Bezinning van de week : Allen houden Johannes de Doper voor een profeet

H. Beda de Eerbiedwaardige (ca 673-735), monnik, Kerkleraar  
Sermon n°1 ; CCL 122, 2

“Allen houden Johannes voor een profeet”

 

Johannes de doper

 

      Als we ons afvragen waarom Johannes doopte, terwijl zijn doop onze zonden niet kon wegnemen, is de reden daarvoor duidelijk, het is om trouw te zijn aan zijn missie als voorloper, hij moest dopen vòòr de Heer evenals dat hij vòòr Hem geboren is en dat hij vòòr Hem predikte en dat hij vòòr Hem stierf. Tegelijkertijd was het om te verhinderen dat een jaloerse strijd tussen de farizeeërs en de schriftgeleerden grip zou krijgen op de missie van de Heer, in geval dat Hij als eerste de mensen zou dopen. “Waar kwam de doop van Johannes vandaan? Uit de hemel of van de mensen?” Aangezien ze niet zouden durven ontkennen dat het van de hemel kwam, zouden ze gedwongen zijn om te erkennen dat de werken van Degene waarover Johannes predikte, ook vervuld werden met een kracht die uit de hemel kwam.

      Ook als de doop van Johannes de zonden niet kwijtschold, was het toch al met al niet zonder vrucht voor hen die het ontvingen… Het was een teken van geloof en berouw, dat wil zeggen dat ze eraan herinnerd werden dat allen moesten afzien van de zonde, aalmoezen moesten geven, in Christus geloven, en zich haasten naar de doop, op het moment dat Hij verscheen, om daar gewassen te worden opdat hun zonden kwijt gescholden werden. Overigens vertegenwoordigt de woestijn waarin Johannes verbleef, het leven van heiligen die van het plezier van de wereld zijn afgesneden. Of ze nu leven in eenzaamheid of midden in de menigte, ze proberen onophoudelijk hun ziel te onthechten aan de verlangens van de huidige wereld; ze vinden hun vreugde slechts in het verbonden zijn met God in het geheim van hun hart, en hopen slechts op Hem. Naar die eenzaamheid van de ziel, die zo dierbaar is voor God, wenste de profeet te gaan, door de redding van de Heilige Geest, toen hij zei: “Had ik maar vleugels als een duif, dan kon ik wegvliegen en ergens anders wonen” (Ps 55,7).

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

27e zongag na Pinksteren – 13e na de Kruisverheffing

27e zondag na Pinksteren – 13e na de Kruisverheffing

 Zondag van de genealogie van de Heer

genealogie 333 

 

Eerste Lezing : Hebr.11,9-10, 1740

9 Door zijn geloof trok hij naar het land dat hem beloofd was maar hem nog niet toebehoorde. Samen met Isaak en Jakob, mede-erfgenamen van de belofte, woonde hij daar in tenten 10 omdat hij uitzag naar een stad met fundamenten, door God zelf ontworpen en gebouwd.

17 Door zijn geloof kon Abraham, toen hij op de proef werd gesteld, Isaak als offer opdragen. Hij die de beloften had ontvangen, was bereid zijn enige zoon te offeren. 18 Terwijl er tegen hem gezegd was: ‘Alleen door Isaak zul je nageslacht krijgen,’ 19 zei hij bij zichzelf dat het voor God mogelijk moest zijn iemand uit de dood op te wekken, en daarom kreeg hij hem ook terug, bij wijze van voorafbeelding. 20 Door zijn geloof zegende Isaak Jakob en Esau, en hij dacht daarbij aan wat er in de toekomst zou gebeuren. 21 Door zijn geloof kon Jakob op zijn sterfbed de beide zonen van Jozef zegenen; daarna knielde hij neer, steunend op de greep van zijn stok. 22 Door zijn geloof sprak Jozef aan het eind van zijn leven al over de uittocht van het volk van Israël en gaf hij opdracht zijn gebeente dan mee te nemen. 23 Door hun geloof konden Mozes’ ouders hem na zijn geboorte drie maanden verborgen houden. Ze vonden hun kind erg mooi en waren niet bang voor het bevel van de koning. 24 Door zijn geloof weigerde Mozes, toen hij volwassen werd, aangesproken te worden als zoon van een dochter van de farao. 25 Liever werd hij even slecht behandeld als het volk van God dan dat hij vluchtig voordeel had bij de zonde; 26 omdat hij uitzag naar de beloning waardeerde hij de smaad van Christus hoger dan de schatten van Egypte. 27 Door zijn geloof verliet hij Egypte zonder angst voor de woede van de koning; hij volhardde, als zag hij de Onzienlijke. 28 Door zijn geloof liet hij het pesachfeest vieren, en de deurposten met bloed besprenkelen opdat de doodsengel hun eerstgeborenen geen haar zou krenken. 29 Door het geloof kon het volk door de Rode Zee trekken als over droog land; toen de Egyptenaren dat ook probeerden werden ze verzwolgen. 30 Door dat geloof vielen de muren van Jericho toen het volk er zeven dagen lang omheen getrokken was. 31 Door haar geloof ontving de hoer Rachab de verkenners gastvrij in haar huis en is ze niet met de ongehoorzame bewoners van haar stad omgekomen.32 Wat valt hier nog aan toe te voegen? De tijd ontbreekt me om te vertellen over Gideon en Barak, Simson en Jefta, David en Samuel, en over de profeten, 33 die door hun geloof koninkrijken overwonnen, gerechtigheid lieten gelden, en kregen wat hun beloofd was; die leeuwen de muil toeklemden, 34 aan vuur de laaiende kracht ontnamen en ontkwamen aan de houw van het zwaard; die hun zwakheid krachtig overwonnen, in de oorlog machtige helden werden en vijandelijke legers op de vlucht joegen. 35 Vrouwen kregen hun doden terug doordat die uit de dood opstonden. Anderen werden gemarteld tot de dood erop volgde en wilden van geen vrijlating weten, omdat ze uitzagen naar een betere opstanding. 36 Weer anderen kregen te maken met bespotting en geseling, zelfs met arrestatie en gevangenschap. 37 Ze werden gestenigd of doormidden gezaagd, of stierven door een moordend zwaard. Ze zwierven rond in schapenvachten of geitenvellen, berooid, vernederd en mishandeld. 38 Ze doolden door verlaten oorden en berggebieden en verscholen zich in grotten en holen onder de grond. Ze waren voor de wereld te goed. 39 Al deze mensen, die van oudsher om hun geloof geprezen worden, hebben de belofte niet in vervulling zien gaan 40 omdat God voor ons iets beters had voorzien, en hij hen niet zonder ons de volmaaktheid wilde laten bereiken.

Evangelie : Matth. 1,1-25

1 Overzicht van de afstamming van Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham.2 Abraham verwekte Isaak, Isaak verwekte Jakob, Jakob verwekte Juda en zijn broers, 3 Juda verwekte Peres en Zerach bij Tamar, Peres verwekte Chesron, Chesron verwekte Aram, 4 Aram verwekte Amminadab, Amminadab verwekte Nachson, Nachson verwekte Salmon, 5 Salmon verwekte Boaz bij Rachab, Boaz verwekte Obed bij Ruth, Obed verwekte Isaï, 6 Isaï verwekte David, de koning.David verwekte Salomo bij de vrouw van Uria, 7 Salomo verwekte Rechabeam, Rechabeam verwekte Abia, Abia verwekte Asaf, 8 Asaf verwekte Josafat, Josafat verwekte Joram, Joram verwekte Uzzia, 9 Uzzia verwekte Jotam, Jotam verwekte Achaz, Achaz verwekte Hizkia, 10 Hizkia verwekte Manasse, Manasse verwekte Amos, Amos verwekte Josia, 11 Josia verwekte Jechonja en zijn broers ten tijde van de Babylonische ballingschap.12 Na de Babylonische ballingschap verwekte Jechonja Sealtiël, Sealtiël verwekte Zerubbabel, 13 Zerubbabel verwekte Abiud, Abiud verwekte Eljakim, Eljakim verwekte Azor, 14 Azor verwekte Sadok, Sadok verwekte Achim, Achim verwekte Eliud, 15 Eliud verwekte Eleazar, Eleazar verwekte Mattan, Mattan verwekte Jakob, 16 Jakob verwekte Jozef, de man van Maria. Bij haar werd Jezus verwekt, die Christus genoemd wordt.17 Van Abraham tot David telt de lijst dus veertien generaties, van David tot de Babylonische ballingschap veertien generaties, en van de Babylonische ballingschap tot Christus veertien generaties.18 De afkomst van Jezus Christus was als volgt. Toen zijn moeder Maria al was uitgehuwelijkt aan Jozef maar nog niet bij hem woonde, bleek ze zwanger te zijn door de heilige Geest. 19 Haar man Jozef, die een rechtschapen mens was, wilde haar niet in opspraak brengen en dacht erover haar in het geheim te verstoten. 20 Toen hij dit overwoog, verscheen hem in een droom een engel van de Heer. De engel zei: ‘Jozef, zoon van David, wees niet bang je vrouw Maria bij je te nemen, want het kind dat ze draagt is verwekt door de heilige Geest. 21 Ze zal een zoon baren. Geef hem de naam Jezus, want hij zal zijn volk bevrijden van hun zonden.’ 22 Dit alles is gebeurd opdat in vervulling zou gaan wat bij monde van de profeet door de Heer is gezegd: 23 ‘De maagd zal zwanger zijn en een zoon baren, en men zal hem de naam Immanuel geven,’ wat in onze taal betekent ‘God met ons’. 24 Jozef werd wakker en deed wat de engel van de Heer hem had opgedragen: hij nam haar bij zich als zijn vrouw, 25 maar hij had geen gemeenschap met haar voordat ze haar zoon gebaard had. En hij gaf hem de naam Jezus

