij is, maar het is het leven dat de ziel nu is binnengegaan. De dood was een kwaad toen het aanwezig was, dat wil zeggen, toen het werd ondergaan door de stervenden; want voor hen bracht het een zware en pijnlijke ervaring met zich mee, waar de goeden goed gebruik van maken. Maar als de dood voorbij is, hoe kan dat wat niet meer is, goed of slecht zijn? En verder, als we de zaak nader onderzoeken, zullen we zien dat zelfs die pijnlijke en pijnlijke pijn die de stervende ervaart, niet de dood zelf is. Want zolang ze nog enige gewaarwording hebben, zijn ze zeker nog in leven; en als ze nog in leven zijn, moet er eerder gezegd worden dat ze zich in een staat bevinden voorafgaand aan de dood dan in de dood. Want als de dood daadwerkelijk komt, berooft het ons van alle lichamelijke gewaarwording, die, terwijl de dood nog maar nadert, pijnlijk is. En zo is het moeilijk uit te leggen hoe we van hen die nog niet dood zijn, maar in hun laatste en sterfelijke uiterste gepijnigd worden, spreken als zijnde in het artikel van de dood. Maar hoe kunnen we hen anders noemen dan stervende personen? Want wanneer de dood die ophanden was, werkelijk gekomen zal zijn, kunnen we hen niet langer stervend noemen, maar dood. Niemand sterft dus tenzij hij leeft; want zelfs hij die in het laatste uiterste van het leven is en, zoals we zeggen, de geest geeft, leeft nog. Dezelfde persoon sterft daarom tegelijk en leeft, maar nadert de dood, verlaat het leven; toch in het leven, omdat zijn geest nog in het lichaam verblijft; nog niet in de dood, omdat zijn geest het lichaam nog niet heeft verlaten. Maar als de mens, wanneer hij het verlaten heeft, zelfs dan niet in de dood is, maar na de dood, wie zal dan zeggen wanneer hij in de dood is? Aan de ene kant kan niemand stervende worden genoemd, als een mens niet tegelijkertijd stervend en levend kan zijn; en zolang de ziel in het lichaam is, kunnen we niet ontkennen dat hij leeft. Aan de andere kant, als de mens die de dood nadert eerder stervende wordt genoemd, weet ik niet wie er leeft.

HEILIGE AUGUSTINUS

Fragment uit : ‘De stad van God’De stad van God

AUGUSTINUS : Uit eerbied voor de Heer wil ik geen enkele vraag stellen over de Heilige Maagd Maria wanneer het onderwerp van zonden ter sprake komt.

Uit eerbied voor de Heer wil ik geen enkele vraag stellen over de Heilige Maagd Maria wanneer het onderwerp van zonden ter sprake komt, want wij weten dat haar een overvloed aan genade werd geschonken om elke zonde te overwinnen. Zij had immers de verdienste om Hem te ontvangen en te baren—Hem die zonder enige twijfel geen zonde had (1 Johannes 3:5). Maar als we, met uitzondering van de Maagd Maria, alle heilige mannen en vrouwen zouden verzamelen die eerder genoemd zijn, en hen vragen of ze zonder zonde hebben geleefd, wat denken we dan dat hun antwoord zou zijn?

Augustinus :  Natuur en Genade (415 A.D)