Hymne van de Byzantijnse viering voor Theofanie

H.Sofrony van Jeruzalem (?-639), monnik, bisschop
Hymne van de byzantijnse viering voor Theofanie

“Vandaag opende de hemel zich, daalde de Heilige Geest neer op Jezus en de stem van de Vader klinkt over de wateren: “Dit is mijn welbeminde Zoon” (Vers bij het Alleluja)

      Vandaag is de Zon die nooit onder gaat, opgegaan en de wereld wordt verlicht door het licht van de Heer… Vandaag laten de wolken een hemelse dauw van gerechtigheid over de mensheid regenen. Vandaag laat Degene die niet geschapen is vrijwillig de handen opleggen door degene die geschapen is. Vandaag komt de profeet en voorloper voor zijn Meester te staan, en blijft huiverend dichtbij Hem, toen hij de welwillendheid van God voor ňns mensen zag.

      Vandaag zijn de stromen van de Jordaan veranderd in een bron van heil door de aanwezigheid van de Heer… Vandaag zijn de beledigingen van de mensen uitgewist door de wateren van de Jordaan. Vandaag opent het paradijs zich voor de mensheid en de Zon van Gerechtigheid straalt over ons (Mal 3,20)… Vandaag haast de Meester zich om zich te laten dopen, om de mensheid op te kunnen heffen. Vandaag buigt Degene, die niet verlaagd kan worden, zich voor zijn eigen dienaar om ňns te bevrijden van de slavernij. Vandaag hebben we het Koninkrijk der hemelen verkregen, want er zal geen einde aan het Koninkrijk van de Heer zijn.

      Vandaag delen de aarde en de zee de vreugde van de wereld en de wereld is vervuld met blijdschap. “Toen het water u zag, o God, toen het water u zag, begon het te beven” (Ps 77,17). “De Jordaan trok zich terug” (Ps 113,3) toen hij het vuur van de Godheid lichamelijk naar zich toe zag komen en afdalen in zijn stroom. De Jordaan trok zich terug toen hij de Heilige Geest in de vorm van een duif uit de hemel zag vallen en over u zweefde. De Jordaan trok zich terug toen hij de Onzichtbare zichtbaar gemaakt zag, de Schepper die is vlees geworden, de Meester die de vorm van een slaaf aannam… De wolken lieten hun stem vol met bewondering horen, wat veroorzaakt werd door de komst van het Licht der Licht onder ons, van de ware God uit ware God.

      Vandaag aanschouwen we het feest van de Heer in de Jordaan. En we zien Hem de dood in de Jordaan gooien, welke onze ongehoorzaamheid, de angel van de fout, de ketting van de hel, ons bezorgde en gaf aan de wereld de doop van de verlossing.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

32e zondag na Pinksteren – 18e na de kruisverheffing

32e zondag na Pinksteren, 18e na de Kruisverheffing

 

Zacheüszondag

 

Feest van de Heilige Gregorios van Nazianz

Gregorius van Nazianze

Lezingen :

 

2 Kor. 6, 1-15

1 Als Gods medewerkers sporen wij u dan ook aan: laat de goedheid die hij u bewijst niet tevergeefs zijn. 2 God zegt: ‘Wanneer de tijd daarvoor gekomen is, luister ik naar je, op de dag van de redding help ik je.’ Nu is de tijd daarvoor gekomen, nu is de dag van de redding. 3 Om onze verkondiging niet te schaden, geven wij niemand ook maar enige aanstoot. 4 We willen juist laten zien dat we dienaren van God zijn, door altijd te volharden: in tegenspoed, nood en ellende, 5 onder lijfstraffen, in gevangenschap en onder volkswoede, onder zware inspanningen, slaapgebrek en honger, 6 door oprechtheid en kennis, door geduld en vriendelijkheid, door de gaven van de heilige Geest en ongeveinsde liefde, 7 door de verkondiging van de waarheid en de kracht van God. We vallen aan en verdedigen ons met de wapens van de gerechtigheid, 8 we worden geëerd en gesmaad, belasterd en geprezen. We worden bedriegers genoemd maar spreken de waarheid, 9 we zijn vreemdelingen maar toch bij iedereen bekend, we sterven maar toch leven we, we worden gestraft maar niet ter dood veroordeeld, 10 we hebben verdriet maar toch zijn we altijd verheugd, we zijn arm maar toch maken we velen rijk, we bezitten niets maar toch hebben we alles. 11 Wij zeggen u dit alles ronduit, Korintiërs, want wij hebben u in ons hart gesloten. 12 Niet wij schieten in onze genegenheid voor u tekort, maar u in uw genegenheid voor ons. 13 Nu dan, ik vraag u alsof u mijn eigen kinderen bent: sluit op uw beurt ons in uw hart.

Waarschuwingen

14 Loop niet in een en hetzelfde span met ongelovigen. Wat is de verwantschap tussen gerechtigheid en wetteloosheid? Wat heeft licht met duisternis te maken? 15 Waarin lijken Christus en Beliar op elkaar? Wat hebben een gelovige en een ongelovige gemeen?

 Zacheüs  Duitse prentenbijbel XVe eeuw

 Zacheüs : Duitse prentenbijbel XVe eeuw

 

Evangelie :

 

Lucas 18, 35-43

 

35 Toen hij in de buurt van Jericho kwam, zat er langs de weg een blinde te bedelen. 36 Toen de blinde een menigte voorbij hoorde komen, vroeg hij wat er gaande was. 37 Ze zeiden tegen hem: ‘Jezus uit Nazaret komt voorbij.’ 38 Daarop riep de blinde: ‘Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!’ 39 Degenen die voorop liepen, snauwden hem toe dat hij moest zwijgen, maar hij schreeuwde des te harder: ‘Zoon van David, heb medelijden met mij!’ 40 Jezus bleef staan en zei dat men de blinde bij hem moest brengen. Toen deze voor hem stond, vroeg hij hem: 41 ‘Wat wilt u dat ik voor u doe?’ De blinde antwoordde: ‘Heer, zorg dat ik weer kan zien.’ 42 Jezus zei: ‘Zie weer! Uw geloof heeft u gered.’ 43 Onmiddellijk kon hij weer zien en hij volgde hem terwijl hij God loofde. Alle mensen die getuige waren geweest van dit voorval brachten hulde aan God.

 

 

André Borrély : Het doopsel, betekenis en riten

HET DOOPSEL : BETEKENIS EN RITEN

Door Vader André Borrély

 

 

1. Het doopsel verandert radicaal de wijze van bestaan van de mens.

 

1.1. Het doopsel in de eniggeboren Zoon

 

Binnen de Orthodoxie is het feest van 6 januari, het feest van de Theofanie, van het doopsel van Jezus door Johannes in de Jordaan. Het is het fundament van het doopsel van de catechumenen. De wijding van het doopwater voltrekt zich door het lezen van een gedicht van de Heilige Sophronius, patriarch van Jerusalem van 634 tot 638. Het is hetzelfde gedicht dat gelezen wordt op het moment van de zegening van het water op 6 januari. En dat wat de hemelse Vader verkondigt met betrekking tot zijn Zoon, de eniggeboren zoon, op het moment van Zijn doop in de Jordaan, dat verkondigt de kerk op haar beurt bij de doop van elk nieuwgeborene. Op het moment dat Jezus uit het water opsteeg hoorde men een stem uit de hemel : ‘Gij zijt mijn welbeminde Zoon in wie ik mijn welbehagen stel’  In het spoor van Wellhausen, merkt P. Lagrange op dat er in het Oud testament geen groot verschil bestaat tussen ‘welbeminde-zoon’ en ‘énige zoon’. Door het doopsel, wordt de mens een uniek wezen in deze wereld, onvervangbaar. Als herschapen mens in de wateren van het doopsel, naar het beeld van de Trinitaire God en om op Hem te gelijken, moet de mens, evenals God, niet volgens een cataphatische, maar volgens een apophatische

benadering gezien worden. In het grieks betekent ‘kataphasis’ : bevestiging, en ‘apophasis’ : negatie. Omdat hij een persoon is die geschapen is naar het beeld van de Zoon om te gelijken op de goddelijke Drie-eenheid,  deelt de mens aan het ‘ongekend-zijn’ van de drie goddelijke Personen. Hij is in wezen mysterie, dit wil zeggen: onuitputtelijk door zijn rijkdom, onpeilbaar door zijn diepte, waarvan dus men meer met zekerheid kan zeggen wat het niet is, dan wat het wél is. Het christelijk doopsel heeft als fundamenteel doel, de wijze van bestaan van deze bepaalde nieuwe mens te omvormen, door de aanwezigheid in hem van de Drie-ene, moeilijk onder woorden te brengen, onvatbaar voor de rede, niet te herleiden, niet te vervangen God.

 

Juist door het doopsel gaat de mens van een biologische wijze van existeren naar een kerkelijke wijze van bestaan. Dit is wat de orthodoxie ‘deïficatie’ noemt waarin hij de kwintessens van het heil in Christus ziet. Voor de orthodoxie, bestaat het heil hoofdzakelijk in het feit dat de mens niet (zeker) aan de substantie van God deelheeft, maar wel aan zijn persoonlijk bestaan. Het heil is de realisatie, in de schoot van de mensheid, van het trinitaire leven, het is de uitbreiding ‘ad extra’ van de wijze van bestaan van de drie goddelijke Personen. Voor de orthodoxie is het feest van 6 januari onlosmakelijk verbonden met het feest van de doop van Christus en deze van de Heilige Drie-eenheid. Daarom spreken wij van Theophanie, liever dan van Epiphanie. Elke Theophanie is een Epiphanie, maar elke Epiphanie is niet noodzakelijk deze van de Drie-enige God. Het troparium dat de kerk voortdurend herhaalt op de dag van 6 januari onderlijnt het trinitaire karakter van het feest : ‘Toen Gij Heer, gedoopt werd in de Jordaan, werd de aanbidding der heilige Drie-eenheid geopenbaard : de Vader heeft van U getuigd, en noemde U Zijn geliefde Zoon, de geest, in de gedaante van een duif, bevestigde de waarheid van dit woord. Gij verschijnt ons, o Christus God, en hebt de wereld verlicht : Ere zij U’. Welnu tijdens de dienst van de doop, lezen wij het einde van het Evangelie volgens Mattheüs die ons zegt dat het in de naam van de Vader, en de Zoon en de Heilige Geest is dat de leerlingen werden uitgezonden door de verrezen Christus om in de wereld te getuigen aan alle natiën (Matth.28,19). En het is door drie onderdompelingen dat de celebrant de catechumenen dopen : in de Naam van de Vader, in de Naam van de Zoon en in de Naam van de Heilige Geest. Gedoopt worden wil zeggen : binnengeleid worden in de levenswekkende  act waardoor de Vader de volheid van zijn goddelijk leven meedeelt aan Zijn unieke Zoon, ’t is te zeggen : zijn Heilige Geest. En deze vergoddelijkende binnenleiding betekent voor de mens de omvorming van individu tot persoon. Het is van deze omvorming dat de Kerk droomt wanneer zij de celebrant doet zeggen, in verband met de toekomstige dopeling, in het laatste gebed van de dienst van het catechumenaat : ‘ Ontneem hem de oude mens en bekleedt hem met de nieuwe mens voor het eeuwig leven… opdat gij niet meer een kind van het vlees zult zijn, maar een zoon (dochter) van Uw Koninkrijk’ ‘Een kind van het vlees’ of ook nog ‘de oude mens’, het is de mens, levend een natuurlijk leven, biologisch, onderworpen aan alle noodwendigheden van het menselijk bestaan in zijn gevallen staat. Het is het menselijk bestaan in zijn gevallen toestand, verdierlijkt door de zwakte van de zonde, broos, zwakzinnig, vergankelijk, bederfelijk, aards.

 

1.2. Het individu en de persoon

 

De existentie van het individu, is de biologische, genetische existentie. Het verschil met de persoonlijke existentie ligt hem hierin, dat het individu niet bestaat als vrijheid, maar als noodzaak. Ik word geboren in de wereld zonder dat ik erom gevraagd heb. En dit biologisch bestaan leidt onvermijdelijk en wanhopig naar de dood. De biologische wijze van existeren is tragisch wat betreft het niet erin slagen om een persoon te worden op biologisch, natuurlijk  niveau. Het heil ons gebracht door Christus is de realisatie in de mens van de goddelijke gelijkenis. Het is het feit, dat de mens niet meer als individu bestaat, maar als een persoon.

Het christelijk doopsel betekent dat de mens als persoon ophoudt om zijn nagestreefd doel te ontlopen door wat Maurice Blondel noemt zijn ‘willende wil’ (volonté voulante’), ’t is te zeggen zijn diepe wil, dat wat de mens wil zonder dat hij het wilt en dat hij niet kan verhinderen het te willen. Het doopsel betekent dat de twee bestandsdelen van het biologisch bestaan, te weten de ‘eros’ en het ‘menselijk lichaam’, ophouden voertuigen tot de dood te zijn Het doopsel heeft als essentiële betekenis, de bepalende wijze van de menselijke existentie te veranderen. Het gaat niet om een morele verbetering, maar om een ‘anangenesis’, een her-geboorte, een herstel, van een nieuwe geboorte als persoon, van een omsmelting van het gehele menselijk plasma. Deze notie anangenese, organische  her-geboorte is uitgedrukt in de eerste brief van Petrus : ‘Geloofd zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, die in Zijn grote barmhartigheid door de opstanding van Jezus Christus uit de doden…. Want gij zijt wedergeboren niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levend en blijvend woord van God (1 Petrus 1,3 en 23). De eros en het door de zonde verdierlijkt lichaam zijn gedoopt, ’t is te zeggen dat zij  een verandering in hun wijze van bestaan niet verloochenen, maar juist een inspanning zullen doen om het te veranderen. Zij worden dan zaad van het spirituele en onvergankelijk lichaam. Een goed begrepen christelijke ascese is fundamenteel een transfiguratie en een vergeestelijking van het lichaam , en van gans het zintuiglijk menselijk leven, die het ongeschapen en goddelijk licht moet laten schijnen, zoals een kristallen vaas de zonnestralen. De doop geeft de mens de zekerheid dat de persoonlijke existentie naar het beeld en de gelijkenis met God een historische realiteit is, waarvan de mogelijkheid ons gegeven is door Christus de Redder.. Hij is de Redder in deze duidelijke zin, dat Hij aan de mensen de realiteit zelf van de peroon heeft medegedeeld. Allen zoals wij zijn, delen de menselijke natuur in stukken : wij zijn min of meer mensen, min of meer intelligent, min of meer begiftigd met verstand, min of meer deugdzaam. In Jezus van Nazareth, waarlijk God en waarlijk mens, is de volheid van de mensheid  gemanifesteerd : Ecce Homo (zie de mens). Ziedaar de waarachtige mens, de mens die volledig mens is omdat Hij volledig God is. In Jezus Christus is ons geopenbaard dat God alleen waarachtig mens is en dat wij slechts waarachtig mens kunnen worden tenzij in Jezus Christus. Zeggen dat God ons vergoddelijkt of dat Hij ons totaal vermenselijkt, of nog dat Hij ons redt of deïfieerd : het gaat hier altijd om dezelfde werkelijkheid.

Het doopsel betekent fundamenteel het verwerpen van de ketterij van Nestorius : Christus kan ons niet verlossen omdat Zijn hypostase slechts een biologische hypostase is. In Jezus Christus is er geen onderscheid tussen menselijk en goddelijk. Deze mens was volledig goddelijk in Zijn menselijkheid en volledig menselijk in zijn goddelijkheid. Jezus van nazareth is als waarachtig God en als waarachtig mens komen getuigen van de mogelijkheid voor de menselijke persoon om te ontsnappen aan de tragische toestand van de verscheurde menselijke natuur, van de fundamentele vervreemding die de dood voor de menselijke vrijheid voorstelt.. Het doopsel maakt van elke mens een perfecte mens, ’t is te zeggen, een waarachtig mens, een authentieke hypostase, vooraf geroepen voor de vrijheid en de liefde. Het doopsel verleent aan de mens een manier van bestaan op eenzelfde wijze als waarop de drie Hypostasen van de Drie-eenheid bestaan. Het doopsel betekent voor elke mens dat de christologie geen realiteit is die slechts op Jezus Christus van toepassing zou zijn. Door het doopsel is de christologie in het existentiële bereik van de mens zelf gekomen. De menselijke natuur kan worden gehypostasieerd, ’t is te zeggen : men kan het op zich nemen, onafhankelijk van de tragische noodzaak van de biologische wijze van existeren die wanhopig leidt tot de dood. Het doopsel betekent de mogelijkheid die zomaar aan de mens wordt gegeven om te gaan leven op de wijze zoals Jezus van Nazareth heeft geleefd. : door zijn bestaan te bevestigen als persoon, door niet meer te gaan steunen op de wetten van zijn verscheurde biologische natuur, maar door te steunen op een relatie met de goddelijke Drie-eenheid die fundamenteel een relatie is van vrijheid en liefde. Indien het onze Vader – spijtig genoeg té dikwijls verkeerd vertaald – het fundamentele gebed is van de Christenen, dan is het omdat het ons de essentie zelf geeft van het doopsel. Inderdaad, door het doopsel treedt de mens binnen in de algemeen eeuwige act waarin de Vader zijn Enige Zoon de volheid van zijn vaderlijk Leven meedeelt, ’t is te zeggen de Heilige Geest. Door het doopsel wordt de mens zoon van God, hij identificeert zich met de hypostase van de Zoon.

 

1.3 Het kerkelijk bestaan.

 

Het doopsel verleent aan de mens een wijze van bestaan dat geheel kerkelijk is. De kerkelijke wijze van existeren is de menselijke existentie als gedoopte en wordt gedefinieerd als een zijn-in-communio. Wanneer Jezus zegt tot Nicodemus : ‘Gij moet opnieuw geboren worden’ (Joh.3,7), dan spreekt hij hem over de mogelijkheid voor de mensen, om zo te leven dat ze zich niet zouden laten bepalen door de wetten van de biologie en het instinctief-affectieve , door de gevallen  natuur, losgemaakt van God en verdierlijkt door de zonde. Dit is een onopeisbaar geschenk van God.

