De Heilige Jozef

DE HEILIGE JOZEF

02864_saint_joseph_ioan_popa_tnl
 

 

                 

Evangelie volgens Mattheüs 2,13-23

 

Homelie gehouden door Vader  René op 31 december 1995 in de Crypte van de Franstalige Orthodoxe Parochie te Parijs (Rue Daru)

 

 

            Van de voorouders of ouders van de Heer die wij deze zondag vieren, is de heilige Jozef voor ons de meest boeiende. Noch sint Mattheüs, noch sint Lucas zeggen ook maar iets over de persoon van Jozef zelf, tenzij dat hij de adoptievader is van Jezus. Zelf een bescheiden en ver verwijderde afstammeling van David, heeft Jozef ertoe bijgedragen om Jezus te doe binnentreden in de stam van David. Daarom ook heeft hij aan de Zoon van Maria de naam Jezus gegeven, volgens het woord van de Engel.

 

            Nochtans houdt de  terughoudendheid van de Evangelisten op zichzelf een onderricht in. De stilte van de Schrift laat de grote eigenschappen van de figuur van Jozef doorschemeren.

 

            Vooreerst is er zijn geloof. Wanneer Jozef de boodschap van de Engel aangaande het goddelijk moederschap van Maria ontvangt, dan stelt hij geen enkele vraag. Hij luistert, hij zegt dank. God  heeft gesproken, dit volstaat. Wat een verschil met Zacharias, nochtans priester van de Allerhoogste, aan wie God de komende   geboorte  voorspelt van Johannes de Doper. Zacharias is in verwarring, stelt zich vragen, discussieert, zoekt een teken. Jozef, die door het gebeuren met Maria in de war kon worden gebracht, aanvaardt zonder vraag noch twijfel.  Zijn geloof is volledig, onvoorwaardelijk.

 

            Een andere trek van Jozef is zijn nederigheid. Jozef spreekt niet. Hij is een zwijgzame, ’t is te zeggen een arme, een echte ‘arme van geest’. Hij gehoorzaamt aan elk bevel van de engel : ‘neem het kind en zijn moeder,’beveelt de engel herhaaldelijk.‘Hij nam het kind en zijn moeder,’onthult ons de evangelist eenvoudigweg . Datgene wat hij doet en wat hij weet is zuivere nederigheid. Jozef onderwerpt zich geheel aan Gods woord, in de volledige offergave van zijn persoon.In deze zin verbindt dit geloof zich met dat van Maria, in het aanvaarden van hetzelfde mysterie, dit van de tegenwoordigheid van God in Jezus.

 

            Het geloof en de nederigheid van Jozef zijn wezenlijk voor zijn heiligheid. Jozef aanvaardt niet alleen de realiteit van de maagdelijke geboorte van Christus, hij aanvaardt niet alleen om de verbintenis met Maria op zich te nemen, maar hij beleeft dit huwelijk in zijn volle werkelijkheid. Jozef was diegene die zijn leven opofferde voor zijn vrouw, in naam van hun zoon Jezus Christus. Het huwelijk van Jozef met Maria werd door hun wederzijdse heiligheid een nieuwe werkelijkheid, die de eenheid van Christus met zijn Kerk voorafbeeldt. Het is een vooruitlopen op het Koninkrijk, een aanvang van de komende wereld.

            Laatste karaktertrek van Jozef. De Kerk acht Anna en Joachim, de ouders van de Moeder van God  als heilig en rechtvaardig. Waarom rechtvaardig ? Omdat door hen, door de geboorte van de Moeder Gods, Gods gerechtigheid, die niets anders is dan zijn Plan voor het heil van de wereld zal kunnen vervuld worden. Eveneens, omdat Jozef in het bestaan van Maria heeft gedeeld, zonder enige twijfel, zonder de minste reserve, en omdat hij haar roeping als Moeder van de Redder heeft gerespecteerd, is ook Jozef deelgenoot geworden van het Heilsmysterie. Om die reden heeft ook hij deelgenomen aan de komst van  Gods rechtvaardigheid in de wereld en verdient hij ook rechtvaardig genoemd te worden. Wanneer Jozef Maria vergezelt naar Bethlehem, wanneer hij Maria en Jezus vergezelt naar Egypte en hen terugbrengt naar Nazareth, wanneer hij met Maria Jezus aanbiedt in de tempel, wanneer hij Jezus bij
hem opvoedt te Nazareth, in stilte en  discretie, vervult Jozef op mysterieuze wijze het plan van God. Hij is werkelijk een rechtvaardige voor God en de wereld.

 

            Ten slotte, wij kunnen het kort samenvatten, Jozef had een unieke verhouding met de Heer. Jozef had de verantwoordelijkheid voor de opvoeding, zijn onderricht en het leerproces van zijn geadopteerde Zoon, op alle vlakken van cultuur en religie. Alles wat betreft de menselijke natuur van Christus is voortgekomen uit de liefde en het gezag van Jozef, in eenheid met de Moeder van God wel te verstaan. De liefde en de ervaring van Jozef zullen Jezus geleid hebben in Zijn kinderjaren en zelfs in Zijn tienertijd, want op de leeftijd van twaalf jaar kende Jezus altijd Zijn vader. Voor zijn tijdgenoten in Nazareth  zal Jezus altijd de zoon van de schrijnwerker zijn. Voor de aanvang van Zijn openbaar leven toen hij dertig jaar was, heeft Jezus zeker deelgenomen aan het werk van Zijn adoptievader. Hij heeft hen slechts verlaten om het werk in vervulling te brengen van Zijn Vader in de hemel.

 

            Indien Jezus bij het begin van Zijn leven onderworpen was aan Zijn adoptievader, leefde Hij niet minder in Zijn goddelijke persoon in totale communio met Zijn hemelse Vader. Zo leefde Jozef  dicht bij de incarnatie van de Ene van de Heilige Drieeenheid. In de bijzondere band van Jezus met Jozef, zijn het vooral de goddelijke energieën van Jezus die zich zonder ophouden uitgestort hebben over Jozef. Jozef zal er zich bewust van geweest zijn een deelgenoot te zijn  van Jezus, een vereniging, een volstrekte en onzegbare communio, en door Hem met gans de Heilige Drieeenheid.

 

            Deze unieke roeping van Jozef brengt ons terug in herinnering dat voor God armoede een waardigheid is, de stilte en de duisternis een deugd, en de gehoorzaamheid aan zijn wil een voorbeeld voor allen die op hun beurt willen binnentreden in het mysterie van het heil.

 

Vrij vertaald uit ‘Bulletin de la Crypte’

N° 348 – dec.2006 door Kris B.

 

 Twee aspecten van de Kerk

TWEE ASPECTEN VAN  DE KERK

  

 

(uit : essai sur la théologie mystique

de l’église d’Orient’ Vladimir Lossky – hst. IX – pp. 171 vv.)

 

 

 

                        De rol van de twee goddelijke personen, gezonden in de wereld is niet dezelfde,alhoewel de Zoon en de Heilige Geest op aarde hetzelfde werk vervullen : zij scheppen de Kerk welke de vereniging met god voltrekt. (zoals wij hebben gezegd), de Kerk is terzelfdertijd het lichaam van Christus en de volheid van de Heilige Geest., ‘alles in allen vervullend’. De eenheid van het lichaam heeft betrekking tot de natuur, die verschijnt als ‘de enige mens’in Christus; de volheid van de Heilige Geest heeft betrekking op de personen, op de veelheid van menselijke hypostases, waarvan elk een alles en niet alleen een deel vertegenwoordigt.Zo zal de mens tegelijk een deel, een lid van het lichaam van Christus zijn dor zijn natuur, maar ook, als persoon, een zijn die in zich het ‘al’ bevat. De Heilige Geest die als een koninklijke zalving rust over de menselijkheid van de Zoon, hoofd van de Kerk, zich mededelend aan elk lid van dit lichaam,schept , om het zo te zeggen, meerdere Christussen, meerdere gezalfden van de Heer : personen op weg naar de déificatie naast de Goddelijke persoon. De Kerk als zijnde het werk van Christus en van de Heilige Geest. De ecclesiologie heeft een dubbel fundament, zij is geworteld zowel in de christologie als in de pneumatologie.

 

            Pater Y Congar bevestigt in zijn boek over de gescheiden Christenen, dat ‘ de oosterse gedachte in verband met de ecclesiologie, vanaf het begin, voor ogen heeft dat wat het inhoudelijk leert over de goddelijke realiteiten, veeleer dan zijn aardse aspect en zijn menselijke implicaties.De innerlijke realiteit van de eenheid in het geloof en in de liefde, veeleer dan de concrete eisen van de kerkelijke communio. Men heeft de relatief zwakke ecclesiologie van de Griekse Vaders opgemerkt, zegt hij. De waarheid is dat zij in grote mate blijven steken zijn  in een christologie en meer nog in een pneumatologie, de Kerk ziende in Christus en in de Heilige Geest, veeleer dan in zijn kerk-zijn als dusdanig’.

 

            ‘Pater Congar heeft in zekere zin gelijk : de oosterse theologie beschouwd de kerk nooit buiten Christus en de Heilige Geest. Nochtans, dit is zeker geen zwakheid in de benadering van de ecclesiologie : dit betekent veeleer dat voor de oosterse ecclesiologie ‘ het Kerk-zijn’ als zodanig uiterst complex is : zij is niet van deze wereld, alhoewel zij genomen is uit deze wereld, bestaande in de wereld en voor de wereld. De Kerk kan dus niet herleid worden zuiver en alleen tot zijn ‘aards aspect’ en tot de ‘menselijke implicaties’, zonder zijn ware natuur te verloochenen die ze onderscheidt van elke andere menselijke gemeenschap. Pater Congar zoekt tevergeefs in de oosterse dogmatische traditie een sociologie van de Kerk en laat, zonder het te merken, de buitengewone canonische rijkdom van de orthodoxe Kerk, terzijde : de zo verscheidene canons, de buitengewone en schitterende byzantijnse commentatoren zoals Aristide, Balsamon, Zonaras, de moderne canonische literatuur. De canons die het leven van de Kerk in haar aards aspect regelen, zijn onscheidbaar van de christelijke dogma’s. Het zijn geen juridische statuten om het zo te zeggen, maar toepassingen van de kerkelijke dogma’s, van de geopenbaarde traditie, op elk vlak van de moderne samenleving.

In het licht van deze canons verschijnt deze maatschappij als een  ‘totalitaire collectiviteit’, waar ‘het recht van de individuen’ niet bestaat; maar tezelfdertijd is elke persoon in dit lichaam het doel en kan het niet beschouwd worden als een middel. Het is de enige gemeenschap waar de harmonie van de individuele belangen  met deze van de collectiviteit geen onoplosbaar probleem vormt, want de uiterste verzuchtingen van elkeen komen overeen met het hoogste doel van allen, en dit laatste kan niet gerealiseerd worden ten koste van de belangen van iemand anders.

 

            Het gaat hier niet, om het zo te zeggen,over individuën en collectiviteiten, maar om menselijke personen, die hun volmaaktheid slechts kunnen bereiken in de eenheid   van natuur. De incarnatie is het fundament van deze eenheid van natuur ; het Pinksteren is de bevestiging van de veelheid van personen in de Kerk.

 

            Op het vla
k van de ecclesiologie, bevinden wij ons opnieuw voor het onderscheid tussen de natuur en de personen, onderscheid dat wij voor de eerste maal gezien hebben toen wij het dogma hebben onderzocht van de Drieeenheid in de oosterse traditie. Dit is niet verwonderlijk, want zoals Gregorius van Nyssa het zegt : ‘ Het Christendom is een immitatie van de goddelijke natuur’.(1) De Kerk is een beeld van de Heilige Drieeenheid. De Vaders herhalen het voortdurend, de canons bevestigen het, – bij voorbeeld, de beroemde canon 34 van de Apostolische Regels’  die de synodale administratie organiseertt van de metropolitaanse provincies, ‘ opdat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest worden verheerlijkt’ in de orde zelf van het kerkelijk leven.Het is in het licht van het dogma van de Heilige Drieeenheid dat de meest bewonderenswaardige eigenschap van de Kerk – deze van de katholiciteit – zich manifesteert in zijn ware betekenis, strikt christelijk, die niet kan vertaald worden door de abstracte term van ‘universaliteit’.Want de strikte betekenis van het woord ‘katholiciteit’ bevat niet alleen de eenheid, maar ook de veelheid ; het duidt een overeenkomst aan tussen de twee of, veeleer, een zekere gelijkheid van de eenheid met de veelheid, die maakt dat de Kerk katholiek is in zijn geheel, zoals  ook in elk van zijn delen. De volheid van alles is niet een som der delen, elk deel bezit dezelfde volheid van het ‘alles’.Het mirakel van de katholiciteit openbaart  in het leven zelf van de Kerk de orde van leven eigen aan de Heilige Drieeenheid. Het dogma van de Drieeenheid , ‘katholiek’ bij uitstek is het model, de ‘canon’ van alle canons van de Kerk, het fundament van elke kerkelijke economie. Wij zullen de kwesties van canonische orde hier terzijde laten, ondanks het belang dat een studie over de intieme band tussen het trinitaire dogma en de administratieve structuur van de orthodoxe Kerk zou kunnen hebben. Dit zou ons te ver verwijderen van ons onderwerp die zich richt op theologische elementen die betrekking hebben op de vraag naar de eenheid met God. Het is alleen vanuit dit standpunt dat wij ons voornemen de oosterse ecclesiologie te bestuderen : De Kerk, als het milieu waar zich de vereniging van de menselijke personen met God realiseert. (p174-midden)

 

Vrij vertaald : Kris Biesbroeck

Didachè in het GRIEKS

ΔΙΔΑΧΗ ΤΩΝ ΔΩΔΕΚΑΑΠΟΣΤΟΛΩΝ

Διδαχὴ κυρίου διὰ τῶν δώδεκα ἀποστόλων τοῖς ἔθνεσιν.

I

  1. Ὁδοὶ δύο εἰσί, μία τῆς ζωῆς καὶ μία τοῦ θανάτου, διαφορὰ δὲ πολλὴ μεταξὺ τῶν δύο ὁδῶν.
  2. Ἡ μὲν οὖν τῆς ζωῆς ἐστιν αὕτη· πρῶτον ἀγαπησεις τὸν θεὸν τὸν ποιήσαντά σε, δεύτερον τὸν πλησίον σου ὡς σεαυτόν· πάντα δὲ ὅσα ἐὰν θελήσῃς μὴ γίνεσθαί σοι, καὶ σὺ ἄλλῳ μὴ ποίει. 3. Τούτων δὲ τῶν λόγων ἡ διδαχή ἐστιν αὕτη· εὐλογεῖτε τοὺς καταρωμένους ὑμῖν καὶ προσεύχεσθε ὑπὲρ τῶν ἐχθρῶν ὑμῶν, νηστεύετε δὲ ὑπὲρ τῶν διωκότων ὑμᾶς· ποία γὰρ χάρις, ἐὰν ἀγαπᾶτε τοὺς ἀγαπῶντας ὑμᾶς; οὐχὶ καὶ τὰ ἔθνη τὸ αὐτὸ ποιοῦσιν; ὑμεῖς δὲ ἀγαπᾶτε τοὺς μισοῦντας ὑμᾶς, καὶ οὐχ ἕξετε ἐχτρόν. 4. ἀπέχου τῶν σαρκικῶν καὶ σωματικῶν ἐπιθυμιῶν· ἐὰν τίς σοι δῷ ῥάπισμα εἰς τὴν δεξιὰν σιαγόνα, στέψον αὐτῷ καὶ τὴν ἄλλην, καὶ ἔσῃ τέλειος· ἐὰν ἀγγαρεύσῃ σέ τις μίλιον ἕν, ὕπαγε μεταυτοῦ δύο· ἐὰν ἄρῃ τις τὸ ἱμάτιόν σου, δὸς αὐτῳ καὶ τὸν χιτῶνα· ἐὰν λάβῃ τις ἀπὸ σοῦ τὸ σόν, μὴ ἀπαίτει· οὐδὲ γὰρ δύνασαι. 5. παντὶ τῷ αἰτοῦντί σε δίδου καὶ μὴ ἀπαίτει· πᾶσι γὰρ θέλει δίδοσθαι ὁ πατὴρ ἐκ τῶν ἰδίων χαρισμάτων. μακάριος ὁ διδοὺς κατὰ τὴν ἐντολήν· ἀθῷος γάρ ἐστιν. οὐαὶ τῷ λαμβάνοντι· εἰ μεν γὰρ γὰρ χρείαν ἔχων λαμβάνει τις, ἀθῷος ἔσται· ὁ δὲ μὴ χρείαν ἔχων δώσει δίκην, ἱνατί ἔλαβε καὶ εἰς τί· ἐν συνοχῇ δὲ γενόμενος ἐξετασθήσεται περὶ ὧν ἔπραξε, καὶ οὐκ ἐξελεύσεται ἐκεῖθεν, μέχρις οὗ ἀποδῷ τὸν ἔσχατον κοδράντην. 6. ἀλλὰ καὶ περὶ τούτου δὲ εἴρηται· Ἱδρωσάτω ἡ ἐλεημοσύνη σου εἰς τὰς χεῖράς σου, μέχρις ἂν γνῷς τίνι δῷς.

II

  1. Δευτέρα δὲ ἐντολὴ τῆς διδαχῆς· 2. οὐ φονεύσεις, οὐ μοιχεύσεις, οὐ παιδοφθορήσεις, οὐ πορνεύσεις, οὐ κλέψεις, οὐ μαγεύσεις, οὐ φαρμακεύσεις, οὐ φονεύσεις τ´κνον ἐν φθορᾷ, οὐδὲ γεννηθὲν ἀποκτενεῖς, οὐκ ἐπιθυμήσεις τὰ τοῦ πλησίον. 3. οὐκ ἐπιορκήσεις, οὐ ψευδομαρτυρήσεις, οὐ κακολογήσεις, οὐ μνησικακήσεις. 4. οὐκ ἔσῃ διγνώμων οὐδὲ δίγλωσσος· παγὶς γὰρ θανάτου ἡ διγλωσσία. 5. οὐκ ἔσται ὁ λόγος σου ψευδής, οὐ κενός, ἀλλὰ μεμεστωμένος πράξει. 6. οὐκ ἔσῃ πλεονέκτης οὐδὲ ἅρπαξ οὐδὲ ὑποκριτὴς οὐδὲ κακοήθης οὐδὲ ὑπερήφανος. οὐ λήψῃ βουλὴν πονηρὰν κατὰ τοῦ πλησίον σου. 7. οὐ μισήσεις πάντα ἄνθρώπον, ἀλλὰ οὓς μὲν ἐλέγξεις, περὶ δὲ ὧν προσεύξῃ, οὓς δὲ ἀγαπήσεις ὑπὲρ τὴν ψυχήν σου.

III

  1. Τέκνον μου, φεῦγε ἀπὸ παντὸς πονηροῦ καὶ ἀπὸ παντὸς ὁμοίου αὐτου. 2. μὴ γίνου ὀργίλος, ὁδηγεῖ γὰρ ἡ ὀργὴ πρὸς τὸν φόνον, μηδὲ ζηλωτὴς μηδὲ ἐπιστικὸς μηδὲ θυμικός· ἐκ γὰρ τούτων ἁπάντων φόνοι γεννῶνται. 3. τέκνον μου, μὴ γίνου ἐπιθυμητής, ὁδηγεῖ γὰρ ἡ ἐπιθυμία πρὸς τὴν πορνείαν, μηδὲ αἰσχχρολόγος μηδὲ υψηλόφθαλμος· ἐκ γὰρ τούτων ἁπαντων μοιχεῖαι γεννῶνται. 4. τέκνον μου, μὴ γίνου οἰωνοσκόπος, ἐπειδὴ ὁδηγεῖ εἰς τὴν εἰδωλολοατρίαν, μηδὲ ἐπαοιδὸς μηδὲ μαθηματικὸς μηδὲ περικαθαθαίρων, μηδὲ θέλε αὐτὰ βλέπειν· ἐκ γὰρ τούτων ἁπάντων εἰδωλολατρία γεννᾶται. 5. τέκνον μου, μὴ γίνου ψεύστης, ἐπειδὴ ὁδηγεῖ τὸ ψεῦσμα εἰς τὴν κλοπήν, μηδὲ φιλάργυρος μηδὲ κενόδοξος· ἐκ γὰρ τούτων ἁπάντων κλοπαὶ γεννῶνται. 6. τέκνον μου, μὴ γίνου γόγγυσος, ἐπειδὴ ὁδηγεῖ εἰς τὴν βλασφημίαν, μηδὲ αὐθάδης μηδὲ πονηρόφρων· ἐκ γὰρ τούτων ἁπάντων βλασφημίαι γεννῶνται. 7. ἴσθι δὲ πραΰς, ἐπεὶ οἱ πραεῖς κληρονομήσουσι τὴν γῆν. 8. γίνου μακρόθυμος καὶ ἐλεήμων καὶ ἄκακος καὶ ἡσύχιος καὶ ἀγαθὸς καὶ τρέμων τοὺς λόγους διὰ παντός, οὓς ἤκουσας. 9. οὐχ ὑψώσεις σεαυτὸν οὐδὲ δώσεις τῇ ψυχῇ σου θράσος. οὐ κολληθήσεται ἡ ψυχή σου μετὰ ὑψηλῶν, ἀλλὰ μετὰ δικαίων καὶ ταπεινῶν ἀναστραφήσῃ. 10. τὰ συμβαίνοντά σοι ἐνεργήματα ὡς ἀγαθὰ προσδέξῃ, εἰδὼς ὅτι ἄτερ θεοῦ οὐδὲν γίνεται.

IV

  1. Τέκνον μου, τοῦ λαλοῦντός σοι τὸν λόγον τοῦ θεοῦ μνησθήσῃ νυκτὸς καὶ ἡμέρας, τιμήσεις δὲ αὐτὸν ὡς κύριον· ὅθεν γὰρ ἡ κυριότης λαλεῖται, ἐκεῖ κύριός ἐστιν. 2. ἐκζητήσεις δὲ καθἡμέραν τὰ πρόσωπα τῶν ἁγίων, ἵνα ἐπαναπαῇς τοῖς λόγοις αὐτῶν. 3. οὐ ποθήσεις σχίσμα, εἰρηνεύσεις δὲ μαχομένους· κρινεῖς δικαίως, οὐ λήψῃ πρόσωπον ἐλέγξαι ἐπὶ παραπτώμασιν. 4. οὐ διψυχήσεις, πότερον ἔσται ἢ οὔ.
  2. Μὴ γίνου πρὸς μὲν τὸ λαβεῖν ἐκτείνων τὰς χεῖρας, πρὸς δὲ τὸ δοῦναι συσπῶν. 6. ἐὰν ἔχῃς διὰ τῶν χειρῶν σου, δώσεις λύτρωσιν ἁμαρτιῶν σου. 7. οὐ διστάσεις δοῦναι οὐδὲ διδοὺς γογγύσεις· γνώσῃ γάρ, τίς ἐστιν ὁ τοῦ μισθοῦ καλὸς ἀνταποδότης. 8. οὐκ ἀποστραφήσῃ τὸν ἐνδεόμενον, συγκοινωνήσεις δὲ πάντα τῷ ἀδελφῷ σοῦ καὶ οὐκ ἐρεῖς ἴδια εἶναι· εἰ γὰρ ἐν τῷ ἀθανάτῳ κοινωνοί ἐστε, πόσῳ μᾶλλον ἐν τοῖς θνητοῖς;
  3. Οὐκ ἀρεῖς τὴν χεῖρα σου ἀπὸ τοῦ υἱοῦ σου ἢ ἀπὸ τῆς θυγατρός σου, ἀλλὰ ἀπὸ νεότητος διδάξεις τὸν φόβον τοῦ θεοῦ. 10. οὐκ ἐπιτάξεις δούλῳ σου ἢ παιδίσκῃ, τοῖς ἐπὶ τὸν αὐτὸν θεὸν ἐλπίζουσιν, ἐν πικρίᾳ σου, μήποτε οὐ μὴ φοβηθήσονται τὸν ἐπἀμφοτέροις θεόν· οὐ γὰρ ἔρχεται κατὰ πρόσωπον καλέσαι, ἀλλἐφοὓς τὸ πνεῦμα ἡτοίμασεν. 11. ὑμεῖς δὲ οἱ δοῦλοι ὑποταγήσεσθε τοῖς κυρίοις ὑμῶν ὡς τύπτῳ θεοῦ ἐν αἰσχύνῃ καὶ φόβῳ.
  4. Μισήσεις πᾶσαν ὑπόκρισιν καὶ πᾶν ὃ μὴ ἀρεστὸν τῷ κυρίῳ. 13. οὐ μὴ ἐγκαταλίπῃς ἐντολὰς κυρίου, φυλάξεις δὲ ἃ παρέλαβες, μήτε προστιθεὶς μήτε ἀφαιρῶν. 14. ἐν ἐκκλησίᾳ ἐξομολογήσῃ τὰ παραπτώματά σου, καὶ οὐ προσελεύσῃ ἐπὶ προσευχήν σου ἐν συνειδήσει πονηρᾷ· αὕτη ἐστὶν ἡ ὁδὸς τῆς ζωῆς.