 

 

 

Bezinning van de week : Hij kwam in de wereld om van het Licht te getuigen

H. Augustinus (354-430), bisschop van Hippo (Noord Afrika) en Kerkleraar
Overwegingen over het evangelie van Johannes, nr 2, §5-7

“Hij kwam om van het Licht te getuigen”

 

Geboorte jezus 888 (325 x 457)

      Hoe is Christus gekomen ? Hij is verschenen als mens. Omdat Hij mens was voor zover dat God in Hem verborgen was, werd een opmerkelijk mens voor Hem uitgestuurd om te laten zien, dat Hij, de Christus, meer dan slechts een mens was… Wie was hij die getuigen moest van het Licht? Een opmerkelijk wezen, die Johannes, een mens met hoge verdienste, van buitengewone genade, van een grote verheffing. Bewonder hem, maar zoals men een berg bewondert: de berg blijft in de duisternis, als het licht deze berg niet omhult: “Die man was het Licht niet”. Neem geen berg als het licht; loop jezelf er niet tegen stuk door te proberen om daar redding te vinden.

      En wat moet men vervolgens bewonderen? De berg, maar als berg. Verhef je tot Degene die de berg verlicht, die gereed is om als eerste de stralen van de zon te ontvangen, om ze vervolgens door te sturen naar jouw ogen… Van onze ogen zegt men ook dat het lichten zijn; en toch als men ’s nachts de lamp niet aandoet, of als de zon niet opkomt gedurende de dag, dan openen onze ogen zich tevergeefs. Johannes zelf was in de duisternis, voordat hij verlicht werd; hij werd pas licht door die verlichting. Als hij de stralen van het Licht niet had ontvangen, zou hij net als de anderen in de duisternis zijn gebleven…

      En waar is het Licht zelf? “Het ware Licht, dat ieder mens verlicht en naar de wereld kwam”? (Joh 1,7). Als Hij elke mens verlicht, verlicht Hij ook Johannes, door wie Hij zich wilde openbaren… Hij kwam voor de gebrekkige inzichten, voor de gewonde harten, voor de zielen met zieke ogen…, van de mensen die niet in staat waren om Hem direct te zien. Hij heeft Johannes met zijn stralen bedekt. Door te verkondigen werd hij zelf verlicht, heeft Johannes Degene die verlicht, Degene die verheldert, Degene die de bron van alles is, laten kennen.

 Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

 

Kerk van Christus Verlosser

Symbool van een religieus reveil

Door GEERD GROOT-KOERKAMP
 

 

Kerk van Christus verlodder

 

Kerk van Christus Verlosser

[WEBLOG MOSKOU] Ergens begin jaren negentig schreef ik voor de krant een stuk over de kathedraal van Christus de Verlosser. De Russische patriarch Aleksej II (r) knoopte betrekkingen aan met leiders zoals Poetin (l). Het enorme witmarmeren gebouw domineerde samen met het Kremlin het pre-revolutionaire Moskou. Veertig jaar lang was eraan gewerkt. De kerk was een monument voor de gevallenen in de oorlog van 1812 tegen Napoleon. Op last van Sovjet-dictator Stalin werd de kerk in 1931 opgeblazen om plaats te maken voor een gigantisch Paleis der Sovjets dat nooit verder is gekomen dan het fundament. Na de oorlog kwam er een openluchtzwembad.

In 1991 viel het doek voor het communisme. De belangstelling voor religie bloeide op na tientallen jaren van anti-religieuze campagnes. Door de communisten gesloten of verwoeste kerken werden met vereende krachten en vaak beperkte middelen weer opgeknapt of geheel nieuw opgebouwd, zoals de kleine Kazan-kathedraal op de hoek van het Rode Plein, die in de jaren dertig had plaatsgemaakt voor een openbaar toilet.

In het parkje vlakbij het openluchtzwembad verrees een kruis, ter herinnering aan de machtige kathedraal die er eens stond en, wie weet, misschien ooit weer zou worden opgebouwd. En elke dag kwam een priester naar dat kruis om er in de open lucht een gebedsdienst te houden. Meestal was hij alleen en werd hij wat meewarig aangekeken door passerende wandelaars. Je moest wel een enorme fantast zijn om te denken dat die kerk hier ooit nog eens zou herrijzen. Maar het wonder geschiedde, in recordtempo, met inzet van zwaar materieel, beton en bovenal veel geld. Vandaag is de Verlosserskathedraal opnieuw een van de belangrijkste heiligdommen van de Russisch-orthodoxe kerk en niet meer weg te denken uit de skyline van Moskou.

Patriarch Aleksi II, aangetreden in 1990, overzag de wederopleving van het orthodoxe geloof in Rusland en de herrijzenis van deze en talloze andere kerken en kloosters. In de herbouwde Verlosserskerk leidde hij de nachtdiensten met Pasen en Kerstmis, steevast in aanwezigheid van de Russische leiders met wie hij nauwe banden onderhield. Op 5 december overleed Aleksi en meer dan 100 duizend mensen maakten gedurende enkele dagen en nachten de gang naar de Verlosserskerk om daar afscheid van hem te nemen.

Als ik op een van die avonden langs de rij loop is hij meer dan een kilometer lang. Om de kerk binnen te komen moet je soms zeven tot acht uur in de rij staan. ,,We zijn hier om twee uur vanmiddag gekomen en nu is het bijna negen uur,” zegt Inna, nog altijd verrassend monter. ,,De patriarch is overleden, we móeten natuurlijk afscheid van hem nemen en hem bedanken voor alles wat hij heeft gedaan.” In de rij zijn veel jongeren en ook mensen met kinderen. Een kreupele man hoeft niet te staan en mocht van de politie de hele rij passeren op zijn krukken.

Binnen is het niet minder druk. Behalve de stroom gelovigen die langs de baar trekt zijn er honderden priesters, monniken en religieuzen. Vertegenwoordigers van andere orthodoxe kerken en de katholieke kerk nemen actief deel aan de herdenkingsdienst. Herhaaldelijk klinkt de gezongen bede om rust voor de ziel van de patriarch en de hele kerk zingt aan het slot uit volle borst mee met het ‘Vetsjnaja pamjat’ – de eeuwige herinnering.

Aleksi II was een populaire patriarch. ,,Zo’n patriarch hebben we denk ik nog nooit gehad,” zegt Irina, die te jong is om zich de vorige patriarch Pimen te herinneren, laat staan diens voorganger Aleksi I. Voor haar was Aleksi II haar hele bewuste leven lang de kerkvader, de man die symbool stond voor het reveil van de Russisch-orthodoxe kerk. Net als de Verlosserskathedraal, vanwaar hij op 9 december is overgebracht naar zijn laatste rustplaats.

Uit : AD De wereld

De parochie

                                                               

 

kerkje tekening 54

             

 

 

                               DE PAROCHIE                        

 

                                                               

De Parochie is de oudste institutie van de Kerk. Zij heeft beproevingen doorstaan en weerstand geboden voor het welzijn van de christenen, gedurende gans haar bestaansgeschiedenis. De parochie is geen ‘deeltje’ van de Kerk. Zij IS de kerk. Want  niets ontbreekt aan de parochie opdat zij een Kerk zou zijn. De parochie is onze kerkelijke gemeenschap in een bepaald gebied.  Overal waar het volk van God, het priesterschap en het heilig Altaar is, daar is de Kerk. Welnu, de Kerk bevat deze drie elementen : het zijn de christenen met hun priester, die in naam van de bisschop de Goddelijke Liturgie celebreren.  Onze parochie is onze Kerk. Ieder christen, als lid van zijn parochie, behoort toe aan de Kerk. Iedereen in zijn parochie is verenigd met de Kerk en blijft ermee in contact. Het in zijn eigen kerk dat elke gelovige is gedoopt. In het doopregister van die kerk is zijn naam ingeschreven, op dezelfde wijze als hij ingeschreven is in de registers van zijn geboorteplaats, om zijn rechten als burger te kunnen uitoefenen.  Door zijn doopsel ontvangt de gedoopte ook nog een ander burgerschap : dit van het koninkrijk der hemelen. In diezelfde parochieregisters zal men ook de namen schrijven van alle kinderen die later zullen geboren worden, de dag van hu doopsel, het huwelijk en hun begrafenis. Dit inschrijven in de registers van de parochie is een heilige daad, want de registers zijn in zekere zin kopieën van de boeken van God zelf. Iedereen kan zo de band herkennen die zijn parochie verbindt met de Kerk waaruit ze is ontstaan. Wij zijn allen broeders, want wij hebben een nieuwe geboorte gekend door het doopsel dat wij ontvingen uit dezelfde doopvont . Wij zijn allen één lichaam, want wij ontvangen allen dezelfde communie aan dezelfde kelk die ons verenigt met Christus en met elkaar. Wij zijn allen parochianen van een kleine gemeenschap van christenen in de schoot van een grotere gemeenschap, die de Kerk is. Juist daarom moet men niet breken met de parochie om welke reden dan ook. Vooreerst, wat betreft  onze kerkelijke praktijk : de kerk is ons sacraal verblijf, het is de cultusplaats in de parochie. Het is waar, dat de cultus die er gecelebreerd wordt er is voor alle christenen, maar vooral wordt ze gecelebreerd voor allen die deel uitmaken van deze parochie (zoals wij het in de loop van onze diensten zeggen) : de voorgangers, het koor, zij die bidden en zij die dienen. Voor hen die goed doen en de weldoeners van de parochie waarin ze dagelijks leven. Het is een zeer slechte gewoonte, en zelfs een zonde om zijn parochie om verschillende redenen te verlaten en om de Goddelijke Liturgie ergens anders te gaan meevieren. Dit geldt ook voor het doopsel, het huwelijk, de collieven enz… Buiten het feit, dat dit kan gezien worden als een soort misprijzen ten overstaan van de heilige waaraan de kerk is toegewijd, en die de beschermer en behoeder is van de ganse parochiale infrastructuur. Het is ook een tekort aan  medevoelen en zelfs van een zekere onverschilligheid voor alles wat er in de parochie wordt gedaan en leeft. Wij moeten aandacht hebben voor de noden van de parochie. Niet alleen alles in de steek laten en elders gaan, maar we moeten  haar ook datgene schenken wat in onze mogelijkheden ligt voor haar voorspoed en dus voor het welzijn van allen. De parochie is onze eigen tuin, en men laat zijn eigen tuin niet in de steek om ergens anders de bloemen te gaan besproeien !. Men zegt terecht dat wij de parochie kunnen definiëren als de kleine cel van de grote Kerk. Indien wij in de Kerk geloven, indien wij haar welzijn voor ogen hebben, dan moeten wij beginnen met al onze aandacht te richten op onze eigen parochie.