 

De kerk is essentieel de plaats waar, in de geschiedenis der mensen, de niet biologische wijze van het menselijk bestaan zich realiseert. De Kerk is het god-menselijk model in de schoot waarvan de mens geboren wordt tot het Trinitaire leven, niet slechts gedurende één uur, de dag van zijn doopsel en zalving, maar voor gans de duur van zijn leven :  de dag van zijn huwelijk, of zijn priesterwijding, wanneer hij communiceert aan het Lichaam en bloed van de Verrezene, wanneer hij de ziekenzalving ontvangt of de goddelijke vergeving van zijn fouten. De celebratie van het doopsel strekt zich uit over gans zijn christelijk bestaan, in de viering van elk van de andere sacramenten. Deze laatste zijn niets anders dan god-menselijke daden door dewelke de Heilige Geest handelend in de Kerk het werk van de vergoddelijking van de mens verder zet dat begonnen is bij het doopsel. Het gaat hier nogmaals en nogmaals om de realisatie in de mens van een wijze van bestaan dat niet meer bepaald wordt door de noodzaak van een biologisch bestaan. Authentisch de realiteit van mijn doopsel beleven betekent dat mijn echte vader niet diegene is die me biologisch heeft voortgebracht, maar mijn Vader in de hemel, dat mijn waarachtige broeders, niet mijn biologische broeders zijn, maar de leden van de Kerk, dat mijn waarachtige familie niet mijn biologische familie is,maar de Kerk. In het derde Evangelie vreest Jezus niet om te bevestigen :’Zo iemand tot Mij komt, en zijn vader niet haat, zijn moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven, hij kan mijn leerling niet zijn'(Lucas 14,26). De Evangelist Mattheüs drukt dezelfde eis uit in een verzachte vorm wanneer hij het heeft over diegene die zijn naasten meer bemint dan Jezus. Hetzelfde wanneer men komt te zeggen aan Jezus dat zijn moeder en zijn broeders buiten staan en Hem willen zien. Jezus antwoordt hierop : ‘Mijn moeder en mijn broeders zijn zij die het woord van God aanhoren en het in praktijk brengen’ (Lucas 8,21). Noteren wij  hierbij dat deze tekst wordt gelezen in de Byzantijnse Liturgie op het feesten van de Moeder Gods. Iemand dopen is niet zijn kerkelijk en biologisch bestaan als gelijken te stellen, het is hem de overwinning laten behalen van het eerste op het laatste.

 

1.4. Men moet het doopsel vieren in de loop van de zondagse Liturgie.

 

Waarom is het zo belangrijk om het doopsel toe te dienen in de schoot van de goddelijke Liturgie , ’t is te zeggen in de schoot van de parochiale gemeenschap ? Té veel priesters geven toe aan de druk van de familie die van het doopsel een familiale aangelegenheid willen maken, de zaterdag namiddag of de zondag namiddag, indien het al niet gebeurt ten huize van de ouders van het kind ! In de grote traditie van de Kerk doopte men altijd tijdens de liturgieën van Pasen of Pinksteren, van Kerstmis of op het feest van de Theofanie. Het is daarom dat men ook vandaag nog altijd geen ‘Heilige God, heilige Sterke, Heilig Onsterfelijke’ zingt, maar het ‘Gij allen die gedoopt zijt in Christus, Gij hebt u met Christus bekleedt’ Gelukkig is er een zeker aantal orthodoxe priesters die families uitnodigen, indien zij minstens in staat zijn  om het te begrijpen, om hun kinderen de zondag morgen ten laten dopen, wanneer de ganse parochiale gemeenschap samen is voor de eucharistische viering. In de Orthodoxie viert men slechts éénmaal de eucharistie op dezelfde dag en in dezelfde kerk. Dit opdat iedereen – burgers en proletariërs, kinderen en volwassenen  – samen hun eigen respectievelijke biologische en sociale wijzen van existeren  zouden transcenderen. Het doopsel bewerkstelligt een overwinning op het relationeel netwerk van het biologisch bestaan. Het bevrijdt de mens van elke relatie die bepaald wordt door zijn biologische identiteit. Hen liefhebben die ons door de bloedband nabij zijn, is gehoorzamen aan biologische wetten. De andere mensen liefhebben – al zijn ze van rechts of links , zwart of blank, rijk of arm – in de eucharistische communio van de Kerk, is hetzelfde als de vrijheid gelijkstellen aan het zijn zelf van de mens, het is getuigenis afleggen van het feit dat de natuur de persoon niet bepaalt, maar dat het integendeel de persoon is die de natuur de mogelijkheid biedt om vrij te existeren. Het doopsel betekent de vrijheid van de persoon ten overstaan van de natuur, ’t is te zeggen de mogelijkheid om lief te hebben zonder iemand uit te sluiten. De roeping van de gedoopte is om de eenzijdigheid, iets wat inherent is aan het biologisch bestaan, te transcenderen. Zonen worden van de Kerk door het doopsel, is essentieel de mogelijkheid verwerven lief te hebben  zonder onderscheid. De nieuwe geboorte door het doopsel in de schoot van de ‘Ecclesia mater’ maakt van de persoon een ledemaat van een relationeel netwerk welke elk exclusivisme uitsluit. In de wateren van het doopsel heeft de radicale differentiatie plaats tussen de persoonlijke hypostase en het biologisch individueel leven waarvan de horizont de dood is.

 

2. De doopriten

 

2.1. De exorcismen en de verzaking aan de Satan.

 

De overgang van de biologische en individuele existentie naar het existentieel persoonlijke en kerkelijke existeren wordt op verschillende manieren uitgedrukt in de doopviering.

Eerst en vooral hebben wij de exorcismen en de verzaking aan de Satan. De orthodoxe Kerk begrijpt de ultieme vraag van het Onze Vader – verlos ons van het kwaad – niet alsof het gaat om bevrijding van het metaphysisch kwaad, van een abstractie. De betekenis van de tekst is veeleer: Onttrek ons aan de Slechte, de Sluwe, de Boosdoener, ’t is te zeggen : de Duivel. Zijn eerste hoofdstuk samenvattend bevestigt de Apostel Johannes ons : ‘We weten dat wie uit God  is geboren, niet zondigt, maar wie uit God is geboren (dit wil zeggen Jezus) waakt over zichzelf, en de Boze ( o Ponèros : het is hetzelfde woord als wat in het Onze Vader nogal eens slecht wordt vertaald met ‘het kwade’) heeft geen vat op hem. We weten, dat we uit God zijn, maar dat de hele wereld in kwaad verkeerd’ (1 Joh. 5,18). Het gaat hier over een heel concreet iemand, een zeer reëel iemand, een goed gedefinieerd iemand. Bij de vestiging van zijn Koninkrijk is Jezus op een heuvel met iemand die Hij de vijand noemt, de Prins van deze wereld, de Satan. Het komt er anderzijds niet op neer bevrijd te worden door de Demon : door de bevrijdende menswording zijn wij van nu af aan reeds bevrijd. Wij moeten daarentegen een terugkeer vrezen in kracht van de Tegenstander, de Antichrist. De zege over de wereld, ’t is te zeggen over de zonde en de dood van het gedode maar verrezen Lam, is reeds op het essentiële vlak gerealiseerd. Dood voor de zonde, is de gedoopte met Christus verrezen, en door deze verrijzenis wordt hij een medeburger van de hemel en de tempel van de Heilige Geest. De draak van de Apocalyps is op aarde neergeworpen (Apoc.12,13), maar hij bezit een macht om de mensen op de proef te stellen.

 

Drie exorcismen zijn rechtstreeks tot Satan gericht :’Satan, ga uit van dit schepsel, en keer daar niet meer terug…ga uit en trek wag van deze, met het kruis bezegelde, nieuwgekozen strijder van Christus onze God …’ En de celebrant vraagt met nadruk aan de Heer Sabaoth, aan de God van Israël : ‘Heer Sabaoth, God van israël, Gij die alle ziekten en gebreken geneest : zie neer op Uw dienaar (…). Doorvors en onderzoek ‘hem), drijf de onreine geesten uit, en reinig het werk van Uw handen (’t is de zeggen : de catechumeen) en maak gebruik van Uw alles overgheesrende macht, en doe (hem) zgevieren over het boze in zichzelf, en over de slechte geesten’ …Vervolgens, vraagt de priester aan de catechumeen om zich naar het westen te keren, naar daar waar de zon gaat slapen en die ons dus symbolisch spreekt over de duisternissen. Dan nodigt de priester de catechumeen uit om te ‘verzaken aan de duivel, aan al zijn werken, aan al zijn engelen, aan al zijn diensten en aan al zijn luister’.

 

2.2. Het zich ontdoen van de klederen

 

De catechumeen wordt vervolgens in het baptisterium binnengeleid. ‘van zodra ge zijt binnengetreden, zegt de Heilige Cyrillos van Jerusalem, moet gij u ontdoen van uw klederen’. Ten tijde van de Kerkvaders ging het om een volstrekte naaktheid. Het afleggen van de kleren is het symbool van het zich ontdoen van de oude mens en zijn biologisch bestaan. Pseudo-Denys ziet in dit zich ontdoen van de kleren ook het zich ontdoen van gans het voorafgaande leven van de catechumeen. Door zich te ont-kleden getuigt de toekomstige christen van de ernst van zijn besluit om zijn vroegere biologische existentie uit te roeien,  ’t is te zeggen, hij doet een belofte tot de dood om zich te engageren in een gans andere wijze van existeren : de kerkelijke en persoonlijke existentie. Door zich van zijn kleren te ontdoen geeft de doopkandidaat  duidelijk aan dat hij wenst te verzaken aan al zijn passies en aan de begeerten van het vlees, en dat hij ernaar verlangt om de oorspronkelijke  onschuldige naaktheid van Adam, (dit wil zeggen van de mensheid) van vóór de val terug te verwerven. De catechumeen bevindt zich nog buiten het paradijs. Hij deelt nog altijd in de ‘ballingschap’ van Adam in het ‘Oosten van de tuin van Eden’. Zijn binnenleiding in het babtisterion betekent dat deze ballingschap een einde neemt. Het gaat er voor de catechumeen om, om de oude mens af te leggen alsof men een oud kledingstuk aflegt. Na de doop gaat hij een ander kleed krijgen : het Koninklijke kleed van onvergankelijkheid dat hem door de verrezen Christus, de nieuwe Adam, zal worden geschonken. Het kleed van licht, het Koninklijke kleed die toestaat om te verschijnen in het nieuwe Eden, in de Kerk, om zo deel te kunnen nemen aan het bruiloftfeest van het Lam, aan de goddelijke Eucharistische Liturgie, aan de goddelijke Communie. Door de zonde verloor de eerste Adam de onschuld en de oprechtheid van de naaktheid. Hij begon schaamte te krijgen en deed kleren aan. De catechumeen die  op weg is om gedoopt te worden zal een tegenovergestelde weg doorlopen. Hij ontdoet zich van zijn kleren, die noodzakelijk waren geworden na de zondeval, en naakt zal hij het lichtend en verijzenisvolle kleed ontvangen van de nieuwe Adam.

 

Merken wij hierbij ook nog op dat de nieuwe Adam, Christus, op het kruis ook volledig ontbloot werd, vernederd voor de heilige vrouwen, en vooral voor zijn moeder. De catechumeen is niet groter dan Hem, die hij toch beschouwt als zijn enige meester. Zoals Hij moet ook de catechumeen zich vernederen door zijn naaktheid, opdat hij het zou transcenderen  in het kleed der verrijzenis. De kledij van vóór het doopsel stelt de bederfelijke mens voor. Theodor van Mopsueste zegt tot de catechumeen : ‘Uw kleren moeten weggenomen worden, teken van sterfelijkheid, en door het doopsel zult gij u het kleed der onsterfelijkheid aantrekken’. Door zich uit te kleden duidt de catechumeen symbolisch aan dat hij zich van het oude kleed  van bederf en zonde, het kleed waarmee Adam werd bekleed na de zondeval wil ontdoen. Het zich ontdoen van de kleren tijdens de doop symboliseert de breuk met het verleden. Hij gaat erom, dat de gedoopte de uiterlijke tekenen van de zondige en verscheurde mensheid waarvan de wijze van bestaan biologisch is, ruilt : een bestaan gekenmerkt door de vergankelijkheid van het graf ruilen voor het schitterende kleed van de nieuwe Adam, de Verrezene, die aan de wereld een andere manier van bestaan heeft geopenbaard , het bestaan van de persoon, het zijn-in-communio, het  kerkelijk bestaan. Deze ruil is het tegenovergestelde van dat wat de eerste Adam had gedaan : hij heeft zijn onschuldige naaktheid geruild voor een ellendige bekleding. Het afleggen van de kleren van de catechumeen betekent voor hem een bevrijding : hij legt de kleren af van de oude mens opdat hij de glorie van de eerste Adam zou terugvinden, dit wil zeggen van de mensheid zoals God ze oorspronkelijk had gewild. De nieuw gedoopte zal de glorievolle naaktheid van de oorspronkelijke mensheid van voor de val, terugvinden. En indien nu tegenwoordig het moeilijk denkbaar is om aan onze catechumenen een totale naaktheid voor te stellen, naaktheid die ook onze Heer Jezus christus ten deel is gevallen, op heilige Vrijdag, dan is het alleen omdat wijzelf, onze catechumenen,onze kerkelijke gemeenschappen, maar ook alle gedoopten, niet meer dezelfde vurigheid hebben als de gemeenschappen van de eerste eeuwen. Orthodoxen, wij leven niet op het niveau van onze theologie. Wij gaan voort , samen met de onverdeelde Kerk, om dat lat hoog te leggen, maar wij komen er niet meer toe om een sprong te maken. ! En omwillen van die zwakheid, dragen onze gemeenschappen niet meer de catechumenen zoals ze gedragen werden in de tijd waarin de levenskracht van de primitieve Kerk heel intens was binnen het kerkelijk lichaam. In deze context van verval wordt de naaktheid beleefd als puur vernederend, dit wil zeggen, als de enige naaktheid van de zondige mens die ontdaan is van zijn kleed van glorie. Het komt er dus op aan, dat wij de naaktheid opnieuw zouden moeten zien als een deelname aan de vernederende naaktheid  van de nieuwe Adam op het kruis, op heilige Vrijdag. Door zich van zijn klederen te ontdoen, kan en moet de catechumeen zich bewust zijn van zijn toestand als zondaar, ‘ongelukkig, beklagenswaardig, arm, blind en naakt’, om de termen te hernemen van de boodschap gericht aan de Kerk van Laodicea (Apoc.3,17) Indien de catechumeen zich zo ontdoet van zijn klederen dan is het om vrij te zijn in zijn pogen om de duivel te weerstaan en uiteindelijk zich te bekleden met de nieuwe mens, om gelijk te worden met de Verrezene, met de nieuwe Adam. Zich zo om-kleden betekent zich losmaken van de duisternissen en zich bekleden met het licht.

 

Op onze dagen, zou de Heilige Cyrillus van Jeruzalem helaas niet meer tot onze catechumenen durven zeggen wat hij tegen hen zij in zijn tijd : ‘O wonder ! Gij zijt geplaatst onder de ogen van allen, en gij hebt geen schroom. Het is, omdat gij  uzelf in waarheid het beeld van onze eerste vader Adam wilt voorhouden. Adam was naakt in het aards paradijs en schaamde zich niet’.

 

De naaktheid op de dag van het doopsel betekent dus tegelijk het afleggen van de bederfelijkheid en de vrees voor de zonde, de terugkeer naar de oorspronkelijke onschuld en de ongedwongenheid van de paradijselijke staat. De Heilige Gregorios van Nyssa schrijft in een homilie van Pasen : ‘ Voortaan zal Adam, wanneer je zijn naam noemt, geen schaamte meer hebben, hij zal zich onder het verwijt van zijn handelswijze niet meer verbergen onder de bomen van het paradijs. De belofte hervinden, dat alles duidelijk zal worden op de laatste dag’. Eenmaal dat hij de oude klederen heeft afgelegd, symbool voor de oude mens, zal de catechumeen die weldra de nieuw gedoopte zal zijn het nooit meer opnieuw moeten doen : het doopsel is onomkeerbaar.. En indien in de eerste eeuwen van de Kerk men de tendens had om het doopsel naar de leeftijd van ongeveer dertig jaar of zelfs later te verschuiven, zelf in christelijke families, dan is het omdat men dacht dat men na de doop niet meer kon zondigen. Het is over dit thema dat de eerste brief van Johannes handelt op het einde,wij hebben het reeds geciteerd : ‘We weten, dat wie uit God geboren is, niet zondigt, maar wie uit God is geboren, waakt over zichzelf, en de Boze heeft geen vat op hem’ (1 Joh.5,18). Het is om dit geloof van de Kerk mee te delen dat de nieuw gedoopte, bij het verlaten van het doopwater niet zijn oude kleren van sombere kleur aantrekt, maar witte kleren, klederen die licht uitstralen, klederen die ons spreken over de verrijzenis van de nieuwe Adam en de nieuwe tuin van Eden die hij door te verrijzen uit het doopwater heeft herschapen. Die nieuwe tuin van Eden is de Kerk.

Vervolgens komt de onderdompeling en het opstaan uit het water.

 

2.3. De drievoudige onderdompeling en oprijzen uit het water.

 

De doop-epiclese is een aanroeping van de levengevende actie van de Heilige Geest, opdat zijn energieën door de onderdompeling in het water de catechumeen zou omvormen : van de oude mens  in een verrezene. Door zijn overvloedige en chaotische aanwezigheid spreekt het water tot de mens – aan Noë en aan Jonas – over verdrinking en verstikking, over bedolven worden en dood, over zondvloed en dood. Maar tegelijk is het voor hem een bron van vruchtbaarheid en leven. Zo bieden de Nijl en de Jordaan de mogelijkheid tot hygiëne en het lessen van de dorst. Het water dat opwelt uit de rots van de woestijn verkondigt en verzinnebeeldt het water dat in overvloed zal stromen op de dag van de Messias, symbool van een nieuwe uitstorting en van een onuitputtelijke spirituele vruchtbaarheid. Welnu, de celebratie van de doop betekent en vooronderstelt dat de dagen van de Messias aangebroken zijn, want Christus is verrezen. Het opstaan uit het water betekent de vreugde om opnieuw te kunnen ademen, en dit door de Heilige Geest in te ademen. Het water verzinnebeeldt de verrijzeniskracht van de Geest. Het water omsluit de catechumeen als een graf, maar de Geest omvormt het graf tot baarmoeder. In zijn Kerkelijke Hiërarchie noemt Pseudo-Denys bewonderenswaardig het baptisterium ‘de baarmoeder van elke afstamming’. Dodelijk als het is, wordt het water levengevend en moederlijk. De gedoopte rijst op uit het water van de doopvont en dit laatste wordt een leeg graf, naar het voorbeeld van het graf van Joseph dat de myrondraagsters leeg vonden op die morgen van Pasen. Een gedoopte die tenvolle zich bewust is van zijn doopsel moet onder ogen zien dat zijn werkelijke dood zich achter hem bevindt, want hij heeft een einde genomen met zijn doopsel. Hij hoeft de biologische dood, dit van het individu dat onderworpen is aan de natuurlijke noodzaak, niet meer te vrezen. Gedurende de eerste eeuwen van de Kerkgeschiedenis noemde men de christenen : zij die niet meer de dood vrezen. Het woord dopen komt van het griekse ‘baptein’, dat duiken, wegzinken, onderdompelen betekent.  Van dit werkwoord ‘baptein’ komt een ander werkwoord voort, ‘baptizein’, dat ook dezelfde betekenis heeft van duiken, wegzinken, onderdompelen. In christelijke taal ‘dopen door onderdompeling’. De drievoudige onderdompeling/opstaan uit het water gebeurt door een volledige onderdompeling van de gedoopte in het graf van het golvende water, opdat zo het graf met Christus en de verrijzenis met hem die gedoopt wordt worden gesymboliseerd. De totale onderdompeling spreekt ons over een graflegging. In zijn commentaar van de brief aan de Romeinen, spreekt Pater Lagrange over de Russische en griekse pelgrims, dus orthodoxen, die in de tijd dat P.Lagrange in Palestina leefde (tussen 1890 en 1935), baadden in de Jordaan op de dag van de Theofanie, de 6e januari. Ze waren gekleed in linnen ochtendjassen, die ze nadien meenamen naar huis opdat ze hen als lijkwade zouden kunnen gebruiken na hun dood. Het is daarom dat de bijbeltekst die wordt gelezen in de loop van een doopselviering deze is van de brief aan de Romeinen hoofdstuk 6,3-11, waar Paulus spreekt over het christelijk doopsel : ‘Wij allen die gedoopt zij tot gemeenschap met Christus Jezus, we zijn gedoopt tot de gemeenschap met Zijn Dood. In de gemeenschap met Zijn Dood zijn we dus begraven met Hem door het Doopsel, opdat ook wij een nieuw leven zouden leiden, zoals Christus door de glorie van de Vader uit de doden is opgewekt. Want wanneer wij met Hem zijn samengegroeid door het beeld van Zijn Dood, dan zullen ook we het ook wezen door dat van Zijn Verrijzenis. Dit weten we : onze oude mens is gekruisigd met Hem, opdat het zondige lichaam ten onder zou worden gebracht, en wij niet langer slaven van de zonde zouden zijn; want wie dood is,is vrijgemaakt van de zonde. Welnu, zijn we met Christus gestorven, dan geloven we ook, dat we met Hem zullen leven. We weten, dat Christus, opgestaan uit de doden, niet meer sterft, en dat de dood geen macht meer over Hem heeft; want Zijn sterven was een sterven voor de zonde ééns en voor al, maar Zijn leven is een leven voor God. Zo ook moet gij u beschouwen als dood voor de zonde, maar als levend voor God in Christus Jezus’.