V

  1. Ἡ δὲ τοῦ θανάτου ὁδός ἐστιν αὕτη· πρῶτον πάντων πονηρά ἐστι καὶ κατάρας μεστή· φόνοι, μοιχεῖαι, ἐπιθυμίαι, προνεῖαι, κλοπαί, εἰδωλολατρίαι, μαγεῖαι, φαρμακίαι, ἁρπαγαί, ψευδομαρτυρίαι, ὑποκρίσεις, διπλοκαρδία, δόλος, ὑπερηφανία, κακία, αὐθάδεια, πλεονεξία, αἰσχρολογία, ζηλοτυπία, θρασύτης, ὕψος, ἀλαζονεία. 2. διῶκται ἀγαθῶν, μισοῦντες ἀλήθειαν, ἀγαπῶντες ψεῦδος, οὐ γινώσκοντες μισθὸν δικαιοσύνης, οὐ κολλώμενοι ἀγαθῷ οὐδὲ κρίσει δικαίᾳ ἀγρυπνοῦντες οὐκ εἰς τὸ ἀγαθόν, ἀλλεἰς τὸ πονηρόν· ὧν μακρὰν πραΰτης καὶ ὑπομονή, μάταια ἀγαπῶντες, διώκοντες ἀνταπόδομα, οὐκ ἐλεοῦντες πτωχόν, οὐ πονοῦντες ἐπὶ καταπονουμένῳ, οὐ γινώσκοντες τὸν ποιήσαντα αὐτούς, φονεῖς τέκνων, φθορεῖς πλάσματος θεοῦ, ἀποστρεφόμενοι τὸν ἐνδεόμενον, καταπονοῦντες τὸν θλιβόμενον, πλουσίων παράκλητοι, πενήτων ἄνομοι κριταί, πανθαμάρτητοι· ῥυσθείητε, τέκνα, ἀπὸ τούτων ἁπάντων.

VI

  1. Ὅρα, μὴ τίς σε πλανήσῃ ἀπὸ ταύτης τῆς ὁδοῦ τῆς διδαχῆς, ἐπεὶ παρεκτὸς θεοῦ σε διδάσκει. 2. εἰ μὲν γὰρ δύνασαι βαστάσαι ὅλον τὸν ζυγὸν τοῦ κυρίου, τέλειος ἔσῃ· εἰ δοὐ δύνασαι, ὃ δύνῃ, τοῦτο ποίει. 3. περὶ δὲ τῆς βρώσεως, ὃ δύνασαι βάστασον· ἀπὸ δὲ τοῦ εἰδωλοθύτου λίαν πρόσεχε· λατρεία γάρ ἐστι θεῶν νεκρῶν.

VII

  1. Περὶ δὲ τοῦ βαπτίσματος, οὕτω βαπτίσατε· ταῦτα πάντα προειπόντες, βαπτίσατε εἰς τὸ ὄνομα τοῦ πατρὸς καὶ τοῦ υἱοῦ καὶ τοῦ ἁγίου πνεύματος ἐν ὕδατι ζῶντι. 2. ἐὰν δὲ μὴ ἔχῃς ὕδωρ ζῶν, εἰς ἄλλο ὕδωρ βάπτισον· εἰ δοὐ δύνασαι ἐν ψυχρῷ, ἐν θερμῷ. 3. ἐὰν δὲ ἀμφότερα μὴ ἔχῃς, ἔκχεον εἰς τὴν κεφαλὴν τρὶς ὕδωρ εἰς ὄνομα πατρὸς καὶ υἱοῦ καὶ ἁγίου πνεύματος. 4. πρὸ δὲ τοῦ βαπτίσματος προνηστευσάτω ὁ βαπτίζων καὶ ὁ βαπτιζόμενος καὶ εἴ τινες ἄλλοι δύναται· κελεύεις δὲ νηστεῦσαι τὸν βαπτιζόμενον πρὸ μιᾶς ἢ δύο.

VIII

  1. Αἱ δὲ νηστεῖαι ὑμῶν μὴ ἔστωσαν μετὰ τῶν ὑποκριτῶν. νηστεύουσι γὰρ δευτέρα σαββάτων καὶ πέμπτῃ· ὑμεῖς δὲ νηστεύσατε τετράδα καὶ παρασκευήν. 2. μηδὲ προσεύχεσθε ὡς οἱ ὑποκριταί, ἀλλὡς ἐκέλευσεν ὁ κύριος ἐν τῷ εὐαγγελίῳ αὐτοῦ, οὕτω προσεύχεσθε· Πάτερ ἡμῶν ὁ ἐν τῷ οὐρανῷ, ἁγιασθήτω τὸ ὄνομά σου, ἐλθέτω ἡ βασιλεία σου, γενηθήτω τὸ θέλημά σου ὡς ἐν οὐρανῷ καὶ ἐπὶ γῆς· τὸν ἄρτον ἡμῶν τὸν ἐπιούσιον δὸς ἡμῖν σήμερον, καὶ ἄφες ἡμῖν τὴν ὀφειλη ὡς καὶ ἡμεῖς ἀφίεμεν τοῖς οφειλέταις ἡμῶν, καὶ μὴ εἰσενέγκῃς ἡμᾶς εἰς πειρασμόν, ἀλλὰ ῥῦσαι ἡμᾶς ἀπὸ τοῦ πονηροῦ· ὅτι σοῦ ἐστιν ἡ δύναμις καὶ ἡ δόξα εἰς τοὺς αἰῶνας. 3. τρὶς τῆς ἡμέρας οὕτω προσεύχεσθε.

IX

  1. Περὶ δὲ τῆς εὐχαριστίας, οὕτως εὐχαριστήσατε· 2. πρῶτον περὶ τοῦ ποτηρίονυ Εὐχαριστοῦμεν σοι, πάτερ ἡμῶν, ὑπὲρ τῆς ἁγίας ἀμπέλου Δαυεὶδ τοῦ παιδός σου· σοὶ ἡ δόξα εἰς τοὺς αἰῶνας. 3. περὶ δὲ τοῦ κλάσματος· Εὐχαριστοῦμέν σοι, πάτερ ἡμῶν, ὑπὲρ τῆς ζωῆς καὶ γνώσεως, ἧς ἐγνώρισας ἡμῖν διὰ Ἰησοῦ τοῦ παιδός σου. σοὶ ἡ δόξα εἰς τοὺς αἰῶνας. 4. ὥσπερ ἦν τοῦτο τὸ κλάσμα διεσκορπισμένον ἐπάνω τῶν ὀρέων καὶ συναχθὲν ἐγένετο ἕν, οὕτω συναχθήτω σου ἡ ἐκκλησία ἀπὸ τῶν περάτων τῆς γῆς εἰς τὴν σὴν βασιλείαν. ὅτι σοῦ ἐστιν ἡ δόξα καὶ ἡ δύναμις διὰ Ἰησοῦ Χριστοῦ εἰς τοὺς αἰῶνας. 5. μηδεὶς δὲ φαγέτω μηδὲ πιέτω ἀπὸ τῆς εὐχαριστίας ὑμῶν, ἀλλοἱ βαπτισθέντες εἰς ὄνομα κυρίου· καὶ γὰρ περὶ τούτου εἴρηκεν ὁ κύριος· Μὴ δῶτε τὸ ἅγιον τοῖς κυσί.

X

  1. Μετὰ δὲ τὸ ἐμπλησθῆναι οὗτως εὐχαριστήσατε· 2. Εὐχαριστοῦμέν σοι, πάτερ ἅγιε, ὑπὲρ τοῦ ἁγίου ὀνόματός σου, οὗ κατεσκήνωσας ἐν ταῖς καρδίαις ἡμῶν, καὶ ὑπὲρ τῆς γνώσεως καὶ πίστεως καὶ ἀθανασίας, ἥς ἐγνώρισας ἡμῖν διὰ Ἰησοῦ τοῦ παιδός σου· σοὶ ἡ δόξα εἰς τοὺς αἰῶνας. 3. σύ, δέσποτα παντοκράτορ, ἔκτισας τὰ πάντα ἕνεκεν τοῦ ὀνόματός σου, τροφήν τε καὶ ποτὸν ἔδωκας τοῖς ἀνθρώποις εἰς ἀπόλαυσιν, ἵνα σοι εὐχαριστήσωσιν, ἡμῖν δὲ ἐχαρίσω πνευματικὴν τροφὴν καὶ ποτὸν καὶ ζωὴν αἰώνιον διὰ τοῦ παιδός σου. 4. πρὸ πάντων εὐχαριστοῦμέν σοι, ὅτι δυνατὸς εἶ· σοὶ ἡ δόξα εἰς τοὺς αἰῶνας. 5. μνήσθητι, κύριε, τῆς ἐκκλησίας σου, τοῦ ῥύσασθαι αὐτὴν ἐν τῇ ἀγάπῃ σου, καὶ σύναξον αὐτὴν ἀπὸ τῶν τεσσάρων ἀνέμων, τὴν ἁγιασθεῖσαν, εἰς τὴν σὴν βασιλείαν, ἣν ἡτοίμασας αὐτῇ· ὅτι σοῦ ἐστιν ἡ δύναμις καὶ ἡ δόξα εἰς τοὺς αἰῶνας. 6. ἐλθέτω χάρις καὶ παρελθέτω ὁ κόσμος οὗτος. Ὡσαννὰ τῷ θεῷ Δαυείδ. εἴ τις ἅγιός ἐστιν, ἐρχέσθω· εἴ τις οὐκ ἔστι, μετανοείτω· μαρὰν ἀθά· ἀμήν. 7. τοῖς δὲ προφήταις ἐπιτρέπετε εὐχαριστεῖν ὅσα θέλουσιν.

XI

  1. Ὃς ἂν οὖν ἐλθὼν διδάξῃ ὑμᾶς ταῦτα πάντα τὰ προειρημένα, δέξασθε αὐτόν· 2. ἐὰν δὲ αὐτὸς ὁ διδάσκων στραφεὶς διδάσκῃ ἄλλην διδαχὴν εἰς τὸ καταλῦσαι, μὴ αὐτοῦ ἀκούσητε· εἰς δὲ τὸ προσθεῖναι δικαοσύνην καὶ γνῶσιν κυρίου, δέξασθε αὐτὸν ὡς κύριον.
  2. Περὶ δὲ τὼν ἀποστόλων καὶ προφητῶν, κατὰ τὰ δόγμα τοῦ εὐαγγελίου οὕτω ποιήσατε. 4. πᾶς δὲ ἀπόστολος ἐρχόμενος πρὸς ὑμᾶς δεχθήτω ὡς κύριος· 5. οὐ μενεῖ δὲ εἰ μὴ ἡμέραν μίαν· ἐὰν δὲ ᾖ χρεία, καὶ τὴν ἄλλην· τρεῖς δὲ ἐὰν μείνῃ, ψευδοπροφήτης ἐστίν. 6. ἐξἐρχόμενος δὲ ὁ ἀπόστολος μηδὲν λαμβανέτω εἰ μὴ ἄρτον, ἕως οὗ αὐλισθῇ· ἐὰν δὲ ἀργυριον αἰτῇ, ψευδοπροφήτης ἐστί.
  3. Καὶ πάντα προφήτην λαλοῦντα ἐν πνεύματι οὐ πειράσετε οὐδὲ διακρινεῖτε· πᾶσα γὰρ ἁμαρτία ἀφεθήσεται, αὕτη δὲ ἡ ἁμαρτία οὐκ ἀφεθήσεται. 8. οὐ πᾶς δὲ ὁ λαλῶν ἐν πνεύματι προφήτης ἐστίν, ἀλλἐὰν ἔχῃ τοὺς τρόπους κυρίου. ἀπὸ οὖν τῶν τρόπων γνωσθήσεται ὁ ψευδοπροφήτης καὶ ὁ προφήτης. 9. καὶ πᾶς προφήτης ὁριζων τράπεζαν ἐν πνεύματι οὐ φάγεται ἀπαὐτῆς, εἰ δὲ μήγε ψευδοπροφήτης ἐστί. 10. πᾶς δὲ προφήτης διδάσκων τὴν ἀλήθειαν, εἰ ἃ διδάσκει οὐ ποιεῖ, ψευδοπρφήτης ἐστί. 11. πᾶς δὲ προφήτης δεδοκιμασμένος, ἀληθινός, ποιῶν εἰς μυστήριον κοσμικὸν ἐκκλησίας, μὴ διδάσκων δὲ ποιεῖν, ὅσα αὐτὸς ποιεῖ, οὐ κριθήσεται ἐφὑμῶν· μετὰ θεοῦ γὰρ ἔχει τὴν κρίσιν· ὡσαύτως γὰρ ἐποίησαν καὶ οἱ ἀρχαῖοι προφῆται. 12. ὃς δἂν εἴπῃ ἐν πνεύματι· δός μοι ἀργύρια ἢ ἕτερά τινα, οὐκ ἀκούσεσθε αὐτοῦ· ἐὰν δὲ περὶ ἄλλων ὑστερούντων εἴπῃ δοῦναι, μηδεὶς αὐτὸν κρινέτω.

XII

  1. Πᾶς δὲ ὁ ἐρχόμενος ἐν ὀνόματι κυρίου δεχθήτω· ἔπειτα δὲ δοκιμάσαντες αὐτὸν γνώσεσθε, σύνεσιν γὰρ ἕξετε δεξιὰν καὶ ἀριστεράν. 2. εἰ μὲν παρόδιός ἐστιν ὁ ἐρχόμενος, βοηθεῖτε αὐτῷ, ὅσον δύνασθε· οὐ μενεῖ δὲ πρὸς ὑμᾶς εἰ μὴ δύο ἢ τρεῖς ἡμέρας, ἐὰν ᾖ ἀνάγκη. 3. εἰ δὲ θέλει πρὸς ὑμᾶς καθῆσθαι, τεχνίτης ὤν, ἐργαζέσθω καὶ φαγέτω. 4. εἰ δὲ οὐκ ἔχει τέχνην, κατὰ τὴν σύνεσιν ὑμῶν προνοήσατε, πῶς μὴ ἀργὸς μεθὑμῶν ζήσεται Χριστιανός. 5. εἰ δοὐ θέλει οὑτω ποιεῖν, χριστέμπορός ἐστι· προσέχετε ἀπὸ τῶν τοιούτων.

XIII

  1. Πᾶς δὲ προφήτης ἀληθινὸς θέλων καθῆσθαι πρὸς ὑμᾶς ἄξιός ἐστι τῆς τροφῆς αὐτοῦ. 2. ὡσαύτως διδάσκαλος ἀληθινός ἐστιν ἄξιος καὶ αὐτὸς ὥσπερ ὁ ἐργάτης τῆς τροφῆς αὐτοῦ. 3. πᾶσαν οὖν ἀπαρχὴν γεννημάτων ληνοῦ καὶ ἅλωνος, βοῶν τε καὶ προβάτων λαβὼν δώσεις τὴν ἀπαρχὴν τοῖς προφήταις· αὐτοὶ γάρ εἰσιν οἱ ἀρχιερεῖς ὑμῶν. 4. ἐὰν δὲ μὴ ἔχητε προφήτην, δότε τοῖς πτωχοῖς. 5. ἐὰν σιτίαν ποιῇς, τὴν ἀπαρχὴν λαβὼν δὸς κατὰ τὴν ἐντολήν. 6. ὡσαύτως κεράμιον οἴνου ἢ ἐλαίου ἀνοίξας, τὴν ἀπαρχὴν λαβὼν δὸς τοῖς προφήταις· 7. ἀργυρίου δὲ καὶ ἱματισμοῦ καὶ παντὸς κτήματος λαβὼν τὴν ἀπαρχήν, ὡς ἂν σοι δόξῃ, δὸς κατὰ τὴν ἐντολήν.

XIV

  1. Κατὰ κυριακὴν δὲ κυρίου συναχθέντες κλάσατε ἄρτον καὶ εὐχαριστήσατε, προεξομολογησάμενοι τὰ παραπτώματα ὑμῶν, ὅπως καθαρὰ ἡ θυσία ὑμῶν ᾐ. 2. πᾶς δὲ ἔχων τὴν ἀμφιβολίαν μετὰ τοῦ ἑταίρου αὐτοῦ μὴ συνελθέτω ὑμῖν, ἕως οὗ διαλλαγῶσιν, ἵνα μὴ κοινωθῇ ἡ θυσία ὑμῶν. 3. αὕτη γάρ ἐστιν ἡ ῥηθεῖσα ὑπὸ κυρίου· Ἐν παντὶ τόπῳ καὶ χρόνῳ προσφέρειν μοι θυσίαν καθαράν. ὅτι βασιλεὺς μέγας εἰμί, λέγει κύριος, καὶ τὸ ὄνομά μου θαυμαστὸν ἐν τοῖς ἔθνεσι.

XV

  1. Χειροτονήσατε οὖν ἑαυτοῖς ἐπισκόπους καὶ διακόνους ἀξίους τοῦ κυρίου, ἄνδρας πραεῖς καὶ ἀφιλαργύρους καὶ ἀληθεῖς καὶ δεδοκιμασμένους· ὑμῖν γὰρ λειτουργοῦσι καὶ αὐτοὶ τὴν λειτουργίαν τῶν προφητῶν καὶ διδασκάλων. 2. μὴ οὖν ὐπερίδητε αὐτούς· αὐτοὶ γὰρ εἰσιν οἱ τετιμημένοι ὑμῶν μετὰ τῶν προφητῶν καὶ διδασκάλων.
  2. Ἐλέγχετε δὲ ἀλλήλους μὴ ἐν ὀργῇ, ἀλλἐν εἰρήνῃ ὡς ἔχετε ἐν τῷ εὐαγγελίῳ· καὶ παντὶ ἀστοχοῦντι κατὰ τοῦ ἑτέρου μηδεὶς λαλείτω μηδὲ παρὑμῶν ἀκουέτω, ἕως οὗ μετανοήσῃ. 4. τὰς δὲ εὐχὰς ὑμῶν καὶ τὰς ἐλεημοσύνας καὶ πάσας τὰς πράξεις οὕτω ποιήσατε, ὡς ἔχετε ἐν τῷ εὐαγγελίῳ τοῦ κυρίου ἡμῶν.

XVI

  1. Γρηγορεῖτε ὑπὲρ τῆς ζωῆς ὑμῶν· οἱ λύχνοι ὑμῶν μὴ σβεσθήτωσαν, καὶ αἱ ὀσφύες ὑμῶν μὴ ἐκλυέσθωσαν, ἀλλὰ γίνεσθε ἕτοιμοι· οὐ γὰρ οἴδατε τὴν ὥραν, ἐν ᾗ ὁ κύριος ἡμῶν ἔρχεται. 2. πυκνῶς δὲ συναχθήσεσθε ζητοῦντες τὰ ἀνήκοντα ταῖς ψυχαῖς ὑμῶν· οὐ γὰρ ὠφελήσει ὑμᾶς ὁ πᾶς χρόνος τῆς πίστεως ὑμῶν, ἐὰν μὴ ἐν τῷ ἐσχάτῳ καιρῷ τελειωθῆτε. 3. ἐν γὰρ ταῖς ἐσχάταις ἡμέραις πληθυνθήσονται οἱ ψευδοπροφῆται καὶ οἱ φθορεῖς, καὶ στραφήσονται τὰ πρόβατα εἰς λύκους, και ἡ ἀγάπη στραφήσεται εἰς μῖσος. 4. αὐξανούσης γὰρ τῆς ἀνομίας μισήσουσιν ἀλλήλους καὶ διώξουσι καὶ παραδώσουσι, καὶ τότε φανήσεται ὁ κοσμοπλανὴς ὡς υἱὸσ θεοῦ, καὶ ποιήσει σημεῖα καὶ τέρατα, καὶ ἡ γῆ παραδοθήσεται εἰς χεῖρας αὐτοῦ, καὶ ποιήσει ἀθέμιτα, ἃ οὐδέποτε γέγονεν ἐξ αἰῶνος. 5. τότε ἥξει ἡ κτίσις τῶν ἀνθρώπων εἰς τὴν πύρωσιν τῆς δοκιμασίας, καὶ σκανδαλισθήσονται πολλοὶ καὶ ἀπολοῦνται, οἱ δὲ ὑπομείναντες ἐν τῇ πίστει αὐτῶν σωθήσονται ὑπαὐτου τοῦ καταθέματος. 6. καὶ τότε φανήσεται τὰ σημεῖα τῆς ἀληθείας· πρῶτον σημεῖον ἐκπετάσεως ἐν οὐρανῷ, εἶτα σημεῖον φωνῆς σάπιγγος, καὶ τὸ τρίτον ἀνάστασις νεκρῶν. 7. οὐ πάντων δέ, ἀλλὡς ἐρρέθη· Ἥξει ὁ κύριος καὶ πάντες οἱ ἅγιοι μεταὐτοῦ. 8. τότε ὄψεται ὁ κόσμος τὸν κύριον ἐρχόμενον ἐπάνω τῶν νεφελῶν τοῦ οὐρανοῦ.

http://www.ccel.org/ccel/lake/fathers2.v.html

 Didachè in het NEDERLANDS


 


 

Didachè Apostolorum

Vertaald uit het Engels.

Versie 1.0.1

©2012 copyright

Dit werk mag gekopieerd worden voor studiedoeleinden.

Voor commerciële doeleinden is kopiëren echter verboden.

De Didachè Apostolorum (Leer van de Apostelen) werd in 1873 ontdekt. Het bewaard gebleven geschrift dateert van 1056 en werd geschreven aan het einde van de 1e eeuw, tussen 90 en 100 na Christus. Dit betreft het oudst bewaard gebleven kerkelijk document en is mogelijk geschreven voor de heiden-Christenen. Het is een korte Catechese.

De tekst tussen haken is bijgevoegd om de leesbaarheid van de zinnen te bevorderen. Wat tussen haken staat, staat dus niet in de originele tekst of de Grondtekst.

Deze versie geldt als eerste vertaling.

Datum: 25 september 2012.