Uit Exapla – Uitg. Tertios – Katerini – Griekenland

Vertaling : Kris Biesbroeck

          

Bezinning : Johannes nodigt ons uit tot het heil

Clemens van Alexandrië (150 – ca. 215), theoloog
Protreptiek H.1

Johannes nodigt ons uit tot het heil

      Is het niet vreemd, vrienden, dat God ons altijd aanspoort tot de deugd, en dat wij ons aan deze redding, die ons heil zal brengen, onttrekken? Nodigt Johannes ons niet uit tot het heil, is hij niet een stem die ons aanspoort? Laten we hem dus vragen: “Wie bent u en waar komt u vandaan?”. Hij zal zeggen dat hij Elia niet is en zal ontkennen dat hij de Christus is, maar hij zal toegeven dat hij een stem is die roept in de woestijn (Joh 1,20v). Wie is Johannes dan? Als u het me toestaat zal ik een beeld gebruiken: een stem van het Woord van God die ons aanspoort, door in de woestijn te roepen: “Maak de weg van de Heer gereed, maak recht zijn paden” (Mc 1,3). Johannes is een voorloper en zijn stem is de voorloper van het Woord van God, een stem die ons aanmoedigt en het heil voorbereidt, een stem die ons aanspoort om de erfenis van de hemel te zoeken.

      Dankzij die stem zal “de onvruchtbare en eenzame vrouw nooit meer zonder kinderen zijn” (Jes 54,1). Deze zwangerschap werd verkondigd door de stem van de engel; die stem was, evenals Johannes in de eenzaamheid van de woestijn, ook een voorloper van de Heer; deze stem van de engel bracht het goede nieuws aan de vrouw die niet gebaard had (Lc 1,19). Door deze stem van het Woord baart de onvruchtbare vrouw in vreugde en draagt de woestijn vruchten. Deze twee stemmen van de voorlopers van de Heer, van de engel en van Johannes, vertellen me het verborgen heil in hen, zodat na de verschijning van het Woord, wij de vrucht van vruchtbaarheid plukken: het eeuwig leven.

 

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

 

 

 

Overweging : De wil van de Vader..is dat géén van deze kleinen verloren gaat

H. Silouan (1866-1938), orthodox monnik
Geschriften

 silouan de athoniet58741
  Heilige Silouan de Athoniet“De wil van uw Vader… is dat géén van deze kleinen verloren gaat.”

      Als de mensen wisten wat de liefde van de Heer is, zouden ze massaal naar Christus stromen en zou Hij hen allen verwarmen met Zijn genade. Zijn barmhartigheid is onuitsprekelijk. De ziel vergeet de aarde door de liefde van God. De Heer heeft de berouwvolle zondaar zeer lief en liefhebbend drukt Hij hem tegen zijn borst: “Waar was je, Mijn kind? Ik wacht al lang op je” (Lc 15,20). De Heer roept alle mensen tot Zich door de stem van het Evangelie en zijn stem weerklinkt over de gehele aarde.

      “Komt tot Mij, gij alleen die belast zijt en Ik zal u rust geven. Komt en drinkt van het levendmakende water (naar Mt 11,28)  Komt en verneemt dat Ik u liefheb (Joh 7,37). Als Ik u niet liefhad, zou Ik u niet roepen. Ik kan het niet verdragen dat er ook maar één van mijn schapen verloren zou gaan. Zelfs voor één enkel schaap gaat de Herder naar de bergen en zoekt het overal. Komt tot Mij, Mijn schapen. Ik heb u geschapen en Ik heb u lief. Mijn liefde voor u heeft Mij naar de aarde gebracht en Ik heb alles geduld omwille van uw verlossing. Ik wil dat u Mijn liefde leert kennen en dat u evenals de apostelen op de berg Thabor zult zeggen: “Heer, het is goed voor ons om met U te zijn” (Mc 7,5)…

      U hebt de zielen van de heiligen tot U aangetrokken, Heer, en zij stromen naar U als stille rivieren. De geest van de heiligen heeft zich vastgehecht aan U, Heer, en hij strekt zich uit naar U, ons Licht en onze vreugde. De harten van uw heiligen zijn bevestigd in Uw liefde, Heer, en zij kunnen U geen ogenblik vergeten, zelfs niet in hun slaap, want de genade van de Heilige Geest is zoet.

(vert. Zr. Elisabeth Koning, uitgeverij Axios)

 

 

Kinderen en Jezus

 

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

 

Efraïm de syriër : Ontvangen zonder erfzonde………..bezinning van de week

H. Ephraïm (ca 306-373), diaken in Syrië, Kerkleraar  

efraim de Syrier28

 

HYMNE TOT DE MOEDER GODS

moeder Gods van het teken 13

Zoon van God, geef mij uw wonderbaarlijke Gave, opdat ik de geweldige schoonheid van uw geliefde moeder vieren zal. De Maagd heeft haar Zoon gebaard door haar maagdelijkheid te bewaren, zij heeft Hem, die de naties voedt, gezoogd. In haar ongeschonden schoot heeft ze Degene gedragen die het universum in zijn hand draagt. Ze is Maagd en zij is moeder, wat is ze niet vanaf die tijd? Ze is heilig van lichaam, mooi van ziel, puur van geest, oprecht van inzicht, volmaakt van gevoel, kuis en trouw, zuiver van hart en vervuld met elke deugd.

      Dat alle maagdelijke harten zich verheugen over Maria, aangezien uit haar Degene geboren is, die de mensheid uit hun verschrikkelijke slavernij heeft verlost. Dat de oude Adam die gewond werd door de slang, zich over Maria verheugt. Maria heeft aan Adam nageslacht gegeven die hem de gelegenheid geeft om de vervloekte slang te vertrappen en die hem geneest van zijn dodelijke wond (Gn 3,15). Dat de priesters zich verheugen over de gezegende Maagd; zij heeft de Hogepriester op de wereld gezet, die zichzelf tot slachtoffer heeft gemaakt, en een einde heeft gemaakt aan de slachtoffers van het oude verbond… Dat alle profeten zich over Maria verheugen, omdat in haar alle profetieën vervuld zijn, al hun profetieën zich hebben gerealiseerd en hun voorspellingen zijn uitgekomen. Dat alle patriarchen zich verheugen over Maria, want zij heeft de zegen ontvangen die hen beloofd was. Zij heeft hen door haar Zoon volmaakt gemaakt…

      Maria is de nieuwe levensboom die, in plaats van de bittere vrucht die Eva plukte, een zeer zoete vrucht aan de mensen geeft, waarmee de gehele wereld zich voedt.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

 

Akathist tot de moeder Gods in het Frans

Acathiste à la Mère de Dieu

 

Un « acathiste » est une hymne que l’on écoute debout. L’Acathiste à la Mère de Dieu, le premier et le plus connu des acathistes, est typiquement célébré aux matines du samedi de la cinquième semaine du grand Carême. Chez les Grecs, les stances de l’acathiste sont distribuées sur les quatre premiers vendredis de Carême. L’acathiste doit son origine au siège de Constantinople en 626, lorsque le patriarche Serge, en l’absence de l’empereur Héraclius, organisa la défense de la cité et consacra la ville à la Mère De Dieu. Le contexte historique est présenté en plus de détail à la page Fêtes et icônes de la Mère de Dieu.