‘…zich onderdompelen in de wateren van het doopsel, is zich onderdompelen in de dood van Christus. Deze drievoudige onderdompeling/opstaan uit het water wordt gevolgd door de epiclese, dit wil zeggen : de aanroeping van de Naam der drie goddelijke personen van de Heilige Drie-eenheid. De drievoudige handeling herinnert tegelijk aan het verblijf van Christus gedurende drie dagen in het graf van Jozef van Arimatea, en de drie Hypostasen van de Heilige Drie-eenheid in wiens naam de drievoudige onderdompeling/opstaan uit het water heeft plaatsgehad. In zijn uitleg van de Goddelijke Liturgie (Hoofdstuk 4) schrijft Nicolas Cabasilas : ‘Wij geven ons leven in ruil voor een ander. Welnu, ons leven geven is sterven. De Heer eist, door ons deelgenoten te maken van Zijn Verrijzenis, dat wij iets teruggeven voor deze grote gave, maar wat ? De navolging van Zijn Dood : en dit door driemaal ten verdwijnen in het doopwater als in een graf’.De dood door besprenkeling of door water alleen maar op het hoofd te laten vloeien (infusie) is slechts uit noodzaak toegestaan en dan nog in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld bij zieken. Het kan als dusdanig niet worden ingesteld als een algemene regel. De volledige onderdompeling (emersie) van de gedoopte in het water is van groot belang omwille van  het feit dat zij de graflegging van Christus immiteert. ‘Als in een graf, merkt de Heilige Johannes Chrysostomos op, want als wij het hoofd in het water dompelen wordt de oude mens wezenlijk begraven en bedolven, hij is in één keer gans verborgen, wanneer wij hem er terug uithalen is het de nieuwe mens die opstaat’. In zijn verhandeling Adversus Praxean, schrijft Tertullianus : ‘Zoals onze Redder drie dagen en drie nachten in de schoot van de aarde verbleef, zo bootsen de gedoopten met de drievoudige omderdompeling dit graf van de Heer na’. Hetzelfde bevestigt de Heilige Basilios : ‘ Het grote sacrament van het doopsel wordt gecelebreerd met drie onderdompelingen en door eenzelfde aantal epiclesen, opdat het symbool van de dood wordt verzinnebeeld en de gedoopten een verlichte ziel hebben door de uitstorting van de goddelijke kennis’. Zelfs in het Westen was de gewone manier van dopen deze van de onderdompeling en dit tot in de 14e eeuw. Daarvan heeft men nog het getuigenis bewaard in de vele baptisteria overal ter wereld, vooral in Italië. De 12e canon van het concilie van Neo-Caesarea ontneemt die priesters hun priesterschap, die om gezondheidsredenen het doopsel hadden aanvaard door een eenvoudige infusie. Thomas van Aquino beschouwt het doopsel door onderdompeling (emersie) ‘communior, laudabilior, tutior’ (Summa Theologica IIIa 66,7). Voor hem beeldt de onderdompeling op een meer expressieve wijze de graflegging van Christus uit, deze wijze van dopen is gemeenschappelijk en aanbevelingswaardiger (ibid. art 7.2). Het is de Engelse Theoloog Alexander of Hales (1180-1245) die als eerste de geldigheid van een doopsel zonder medische noodzaak door infusie heeft bevestigd. De mening van Alexander of Hales werd gedeeld door zijn leerling Bonaventura. De ambrosiaanse en de mozarabische riten bleven trouw aan de onderdompeling (emersie). Deze werd in Spanje gebruikt tot midden in de 18e eeuw. Op de vooravond van de Reformatie bevatte het engelse gebruik enkel de doop door onderdompeling. Nog in 1614 stelde Paus Paulus V het doopsel door onderdompeling van een kind voor als een alternatief voor de doop door infusie(water over het hoofd). Op dat moment was echter de algemene praktijk deze van de infusie (iets voor de Reformatie in de 16e eeuw).

 

Het water wast en zuivert niet alleen. Het doodt ook door te verdrinken en te stikken , maar diegene die eruit ontsnapt ervaart een zekere verrijzenis ! Het water dat het leven geeft is ook het water dat tot de dood kan leiden. Nicolas Cabasilas schrijft : ‘Het water verwoest een vorm van leven maar legt ook het andere bloot, het slokt de oude mens op en doet de nieuwe mens herrijzen’ (La vie en Christ II,9). In een artikel dat verschenen is in 1952 in ‘La Maison Dieu’ en getiteld : het symbolisme van de doopriten (Le symbolisme des rites baptismaux) Nr 32, p.6), Heeft Pater Louis Bouyer aan een rooms-katholieke autokritiek gedaan die zeer merkwaardig is. Hij schrijft : …’Er zijn bijna geen symbolen meer in onze riten zoals wij ze celebreren. Wij hebben op een ongevoelsmatige wijze het symbool vervangen door een soort abstract teken van het symbool, die voor het symbool ongeveer hetzelfde is als een pil nemen voor een maaltijd. Een echt symbool zegt méér dan alle woorden samen. Het is daarom dat Onze-Heer in de economie van de genademiddelen het symbool aan het woord heeft willen toevoegen, en dit, om te zeggen wat met het woord niet kan gezegd worden. Want het symbool is een levende act die de mens als geheel omvat, lichaam en ziel, en hem de waarheid die in een act abstract bleven doet ontdekken. Het symbool wordt als een realiteit ervaren in een concrete act. Wij zijn er daarentegen toe gekomen om met een vloed van  onmachtige woorden te trachten een zekere betekenis te geven aan schrale gebaren, woorden die ontdaan zijn van elke vorm van het reële leven. Het soort uitholling en  het doen verschrompelen van de oude doopritussen maakt dat het geen echte symbolen meer zijn, want ze zijn gedegradeerd tot het minimum dat de levendige verbeelding nog zou kunnen ontroeren… Welk verband bestaat er tussen de ervaring van een mens die enkele druppels water op het voorhoofd krijgt, die bovendien direct nadien worden afgeveegd en de ervaring van een mens die een echt bad neemt ? Indien men de dopen nog zou vieren zoals in het Oosten, waar men het kind, gans naakt, driemaal in het water dompelt tot boven het hoofd als in een echt bad, dan zouden de meest ongevoelige mensen voor de primitieve poëzie er zelfs nog iets van begrijpen. De arbeider die van een vuil en afmattend werk thuiskomt en die een goede douche gaat nemen, of zijn hoofd even onder het water steekt vooraleer hij de avond in zijn gezin of met vrienden gaat doorbrengen, weet perfect wat een propere huid kan doen. Hij gaat zich als een nieuw mens voelen nadat hij zich gewassen heeft. Maar wat kan hij spiritueel als gemeenschappelijk zien  wanneer hij in een parochie de pastoor ziet die amper drie druppels water haastig over het hoofd van het kind giet ? (pp.6-7)’. Het is ontegensprekelijk dat het verrichten van de infusie, ten koste van de  onderdompeling  het symbolisme verarmt, iets wat eigen is aan het christelijk doopsel. Het veroorzaakt een verduistering van de symbolische verwijzing naar de dood en  verrijzenis van Christus. Men kan hierbij nog opmerken dat de doop door infusie ook het symbool van de naaktheid doet verdwijnen. Gelukkig is men sedert Vaticanum II en in de nieuwe Catechismus van de katholieke Kerk bezig om het belang van de doop door onderdompeling (emersie) te herontdekken. De wens van de Orthodoxen is, dat het doopsel door onderdompeling meer en meer frequent gedaan wordt in het Westerse christendom. In de orthodoxe wereld heeft men ook dikwijls de tendens geconstateerd om over te gaan door de doop door infusie. Dit was ondermeer het geval in het noorden van Rusland, omwille van het klimaat. In de XIIe eeuw heeft bisschop Elie (1165-1186) de bewoners van Novgorod er voor gewaarschuwd dat zij zich niet mochten tevreden stellen met water op het hoofd te gieten tijdens het doopsel in plaats van de onderdompeling in het doopwater. Men kan deze waarschuwing ook terugvinden in 1274 (synode van Wladimir), en in de 14e en 15e eeuw, in de  brieven van de metropolieten Cyprianos (1390-1405) en Photius (1408-1437) aan de bewoners van Novgorod en Pskov. Maar deze praktijk was steeds slechts een marginaal fenomeen.

 

Vader André Borrély, rektor van de parochie van de heilige Ireneos te Marseille.

 

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

 

 

Franse tekst : http://www.orthodoxa.org/FR/orthodoxie/theologie/bapteme.htm

 

Johannes Chrysostomos : Zie het lam Gods dat de zonden der wereld wegneemt

H. Johannes Chrysostomes (ca 345-407), priester te Antiochië daarna bisschop van Constantinopel, Kerkleraar

Homilie 18 over het Evangelie van Johannes

 “Zie het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt”

 

 

goede herderb 4 (597 x 768)

 

      “Zie het Lam van God”, zegt Johannes de Doper. Jezus zelf spreekt niet; Johannes is degene die alles zegt. De bruidegom heeft de gewoonte om zo te handelen; hij zegt nog niets tegen de bruid, maar hij laat zich zien en houdt zich stil. Anderen kondigen hem aan en stellen hem de bruid voor. Als zij verschijnt, ontvangt de bruidegom haar niet zelf, maar hij ontvangt haar uit de handen van een ander. Maar na haar zo uit de handen van een ander ontvangen te hebben, hecht hij zich zo sterk aan haar dat ze zich degenen, die ze verlaten heeft om hem te volgen, niet meer herinnert.

Zo gebeurde het ook met Jezus Christus. Hij is gekomen om de mensheid te huwen; Hij heeft zelf niets gezegd. Hij heeft zichzelf alleen maar laten zien. Johannes, de vriend van de Bruidegom heeft zijn hand in die van de Bruid gestoken, met andere woorden: in het hart van de mensen die hij door zijn verkondiging overtuigd heeft. Toen heeft Jezus hen ontvangen en heeft hen met zoveel goeds vervuld, dat ze niet teruggegaan zijn naar degene die ze bij Hem gebracht had… Hij heeft de Bruid uit haar nederige positie getrokken om haar te leiden naar het huis van zijn Vader.

Johannes, de vriend van de bruidegom was de enig die aanwezig was bij de bruiloft; hij heeft daar toen alles gedaan; hij zag Jezus aankomen, en hij zei: “Zie het Lam van God”. Op die wijze toonde hij dat hij niet alleen de stem was, maar ook de ogen, waarmee hij de Bruidegom hulde bracht. Hij bewonderde de Zoon van God en toen hij Hem zag, sprong zijn hart op van blijdschap en van vreugde. Voordat hij Hem aankondigde, bewonderde hij zijn aanwezigheid, en toont hij het geschenk dat Jezus is komen brengen: “Zie het Lam van God”. Hij neemt de zonde van de wereld weg, en Hij doet dat zonder ophouden, niet alleen gedurende zijn Lijdenstijd, toen Hij voor òns leed. Ook al geeft Hij slechts eenmaal zijn offer voor de zonden van de wereld, toch zuivert dat unieke offer voor altijd de zonden van alle mensen tot aan het einde van de wereld.

 

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Orthodox Kerstfeest in Rusland

Orthodox kerstfeest tijdens gasconflict

06-01-2009 15:14

MOSKOU (ANP) – De orthodoxe kerk viert woensdag het kerstfeest. Het zal dan moeilijk blijken een Russische gasleverancier aan de telefoon te krijgen.

Rusland, een federatie van 145 miljoen mensen, is met naar schatting 75 miljoen Russisch orthodoxe christenen het belangrijkste orthodoxe land.

Het kerstfeest is door gebruikmaking van de Juliaanse kalender in Rusland dertien dagen later dan in de westerse christelijke kerken die de Gregoriaanse kalender volgen.

De Russisch orthodoxe kerk werd in 1484 onafhankelijk van de wieg van de orthodoxie, de oosters-orthodoxe kerk van Constantinopel. De rooms-katholieke kerk keerde 430 jaar eerder al Constantinopel de rug toe.

Er zijn tal van orthodoxe kerken die kerst in januari vieren onder meer die in Bosnië, Bulgarije, Ethiopië en Servië.

Weet u niet dat u de tempel van God bent

Origines (ca.185-253), priester en theoloog  

Commentaar op het Evangelie van Johannes, 10, 39 ; PG 14, 369 e.v.

 

“Weet u niet dat u de tempel van God bent” (1Kor 3,16)

 opdracht in de tempel 3

 

      Jezus zei tegen de joden: “Breek deze tempel maar af, en Ik zal hem in drie dagen weer opbouwen…Hij sprak over de tempel van zijn lichaam” (Joh 2,21)… Sommige mensen denken dat het onmogelijk was om op het lichaam van Christus alles toe te passen wat over de tempel is gezegd. Zij denken dat zijn lichaam tempel werd genoemd omdat, evenals de eerste Tempel bewoond werd door de glorie van God, zo ook de Eerstgeborene van alle schepselen het beeld en glorie van God is (Kol 1,15) en dat het dus klopt als zijn Lichaam, de Kerk, de tempel van God wordt genoemd, omdat dit het beeld van God bevat… Wij hebben van Petrus begrepen dat de Kerk zijn lichaam is en het huis van God, gebouwd met levende stenen, een geestelijk huis voor een heilige priesterschap (1P 2,5).

  Zo kunnen we ook naar Salomo, de zoon van David die de Tempel had gebouwd, kijken als een voorafbeelding van Christus: na de oorlog, toen er grote vrede heerste, heeft Salomo een tempel voor de glorie van God gebouwd in het aardse Jeruzalem… Totdat alle vijanden van Christus “onder zijn voeten gelegd zijn. En de laatste vijand die uitgeschakeld wordt, is de dood” (1Kor 15,25-26). Dan zal de vrede volmaakt zijn. En Christus zal dan Salomo zijn – deze naam betekent “vredelievend”- en in Hem zal deze profetie vervuld worden: “Te lang reeds woon ik bij wie de vrede haten; ik ben een en al vrede” (Ps 120, 6-7). Dan zal elke levende steen, naar de verdiensten van zijn huidige leven, een steen van de tempel zijn. De één een apostel of een profeet die geplaatst is in de fundamenten, zal de stenen die op hem geplaatst zijn dragen. Een ander, die na degenen komt die het fundament vormen, wordt zelf gedragen door de apostelen, en draagt met hen de meest zwakken. De één zal een steen helemaal in het midden zijn, daar waar zich de ark met de cherubijnen en de offerplaats bevinden (1 Kon 6,27); een ander een steen in het voorportaal (v.3). Weer een ander buiten het voorportaal van de priesters en de levieten, zal een altaarsteen zijn waar de offerandes van de oogst gehouden worden… Hoe het met het gebouw verloopt, en de organisatie van de ambten, zal aan de engelen van God toevertrouwd worden, die heilige krachten die afgebeeld worden als de voormannen van de werken van Salomo… Dat alles zal zich vervullen wanneer de vrede volmaakt zal zijn, wanneer er een grote vrede zal heersen.

 Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

 

De vreemdeling

 DE VREEMDELING

 

ORTHODOX PERSPECTIEF

 

Deze uiteenzetting werd gegeven door Metropoliet Stephanos van Tallin naar aanleiding van een colloquium over migratie en integratie, georganiseerd door de raad van Christelijke Kerken van Estland.

Het bevat geen enkele originele tekst, maar is een compilatie van meerdere hedendaagse orthodoxe documenten in het Frans. Dit om aan te tonen dat er op dit vlak een algemene consensus bestaat bij orthodoxen van verschillende afkomst.

« In onze geseculariseerde beschaving waar iedereen de neiging heeft om geïsoleerd te leven met het doel om zich te beschermen tegen alle omringende onzekerheden, is het evident dat de vreemdeling slechts het object kan worden van een bijzonder wantrouwen. Zelfs al wordt hij niet met vijandschap bejegend, dan stoot hij toch op een kille onverschilligheid die hem dreigt te marginaliseren in een maatschappij die voor hem gesloten blijft.

Nochtans is de vreemdeling, de geëmigreerde de gestalte bij uitstek van de bijbelse mens, van het kind van Israël, maar ook, wat we maar al te vaak vergeten, van de christen op weg naar het Koninkrijk. De Apostel Petrus zegt het niet anders wanneer hij schrijft : Geliefden, ik vermaan u als pelgrims en vreemdelingen, u verre te houden van de vleselijke lusten die strijd voeren tegen de ziel (1 Petr.2,11). Ja, wij zijn allen vreemdelingen in deze wereld. Wij zijn allen als Abraham, die zijn land had verlaten zonder goed te weten waarheen hij zou gaan. Dit is de fundamentele act van het geloof : zich losmaken van zijn familie, om op weg te gaan naar het Koninkrijk.

Wij kennen allen de episode in de bijbel van de eik van Mamre en van de beroemde hospitaliteit van patriarch Abraham, die drie jonge vreemdelingen ontvangt. Het zijn engelen die hem in naam van God de geboorte komen melden van zijn zoon Isaac (Gen.18,1-8). Maar houden wij ook het vervolg goed voor ogen, namelijk, dat twee van dezelfde engelen  vervolgens naar Loth zouden gaan, waar ze het risico liepen om door de Sodomieten te worden gelyncht ?  en dit op het moment dat Loth hen zal voorstellen om hen zijn twee eigen dochters te geven om hen te doen afschrikken (Gen.19,9). Dit zal voor Paulus het voorwendsel zijn om te schrijven in zijn brief aan de Hebreeën : vergeet de gastvrijheid niet, want dank zij die gastvrijheid hebben sommigen zonder het te weten engelen ontvangen (Hebr.13,2).