———

Hoofdstuk 1. De Twee Wegen en het Eerste Gebod. Er zijn twee wegen, een van leven en een van de dood, maar het verschil tussen de twee wegen is groot. Dit is de weg naar het leven: Ten eerste, zult gij God, die u heeft gemaakt, liefhebben, ten tweede, heb uw naaste lief zoals u zelf, en doe niet aan een ander, wat u niet zelf zou willen worden aangedaan. En dit is de leer van deze woorden: Zegent hen die u vervloeken, en bidt voor uw vijanden, en vast voor wie u vervolgen¹. Want welke verdiensten hebt gij als gij liefheeft die u liefhebben? Doen de heidenen niet hetzelfde? Maar hebt lief, die u haten, en gij zult geen vijanden hebben. Onthoudt u van de vleselijke en wereldse begeerten. Als iemand u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe, en gij zult volmaakt zijn. Als iemand u dwingt een mijl te gaan, ga dan twee mijlen met hem mee. Als iemand uw mantel ontneemt, geef hem ook uw onderkleed. Als iemand steelt wat van u is, vraag het dan niet terug, want inderdaad, daartoe bent u niet in staat. Geef aan ieder die u iets vraagt, en vraag het niet terug, want het is de wil van de Vader dat onze eigen zegeningen aan allen worden meegedeeld. Gelukkig is hij die geeft volgens het gebod, want hij is onschuldig. Wee hem die neemt, want als hij neemt omdat hij het nodig heeft, hij is onschuldig, maar wie neemt en het niet nodig heeft zal rekenschap moeten afleggen, waarom en voor welk doel hij genomen heeft. En tijdens zijn opsluiting zal hij, worden onderzocht met betrekking tot hetgeen hij gedaan heeft, en hij zal niet vrijgelaten worden totdat hij de laatste penning betaald heeft. En ook met betreffende dit, het is gezegd: Laat uw aalmoezen zweten in uw handen, totdat u weet aan wie u moet geven.

Hoofdstuk 2. Het tweede gebod:. Zware zonde Verboden En het tweede gebod van het onderwijs:, Gij zult niet moorden, gij zult geen overspel plegen, gij zult geen pederastie plegen, gij zult geen ontucht plegen, gij zult niet stelen, gij zult geen magie beoefenen , gij zult geen hekserij beoefenen, gij zult geen kind vermoorden door abortus, noch (een kind) doden wat al geboren is. Gij zult niet de dingen van uw buurman begeren, gij zult niet zweren, gij zult geen valse getuigenis afgeven, gij zult geen kwaad spreken, gij zult ​​geen wrok hebben. Gij zult niet dubbelhartig, noch dubbel van tong zijn, want een dubbele tong is een strik des doods. Uw toespraak is niet vals, noch leeg, maar getuigt van uw levenswandel. Gij zult niet gierig, noch roofzuchtige, noch een hypocriet, noch tot het kwaad geneigd, noch hooghartig zijn. Gij spreekt geen kwaad tegen uw naaste. Gij zult niet iemand haten, maar sommigen zult gij berispen, en met betrekking tot sommigen zult gij bidden, en sommigen zult gij meer liefhebben dan uw eigen leven liefhebben.

Hoofdstuk 3. Andere Verboden Zonden. Mijn kind, vlucht al het kwaad, en van elke schijn van kwaad. Wees niet gevoelig voor toorn, want toorn leidt tot moord. Wees niet jaloers, noch twistziek, noch driftig, want uit al deze dingen komen moord voort. Mijn kind, wees niet wellustig, want wellust leidt tot ontucht. Spreek geen vuile taal, heb geen glurende ogen, want uit al deze dingen wordt overspel voortgebracht. Mijn kind, wees geen waarzegger, omdat het leidt tot afgoderij. Wees geen tovenaar, noch een astroloog, houdt u zich niet bezig met reinigingsriten, weiger al deze dingen te doen, want uit al deze dingen wordt afgoderij veroorzaakt. Mijn kind, wees geen leugenaar, want een leugen leidt tot diefstal. Heb het geld niet lief, noch wees ijdel, want uit al deze dingen komen diefstal voort. Mijn kind, wees geen mopperaar, omdat het naar Godslastering leidt. Weest niet eigenzinnig, noch kwaad van hart, want uit al deze dingen komen Godslasteringen voort.

Integendeel, weest zachtmoedig, want de zachtmoedigen zullen de aarde beërven2. Weest lankmoedigheid, medelijdend en argeloos en zachtmoedig en goed en blijf altijd beven voor de Woorden die gij gehoord hebt. Gij zult uzelf niet verheffen, noch uw ziel hoogmoedig laten worden. Hecht uw ziel niet aan trotsen, maar ga om met rechtvaardigen en nederigen. Aanvaard alles wat er ook gebeurt met de kennis dat buiten God om niets gebeurt.

Hoofdstuk 4. Diverse Voorschriften. Mijn kind, denk dag en nacht aan hem die het woord van God tot u spreekt, en eer hem zoals u met de Heer zou doen. Waar dan ook de Vorstelijke Regel wordt verkondigd, daar is de Heer. En gij zult dag na dag de heiligen zoeken opdat gij rust moogt vinden bij hun woorden. Gij zult geen verdeeldheid zoeken, maar breng bijeen hen die strijden voor de vrede. Oordeel rechtvaardig en bestraf overtredingen zonder aanziens des persoons. Gij zult iets niet onbeslist oordelen wanneer iets niet of wel zal zijn. Gij zult uw hand niet uitstrekken om te ontvangen, noch sluiten om te geven. Indien gij iets bezit door het werk van uw handen dan zult gij het weggeven als losprijs voor uw zonden. Aarzel niet om te geven, noch zult gij klagen wanneer gij geeft, omdat gij weet wie de Goede Beloner is. Gij zult u niet afwenden van de arme, maar eerder alle dingen delen met uw broeder, en niet zeggen dat het uw eigen bezittingen zijn. Want als gij gemeenschap hebt aan iets wat onsterfelijk is, hoeveel te meer in dingen die sterfelijk zijn? Ga niet uw handen aftrekken van uw zoon of dochter, maar leer ze eerder in hun jeugd de vrees voor God. Ga niets doen wat uw slaaf of slavin doet verbitteren, die op dezelfde God hopen, anders zouden zij de vrees voor God verliezen, die boven beiden (heer en meester) staat, want hij komt niet diegenen roepen naar uiterlijke schijn, maar hen wier Geest Hij heeft voorbereid. En gij slaven, gij moet onderdanig aan uw meesters zijn in eerbied en ontzag3, omdat uw meester het beeld is van God. Gij zult alle hypocrisie haten en alles wat niet welgevallig is aan de Heer. Verlaat onder geen voorwaarden de Geboden van de Heer, maar bewaar wat u hebt ontvangen, zonder iets toe te voegen en zonder iets daaraan weg te laten. In de kerk zult gij uw zonden belijden, en gij zult niet in de buurt komen in uw gebedsplaats met een slecht geweten. Dit is de manier van leven.

Hoofdstuk 5. De weg naar de dood En de weg van de dood is dit: In de eerste plaats dit is het kwaad met vervloekingen: moorden, overspel, lust, hoererij, diefstal, afgoderij, tovenarij, hekserij, verkrachting, valse getuigenissen, hypocrisie, dubbelhartigheid, bedrog, hoogmoed, verdorvenheid, eigenzinnigheid, hebzucht, vuile praat, jaloezie, overmoed, zelfverheffing, opschepperij, vervolgers van het goede, haters van de waarheid, minnaars van de leugen, zij kennen het loon van de gerechtigheid niet, zien het belang niet voor het goede, noch het rechtvaardig oordeel, kijken niet naar dat wat goed is, maar naar het boze, van wie zachtmoedigheid en geduld ver weg zijn, minnaars van ijdelheden, die wraak nastreven, geen medelijden hebben met een arme, niet werken voor de gekwelden, niet wetend van Hem die hun Schiep, kindermoordenaars, vernietigers van het werk van God, zich afkeren van de arme, hen kwelt die bedroefd zijn, voorsprekers van de rijken, wetteloze rechters van de armen, volslagen zondaars. Kinderen, verlost u van dezen.

Hoofdstuk 6. Tegen valse leraren, en voedsel geofferd aan afgoden. Ziet toe, en zorgt ervoor dat niemand van deze weg van de Leer afdwaalt , want (afdwaling) leert u van God te scheiden. Want als u in staat bent om het gehele juk van de Heer te dragen, zult u volmaakt zijn, maar als u niet in staat bent om dit te dragen, draag waar u toe in staat bent. En met betrekking tot voedsel, draag bij waar u toe in staat bent, maar wat aan afgoden geofferd is, daarvoor moet u uiterst voorzichtig zijn, want het is de dienstverlening aan dode goden.

Hoofdstuk 7. Over de Doop En betreffende de doop, doop op deze wijze: Na al deze dingen eerst gezegd te hebben, doop in de naam van de Vader, en van de Zoon en van de Heilige Geest, in stromend water. Maar als gij geen stromend water hebt, doop dan in ander water, en als ge niet dopen kunt in koud water, doe het dan in warm water. Maar als u geen van beide hebt, giet water drie keer op het hoofd in de naam van Vader, Zoon en Heilige Geest. Maar voor de doop, laat degene die doopt, de gedoopten en anderen (die daartoe in staat zijn) gaan vasten, maar draag de dopeling op een of twee dagen voor de doop te vasten.

Hoofdstuk 8. Vasten en gebed (het Onze Vader). Maar laat niet uw vasten samenvallen met de huichelaars, want zij vasten op de tweede en de vijfde dag van de week. In plaats daarvan vast op de vierde dag en de (dag van de) Voorbereiding (vrijdag). Bid niet zoals de huichelaars, maar zoals de Heer bevolen heeft in Zijn Evangelie, zoals deze:

Onze Vader die in de hemel zijt, Uw naam worde geheiligd. Uw Rijk kome. Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel. Geef ons heden ons dagelijks brood, en vergeef ons onze schuld zoals ook wij vergeven onze schuldenaren. En breng ons niet in bekoring, maar verlos ons van de kwade, want van U is de macht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid 4 ..

Bid dit drie keer per dag.

Hoofdstuk 9. De Eucharistie. Aangaande nu de Eucharistie, dank op deze manier. Ten eerste, met betrekking tot de beker:

Wij danken U, onze Vader, voor de heilige wijnstok van David, Uw knecht, die U aan ons bekend heeft gemaakt door Jezus uw knecht. U zij de heerlijkheid tot in eeuwen der eeuwen.

En met betrekking tot het gebroken Brood:

Wij danken U, onze Vader, voor het leven en de kennis die U aan ons bekend gemaakt hebt door Jezus uw knecht, tot U zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Zoals dit gebroken Brood werd verspreid over de heuvels, en werd verzameld en EEN werd, laat dus uw Kerk verzameld worden tot aan de einden der aarde in Uw Koninkrijk, want van U is de heerlijkheid en de macht door Jezus Christus tot in eeuwen der eeuwen.

Maar laat niemand eten of drinken van uw Eucharistie, tenzij ze zijn gedoopt in de naam van de Heer, want met betrekking tot dit heeft de Heer ook gezegd: “Geef niet wat Heilig is aan de honden.”

Hoofdstuk 10. Gebed na de Communie Maar nadat u verzadigd bent, geef op deze manier dank:

Wij danken U, heilige Vader, voor uw heilige naam, dat Gij het mogelijk gemaakt hebt om te wonen in onze harten, en voor de kennis en het geloof en de onsterfelijkheid, die Gij aan ons bekend gemaakt hebt door Jezus uw knecht, aan U zij de glorie tot in eeuwigheid. Gij, Almachtige Meester, die alles geschapen heeft omwille van Uw Naam; U gaf eten en drinken aan de mensheid voor de vreugde, opdat zij U danken, maar voor ons hebt Gij geestelijk Eten en Drinken gegeven en het eeuwige leven door Uw Dienaar. Voor alles danken wij U, dat U machtig bent, aan U zij de glorie tot in eeuwigheid. Vergeet Heer, Uw kerk niet, om het te bevrijden van alle kwaad en maak het volmaakt in Uw liefde, en verzamel het uit de vier windstreken, geheiligd voor Uw Koninkrijk dat Gij voor haar bereid hebt, want van U is de macht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Laat de genade komen, en laat deze wereld voorbijgaan. Hosanna aan de Zoon Gods van David! Als iemand heilig is, hij kome, als iemand is niet zo, laat hem zich bekeren. Marán-athá(*). Amen.

Maar sta toe dat de profeten Dankzegging doen zoveel als zij dit verlangen.

Hoofdstuk 11. Met betrekking tot Leraren, Apostelen en Profeten. Wie dan ook komt en u leert al deze dingen die zijn gezegd, ontvangt hem. Maar als de leraar zelf afgedwaald is en een andere leer verkondigt die deze Leer vernietigt, luister niet naar hem. Maar als hij leert om de gerechtigheid en de kennis van de Heer te vergroten, ontvangt hem dan als de Heer. Maar met betrekking tot de apostelen en profeten, handel volgens het voorschrift van het Evangelie. Laat elke apostel die tot u komt worden ontvangen als de Heer. Maar hij mag niet langer dan een dag aanwezig zijn, of twee dagen als het nodig is. Maar als hij drie dagen blijft, is hij een valse profeet. En als de apostel vertrekt, laat hem voldoende brood nemen tot de volgende verblijfplaats. Als hij ​​om geld vraagt, dan is hij een valse profeet. En elke profeet die spreekt in de Geest zult gij niet beproeven of oordelen, want elke zonde zal vergeven worden, maar deze zonde zal niet vergeven worden. Maar niet iedereen die spreekt in de Geest is een profeet, maar alleen als hij de weg van de Heer volgt. Daarom zal van hun levenswijzen de valse profeet en de profeet bekend zijn. En elke profeet die om een maaltijd vraagt in de Geest, zal het niet eten, tenzij hij inderdaad een valse profeet is. En elke profeet die de Waarheid leert, maar niet doet wat hij leert, hij is een valse profeet. En elke profeet, die bewezen heeft waarachtig te zijn, en werkt aan het mysterie van de Kerk in de wereld, maar niet onderwijst aan anderen om te doen wat hij zelf doet, mag niet onder u worden geoordeeld, want God zal over hem oordelen, want zo deden ook de oude profeten. Maar wie zegt in de Geest, Geef me geld, of iets anders, daar zult gij niet naar hem luisteren. Maar als hij vraagt om iets voor anderen die in nood zijn, laat niemand hem oordelen.

Hoofdstuk 12. Ontvangst van de christenen , maar ontvangt iedereen die komt in de naam van de Heer, en stel hem daarna op de proef, want gij zult rechts en links kunnen onderscheiden. Als hij een reiziger is , zult gij hem bijstaan ​​zo ver als gij in staat bent, maar hij zal niet meer dan twee of drie dagen bij u blijven, indien nodig. Maar als hij bij u wil blijven, en een ambacht heeft, laat hem dan werken en eten. Maar als hij volgens uw kennis – geen ambacht heeft, zorg ervoor dat geen Christen werkeloos5 blijft. Maar als hij wil niet werken, hij is handelaar in het Christendom. Ziet er op toe van dezen weg te blijven.

Hoofdstuk 13. Ondersteuning van de Profeten. Maar iedere ware profeet die wil leven onder u is zijn levensonderhoud waard. Dus ook elke ware leraar en arbeider is waardig levensonderhoud te ontvangen. De eerste vruchten, dus van de producten van wijnpers en dorsvloer, van runderen en van schapen, zult gij nemen en te geven aan de profeten, want zij zijn uw hogepriesters. Maar als gij geen profeet hebt, geef het (goed dan) aan de armen. Als gij een partij deeg maakt, neem de eerstelingen en geeft volgens het gebod. Dus ook als gij een kruik wijn of olie opent, neemt u de eerstelingen en geeft het aan de profeten, en van het geld en de kleding en van elk bezit, neemt u de eerstelingen, en geeft volgens het gebod.

Hoofdstuk 14. Christelijke bijeenkomst op de dag des Heren. Maar elke dag des Heren komt u bijeen en breekt het Brood, en zeg dank na uw zonden te hebben beleden, dat uw offer rein zal zijn. Maar laat niemand die in onmin staat samen te komen met u, totdat zij verzoend zijn, opdat uw offer niet zal worden ontheiligd. Want dit is het, waarvan gesproken is door de Heer: “In elke plaats en tijd biedt mij een zuivere offerande aan, want Ik ben een grote Koning, zegt de Heer, en mijn naam is geweldig onder de volken6.”

Hoofdstuk 15. Bisschoppen en diakens. Benoem daarom, voor uw zelf, bisschoppen en diakens die de Heer waardig zijn, zachtmoedige mannen, en geen minnaars van geld, waarheidsgetrouw en betrouwbaar, want ook zij zijn in de dienst zoals van profeten en leraren. Daarom veracht hen niet, want zij zijn uw geëerde personen, samen met de profeten en leraren. En berisp elkaar, niet in toorn, maar in vrede, zoals staat in het Evangelie. Maar voor iedereen die ageert tegen een ander, laat niemand spreken, noch laat hij iets van u horen totdat hij berouw toont. Maar wat betreft uw gebeden en aalmoezen en al uw daden, handel zoals het staat in het Evangelie van onze Heer.

Hoofdstuk 16. Waakzaamheid, de wederkomst van de Heer. Waakt over uw leven. Laat uw lampen niet uitgeblust worden, noch uw lendenen losgemaakt, maar wees bereid, want gij weet niet het uur waarop onze Heer zal komen. Maar kom vaak samen, op zoek naar de dingen die bevorderlijk zijn voor uw zielen, want de hele tijd van uw geloof zal niet baten, als gij niet volmaakt zijt in het laatste ogenblik. Want in de laatste dagen zullen de valse profeten en de verdervers worden vermenigvuldigd, en de schapen zullen veranderen in wolven, en de liefde zal veranderd worden in haat, want wanneer wetteloosheid toeneemt, zullen zij elkaar haten en vervolgen en elkander overleveren, en dan zal de misleider van de wereld als Zoon van God verschijnen, en hij zal tekenen doen en wonderen, en de aarde zal in zijn handen worden overgeleverd, en hij zal boosaardige dingen doen die nog nooit zijn voorgekomen sinds het begin. Dan zal de schepping van de mens terecht komen in het vuur van beproeving, en velen zullen tot struikelen worden gebracht en zullen vergaan, maar wie volhardt in het geloof wordt gered van de vloek zelf. En dan zal het teken van de waarheid komen: ten eerste, het teken van een uitspanning in de hemel, dan het teken van het geluid van de bazuin. En ten derde, de opstanding van de doden – maar niet van alle, maar zoals er wordt gezegd: “De Heer zal komen en al Zijn heiligen met Hem7.” Dan zal de wereld de Heer zien komen op de wolken van de hemel.

Noten:

(*)Marán-athá is een Aramees woord en betekent Onze Heer kome. Zie ook 1 Korinthiërs 16 : 22

  1. Zie Matteus 5 vers 43 tot 48
  2. Zie Matteus 5 vers 4
  3. Zie 1 Petrus 2 vers 18
  4. Zie Matteus 6 vers 9
  5. Zie 1 Tessaloncia 3 vers 12
  6. Zie Malakias (Maleachi) 1 vers 11
  7. Zie Matteus 25 vers 31 en Judas 1 vers 14 (geciteerd uit het Boek Henoch)

10th December 2013 geplaatst door Liefde en Trouw aan de Kerk

 

 

 Over de sacramenten (deel 2)

ORTHODOX RITUEEL  – de sacramenten – deel 2

Zalving – Eucharistie – Vergeving

 

(Vri vertaald uit het boek : Orthodoxie – Metropoliet Kallistos (Ware)

door Kris B.

 

ZALVING

 

De zalving volgt onmiddellijk na het doopsel. De priester neemt een speciale olie, het heilig chrisma (myron), en zalft het kind met  een kruisteken : eerst op het voorhoofd, dan de ogen, de neus, de mond en de oren, de borst, de handen en de voeten. Bij elke zalving, zegt hij : ‘ Zegel en gave van de Heilige Geest,Amen’ Het kind, dat ingelijfd is in Christus door het doopsel, ontvangt zo de gave van de Heilige Geest en wordt een laikos (leek), een lid van het Godsvolk (laos). De zalving is een verderzetten van Pinksteren : dezelfde Geest die zichbaar over de apostelen  verscheen in vurige tongen, daalt onzichtbaar neer over de nieuw gedoopte.

 

Door deze zalving wordt elk lid van de Kerk een profeet, en neemt hij deel aan het koninklijk priesterschap van Christus. Alle christenen , juist omdat zij gezalfd zijn, zijn geroepen om bewuste getuigen te zijn van de waarheid. ‘ Gij echter hebt een zalving(chrisma) van de Heilige en gij weet dat allen’ (I joh.,II,20).

In het westen wordt de zalving gegeven door een bisschop (4), maar in het oosten wordt de zalving gegeven door een priester. Wel is het zo, dat het chrisma moet worden gezegend door een bisschop (volgens een streng  orthodoxe  gebruik, is het slechts een bisschop die aan het hoofd staat van een autocephale Kerk, welke het voorrecht heeft om het heilig chrisma te wijden). Zo is, zowel in het westen , als in het oosten de bisschop betrokken bij het christelijk initiatiesacrament : in het  westen op een direkte manier, in het oosten op een indirekte.

De zalving is ook gebruikt als sacrament van verzoening. Als een orthodox afvallig is en wilt

(4) Momenteel is het zo, dat ook in de rooms-katholieke Kerk, de zalving niet alleen meer door de bisschop wordt toegediend. Ook gewone priesters kunnen het doen. Gewoonlijk zijn het de hoofden van een dekenij (dekens), en medewerkers van de bisschop die de zalving toedienen, maar ook de bisschop zelf.

 

terugkeren naar zijn religie, dan is het met het sacrament van de zalving dat men hem opnieuw opneemt. Hetzelfde geldt voor rooms-katholieken die orthodox worden : het patriarchaat van Constantinopel en de griekse Kerk ontvangen hen algemeen gezien met de zalving (myronzalving). Maar de Russische Kerk vraagt hen alleen een geloofsbelijdenis en geen zalving met chrisma. Anglikanen en protestanten worden altijd met een zlving opgenomen.

 

Zo spoedig mogelijk na de myronzalving zal het orthodoxe kind te communie gaan. Zijn oudste herinneringen aan de Kerk zullen deze zijn van zijn naderen tot de heilige gaven van het lichaam en bloed van Christus. Hij gaat niet, zoals bij de rooms katholieken, te communie op de leeftijd van zes-zeven jaar, of op de leeftijd van de adolescentie zoals bij de anglikanen., maar het is nooit uitgesloten.

 

EUCHARISTIE

 

De eucharistie wordt gecelebreerd in alle orthodoxe Kerken onder een van de vier verschillende  vormen :

 

1.      De liturgie van de Heilige Johannes Chrysostomos (gewoonlijk is dit de liturgie van de zondagen en de weekdagen).

2.      De liturgie van de Heilige Basilius de Grote (gebruikt tien maal per jaar, zij verschilt uiterlijk een weinig van deze van de Heilige Chrisostomos, maar de persoonlijke gebeden van de priester zijn wat langer)

3.      De liturgie van de Heilige Jacobus, broeder van Christus (één maal per jaar gebruikt, op de dag van de Heilige Jacobus, 23 oktober, en dit slechts op enkele plaatsen (5).

4.      De liturgie van de voorafbereidde gaven (gebruikt de woensdagen en de vrijdagen gedurende de grote Vasten, en de drie eerste dagen van de Heilige Week. Het zijn liturgieën zonder consecratie, waarin de communie wordt uitgedeeld met de geconsacreerde elementen van de vorige zondag).