Un ange, parmi ceux qui se tiennent devant la Gloire du Seigneur, fut envoyé dire à la Mère de Dieu : ” Réjouis-toi ! Il incline les cieux et descend, Celui qui vient demeurer en toi dans toute sa plénitude. Je le vois dans ton sein prendre chair à ma salutation ! ” Avec allégresse, l’ange l’acclame :

Réjouis-toi en qui resplendit la joie du Salut
Réjouis-toi en qui s’éteint la sombre malédiction
Réjouis-toi en qui Adam est relevé de sa chute
Réjouis-toi en qui Ève est libérée de ses larmes

Réjouis-toi Montagne dont la hauteur
dépasse la pensée des hommes
Réjouis-toi Abîme à la profondeur insondable même aux anges
Réjouis-toi tu deviens le Trône du Roi
Réjouis-toi tu portes en ton sein Celui qui porte tout

Réjouis-toi Étoile qui annonce le Lever du Soleil
Réjouis-toi tu accueilles en ta chair ton enfant et ton Dieu
Réjouis-toi tu es la première de la Création Nouvelle
Réjouis-toi en toi nous adorons l’Artisan de l’univers

Réjouis-toi Épouse inépousée !

La Toute-Sainte répondit à l’ange Gabriel avec confiance : ” Voilà une parole inattendue, qui paraît incompréhensible à mon âme, car tu m’annonces que je vais enfanter, moi qui suis vierge. ”

Alléluia, alléluia, alléluia !

Pour comprendre ce mystère qui dépasse toute connaissance, la Vierge dit au Serviteur de Dieu : ” Comment, dis-moi, me sera-t-il passible de donner naissance à un fils alors que je ne connais pas d’homme ? ” Plein de respect, l’ange l’acclame :

Réjouis-toi tu nous ouvres au secret du Dessein de Dieu
Réjouis-toi tu nous mènes à la confiance dans le silence
Réjouis-toi tu es la première des merveilles du Christ Sauveur
Réjouis-toi tu récapitules la richesse de sa Parole

Réjouis-toi Échelle en qui Dieu descend sur la terre
Réjouis-toi Pont qui unit la terre au ciel
Réjouis-toi Merveille inépuisable pour les anges
Réjouis-roi Blessure inguérissable pour l’adversaire

Réjouis-roi ineffable Mère de la Lumière
Réjouis-toi tu as gardé en ton coeur le Mystère
Réjouis-toi en qui est dépassé le savoir des savants
Réjouis-toi en qui est illuminée la foi des croyants

Réjouis-toi Épouse inépousée !

La puissance du Très-Haut reposa sur l’Inépousée et comme un jardin au beau fruit, elle porta le Salut pour tous ceux qui désirent le cueillir.

Alléluia, alléluia, alléluia !

Portant le Seigneur dans son sein, Marie partit en hâte chez Élisabeth. Lorsqu’il reconnut la salutation de Marie, l’enfant se réjouit aussitôt, bondissant d’allégresse comme pour chanter à la Mère de Dieu :

Réjouis-toi Jeune pousse au Bourgeon immortel
Réjouis-toi Jardin au Fruit qui donne Vie
Réjouis-toi en qui a germé le Seigneur notre Ami
Réjouis-toi tu as conçu le Semeur de notre vie

Réjouis-toi Champ où germe la Miséricorde en abondance
Réjouis-toi Table qui offre la Réconciliation en plénitude
Réjouis-toi tu prépares l’Espérance du Peuple en marche
Réjouis-toi tu fais jaillir la Nourriture d’Éternité

Réjouis-roi Parfum d’une offrande qui plaît à Dieu
Réjouis-toi en qui tout l’univers est réconcilié
Réjouis-toi Lieu de la bienveillance de Dieu pour les pécheurs
Réjouis-toi notre assurance auprès de Dieu

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Joseph le Sage se troubla, secoué par une tempête de pensées contradictoires. Il te vit inépousée et te soupçonna d’un amour caché, toi l’Irréprochable. Mais, apprenant que ce qui avait été engendré en toi venait de l’Esprit-Saint, il s’écria :

Alléluia, alléluia, alléluia !

Quand les bergers entendirent les anges chanter la venue du Christ en notre chair, ils ont couru contempler leur Pasteur reposant sur le sein de Marie en Agneau Immaculé. Ils exultèrent en chantant :

Réjouis-toi Mère de l’Agneau et du Pasteur
Réjouis-toi Maison des brebis rassemblées
Réjouis-toi Protection contre le loup qui disperse
Réjouis-toi en ta chair s’ouvre la Porte qui conduit au Père

Réjouis-toi en qui les cieux se réjouissent avec la terre
Réjouis-toi en qui la terre exulte avec les cieux
Réjouis-toi tu donnes l’assurance à la parole des Apôtres
Réjouis-toi tu donnes la force au témoignage des Martyrs

Réjouis-toi inébranlable soutien de notre foi
Réjouis-toi tu sais la splendeur de la grâce
Réjouis-toi en qui l’Enfer est dépouillé
Réjouis-toi en qui nous sommes revêtus de gloire

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Les Mages ont vu l’astre qui conduit à Dieu. Marchant à sa clarté comme on saisit un flambeau, ils ont trouvé la Lumière véritable. Tout proches de Celui que personne n’a jamais vu, ils acclament sa Mère :

Alléluia, alléluia, alléluia !

Ceux qui savent lire les signes des astres ont reconnu dans les bras de la Vierge le Créateur des hommes ; dans les traits de Celui qui a pris condition d’esclave ils ont adoré leur Maître. Avec empressement ils l’honorèrent de leurs présents en chantant à la Toute-Bénie :

Réjouis-toi Mère de l’Astre sans déclin
Réjouis-toi Reflet de la clarté de Dieu
Réjouis-toi en qui s’éteint la brûlure du mensonge
Réjouis-toi en qui s’illumine pour nous la Trinité d’Amour

Réjouis-toi en qui l’inhumaine puissance est défaite
Réjouis-toi tu nous montres le Christ Seigneur Ami des hommes
Réjouis-toi en qui les idoles païennes sont renversées
Réjouis-toi tu nous donnes d’être libérés des oeuvres mauvaises

Réjouis-toi en qui s’éteint l’idolâtrie du feu païen
Réjouis-toi en qui nous sommes affranchis du feu des passions
Réjouis-toi tu conduis les croyants vers le Christ Sagesse
Réjouis-toi Allégresse de toutes les générations

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Les Mages s’en retournèrent à Babylone en témoins, porteurs de Dieu. Là ils annoncèrent la Bonne Nouvelle et accomplirent les Écritures en te proclamant devant tous comme Messie. Hérode resta seul, livré à sa sottise, incapable d’entrer dans la louange :

Alléluia, alléluia, alléluia !

Ô Sauveur, tu as porté en Égypte l’éclat de la vérité et tu en as chassé les ténèbres du mensonge. Les idoles du pays de l’esclavage se sont placées sous ta puissance et ceux que tu as ainsi délivrés du péché se tournent vers la Mère de Dieu pour lui chanter :

Réjouis-toi en qui l’homme est relevé
Réjouis-toi en qui les démons sont défaits
Réjouis-toi tu foules au pied le maître du mensonge
Réjouis-toi tu démasques le piège des idoles

Réjouis-toi Mer où trouve sa perte 1e Pharaon
qui se tient dans l’esclavage du péché
Réjouis-toi Rocher d’où jaillit la Source
qui abreuve les assoiffés
Réjouis-toi Colonne du Feu
qui illumine notre marche dans la nuit
Réjouis-toi Manteau aussi vaste
que 1a Nuée pour ceux qui sont sans recours

Réjouis-toi tu portes le vrai Pain du ciel
qui remplace la manne
Réjouis-toi Servante du Festin
où nous avons part aux réalités du ciel
Réjouis-toi Belle terre de la foi où s’accomplit la Promesse
Réjouis-toi Pays ruisselant de lait et de miel

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Lorsque Siméon fut au seuil de la mort, Seigneur, tu lui fus présenté comme un enfant mais il reconnut en toi la perfection de la Divinité. Plein d’admiration pour ton Être qui n’a pas de fin, il chanta :

Alléluia, alléluia, alléluia !

Le Créateur a fait une Oeuvre Nouvelle lorsqu’il se rendit visible à nos yeux. Il a pris chair dans le sein d’une vierge en la gardant dans son intégrité, pour qu’à la vue de cette merveille nous chantions :

Réjouis-toi Fleur de l’Être inaltérable de Dieu
Réjouis-toi Couronne de son amour virginal
Réjouis-toi Figure qui resplendit
de la Résurrection du Seigneur
Réjouis-toi tu partages avec les anges la clarté du Royaume

Réjouis-toi Arbre dont le Fruit splendide nourrit les croyants
Réjouis-toi Feuillage dont l’ombre procure
la fraîcheur aux multitudes
Réjouis-toi tu enfantes la rançon des captifs
Réjouis-toi tu portes dans ta chair le Guide des égarés

Réjouis-toi notre Avocate auprès du Juge juste et bon
Réjouis-roi en qui arrive le pardon pour la multitude
Réjouis-toi Tunique d’espérance pour ceux qui sont nus
Réjouis-toi Amour plus fort que tout désir

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Quand nous contemplons cet enfantement inhabituel nous devenons étrangers à notre monde habituel et notre esprit se tourne vers les réalités d’en haut. Car le Très-Haut s’est révélé aux hommes dans l’abaissement pour élever ceux qui croient en lui.

Alléluia, alléluia, alléluia !