Het respect, de eerbetuiging die wij aan de vreemdeling en de geëmigreerden verschuldigd zijn wordt in het Nieuwe Testament nog duidelijker onderlijnd. Christus zelf drukt zijn voorliefde voor de vreemdeling uit. Herinner u de genezing van de tien melaatsen die onder hen één samaritaan telde : Hij viel op zijn aangezicht neer voor Jezus’voeten, en dankte hem : en dat was de Samaritaan. Heeft men niemand anders terug zien keren dan deze vreemdeling alleen, riep Jezus uit (Lucas 17/18). Zo was het ook met het beroemde « ik was vreemdeling en gij hebt mij opgenomen » (Matt.25,35-45) » van de parabel over het laatste oordeel. Hier zien wij het criterium waarmee we zullen beoordeeld worden. Het criterium die onze intrede in het Koninkrijk zal bepalen zal onze gedraging zijn tegenover de misdeelden, in het bijzonder de vreemdeling.

Onze eeuwige bestemming hangt dus af van onze gedraging ten overstaan van de vreemdeling, die niets anders is dan een geëmigreerde want in elke vreemdeling is Christus verborgen. Ontvang de geëmigreerde ook aan tafel, dan ontvang je Christus zelf; de vreemdeling afwijzen is Christus afwijzen, want uw eeuwig leven hangt af van uw  gastvrijheid of uw vreemdelingenhaat.

Ons engagement mag niet alleen afhangen van een bepaalde moraal, een humanistische of politieke ideologie – hoe eerbaar ze ook mogen zijn – onze houding moet uitgaan van ons geloof. Dit geeft een andere betekenis aan onze daden. In de zojuist geciteerde parabel van het laatste oordeel waar Christus zegt : wat gij aan je naaste hebt gedaan, heb je aan Mij gedaan, stelt Jezus geen categorische imperarief, maar hij vereenzelvigt zichzelf met de arme, met de kleinsten onder Zijn broeders. Door hen te dienen, dienen wij God zelf.

Natuurlijk is er een limiet aan het aantal en de frequentie waarmee wij gasten aan tafel kunnen uitnodigen, of aan het aantal emigranten dat een land kan opnemen. Het is hier niet de kwestie om het onmogelijke te vragen, zelfs al leert de geschiedenis ons dat in vele gevallen het vooral gaat over de kwaliteit van de ontvangst en het respect voor het anders zijn van de andere. Daardoor wordt een land wat het is. Wanneer paulus zegt in de brief aan de Galaten (3,28) dat er geen Jood noch Griek meer is, geen man of vrouw, dan wil hij zeggen dat de Jood en de Griek, de man en de vrouw, blijven zoals ze zijn en zich niet bevinden in een staat van fusie, noch in een dominante staat. Allen zijn geroepen om te leven in een totale gelijkheid. Ik herinner hier aan de twaalf aanbevelingen die zijn voorgesteld door de vertegenwoordigers van de Kerken van gans Europa (Anglikanen, Protestanten en Katholieken) op 8 oktober 2004 te Brussel met als titel « naar een evenwichtige benadering in de europese politiek in verband met migratie en asiel ». Wij hebben hier te maken met een zeer goed document, vatbaar om onze evangelische en theologische benadering van de materie te doen vooruitgaan op een positieve manier.

Daarentegen, wat zeker mag en zelfs moet worden veranderd, is de mentaliteit, onze houding ten overstaan van de emigrant. En anderzijds is het hetzelfde voor hem die emigreert, want hij heeft niet alleen rechten. Hij heeft ook plichten en moet rekenschap geven daar waar hij ontvangen wordt.

Dit alles omdat elk schepsel geschapen is naar het beeld van God, anders gezegd : naar het beeld van de Drie-eenheid. Omdat de mens geschapen is naar het beeld van God kan de mens zich niet autonoom ontwikkelen maar slechts in relatie met anderen. « Wij zijn, schrijft Bisschop Kallistos Ware, geroepen om op aarde de beweging naar een gedeelde liefde voort te zetten, naar de wederzijdse gave van zichzelf, de solidariteit, de dialoog en de wederkerigheid. Op die wijze existeert hij eeuwig in de Drie-eenheid ». Mijn naaste is dus mijn broeder; het is hij die ik overal tegenkom ; die ik probeer uit te nodigen, maar hij laat zich niet doen. Hoever ik ook probeer te vluchten, hij haalt mij terug in, hij is daar, hij kijkt, hij stelt vragen, hij vraagt, hij smeekt, en meestal gebeurt dit zonder woorden.

Mijn naaste is ook hij die mij niet op mijn gemak doet voelen omwille van de hevigheid van zijn wanhoop. « Ik was vreemdeling en gij hebt mij opgenomen», « De Heer beschermt de vreemdeling»…

Het thema van de vreemdeling, herhalen we het nogmaals, is constant aanwezig in de Bijbel, in de psalmen en in het Evangelie. Hoe vele malen komen we in de Bijbel het « gij zult de vreemdeling liefhebben » niet tegen ? Zesendertig maal en wellicht zesenveertig of zesenvijftig maal ? wat heeft het uiteindelijk voor belang, want het essentiële is : op elk moment bij onze naaste een levendige relatie te proberen ontdekken, opdat hij in onze ogen niet meer diegene is « die ons wil bedriegen of wil profiteren van ons », maar een persoon die door God bemind wordt, een persoon rijk door zijn geschiedenis, zijn cultuur, zijn bewustzijn, zijn geloof, iemand die wij willen ontmoeten, leren kennen en dienen.

Dit alles leidt ons tot deze actuele vraag : hoe moeten wij de vreemdeling ontvangen ?

Het gaat er om in hem iemand te zien die vragende is, iemand die nood heeft aan iets, die in een kwetsbare situatie verkeert. Iemand die de beslissing om zijn land en familie te verlaten niet lichtzinnig genomen heeft, en die  zich hier bij ons bevindt als drager van een dubbele boodschap.

De eerste boodschap is dat de geëmigreerde vreemdeling zich bevindt in een situatie van materiële armoede. Wij hebben de roeping om dit appel au serieux te nemen, want het is het appèl dat Christus tot ons richt in het Evangelie : wat gij aan de armen gedaan hebt, dat hebt gij aan Mij gedaan. De tweede boodschap is, dat de vreemdeling ons uitnodigt om ons te verrijken met zijn aanwezigheid en zijn anders-zijn. Het Christendom is de religie van de relatie : relatie met God en relatie met de broeder. De andere is altijd verschillend. Dit verschil hindert ons en is soms onverdraaglijk,  maar het  kan ons ook rijker maken.  Saint-Exupéry schrijft in «Le Petit prince» : «Uw aanwezigheid maakt mij rijker». De vluchteling die in ons land aankomt kan ons rijker maken door zijn culturele verscheidenheid. Het is dus belangrijk dat wij deze gelegenheid niet laten voorbijgaan.

Vandaag, staat de mondialisering ons toe om niet alleen kapitaal, maar ook personen te verplaatsen. Het zou bijzonder onjuist zijn om de verplaatsing van kapitalen te aanvaarden zonder de vrije verplaatsing van personen, die juist omwille van hun verschillen het westen zouden kunnen helpen om een antwoord te geven op de echte vragen die zich stellen. Jacques delors zei dat Europa een ziel moet krijgen en dat Europa zich niet kan waarmaken op basis van een economische en juridische regeling. Europa moet een ziel krijgen, dat is evident. Maar dat is juist haar grote gebrek en daarvoor moet  zij zich inzetten.

Laten wij het doen, laten wij ons hart spreken, ons geweten, zoals de Barmhartige Samaritaan het gedaan heeft in het Evangelie. Laten we ons niet scheiden van hen onder onze broeders die de armsten zijn want wij weten niet op welke wegen van rechtvaardigheid, van waarheid, van vreugde en van liefde zij ons kunnen meevoeren.

Vrede, rechtvaardigheid, delen in de liefde : dit alles wordt ons duidelijk in de beproevingen die wij beleven als de meest constructieve waarden van deze mensheid die op zoek is naar meer menselijkheid. Er zijn zeker nog andere waarden in het innerlijke leven van de persoon. Maar de persoon is essentieel cummunio, zoals God communio is. Het is in deze communio dat de mens zich kan realiseren als beeld en gelijkenis van God, anders gezegd : als gedeïfieerde. En indien de mens als beeld van God, goddelijk is, dan zal hij het des te meer zijn indien hij zich te kennen geeft als beminde en beminnende.

Uit het Frans vertaald door Kris Biesbroeck

De teksten zijn genomen uit :

1. Cyrille Argenti: «N’aie pas peur»  Ed.du Cerf/Le sel de la Terre, Paris-Pully 2002,pp.288-296.

2. Revue SOP – Paris

a. n° 249/juin 2000 : Michel Evdokimov : «La trinité, force vivifiante au

         cœur de notre foi» pp.18-21

b. n° 240/juin 2000 : Tatiana Morozov : «Qui est mon prochain ?»pp.21-25.

c. n°256/mars 2001 : Thierry Verhelst : «Le sacrement du frère», pp.33-36.

d. n°265/Février 2002 : Michel Evdokimov :«Assayons de reconnaître le

Christ en tous ceux qui viennent vers nous», pp30-32.

e. n° 274/janvier 2003 : Georges Khodr : «Le dialogue suppose une osmose  créatrice à l’interieur des sociétés plurielles», pp.20-22.

 

Bezinning : Zij offerde van haar armoede alles wat ze heeft om van te leven

Heilige Paulinus van Nola (355-431), bisschop    
Brief 34, 2-4 : PL 61, 345-346

“Zij offerde van haar armoede alles wat ze heeft om van te leven

    

dyn001_original_345_494_pjpeg_2560599_36a356f88565f007f40a24cfb09f2a92

Herinneren we ons de weduwe, die uit zorg voor de armen, zichzelf vergat door alles te geven wat ze had om van te leven, door alleen te denken aan het enige komende leven, zoals de Heer zelf getuigt. De anderen gooiden er iets in van hun overvloed, maar zij, die misschien armer was dan de anderen – omdat haar hele fortuin bestond uit twee muntjes – zij was in haar hart misschien rijker dan de rijken. Ze keek slechts naar de rijkdom van de eeuwige beloning; verlangend naar de hemelse schatten, verloochende ze alles wat ze bezat, als bezit dat van de aarde kwam en wat tot de aarde zou terugkeren (Gn 3,19). Ze gaf wat ze had, om te bezitten wat ze niet zag. Ze gaf het vergankelijk bezit om onsterfelijk bezit te verwerven. Deze kleine arme vrouw was niet de voorziene en beschikbare middelen vergeten van de Heer om de toekomstige beloning te verkrijgen. Daarom heeft de Heer haar ook niet vergeten en de rechter van de wereld heeft van te voren zijn oordeel uitgesproken. Hij looft haar die Hij moet kronen op de dag des oordeels.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

29e zondag na Pinksteren, 15e na de Kruisverheffing

29e zondag na Pinsksteren, 15e zondag na de Kruisverheffing

 

Synaxis van de 70 apostelen

 

uit Lucas 10:

Daarna stelde de Heer tweeënzeventig anderen  – Andere handschriften lezen: ‘zeventig anderen’.

aan, die hij twee aan twee voor zich uit zond naar iedere stad en plaats waar hij van plan was heen te gaan. Hij zei tegen hen: ‘De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig; vraag dus de eigenaar van de oogst of hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen. Ga op weg, en bedenk wel: ik zend jullie als lammeren onder de wolven. Neem geen geldbuidel, geen reistas en geen sandalen mee, en groet onderweg niemand. Als jullie een huis binnengaan, zeg dan eerst: “Vrede voor dit huis!” Als er een vredelievend mens woont, zal jullie vrede met hem zijn; zo niet, dan zal die vrede bij je terugkeren. Blijf in dat huis, en eet en drink wat men je aanbiedt, want de arbeider is zijn loon waard. Ga niet van het ene huis naar het andere. En als jullie een stad binnengaan en daar welkom zijn, eet dan wat je wordt voorgezet, genees de zieken die er zijn en zeg tegen hen: “Het koninkrijk van God heeft jullie bereikt.” 10 Maar als jullie een stad binnengaan waar je niet welkom bent, trek dan door de straten en zeg: 11 “Zelfs het stof van uw stad dat aan onze voeten kleeft, vegen we van ons af als aanklacht tegen u; maar bedenk wel: het koninkrijk van God is nabij!” 12 Ik zeg jullie: het lot van Sodom zal op die dag

 

synaxis van de 70 apostelen

 

 

 Lezingen :

 

2.Tim.4,5-8

5 Blijf gij echter nuchter onder alles, aanvaard het lijden, doe het werk van een evangelist, verricht uw dienst ten volle.

6 Want wat mij aangaat, reeds word ik als plengoffer geofferd en het tijdstip van mijn verscheiden staat voor de deur. 7 Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden; 8 voorts ligt voor mij gereed de krans der rechtvaardigheid, welke te dien dage de Here, de rechtvaardige rechter, mij zal geven, doch niet alleen mij, maar ook allen, die zijn verschijning hebben liefgehad.

 

 

Evangelie :

Marcus 1,1-8

 

Johannes de Doper

1 Begin van het Evangelie van Jezus Christus.2 Gelijk geschreven staat bij de profeet Jesaja:

Zie, Ik zend mijn bode voor uw aangezicht uit, die uw weg bereiden zal; 3 de stem van een, die roept in de woestijn: Bereidt de weg des Heren, maakt recht zijn paden,4 geschiedde het, dat Johannes doopte in de woestijn en de doop der bekering tot vergeving van zonden predikte. 5 En het gehele Joodse land liep tot hem uit en alle inwoners van Jeruzalem, en zij lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan onder belijdenis van hun zonden. 6 En Johannes was gekleed met kameelhaar en met een lederen gordel om zijn lendenen, en hij at sprinkhanen en wilde honing. 7 En hij predikte en zeide: Na mij komt, die sterker is dan ik, wiens schoenriem ik niet waardig ben, nederbukkende, los te maken. 8 Ik heb u gedoopt met water, maar Hij zal u dopen met de heilige Geest.

 

Het Woord van god in het leven en de zending van de Kerk

Het Woord van God in het leven en de zending van de Kerk

 

Door de Oecumenische Patriarch Bartholomeüs 1e

 

 Kopie (7) van Ba(rtholomeus

Op uitnodiging van de paus van Rome Benedictus XVI heeft de Oecumenische Patriarch Bartholomeüs 1e een toespraak gehouden voor de synode van de bisschoppen van de rooms-katholieke Kerk over het algemene  thema van deze vergadering ‘Het Woord van God in de zending en het leven van de Kerk’. Deze tussenkomst had plaats in de Sixtijnse kapel na de celebratie van de vespers

 

Wij geven hier de integrale tekst van de toespraak.

 

Uwe Heiligheid ! synodale Vaders !.

Ik ervaar een gevoel van nederigheid, maar ook van vreugde om uitgenodigd te worden door Uwe Heiligheid om het woord te voeren op de 12e algemene gewone vergadering van de bisschoppensynode. Een historische ontmoeting van bisschoppen van de rooms-katholieke Kerk uit de gehele wereld, en samengekomen op éénzelfde plaats om te mediteren over het « Woord van God» en om met elkaar te beraadslagen over de ervaring en de uitdrukking van dit Woord « in het leven en de zending van de Kerk» .

Deze vriendschappelijke uitnodiging van Zijne Heiligheid aan onze nederige persoon is een teken dat vol is van zin en betekenis – wij zouden zelfs zeggen : een historische gebeurtenis op zich. Het is immers voor de eerste keer in de geschiedenis dat de gelegenheid wordt gegeven aan een oecumenische patriarch om zich te richten tot een synode van de rooms-katholieke Kerk, en dus kan mede participeren aan het leven van de zuster-Kerk op een zo hoog niveau. Wij zien daarin de vruchten van het handelen van de Heilige Geest die onze Kerken leidt om onze wederzijdse relaties nauwer en dieper te maken.. Het gaat hier om een stap in het licht van onze volle communio.

Het is wel bekend dat de orthodoxe Kerk een ecclesiologisch belangrijk belang hecht aan het synodale systeem. Samen met de primauteit vormt de synodaliteit het bestuur van de Kerk en haar organisatie. Zoals de internationale gemengde Commissie voor de theologische dialoog die tussen onze kerken gevoerd wordt, in haar document van Ravenna het heeft gezegd : de onderlinge samenhang van de synodaliteit en het primaatschap doorkruist alle niveau’s van het leven der Kerk : lokaal, regionaal en universeel. Daar wij vandaag het voorrecht hebben om ons tot uw synode te richten, groeit onze hoop om eens de dag te mogen beleven waar onze twee Kerken het volledig eens zullen zijn over de rol van het primaatschap en van de synodaliteit in het leven van de Kerk. Daaraan is  onze theologische commissie hard aan het werken.

Evangelisering en oecumenische dialoog

Het thema dat deze bisschopssynode heeft gekozen  heeft een  fundamentele betekenis, niet alleen voor de rooms-katholieke Kerk, maar ook voor allen die geroepen zijn  om in onze tijd van Christus te getuigen. De zending en de evangelisatie blijven een permanente plicht vormen voor de Kerk van alle tijden en overal. Zij maken deel uit van de natuur zelf van de Kerk omdat zij « apostolische » is, tegelijk in de zin van haar trouw aan de oorspronkelijke lering van de Apostelen, maar ook omdat zij het woord van God verkondigt in alle culturele verbanden en op elk moment. De Kerk moet dus het Woord van God herontdekken voor alle generatie en met vernieuwde kracht en overtuiging moet zij deze richten aan onze hedendaagse wereld, die in het diepste van haar hart dorst heeft naar Gods boodschap, een boodschap van vrede, hoop en liefde.

Deze plicht tot evangelisatie zou op een belangrijke wijze kunnen worden gewaardeerd en versterkt, indien alle christenen zich in een positie zouden bevinden van waaruit zij dit kunnen doen geleid door één stem en als een volledige herenigde kerk. In zijn gebed tot de Vader vóór zijn lijden heeft onze Heer klaar en duidelijk uitgedrukt dat de eenheid van de Kerk door en door verbonden is met Zijn opdracht « opdat de wereld gelove » (Joh.17,21). Het is dus gepast dat deze synode haar poorten heeft open gezet voor haar broederlijke gedelegeerden in een oecumenische geest. Zodat wij allen bewust zouden worden van onze gemeenschappelijke zending tot evangelisatie, maar ook van de problemen en moeilijkheden die aan de realisatie ervan verbonden zijn in de wereld van vandaag.

De fundamentele thema’s in het leven en de zending van de Kerk

Deze synode heeft zonder twijfel het thema van het Woord van God in de diepte en al haar aspecten bestudeerd, theologisch, praktisch en pastoraal. In onze nederige tussenkomst zullen wij ons beperken om met u enkele bedenkingen te delen over het thema van onze bijeenkomst, vertrekkend vanuit de manier waarop de orthodoxe traditie ze heeft benaderd in de loop der eeuwen en in het bijzonder vanaf de leringen van de griekse Vaders. Concreter, willen wij ons concentreren op drie aspecten van dit thema, te weten : het luisteren en de afkondiging van het Woord van God doorheen de Heilige Schriften, de contemplatie van het Woord van God in de natuur en boven alles in de schoonheid van de iconen en ten slotte, de ervaring en het aandeel van het Woord van God in de gemeenschap der heiligen en het sacramentele leven van de Kerk. Wij denken dat deze drie aspecten van groot belang zijn in het leven en de zending van de Kerk.