 

Ziehier, in grote lijnen, de structuur van de liturgie van de Heilige Johannes Chrysostomos en van de Heilige Basilius :

 

I.       De voorbereidingProthese of Proscomidie : voorbereiding van het brood en de wijn welke tijdens de liturgie zullen gebruikt worden.

II         De liturgie van de catechumenen – Synaxe

a. Begin van de dienst (Enarxis) (6).

Grote litanie of vredeslitanie

      Psalm 102 (103)

                                       Kleine litanie

                                       Psalm 145 (146) gevolgd door de hymne Eniggeboren Zoon en         

                                       Woord van God

(5) Tot voor kort was zij slechts in gebruik te Jeruzalem en op het griekse eiland Zante.Zij is hernomen door onder andere de Patriarchale Kerk van Constantinopel, de Kathedraal (griekse) van Londen en het russisch monasterie van Jordanville (USA)

(6) Strikt begint de Synaxe met de kleine intocht ; De Enarxis bij het begin van de dienst was vroeger een aparte dienst.

                                                           

 

 

 

       Kleine liturgie

       De zaligsprekingen ( met de troparia van de dag).

     

       b.  Kleine intrede, gevolgd door de intredehymne of het introïtus van

                                        Het trisagion :’Heilige God, Heilige Sterke, Heilige Onsterfelijke

                                        Ontferm U over ons’ (driemaal of meer gezongen)

 

c.       Lezing uit de Schrift.

                                        Prokimenon – verzen (hoofdzakelijk genomen uit de psalmen)

                                        Uit de brieven

                                        Alléluia negen maal gezongen ( drie maal drie met verzen)

                                        Evangelie

                                        Predikatie ( soms naar het einde van de dienst overgebracht)

 

d.      Gebeden voor de Kerk

Dringende litanie

Litanie voor de overledenen

Litanie voor  de Catechumenen en wegzending van de catechumenen.

 

                   III        De liturgie van de gelovigen (of eucharistie)

 

a.       Twee korte litanieën leiden tot de grote intrede die gevolgd   

Wordt door de smekende litanie.

 

b.      Vredeskus en credo

 

c.       Eucharistisch gebed

 

Dankgebed dat eindigt met de woorden van Christus : Dit is mijn

Lichaam…….Dit is mijn bloed……

Anamnese. De priester gedenkt de dood van Christus, de graflegging, de verrijzenis, de hemelvaart en de tweede komst ; en offert de heilige gaven aan God.  

Epiclese. Aanroeping van de Heilige Geest over de heilige gaven.Gedachtenis aan alle leden van de Kerk : De Moeder van God, de heiligen, de overledenen, de levenden.

Smeeklitanie, gevolgd door het Onze-Vader.

 

d.      Opheffing en breking van de geconsacreerde gaven.

 

e.       Communie van de priester en de gelovigen.

 

f.        Einde van de dienst, dankgebeden, eindzegen en uitdeling van 

het gezegend brood of  antidoron.

 

Het eerste deel van de liturgie, de dienst van de voorbereiding, wordt gecelebreerd door de priester en de diaken, in de prothesis. Het gemeenschappelijk deel van de dienst bevat twee delen : synaxe (hymen, gebeden, lezingen uit de schrift) en  de eucharistie : synaxe en eucharistie waren oorspronkelijk twee afzonderlijke diensten, maar sedert de IV e  eeuw zijn zij samengesmolten tot één dienst. In elk van de twee vindt men een processie : de kleine en de grote intocht. Het evangelie wordt in processie rond het altaar gedragen tijdens de kleine intocht, en tijdens de grote intocht wordt worden het brood en de wijn (die op voorhand klaargemaakt zijn) binnengedragen en op het altaar gezet. De kleine intocht komt overeen met het intrïtus van de westerse rite (oorspronkelijk was dit het begin van het publieke deel van de dienst, maar tegenwoordig wordt het  ze voorafgegaan door verschillende litanieën en psalmen) ; De grote intocht is een offer-processie. Syntaxe en eucharistie hebben elk een hoogtepunt : in de syntaxe is het de lezing van het Evangelie, in de eucharistie is het de epiclese van de Heilige Geest.

 

Het orthodoxe geloof in verband met de eucharistie is zeer duidelijk weergegeven in het eucharistisch gebed. De priester leest met zachte stem het begin va
n de dankzegging, tot wanneer hij aan de woorden van Christus tijdens het laatste avondmaal komt :’ Neemt, eet, dit is mijn lichaam…Drink allen hieruit, dit is mijn bloed…’. Deze passage wordt steeds met volle stem gelezen opdat allen het zouden horen. Dan gaat de priester met zachte stem voort met de anamnese:

 

‘ Dit verlossend gebod indachtig, stellen wij nu tegenwoordig alles wat voor ons geschied is : het kruis, het Graf, de Opstanding op de derde dag, de Hemelvaart, de Troon ter rechterzijde, en de Wederkomst in heerlijkheid en..

 

(en nu met harde stem)

 

Offeren wij het uwe, genomen uit het uwe, namens alles en voor alles.

 

De Epiclese wordt gewoonlijk met zachte stem gebeden, maar het is geen algemene regel :

 

‘Zend uw heilige Geest neer over ons en over deze voor U neergelegde gaven’

En maak dit brood het kostbaar lichaam van uw Christus

En wat in deze kelk is, het kostbaar bloed van uw Christus

Ze herscheppend door uw Heilige Geest. Amen, Amen, Amen ‘(7).

 

De priester en de diaken buigen nu voor de heilige gaven die nu geconsacreerd zijn.

Het is evident, dat orthodoxen en katholieken het ‘ moment van de consecratie’ anders opvatten. Volgens de latijnse theologie is de consecratie op het moment  van de instellingswoorden : ‘Dit is mijn Lichaam….Dit is mijn Bloed’. Volgens de orthodoxe theologie is de consecratie niet voltooid voor het einde van de epiclese. En de orthodoxe Kerk veroordeeld de aanbidding van de heilige gaven voor dit moment, als artolatrie (aanbidding van brood). Er is nochtans geen enkel gegeven in de orthodoxe theologie die ons moet doen geloven dat de consecratie voltooid is alleen maar na de epiclese, noch dat de instellingswoorden maar bijkomstig zijn of van weinig belang. Voor de orthodoxe Kerk vormt

het eucharistisch gebed een ondeelbaar   geheel waarvan de drie belangrijkste fasen ,

(7) Anamnese en epiclese, zoals hier naar voor gebracht komen van de liturgie van de             Heilige Johannes Chrisostomos ; in deze van Sint Basilius is het licht verschillend.

 

 

dankzegging,anamnese, epiclese een integrerend deel vormen van de ene consecratorische daad. Maar het is duidelijk, dat, als er een consecratie-moment moet worden gekozen, het zeker voor het amen van de epiclese moet zijn.(8).

 

Tegenwoordigheid van Christus in de eucharistie.

 

De woorden van de epiclese bewijzen overvloedig dat de orthodoxe Kerk gelooft dat het brood en de wijn, na de consecratie, werkelijk het lichaam en het Bloed van Christus zijn : het zijn geen symbolen, maar realiteiten. Nochtans, terwijl de orthodoxie de realiteit van de verandering bevestigt, zal zij nooit proberen uit te leggen hoe dit gebeurt. Het eucharistisch gebed gebruikt een neutrale term ‘metaballo’ : Veranderen, anders worden. Het is juist, dat in de XVII eeuw enkele orthodoxe auteurs , en zelfs concilies, de latijnse term ‘transsubstantiatie’ ( in het grieks : metaousios) hebben gebruikt, evenals het scholastieke onderscheid tussen substantie en accidenten (9).Maar de Vaders van Jeruzalem voegden er terzelfdertijd aan toe, dat het gebruik van deze termen geen uitleg geeft over het ‘hoe’  van de verandering, want dit is een mysterie dat altijd onbegrijpelijkr moet blijven (10). Nochtans, ondanks deze lichte afkeuring, hebben vele orthodoxen dit compromis met de latijnse en scholastieke terminologie aanvaard, en in 1838, heeft de russische Kerk een vertaling uitgegeven van de acten van Jeruzalem, waarin het merkwaardig is vast te stellen, dat het woord ‘transsubstantiatie’  is weerhouden, maar door een vernuftige paragraaf men de technische termen van substantie en accidenten heeft kunnen vermijden(11).

Hedendaagse orthodoxe schrijvers gebruiken nog de term transsubstantiatie, maar ze benadrukken twee punten.Ten eerste : er kunnen veel andere termen gebruikt worden om de betekenis van de consecratie aan te duiden. De term transsubstantiatie heeft voor hen geen beslissende autoriteit. Ten tweede : het gebruik ervan betekent niet noodzakelijk dat men de ideeën van de Aristotelische filosofie aanvaardt.

 

Het orthodox standpunt is helder samengevat in de ontwikkelde Catechismuus van Philaret, metropoliet van Moskou (1782-1867), dat bekrachtigd is door de russische Kerk in 1839 :

                                                                                                                                                                (8) Het lijkt erop dat de canon van de romeinse liturgie geen epiclese heeft; maar verschillende orthodoxe liturgisten, waaronder Nicolas Cabasilas, zien de paragraaf ‘Supplices te’ als een feitelijke epiclese. De hedendaagse katholieken, met enige notabele uitzonderingen zien het echter niet zo.

(9) De middeleeuwse filosofie maakt een onderscheid tussen substantie (dat wat een ding maakt tot wat het is) en de accidenten, of de kwaliteiten die aan de substantie toebehoren (Alles wat de zintuigen waarnemen : volume, gewicht,vorm,kleur, smaak, reuk enz..) De substantie is iets wat inzichzelf bestaat (ens per se), maar de accidenten bestaan enkel in iets anders (ens in allo). Door dit onderscheid op de eucharistie toe te passen komt men tot de leer van de transsubstantiatie : volgens deze leer, heeft er op het moment van de consecratie een verandering in de substantie plaats, terwijl de accidenten blijven  wat ze waren ; de substantie van brood en wijn is veranderd in het Lichaam en Bloed van Christus, maar de accidenten van brood en wijn blijven zichbaar voor de zintuigen.

(10)  Zonder twijfel denken ook veel rooms-katholieken op dezelfde wijze

(11)  Dit is een interessant voorbeeld van de wijze waarop de Kerk ‘selectief’ omgaat met het      aanvaarden van de decreten van de  locale Concilies.

                                                           

 

‘Vraag : Hoe moeten wij het woord ‘transsubstantiatie’ verstaan ?

Antwoord : …..het woord transsubstantiatie zegt ons niet hoe het brood en de wijn zijn veranderd in het Lichaam en Bloed van Christus, maar het betekent alleen dat het brood en de wijn werkelijk het Lichaam en Bloed van de Heer zijn geworden’ (12)

 

En de Catechismus vervolgt met een citaat van Johannes van Damascus :

 

‘Als je wilt weten hoe dit gebeurt, volstaat het te weten dat dit door de Heilige Geest is…..

wij weten niets méér : het woord van God is waar, actief en almachtig, maar ondoorgrondbaar in zijn daden’ (13).

 

Het heilg sacrament wordt in bijna elke orthodoxe parochiekerk bewaard, meestal op het altaar, maar er is geen reglement hiervoor. Het worden er echter geen publieke vereringsplechtigheden  voor gehouden, zoals dit het gebruik is in de romms-katholieke Kerk.Er is geen uitstalling en zegen van het Heilig sacrament. Er is ook geen theologische grondslag (in de zin van onderscheiden van een liturgische reden) voor. Tijdens de liturgie zegent de priester de gelovigen met de geconsacreerde elementen, maar nooit daar buiten.

De Eucharistie : offer. Voor de orthodoxe Kerk is de eucharistie een offer. De orthodoxe leer is opnieuw heel duidelijk aangegeven in de tekst van de liturgie zelf: ‘offeren wij het Uwe, genomen uit het Uwe, namens alles en voor alles’. Datgene dat geofferd wordt in de eucharistie, is Christus zelf, en het is Christus, die in de Kerk, het offer vervult : Hij is de priester én het slachtoffer, Gij ,Christus onze God, zijt het immers Die offert en geofferd wordt

(14).Wij offeren het U : de eucharistie is geofferd aan God, de Heilige Drieeenheid, niet alleen aan de Vader, maar ook aan de Heilige Geest en aan Christus zelf. Zo ook wanneer wij vragen : wat is het offer van de eucharistie? Door wie is het geofferd ? Aan wie is het geofferd ? Het antwoord is altijd : Christus (15).

 

Wij offeren het U voor allen : volgens de orthodoxe theologie is de eucharistie een verzoenend offer ( in het grieks : thusia hilastirios ) en dit voor levenden en doden.Het is dus het offer van Christus dat geofferd wordt in de eucharistie, maar wat wil dit zeggen ?

De theorieën van de theologen zijn veelzijdig op dit punt; de Kerk heeft er enkele als ongeschikt verworpen, maar heeft zich anderzijds nooit  definitief ingelaten met een of andere specifieke uitleg van het eucharistisch offer. Nicolas Cabasilas vat op deze wijze het orthodoxe standpunt samen :

 

            ‘Vooreerst, het is noch een simpel beeld, noch een symbool, maar een werkelijk offer, en , ten tweede, het is niet het brood dat geofferd wordt, maar het werkelijk Lichaam van Christus; ten derde, Het Lam Gods is slechts éénmaal geofferd  en voor allen… In de eucharistie bestaat het offer niet in de bloedige offerande van het Lam, maar in de transformatie van het brood in het Lam van het offer (16)’.

 (12)  The Doctrine of the Russian Church, traduit par RWBlackmore, London, 1845,p.92

 (13)  Sur la Foi orthodoxe, IV,13 (P.G., XCIV, 1145A).

 (14)  Ingetogen gebed van de priester voor de grote intocht.

 (15)  Plechtig bepaald door het concilie van Constantinopel in 1156(P.G.,CXL,176-177)

 (16)  Explication de la divine Liturgie,32

 

 

 

           De eucharistie is geen herdenking noch een denkbeeldige tegenwoordigstelling van het offer van Christus, maar een reëel offer. Nochtans is het geen nieuw offer, ook niet een

herhaling van het offer op de Calvarie, het Lam is geofferd ‘eenmaal voor allen’. Alle elementen van het offer – de menswording, het laatste avondmaal, de kruisiging, de verrijzenis, de hemelvaart (17) worden niet herhaald in de eucharistie, maar worden ‘tegenwoordig gesteld’ . ‘ Gedurende de liturgie, door zijn heilige  kracht  , worden wij geprojekteerd naar het punt waar de eeuwigheid de tijd kruist, en op dat moment worden wij reële tijdgenoten  van de bijbelse gebeurtenissen.’. ‘ Alle Heilige Kerkelijke avondmalen zijn niets anders dan  één eeuwig en enige avondmaal, dat van Christus vanuit de hoge.Dezelfde goddelijke act, heeft op een bepaald moment van de geschiedenis plaatsgehad in de geschiedenis, en offert zich nog altijd in het sacrament’(18).

 

            Het wordt gegeven op een klein lepeltje dat een deel van het brood en wijn bevat. De gelovige ontvangt het rechtop. Voor de communie is een strikte vasten vereist : vanaf middernacht mag niets gegeten of gedronken worden (19). Algemeen gezien communiceren (vele) orthodoxen slechts vijf of zes-maal per jaar; niet uit lauwheid tegenover het sacrament, maar uit gewoonte. Recent zijn enkele parochies in Griekenland en in Rusland teruggekeerd tot de oorspronkelijke wekelijkse communie, en het lijkt erop dat dit dit ook frequenter is geworden in de landen van het (vroegere) oostblok. Men kan alleen hopen, dat dit gebruik zich verder zal ontwikkelen in de komende jaren.

 

            Na eindzegen van de liturgie, komen de gelovigen het kruis kussen, het kruis dat de priester hen geeft, en zij ontvangen een klein stukje brood, genaamd  antidoron’ : het is gezegend, maar niet geconsacreerd, alhoewel het genomen is uit hetzelfde brood dat gebruikt werd bij de consecratie. In de meeste orthodoxe parochies,  zijn ook de niet-orthodoxen uitgenodigd om dit antidoron te ontvangen, teken van broederlijkheid en christelijke liefde.

 

VERGEVING

 

            Een orthodox kind ontvangt de heilige communie heel vroeg. Wanneer hij groot genoeg is om goed en kwaad van mekaar te onderscheiden, en begrip heeft van wat zonde is ( dit rond de leeftijd van zes, zeven jaar), dan ontvangt het een nieuw sacrament : dat van de vergeving of de biecht ( in het grieks metanoia of exomologisis). Door dit sacrament worden de zonden, bedreven na de doop vergeven, en de zondaar hervindt hierdoor opnieuw de verzoening met de Kerk : daarom wordt dit ook genoemd een ‘tweede doop’.Het gaat daarbij ook om een een morele kuur voor de genezing van de ziel, want de priester geeft niet alleen  de absolutie, maar ook geestelijke leiding.

 

            Oorspronkelijk was de biecht publiek, daar de zonde niet alleen een misdrijf is tegenover God, maar ook tegenover de gemeenschap. Nochtans is de biecht sedert eeuwen, zowel in het Oosten als in het Westen, een persoonlijk onderhoud geworden tussen priester en 

(17)        Het offer van Christus bevat véél meer dan zijn dood alleen : dit is een heel belangrijk punt in de leer van de Kerkvaders en van de orthodoxie.

(18)        P.Evdokimov, L’orthodoxie,p.208 en p.241

(19)        ‘Zij die de Keizer uitnodigen, reinigen hun huis ; zo ook jij die God wil ontvangen in het huis van uw lichaam, en  voor de verlichting van uw leven moet dit lichaam eerst geheiligd worden door vasten’ (Gennade, Les cent Chapitres). In geval van ziekte of een dringende noodzaak, kan de biechtvader hiervan dispenseren.

 

 

gelovige. De priester is gehouden tot absolute geheimhouden van wat hem in de biecht is gezegd.

 

            Er is in de orthodoxe Kerk gaan ‘biechtstoel’ aanwezig zoals in de rooms-katholieke Kerken : biechteling en priester staan gewoonlijk voor de iconostase, dikwijls achter een scherm, of in een plaats daarvoor voorbehouden, terwijl  in het westende biechteling geknield zit. In de orthodoxe ker blijven biechteling en priester rechtopstaan ( alhoewel het ook zittend kan gebeuren). De biechteling staat voor een verhoogde standaard bedekt met een doek, vergelijkbaar met deze welke gebruikt wordt om de ikonen op te leggen en op dewelke zich een kruis en een ikoon van Christus bevindt, of een evangelieboek. De priester staat een weinig aan de zijde ervan, en deze houding duidt, duidelijker dan in het westen, aan dat het God is die oordeelt, en dat de priester slechts een getuige is. Dit wordt nog meer onderlijnd door wat de priester zegt voor het aanhoren van de belijdenis : ‘ Mijn kind, Christus is onzichtbaar aanwezig om uw belijdenis te ontvangen. Heb geen schaamte, vrees niet en verberg niets. Maar zegt alles zonder terughoudendheid wat gij misdaan hebt, om de vergeving van onze Heer Jezus Christus te ontvangen. Kijk naar Zijn ikoon voor u, ik ben slechts een getuige om getuigenis af te leggen voor Hem over alles wat je mij zult toevertrouwen. Indien je een of ander voor mij verbergt verdubbel je je zonden. Heb moed, Jij bent gekomen tot de geneesheer. Waak er u voor ongenezen terug te keren’ (20).

 

            Daarna ondervraagt de priester de penitent en geeft hem raad. De penitent knielt of buigt het hoofd waarop de priester zijn stola legt, en, het hand ondersteunend geeft hij de vergeving. De formules die hiervoor gebruikt worden zijn verschillend : in de griekse tekst, in de derde persoon ( God vergeeft U), in de slavische tekst in de eerste persoon (Ik vergeef U). Ziehier de griekse tekst :

 

            ‘Alles wat jij aan mijn nederige persoon hebt toevertrouwd, of alles  wat gij verzuimt hebt  te zeggen, door onwetendheid of vergetelheid, wat het ook is, dat God U vergeve in deze wereld en in de andere..Heb geen angst meer, ga in vrede’.

 

En de tekst van de slavische formule :

 

          &nbs
p;
‘Dat onze Heer en God, Jezus Christus, door de genade en de overvloed van Zijn liefde voor de mensen, U alle overtredingen moge vergeven, mijn kind. En ik, onwaardige priester, vergeef je, door de kracht die mij gegeven is door Hem, en onthef je van al uw zonden’

 

            Deze formule in de eerste persoon is onder latijnse invloed ingevoerd door Pierre de Moghila in  Oekraine, en door de russische Kerk aangenomen in de XVIIIe eeuw.

 

             De priester kan, als hij het nuttig vindt een penitentie opleggen (epitimia), maar dit  is niet essentieel voor het sacrament, en het is iets wat zelden voorkomt. Het is de gewoonte van de orthodoxen om  zich toe te vertrouwen aan een ‘geestelijke vader’, dit is niet noodzakelijk de priester van hun parochie (21). Wat betreft de frequentie van de biecht bestaan er ook geen regels, dit wordt overgelaten aan  de discretie van de geestelijke vader.

(20)  Een aansporing die men vindt in de slavische boeken, maar niet in de griekse.

(21)  De orthodoxe Kerk heeft ook leken als geestelijke leiders, zij kunnen de biecht aanhoren, raad geven, de penitent van Gods vergeving verzekeren, maar zij kunnen de sacramentele absolutie niet geven. Daarvoor zendt hij hem naar een priester.  

.In het geval van minder frequente communies, moet de gelovige biechten voor te communiceren, maar in het geval van frequente communies moet de gelovige niet telkens voor de communie biechten.

(wordt vervolgd) 

 

 






 



 

 Over de sacramenten

ORTHODOX RITUEEL       DE SACRAMENTEN

                                   

                             Uit het boek :  l’orthodoxie       Metropoliet Kallistois (Ware)

Vrij vertaald door Kris Biesbroeck

 

 

‘Hij die zichtbaar onze verlosser was, is nu tegenwoordig in de sacramenten’

 

Heilige Leo de Grote

 

 

DEEL 1

 

 

             De sacramenten bekleden een speciale p
laats in de christelijke eredienst. De Grieken noemen ze
mysteries : ‘Men noemt het mysterie’, schreef de Heilige Chrysostomos, ‘ omdat datgene wat wij geloven, niet datgene is wat wij zien, maar wij zien iets en geloven iets anders…Wanneer ik hoor spreken over het lichaam van Christus, dan begrijp ik dit in een bepaalde betekenis, en de ongelovige zal dit in een andere betekenis zien’(1). Deze dualiteit van wat zichtbaar en onzichtbaar is in elk sacrament is het karakteristieke  onderscheid . Het is juist  zoals de Kerk, zowel zichtbaar als onzichtbaar. Er is in elk sacrament een uiterlijk teken en een geestelijke genade.De christen is bij zijn  doopsel ondergedompeld in het water, dat hem heeft gereinigd, en hij is tegelijkertijd gezuiverd van zijn zonden. In de eucharistie ontvangt hij datgene wat uiterlijk brood en wijn lijkt, maar in werkelijkheid het lichaam van Christus is.

 

De Kerk neemt voor het merendeel van de sacramenten materiele elementen – water, wijn,olie – wat in feite voertuigen zijn van de Heilige Geest. En in deze zin is het zoals  de incarnatie, wanneer Christus het materiele vlees heeft aangenomen dat het voertuig van de Heilige Geest werd. In deze zin is het ook een anticipatie met de apocatastase, of de uiteindelijke verlossing van de materie op de laatste dag.