Le Verbe que rien ne contient a pris chair dans notre condition humaine sans cesser d’être Dieu. En venant habiter le monde d’en-bas, il n’a pas quitté pour autant les réalités d’en-haut, mais il est descendu tout entier dans le sein d’une Vierge qu’il a habitée de sa divinité :

Réjouis-toi Temple du Dieu de toute immensité
Réjouis-toi Porche du Mystère enfoui depuis les siècles
Réjouis-toi incroyable nouvelle pour les incroyants
Réjouis-toi Bonne Nouvelle pour les croyants

Réjouis-toi Vaisseau choisi où vient à nous
Celui qui surpasse les Chérubins
Réjouis-toi Demeure très sainte de Celui
qui siège au-dessus des Séraphins
Réjouis-toi en qui les contraires sont conduits vers l’Unité
Réjouis-toi en qui se joignent la virginité et la maternité

Réjouis-toi en qui la transgression reçoit le pardon
Réjouis-toi en qui le Paradis s’ouvre à nouveau
Réjouis-toi Clef du Royaume du Christ
Réjouis-toi Espérance des biens éternels

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Tous les anges du ciel ont été frappés de stupeur devant la prodigieuse oeuvre de ton Incarnation, Seigneur, car toi le Dieu que nul n’a jamais vu, tu t’es rendu visible à tous et tu as demeuré parmi nous. Tous nous t’acclamons :

Alléluia, alléluia, alléluia !

Devant toi, ô Mère de Dieu, les orateurs bavards sont muets comme des poissons, incapables de dire comment tu as pu enfanter et demeurer vierge. Remplis d’étonnement, nous contemplons en toi le Mystère de la Foi :

Réjouis-toi Trône de la sagesse éternelle
Réjouis-toi Écrin du dessein bienveillant de Dieu
Réjouis-toi tu conduis les philosophes
aux limites de leur sagesse
Réjouis-toi tu mènes les savants aux frontières du raisonnement

Réjouis-toi devant qui les esprits subtils deviennent hésitants
Réjouis-toi devant qui les littérateurs perdent leurs mots
Réjouis-toi devant qui se défont
les raisonnements les plus serrés
Réjouis-toi car tu montres Celui
dont la Parole agit avec puissance

Réjouis-toi en qui nous sommes tirés de l’abîme de l’ignorance
Réjouis-toi en qui nous accédons à la plénitude
du Mystère de Dieu
Réjouis-toi Planche de salut pour ceux
qui aspirent à la pleine vie
Réjouis-toi Havre de paix pour ceux
qui se débattent dans les remous de leur vie

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Dans sa volonté de sauver toute sa création, le Créateur de l’univers a choisi d’y venir lui-même. Pour refaire en nous son image à sa ressemblance divine, il est devenu l’Agneau, lui notre Dieu et notre Pasteur.

Alléluia, alléluia, alléluia !

En toi Vierge Marie, Mère de Dieu, trouvent refuge ceux qui ont fait choix de virginité et qui se tournent vers toi. Car le Créateur du ciel et de la terre t’a façonnée, ô Immaculée, en venant demeurer dans ton sein. Tous, il nous apprend à t’acclamer :

Réjouis-toi Mémorial de 1a virginité
Réjouis-toi Porte du Salut
Réjouis-toi premier fruit du Royaume Nouveau
Réjouis-toi en qui resplendit la merveille du don gratuit

Réjouis-toi en qui sont régénérés les esprits accablés
Réjouis-toi en qui sont fortifiés ceux que leur passé a blessé
Réjouis-toi car tu enfantes Celui qui nous délivre du Séducteur
Réjouis-toi car tu nous donnes la Source de la chasteté

Réjouis-toi Chambre nuptiale où Dieu épouse notre humanité
Réjouis-toi tu confies au Dieu d’amour
ceux qui se donnent à lui
Réjouis-toi Nourriture du Seigneur pour ceux
qui ont pris le chemin de virginité
Réjouis-toi tu conduis les croyants à l’intimité avec l’Époux

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Toutes nos hymnes de louange sont impuissantes à chanter, Seigneur, la profusion de ta miséricorde infinie. Seraient-elles aussi nombreuses que le sable de la mer, jamais elles ne parviendraient à égaler la richesse du don que tu nous as fait.

Alléluia, alléluia,, alléluia !

Nous contemplons dans la Vierge sainte le flambeau qui a porté la Lumière dans les ténèbres. Embrasée par la flamme du Verbe de Dieu qu’elle accueille dans sa chair, elle conduit tout homme à la connaissance de Dieu, illuminant l’intelligence de sa Splendeur. Joyeusement nous l’acclamons :

Réjouis-toi Aurore du Soleil levant
Réjouis-toi Flambeau qui porte la Lumière véritable
Réjouis-toi Éclat de Celui qui illumine notre coeur
Réjouis-toi devant toi l’Ennemi est frappé de terreur

Réjouis-toi Porte de la Lumière étincelante
Réjouis-toi Source d’une Eau jaillissant en Vie éternelle
Réjouis-toi Image vivante de la piscine du baptême
Réjouis-toi en qui nous sommes lavés de la souillure du péché

Réjouis-toi Bassin où nous est donné un esprit renouvelé
Réjouis-toi Coupe où nous puisons la Joie
Réjouis-toi en qui nous respirons le parfum du Christ
Réjouis-toi Source intarissable d’allégresse

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Il a voulu faire grâce des anciennes dettes à tous les hommes. De lui-même il est venu habiter chez les siens, parmi ceux qui vivaient loin de sa Grâce et déchirant leurs billets de créance, il entendit de toutes les bouches sortir cette acclamation :

Alléluia, alléluia, alléluia !

Nos voulons, ô Mère de Dieu, chanter ton enfantement, te louer comme le Temple vivant que le Seigneur a sanctifié et glorifié en demeurant dans ton sein, lui qui tient tout dans sa Main :

Réjouis-toi Tabernacle du Dieu vivant
Réjouis-toi Sanctuaire qui contient le Seul Saint
Réjouis-toi Arche de la Nouvelle Alliance dorée par l’Esprit
Réjouis-toi Trésor inépuisable de la Vie

Réjouis-toi Diadème de grand prix pour les gouvernants
Réjouis-toi Gloire vénérable des prêtres de Dieu
Réjouis-toi Solide Tour qui garde l’Église
Réjouis-toi Rempart inébranlable de la Cité

Réjouis-toi en qui surgit le Trophée de notre victoire
Réjouis-toi en qui sonne la déroute de notre Ennemi
Réjouis-toi Guérison de mon corps
Réjouis-toi Salut de mon âme

Réjouis-toi Épouse inépousée !

Ô Mère bénie entre toutes, toi qui as enfanté le Verbe de Dieu, le Seul Saint, reçois l’offrande de notre prière. Garde-nous de tout malheur et de toute menace, nous qui te chantons d’un même coeur :

Alléluia, alléluia, alléluia !

25e zondag na Pinksteren – 11e na de Kruisverheffing

25e zondag na Pinksteren – 11e na de Kruisverheffing

 

“Van de genezing op de Sabbath”

 genezing op de Sabbath

Eerste Lezing Efesiërs : 4,1-6

 

Christus als fundament

Ik, die gevangenzit omwille van de Heer, vraag u dan ook dringend de weg te gaan die past bij de roeping die u hebt ontvangen: wees steeds bescheiden, zachtmoedig en geduldig, en verdraag elkaar uit liefde. Span u in om door de samenbindende kracht van de vrede de eenheid te bewaren die de Geest u geeft: één lichaam en één geest, zoals u één hoop hebt op grond van uw roeping, één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die boven allen, door allen en in allen is.

Aan ieder van ons is genade geschonken naar de maat waarmee Christus geeft. Daarom staat er: ‘Toen hij opsteeg naar omhoog, voerde hij gevangenen mee en schonk hij gaven aan de mensen.’ ‘Hij steeg op’ – wat betekent dat anders dan dat hij ook is afgedaald naar wat lager ligt, naar de aarde? 10 Hij die is afgedaald is dezelfde als hij die opsteeg, tot boven de hemelsferen, om alles met zijn aanwezigheid te vullen. 11 En hij is het die apostelen heeft aangesteld, en profeten, evangelieverkondigers, herders en leraren, 12 om de heiligen toe te rusten voor het werk in zijn dienst. Zo wordt het lichaam van Christus opgebouwd, 13 totdat wij allen samen door ons geloof en door onze kennis van de Zoon van God een eenheid vormen, de eenheid van de volmaakte mens, van de tot volle wasdom gekomen volheid van Christus. 14 Dan zijn we geen onmondige kinderen meer die stuurloos ronddobberen en met elke wind meewaaien, met wat er maar verkondigd wordt door mensen die tot alles in staat zijn wanneer ze anderen listig en doortrapt op een dwaalspoor willen brengen. 15 Dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben, samen volledig toe groeien naar hem die het hoofd is: Christus. 16 Vanuit dat hoofd krijgt het lichaam samenhang, en wordt het ondersteund en bijeengehouden door alle gewrichtsbanden. Ieder deel draagt naar vermogen bij tot de groei van het lichaam, dat zo zichzelf opbouwt door de liefde.