Wij zullen hierbij verwijzen naar een rijke patristieke traditie vanaf het begin van de 3e eeuw en die een  leer ontwikkeld heeft van de vijf spirituele zintuigen. Het Woord van God beluisteren, het Woord van God bemediteren en geraakt worden door het Woord van God zijn zovele spirituele manieren om het unieke goddelijk mysterie te ervaren. Steunend op het boek Spreuken – « Gij zult de kennis van Gods vinden »(2,5) – roept Origines van Alexandrië uit : « Deze zintuigen openbaren het zien in de contemplatie van de immateriële vormen : het gehoor voor de onderscheiding van de stem, de smaak voor het brood des levens te smaken, de reuk om de zachte spirituele parfums te waarderen, en de tastzin om het Woord van God te dragen dat begrepen wordt  door elk vermogen van de ziel ».

De spirituele zintuigen zijn op verschillende manieren beschreven – als de « vijf zintuigen van de ziel », of als de « goddelijke eigenschappen », en zelfs als « eigenschappen van het hart » of « van de geest ». Deze leer heeft de theologie van de Capadociërs  (vooral Basilios de Grote en Gregorios van Nyssa) geïnspireerd, evenals de theologie van de woestijnvaders (in het bijzonder Evagrius Ponticus en Macarios de Grote).

Het Woord van God beluisteren en verkondigen doorheen de Schrift

Tijdens elke celebratie van de liturgie van de heilige Johannes Chrysostomos, bidt de celebrant « opdat wij waardig mogen zijn te luisteren naar het heilig Evangelie ». Waarom ? « wat wij hebben gehoord,en wat wij met onze  ogen hebben gezien, wat we mochten aanschouwen en onze handen mochten betasten met betrekking tot het Woord des Levens »(1 Joh.1,1) behoort op de eerste plaats en boven alles niet tot één van onze eigenschappen of een aangeboren recht dat wij zouden hebben als menselijke wezens. Het is een voorrecht en een gave die wij ontvangen als kinderen van de levende God. De christelijke Kerk is voor alles een Kerk gegrondvest op de heilige Schriften. Zelfs als de wijzen van interpreteren kunnen veranderen van de ene kerkvader tot de andere, van de ene  school tot de andere, in het Oosten of het Westen, de Schriften komen altijd tot ons als een levende realiteit en niet als dode letter.

Zo is in de context van een levendig geloof de Schrift het getuigenis van een levende geschiedenis, van de relatie tussen de levende God en een levend volk. Het Woord « dat door de profeten gesproken werd » (Geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel), is gesproken met het inzicht beluisterd en gevolgd te worden. Het gaat vooreerst over een mondelinge en directe communicatie gericht tot de mensen, bestemd voor de mensen. De geschreven tekst is dus ervan afgeleid en ondergeschikt; de geschreven tekst staat altijd ten dienste van het gesproken woord. Deze wordt niet op een mechanische wijze overgebracht maar gecommuniceerd van geslacht tot geslacht als het levende woord. Door de mond van de profeet Isaïas belooft de Heer : « Want zoals regen en sneeuw uit de hemel vallen, en daar niet terugkeren, zonder de aarde te drenken (…)Zo is het ook met het woord uit mijn mond : niet ledig keert het tot mij terug » (Isaïas 55,10-11).

Meer nog : zoals de heilige Johannes Chrysostomos het uitlegt, toont het goddelijk Woord ons een diepe beschouwing over de diversiteit van de personen die het beluisteren en het ontvangen, en ook hun culturele contexten. De aanpassing van het goddelijk Woord aan de specifieke mogelijkheden en aan de bijzondere culturele context van ieder persoon toont ons de missionaire dimensie van de Kerk, geroepen om de wereld om te vormen door het Woord. In de stilte, evenals in de verkondiging, in het gebed evenzeer als in de actie, richt het goddelijk Woord zich tot de ganse wereld – « Maak alle volkeren tot mijn leerlingen » (Matt.28,19) – zonder enig voorrecht op het gebied van ras, cultuur, sexe of sociale status. Wanneer wij deze goddelijke zending volbrengen, dan kunnen we met zekerheid zeggen : « Zie ik blijf altijd bij u, tot aan het einde der wereld » (Matt. 28,20). Wij worden geroepen om het goddelijk Woord te verkondigen in alle talen : « Voor allen ben ik van alles geworden, om met alle middelen enigen te redden » (1 Kor. 9,22).

De Kerk in dienst van de sociale rechtvaardigheid

Bovendien, als leerlingen van het Woord van God moeten wij vandaag meer dan ooit een uitzicht bieden, over de grenzen van de sociale, politieke of economische orde heen, aan de noodzaak om de armoede uit te roeien, om  het evenwicht te bevorderen in een globaliserende wereld, om het fundamentalisme en het racisme te bestrijden en een religieuze tolerantie te ontwikkelen in een wereld in conflict. Door te antwoorden op de noden van de armen, de meest kwetsbaren en de marginalen van deze wereld, bepaalt de kerk haar grenzen ten overstaan van een globaliserende wereld. Alhoewel de theologische en spirituele taal verschilt van het technisch en economisch vocabularium, bezwijken de hinderpalen, die op het eerste gezicht religieuze bezorgdheden zijn ( zoals de zonde, het heil en de spiritualiteit), en de pragmatische (zoals de handel, de zaken en de politiek) voor de veelvuldige uitdagingen van de sociale rechtvaardigheid en de mondialisatie, want ze zijn niet ontoegankelijk.

Of dit nu  het leefmilieu, de vrede, de armoede of de honger, de opvoeding of de gezondheidszorg betreft, wij zien vandaag dat er hierover een grote gemeenschappelijke bezorgdheid en verantwoordelijkheid bestaat die op een bijzondere manier wordt ervaren, zowel door gelovigen als door niet gelovigen.

 Ons engagement zal niet verminderen noch ongedaan gemaakt worden omwille van de bestaande verschillen tussen disciplines of door meningsverschillen met hen die de wereld op een andere wijze voor ogen houden. Niettemin zijn de groeiende tekenen van een gemeenschappelijk engagement voor het welzijn van de mensheid en het leven van de wereld zeer bemoedigend. Deze ontmoeting van personen en instituties beloofd veel goeds voor de wereld. Dit engagement onderstreept de hoge roeping en de zending van de leerlingen en medestanders van het Woord van God, die erin moet bestaan hun politieke en/of religieuze verschillen te transcenderen om zo de zichtbare wereld om te vormen tot eer van de onzichtbare God.

Het Woord van God beschouwen

De onzichtbare is nooit zichtbaar geweest, tenzij in de schoonheid van de iconografie en de wonderwerken van de schepping. Volgens de woorden van de voorvechter van de heilige beelden, de heilige Johannes van Damascus, « als maker van hemel en aarde, was God het Woord de eerste om iconen te schilderen en voor te stellen ». Elke trek met het penseel in de iconografie – zoals elk woord in een theologische definitie, elke noot van een psalmzang of elke steen gebeiteld in een kapel of een grote kathedraal – drukt het goddelijk Woord uit in de schepping. Het is als een lofprijzing aan God doorheen elk levend wezen en alles wat ademt (cf. Psalm 150,5).

Toen de verering van de iconen terug in ere werd hersteld, interesseerde het 7e oecumenische concilie van Nicea zich niet voor de religieuze kunst : het was eenvoudigweg de bevestiging van de eerste bepalingen van de volheid van de menslijkheid van het Woord van God. Iconen zijn een zichtbare herinnering aan onze goddelijke roeping; zij nodigen ons uit, om ons te verheffen boven onze onbeduidende bezorgdheden en de dwingende vragen van deze wereld. Zij moedigen ons aan om het buitengewone te zoeken in het zeer eenvoudige, om ons te vervullen met dezelfde verwondering die ook de goddelijke verwondering in Genesis karakteriseerde : « God zag alles wat Hij gemaakt had : het was goed » (Gen.1,30-31). Het griekse woord (in de Septuagint) voor « goedheid », kallos impliceert – ethymologisch en symbolisch – een « appèl » . De iconen onderlijnen de fundamentele zending van de kerk die erin bestaat dat alle personen en alle dingen geschapen en geroepen zijn om ‘goed’ en ‘mooi’ te zijn.

De schoonheid van de iconen en van de natuur

De iconen doen ons de dingen op een andere manier zien, een andere manier ook om de realiteit te beleven, een andere manier om de conflicten op te lossen. Wij worden uitgenodigd om te aanvaarden wat de hymnologie van de zondag van Pasen noemt « een andere wijze van leven ». Want wij hebben een arrogante en misprijzende houding gehad tegenover de natuurlijke schepping. Wij hebben geweigerd om het Woord van God in de oceanen van onze planeet te zien, in de bomen van onze continenten, en in  de dieren die onze aarde bevolken. Wij die « deelgenoten willen worden aan de goddelijke natuur »(2 Petrus 1,4), hebben verzaakt aan onze eigen natuur die ons oproept om ons voldoende te buigen over het Woord in de schepping. Hoe kunnen wij de grote gevolgen van het goddelijk Woord dat vlees geworden is negeren ? Waarom hebben wij niet gemerkt dat de geschapen natuur in het verlengde ligt van het lichaam van Christus ?

De  oosterse theologen stellen altijd de kosmische dimensies in het licht van de goddelijke incarnatie. Het geïncarneerde Woord is wezenlijk in de schepping, ontsproten door een goddelijke tussenkomst. De heilige Maximos de Belijder legt de nadruk op het feit dat het Woord van God in alle dingen aanwezig is (cf. Koll.3,11), de goddelijke logos verblijft in het centrum van de wereld, aldus  zijn eerste en ultieme doel mysterievol openbarend (1 Petrus 1,20). Dit mysterie wordt bechreven door Athanasius van Alexandrië. « De Logos wordt door geen enkel ding duidelijk naar voor gebracht  maar hij bevat alles. Hij is in alles en tegelijk is hij buiten elk ding (…)de eerst-geborene van de ganse wereld onder al zijn aspecten ». De ganse wereld is een proloog op het Evangelie van Johannes. En wanneer de Kerk de breedste dimensies van het Woord van God, de kosmische, niet herkent, en haar bezorgdheden beperkt tot de zuiver spirituele, dan verwaarloost zij haar voortdurende zending om aan God te vragen haar om te vormen – altijd en overal – , « in al de plaatsen waar zij zich bevindt » – in de verontreinigde Kosmos.

Het is niet  verbazingwekkend dat de zondag van Pasen, wanneer de paas- celebratie haar hoogtepunt bereikt, de orthodoxe christenen zingen : « Nu is alles vervuld van het goddelijk licht : de hemel, de aarde en alles op aarde. Dat de gehele schepping zich verheuge ». Elke authentische, « ernstige ecologie », is dus onverbreekbaar verbonden met de dieper liggende theologie : «zelfs een steen, schrijft Basilios de Grote, draagt het zegel van het Woord van God. Dat is waar voor een mier, een bij en een mug, de kleinste schepselen. Want hij ontvouwd de wijde oceanen en stelt de oneindige zeeën ten toon; en hij schept de holle angel van de bij». Basilios herinnert ons hier niet slechts aan de geringe rol van de mens in de wijdse en schitterende schepping van God, hij onderlijnt alleen onze centrale rol in het heilsplan van God voor de ganse wereld.

Het Woord van God aanvoelen en delen

Het woord van God «treedt buiten zichzelf in een eeuwigdurende extase’»(Denys de Areopagiet), zoekende met passie om « in ons te wonen » (Joh.1,14), opdat de wereld het leven in overvloed zou hebben (Joh.10,10). De barmhartigheid van God is wijdverbreid en verdeeld « om de voorwerpen van zijn weldaden te vermenidvuldigen » (Gregorios de Theoloog). God neemt al onze zwakheden op zich, « Hij die bekoord werd geheel op dezelfde wijze als wij, behoudens de zonde » (Hebr.4,15), om ons datgene te offeren wat van God is en om van ons goden te maken door de genade.«Voor U is Hij arm geworden, terwijl Hij rijk was, om U door Zijn armoede te verrijken » zegt de apostel Paulus (2 Kor.8,9), aan wie dit jaar juist werd toegewijd. Zo is het Woord van God : wij brengen het glorie en eer.

Het woord van God incarneert zich tenvolle in de schepping, vooral doorheen het sacrament van de eucharistie.  Het is dáár dat het woord vlees wordt en ons niet alleen toestaat het te horen en te zien, maar ook om het aan te raken met onze eigen handen, zoals de heilige Johannes het zegt (1 Joh.1,1), en van Hem een deel van ons lichaam en ons bloed te maken, volgens de woorden van de heilige Johannes Chrysostomos.

In de Heilige eucharistie is het beluisterde woord zowel gezien als gedeeld («koinonia»). Het is geen toeval indien in de eerste eucharistische documenten, zoals bijvoorbeeld in de Apocalyps en de Didachè, de eucharistie geassocieerd wordt aan de profetie, en de bisschoppen die haar celebreerden werden beschouwd als de opvolgers van de profeten (bijvoorbeeld, het martelaarschap van Polycarpus). De eucharistie werd reeds beschreven door Paulus (1 Kor.11) als de «verkondiger» van de dood van Christus en Zijn tweede komst. Het doel van de Schrift is fundamenteel de verkondiging van het Koninkrijk en de aankondiging van de eschatologische dingen. De eucharistie geeft ons een voorsmaak van het Koninkrijk en zij is, in deze betekenis, de verkondiging van het Woord bij uitstek. In de eucharistie worden het Woord en het sacrament slechts één realiteit. Het Woord houdt op «woorden» te zijn en wordt een persoon , die alle menselijke wezens en de gehele schepping incarneert.

De gemeenschap van de heiligen

en de sacramenten van het leven

Doorheen het leven van de Kerk, weerspiegelt zich de « kenose » (de leer dat Christus Zijn goddelijke gestalte heeft afgelegd om mens te worden) en de communio met het woord van God in de levens van de heiligen als de voelbare menselijke ervaring van het woord van God in onze samenleving. Op die wijze, transformeert zich het woord van God in het lichaam van de gekruisigde en verheerlijkten Christus.  Daaruit volgt dat de heiligen een organische relatie vormen met de hemel en de aarde, met God en met de ganse schepping. In de ascetische strijd, verzoend de heilige het Woord en de wereld. Door het berouw en de zuivering, is de heilige vervuld – zoals Abba Isaac de Syriêr- van medelijden voor elk schepsel, wat overeenkomt met de nederigheid en de uiterste volmaaktheid.

Het is daarom dat de heilige met vurigheid en een onvoorwaardelijke en onweerstaanbaar aanzien bemint. Doorheen de heiligen kennen wij het Woord zelf van God, omdat – zoals de heilige Gregorios Palamas het bevestigt – « God en zijn heiligen dezelfde glorie en dezelfde  glans delen ». In de discrete aanwezigheid van een heilige leren wij hoe de theologie en de actie samenvallen. In de medelijdende liefde van de heilige, ervaren wij God « onze Vader » en de barmhartigheid van God  als « onwankelbaar blijvend »(Psalm 135,70). De heilige wordt verteerd door het vuur van Gods liefde : daarom deelt de heilige de genade mee en kan hij niet de minste manipulatie of misbruik in de maatschappij of de natuur aanvaarden. De heilige doet eenvoudigweg dat wat « goed en juist » is (Liturgie van de heilige Johannes Chrysostomos), door de mensheid altijd haar  waardigheid te geven en door de schepping te eren. « Zijn woorden hebben de kracht van de daad en zijn stilte de macht van een redevoering » (heilige Ignatios van Antiochië).

En in de gemeenschap der heiligen is iedereen geroepen om « als vuur te worden » (Apophtegmen van de woestijnvaders), om zo de wereld te raken door de mystieke kracht van het Woord van God. Dit op zo een wijze dat – zoals Christus aan het Kruis – de wereld ook zou kunnen zeggen : « Iemand heeft mij geraakt ! » (cf. Matt.9,20).Het  kwade kan slechts uitgeroeid worden door de heiligheid, en niet door hardheid. En de heiligheid brengt in de maatschappij een zaadkorrel die geneest en ons omvormt. Verrijkt door het leven der sacramenten en de zuiverheid van het gebed, kunnen wij dieper doordringen in het mysterie van het Woord van God.  Het is zoals met de tektonische platen van de aardkorst : de diepste lagen moeten slechts enkele millimeter bewegen om de oppervlakte van onze planeet doorheen te schudden. Maar opdat dergelijke spirituele revolutie zou plaatsvinden, moeten wij eerst de ervaring hebben van een radicale ommekeer « een metanoia » – een bekering van onze  gedragingen, gewoontes en daden – want zo gebruiken wij het Woord van God slecht of misbruiken wij de gaven van God en de schepping van God.

De bekering van de harten en het sacrament van de broeder

Zo een bekering is zeker onmogelijk zonder de goddelijke genade ; men bereikt ze niet door de grootst mogelijke inspanning te leveren of met de menselijke wil. « Voor de mensen is het onmogelijk, maar voor God is alles mogelijk »(Matt.19,26). De spirituele verandering heeft plaats wanneer onze lichamen en onze zielen gegrift zijn op het levende Woord van God, wanneer onze cellen de levendige bloedstroom bevatten die voorkomt van de sacramenten, wanneer we openstaan om alles met allen te delen. Zoals ons de heilige Johannes Chrysostomos eraan herinnert, kan  het sacrament van « onze naaste » niet gescheiden worden  van het sacrament van het « altaar ». Ongelukkiglijk zijn wij de roeping om te delen vergeten, samen met de verplichting die er uit voortvloeit. De sociale ongerechtigheid en de onwettelijkheid, de armoede in de wereld en de oorlog, de vervuiling en de ontaarding van ons leefmilieu vloeien voort uit onze onbekwaamheid of ons tekort aan wil om te delen. Als wij zeggen dat wij het sacrament van het altaar bezitten, dan kunnen wij niet verzaken aan het sacrament van onze naaste, of het vergeten, want het vertegenwoordigt een fundamentele voorwaarde voor de realisatie van het Woord van God in de wereld, in het leven en in de zending van de Kerk.

Dierbare broeders in Christus, wij hebben de leer van de kerkvaders onderzocht naar hun spirituele betekenis door de kracht te analyseren van het beluisteren en het uitspreken van het Woord van God in de Schriften, om het Woord van God te zien in de iconen en in de natuur, alsook om het Woord van God aan te voelen in de heiligen en de sacramenten. Welnu, opdat wij trouw zouden blijven aan het leven en de zending van de Kerk, moeten wij persoonlijk getransformeerd worden door dit Woord. De Kerk moet als een moeder zijn, die gedragen wordt door wat zij eet, maar die, tezelfdertijd, voedt doorheen het voedsel. Zonder voedsel kunnen wij het niet volhouden. Wanneer de wereld de vreugde van de verrijzenis van Christus niet deelt, dan is dat een aanslag op onze rechtschapenheid en ons engagement om het Woord van God te beleven. Voor de celebratie van elke liturgische liturgie, bidden de orthodoxe christenen dat dit Woord zou « gebroken en geconsumeerd, uitgedeeld en gedeeld» worden in de communie. En  «wij weten allen,dat wij gegaan zijn door de dood naar het leven, omdat wij onze broeders » en zusters liefhebben (1 Joh.3,14).