De orthodoxe Kerk telt 7 sacramenten. Fundamenteel zijn het dezelfde als in de rooms-katholieke Kerk.

I  . Doopsel

II   Mironzalving

III  Eucharistie.

IV  Berouw of biecht

V   Handoplegging ( bij wijdingen)

VI  Huwelijk

VII Ziekenzalving.

 

Deze lijst was pas bij het begin van de XVII, onder latijnse invloed, definitief. De orthodoxe auteurs van vroegere tijden, verschilden aanzienlijk wat hun aantal betrof : Johannes van Damascus noemt er twee, Denys de Areopagiet noemt er zes, Josaph, metropoliet van Efese (XVe eeuw ) noemt er tien ; sommige byzantijnse theologen zijn akkoord met het nummer zeven, maar niet altijd voor wat betreft de keuze van de sacramenten. Tot vandaag heeft het getal zeven geen absolute dogmatische betekenis in de orthodoxe theologie. Het wordt meestal gebruikt voor het gemak in het onderricht en de catechese. Zij die denken in termen van ‘zeven sacramenten’ moeten voorzichtig zijn  en misverstanden proberen te vermijden welke dit kan meebrengen :


(1)Homélies sur I Cor., VII,1 (P.G.,LX,55)

 


                                                            

 

Ten eerste, alhoewel alle sacramenten  echt zijn, toch hebben ze niet allemaal dezelfde orde van belangrijkheid,  er is een zekere hiërarchie tussen de sacramenten. De eucharistie, bijvoorbeeld, is het hart van de christelijke beleving, van een ander orde is de ziekenzalving. Onder de zeven sacramenten, heeft het doopsel en de eucharistie een bijzondere plaats, om een uitdrukking te gebruiken die aangenomen is door het Comitee van roemeense en anglikaanse theologen te Boekarest in 1935. Deze twee sacramenten  hebben ‘een voorrangspositie onder de goddelijke mysteries’.

 

Ten tweede, Wanneer men spreekt over de zeven sacramenten, dan mag men ze nooit scheiden van andere handelingen die ook een sacramenteel karakter hebben en die sacramentaliën worden genoemd, zoals bijvoorbeeld het ontvangen van het monastieke habijt, de zegening van het water op Epiphanie, de uitvaartliturgie, en de zalving van een monarch. In al deze handelingen is er steeds tegelijk een zichtbaar teken en een onzichtbare genade. De orthodoxe Kerk gebruikt ook een hele reeks geringere zegeningen, die ook van sacramentele aard zijn : zegening van het koren, wijn, olie, fruit, zegening van de velden en huizen, van verschillende objecten. Deze diensten hebben dikwijls een meer prozaisch en realistisch doel, want er zijn gebeden voor het zegenen van voertuigen en van treinen en zelfs  bvoor het uitroeien van ongedierte  (2). Er bestaat geen strenge limiet tussen de essentiële en minder essentiële  sacramenten : het christelijk leven moet in zijn geheel bekeken worden, als één groot mysterie of één groot sacrament waarvan de verschillende aspecten zich uitdrukken in een grote variëteit van vormen en wijzen, de ene één maal in gans het leven, een ander misschien dagelijks.

 

De sacramenten zijn persoonlijk : het is door hen dat Gods genade zich individueel openbaart aan elke christen; en om die reden noemt de orthodoxe Kerk bij de meeste sacramenten de gelovige bij zijn naam. Op het moment van de Heilige Communie zegt de priester :’ De dienaar Gods N.ontvangt het kostbare en heilige lichaam en bloed van God Pnze Heer.’ En bij de ziekenzalving : ‘ Heilige Vader….genees uw dienaar N. van de kwalen  die zijn ziel en lichaam overkomen’

 

DOOPSEL(3)

 

In de orthodoxe Kerk van vandaag, zijn  zoals in de Kerken van de eerste eeuwen, de drie Christelijke initiatiesacramenten , doopsel, vormsel (myronzalving), eerste communie, nauw met mekaar verbonden. Een orthodox, die lid wordt van Christus ontvangt tegelijk alle privileges.  De kinderen worden niet alleen op zeer jonge leeftijd gedoopt, maar eveneens gevormd en ontvangen ook de heilige communie. ‘Laat de kinderen geworden en verhindert ze niet tot Mij te komen, want voor zodanigen is het koninkrijk der hemelen’ (Matt.,XIX,14).

Er zijn twee essentiële elementen in de doop : de aanroeping van de Drieeenheid, en de drievoudige onderdompeling..


(2) ‘De oosterse volksreligie in Europa is liturgisch en ritueel, maar niet geheel losgemaakt van deze wereld.. Een religie die voortdoet met vervloekingen uit te spreken over rupsen of om dode ratten uit de bodem van een put te halen, kan bezwaarlijk voorwenden om zuiver mystiek te zijn’ (The Byzantine Patriarchate, 1e edit.,p198)

(3) In deze paragraaf, zoals ook in de volgende, zijn de sacramenten beschreven volgens de actuele byzantijnse ritus, maar we mogen  de andere vormen van westers orthodoxe riten niet vergeten. (Er bestaan in het westen  o.a. kerken , waar orthodoxen de mis opdragen volgens de westerse ritus – noot van de vertaler)

De priester zegt :’ De dienaar Gods N. is gedoopt in de naam van de Vader, Amen. De Zoon,Amen. En de Heilige Geest, Amen !’  En bij elke vermelding van één van deze namen van de heilige-Drieeenheid, dompelt de priester het lichaam van het kind  volledig onder het water, of ten minste, giet water over zijn lichaam. Indien het kind dat gedoopt moet worden té ziek is om een onderdompeling te ondergaan en het daardoor zelfs zijn leven riskeert, volstaat het om water over zijn voorhoofd uit te gieten ; maar anders is een onderdompeling een noodzaak.

 

De orthodoxie ziet met droefheid hoe het westers christendom afstand heeft genomen van deze primitieve rite van doop door onderdompeling.Ze stelt zich tevreden met een weinig water te gieten over het voorhoofd van de catechumeen. Voor de orthodoxie is de onderdompeling essentieel (uitgezonderd in kritieke omstandigheden), want, zonder onderdompeling is er geen verband tussen het uiterlijk teken en de innerlijke betekenis, en het symbolisch karakter van het sacrament verdwijnt. Het doopsel betekent een mystiek ‘begraven’ worden en een opstanding met Christus. (Rom.,VI,4-5 ; Kolossenzen, II,12) ; en het uiterlijk teken is de onderdompeling gevolgd door het opheffen uit het water van het doopsel. Wij ontvangen in het doopsel de vergeving van al onze zonden, oorspronkelijke en actuele ; ‘ wij bekleden ons met Christus’, wij worden leden van Zijn Lichaam, de Kerk. Als aandenken aan deze dag dragen de orthodoxen  een klein kruisje om de hals.

Het is over het algemeen een priester of een bisschop die doopt, maar het kan ook een diaken zijn, of in sommige gevallen zelfs een leek, maar hij moet christen zijn. De rooms katholieke Kerk staat ook een doopsel toe dat toegediend wordt door iemand die geen christen is. De orthodoxe Kerk erkend dat doopsel niet. De persoon die doopt moet zelf gedoopt zijn.

Metropoliet Kallistos (Ware): Zie, ik maak alles nieuw

 ZIE, IK MAAK ALLES NIEUW’

  –Metropoliet Kallistos (Ware)-

 

 

          Naar aanleiding van het XIIe orthhodox congres van West-Europa

          gehouden te Blankenberge, werd aan Bisschop Kallistos (Ware) gevraagd

          een uiteenzetting te geven over het thema van het congres ‘Zie,ik maak

          alles nieuw’(Apoc.21,5)

 

Bisschop Kallistos,71 jaar oud, is een gerenomeerd theoloog. Hij is hulp-

bisschop van het aartsdiocees van het oecumenisch patriarchaat in Engeland

 Hij  was monnik  in het klooster van de Heilige Johannes de Evangelist op Patmos (Griekenland), en lange tijd hoogleraar patristiek aan de universiteit van Oxford. Hij is de auteur van verschillende werken, waarvan onder andere:Orthodoxie,L’Eglise des sept Conciles (DDB,1968; 2e édition : Cerf / Le Sel de la Terre,2002), Le Royaume intérieur (Cerf / Le Sel de la terre,1993 ; 4e édition : 2004), Tout ce qui vit est saint (Cerf / Le sel de la terre,2003, Aproche de Dieu dans la voie orthodoxe (Cerf / Le Sel de la terre,2004)

 

          (…) Hoe hebben de eerste toehoorders van Christus gereageerd, toen ze Hem voor de eerste maal in het openbaar hoorden preken ? ‘Allen waren verbaasd’ zo staat er bij Marcus,  ‘en zij vroegen zich af : wat kan dat toch zijn ?

Een nieuwe leer met gezag ? (Mc.1,27). Op deze wijze reageerden de eerste toehoorders  van onze Heer. Zij waren getroffen door het ‘nieuwe’ van Zijn boodschap : ‘Wij hebben nooit zoiets gezien !’ (Mc,2,12). Jezus zelf verwees naar zijn lering, toen hij sprak over een ‘nieuwe wijn’ die moet gegoten worden in ‘nieuwe zakken’ (Mc.2,22). : ‘Een nieuw gebod geef ik u : Bemint elkander’

(Joh,13,34). En wanneer Hij de Eucharistie instelde, maakt Hij ons duidelijk wat dat nieuwe inhoudt : ‘Deze kelk is het nieuwe Verbond, in mijn bloed’ (1 Kor.11,25).

 

Zo is dit ‘nieuwe’ een bepalend element van de Blijde Boodschap dat Jezus Christus aan de mensheid heeft gegeven gedurende zijn aards leven. Vandaag de dag komt het Christendom bij ons over als iets waarmee we al te vertrouwd zijn. Velen hebben een nogal vijandige houding tegenover de Kerk aangenomen. Welnu, dit toont ons aan  hoezeer we verwijderd zijn geraakt van de Geest van de apostolische Kerk.

 

DE DOORBRAAK VAN DE KOMENDE TIJD IN DE HUIDIGE

 

 

Er zijn nochtans verschillende  wijzen van ‘nieuw zijn’. Door ‘nieuw’ kan men in eerste instantie een onverwacht iets,  iets aangrijpends of iets dat on -conventioneel is verstaan; het kan iets ziin wat wij voor de eerste maal horen of zien, of iets waaraan wij voorheen nog niet gedacht hadden. Maar in al  deze gevallen, is het ‘nieuwe’ niet noodzakelijk iets dat totaal verschillend is van datgene wat voorheen bestond : het kan eenvoudigweg een geevolueerd iets zijn, iets wat in het verlengde ligt van datgene wat wij reeds tevoren hebben gedaan of reeds wisten. ‘Het nieuwe’ waarover wij het hebben , betekent een radicale doorbraak . Een radicaal totstandkomen van een realiteit die totaal verschillend is met wat voorheen was, een revolutie, een totale breuk met het verleden.

 

Het is in deze tweede betekenis dat de prediking van Jezus en Zijn aardse leven ‘nieuw’ zijn..Het is juist  door de  menswording van de tweede persoon van de Heilige Drieeenheid   dat het ‘nieuwe’ onze verscheurde wereld is binnengetreden, en dit op een radicaal andere wijze dan het voorheen was.

Christus, de mensgeworden God , is diegene die  de ‘totaal Andere is, midden onder ons’, om een uitdrukking van Dietrich Bonhoeffer te gebruiken.

Christus’ aardse leven betekent de doorbraak van de komende wereld in de huidige; het is omdat ze eschatologisch is, dat zij ‘nieuw’ is, het is de onthulling van  het einde, de openbaring van de eeuwigheid in de schoot van  de tijd zelf,van het oneindige in de ruimte.zoals er een lange voorbereidingstijd is geweest voor de komst van Christus, zowel in het Oude Testament als in de Griekse filosofie, zo betekent de menswording zelf een totaal nieuw begin, een breuk in de continuïteit. Volgens een preek over Kerstmis, toegeschreven aan de Heilige Basilius, is de menswording van onze Heer ‘ de geboortedag van het menselijk geslacht’, en wij kunnen er aan toevoegen dat het de dag is van de geboorte van de wereld in haar geheel.

 

In dit perspectief, moeten we aandachtig de woorden van Christus in herinnering brengen, die het thema vormen  van dit congres ‘Zie, ik maak alle dingen nieuw’ (Apoc.21,5). Hij zegt niet : ‘ Ik maak totaal nieuwe dingen’ maar wel :’ Ik sta toe dat alle bestaande dingen op een ‘nieuwe’ manier zouden bestaan’. Het ‘nieuwe’ dat de geïncarneerde Heer ons brengt bestaat er niet in, dat er een totaal nieuwe orde van voorwerpen en personen in het bestaan worden geroepen. Neen, het ‘nieuwe’ bestaat erin dat de personen en de voorwerpen die reeds bestaan, tot een nieuw niveau van bestaan worden verheven, omgevormd (getransformeerd) en vervuld van de glorie van de komende tijd, die reeds aanwezig is. Het ‘nieuwe’ dat Christus heeft gebracht betekent geen totale breuk met alles wat voorheen bestond; het betekent veeleer dat alle dingen in Christus

in het licht van het laatste einde, veel helderder, doorschijnender zijn geworden.

 

EEN NIEUWE SCHEPPING, GETRANSFIGUREERD, VERGODDELIJKT.

 

Om dit te illustreren, kunnen we verwijzen naar de gedaanteverandering van Christus op de Berg Tabor. Het gaat hier zeker over een ‘nieuwe’ gebeurtenis, want het gaat hier over het binnentreden in de glorie van de Parousie, het goddelijk licht van de komende tijd, ‘t is te zeggen :  een verschillend niveau van realiteit. Maar de leerlingen werden niet opgenomen van de aarde om naar een andere wereld te worden gebracht. Zij bleven waar zij stonden, rond hen waren nog dezelfde rotsen, dezelfde planten; en Christus, alhoewel stralend van glorie, droeg nog altijd dezelfde kleren. Het mysterie van de Transfiguratie betekent niet dat al deze dingen zouden verdwijnen, maar dat ze omgevormd, getransformeerd zouden worden. Het menselijk lichaam van Christus heeft niet opgehouden tot dezelfde wereld te behoren waartoe het altijd heeft behoort, maar de schittering van de eeuwigheid straalde van zijn lichaam uit en het doorstraalde Hem. De rotsen en de planten blijven op de plaats waar ze altijd hebben gestaan, alhoewel ze door het ongeschapen licht, dat geen schemering kent werden verlicht . Niets is afgeschaft, weggenomen, maar alles is vergoddelijkt. Dus datgene wat zich heeft geopenbaard onder onze ogen bij de transfiguratie zijn geen ‘totaal nieuwe dingen’, maar juist ‘alle dingen nieuw gemaakt’.

 

Eenzelfde betekenis moet toegekend worden aan de uitdrukking van St.Paulus :

‘een nieuwe schepping’, ‘een nieuw schepsel’,’Als iemand in Christus is, is zij of hij een nieuwe schepping ; het oude is voorbij, zie, het nieuwe is daar’ (2 Kor.5,17 ; cf. Gal.6,15. (….)

 

‘EN ZIE, DOOR HET KRUIS IS DE VREUGDE IN DE WERELD GEKOMEN’

 

Eén van de karakteristieke kenmerken van dit radicale ‘nieuwe’ dat Christus ons brengt is het element ‘vreugde’. Vader Alexander Schmemann heeft op welsprekende wijze geschreven over het belang van de vreugde ; alhoewel hij het woord ‘nieuw’ niet gebruikt in het stukje dat ik ga citeren, toch heeft het er alles mee te maken. :’Vanaf het ontstaan is het Christendom de uitdrager van de vreugde geweest.(…)Indien dit niet zo is, dan is het christendoim onbegrijpelijk geworden, van zijn fundamentele opdracht afgedwaald.

Alleen als vreugde heeft het Christendom kunnen triomferen in de wereld, het heeft de wereld verloren als het de vreugde heeft verloren, wanneer het opgehouden heeft getuige te zijn(…).’Zie, ik verkondig u een grote vreugde’, zo begint het Evangelie ; en zie hoe het eindigt :’Zij aanbaden Hem, en keerden met grote blijdschap naar Jeruzalem terug’ (Luc.2,10 ; 24,52).

 

In herinnering brengend, alles  wat Vader Alexander Schmemann ons zegt over deze grote vreugde, moeten wij er toch nog dit aan toevoegen : Tot aan de tweede komst , gaat de vreugde die de mensgeworden Heer ons heeft gebracht gepaard met het dragen van het kruis. Het is niet zonder reden dat wij bij de doop een kruisje rond de hals hebben ontvangen, het is ook niet zonder reden dat gedurende een huwelijksviering  een kroon wordt geplaatst boven de hoofden van de echtelingen, het is niet alleen een teken van overwinning, maar ook van het martelaarschap. Zoals we het elke week zingen in de metten van de zondag :

‘Want zie, door het kruis is de vreugde in de wereld gekomen’. Door het kruis : er is geen andere weg.

 

DE VERRIJZENIS ALS NIEUW GEBEUREN

 

Door het feit, dat wij de term ‘nieuw’ verstaan in zijn diepere en wijdere betekenis, als de doorbraak van de komende eeuw in het heden, laat ons toe te zeggen ,dat de ‘nieuwe’ gebeurtenis bij uitstek, de gebeurtenis die boven alles en onvergelijkbaar nieuw is, de Verrijzenis van Christus is, ‘re-surgie’ uit het graf de derde dag. In de tijd had de  Verrijzenis plaats op de eerste dag van de week ; maar van zodra men het ging beschouwen vanuit een eschatologisch persectief, heeft men zich gerealiseerd dat zij plaatsvond op de achtste dag, de ‘nieuwe’ dag van de komende tijd, wanneer de tijd wordt getransfigureerd door de eeuwigheid.

 

Het ‘nieuwe’ van de Verrijzenis is eveneens sterk onderlijnd door Vader Dumitu Staniloaë, Roemeens theoloog en doctor in de theologie .(….) Volgens Vader Dumitru, is de verrijzenis van Christus absoluut nieuw, want zij betekent  een fundamentele verandering in de oriëntering van de tijd en de geschiedenis. De tijd, die zich richt naar de dood toe, is een tijd op-weg-naar het eeuwige leven toe, naar het Einde, Naar de toelomstige Tijd.En daar de verrijzenis de onthulling van het Eschaton inhoudt, kunnen wij zeggen dat de tijd en de geschiedenis, in plaats van een beweging te zijn van het verleden naar het heden, een beweging is geworden vanuit het toekomstige naar het heden : De geschiedenis komt tot ons vanuit de toekomst, vanuit de laatste dag, vanuit de uiteindelijke verrijzenis, waneer alle dingen nieuwgemaakt zullen zijn.(….)

 

OFFEREN WIJ HET UWE, GENOMEN UIT HET UWE

 

Hoe moeten wij nu binnentreden in dit ‘nieuwe’van de Verrijzenis en hoe kunnen wij het delen met anderen ? Wij kunnen een antwoord vinden, denk ik, in de woorden van de celebrant tijdens de goddelijke liturgie, juist voor de aanroeping van de H Geest over de goddelijke gaven : ‘Offeren wij het Uwe, genomen uit het uwe, namens allen en voor alles’.

 

 

Er zijn verschillende manieren om het menselijk dier te definiëren (…) Maar wij naderen zeker dichter tot de kern van de zaak indien wij de mens zouden bepalen als een eucharistisch dier, een dier wiens verheven opdracht erin bestaat te handelen als priester van de schepping en aan God de wereld als genadegave te offeren. Dit moet de eerste betekenis zijn van wat menselijk-zijn inhoudt : het is niet de ‘denkende’ mens, maar de ‘offerende’ mens, hij die offert. Het is door de offergave, door het dankgebed, door de doxologie, door aan God eer te bewijzen, dat wij onze werkelijke identiteit zullen vinden.

 

Dat is onze voornaamste taak als menselijke wezens, geschapen naar het beeld en de gelijkenis met God : De wereld omvormen in een ‘eucharistische offerande’. Ik ontleen deze laatste uitdrukking aan de Kerstboodschap van de Oecumenische Patriarch Dimitrios Ie, in 1989 : Wij moeten ons allen, binnen onze eigen situatie, persoonlijk verantwoordelijk  voelen voor de wereld die God ons in onze eigen handen heeft toevertrouwd,Niets van wat de Zoon van God op zich heeft genomen , en niets van wat hij met zijn eigen lichaam heeft gedaan mag verloren gaan, maar het moet een eucharistische offerande worden voor de Schepper, brood van leven, gedeeld met de anderen in rechtvaardigheid en liefde.Een lofzang voor alle schepselen van God.

 

‘ DE LIEFDE IS HET HART VAN DE MENS ALS MYSTERIE, GESCHAPEN NAAR HET BEELD VAN GOD EN ZIJN GELIJKENIS’

 

Nochtans, indien wij de wereld werkelijk willen veranderen in de eucharistische offerande, dan zijn er twe dingen noodzakelijk : het offer en de liefde. Vooreerst, er kan geen authentieke offerande zijn, zonder offer en zonder sterven aan zichzelf, zonder een kenotische geest en zonder ascese (hier moeten wij het asetisme in zijn ruimste betekenis zien). Zoals David, de koning van Israël  het zegt  :  ‘Ik wil aan mijn God geen offer opdragen, die mij niets kosten’ (2 Sam.24,24). (….)

 

Van de andere kant, en dit is wellicht nog het belangrijkste, er kan geen authentische offerande zijn zonder liefde. Zonder een werkelijke liefde voor God en voor de anderen, kunnen wij nooit de wereld omvormen tot een eucharistisch offer. Zoals Paul Evdokimov het heeft beschreven, de Philocalie

citerend :  het belangrijkste dat zich kan voordoen tussen God en de mens, en ook tussen een menselike persoon en een ander, is het feit te beminnen en bemind te worden.De liefde is in  het hart van het goddelijk mysterie van de Heilige Drieeenheid . Het is de liefde ook die in het hart is van het mysterie dat de mens is, geschapen naar het beeld en de gelijkenis met God.

 

Bij het begin van de moderne tijd nam René Descartes als uitgangspunt van zijn denken het Cogito ergo sum, ‘ Ik denk, dus ben ik’. Maar het feit van te kunnen denken, van argumenten te kunnen aanhalen en conclusies te kunnen trekken door gebruik te kunnen maken van ons verstand, van onze hersenen, is niet onze enige taak, zelf niet de belangrijkste voor ons als menselijke wezens. Hij zou beter gezegd hebben : Amo, ergo sum, ‘ik bemin, dus ben ik’, of hij kon het beter nog in de passieve zin uitdrukken : Amor, ergo sum, ‘Ik word bemind, dus ben ik’. Of zoals Vader Dumitru Staniloaë het heeft uitgedrukt : ‘In de mate dat ik niet bemind word door de anderen, blijf ik ook onverstaanbaar, onkenbaar voor mijzelf.

 

WIJ KUNNEN NIET REDDEN WAT WE NIET LIEFHEBBEN

 

In werkelijkheid is de liefde het enige ware antwoord op de hedendaagse ecologische crisis. Ik herinner mij, toen ik in de jaren 60 diaken was in het monasterie van de Heilige Johannes op Patmos, dat onze geronta, Vader Amphilochios, ons altijd zei : ‘ Weten jullie dat God ons een bijkomende gebod heeft gegeven dat wij niet in de Heilige Schrift terugvinden ? Het is het gebod om de bomen lief te hebben.’. Hij die de bomen niet liefheeft, geloofde hij, heeft Christus niet lief. ‘Wanneer jij een boom plant, zei hij ons, dan plant je hoop, dan plant je vrede, dan plant je liefde, en je zult de zegen van God ontvangen’ (….) Heeft hij hier geen gelijk als hij de noodzaak van de liefde beklemtoondt ?