 

EVANGELIE :  Lucas 13, 10-17

 Genezing op sabbat

13.10 Hij gaf op sabbat onderricht in een synagoge. 11 Er was daar ook een vrouw die al achttien jaar bezeten was door een geest die haar ziek maakte. Ze was helemaal krom en kon met geen mogelijkheid rechtop staan. 12 Toen Jezus haar zag, riep hij haar bij zich en zei tegen haar: ‘U bent verlost van uw ziekte,’ 13 en hij legde haar de handen op. Meteen ging ze rechtop staan en loofde God. 14 Maar de leider van de synagoge werd boos omdat Jezus op sabbat genas en zei tegen de menigte: ‘Er zijn zes dagen om te werken. Kom dus op die dagen om u te laten genezen en niet als het sabbat is!’ 15 Maar de Heer zei: ‘Huichelaars! Maakt niet ieder van jullie op sabbat zijn os of ezel los van de voederbak om hem te laten drinken? 16 Mocht deze vrouw, die een dochter is van Abraham en al achttien jaar door Satan geboeid werd gehouden, mocht zij op sabbat niet uit deze boeien worden losgemaakt?’ 17 Toen hij dat zei, stonden al zijn tegenstanders beschaamd, maar de hele menigte was verheugd over de machtige daden die door hem werden verricht.

 

Patriarch Alexij II van Rusland overleden

Patriarch Alexij II van Moskou

Overleden

Verslagenheid om overlijden patriarch Alexij II

Hilversum (Van onze redactie) 5 december 2008 – Wereldwijd is met verslagenheid gereageerd op het overlijden van de Russisch-orthodoxe patriarch Alexij II. Waaraan de 79-jarige kerkleider is overleden is nog niet bekend, maar hij had al geruime tijd last van een hartaandoening.

Inzet voor oecumene
Paus Benedictus XVI heeft een condoleanceboodschap gestuurd aan de Russisch-orthodoxe Kerk. De paus zegt “diep bedroefd” te zijn door het plotselinge overlijden van de patriarch. Het Vaticaan prijst Alexij om zijn inzet voor nauwere banden met Rome. “Wij hebben nooit getwijfeld aan zijn toewijding aan het verbeteren van de relaties met de katholieke Kerk, ondanks de moeilijkheden en spanningen die zich van tijd tot tijd voordeden”, aldus kardinaal Walter Kasper, de president van de Pauselijke Raad voor de Promotie van de Eenheid der Christenen.

‘Gemis voor Rusland’
“Het overlijden van Aleksij is een gemis voor Rusland”, zegt René van der Linden, namens het CDA lid van de Eerste Kamer. In 2007 sprak de patriarch op uitnodiging van Van der Linden de Raad van Europa in Straatsburg toe. “Dat was de eerste keer dat hij buiten Rusland een parlement toesprak. Het was een historisch moment dat grote impact had in Rusland.” De senator ontmoette de patriarch ‘een stuk of zes keer’. “Ik kende Aleksij persoonlijk als iemand die openstond voor samenwerking en dialoog met West-Europa. Ik heb hem altijd zeer gerespecteerd.”

 Patriarch Alexij

Aleksij II en René van der Linden na de toespraak van de patriarch tot de Raad van Europa (foto: Raad van Europa/Michel Christen).

‘Groot verlies’
De Russische premier Vladimir Poetin noemde het overlijden van de kerkvader een “groot verlies voor de natie”. De Russische president Dmitri Medvedev heeft onmiddellijk zijn reis naar Italië afgezegd. Hij keert vervroegd terug uit de Indiase stad New Delhi, waar hij momenteel op bezoek is.

Richt u dan op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing is nabij

Heilige  Augustinus (354-430), bisschop van Hippo (Noord Afrika) en Kerkleraar

Overwegingen over de psalmen, Ps. 96

“Richt u dan op, en heft uw hoofden omhoog; want uw verlossing is nabij.”

+
      

augustinus01k

“Laten alle bomen jubelen voor de Heer, want Hij is in aantocht, in aantocht is Hij als rechter van de aarde” (Ps 96,12-13). De Heer is voor de eerste keer gekomen en Hij komt terug. Hij is een eerste keer “op de wolken” (Mt 26,64) in zijn Kerk gekomen. Wat zijn die wolken die Hem dragen? De apostelen, de predikers… Hij is voor de eerste keer gekomen, gedragen door de predikers, en Hij heeft de gehele aarde vervuld. Laten we niet aarzelen bij zijn eerste komst, om zijn tweede komst niet te duchten.

      Wat moet een christen dus doen? Van deze wereld profiteren, maar deze wereld niet dienen. Waar bestaat dat uit? “Bezit alsof u niet bezit”. Zo zegt de apostel Paulus het: “Broeders en zusters: de tijd is kort. Laten daarom… zij die huilen, zijn alsof zij niet huilden; zij die zich verheugen, alsof zij niet verheugd waren; zij die kopen, alsof zij geen eigenaar werden. Zij die met het aardse omgaan, moeten er niet in opgaan, want de wereld die wij zien, gaat voorbij. Ik zou willen dat u zonder zorgen was” (1Kor 7,29-32). Degene die vrij is van elke zorg wacht met zekerheid op de komst van zijn Heer. Want bemint men de Heer als men zijn komst met schrik tegemoet ziet? Broeders en zusters, schamen we ons daar niet voor? We houden van Hem en we vrezen zijn komst? Laten we Hem werkelijk liefhebben, of houden we meer van onze zonden? Laten we dus onze zonden haten, en laten we Hij die komen moet liefhebben…

        “Laten alle bomen jubelen bij het zien van de Heer”, want Hij is een eerste keer gekomen… Hij is voor de eerste keer gekomen, en Hij komt terug om de aarde te oordelen; laat Hij dan degenen die de eerste keer in zijn komst geloofden, vol met blijdschap vinden.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Ireneos van Lyon : de Kerk

IRENEOS VAN LYON

 Irenaeus van Lyon

 

De Kerk

 

De nieuwe Wet van de Heilige Geest

 

89. Reeds Jesaja leert ons dat Christus ons niet tot de Mozaïsche Wet wil terugvoeren, – Hij heeft immers de Oude Wet tot een einde gebracht – maar dat men door het geloof en de liefde voor Gods Zoon voortaan een nieuw leven moet leiden, door de krachtige bijstand van het goddelijk Woord (Jes.43,18-21) : Denk niet meer aan wat gebeurd is, blijf niet steeds denken hoe het vroeger was. Voorwaar, Ik doe iets nieuws; reeds staat het op het punt te gebeuren en gij zult het meemaken. Ik leg een weg aan in de woestijn. Ik laat stromen vloeien door de dorre aarde, om Mijn uitverkoren volk te drenken, het volk dat Ik Mij verworven heb om mijn deugden te verkondigen.

‘Woestijn’ en ‘dorre grond’ dat waren de heidenen vóór zij geroepen werden, want het Woord was nog niet onder hen gekomen, en zij waren nog niet gedrenkt met de Heilige Geest, die een nieuwe weg had geopend van vroomheid en gerechtigheid, en die rijke bronnen han doen ontspringen : de door de profeten beloofde Heilige Geest, die uitgestort was over geheel de aarde.

 De uitstorting van de Heilige Geest

90. Bij onze roeping gaat het dus om de vernieuwing door de Geest en niet om de oude letter (Rom.7,6), zoals jeremia profeteerde (31,31-34) : Zie, er komen dagen, spreekt de  Heer, dat Ik met het huis Israël en het huis Juda een nieuw Verbond zal sluiten; niet zoals dat welk Ik met hun vaderen gesloten heb in de tijd dat Ik hen bij de hand nam om hen uit Egypte te leiden. Doch zij hielden zich niet aan dit Verbond en daarom heb ik Mij niet meer met hen bezig gehouden, zegt de Heer.

Maar dit is het nieuw Verbond dat Ik na deze dagen met Israël sluiten zal : Ik leg hun Mijn Wet in de geest en grif die in hun hart. Zo zal Ik hun God zijn en zij zullen Mijn volk wezen. Voortaan zullen zij niet meer elkander onderrichten : Ken de Heer, want allen, klein en groot, zullen Mij kennen. Want Ik wil aan hen hun schulden vergeven, en hun zonden wil Ik niet meer gedenken.

Ook de heidenen worden geroepen

91. Ook de geroepen heidenen zullen deze Beloften erven en zij zullen deel uitmaken van dit Nieuwe Verbond. Dat leert ons Jesaja waar hij zegt (17,7vv) : Zo zegt de God van Israël : Te dien dage zal de mens zijn hoop stellen op zijn Schepper, en zijn ogen zullen opzien naar de Heilige van Israël; en zij zullen niet langer heil verwachten op de altaren der afgoden, het werk van hun eigen handen, dat hun vingers hebben vervaardigd.

Dit woord is dus gesproken over hen die de afgoden hebben verlaten, en die geloven aan God onze Meester, de Heilige van Israël. Deze Heilige van Israël nu is Christus, en wij zien op tot Hem die verschenen is onder de mensen. Maar wij hebben onze hoop niet gesteld op andere goden, het werk van mensenhanden.

God onder de mensen

92. Het Woord Gods is onder ons beschikbaar geworden, immers Gods Zoon is tot Mensenzoon geworden, om gekend te worden door ons die Hem vroeger nooit hadden gekend. Daarover sprak het Woord zelf door de mond van Jesaja (Jes.65,1) : Ik ben verschenen aan hen die niet naar Mij hadden gevraagd, en ik ben gevonden door hen die Mij niet hebben gezocht. Ik zeide : ‘Hier ben Ik’ tot een volk dat Mijn Naam nog niet had aangeroepen.