«De wereld transfigureren in het licht van de verrijzenis »

De uitdaging waarmee wij worden geconfronteerd is de onderscheiding van het Woord van God ten overstaan van het kwaad, de transfiguratie van de minste detail en van alle dingen van deze wereld in het licht van de Verrijzenis. De overwinning is reeds aanwezig in het diepste van de Kerk, elke keer dat wij de ervaring mogen ondervinden van de genade van de verzoening en de communio. Dat ieder van ons strijde – in zijn het diepste van zijn hart en in de wereld – om de kracht van het Kruis te herkennen, dan beginnen wij het feit te erkennen dat elke daad van rechtvaardigheid, elke vonk van schoonheid, elk woord van waarheid gelijdelijkaan de schors van het kwaad kan wegnemen. Over de grenzen heen van onze zwakke inspanningen, hebben we nochtans de verzekering van de Geest die « onze zwakheden tegemoet komt » (Rom.8,26), en aan onze kant blijft om ons te verdedigen en te «versterken » (Joh.14,16). Dit, door ons « om te vormen , zoals de heilige Symeon de Nieuwe Theoloog het zo kernachtig uitdrukt over alles wat het Woord van God ons zegt over het Rijk Gods : parel, mosterdzaadje, gist, water, vuur, brood, leven en mystieke bruiloftskamer ».

Zo is de kracht en de genade van de Heilige Geest, die wij bij wijze van conclusie aanroepen tijdens deze tussenkomst, aan Uwe heiligheid onze dankbaarheid uitdrukkend, als ook aan iedereen van jullie hier aanwezig, met onze zegen : Koning van de hemel, Trooster, Geest der Waarheid, Gij die overal tegenwoordig zijt en allen vervult, schatkamer van alle goeds schenker van het leven, kom en verblijf in ons, zuiver ons van alle smet en redt onze zielen. Gij die  goedheid zijt en  de samenleving liefhebt. Amen.

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

 

Aan jullie liefde voor elkaar zal iedereen zien dat jullie mijn leerlingen zijn

H. Fulgentius van Ruspe (467-532), bisschop  
Sermon 3, voor het feest van de heilige Stefanus ; CCL 91A, 905

“Aan jullie liefde voor elkaar zal iedereen zien dat jullie mijn leerlingen zijn” (Joh 13,35)

    

Pantocrator

 

 

 Deed de liefde Christus uit de hemel neerdalen, Stefanus werd daardoor van de aarde in de hemel opgenomen. Die liefde, die eerst straalde in de Koning, schitterde daarna in de soldaat.

      Daar waar Stefanus is heengegaan, gedood door de stenen van Paulus, daar is ook Paulus gekomen, geholpen door het gebed van Stefanus. Wat een waarachtig leven, geliefden. Hier schaamt Paulus zich niet over het doden van Stefanus, maar Stefanus verheugt zich om het samenzijn met Paulus: in beiden verheugt zich de liefde. Immers de liefde van Stefanus heeft de wreedheid van de joden overwonnen., de liefde van Paulus heeft een menigte zonden bedekt, voor hen beiden heeft de liefde het Rijk der hemelen als beloning verworven.

      De liefde is dus de bron en de oorsprong van alle goed, het pantser bij uitnemendheid en de weg die naar de hemel leidt. Wie in de liefde wandelt, kan niet dwalen of bang zijn, want zij leidt ons, zij beschermt ons en voert ons naar ons einddoel. Christus heeft de ladder van de liefde geplaatst, geliefden, en daarlangs kan iedere christen naar de hemel opstijgen. Gij moet daarom vol moed de liefde ongeschonden bewaren en haar aan elkaar betonen om zo geleidelijk omhoog te klimmen.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Nectarios van Aegina : Hymne aan de goddelijke liefde

DE HEILIGE NECTARIOS VAN AEGINA

 

HYMNE AAN DE GODDELIJKE LIEFDE

Nektarios van Egina
 

 De goddelijke eros(wij gebruiken het woord eros in de betekenis van de Vaders. Het is de werkzame, dynamische liefde, die de ziel dwingt om uit zichzelf te treden, naar God toe) is de volmaakte liefde voor God, die zich uit als een onverzadigbaar verlangen van het goddelijke. De goddelijke eros wordt in het gezuiverde hart geboren of woont in de goddelijke genade.

 De eros voor God is een goddelijke gave. Het wordt aan de onschuldige ziel gegeven door de goddelijke genade die haar bezoekt en zich aan haar openbaart.

 De goddelijke eros richt zich tot niemand zonder een goddelijke openbaring. De ziel die de openbaring niet heeft ontvangen, is niet onder invloed van de genade en blijft ongevoelig voor de goddelijke liefde.

 De geliefden van het goddelijke voelen zich gestuwd naar de goddelijke liefde door Gods genade, geopenbaard aan de ziel, en die handelt in het gezuiverde hart. Het is de ziel die hen heeft getrokken naar God toe.

 Diegene die aangegrepen wordt door God is eerst zelf door God bemind. Het is pas daarna dat hij het goddelijke bemint.

 De geliefde van het goddelijke is vooreerst bemind door God, vervolgens heeft hij de Hemelse Vader bemind.

 Het hart van hem die de Heer liefheeft sluimert nooit; hij waakt omwille van de intensiteit van zijn liefde.

 Indien de mens slaapt uit de noodzaak van zijn  natuur, dan waakt het hart voor de lofprijzing van God.

 De gekwetste ziel door de goddelijke eros zoekt niets meer buiten het hoogste Goed, zij keert zich van alles af, gevoelt voor alles een onverschilligheid.

 De ziel die aangegrepen is door God verheugt zich over de woorden van God en brengt zijn tijd in Zijn tabernakels door.

 Zij verheft haar stem om de wonderdaden van God te verkondigen, en wanneer zij staande blijft, spreekt zij over Zijn glorie en Zijn majesteit.

Zij bezingt God en looft hem zonder ophouden.

 Zij dient Hem met ijver.

 De goddelijke eros maakt zich meester van gans deze ziel, verandert ze en maakt ze zich eigen.

 De ziel, verliefd op God, heeft het goddelijke gekend en deze kennis heeft zijn goddelijk eros doen ontvlammen.

 De ziel, verliefd op God, is zeer gelukkig, want zij heeft de goddelijke raadsman ontmoet die haar verlangens heeft vervuld.

 Elk verlangen, elke genegenheid, elk vervoering die vreemd is aan de goddelijke liefde werpt zij ver van zich als verachtelijk en haar onwaardig.

 O met hoeveel liefde voor het goddelijke, richt de ziel die gedragen wordt door de liefde van God, de liefde voor God ten hemel ! Deze liefde die is als een kleine wolk maakt zich meester over de ziel en voert haar naar de eeuwige, nooit opdrogende bron van liefde, en vervult haar met het eeuwige licht.

 De ziel die gegrepen is door de goddelijke eros, verheugt zich ten allen tijde. Zij is vreugdevol, zij springt op van vreugde, zij danst, want zij voelt zich geborgen in de liefde van de Heer, als op een rustig water.

 Niets van wat in deze wereld bedroefd maakt kan haar rust en haar vrede komen verstoren, geen droefheid kan haar vreugde en vrolijkheid wegnemen

 De liefde voert de ziel van de goddelijke beminde naar de hemel. Verbaast ziet zij zichzelf gescheiden van de lichamelijke zintuigen, van haar lichaam zelf. Door zich volledig aan God over te geven, vergeet zij zichzelf.

 De goddelijke eros bezorgt haar de vertrouwelijkheid met God; de vertrouwelijkheid geeft haar durf, de durf de smaak en de smaak de honger.

 De ziel die geraakt wordt door de goddelijke eros kan niet meer aan andere dingen denken, noch iets anders verlangen.

 Zij zucht onophoudelijk en zegt : «Heer, wanneer zal ik naar U toe komen en wanneer zal ik je aangezicht zien ? Mijn ziel verlangt naar U toe te gaan zoals een hinde verlangt naar stromend water ».

 Zo is de goddelijke eros die van de ziel een gevangene maakt.

O liefde, echt en blijvend !

O liefde, gelijkenis met het goddelijk beeld !

O liefde zachte vreugde van mijn  ziel !

O liefde goddelijke volheid van mijn hart !

O liefde, onophoudelijke bezinning van mijn geest !

 Gij bezit altijd mijn ziel, gij omringt haar met vriendelijkheid en warmte.

 Gij maakt haar levengevend en richt haar op tot de goddelijke liefde

 Gij vervult mijn hart en doet het branden van goddelijke liefde, Gij wekt mijn verlangen voor de Hoogste Raadsman op.

 Door uw levengevende kracht versterkt gij de kracht van mijn ziel; gij maakt haar bekwaam om aan de goddelijke liefde de dienst op te dragen die haar toekomt.

 Gij maakt U meester van mijn geest en bevrijd hem van aardse bindingen.

Gij bevrijdt hem opdat hij zonder hindernissen zou opstijgen naar de goddelijke liefde in de hemelen.

Gij zijt de kostbaarste schat voor de gelovigen, de meest eerbare gave van de goddelijke charisma’s.

Gij zijt de goddelijke schittering van mijn ziel en mijn hart.

Gij zijt die de getrouwen maakt tot zonen van God.

Gij zijt het sieraad van de gelovigen en gij eert uw vrienden.

Gij zijt het enige eeuwigdurende goed, want gij zijt eeuwig.

Gij zijt het kleed van schoonheid van de vrienden van God, die zich zo gekleed tonen aan de goddelijke liefde.

Gij zijt de heerlijke geneugten, want gij zijt de vrucht van de heilige Geest.

Gij leidt de geheiligde gelovigen binnen in het Koninkrijk der Hemelen.

Gij zijt het zachte parfum van de gelovigen.

 Door U communiceren de gelovigen in het paradijs van de weldaden.

Door U richt het licht van de spirituele zon zich op in de ziel.

Door U openen zich de spirituele ogen van de gelovigen.

Door U nemen de gelovigen deel aan de goddelijke glorie en het eeuwig leven.

Door U ontstaat in ons het verlangen naar de hemelen.

 

Gij zijt het die het koninkrijk van God vestigt op aarde.

Gij zijt het die de vrede verbreid over de mensen.

Gij zijt het die maakt dat de wereld gelijkt op de hemel.

Gij zijt het die de mensen met de engelen verenigt.

Gij zijt het die onze harmonieuze gezangen doet opstijgen tot God.

Gij zijt het die in alles de overwinnaar bent.

Gij zijt het die boven alle dingen staat.

Gij zijt het die in werkelijkheid over het universum regeert

Gij zijt het die met wijsheid de wereld richt.

Gij zijt het die alles draagt en bewaart.

 

GIJ valt nooit !

 

O liefde, volheid van mijn hart !

O liefde, teder beeld van Jezus de zeer tedere.

O liefde, heilig zinnebeeld van de leerlingen van de Heer.

O liefde, symbool van Jezus de tedere.

Zegen mijn hart door uw verlangen.

Vervul het met weldaden, goedheid en vrolijkheid.

Maak van mijn hart de woonplaats van de zeer Heilige Geest.

Ontbrand het geheel met uw goddelijk vuur, opdat mijn armzalige passies

zouden verteerd worden, dat ze geheiligd worden door uw onophoudelijke lofprijzing.

 Vervul mijn hart met de zachtheid van uw liefde, opdat ik alleen nog Jezus de zeer tedere zou liefhebben, Christus onze Heer. En dat ik voor Hem de hymne zonder einde zou zingen met gans mijn ziel, met gans mijn hart, met al mijn krachten en met gans mijn geest. Amen !

 

Vertaling : Kris Biesbroeck.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hervorming en Orthodoxie

HERVORMING EN ORTHODOXIE 

kruis55555

 

 

 

Interview  van N. Smelt met Vader Thomas POTT(Chevetogne) 

 

N. Smelt (NS): De liturgie van de Oosterse Kerk, eeuwen en eeuwen oud en voor de gemiddelde kerkganger onveranderd, gebonden aan precies vastgelegde teksten, rituelen en melodieën. De orthodoxie heeft geen Tweede Vaticaanse Concilie gekend, dat zorgde voor een liturgische revolutie. De Orthodoxe liturgie lijkt nog steeds voor eeuwig en altijd, maar de werkelijkheid is veel genuanceerder. De Benedictijnse monnik Thomas Pott van de abdij van Chevetogne in België, waar Latijnse en Byzantijnse rites en levensstijl al jaar en dagharmonisch samengaan, heeft vorige maand in Rome met succes een proefschrift verdedigd waarin hij aantoont hoe al eeuwenlang ook de liturgie van de orthodoxe kerken zich voortdurend ontwikkelt, aanpast en verandert. In `Schriftgeleerden’ geeft hij een toelichting op zijn onderzoek naar het ogenschijnlijk onverenigbare: hervorming en orthodoxie.

Père Thomas Pott (TP): Een actief ingrijpen van de mens in de structuur van de liturgie heeft wel zeker plaats gehad. Ik heb bestudeerd, hoe dat ingrijpen van de mens er concreet heeft uit gezien, wat hij heeft gedaan en wat dat zegt over zijn relatie met de liturgie.

NS: Als de mens aan liturgiehervorming doet, doet hij dat dan, omdat hij anders is gaan geloven of omdat hij vindt dat het oude geloof een nieuwe uitdrukking moet gaan krijgen, in andere woorden en gebaren gestalte moet krijgen?

TP: Het is heel verschillend en het ligt er ook aan wie er hervormt. Er zijn bijvoorbeeld monastieke liturgie-hervormingen, parochiële hervormingen en kathedrale hervormingen. Je moet altijd kijken wie is degene die erachter zit, welke groep zit erachter. Wat je vaak ziet in de geschiedenis van de Byzantijnse liturgie is dat het charisma van een monnik, zoals bijvoorbeeld Theodorus Studites, een sterke impuls geeft aan een liturgische hervorming of aan een liturgisch beweging, die je achteraf herkent als een liturgische hervorming.
De beweegredenen van de hervormingen kunnen heel verschillend zijn. Er zijn hervormingen of veranderingen in de liturgie geweest, die gemotiveerd waren vanuit de idee dat de liturgie niet meer overeenstemde met wat de mensen precies geloofden. Meestal was het echter een geleidelijk aanpassen of een op de voet volgen.
Bijna altijd zie je dat de liturgie spontaan evolueert en dat het ingrijpen van de mens zich beperkt tot een goedkeuren of een afkeuren van die ontwikkeling door bijvoorbeeld het uitvaardigen van een decreet, het opnemen van een verandering in een nieuw manuscript, of vanaf de 17e eeuw door het uitgeven van een nieuw liturgisch boek.

NS: In de geschiedenis van de Kerk hebben we geweldige strijd gezien om het ware geloof, zoals de verschillende concilies die elkaar te vuur en te zwaard bestreden hebben om te komen tot de formulering van bijvoorbeeld het Credo van de Katholieke Kerk. Daarna hebben we vooral in de Westerse Kerk de strijd gezien tussen theologen, met name in de tijd van de Reformatie. Dat heeft ook de wijze van liturgie vieren beïnvloedt. Zien we zoiets ook in de Orthodoxe Kerken? Een vechten om de waarheid die zijn weerslag vindt in het kerkelijk leven in de liturgie.

TP: In het begin zeer zeker. Bijvoorbeeld, het Credo van Nicea-Constantinopel is in de Byzantijnse liturgie in de 6e eeuw ingevoerd door een monofysitische patriarch om daarmee te laten zien dat hij van het geloof van Nicea-Constantinopel was. De volgende patriarch, een orthodoxe patriarch, kon dat niet zomaar terugdraaien.
Dus op die manier is het Credo in de liturgie gekomen, en zie je dat de theologische polemiek verantwoordelijk was voor die invoering. Later is dat minder duidelijk. In de periode die ik vooral heb bestudeerd, de periode van de 8e tot de 14e-15e eeuw, hebben theologische discussies niet veel invloed op de liturgie gehad.

NS: Welke invloed heeft de tweespalt tussen de Kerk van Constantinopel en de Kerk van Rome gehad op de vormgeving van de liturgie?

TP: Ik denk dat in de periode van de 10e tot 12e eeuw de liturgische families al gevormd waren. Je kunt dan al duidelijk spreken van een Byzantijnse liturgie, van een Romeinse liturgie. En ook het wederzijds onbegrip of het onbehagen dat men voelde naar elkaar toe, was al gegroeid.
Binnen de Byzantijnse liturgie zijn er niet veel zaken die hun oorsprong vinden in de polimiek met andere kerken.

NS: In hoeverre is de Byzantijnse liturgie een klerikale liturgie?

TP: Enerzijds is de Byzantijnse liturgie heel klerikaal en anderzijds helemaal niet. In de Byzantijnse liturgie celebreren als het ware alle mensen mee. Er is natuurlijk een zekere afstand door onder meer de iconostase, maar meestal is er in de Byzantijnse kerken geen echte afstand tussen gelovigen en priester.

NS: Maar een niet-orthodox gelovig mens ervaart toch een zekere afstand tussen de priester en de mensen in de kerk. Is het een ander levensgevoel, een andere mentaliteit die de orthodox denkende en gelovige mens heeft?

TP: Ja, zeker een andere mentaliteit. Maar je kunt ook zeggen dat men in de Latijnse liturgie heeft geprobeerd die afstand te verkleinen, maar dat men niet het beoogde effect heeft verkregen, want liturgie is essentieel ritus en ritus is ook mysterie. En mysterie wordt ook uitgedrukt door symbolische handelingen, ook door afstand. In de Latijnse ritus is het altaar vaak op een verhoging geplaats of er was een communie bank tussen de gelovigen en het altaar. Er was altijd een zekere afscheiding.

NS: Het heilige moet het heilige blijven en niet te dicht bij het profane komen.

TP: Het gaat er in liturgie om, dat het profane heilig wordt. Er zijn echter een aantal stappen die men niet kan overslaan. Daarin werkt liturgie ook pedagogisch: door fysieke objecten of omstandigheden bevindt de mens zich in een situatie die beantwoordt of overeenkomt met zijn geestelijke of theologische situatie.

NS: Is de theologische situatie van mensen in de Orthodoxe Kerk zoveel anders als van mensen in de Westerse kerken, in de Latijnse ritus?

TP: Nee, die is precies hetzelfde, maar wordt misschien anders beleefd. Ik denk dat er in het Oosten veel minder de behoefte is om alles te zien, alles te voelen, alles te begrijpen. Men heeft veel meer het besef in een traditie te staan die overgeleverd is van generatie op generatie, waarin men ingewijd moet worden.
Als ik iets niet begrijp, dan is het niet zozeer dat die ritus niet goed is, maar misschien ben ik zelf ook niet op de hoogte van die ritus. Juist vandaag de dag is het een probleem dat het overbrengen van de traditie van generatie op generatie is onderbroken, zowel in het Westen als in het Oosten.
In Rusland is immers het meegeven van die liturgische traditie door het communisme onderbroken.

NS: Is het niet opmerkelijk, dat in de voormalige Sowjet-Unie, in Rusland en in de andere republieken die daar uit zijn voortgekomen, er weer een geweldige belangstelling is gekomen voor de orthodoxe liturgie? De kerken bloeien daar op en men weet toch vrij gemakkelijk opnieuw aan te sluiten bij de oude traditie.

TP: Maar er zijn ook veel mensen die weer snel ontmoedigd worden. Alexander Men, een belangrijke Russische theoloog en priester, vroeg zich nog voor de val van het communisme af of de Kerk wel in staat zou zijn om haar taak op zich te nemen. En dat is een probleem waar West en Oost met elkaar verenigd zijn, want ook bij ons is het moeizame moment gekomen om de traditie door te geven, terwijl wij tegelijkertijd moeten antwoorden op de serieus kritische vragen van de jeugd.