Het is zeker de liefde, en zij alleen, die ons zal toelaten onze problemen op te lossen met betrekking tot onze leefwereld.. Wij kunnen niet redden wat we niet liefhebben.

 

Dit is dus de beste manier waarop we de grote vreugde kunnen beleven waarvan Vader Alexander Schmemann sprak ;  Het is de beste manier waarop we de ervaring van het ‘escatologische’ nieuwe  van de Verrijzenis van Christus kunnen beleven. ‘Offeren wij u het uwe, genomen uit het uwe, namens alles en voor alles’.Laten wij door onze vurige offergave en onze offerende liefde, de wereld, die Hij ons gegeven heeft, aan God aanbieden ; en dat wij met de wereld ook onszelf offeren. Dan pas zullen wij in staat zijn om te beamen wat de Redder wilde zeggen met deze woorden : ‘Zie, ik maak alle dingen nieuw’. Zo verstaan we ook het geheim van de ‘nieuwe hemel’ en de ‘nieuwe aarde’.

 

Vertaling : Kris Biesbroeck

Uit ‘SOP’

 Ontwikkeling van de anaphora (euch.gebed) in de byzantijnse liturgie

ONTWIKKELING VAN DE ANAPHORA (EUCHARISTISCH GEBED)

  IN DE OOSTERSE LITURGIE    

 

 1. DE HANDELINGEN VAN JEZUS TIJDENS HET LAATSTE AVONDMAAL.

 
Voor het ontstaan van de liturgie moeten wij teruggaan naar het laatste avondmaal. We vinden de verhalen hierover bij de drie synoptische evangeliën en bij Paulus.Bij Johannes vinden we de instellingsverhalen niet. Als we deze vier verhalen (1.Kor.11,23-33 ; Mark.14,12-25 ; Matt.26,26-29 en Lc.22,15-20) met mekaar vergelijken, dan  valt ons op dat het verhaal bij Marcus en Mattheüs sterk op mekaar gelijken, evenals het verhaal van Paulus en Lucas, alhoewel Lucas zich duidelijk door Marcus heeft laten inspireren. Het verhaal van Paulus is het oudse (de brief zou geschreven zijn rond 55), maar hij verwijst naar een hem overgeleverde traditie die terug zou gaan op Jezus zelf : ‘Want zelf heb ik bij overlevering  van de Here ontvangen, wat ik u weder overgegeven heb…(v23). Het is namelijk zo, dat door de praktijk van de eerste Christenen de gebeurtenissen van de instelling tot ons zijn gekomen. Samengevat komt het hier op neer :  Jezus heeft bij het begin brood in zijn handen genomen ,Hij heft het brood omhoog  , Hij heeft vervolgens een gebed van lofprijzing uitgesproken. . Dan heeft Hij het brood gebroken het aan zijn leerlingen gegeven,

Hij heeft van dat brood verklaard : Dit is mijn Lichaam (Paulus voegt hier nog aan toe :’ voor u, doet dit tot mijn gedachtenis‘, en Lucas : ‘dat voor u gegeven wordt’). Dan had de  eigenlijke maaltijd plaats.Pas op het einde van de maaltijd volgde  het eucharistisch handelen met de wijn gemengd met water.In de versie van Lucas luidt dit :’Evenzo, de beker, na de maaltijd, zeggende : deze beker is  het nieuwe verbond in mijn bloed, die voor u uitgegoten wordt’ (Lc.v 30) Ook bij Paulus vinden wij deze toevoeging.. Bij  Mattheüs en Paulus vinden wij de constructie  enigszins anders : ‘”Dit is het bloed van mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden’(Matt.28b-29a). Bij Paulus is het ongeveer dezelfde constructie., maar voegt eraan toe :’ doet dit, zo dikwijls gij die drinkt tot mijn gedachtenis’(1 Kor..11,26). Het verbond waarvan sprake verwijst naar het verbond dat God sloot met Mozes : ‘Zie, het bloed van het verbond dat de Here met u sluit, op grond van al deze woorden’ (Exodus, 24, 8). Een verwijzing  naar het nieuwe verbond vinden we  bij Jeremias : ‘Zie de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal..’(Jeremias, 31,31).

 

Uit bovenstaande kunnen we besluiten dat de instelling van de eucharistie plaatsvond tijdens een ‘maaltijd’. Vervolgens is hier reeds een eerste structuur merkbaar van een liturgie : brood nemen, dankgebed uitspreken, brood breken en uitdelen,   Hetzelfde met de beker. Ook inhoudelijk heeft jezus een belangrijk nieuw element aan toegevoegd : het brood en de wijn, worden tot lichaam en bloed van Hemzelf. Vervolgens de verwijzing naar het nieuwe verbond : het oude neemt hier een einde. Jezus sluit een nieuw verbond, dat reeds in het oude testament werd aangekondigd. Jezus is de vervulling van het oude verbond. En tenslotte : het is een gedachtenisviering , niet in de zin dat Zijn woorden louter symbolisch moeten worden opgevat, maar wel , dat telkens wanneer wij hetzelfde doen als Hij, Hijzelf zichzelf opnieuw tegenwoordig stelt.

 

2. DE JOODSE ACHTERGROND VAN DE EUCHARISTIE


Het ontstaan van de eucharistie  moet begrepen worden vanuit de praktijk van de Joodse religieuze maaltijden.. Jezus heeft de eucharistie ingesteld in het kader van het Joodse Paasmaal. In feite is het hier van minder belang, of dit was in het kader van een Paasmaal, dan wel gedurende een gewoon vriendenmaal ‘Het Joodse paasmaal is immers ritueel gezien een plechtiger vorm van een religieuze vriendenmaaltijd’ (A.Verheul : Grondstructuren van de eucharistie,Emmaüs, Brugge 1974).

.Om dergelijke maaltijden beter te begrijpen , moeten wij eerst iets zeggen over de ‘Beracha’ of zegenspreuken.

 
De ‘Beracha’ is de meest volmaakte gebedsvorm in de Joodse traditie. In de Beracha staat de Heer centraal. Hij wordt erkend in zijn liefdevol handelen. In de zegenspreuken wordt de Heer met name om drie dingen, die voor Hem het meest wezenlijk zijn geprezen.

In de eerste plaats wordt de Heer erkend als Schepper. Hij is de eigenaar, de koning en de schenker van alle dingen. Om al Zijn scheppingsgaven wordt Hij geloofd. Vervolgens wordt Hij geloofd, omdat Hij zich aan zijn volk geopenbaard heeft. Tenslotte wordt de Heer geprezen om Zijn belofte van de uiteindelijke Verlossing.

De ‘Beracha’ of zegenspreuk stelt de biddende gelovige in staat om ruimte te geven aan zijn gevoelens van verwondering en bewondering. Hij eert God om de wonderen die Hij verricht. Het handelen van de Heer boezemt de gelovige ontzag in. De aanspreekvorm in de ‘ Beracha’ is deels in de tweede persoon –‘Geprezen zijt Gij’ – deels in de derde persoon ‘(Hij) die ons ‘gesteld’ heeft…

 
Hoe verliep zo’n religeuze maaltijd ?

We baseren ons hiervoor op het boekje van A.Verheul, boven geciteerd.

 

Kort samengevat kunnen we zo’n maaltijd schematisch als volgt samenvatten :

Bij het begin van de maaltijd staat de voorzitter op ( men lag aan tafel) .

1.       Na een rituele handwassing drinkt iedereen uit de drinkbeker          Ieder spreekt voor zich een zegengebed uit (Beracha)

2.       Begin maaltijd :  De voorzitter staat op (men lag aan tafel.)          Hij spreekt een zegengebed tot Jahweh :’ Gezegend zijt Gij, heer onze God, koning van het heelal, die de aarde het brood doet voortbrengen ‘. Allen antwoorden : ‘Amen‘. Hij brak het brood en gaf ieder van de mede aanliggenden een stuk dat zij nuttigden.

3.       Eigenlijke maaltijd – naar einde toe opnieuw zegengebed –           tweede rituele handwassing

4.       Wijnbeker wordt aan de tafelvoorzitter gebracht, samen met  Water. Wijn wordt gemengd met water .

5.      Tafelvoorzitter vraagt toestemming aan mede-aanligge om Het zegengebed uit te spreken (Birkat-ha-zimmoen)  :          Bij drie gasten zei hij : ‘laat ons lofprijzen’          Bij vier :’ ‘zegent’          Bij tien en meer : ‘Laat ons de Heer onze God lofprijzen’           Bij honderd en meer : ‘Laat ons de Heer onze God lof-prijzen.

6.       Mede-aanzittenden geven hun toestemming met een lofspreuk :

7.       Opheffen van de drinkbeker en uitspreken van het grot
e 
 Zegengebed of Birkat-ha-mazon.

8.       Nadat hij het zegengebed had uitgesproken, liet hij ‘de beker der Zegeningen’ onder de medeaanliggenden rondgaan.

 
Staan we nog even stil bij de ritus met de beker (punt 7). De rite bestond hieruit, dat de tafelvoorzitter de beker een beetje hoog voor zich hield en na het gebed haar liet rondgaan en dat men daaruit dronk. Let er op, dat elke strofe eindigt met een korte zegenformule ‘Gezegend zijt gij Heer die…’ die het thema nog eens aangeeft. Er is dus sprake van een keten van Berachot (= meervoud van ‘Beracha’; ‘Beracha’ wordt in woordconstructies ‘birkat’.)Volgen we nu even de ritus van het grote zegengebed :

Inleidende dialoog : (V = Tafelvoorzitter ; A = antwoord van de mede-aanliggenden).

V : Laat ons de Heer, onze God lofprijzen. A.Gezegend zij de Naam van de Heer nu en altijd.

V. Met uw instemming zullen wij Hem zegenen, die ons in Zijn goederen heeft doen delen.

A.Gezegend zij Hij van Wiens gaven we hebben gegeten. Door zijn goedheid

Leven wij.

Dan volgt het uitspreken van de Birkat-ha-mazon ( bestaat uit drie afzonderlijke zegengebeden) :


Birkat-ha-zan
: Gezegend zijt Gij, Heer onze God, Koning van het heelal, die heel de wereld voedt met uw goedheid, uw mildheid en uw barmhartigheid. Gij geeft aan alle vlees zijn voedsel, want Gij voedt en houdt in leven iedereen. Al wat Gij, Heer, geschapen hebt geeft Gij te eten. Gezegend zijt Gij, Heer, die aan allen hun voedsel schenkt.

 
Birkat-ha-aretz : Wij zeggen U dank, Heer onze God, voor het goede en uitgestrekte begerenswaardige land, waarnaar uw liefde is uitgegaan en dat Gij aan onze vaderen als erfenis hebt geschonken. Wij zeggen U dank voor uw verbond dat Gij in ons vlees hebt bevestigd, voor de Wet, die Gij ons gegeven hebt, voor het leven, de mildheid, de genade en het voedsel dat Gij ons verschaft voortdurend en altijd. Voor al deze weldaden, Heer onze God, zeggen wij U dank en zegenen wij uw Naam. Moge uw Naam voortdurend door ons gezegend worden. Gezegend zijt Gij , Heer, voor het land en voor het voedsel.

 
Birkat-Yeroesjalayim : Heb medelijden, Heer onze God, met Israël, uw volk, Jeruzalem, uw stad, met Sion, het verblijf van uw heerlijkheid, met het koninklijk huis van David, uw gezalfde, het grote en heilig huis waarover Uw Naam is aangeroepen. God, onze Vader en onze koning, voed ons en houd ons in leven, verschaf ons spoedig hulp in onze tegenslagen. Laat ons niet afhankelijk zijn van de gaven der mensen want hun gaven zijn gering en hun beledigingen zonder maat. Moge uw heilige en vreeswekkende Naam voor ons een borg zijn. Dat Elia en ook de Messias, de zoon van David, nog komen tijdens ons leven. Moge het koninklijk huis van David, uw gezalfde, weer terugkomen en over ons heersen want Gij zijt de Enige, die ons redt ter wille van uw Naam. Doe ons weer opgaan naar Jeruzalem, geef ons weer de vreugde om haar, troost ons om Sion, uw stad. Gezegend zijt Gij , Heer, die Jeruzalem weer herbouwt.

 
De Birkat-ha-mazon, de Beracha bij uitstek bij de 3e bekerrite, is de kern, terwijl de brood-beracha aan belangrijkheid verliest.

Omwille van het grote belang van deze Joodse maaltijdriten, is het voor ons ook duidelijk waarom de eerste Christenen zo vaak verwijzen naar gemeenschaps-

maaltijden en dat daar vroeg of laat de idee ‘Maaltijd van de Heer’ werd  aan gekoppeld.In de evangelieën staan veel verhalen van Jezus die de maaltijd neemt met zondaars, tollenaars, farizeeërs, grote massa mensen. Het lijkt wel of de

evangelisten naar DE maaltijd toe werken. Met als hoogtepunt de maaltijd met de voetwassing (Joh.13). Philippus heeft het gezien : ‘Zalig hij die met u aanzit in het Koninkrijk’.

 
De tekst die Jezus zal gebruikt hebben is zeker deze van de Joods-zeligieuze maaltijd . De tekst spreekt voor zich en is in het licht van wat met Jezus aan de hand was ontzettend beladen. Hij voegde er immers aan toe ‘…want dit is mijn Bloed dat voor u wordt uitgegoten’ ter bekrachtiging van het nieuwe verbond. Jezus heeft er dus een andere , ‘nieuwe ‘ betekenis aan gegeven. Marcus en Mattheüs gebruiken voor de broodritus het woord ‘eulogein’ (zegenen) : ‘Gezegend zijt gij, Heer onze God, Koning van het heelal, die de aarde het brood doet voortbrengen’, Amen antwoordden allen. Jezus voegde aan die formule zijn woorden toe : ‘ Dit is mijn lichaam’’. Pas voor de uitgebreidere formule van de bekerrite gebruiken zij ‘eucharist
ein’ (danken). Lucas en paulus (1 Kor.11,23-26) gebruiken ‘eucharistein voor beide riten.  Dit is begrijpelijk : Lucas was geen Jood en Paulus schreef voor christenen uit de ‘heidenen’ voor wie dat onderscheid niet meer van belang was. Het ‘doet dit tot mijn gedachtenis’ staat alleen bij Lucas en Paulus, dus na ‘eucharistein’, dat kennelijk het begripswoord ‘EUCHARISTIE’ is geworden. ‘Eulogein’ komt in latere geschriften niet meer voor !.

 

 

3. VERDERE ONTWIKKELING IN DE VROEGE KERK

 

‘ En allen, die tot het geloof gekomen en bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk ; en telkens waren er die hun bezittingen en have verkochten, en ze uitdeelden aan allen die er behoefte aan hadden ; en voortdurend  waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten, en zij loofden God en stonden in de gunst van het gehele volk. En de Heer voegde dagelijks toe aan de kring, die behouden werden’. (Hand.2,44-47).

 

De praktijk van de maaltijden werden door de eerste christenen in ere gehouden

Er was op dit moment nog geen sprake  van een afzonderlijke  rite, los van een maaltijd..

De ons als oudste bewaarde tekst komt uit de ‘Didachè’, een ‘onderricht van de apostelen’. Dit gebed erin is nog een maaltijdgebed te noemen. Vermoedelijk te Antiochië ontstaan in ca 100 na X. De joodse drieledige beracha is herkenbaar :

‘ Inzake de eucharistie dankt als volgt :

 

eerst omtrent de beker :

 

1 ‘Onze Vader, wij danken U

voor de heilige wijnstok van David, Uw dienaar,

die ons door Uw dienaar Jezus hebt geopenbaard..

Aan u de eer in de eeuwen’

 

2.Vervolgens met betrekking tot het gebroken brood :

‘Onze Vader, wij danken U

voor het leven en voor het inzicht,

dat U ons door Jezus, Uw dienaar, hebt geopenbaard.

U zij lof in eeuwigheid !.

 

3.Zoals dit gebroken brood op de bergen verstrooid  was

En bijeengebracht  één  werd,

Laat zo uw Kerk van de uiteinden der aarde

In Uw Rijk bijeengebracht worden,

Want aan U is de heerlijkheid

en de macht door Jezus Christus in eeuwigheid

 

4.Niemand ete en drinken van uw eucharistie buiten diegenen die In de naam van de Heer gedoopt zijn. Want hierover heeft de Heer gezegd : ‘ Geeft het heilige niet aan de honden’ (Matt.7,6).

 

5. Nadat Gij u verzadigd hebt, dankt aldus :

Heilige Vader, wij danken U voor Uw heilige Naam

Waaraan U een woonplaats in onze harten hebt bereid,

En voor de kennis, het geloof en de onsterfelijkheid

Die U ons door Jezus, Uw dienaar, hebt geopenbaard.

U zij lof in eeuwigheid !

 

6.Gij, almachtige Heer, hebt alles geschapen

Omwille van Uw Naaam.

Voedsel en drank hebt U de mensen gegeven om te nuttigen,

Opdat zij U danken ;

Maar aan ons hebt U geestelijk voedsel en drank geschonken

En eeuwig leven door Uw dienaar.

Wij danken U voor alles, omdat U machtig zijt.

U zij lof in eeuwigheid.

 

7.Gedenk, Heer, Uw Kerk, haar te verlossen van alle kwaad

En haar in Uw liefde te voltooien,

En brengt haar, de geheiligde, van de vier windstreken

bijeen in Uw Rijk.

 

Dat Gij U Bereid hebt.

Want aan U is de macht en de heerlijkheid in eeuwigheid.

 

8.Dat de genade kome en de wereld verga.

Wie heilig is, kome  nabij ; wie het niet is, moet boete doen.

Heer, kom !

Amen.( genomen uit het boek : ‘De bijbel en het Christendom’ verschill.auteurs

4 delen. Deel 1 pp.64-65) De nummering van de bladz. is van mij.Strofe  1-4 vormt hst. 9/ strofe 5-8 vormt hst.10.

.

 

Commentaar :

 

Vers 1 : ‘eerst omtrent de beker’ : de tekst doelt op de eerste bekerritus. Zie: lc.22,17.

‘Dienaar’ : letterlijk ‘knecht’, kind, hulp, rechterhand

Aan U de eer in de eeuwen : de joodse zegenformule is een ‘eringsformule’(doxologie ) geworden.

 

Vers 2. : vervolgens met betrekking tot het gebroken brood : Verwijst naar de broodrite. Want aan U is de heerlijkheid …: weer een doxologie.

 

Vers 3 : op de bergen :  een mooi woord voor groene heuvels ? een associatie met de Berg van Jezus , van Mozes ?

Bijeengebracht worden : Eenheid was toen al een aandacht-vragend , want wezenlijk element

Door Jezus Christus in eeuwigheid : doxologie door ( en met en in) Hem.

 

Vers 4 : Niemend ete en drinke :  zie Paulus’aanwijzing in Kor.11,17vv : eerbiedig eten ; dit soort maaltijd is niet om je honger te stillen ; het gaat om iets heiligs.

 

Vers 5. : Nadat gij u verzadigd hebt : = na de maaltijd.Een goed moment om te danken. : Danken om Jezus Christus..Om dat dankzegg
en gaat het nu.

U zij lof…: doxologie.

 

Vers 6 : Danking om eten en drinken

Gij hebt alles geschapen : Joods (Gezegend zijt Gij, Heer onze God, koning van het heelal)

U zij lof.. : weer afsluiting met een doxa-woord.

 

Vers 7 : Smeking om de Kerk.

De vier windstreken …: ‘Uit het Oosten breng Ik uw kroost terug en uit het Westen verzamel Ik u. Tegen het Noorden zeg ik : Geef hier ! en tegen het Zuiden : Houd hen niet vast…’Jes.43,5vv.

Want aan U is de macht….. : slotdoxologie.

 

Vers 8. : Uitnodiging tot de communie

Heer kom (Maranatha) : de Heer komt (of : is gekomen).

 

Hier ontbreekt het instellingsverhaal. De apostelen deden wat de Heer deed en dat hebben zij doorgegeven aan hen die volgeling van Jezus wilden zijn. Het instellingsverhaal zal pas later komen, als legitimatie of inspiratie daartoe. Later, toen de maaltijd uitviel, en de eucharistie een aparte dienst ging vormen zijn de verzen 1-4 verdwenen. Maar het ter zake stellen van brood en wijn, evenals het naar voren brengen, aan het begin van de maaltijd is gebleven en heeft die plaats behouden, wat wij anaphora (offerande ), noemen.

 
Geleidelijk aan zal de maaltijd verdwijnen. Vinden wij hier een voorbeeld van in de ‘Traditio apostolica’ van Hippolytus (ca.250 te Rome) ? Hier verschijnen de instellingsverhalen wél.

We geven als voorbeeld de tekst van Hippolytus uit de ‘Traditio apostolica’ (uitg.ed Botte, Münster,1963). De vertaling is van Prof. H.Wegman (+) :

 
‘Wij danken U, God, door uw welbeminde Zoon Jezus Christus, die Gij op het einde der tijden als Redder naar ons hebt gezonden, als Verlosser en Boodschapper van uw wil. Hij is Uw Woord,

onafscheidelijk met U verbonden. Door Hem hebt Gij alles geschapen, in Hem uw welbehagen gesteld. Gij hebt Hem vanuit uw hemel gezonden in de schoot van een Maagd. In haar ontvangen is Hij mens geworden. Hij heeft zich geopenbaard als uw Zoon, geboren uit de Heilige Geest en uit de Maagd.

Hij heeft om Uw Wil te volbrengen en u een heilig volk te bereiden zijn handen uitgestrekt toen Hij leed : om door te lijden allen die in U vertrouwen van het lijden te verlossen.

Toen Hij zich vrijwillig overgaf de lijdensweg te gaan, om de dood te vernietigen, de hel met voeten te treden, de rechtvaardigen te verlichten, de geloofsregel te bevestigen en de opstanding te openbaren, nam Hij brood, sprak de dankzegging en zei : ‘Neemt en eet, dit is mijn lichaam, dat voor u zal worden gebroken’.

Zo ook de kelk en Hij sprak : ‘Dit is Mijn bloed dat voor u gegoten wordt. Als gij dit doet, doet het ter gedachtenis aan Mij’.

(Derhalve) Zijn dood en opstanding gedenkend bieden wij U aan het brood en de beker, terwijl wij U danken dat Gij ons waardig hebt gekeurd voor uw aangezicht te staan en U te dienen.

 
Wij vragen U Uw Heilige Geest te zenden over de gave van de heilige Kerk, in eenheid te verenigen al degenen, die deelnemen aan het heilige (mysterie). Vervul hen met de Heilige Geest ter bevestiging van het geloof en de waarheid, zodat wij U loven en verheerlijken door Uw Zoon Jezus Christus.

 
Door Hem mogen U worden gebracht glorie en eer, Vader, Zoon met de Heilige Geest, in de heilige Kerk, nu en in de eeuwen der eeuwen.

Amen’

 
Hier hebben we dus waarschiinlijk  reeds te maken met een eucharistieviering, die los staat van een maaltijd, met daarin – op het einde- een eerste aanzet van een epiclese.