Geroepen tot heiligheid

93. De profeet Hosea heeft in het Boek der Twaalf Profeten aangekondigd (2,25) : Ik zal tot Niet-Mijn Volk zeggen : Mijn volk zijt gij; en de niet-geliefde zal bemind zijn. En in plaats van tot hen te zeggen : ge zijt Mijn volk niet, zal men hen noemen : Kinderen van de levende God.

Zo heeft ook Johannes de Doper gezegd (Matt.3,9) : God kan uit deze stenen kinderen voor Abraham verwekken. Want nadat onze harten zich hebben afgekeerd van de steenverering en wij vrijgemaakt zijn, zien wij God in het geloof en worden wij kinderen van de door het geloof gerechtvaardigde Abraham (Gal.3,6-8). En daarom zegt God door de profeet Ezechiël (11,19) : En ik zal hun een ander hart geven en in hun binnenste een nieuwe geest leggen; het stenen hart zal ik wegnemen uit hun binnenste en Ik zal hun geven een hart van vlees, opdat zij wandelen volgens Mijn voorschriften, en Mijn wetten overdenken en onderhouden. Zij zullen Mijn volk zijn en Ik wil hun God zijn.

De nieuwe gemeente

94. Door het vleesgeworden Woord van God, die onder de mensen woont, is de roeping der heidenen tot stand gebracht en de verandering van hun hart, zoals het staat bij Zijn leerling Johannes (1,14) : Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. Daardoor heeft de Kerk zovele uitverkorenen voortgebracht, want noch Mozes, noch de Engel (Elia) is onze voorspraak, maar de Heer Zelf heeft ons gered (Jes.63,9), door velen als kinderen te geven aan de Kerk, talrijker dan de Synagoge : de Gemeente der eerstelingen, zoals Jesaja heeft gerofeteerd (54,1) : Jubel onvruchtbare, die niet gebaard hebt. Deze onvruchtbare, die in de voorafgaande tijd geen kinderen aan God kon schenken, is de Kerk, zoals de Profeet vervolgt : Jubel het uit van vreugde, zij die geen weeën heeft gehad, want talrijker zijn de kinderen van de eenzame dan die van de gehuwde. Immers, de oude synagoge had een man, de Wet.

De roeping der heidenen

95. Ook Mozes zegt in Deuteronomium dat de heidenen de eersten, het weerspannig volk daarentegen de laatsten zouden zijn (32,21) : Gij hebt Mijn naijver opgewekt door wat geen God is, en Mij vertoornd door uw afgoden. Daarom zal Ik uw naijver opwekken door wat geen volk is, en uw toorn door verstandelozen.

Want de Joden hadden de ware God verlaten om eredienst te bewijzen aan godheden die slechts niets zijn. Zij doodden Gods profeten en profeteerden voor de Baäl, de afgod der Kananieten. Hem die werkelijk Gods Zoon was, hebben zij minachtend verworpen, en zij gaven de voorkeur aan Barrabas die wegens moord gevangen was (Markus 15,7). Zij hebben de eeuwige Koning verloochend en een tijdelijke Caesar als koning erkend (Joh.19,15). Daarom heeft het God behaagd Zijn erfdeel over te dragen aan de heidenen hoewel zij niet tot de stad Gods behoorden en zelfs niet wisten wie Gpd was.

Volmaakter dan de oude Wet

96. Dank zij deze roeping is ons het leven verleend, en heeft God het geloof van Abraham in ons tot leven gebracht. We moeten dus niet meer achterwaards zien, dxz. Terugkeren tot de Oude Wet. Wij hebben immers de Heer der Wet ontvangen, de zoon van God. Door te geloven in Hem, leren wij God beminnen uit geheel ons hart en onze naaste als onszelf (Matt.27,39). Maar de liefde tot God sluit elke zonde uit, en het liefhebben van de naaste kan niet samengaan met hem kwaad te doen (Rom.13,10). Daarom hebben wij geen wet nodig als pedagoog (Gal.3,25) : zie, wij spreken met de Vader en staan voor Zijn Aangezicht, omdat wij kinderen zijn in de boosheid (1 Kor.14,20), maar vol kracht in gerechtigheid en reinheid . De Wet hoeft niet te zeggen : Gij zult niet echtbreken (Ex.20,14) tegen hen die zelfs niet denken aan een vreemde vrouw. Evenmin : Gij moogt niet doden tegen wie uit zijn hart alle gevoelens van toorn en haat verdrijft.

Ook niet : Gij zult niets begeren wat uw naaste toebehoort  tot hen die zich niet inlaten met aardse dingen omdat zij schatten verzamelen in de hemel. Noch : Oog om oog, tand om tand tot wie niemand voor vijand doch allen voor naaste houdt en daarom zelfs geen hand kan uitsteken om zich ergens over te wreken.

Ook zijn er geen Tienden te vragen van wie al zijn bezit offert aan God, en die vader en moeder en alle verwanten verlaat om Gods Woord te volgen. Het is niet nodig te gebieden één dag in rust en zonder werk door te brengen aan iemand die iedere dag Sabbath viert, dwz. Die in de tempel van God, het menselijk lichaam (1 Kor.3,16), God waardig dient en elke uur de gerechtigheid beoefent.

Reeds door de Profeten had de Heer gezegd : Barmhartigheid wil IK en geen offer, kennis van God en geen brandoffer. Zelfs al slacht de goddeloze voor Mij een rund dan zal het zijn alsof hij een hond wurgde; en brengt hij een spijsoffer, dan zou het zijn of hij zwijnebloed bracht (Hos6,6 , Jes.66,3). Wie echter de Naam des Heren aanroepen, zullen gered worden. Want er is geen andere naam onder de hemel waardoor de mensen gered worden (Hand.4,12) dan die van God, d.i. van Gods Zoon, Jezus Christus, aan Wie zelfs de demonen en boze geesten en alle opstandige krachten zich moeten onderwerpen.

God helpt Zijn gelovigen

97. Wanneer nu de naam van de onder Pontius Pilatus gekruisigde Jerzus Christus wordt aanroepen, wordt Satan van de mensen verdreven; want waar ook maar iemand bidt, die in Hem gelooft en Hem aanroept onder het volbrengen van Zijn wil, daar komt Jezus nabij : daar is Hij tegenwoordig om de gebeden te verhoren van hen die zich met een rein hart tot Hem richten.

Nu wij zo de verlossing ontvangen hebben, loven wij zonder ophouden God die ons door Zijn oneindige, onbegrensde, ondoorgrondelijke wijsheid heeft gered; en Die ons vanuit het hoogste der hemelen het heil verkondigt heeft, namelijk de zichtbare komst van onze Heer, Zijn leven in ons menselijk vlees. Uit onszelf zouden wij zulk een heerlijkheid nooit hebben kunnen bereiken, maar hetgeen voor mensen onmogelijk is, blijkt toch mogelijk voor God (Luc.19,27).

Ook de profeet Jeremia heeft daarover gesproken in het boek Baruch (3,29-41) : Wie is opgeklommen naar de hemel om haar uit de wolken naar beneden te brengen ? Wie over zee gevaren en bracht haar hier voor kostelijk goud ? Niemand vond haar weg of kende haar pad. Maar de Alwetende kent haar door Zijn inzicht. Hij heeft de aarde voor altijd geordend en haar vervuld met viervoeig vee. Hij zendt het licht uit en roept het terug, het gehoorzaamt aan Zijn woord. De stereen stralen vol vreugde op hun plaats; Hij roept ze tevoorschijn en zij antwoorden : ‘Hier zijn wij’, jubelend van blijdschap om hun schepper. Zo is onze God, niemand is met Hem te vergelijken.

Uit Hem stamt de wijsheid in al wat bestaat en Hij gaf haar aan Jacob, Zijn dienaar en aan Israël, Zijn beminde. Daarna verscheen de Wijsheid op aarde en woonde onder de mensen. Zo is het met het Boek van Gods Geboden, de altijd-blijvende Wet. Allen die de Wet onderhouden, zullen leven; maar wie haar verlaten, zullen sterven.

Het gaat hier over de Zoon Gods, die van de Vader heerschappij over ons leben ontving, en  Die haar, toen Hij op aarde verscheen en onder de mensen woonde, naar beneden bracht tot ons die zo ver van Hem verwijderd waren. Zo heeft Hij de Geest van God de Vader met Gods schepsel verenigd, opdat de mens naar Gods icoon en gelijkenis zou zijn.

Gevolgtrekkingen

98. Dit is de lieflijke waarheid zoals deze gepredikt wordt, en dit is de wijze van onze verlossing. Dit is de weg die leidt tot het leven, welke door de Profeten voorzegd en door Christus ten uitvoer is gebracht. Zo is het door de Apostelen overgeleverd en door de Kerk in heel de wereld aan haar kinderen overgedragen. Deze waarheid moeten we dan ook ongerept bewaren in goede gezindheid om God te behagen door goede werken en daarop onze wil en onze verlangens richten.

Mogelijke dwalingen

99. Laat niemand zich dus inbeelden dat God de Vader iemand anders is dan onze Schepper, zoals sommige ketters het voorstellen. Want zij hebben minachting voor God die het Zijn is, en wat wij aanbidden is een niets, want zij construeren zich een Vader die iets veel verheveners is dan onze Schepper en denken op die manier iets gevonden te hebben dat groter is dan de waarheid.