NS: Zou je je ook kunnen afvragen of secularisatie, modern levensgevoel, moderne verhoudingen in onze samenleving wel samengaan met eeuwenoude liturgieën om daarin je geloof, je geloof in de wereld te beleven? Kun je je geloof in de 21e eeuw beleven in vormen van de 10e, 11e, 12e eeuw?

TP: Die vraag is heel scherp gesteld, waarop je moet antwoorden dat dat niet kan, als die vorm niet de vorm wordt van de 21e eeuw. En hij wordt de vorm van de 21e eeuw, doordat hij door de eenentwintigste eeuwer wordt geleefd. Dus echt geleefd en niet alleen maar als ritueel wordt nagedaan.
Dat is ook weer een vraag die zowel aan de Westerse als aan de Oosterse Kerken wordt gesteld en die ze moeten beantwoorden; namelijk in hoeverre zijn we actueel, in hoeverre is onze liturgie in staat de mensen in het mysterie binnen te voeren. Waarbij men zich altijd moet afvragen of de liturgie voldoende is aangepast aan de gelovigen.
Misschien kan een zeker taalgebruik worden veranderd of moet men misschien een concessie doen in de lengte van de dienst. Dat zijn in feite slechts secundaire vragen.
De belangrijkste vraag is of de mens van vandaag – de Duitsers zeggen `kultfähig’ – in staat is een liturgische mens te zijn of is dat al niet meer zo. En als het wel zo is, kan hij dan verder met onze liturgie.

NS: Oftewel de vraag: hoe pastoraal, hoe mensgericht moet de liturgie zijn?

TP: Ik denk niet, dat liturgie op de eerste plaats pedagogisch moet zijn. Mensen hebben er mijns inziens genoeg van om te veel te worden bemoederd in de liturgie of door de liturgie.
Als liturgie een manier van leven is, het uitdrukken op een heel intense wijze van wat ons leven is, dan is het aspect van het mysterie heel belangrijk.

NS: Het hele levensritme van deze tijd lijkt echter haaks te staan op de sfeer, de uitdrukkingsmiddelen van die oude liturgieën. Hoe kan een mens van deze tijd zichzelf daarin herkennen?

TP: Zeker is, dat er een zekere aanpassing moet zijn of een initiatie. Het neerhalen van de liturgie op het niveau van de mens die nauwelijks is voorbereid op wat liturgie is, heeft helemaal geen zin. Daar zou men de liturgie mee kapot maken.

NS: Kan de orthodoxe, de Byzantijnse liturgie de oecumene in de weg staan? Of kan ze juist bijdragen tot de bevordering van die oecumene?

TP: Liturgie kan nooit een sta in de weg zijn; voor geen enkele liturgie. En bij die vraag moet je je ook afvragen, wat is oecumene, wat versta ik daar onder? Als oecumene is: ze moeten maar zo snel mogelijk onze gebruiken accepteren, want dat zijn de enige juiste; ja, dan is het een sta in de weg. Maar dat kan nooit tot iets goeds leiden.
Men kan alleen maar van andere christenen wensen, dat zij zo overtuigd mogelijk en zo oprecht mogelijk hun eigen tradities leven. Of het nu over orthodoxen of over protestanten gaat, of over katholieken.
Men moet geen angst hebben voor zijn eigen tradities, zoals je vaak ziet bij katholieken die als ze met andersgelovigen samenkomen, bang zijn voor een aanatal gebruiken die ze hebben, zoals wierook. Dat mag dan plotseling niet meer.
Het is uitsluitend door heel authentiek zich zelf te zijn, dat men de ander als authentiek zichzelf kan accepteren. En dat is de enige weg van een echte oecumene tussen gelijkwaardigen; en niet alleen een aanpassing van mij aan de ander of van de ander aan mij.

 


©
Uit de “Kroniek van Chevetogne”, uitgave van de Stichting Sint Benedictus

 

Bezinning Kerstmis

H.  Basilius (ca. 330-379), monnik en bisschop van de Caesarea in Kappadocië, Kerkleraar  
Homilie over de geboorte van Christus ; PG 31, 1471v

 

 

geboorte van Christus2

 

 

“Wij hebben zijn heerlijkheid gezien, die Hij als enigeboren Zoon van zijn Vader heeft”

     ” Toen ze de ster zagen, werden ze met buitengewoon grote vreugde vervuld” (Mt 2,10). Vandaag ontvangen wij ook die grote vreugde in onze harten, de vreugde die de engelen aan de herders verkondigen. Laten we met de magiërs aanbidden, met de herders verheerlijken, met de engelen zingen: “Vandaag is een Redder geboren, het is Christus de Heer, de Heer God is aan ons verschenen”…

      Dat feest is gemeenschappelijk voor de gehele schepping: de sterren haasten zich aan de hemel, de magiërs komen uit heidense landen, de aarde ontvangt in een grot. Er is niets dat niet aan dit feest bijdraagt, niets dat niet uit gulle handen komt. Laten we een vreugdelied zingen, laten we het heil van de wereld vieren, de dag van de geboorte van de mensheid. Vandaag is de veroordeling die Adam trof, tenietgedaan. Dat men nooit meer zegt: “Stof ben je, tot stof keer je terug” (Gn 3,19), maar: “Verenigd met Hem die uit de hemel neerdaalde, zul je lof zingen in de hemel”…

      “Een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven, de heerschappij rust op zijn schouders”(Jes 9,5)… wat een onmetelijke goedheid en liefde voor de mensen! Verenig je dus met hen die in vreugde hun Heer die uit de hemel neerdaalt, ontvangen en met hen die de Grote God in dit kleine kind aanbidden. De macht van God openbaart zich in dit lichaam als het licht door de ramen en straalt uit de ogen van hen die zuiver van hart zijn (Mt 5,8). Met hen, kunnen wij “met onverhuld gelaat de glorie van de Heer als in een spiegel aanschouwen, gegeven om herschapen te worden tot een steeds heerlijker gelijkenis met Hem” (2Kor 3,18), door de genade van onze Heer Jezus Christus en zijn liefde voor de mensen.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

 

‘Kerstmis alleen nog een gezellig feest’

NEERIJNEN – Het is alweer zo’n 19 jaar geleden dat de destijds beroemde toneel- en poppenspeler Jozef van de Berg gehoor gaf aan een innerlijke stem.

 

Bouwhuis Jan
Foto’s: Jan Bouwhuis op zoek naar de

echte vrede

door Bert Leenders

Hij had, zoals de naam van zijn voorstelling toen heette, ‘genoeg gewacht’ en begon zijn zoektocht om er achter te komen wat God precies met hem voor had. Hij ging – zoals hij het zelf zegt – het thema van zijn laatste voorstelling zelf in praktijk brengen.Deze zoektocht leidde hem naar Maldon, Athene en de heilige berg Athos in Griekenland en na zijn bekering tot de orthodoxe kerk uiteindelijk naar Neerijnen. Hier woont hij ondertussen alweer 17 jaar. Hij leeft in een piepklein hutje tegenover de kasteeltuin. Dat hutje van amper enkele vierkante meters is niet alleen zijn woon- en slaapplaats. Het is ook een minikapel waar hij bidt en mediteert en zijn gasten ontvangt. J

ozef heeft geen behoefte aan weer een verhaal over het verleden en de manier waarop hij als monnik en kluizenaar zijn sobere leven leidt. Daarom praten we over de orthodoxe kerk, de zin van zijn bestaan en – hoe kan het anders in deze tijd – de betekenis van het kerstfeest. De orthodoxe kerkOp zijn speurtocht naar een andere invulling van zijn leven en het gehoor geven aan de innerlijke stem die hij hoorde, kwam Jozef in contact met het monnikenleven in Griekenland en daardoor met “De Heilige Orthodoxe Kerk”. De orthodoxe kerk is in Oost-Europa en in West-Azië de meest voorkomende vorm van het christendom. In het jaar 1054 vond er een schisma plaats, die leidde tot een splitsing tussen Oosterse en Westerse christenen. Evenals de Rooms-katholieke kerk kent de orthodoxe kerk verschillende sacramenten en wordt de moeder van God, Maria daar vereerd. De paus wordt niet erkend en er is geen strakke hiërarchie.

De nadruk ligt op heilige tradities die stammen uit de heilige schrift en de vroegste kerkvaders. Daardoor is de orthodoxe kerk er van overtuigd dat zij de enige rechtstreekse voortzetting is van de kerk die Christus zelf gesticht heeft. In Nederland zijn 34 Oosters-orthodoxe parochies en drie kloosters.De zin van zijn levenswijzeJozef beschouwt het als een goddelijke opdracht om op deze manier te leven. Zijn leven bestaat uit bidden, schrijven en het klaarmaken van een schamele maaltijd van de spullen die vrienden en dorpsbewoners hem brengen. De weg die hij gaat legt hij vast op papier. Wat met deze tekst gaat gebeuren weet hij nog niet. “Dat is in Gods hand”. Eens per maand krijgt hij inspirerend bezoek van een orthodox priester. Samen vieren ze dan een liturgische plechtigheid. Jozef krijgt regelmatig bezoek van zijn familie en geestverwanten. Anderen, waaronder veel toevallige passanten, zijn nieuwsgierig naar zijn leefwijze, vragen om raad of willen praten over geloofs- en levensvragen.

“Een dergelijk vreemde verschijning met baard en gekleed in donkerkleurige pij valt op en maakt nieuwsgierig” is zijn ervaring. Hij ontmoet veel gelijkgezinden maar vindt het ook boeiend om van gedachten te wisselen met mensen met andere opvattingen. “Het verdiept je inzicht”. Hij verlaat Neerijnen vrijwel nooit. Als hij kan helpen, steekt hij ook daadwerkelijk de handen uit de mouwen. Zo is hij een actief lid van de kasteeltuincommissie. Iedere zaterdag is hij daar met een groep vrijwilligers actief om de fraaie tuin te onderhouden. Op de jaarlijkse pompoenenmarkt poft hij traditiegetrouw appeltjes voor de kinderen en hij verricht zo nodig kleine karweitjes voor buurtbewoners.

KerstmisJozef: ”Met kerstmis herdenken wij de komst van Jezus op aarde. Het feit dat God kind wordt en deel wordt van zijn eigen schepping. Voor veel mensen heeft Kerstmis tegenwoordig alleen nog de waarde van een gezellig feest. De binding met de oorspronkelijke betekenis is voor hen verdwenen. Dat is jammer. Samen iets vieren en genieten van de goede kant van het leven mag best. Kerstmis is echter ook een prima moment om eens te reflecteren op de achterliggende periode en nieuwe plannen te maken.” Jozef vindt de situatie waarin de wereld verkeert instabiel en wankel. Veel economische zekerheden vallen als kaartenhuizen in elkaar. Hij wijst er op dat de verzekeringsmaatschappij met de leus ‘Nationale Nederlanden, wat er ook gebeurt’ zelf gered moest worden van een mogelijke ondergang. Daarom is het kerstfeest wellicht een goed moment om te vertrouwen op Diegene die werkelijk stabiel is.

Met graaien en de vraag hoeveel ik wel niet bezit, wordt je niet echt gelukkig. Het is de onderlinge liefde waar het om gaat. Wellicht is het kerstfeest in deze economisch schokkende tijd een goed moment om dat te ontdekken.Jozef zelf viert Kerstmis volgens de kerkelijke kalender van de orthodoxe kerk: niet op 25 december, maar 13 dagen later. Enkele vrienden en geestverwanten komen dan bij hem samen en herdenken dan met een gebedsbijeenkomst de komst van Christus. Ook gebruiken ze dan samen de maaltijd.Wanneer ik Jozef verlaat moet ik onwillekeurig denken aan een vergelijking met het kerstverhaal. Christus werd geboren in een stal. Jozef begon zijn ‘nieuwe leven’ in een fietsenstal(ling) en ook zijn huidige woonomstandigheden verschillen niet veel van de primitieve omstandigheden waaronder Christus geboren werd.

 

Akathist y canon

 

El Himno

Akathisto y Canon

A la Gloriosa Señora Nuestra Theotokos

y siempre

Virgen María.

Contenido:

Akathisto y Canon Virgen María.

Canon de la Madre de Dios de José el Himnógrafo.

Himno Akathisto 2.

Kontaquio 1

¡Oh Madre de Dios Generala Protectora! Ya que yo, Ciudad Vuestra, he sido liberada por vos de mis angustias, escribo proclamando la victoria en acción de gracias. Y Vos, puesto que poseéis una fuerza invencible, libradme de todos, los peligros, para que Os aclame: ¡Salve, Esposa Virgen!

Icos 1

Un Príncipe de los ángeles es enviado desde los Cielos para decir a la Madre de Dios: “Alégrate.” Cuando Te contempla, oh, Señor, asumiendo un cuerpo, exulta y queda asombrado, y con voz inmaterial la aclama:

Salve, oh Vos, por Quién resplandecerá la alegría

Salve, oh Vos, por Quién cesará la maldición!

¡Salve, Restauración del Adán caído!

¡Salve, Redención de las lágrimas de Eva!

¡Salve, oh Cima inaccesible al humano entendimiento!

¡Salve, oh Abismo impenetrable aún a los ojos de los mismos ángeles!

¡Salve, porque sois el Trono del Rey!

¡Salve, porque lleváis a Aquél que lo lleva todo!

¡Salve, Estrella que anunciáis al Sol!

¡Salve, Seno de la divina Encarnación!

¡Salve, oh Vos, por Quién la Creación es renovada!

¡Salve, oh Vos, por Quién ha tomado carne humana el Creador!

¡Salve, Esposa Virgen!

Kontaquio 2

La Santa, considerando su castidad, dice francamente a Gabriel: Lo extraño de tu palabra parece a mi alma difícil de admitir; pues, ¿cómo hablas de un nacimiento que será fruto de una concepción virginal? y exclamas: ¡Aleluya!

Ikos 2

La Virgen, tratando de comprender tan incomprensible nueva, exclamó al Enviado: ¿Cómo es posible que de entrañas que son puras pueda nacer el Hijo? ¡Dime! Y él respondió exultando con temor y reverencia:

¡Salve, oh Vos, la secretamente iniciada en el designio inefable!

¡Salve, oh Vos, Fe de los que oran en silencio!

¡Salve, Preludio de las maravillas de Cristo!

¡Salve, oh Suma de Sus dogmas!

¡Salve, Escala celestial por la que Dios bajó!

¡Salve, Puente que conduce a los de tierra hacia el cielo!

¡Salve, oh Maravilla alabadísima por los ángeles!

¡Salve, Azote en gran manera temido por los demonios!

¡Salve, oh Vos, que inefablemente disteis a luz a la Luz!

¡Salve, oh Vos, que a nadie habéis enseñado cómo ello fue realizado!

¡Salve, oh Vos, que sobrepujáis en inteligencia a los sabios!

¡Salve, oh Vos, que ilumináis el entendimiento de los fieles!

¡Salve, Esposa Virgen!

Kontaquio 3

Entonces la energía del Altísimo cubrió a la que era intacta para que concibiese, y mostró la fecundidad de su seno, como la de un suave y tierno prado, a todos aquellos que quieren cosechar la salvación, y que, alabándola, cantan: ¡Aleluya!

Ikos 3

Llevando a Dios en su seno, donde lo había recibido, se dirigió la Virgen a Isabel; y el hijo de ésta, interpretando el saludo, se estremeció de júbilo y exclamó a la Madre de Dios:

¡Salve, Sarmiento de una cepa incorruptible!

¡Salve, Huerto de perenne fructificación!

¡Salve, Vos que cultivasteis al amoroso Cultivador del género humano!

¡Salve, Campo fértil en abundancias de misericordia!

¡ Salve, Ara colmada de ofrendas propiciatorias!

¡Salve, puesto que florecéis transformada en prado de delicias!

¡Salve, ya que preparáis puerto acogedor a las almas!

¡Salve, grato Incienso de la plegaria intercesora!

¡Salve, Expiación del mundo todo!

¡Salve, Benevolencia de Dios para con los mortales!

¡Salve, Confianza de los mortales ante Dios!

¡Salve, Esposa Virgen!

Kontaquio 4

Agitado interiormente por contradictorios pensamientos, túrbase el discreto José, suponiendo en Vos, oh Doncella irreprochable, unos furtivos amores. Pero al saber que vuestra concepción era del Espíritu Santo, exclamó: ¡Aleluya!

Ikos 4

Oyeron los pastores a los ángeles exultar la presencia del Cristo hecho carne; y corriendo hacia El como a su Pastor, lo contempláron como Cordero inmaculado, paciendo en el seno de María, a la cual alabaron diciendo:

¡Salve, Madre del Cordero y del Pastor!

¡Salve, Redil de las místicas ovejas!

¡Salve, Defensa contra los enemigos invisibles!

¡Salve, Llave de las puertas del paraíso!

¡Salve, Causa del común de regocijo de cielo y tierra!

¡Salve, Armonía de las voces terrenas con los coros celestiales!

¡Salve, Boca nunca muda de los Apóstoles!

¡Salve, Valor invencible de los Mártires!

¡Salve, Soporte inconmovible de la fe!

¡Salve, Señal resplandeciente de la gracia!

¡Salve, oh Vos, por Quién el Hades quedo desnudo y desierto!

¡Salve, oh Vos, por Quién hemos sido revestidos de gloria!

¡Salve, Esposa Virgen!

Kontaquio 5

Contemplando los Magos la estrella que los guiaba a Dios, pusiéronse en marcha siguiendo su resplandor. Teniéndola por lumbrera buscaron al Señor todo poderoso; y hallando al Inaccesible exclamaron gozosos: ¡Aleluya!

Ikos 5

Cuando los hijos de los caldeos vieron en manos de la Virgen a Aquél que con Sus manos creó al género humano, lo reconocieron como Señor a pesar de que había tomado forma de siervo, y se apresuraron a rendirle homenaje con sus dones y a exclamar a la Bendita:

¡Salve, Madre del Astro sin ocaso!

¡Salve, Aurora del día místico!

¡Salve, oh Vos, que habéis apagado la fogata del error!

¡Salve, oh Vos, que ilumináis a los iniciados en la Trinidad!

¡Salve, oh Vos, que expulsáis del poder al tirano inhumano!

¡Salve, oh Vos, que mostráis a Cristo el Señor, El que ama al género humano!

¡Salve, oh Vos, que nos librasteis de las supersticiones paganas!

¡Salve, oh Vos, que nos libráis de las obras del lodo y de las tinieblas!

¡Salve, oh Vos, que pusisteis fin a la adoración del fuego!

¡Salve, oh Vos, que libráis de las llamas de las pasiones!

¡Salve, Guía de los fieles hacia la sabiduría!

¡Salve, Alegría de todas las generaciones!

¡Salve, Esposa Virgen!

Kontaquios 6

Convertidos los Magos en teóforos predicadores, regresáronse a Babilonia, cumpliendo, oh Cristo, Vuestro oráculo y anunciándoos a todos; abandonando a Herodes como necio, incapaz de exclamar: ¡Aleluya!

Ikos 6

En Egipto hicisteis brillar el resplandor de la Verdad, ahuyentando las tinieblas de la mentira; los ídolos de allá, oh Señor, no pudiendo soportar la fuerza de Vuestra presencia, se derrumbaron. Y los que de ellos se libraron clamaron a la Madre de Dios:

¡Salve, Restauración del género humano!