Ik wil er tenslotte nog op wijzen, dat  Augustinus gewag maakt van zowel een eucharistie mét maaltijd als een eucharistie zonder maaltijd, en dit op witte donderdag:’ De  avonddienst  is toch voor de vasters  zo laat gezet ? Want nu is het overal verschillend, en dat hangt samen met dat al of niet eten en baden, en sommigen zeggen bovendien dat er tenminste één offer na de coena (=avondmaal) gecelebreerd moet worden omdat er geschreven staat  simili modo postquam coenatum est (= zo ook na de maaltijd).Wel, dit laatste argument is onzinnig. En wat de dubbele dienst betreft, ik houd het er voor dat de morgendienst er is voor de niet-vasters die een bad nemen (dus zonder maaltijd – noot van mijzelf), en de avonddienst voor de consequente vasters die wel geen bad nemen doch eerst laat hun coena gebruiken en dan ter kerke gaan. En wat dit laatste punt betreft, dat er bij ons hier dan des avonds en nog wel ontnuchterend wordt gecelebreerd en gecommuniceerd, dat gebeurt alleen op deze dag, en is een historische herinnering, aan het uur en de omstandigheden van het Laatste Avondmaal’Augustinus, uit de brieven aan Januarius.geciteerd in ‘Augustinus de zielzorger – F Van der Meer- deel II, p 22)

(nb.het baden stamt uit de tijd na 313, toen er elk jaar zeer veel dopelingen waren, die zich veertig dagen niet hadden gewast. Maar dan werd er niet gevast.Baden en vasten gingen niet samen.

Dat in de oudste teksten de instellingswoorden niet altijd voorkomen, wil daarom niet zeggen dat het niet gebeurde. Er zijn teksten bekend waarin deze wel vermeld worden :

Zoals bv. Bij Justinus (rond 165) in zijn ‘eerste apologie’ : we citeren : ‘ Na de voorlezing (van de apostelen of de profeten) houdt de voorganger een toespraak….Dan wordt brood, wijn en water gehaald, en de voorganger spreekt met krachtige stem de gebeden en dankzeggingen uit waarmee het volk instemt door met ‘Amen’ te antwoorden.Daarna wordt het geconsacreerde uitgedeeld waarvan iedereen zijn deel krijgt. (geciteerd in Bijbel en Christendom, verschillende auteurs, deel 1, p.62. ) In dezelfde apologie zegt hij nogmaals ongeveer hetzelfde, maar daar is wél sprake van het uidelen van de wijn :’Na de dankzegging….delen de diakens het brood, het water en de wijn uit aan alle aanwezigen en brengen de gave ook naar diegenen die afwezig zijn’( Bijbel en Christendom, op.cit.deel 1, p.67.)

De reden waarom de instellingsverhalen niet altijd voorkwamen is waarschijnlijk omdat het hier gaat om te  ‘doen wat de Heer deed’. Kennelijk was het gemeenschap zijn in Jezus Christus  voldoende basis voor de Eucharistie, zonder consecratiewaarden. De consecratie is anamnese, desnoods

het toppunt ervan, ‘ons’ brood hier en nu verbonden met ‘Zijn  Brood’ toen en

ginds

 
We vinden hier echter nog geen ‘Onze Vader’ :   ‘.Noch bij Justinus (rond 150), noch in de ‘Traditio apostolica’ van Hippolytus (rond 215) vinden we enige vermelding van het Onze Vader tijdens een eucharistieviering. De nuttiging sloot toen nog onmiddellijk bij het eucharistisch gebed aan . Zelfs wanneer wij in de eerste helft van de vierde eeuw, o.a. in de zgn Clementijnse liturgie en het euchologion van Serapion van Thmuïs de tendens gewaarworden om aan de communie enkele voorbereidende gebeden te laten voorafgaan, dan vinden wij daaronder nog  steeds niet het Onze Vader vermeld’ (A.Verheul, op.cit. p. 98-99)

Het is pas in de vierde eeuw dat zowel in Oost als West het  Onze Vader als voorbereidingsgebed op de communie verschijnt.  In het Oosten is er sprake van bij de schrijver van de mystagogische catechesen, bij Cyrillus van Jeruzalem (rond 385) of diens voorganger en in sommige homilieën van Johannes Chrysostomos., bij Gregorius van Nyssa en Faustus van Byzantium In het Westen zijn het vooral Ambrosius en Augustinus en Hiëronomus die er gewag van maken. (A.verheul : op.cit.p99)

 

4. VERDERE ONTWIKKELING VAN DE ANAPHORA IN DE    BYZANTIJNSE LITURGIE

 

 Waar tot nog toe de ontwikkeling voor Oost en West gelijklopend waren, gaan we ons nu vooral toespitsen op de ontwikkeling van de Byzantijnse liturgie.

Er zijn heel veel bronnen te vinden voor de liturgie in het Oosten, indirekte en direkte. We beperken ons tot de direkte bronnen :

Deze direkte bronnen hebben vooral betrekking op de liturgie van Jeruzalem, die van grote invloed is geweest. Jeruzalem en Palestina waren sinds Constantijn de pelgrimsoorden bij uitstek. Daar, in de grote kerken, gebouwd door de keizer en de keizerin, ontplooide zich een plaatselijke liturgie die een grote uitstraling heeft gekend. Een tweede belangrijk centrum was Antiochië.

We steunen ons voor dit onderzoek op het boek : ‘Geschiedenis van de christelijke eredienst in het Westen en in het Oosten, H.A.J Wegman, Gooi en sticht bv, Hilversum,1976.’

 

Direkte bronnen :

‘Itinerarium Aetheriae’
: rond 400- beschrijving van de eredienst te Jeruzalem – geen teksten

Het Armeens lectionarium : over de organisatie van de viering van het kerkelijk jaar – een leesrooster en de keuze van de kerkgebouwen voor de liturgie – alles te Jeruzalem.(420-450).

Het Georgisch lectionarium.

De catechesen van Cyrillus van Jeruzalem.

Constitutiones apostolicae : 5e eeuw – met betrekking tot de kerkorde in Antiochië. Boek VIII : gedetailleerde beschrijving van de Eucharistie.

Testamentum Domini nostri Jesu Christi : monophysitisch – gegevens ook over de eucharistie.

 

Belangrijk is, dat wij vooral uit deze bronnen veel kunnen leren over de christelijke initiatie : doopsel-zalving-eucharistie.

We hebben een zeer afgewogen voorbeeld van de ‘anaphora’ van Jeruzalem. We geven hiervan een poging tot reconstructie. (Wegman : p69 – franse tekst / vrije.vertaling is van mij) (we nemen alleen de tekst vanaf de instellingswoorden.:

1.Er is eerst een lofprijzing tot de Vader

2.dan volgt het Sanctus

3.vervolgens een Embolisme van het Sanctus

4.dan worden de wonderdaden van God in de geschiedenis aangegeven

5.De instellingswoorden :

‘Daar Hij zich ging onderwerpen aan de vrijwillige dood, Hij zonder zonden, voor ons zondaars, de nacht waarin Hij zou worden overgeleverd voor het leven en het heil van de wereld.

(De priester richt zich op, neemt het brood en zegent het met het teken van het kruis, en zegt : )

Het brood in zijn heilige en onbevlekte handen nemend en zonder zonden, en het aan U aanbiedend, God en Vader, dankte Hij U, sprak de zegen uit, Hij heiligde het,brak het en gaf het aan Zijn leerlingen  en apostelen zeggend :

Neemt, eet, dit is Mijn lichaam gebroken voor U en uitgedeeld tot vergeving der zonden.

(Het volk 🙂 Amen

(Vervolgens, na de kelk te hebben genomen, zegt hij met zachte stem, na het met het kruisteken te hebben gezegend )

Hetzelfde, nadat zij gegeten hadden, mengde hij de wijn en het water.Hij sprak de zegenbede uit,deelde het uit aan Zijn leerlingen en apostelen, zeggend:

(en het opheffend)

Drink allen hieruit, dit is mijn bloed, het bloed van het nieuwe Verbond, vergoten voor u en voor velen en uitgedeeld tot vergeving der zonden.

(Het volk : )Amen.

Vervolgens, zich oprichtend zegt hij met zachte stem )

Telkens Gij van dit brood eet en deze beker drinkt doe dit tot gedachtenis aan Mij.Verkondigend de dood des Heren totdat Hij wederkomt.

(En de aanwezige diakens antwoorden 🙂

Wij geloven en belijden.

(Het volk)

Wij verkondigen Uw dood, Heer, en wij belijden Uw Verrijzenis.

 

Anamnese (gedenken)

(Vervolgens maakt de priester het kruisteken en zich buigend zegt hij : )

Gedenken wij Zijn dood en verrijzenis uit de doden op de derde dag, van Zijn hemelvaart waar Hij zit aan Uw rechterhand, God en Vader, en van zijn tweede glorierijke wederkomst, wanneer Hij komt om levenden en doden te oordelen elk naar zijn werken ;  Wij offeren U dit heilig en onbloedig offer opdat wij niet naar onze fouten  en schulden zou
den beoordeeld worden, maar volgens uw barmhartigheid en menslievendheid. Delg de zonden uit van hen die tot U bidden.

(En Hij roept uit : )

Want Uw volk en Uw Kerk smeken U

 
(Het volk):

Heb medelijden met ons o Vader almachtig.

 

Epiclese

(En de priester terug rechtstaande zegt met zachte stem )

Heb medelijden met ons, o God, o Vader Almachtig, en zend over ons en over Uw gaven hier aanwezig, Uw Heilige Geest ;

(knielend zegt hij : )

De Heer en Levendmaker, die met U God en Vader en met uw Zoon troont, Hij die met U regeert, één in wezen en eeuwig met U. Hij die gesproken heeft door de Wet en de Profeten en in het Nieuwe Verbond, die gekomen is onder de gedaante van een duif over onze Heer Jezus Christus in de rivier de Jordaan, die is neergedaald over uw Heilige Apostelen onder de vorm van vurige tongen;

(en hij roept uit : )

Opdat Hij zou komen en hij van dit brood, het lichaam van Christus zou maken.

(Het volk : ) Amen

(De priester : ) en van deze beker het kostbaar bloed van Christus.

(Het volk : ) Amen

(De priester, zich oprichtend : ) Opdat zij het zouden worden voor allen die eraan deelnemen tot vergeving der zonden en voor het eeuwig leven voor de heiliging van zielen en lichamen, tot vruchbaarheid van onze goede werken, voor de bevestiging van Uw Heilige Kerk die Gij gebouwd hebt op de rots van het geloof, dat ze zou weerstaan aan de machten der hel, haar bevrijdend van elke ketterij en ergernissen die onrust brengen tot aan de voltooiing der tijden.

(En alleen de aanwezige geestelijken antwoorden : ) Amen

 

We hebben hier duidelijk te maken met een Antiochische anafora die als kenmerk heeft :

1.       Lofprijzing tot God, uitlopend op het driemaal heilig

2.       De gedachtenis van Gods heilshandelen (dankzegging – anamnese – met als centrum : het instellingsverhaal

3.       Jezus opdracht : doet dit tot mijn gedachtenis

4.        Epiclese.

 

(In de Alexandrijnse anafora is er ook een epiclese voor het instellingsverhaal)

 

De liturgie van Jeruzalem is model geweest voor de verdere ontwikkeling van de liturgie voor zowel het Oosten als het Westen.Alhoewel Jeruzalem reeds lang geen politiek centrum meer was, dat was eerst Antiochië en later Constantinopel), toch werd het door de Keizer een Kerkelijk centrum. Velen gingen er de heilige plaatsen bezoeken. Zo kwam ook  de rest van de Oosterse

 

Christenheid onder invloed van de liturgie van Jeruzalem.

 Het is ongeveer in dit tijdperk (300-600) dat de meeste ritussen vorm hebben

gekregen, zowel in Oost als in West. Meestal gecentreerd rond een bepaald centrum, een bepaalde lokale kerk. Vanuit een drang naar eenheid ontstond er een soort groepsvorming rond één centrale Kerk. Het gevolg hiervan was het ontstaan van verschillende ritussen (zowel in oost als in west).

 


5. DE VOORNAAMSTE RITUSSEN WELKE IN DEZE PERIODE ONTSTONDEN :

 

Alexandrië :

 

De metropool van Egypte – kerkelijk centrum

Door het monophysitisme (451) is de Kerk van Egypte verdeeld in :

 

          Orthodoxen : die hun eigenheid opgaven en zich met Constantinopel conformeerden

          De Kopten (monophysitisch)

De oude Alexandrijnse traditie moet men bij de Kopten zoeken (en Ethiopië)

 

Antiochië :

 

De Griekse stad in Syrië was lange tijd het politiek centrum, en daarom ook kerkelijk van grote betekenis.Daar ontwikkelde zich een eigen ritus die een grote uitstraling heeft gekend en met name Constantinopel heeft beinvloed.

In 451 werd de Kerk van Antiochië verdeeld in :

     

          Orthodoxen : (melkieten, volgelingen van de Keizer) die verbonden blijven met Constantinopel en de eredienst ervan overnamen( die zelf in oorsprong  Antiocheens is)

          De monofphisitische ritus van de Jacobieten, : hierin leeft vooral de Antiocheense traditie voort.Christenen van India (Malabar) hebben in de 17e eeuw deze traditie overgenomen Ook bij de Kopten was de invloed ervan groot.

          De Maronieten : Ontstaan in 681 (monotheletisme ) Zij hebben  de Syrische traditie bewaard, maar zijn sterk gelatisiseerd toen ze zich met Rome unieerden.

 

 

 Perzië :

 

Kwam met het Christendom in aanraking via Antiochië en vooral Edessa . Het Christendom is Syrisch, de Oost Syrische traditie  genoemd, met eigen acce,nten en gebruiken, die te maken hebben met hun geïsoleerd bestaan, die leefden buiten het Romeinse imperium. Deze Kerk is Nestoriaans geworden en heeft zich bijna geheel van de andere Kerken afgesloten (einde 5e eeuw). Hier zijn de oudste lagen van de eredienst goed bewaard gebleven en de gedachteniswereld van de joods-christelijke gemeenten is er nog in voelbaar .

 

Constantinopel :

 

Ondervond invloed van Antiochië en is theologisch bepaald door Capadocië (Gregorius van Nazianze was aartsbisschop van Constantinopel.). Constantinopel werd steeds machtiger, ook Kerkelijk, door de groeiende invloed van de Keizer, het overweldigde Antiochië en Jeruzalem.

De Byzantijnse ritus is een merkwaardige synthese van verschillende tradities. Er is een merkwaardige inbreng merkbaar van gans het oosters christendom.Het oosten heeft ook steeds over alle dwalingen gezegevierd, en er telkens rijker uit voortgekomen..Wat wij tegenwoordig de oosterse liturgie noemen is de Byzantijnse liturgie. In Alexandrië, in Oost-Europa, zelfs in Syrië, de koptische en Armeense traditie is de Byzantijnse invloed merkbaar.’ Door de opname van vele tradities en verwerking daarvan is de Byzantijnse traditie de uitdrukking van het Oosters christendom’ ‘The Byzantine synthese’(Schmemann)

(Bron : Geschiedenis van de Christelijke eredienst in het westen en het oosten, op.cit. pp.75-76)

 

6. DE ANAPHORA, INGEDEELD VOLGENS DE RITEN OF FAMILIES

 

De oosterse anaphora stemmen hierin overeen, dat zij als compositie geen veranderlijke gedeelten kennen.

 

De Oost-Syrische anaphora : een keuze :

 

1.       De anaphora van de Apostelen Addaï en Mari :

Het zijn de oudst bekende teksten (3e eeuw ?).Er is geen instellingsverhaal .Bovendien zijn er latere toevoegingen : sanctus en misschien de epiclese.Het is een gebed, semietisch van kleur : verheerlijking van de Naam Gods, vermelding van de zondigheid en begenadiging van de mens als heilseconomie van God. Het lijkt nog op een tafelgebed.: de verkondiging van Gods grote daden in Jezus tot op vandaag.

           

                                               

 2.       De anaphora van de apostel Petrus (maronietisch)

     Staat in verband met het vorige, maar door toevoegingen ontwikkeld.

 

3.      De anaphora van  Theodorus van Mopsueste

 

4.       De anaphora van Nestorius : Beïnvloedt door de west Syrische (Jeruzalemse ) traditie(zo ook die van Theodorus van Mopsueste)

De West-syrische anaphora :

 

1.        De anaphora van de 12 apostelen

 

2.         De anaphora van de H.Chrysostomos

          De teksten schijnen terug te gaan op een gemeenschappelijk ouder

          origineel uit het begin van de 4e eeuw (Antiochië).Kan overeenkomt

          hebben vertoond met die van Addai en  Mari en had waarschijnlijk geen

          sanctus met inleiding. Het auteurschap van Chrysostomos is omstreden.

          Het oude origineel heeft in de loop der tijden theologische toevoegingen

          gekregen.

Structuur :

a.in het eerste deel en de dankzeggen werden vermengd

b.Sanctus  met inleiding lijkt inderdaad een latere toevoeging. Er is een duidelijke onderbreking van de compositie.

c.Na het sanctus is er geen duidelijke anamnese (gedenken)van de

heilsdaden van God : één zin vormt de overgang naar het instellingsverhaal.

d. Anamnese

e. Epiclese

f. De smeekbeden

g. De doxologie.

De opbouw is eenvoudig, typisch Antiocheens.

. 

3.    De anaphora van Basilius.

          Er is een Byzantijnse lange versie en een Alexandrijnse korte versie.  Het

          is een typisch Griekse anaphora, die elke semitische trek heeft verloren

          en     waarin harmonie en theologische reflexie voorop staan.

     De opbouw is Antiocheens :

      a.Lofprijzing : waartoe de mens alleen in staat is door de Zoon en in de  

          Geest(Triniteitshymne)

      b.uitlopend in het Sanctus

.     c.Anamnese van Gods heilsdaden in de schepping en de herschepping,

         dat het werk is van de Zoon

      d. Het instelingsverhaal

      e.anamnese (offer-gedachtenis)

      f.De intercessiones

      g.De slotdoxologie

 

Vermelden wij ten slotte ook nog kort de Alexandrijnse anaphora.Deze verschillen van de Antiocheense door de opbouw van de anaphora. Meest opvallend is dat er ook een epiclese is voor de instellingsverhalen.

 

1.       De anaphora van Marcus : Grieks geschreven, de koptische vertaling is bekend.

Structuur :

a.Lofprijzing en dank tot God, die de mens geschapen heeft.

b.Het offer ( dankzeggend offeren wij een geestelijke en smetteloze cultus)

c.De smeekbeden voor de Kerk en de volkeren en allen die in nood verkeren.

d.Sanctus, met inleiding.

e.Eerste Epiclese, in aansluiting op ‘Vol zijn hemel en aarde van uw glorie’ –‘maak ook deze gaven vol van uw zegen door de Heilige Geest.

f.instellingsverhaal met anamnese

g. Epiclese

h. Doxologie.

  

2.       De anaphora van de papyrus Dêr-Balyzeh.

3.        De anaphora van Serapion : opvallende tekst waarin de Didachè wordt geciteerd en het instellingsverhaal wordt uitgelegd. De epiclese is een ‘logos’epiclese  

.(Bron : Geschiedenis van de eredienst in het Westen en het Oosten, op.cit.pp.101-103)

 

Voor ons is de anaphora van de H.C
hrisostomus van belang. De andere anaphora zijn eveneens van belang in die mate dat ze de anaphora van Chrisostomus hebben beïnvloed, maar ook omwille van hun eigen inbreng .Toch vinden we in alle anaphora ongeveer vergelijkbare elementen terug , zij het soms op een andere wijze en structuur.

In de verdere ontwikkeling zien we een grote Byzantijnse synthese naar voor komen.De Byzantijnse liturgie is vooral beïnvloed door de Antiochische ritus, maar anderzijns hebben de andere ritussen grote invloed ondergaan van de

Byzantijnse.

Ter afsluituing geef ik hier nog de structuur van de huidige anaphora binnen de Liturgie van de H.Chrisostomus , aan ons om de teksten met mekaar te vergelijken :

 

            DE EUCHARISTISCHE CANON :

 

a.      oproep om aandacht : Laat ons in vreze staan

b.      HET EUCHARISTISCH GEBED

          Het is recht en waardig….

          Heilig …(driemaal heilig)

          Herdenken van het Avondmaal

                C. CONSECRATIE

          De  instellingswoorden

          Offer van het lichaam en bloed met lied : ‘Wij prijzen U’

          Epiclese of aanroeping van de Heilige Geest

           D. GROOT GEBED

          Gedachtenis aan de heiligen, de overledenen en levenden

          Lofzang voor de moeder Gods

          Samenvattende litanie + stil gebed van de priester

          Onze Vader

           E  OPHEFFING, BROODBREKING en COMMUNIE

          Zegening, gebed

          Het heilige voor de Heiligen

          Broodbreking en gedachtenis

          Communiegebed

           F  COMMUNIE VAN PRIESTER EN DIAKEN

 &nbs
p;        
G  ZEGENING VAN VOLK MET DE KELK

           H  COMMUNIE VAN DE GELOVIGEN

    I   OVERBRENGING VAN DE GAVEN NAAR DE      PROTHESIS

          J   WEGZENDING VAN DE GELOVIGEN – KUSSEN VAN HET  

                      KRUIS EN UITDELEN VAN HET ANTIDORON.

 

 

BESLUIT

 

Deze uiteenzetting is verre van volledig , er is té weinig nog ingegaan op het tekstmateriaal.Té weinig is ook de geschiedenis van het ontstaan van de anaphora beschreven, omdat hiervoor dikwijls de nodige gegevens ontbreken. Toch is misschien iets naar voor gekomen van de rijkdom van de Byzantijnse synthese, welke wij in onze Kerk nu kennen, en dat het oosters Christendom zo heeft gekenmerkt. Het was mijn bedoeling ,kort maar toch verhelderend, een stukje geschiedenis van de anaphora naar voor te brengen. Het moge ons helpen tot een beter begrijpen van de orthodoxe liturgie in zijn geheel.

 

Kris Biesbroeck

 

Begin van het spirituele leven : alles verwachten van God

BEGIN VAN HET SPIRITUELE LEVEN  :

 

ALLES VAN GOD VERWACHTEN

 

 

Door hiëromonnik Elie

Monasterium van de Ontslaping van de Moeder Gods in La Faurie

(Frankrijk)

 

 

 

De titel van dit artikel kan ons verwonderen : kan men werkelijk spreken van een begin van het geestelijk leven ? Wanneer begint het leven in God in werkelijkheid ?  Zoals het Oude Verbond vanaf het begin het Nieuwe heeft voorbereid, deze keer ‘geschreven in het hart van de mensen’(1), zo is er ook in het diepste van onszelf iets als een waterbekken, dit levende water, wachtend om te ontspringen zoals St.Ignatius van Antiochië het ons beschrijft.

Indien men echter kan spreken van een begin van het spirituele leven, dan is het omdat er een moment is in ons bestaan waar men meer bewust gaat doordringen in de intimiteit van God. Maar deze intimiteit is een goddelijke gave, bijna een charisma (2) die geworteld is in de houding van overgave aan God, van vertrouwen.

 

            Wij zullen hier in nederigheid proberen enkele aspecten te beschouwen van deze houding, die  boven alles van groot belang zijn. Men moet onmiddellijk zeggen dat deze houding van overgave van zichzelf niet zozeer een moreel voorschrift is dan wel een passende innerlijke houding die moet leiden tot bloei van het goddelijk leven in ons.