Dat is in feite goddeloosheid en belediging tegen hun God en hun Schepper. Dat hebben we uitvoerig beargumenteerd in ons boek tegen de zogenaamde Gnosis.

Weer anderen zien neer op de nederdaling van de Mensenzoon en het feit dat Hij vlees geworden is. We hebben in dit boek laten zien hoe de Profeten hebben voorspeld dat juist daardoor de mensheid tot volmaaktheid gebracht zal worden, en dat vormt ook de inhoud van de prediking der Apostelen. Ook zule mensen moeten we dus rekenen tot de ongelovigen. Nog anderen weigeren de gaven te erkennen van de heilige Geest en verwerpen de mogelijkheid van de profetie, terwijl juist het aanvaarden daarvan het goddelijk leven voortbrengt in de mens. Jesaja had zulke mensen op het oog waar hij zegt (1,30) : Want als een ontbladerende terebint en als een waterloze tuin, zo zullen zij worden. Zij zijn waardeloos voor God, omdat zij geen vrucht kunnen voortbrengen.

100. Zo is de dwaling op schikwekkende wijze weggeraakt van de drie hoofdwaarheden waarmee wij bezegeld zijn door de Doop. Want het gaat ofwel tegen de Vader, ofwel zij verwerpen de heilseconomie van de vleeswording van de Zoon, ofwel zij verzetten zich tegen de Heilige Geest doordat zij de profetie verachten.µ

Wij moeten er voor oppassen deze dwaling niet in onszelf toe te laten en ons onttrekken aan het gezelschap van zulke leraars, wanneer wij tenminste willen behagen aan God en het heil willen ontvangen dat van Hem afkomstig is.

Eer aan de alheilige Drie-eenheid en de ene Godheid : aan de Vader en aan de Zoon en aan de alles vooruitziende Geest. In de eeuwen der eeuwen.

AMEN

Uit : Ireneos van Lyon : Het Christengeloof

Uitgave van het orthodox klooster van Den Haag

Hij is geen God van doden , maar van Levenden

Bezinning van de week
    

H. Nicolaas Cabasilas (ca 1320-1363), Grieks lekentheoloog
Leven in Jezus Christus, IV, 93-97, 102

“Komt, gezegenden van mijn Vader; neemt bezit van het rijk, dat voor u is bereid van de grondvesting der wereld af”

 

christus pantocrator )- TRoublev

      “Christus heeft, na ons van de zonden te hebben gereinigd, plaatsgenomen aan de rechterzijde van Gods hemelse majesteit” (Heb 1,3)… Hij is dus van bij zijn Vader in de wereld gekomen, om ons te dienen. En zie, Hij vervult zijn taak; niet alleen op het moment dat Hij -bekleed met de gebrekkige mensheid- op aarde verscheen, laat Hij zich zien als slaaf en verbergt Hij zijn kwaliteit als Meester; maar later ook, op de dag van zijn terugkomst zal Hij komen met al zijn macht en zal Hij bij zijn openbaring in de glorie van zijn Vader verschijnen. Gedurende zijn heerschappij staat er geschreven, “Ik zeg u, Hij zal zich omgorden en hen aan tafel nodigen, en bij hen komen om hen te bedienen” (Lc 12,37). Dit is Degene door wie de vorsten heersen en de prinsen regeren.

      Zo zal Hij zijn ware en onberispelijke koningschap uitoefenen…;zo begeleidt Hij hen die zich aan Hem hebben onderworpen: vriendelijker dan een vriend, billijker dan een prins, tederder dan een vader, intiemer dan zijn ledematen, noodzakelijker dan zijn hart. Hij dringt zich niet op door vrees op te roepen, Hij bedient zich niet van een salaris. De kracht van zijn macht vindt Hij in zichzelf, door zichzelf alleen verbindt Hij zich aan zijn onderdanen. Want heersen door hardheid of om een salaris is niet zelf regeren, maar uit hoop op winst of door dreiging…

      Christus moet heersen in de eigenlijke zin van het woord. Alle andere autoriteit is Hem onwaardig. Hij heeft er op bijzondere wijze weten te komen…: om een echte Meester te worden, heeft Hij het bestaan als slaaf aangenomen en wordt dienstknecht van de slaven tot het kruis en de dood. Zo verblijdt Hij de ziel van de slaven en neemt Hij rechtstreeks de leiding over hun wil. Wetend dat dit het geheim van dit koningschap is, schreef Paulus: “Hij heeft zich vernederd; Hij werd gehoorzaam tot de dood, de dood aan een kruis. Daarom ook heeft God Hem hoog verheven” (Fil 2,8-9)… Door de eerste schepping is Christus Meester over de natuur; door de nieuwe schepping is Hij Meester over onze wil gemaakt. Daarom zegt Hij: “Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde” (Mt 28,18).

H. Nicolaas Cabasilas (ca 1320-1363), Grieks lekentheoloog
Leven in Jezus Christus, IV, 93-97, 102/ Dagelijks evangelie/Contact-nl@evangelizo.org  

 

Feest van de heilige Andreas

Feest van de Heilige Apostel en eerstgeroepene Andreas

24e zondag na Pinksteren – 10e zondag na de Kruisverheffing

Andreas
 

Lezingen : 1 Kor,4,9-16

 

Maar volgens mij heeft God ons, apostelen, de laagste plaats toegewezen, alsof we ter dood veroordeeld zijn. We zijn voor heel de wereld, zowel voor engelen als mensen, een schouwspel geworden. 10 Wij zijn dwaas omwille van Christus, terwijl u dankzij Christus zo geweldig wijs bent; wij zijn zwak, terwijl u zo geweldig sterk bent; u staat enorm in aanzien, terwijl wij worden veracht. 11 Tot op de dag van vandaag lijden we honger en dorst, hebben we nauwelijks kleren, worden we mishandeld, zijn we dakloos, 12 zwoegen we voor ons eigen brood. Worden we bespot, dan zegenen we; worden we vervolgd, dan verdragen we het; 13 worden we beledigd, dan antwoorden we vriendelijk. Tot op dit ogenblik zijn wij het uitschot van de wereld, het uitvaagsel van de mensheid.

14 Ik schrijf dit alles niet om u te beschamen, maar om u als mijn geliefde kinderen terecht te wijzen. 15 Hoeveel opvoeders in het geloof in Christus u ook zult hebben, u hebt maar één vader. Door Christus Jezus ben ik uw vader geworden, omdat ik u het evangelie heb gebracht. 16 Ik roep u dus op mij na te volgen.

 

Evangelielezing : Joh.1,35-51

35 De volgende dag stond Johannes er weer met twee van zijn leerlingen. 36 Toen hij Jezus voorbij zag komen, zei hij: ‘Daar is het lam van God.’ 37 De twee leerlingen hoorden wat hij zei en gingen met Jezus mee. 38 Jezus draaide zich om, en toen hij zag dat ze hem volgden, zei hij: ‘Wat

(1:38b-51) In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 1:39-52.

zoeken jullie?’ ‘Rabbi,’ zeiden zij tegen hem (dat is in onze taal ‘meester’), ‘waar logeert u?’ 39 Hij zei: ‘Kom maar mee, dan zul je het zien.’ Ze gingen met hem mee en zagen waar hij onderdak had gevonden; het was ongeveer twee uur voor zonsondergang en ze bleven die dag bij hem.

40 Een van de twee die gehoord hadden wat Johannes zei en Jezus gevolgd waren, was Andreas, de broer van Simon Petrus. 41 Vlak daarna kwam hij zijn broer Simon tegen, en hij zei tegen hem: ‘Wij hebben de messias gevonden’ (dat is Christus, ‘gezalfde’), 42 en hij nam hem mee naar Jezus. Jezus keek hem aan en zei: ‘Jij bent Simon, de zoon van Johannes, maar voortaan zul je Kefas heten’ (dat is Petrus, ‘rots’).

43 De volgende dag besloot Jezus naar Galilea te gaan en daar ontmoette hij Filippus. Hij zei tegen hem: ‘Ga met mij mee.’ 44 Filippus kwam uit Betsaïda, uit dezelfde stad als Andreas en Petrus. 45 Hij kwam Natanaël tegen en zei tegen hem: ‘We hebben de man gevonden over wie Mozes in de wet geschreven heeft en over wie ook de profeten spreken: Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazaret!’ 46 ‘Uit Nazaret?’ zei Natanaël. ‘Kan daar iets goeds vandaan komen?’ ‘Ga zelf maar kijken,’ zei Filippus. 47 Jezus zag Natanaël aankomen en zei: ‘Dat is nu een echte Israëliet, een mens zonder bedrog.’ 48 ‘Waar kent u mij van?’ vroeg Natanaël. Jezus antwoordde: ‘Ik had je al gezien voordat Filippus je riep, toen je onder de vijgenboom zat.’ 49 ‘Rabbi, u bent de Zoon van God, u bent de koning van Israël!’ zei Natanaël. 50 Jezus vroeg: ‘Geloof je omdat ik tegen je zei dat ik je onder de vijgenboom zag zitten? Je zult nog grotere dingen zien.’ 51 ‘Waarachtig, ik verzeker jullie,’ voegde hij eraan toe, ‘jullie zullen de hemel geopend zien, en de engelen van God zien omhooggaan en neerdalen naar de Mensenzoon.’

 

 andreas7s