 

            De orthodoxe liturgie (3), in haar schitterende hymnen, vermaant ons om ‘ alle aardse zorgen opzij te zetten’ Vertrouwend op God moeten wij al onze beslommeringen opzij zetten.. Of het nu gaat om relationele, familiale , professionele of zelfs spirituele problemen, wij moeten alles voor God opofferen,, om aldus een zekere beschikbaarheid te verwerven voor zijn Geest. Nog eerder dan een zintuigelijke zwaarte , is de logheid van het vlees  een ongeordende knoop van onze gevoelens, van onze gedachten of nog , van onze herinneringen. Dit alles is zeker niet slecht op zich , maar het vertroebelt onze blik. Daarom is het noodzakelijk van zich fundamenteel te leren ‘ont-scheppen’ (‘décréer’- van nul af aan herbeginnen) (4), om alles te vergeten, om klaar en duidelijk te leren ‘geheel en al oog te zijn’, zoals Abba Macarius (5)het zo graag in herinnering bracht, want door zichzelf onder de loep te nemen, ontdekt de mens op mysterieuze  wijze God.

 

            Men ziet aldus, in een eerste beweging, dat de omvang van de zorgen onze geestelijke wedergeboorte hinderen. Dit wordt door Paulus benadrukt, zij houdt ons aan de oppervlakte van onzelf, ver verwijderd van het goddelijk geheim van ons hart (6) ‘En wie van u kan door bezorgd te zijn één el aan zijn lengte toevoegen ?’(7).

 

            Eenmaal we ons van dit juk hebben ontdaan, treedt een ander struikelblok op. Want, vanaf het moment waarop men heeft geleerd onze kwellingen zonder ophouden aan God toe te vertrouwen, ontstaat er al vlug de neiging om zelf de ‘architect’ te worden van zijn eigen spiritueel leven.

 

 

 

            Wanneer men moet stilstaan, herbegint alles op een ander niveau. Het moeilijkste is niet ertegen te strijden, maar elke strijd op te schorten,. Of het nu gaat om het vasten, het volgen van een regelmaat in het persoonlijk gebed, of bepaalde evangelische voorschriften in acht nemen als een vorm van innerlijke hygiëne. Dit alles is slechts stro vergeleken bij het goddelijk vuur.

 

            Wij moeten goed begrijpen dat dit slechts middelen zijn. Het doel moet zijn : zich overgeven aan God. God verlangt onze vurige harten, niets meer. Het doel van onze belijdenis is het Koninkrijk der hemelen. Ons doel is de zuiverheid van hart te bereiken, zal St.Cassiën van Marseille (8) ons met overtuiging zeggen.

 

            Jacob heeft met God gestreden tot de vroege morgen. Ten slotte, gekwetst, heeft hij de goddelijkheid van zijn tegenstrever erkend. Hij ontving de zegen van deze laatste. Hier zien we het beeld zelf van ons leven in de geest in zijn hoogste vorm.

 

            Té dikwijls strijden we tegen God in het geloof van daardoor zichzelf te verheerlijken. Het is een vorm van mystiek activisme die zich verstart rondom ons ‘inwendig oog’. Dit omhulsel beroofd ons van onzelf en wij bemerken het zelf niet.Wij kunnen God niet aanschouwen. Dus, zoals de zon ons toelaat  om de wereld te zien, is God de glans die ons geweten toestaat om zich in waarheid te onthullen.Dus, door glans, en zoals een forel die tegen de stroom in  zwemt, is het ons mogelijk even, zij het weinig, enkele  schitteringen uit te zaaien van het goddelijke zijn.

Deze tweede beweging maakt ons een gevaar duidelijk, dit van voor zichzelf de bron te zijn van het ‘ spirituele leven’.Dit autisme maakt ons volledig ondoordringbaar. Het sluit ons af, uit vrees voor het nieuwe en dus voor het onbekende van de wil van God. Het is echter een  ‘menselijke ‘ angst. Té ‘menselijk’ zonder twijfel, omdat de wil van God een afgrond is, maar men mag niet vergeten, een welwillende afgrond.

 

             De vrees om de teugels los te laten opdat God de caravaan leidt, stelt onze angst voor de woestijn op de proef. Men neemt dan de tragische beslissing te gaan daar waar het goed voor ons lijkt……vervolgens vecht men tegen de bedrieglijke schijn die de woestijn ons in haar onmetelijkheid toont.

 

            De zalf van deze wonde is er wellicht één van de minst aangename, want het zal ons in alle helderheid de roes doen aanvaarden die het diepste bewustzijn van Gods wil veroorzaakt. Op het einde van de rit wil God slechts het goede, maar wij weten niet wat Hij voor ons in pet heeft, en daar zit onze vrees.

 

            Als remedie moeten wij, een ‘strategie van het onmogelijke’ (9) aanhangen door ons met vertrouwen over te leveren aan de goddelijke pedagogie, die, het is waar, dikwijls een ‘kennis doorheen dieptepunten’(10) is. Het is niet de weg die onmogelijk is, het is het onmogelijke die de weg is(11).

 

            Het derde kernpunt van deze beschouwing  houdt in, niet te vervallen in dat wat men, niet zonder ironie ‘een heilige luiheid’ zouden kunnen noemen. Vrede is echter geen energieloos iets.

 

             Door ons bewustzijn te hebben ontlast en ons in soberheid en waakzaamheid (12) beschikbaar te hebben gesteld voor het nieuwe van God, achtervolgt ons het quietisme met zijn schaduw. Alles van God verwachten betekent geen verzaking aan elke daad. Alles van God verwachten, is zijn gave aannemen, met iedere dynamiek die dit zoeken met zich meebrengt. De Heilige Graal is hier het verlangen van God. Daarom kan men spreken van gezond verstand. ‘En wanneer gij de zuidenwind  ziet waaien, zegt gij : er zal hitte komen, en het gebeurt. Huichelaars, het aanzien van aarde en hemel weet gij te onderkennen, waarom onderkent gij deze tijd niet ?’(13)

 

            Men kan niet anders dan constateren, dat, verre van ons te onttrekken aan ons eigen spirituele bestaan, en zonder ons als dusdanig futloos te maken, men de bronnen moet kunnen onderscheiden die de richting bepalen van onze lange, moeilijke tocht van waaruit het Woord in levende wateren opborrelt.

 

            Een spreuk over het woestijnzand resumeert gans onze bedoeling ‘Geef uw bloed en ontvang de Geest’, zegt ze. Want door zich geheel te geven, tot bloedens toe zelfs, moet men nog alles van God verwachten. Door zich zo op God te verlaten, schenkt Hij ons de gave van het volmaakte leven, de Heilige Geest.

 

            Om te besluiten moeten wij nog een laatste essentieel punt verduidelijken. Deze houding , die wij hebben getracht te beschrijven, namelijk, het zich volledig overleveren aan God, is geen toestand welke men meteen definitief kan bereiken zonder slag of stoot. Het is   een werk die men ‘honderdmaal in zijn leven moet herhalen’ (14).

 

            Dan, en alleen dan, is de groei in Christus een overvloed van nieuwe beginmomenten(15), in de loop van een rijpingsproces die te vergelijken is met de verfijning van wijn die zich verrijkt door zijn ouderdom, in plaats van een eenvoudige start voor nieuwe horizonten.

NOTA’S

 

(1)    Zie de profetische literatuur in dit verband

(2)    Het Charisma dient in de orthodoxe Kerk verstaan te worden als een ‘talent’ in de evangelische betekenis van het woord. Men is geroepen om vrucht te dragen.

(3)    En meer in het byzonder het deel dat genoemd wordt het ‘cherubikon’, de Cherubijnenhymne, ingevoerd door justinianus in de 6e eeuw.

(4)    Geliefd thema bij Sweil

(5)    Spirituele homilieën van ‘Pseudo Macharius’

(6)    Men weet dat in de mystiek van de woestijnvaders, het hart meer een inwendige spirituele plaats is dan een orgaan, zelfs al zijn ze schijnbaar verwant, dat ons bloed-systeem voedt.

(7)    Mt.6,27

(8)    Zich in dit verband in het byzonder refereren naar zijn Conferentie.

(9)    Mgr. Stéphane, Metropoliet van Estland.

(10)Henri Michaux, titel van één van zijn gedichten.

(11)P.Evdokimov : ‘Les âges de la vie spirituelle’

      (12) De nepsis is een ascetische deugd die tegelijk soberheid en waakzaamheid betekent

      (13)Lc., 12,54-56

      (14)Boileau, Art poétique

      (15)Een opvatting die op merkwaardig goede manier is ontwikkeld in de werken van St.

            Gregorius van Nyssa, voornamelijk het leven van Mozes, maar ook door de andere Gregorius, van Nazianza, meer bepaald, in zijn theologische uiteenzettingen.Noteren we terloops de paradox van deze laatste, want de continuïteit van de groei in God is gericht op ‘beginmomenten’, dus op een breuk.

 

 

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

 

 

 

 

 

 

 

 

     

 

 

 

           

 

 

 

 

 

 

 

 

Het vieren van de zondag

HET VIEREN VAN DE ZONDAG

 

Tegenover het vieren van de Sabbath staat de christelijke viering van de eerste dag van de week. De dag des Heren genoemd (Kuriakon)Het was de dag  van de gedachtenis van de Verrezen Heer ( Apok.1,10 ; 1 Kor.16,1 ; Hand.20,7-12). Heel wat vroege schrijvers verwijzen naar deze bijzondere dag voor Christenen. Bekend is de brief van stadhouder Plinius in het jaar 112, in een brief aan keizer Trajanus : ‘zij (de christenen die waren gevangen genomen) verzekerden mij, dat hun schuld of dwaling alleen maar daarin bestond, dat zij regelmatig op een bepaalde dag voor het aanbreken van de dag bijeenkwamen. Zij zongen dan afwisselend een lied tot Christus als hun God…Daarop gingen ze uit elkaar ; zij kwamen dan weer samen om een maaltijd te houden, een gewone onschuldige maaltijd’.

 

En  Justinus in zijn ‘eerste apologie’ (Justinus was uit Palestina afkomstig en rond 165 in Rome gedood) zegt het volgende :

‘Op de dag die men zondag noemt, komen allen die in steden of op het platteland wonen, bijeen. Bij die gelegenheid worden de geschriften van de apostelen of van de profeten voorgelezen zolang het mogelijk is. Na de voorlezing houdt de voorganger een toespraak waarin hij tot navolging van al dit goede aanspoort en uitnodigt. Hierna gaan we allen staan om gezamenlijk te bidden. Dan worden brood, wijn en water gehaald, en de voorganger spreekt met krachtige stem gebeden en dankzeggingen uit waarmee het volk instemt door met ‘Amen’ te antwoorden. Daarna wordt het geconsacreerde brood uitgedeeld waarvan iedereen zijn deel krijgt. Door de diakens wordt het naar de afwezigen gebracht…….’s Zondags houden wij allen een samenkomst omdat het de eerste dag is waarop God door de verandering van de duisternis en van de oerstof de wereld schiep, en omdat Jezus Christus , onze Verlosser, op deze dag opgestaan is.Want op de dag voor Saturnusdag kruisigde men hem en op de dag na de Saturnusdag, dus op zondag verscheen Hij aan Zijn apostelen en leerlingen’ (Geciteerd in : De bijbel en het Christendom, deel 1, op.cit.p.62).

 

De zondag was in de beginperiode een gewone werkdag. Men moest dus een periode kiezen ofwel ’s morgens vroeg of ’s avonds laat.Aanvankelijk vierde men in de morgen waarschijnlijk een gebedsdienst, en ’s avonds de Eucharistie. De maaltijd in de avond werd al spoedig door de overheid verboden omwille van de meest ongehoorde verhalen die men er hoorde over vertellen. Dan werd de maaltijd dan maar naar de morgen verschoven. Hieruit blijkt hoe belangrijk de zondag was voor de eerste Christenen.

De zondagmorgen-viering van de Eucharistie is algemene traditie in het jaar 150 in Rome (volgens de beschrijving van Justinus (Apol.I,65-67)

 Kris B

Wat is de Proscomidie ?

 DE PROSCOMIDIE

 

In de orthodoxe Kerk wordt de liturgie voorafgegaan door de Proscomidie.

Het is het klaarmaken van het brood en de wijn voor de Goddelijke Liturgie. Waar en wanneer is dit gebruik binnen de Kerk ontstaan ?

 

Tot de 14e eeuw was er nog geen sprake van de proskomidie. De oorsprong ervan is duister, met name de vraag : ‘hoe is men ertoe gekomen  de bereiding van de gaven aan de dienst te laten voorafgaan ?’. ‘Men vermoedt, dat het verdwijnen van de katechumenen en daarmee ook het verdwijnen van hun wegzending een oorzaak zou kunnen zijn. Hierdoor werden woorddienst en tafeldienst één onscheidbaar geheel. Dit maakte het nodig de voorbereiding van de gaven voor de dienst te plaatsen. Deze verplaatsing is in de 8e eeuw overal doorgevoerd, wat niet wil zeggen dat het ritueel van de proskomidi. Toen al vastlag. Dit is pas gebeurd in de 15e-16e eeuw. Is het ook niet mogelijk, dat de allegorische schrifttoepassing tot de proskomidi aanleiding gaf, nl. het bereiden van het paasmaal door de leerlingen ?’ (Geschiedenis van de eredienst…op.cit.p.220).Er, is ook geen bepaalde schrijver ervan bekend. ‘Van groot belang voor de ontwikkeling van de Byzantijnse liturgie met de gaven, de latere proscomedie en de inhoudelijke beleving van de Eucharistie, lijkt de opvatting van théodorus van Mopsueste te zijn, m.n. in zijn mystagogische catechesen. We geven hier enige citaten :

 

(Geschiedenis van de eredienst.. op.cit.pp.93-94 – Vrij uit het frans vertaald door mijzelf)

15…‘Het is dus een offer dat de Bisschop opdraagt ; geen nieuw offer, ook niet zijn eigen offer, maar een gedenken van het daadwerkelijke offer. De bisschop, echter, vervult de hemelse werkelijkheden door middel van tekens en figuren, en het offer  dat hij opdraagt is een manifestatie van deze werkelijkheden. Zijn daden zijn als een beeld van de hemelse liturgie…..18 In afwachting dat we , op een bepaald moment, door de opstanding al deze weldaden mogen ontvangen, hebben wij de plicht van deze werkelijkheden hier beneden te celebreren door bemiddeling van symbolen en figuren. Zo hebben  wij deel, samen met de celebratie van de sacramenten,  aan de hemelse werkelijkheden, en de hoop op hun uiteindelijke vervulling wordt hierdoor bevestigd….19. Wij geloven werkelijk, dat de mensen die gekozen zijn door de goddelijke genade, priesters van het Nieuwe Verbond, en vervuld van de Geest, sacramenteel vervullen wat onze Heer zelf heeft vervuld, en dat Hij nog steeds verder vervult….Inderdaad, het offer dat onze Heer heeft vervuld voor ons door zijn dood is uniek…20. Wij allen dus, op elke plaats en tijd en eeuwigheid, celebreren de herdenking van dit dit zelfde offer….24. Dit sacrament van de eucharistie is een onuitwisbaar teken

van God, gerealiseerd in Christus onze Heer, en door Hem overzien wij alle

gebeurde feiten. Zo, bij het zien van de Bisschop, vertegenwoordigen wij in onze hart Christus, die ons redt en ons het leven geeft door het offer van zichzelf. De diakens doen denken aan de onzichtbare krachten, die de taak hebben bij te dragen aan deze onuitsprekelijke liturgie. Het zijn de diakens die de tekens van het offer op het altaar plaatsen En dit moment sugereert aan de  aanwezigen een ontzaglijke realiteit. 25.Deze symbolen doen ons aan Christus denken, die men begeleidt naar zijn lijden, naar een ander moment, Hij is als het ware uitgestalt op het altaar om geslachtofferd te worden. Wanneer men in de heilige vazen en de kelk de offerande meedraagt, dan is het Christus zelf die opgaat naar zijn lijden….26. En wanneer zij deze gaven aangebracht hebben, plaatsen ze het op het altaar, o
pdat het lijden helemaal zou voltrokken worden. Wij geloven dat Christus, die het lijden heeft ondergaan, geplaatst is op het altaar als in een soort graf.Daarom spreiden de diakens doeken uit over het altaar….’

 

De sacramentele representatie van Jezus’lijden en sterven in het handelen van de Kerk komt in deze citaten duidelijk tot uitdrukking (door middel van de hiërarchie : de bisschop en de diaken).

 

Hier ziet men een goed voorbeeld van de ontwikkeling van een secundaire ritus tot een primaire.

 

De proskomidie in haar huidige vorm wordt een eerste maal vermeld in het manuscript van de Athos (1306).

 

‘Over de proskomedie schreef de gekende theoloog Paul Evdokimov in zijn boek ‘La Prière de l’Eglise d’Orient’ (Collection ‘Approches Oecumeniques’,Salvator,Mulhouse,1966,p.152 – vrij vertaald) : ‘Dit officie is een klein, realistisch, heel gecondenseerd drama, dat de slachting van het lam weergeeft, waarbij in een bondig schema het offer dat zich tijdens de liturgie zal voltrekken duidelijk gesteld wordt. Doorheen het ritueel drama dat zich afspeelt, wordt heel de heilseconomie op mysterievolle wijze overgebracht’ (geciteerd in : een open venster op de Orthodoxe Kerk –Ignace Peckstadt,Averbode 2005)

 Kris B

Over de Consecratie van brood en wijn

DE CONSECRATIE

 

Hoe moeten wij nu de de verandering van brood en wijn in het lichaam van Christus begrijpen ? Vooreerst moeten wij zeggen, dat het niet alléén de instellingswoorden zijn die het belangrijkste element ervan uitmaakt, ook niet de epiclese op zich, maar gans het consecratorisch gebeuren, gans het eucharistisch gebed maakt brood en de wijn tot het Lichaam en Bloed van Christus.De Epiclese bewijst voldoende dat de orthodoxie gelooft dat het brood en de wijn , geen loutere symbolen meer zijn, maar werkelijkheden. Hoe dat gebeurt, dat weet men niet.Dit is een mysterie welke wij niet kunnen doorgronden.Belangrijk is, dat wij dit mysterie , mysterie laten

 

‘Het eucharistisch gebed gebruikt het neutrale woord métabolè’ : verander, maak… Het is waar dat in de XVIIe eeuw enkele orthodoxe auteurs, en zelfs concilies, zoals dat van Jeruzalem in 1672, de latijnse term ‘transsybstantiation’ (in het grieks, metousiosis) hebben gebruikt, alsook het scholastieke onderscheid tussen substantie en accidenten (De middeleeuwse filosofie maakt een onderscheid tussen substantie of essentie (dat wat iets bepaalt, die maakt wat het is) en de accidenten of de kwaliteiten die eigen zijn aan de substantie en die de zintuigen kunnen waarnemen : omvang, gewicht, vorm, kleur, smaak, reuk enz..) De substantie  is iets wat in zichzelf (ens in se) bestaat, maar de accidenten bestaan alleen binnen iets anders (ens in alio). Door dit onderscheid op de eucharistie toe te passen, kwam men tot de leer van de transsubstantiatie. Volgens die leer, is er gedurende de mis, op het moment van de consecratie een verandering van substantie, maar de accidenten blijven wat ze waren. De substantie wordt het lichaam en bloed van Christus, maar de accidenten van

brood en wijn blijven op wonderlijke wijze dezelfde, en waarneembaar voor de

zintuigen). Maar, terzelfdertijd,  voegden de Vaders van Jeruzalem er aan toe dat de verklaring van deze termen niet de manier waarop die verandering gebeurt

bewijst, want dit is een mysterie en moet altijd onbegrijpelijk blijven.

Nochtans, ondanks deze lichte ontkenning hebben vele orthodoxen toch iets gevoeld voor deze latijnse en scholastieke terminologie.In 1838, heeft de Russische Kerk een vertaling laten verschijnen van de acten van Jeruzalem, en het interessant te zien, dat het woord ‘transsubstantiatie’ is behouden, maar dat men, via een vernuftige paragraaf, de technische terminologie van substantie en accidenten heeft vermeden.(zie verder : O.Clement gebruikt een andere terminologie).

Hedendaagse orthodoxe theologen gebruiken nog altijd het woord ‘transsubstantiatie, maar zij leggen de nadruk op twee punten : vooreerst, dat er vele andere woorden legitiem  kunnen gebruikt worden voor de betekenis van de consecratie (zie verder), en  voor hen is  de term transsubstantiatie geen beslissende autoriteit. Vervolgens Het gebruik van deze term betekent geenszins een acceptatie van de Aristotelische filosofie. Het orthodoxe standpunt is duidelijk samengevat in de ‘ontwikkelde catechismus’, geschreven door Philaret, metropoliet van Moscou (1782-1867), en door de russische Kerk is bekrachtigd in 1839 :

 

‘ Vraag : Hoe moeten wij het woord transsubstantiatie begrijpen ? Antwoord :… het woord transsubstantiatie geef geen verklaring over het hoe van de verandering in Lichaam en Bloed van Christus, want niemand, dan God alleen kan di
t begrijpen. Het betekent alleen dat in waarheid, reëel en substantieel het brood tot het echte Lichaam van Onze Heer wordt en de wijn het echte Bloed van de Heer ‘

 

En de catechismus vervolgd met een citaat van Johannes van Damascus :

 

‘Als je zoekt te weten hoe dat gebeurt, volstaat het te weten dat dit door de Heilige Geest is…wij weten niets méér : het woord van God is waar, actief en almachtig, maar onpeilbaar in zijn werken’ (Uit : L’Orthodoxie, l’Eglise des sept conciles – Mgr.Kallistos (Ware),pp.381-382) – Vrije vertaling  door mijzelf.)

 

Olivier Clément gebruikt voor het woord  ‘métabolè’ niet transsubstantiatie, maar ‘transmutatie’ : de gaven zijn getransformeerd, veranderd in het lichaam en bloed van Christus. Hij voegt eraan toe, dat de orthodoxie niet uitlegt, maar belijdt.Het brood en de wijn vinden hun volheid als zijnde geassimileerd door het lichaam van Christus : ze worden getransfigureerd, eerder dan gatranssubstantieerd

 Kris B

         

4e zondag in de vasten

4e zondag in de vasten

 
 
 
johannes climax (99 x 119)

 

 

 

 

Heilige Johannes Klimakos

 

H Johannes klimakos -hemelladder (393 x 589)

 

 

 

De hemelsladder van de H.Johannes Klimakos

 

 

Hier wordt de ‘ladder van het Paradijs’ uitgebeeld, die Johannes Klimakos, abt van het Katherina-klooster in de Sinaï (ca.649) schreef als handleiding voor zijn monniken. Gebaseerd op de Griekse patristiek, de volkswijsheid en de eigen inzichten, heeft hij de 3 treden van de volmaaktheid beschreven. Het illustratief element komt uit Genesis 28,10-19, het verhaal van de Jacobsladder.

 

Johannes staat links, tussen zijn medebroeders, zijn monniken te volgen die moeizaam de ladder opklimmen, geholpen door engelen en gehinderd door kwade elementen (de geesten).

 

Het helledier rechts onderaan spert zijn muil open voor zijn volgend slachtoffer, terwijl Johannes zelf, tot volmaaktheid gekomen, boven op de ladder de zegekroon door Christus wordt opgezet. In de paradijstuin achter de paradijspoort verheugen de leerlingen zich in het hemelse banket.

 

De lichte achtergrond evenals de ritmische groeperingen van kleine figuren, maken deze ikoon tot een aktievolle doch ingetogen mystieke beschouwing. Ze is tevens een aanmaning tot de beschouwers (de monniken) dat de weg lang en moeizaam is maar dat de kracht Gods hen terzijde staat.

A.K