¡Salve, Ruina de los demonios!

¡Salve, oh Vos, que hollasteis las imposturas del engaño!

¡ Salve, oh Vos, que denunciáis la superchería de los ídolos!

¡Salve, oh Mar que sumergió al Faraón espiritual!

¡Salve, oh Peña de la que beben los sedientos de vida!

¡Salve, Columna de fuego que guía los que se hallan en la oscuridad!

¡Salve, Protección que cubre al mundo, más amplia que el manto de las nubes!

¡Salve, Alimento que sustituisteis al maná!

¡Salve, oh Vos que nos procuráis santas delicias!

¡Salve, Tierra de promisión!

¡Salve, de la que brotan leche y miel!

¡Salve, Esposa Virgen!

Kontaquio 7

Hallándose próximo Simeón a abandonar este mundo engañoso, le fuisteis puesto en sus brazos como tierno infante, aunque Os hicisteis reconocer por él como Dios perfecto; por lo que, maravillado por Vuestra inefable sabiduría exclamó: ¡Aleluya!

Ikos 7

El Creador nos mostró una nueva Criatura, dándonosla a conocer a quienes por El fuimos hechos. La hizo surgir de un seno virginal, al que conservó íntegro cual era antes del parto, a fin de que, viendo tal prodigio, lo ensalzáramos, clamando:

¡Salve, Flor de incorrupción!

¡Salve, Corona de la continencia!

¡Salve, oh Vos, que hicisteis brillar el arquetipo de la Resurrección!

¡Salve, oh Vos, Espejo de la vida angélica!

¡Salve, Arbol cargado de fruto, alimento de los fieles!

¡Salve, Ramaje frondoso, bajo el que se refugian las muchedumbres!

¡Salve, oh Vos, que habéis llevado en el seno al Guía de los descarriados!

¡Salve, oh Vos, que habéis dado a luz al Redentor de los cautivos!

¡Salve, oh Súplica insistente ante al justo Juez!

¡Salve, oh Perdón de muchos de los que caen!

¡Salve, Túnica de confiada esperanza para los que están desnudos!

¡Salve, Ternura maternal, vencedora de toda pasión!

¡Salve, Esposa Virgen!

Kontaquio 8

Contemplando parto tan fuera de lo común, nos apartamos de lo común de esta mundo, elevando el pensamiento al cielo; pues que esta fue la razón por la que el excelso Dios apareció sobre la tierra como hombre humilde, con el designio de atraer hacia la altura a quienes le exclaman: ¡Aleluya!

Ikos 8

El Verbo indescriptible estaba íntegro aquí abajo, sin hallarse por ello ausente en lo más mínimo allá arriba. De modo que tuvo lugar una condescendencia divina, y no una transferencia de sitio; y ello fue por medio del parto de una Virgen escogida por Dios, que oyó cosas como estas:

¡Salve, Lugar del Dios inmenso!

¡Salve, Umbral del sagrado misterio!

¡Salve, Noticia dudosa para los incrédulos!

¡Salve, Gloria incontestable de los creyentes!

¡Salve, Carro Santísimo de Aquél que se halla por encima de los Querubines!

¡Salve, Palacio excelentísimo de Quién está por encima de los Serafines!

¡Salve, oh Vos, por Quién concuerdan las cosas que eran contrarias!

¡Salve, oh Vos, en Quién la virginidad y la maternidad convergen!

¡Salve, oh Vos, por Quién la transgresión fue derrocada!

¡Salve, oh Vos, por Quién fue abierto el paraíso!

¡Salve, Llave del Reino de Cristo!

¡Salve, Esperanza de los bienes eternos!

¡Salve, Esposa Virgen!

Kontaquio 9

Toda naturaleza angélica quedó atónita ante la gran obra de Vuestra Encarnación; porque a Quién es inaccesible contemplaron accesible como Hombre, conviviendo con nosotros y oyendo de todos el ¡Aleluya!

Ikos 9

Ante Vos, oh Madre de Dios, vemos enmudecer como peces a los más elocuentes oradores; puesto que no saben explicarse como pudisteis dar a luz, conservándoos Virgen. Mas nosotros, ponderando el misterio, exclamamos con fe:

¡Salve, Vaso de la sabiduría de Dios!

¡Salve, Cofre de Su Providencia!

¡Salve, oh Vos, que mostráis la necedad de los vanos filósofos!

¡Salve, oh Vos, que dejáis sin palabras a los expertos en controversias,

¡Salve, porque ante Vos acabaron como estultos los hábiles discutidores!

¡Salve, porque ante Vos se esfumaron los creadores de fábulas!

¡Salve, oh Vos, que quebrantasteis las maquinaciones de los paganos atenienses!

¡Salve, oh Vos, que llenáis las redes de los Pescadores!

¡Salve, oh Vos, que sacáis afuera del abismo de la ignorancia!

¡Salve, oh Vos, que ilumináis el conocimiento de muchos!

¡Salve, Bajel de los que quieren salvarse!

¡Salve, Puerto de los que por la vida navegan!

¡Salve, Esposa Virgen!

Kontaquio 10

Queriendo salvar al mundo el Artífice de todas las cosas, vino a él como de Sí mismo había ya prometido; siendo Pastor como Dios, por nosotros apareció hombre como nosotros; así pudo atraer a la naturaleza humana, mientras que como Dios oye el ¡Aleluya!

Ikos 10

Muralla sois de las vírgenes, Virgen Madre de Dios, y de todos cuantos a Vos recurren; porque el Creador del cielo y de la tierra, oh Inmaculada, Os cubrió con Su sombra y habitó en vuestro seno, enseñándonos a todos a aclamarte:

¡Salve, Columna de la virginidad!

¡Salve, Atrio de la salvación!

¡Salve, Iniciadora de nuestra regeneración espiritual!

¡Salve, Canal de la divina bondad!

¡Salve, oh Vos, que habéis regenerado a quienes fuimos concebidos en pecado!

¡Salve, oh Vos, que amonestáis a quienes tienen la mente confundida!

¡Salve, oh Vos, que habéis derogado el poder del corruptor de las almas!

¡Salve, oh Vos, que habéis dado a luz al Sembrador de la pureza!

¡Salve, Tálamo de boda espiritual!

¡Salve, Conciliadora del Señor con sus fieles!

¡Salve, Preceptora de las vírgenes!

¡Salve, Guiadora de los santos a las místicas bodas!

¡Salve, Esposa Virgen!

Kontaquio 11

Cualquier himno, por más que se intentara alargarlo, es incapaz de describir la multitud de Vuestras misericordias; aunque Os dirigiéramos, oh Santo Rey, cánticos en número igual a los granos de arena, nada cumpliríamos digno de lo que nos habéis dado, a nosotros que clamamos : ¡Aleluya !

Ikos 11

Vemos a la Santa Virgen como Lámpara que contiene la Luz, para alumbrar a los que yacen en tinieblas; porque, encendiendo la luz inmaterial, guía a todos hacia el conocimiento de Dios, iluminando el pensamiento con su resplandor. Por ello la honramos con estas aclamaciones:

¡Salve, Rayo del Sol espiritual!

¡Salve, Dardo de luz inextinguible!

¡Salve, Relámpago luminoso que fulgura sobre las almas!

¡Salve, Trueno que asusta a los enemigos!

¡Salve, oh Vos, que habéis dado el amanecer a la esplendorosa claridad de la Aurora!

¡Salve, oh Vos, Símbolo de la pila bautismal!

¡Salve, oh Vos, que borráis la mancha del pecado original!

¡Salve, Fuente en la que se lava la conciencia!

¡Salve, Pozo que derrama alegría!

¡Salve, Efluvio del perfume de Cristo!

¡Salve, Agape de vida mística!

¡Salve, Esposa Virgen!

Kontaquio 12

Queriendo hacer merced de perdonar antiguas deudas Aquel que habría de pagar por las de todos los hombres, se acerca voluntariamente a quienes se hallaban alejados de Su gracia; y habiendo roto la lista de sus deudas, oye de todos clamar el ¡Aleluya!

Ikos 12

Cantando Vuestro parto, oh Madre de Dios, Os enaltecemos todos como a Templo Viviente; pues habitando en Vuestro seno el Señor que contiene en Su mano todas las cosas, lo santificó y lo glorificó, y así fuimos enseñados por Él mismo a exclamaros:

¡Salve, Tabernáculo del Dios y Verbo!

¡Salve, Santa mayor que los Santos!

¡ Salve, Arca labrada en oro por el Espíritu Santo!

¡Salve, inagotable Tesoro de vida!

¡Salve, Diadema preciosa de los reyes piadosos!

¡Salve, Gloria venerable de los sacerdotes temerosos de Dios!

¡Salve, Torre inconmovible de la Iglesia!

¡Salve, Baluarte inconquistable del reino!

¡Salve, oh Vos, gracias a Quién se erigen los trofeos de victoria!

¡Salve, oh Vos, por Quién son abatidos los enemigos!

¡Salve, Medicina de mi cuerpo!

¡Salve, Salvación de mi alma!

¡Salve, Esposa Virgen!

Kontaquio 13

¡Oh Madre digna de toda alabanza! Tú que haz dado a luz al Verbo más Santísimo que todos los santos, recibe la presente ofrenda, líbranos a todos de cualquier desventura y preserva del castigo futuro a los que exclaman unánimemente: ¡Aleluya!

Y se repite el siguiente Ikos y Kontaquio:

Ikos 1

Un Príncipe de los ángeles es enviado desde los Cielos para decir a la Madre de Dios: “Alégrate.” Cuando Te contempla, oh, Señor, asumiendo un cuerpo, exulta y queda asombrado, y con voz inmaterial la aclama:

¡Salve, oh Vos, por Quién resplandecerá la alegría

¡Salve, oh Vos, por Quién cesará la maldición!

¡Salve, Restauración del Adán caído!

¡Salve, Redención de las lágrimas de Eva!

¡Salve, oh Cima inaccesible al humano entendimiento!

¡Salve, oh Abismo impenetrable aún a los ojos de los mismos ángeles!

¡Salve, porque sois el Trono del Rey!

¡Salve, porque lleváis a Aquel que lo lleva todo!

¡Salve, Estrella que anunciáis al Sol!

¡Salve, Seno de la divina Encarnación!

¡Salve, oh Vos, por Quién la Creación es renovada!

¡Salve, oh Vos, por Quién ha tomado carne humana el Creador!

¡Salve, Esposa Virgen!

Kontaquio 1

¡Oh Madre de Dios, Generala Protectora! Ya que yo, Ciudad Vuestra, he sido liberada por vos de mis angustias, escribo proclamando la victoria en acción de gracias. Y Vos, puesto que poseéis una fuerza invencible, libradme de todos, los peligros, para que Os aclame: ¡Salve, Esposa Virgen!

Oración a la Virgen

Mi Reina dilectísima mi esperanza oh Deípara, refugio de los huérfanos e intercesor a de los forasteros. Alegría de los apenados, Protectora de los agraviados, Tú ves mi congoja, conoces mi aflicción. Ayúdame porque estoy indefenso, guíame por que soy forastero y resuélvelo como Tú quieras, pues no tengo otro auxilio más que Tú, ni otra Intercesora, ni Consuelo Benigno, solamente a Ti, oh Madre de Dios, para poder defenderme y protegerme, por los siglos de los siglos. Amén.

Canon de la Madre de Dios

de José el Himnógrafo.

Traducido del griego por Gabriel Díaz

Primera Oda

Hirmos

Abriré mi boca y quedará repleta del Espíritu: y entonaré un poema en honor de la Madre Reina; me presentaré gozosamente celebrándola y, jubilosamente, cantaré sus maravillas.

Santísima Madre de Dios, Sálvanos.

Troparios

Al verte, Libro viviente de Cristo sellado por el Espíritu, el gran Arcángel, oh Pura, te dijo: salve, receptáculo de la dicha, por medio de quien cesará la maldición de la primera Madre.

Santísima Madre de Dios, Sálvanos.

Rehabilitación de Adán, ¡Salve!, Virgen, Esposa de Dios, muerte del infierno; salve, oh Purísima, palacio del único Rey; salve, trono ígneo de aquel que todo lo gobierna.

Gloria…

Tú la única que hiciste brotar la Rosa que no se marchita, salve, Tu que produjiste la manzana de suave perfume; salve, Tú que engendraste la fragancia del Rey de todos; salve, esposa intacta, salvación del mundo.

Y ahora…

Tesoro de la pureza por quien nos levantamos de nuestra caída, salve; salve, lirio perfumado, Soberana que perfumas a los fieles, incienso de suave fragancia, aroma preciosísimo.

Tercera Oda

Hirmos

¡A los que te celebran, Madre de Dios, fortalécelos! ¡fuente viva e incorruptible! reunidos en esta fiesta espiritual en el día de tu divina gloria; hazlos dignos de la corona de la gloria.

Santísima Madre de Dios, Sálvanos.

Troparios

Tú, que hiciste germinar la espiga divina; como tierra no trabajada, ¡salve! mesa viviente que trajiste el Pan de la vida; ¡salve, manantial inagotable del agua viva, Soberana!

Santísima Madre de Dios, Sálvanos.

¡Salve, Madre, que engendraste para los fieles al ternero sin mancha; salve, oh cordera, que engendraste al cordero de Dios que quita los pecados de todo el mundo. Salve, expiación ardiente!

Gloria…

¡Aurora resplandeciente, Salve, porque Tú llevaste, la única, al Sol Cristo, morada de la luz; salve, Tú que disolviste las tinieblas y confundiste para siempre a los demonios tenebrosos!

Y ahora…

Salve, puerta única, a quien, único, atravesó el Verbo; Soberana que los barrotes y las puertas del Hades, con tu parto rompiste. Salve, divino acceso de quienes se salvan, ¡oh digna de toda alabanza!

Cuarta Oda

Hirmos

Aquel que está sentado en la gloria, en el trono de la Divinidad, vino en una ligera nube, Jesús, el Dios excelso, con mano sin mancha, y salvó a quienes le gritaban: «Gloria, oh Cristo, a tu poder».

Santísima Madre de Dios, Sálvanos.

Troparios

Con las voces de nuestros cánticos, te aclamamos, ¡Oh digna de toda alabanza! ¡Salve, monte fértil y regado por el Espíritu. Salve, lámpara y vaso portador del Maná que endulza los sentimientos de todos tus fieles!

Santísima Madre de Dios, Sálvanos.

¡Propiciatorio del mundo, Salve, Soberana incontaminada; salve, escala que, desde la tierra, elevas a todos hacia la gracia; salve, puente que conduce verdaderamente de la muerte a la vida a todos cuantos te cantan!

Santísima Madre de Dios, Sálvanos.

¡Más sublime que los cielos, Salve, Tú que llevaste sin fatiga oh Purísima al fundamento de la tierra en tu seno; salve, tintura, que extrajiste de tu sangre la púrpura divina para el Rey de las Potestades!

Gloria…

¡Tu que verdaderamente diste a luz al Legislador que borra gratuitamente las faltas de todos Salve, Soberana! ¡Salve, oh abismo incomprensible, altura inefable, esposa inviolada, por quien somos divinizados!

Y ahora…

¡A ti, que entretejiste para el mundo una corona no hecha por manos humanas, te ensalzamos: Salve, Virgen defensa de todos, protección, fortaleza y sagrado refugio!

Quinta Oda

Hirmos

Todas las cosas se asombran ante tu divina gloria; Tú, en efecto, ¡oh Virgen, esposa inviolada! tuviste en tu seno al Dios que está por encima de todas las cosas, y diste a luz al hijo intemporal que concede la salvación a cuantos te cantan.

Santísima Madre de Dios, Sálvanos.

Troparios

¡Salve, purisima, que diste a luz al camino de la vida y salvaste al mundo del cataclismo del pecado; salve, Esposa divina, voz y relato arcano; salve, morada del Señor de la creación!

Santísima Madre de Dios, Sálvanos.

¡Salve, Purísima, fortaleza y alcázar de los hombres, lugar sagrado de la gloria; Muerte del Hades, tálamo luminoso; salve, alegría de los Ángeles; salve, socorro de cuantos con fe te invocan!

Santísima Madre de Dios, Sálvanos.

¡Carruaje ígneo del Verbo, salve, Señora, Paraíso viviente que tienes en tu interior al árbol de la vida, al Señor; cuya dulzura da vida a cuantos con fe se acercan, aún estando sujetos a la corrupción!

Santísima Madre de Dios, Sálvanos.

Gloria…

Robustecidos con tu fuerza, con fe te exclamamos: ¡salve, ciudad del rey universal; de quien se dijeron cosas gloriosas y dignas de ser oídas; salve, monte intacto, abismo insondable!

Y ahora…

¡Salve, Purísima, amplia morada del Verbo, ostra que elaboraste la divina perla; salve, totalmente prodigiosa, reconciliación con Dios de cuantos en todo momento, oh Madre de Dios, te proclaman bienaventurada!

Sexta Oda

Hirmos

Los que celebramos esta divina y honorabilísima fiesta de la Madre de Dios, venid, aplaudamos glorificando a Dios que nació de ella.

Santísima Madre de Dios, Sálvanos.

Troparios

¡Tálamo inmaculado del Verbo, causa de la deificación de todos, salve, Purísima, voz de los profetas; salve, ornato de los Apóstoles!

Santísima Madre de Dios, Sálvanos.

De ti destiló el rocío que extinguió la llama del politeísmo; por eso te exclamamos: ¡Salve, oh Virgen, vellocino seco, previsto por Gedeón!

Gloria…

He aquí que te exclamamos: ¡Salve! puerto para nosotros, sacudidos por las olas, Tú eres, defensa en el mar de las tribulaciones y de todos los obstáculos del enemigo.

Y ahora…

Causa de la alegría, otórganos la gracia de la sensatez para gritarte: ¡Salve zarza no consumida, nube completamente luminosa que cubre constantemente a los fieles!

Oda séptima

Hirmos

No adoraron a la criatura en vez de adorar al Creador, los inspirados por Dios, sino que despreciando virilmente la amenaza del fuego, alegres cantaban: ¡Bendito eres, Dios y Señor de nuestros padres, y muy digno de alabanza!

Santísima Madre de Dios, Sálvanos.

Troparios

Nosotros te cantamos exclamando: ¡Salve, carroza del Sol espiritual; vid verdadera que produjo el racimo maduro, que destila un vino que alegra los espíritus de aquellos que con fe te glorifican!

Santísima Madre de Dios, Sálvanos.

¡Salve, Esposa divina, que engendraste al médico de los hombres; vara mística en que floreció la flor que no se marchita; salve, Soberana, por medio de quien hemos sido colmados de gozo y heredamos la vida!

Santísima Madre de Dios, Sálvanos.

La lengua mas elocuente no tiene la fuerza suficiente para cantarte ¡oh Soberana! Tu has sido enaltecida por encima de los Serafines porque llevaste en tu seno a Cristo Rey; pídele ahora que nos libre de toda desventura a quienes te sirven fielmente.

Gloria…

Los confines de la tierra, llamándote bienaventurada, te celebran y te aclaman con amor. ¡Salve, oh Purísima, libro en el cual fue escrito el Verbo por el dedo del Padre; Madre de Dios, pídele que inscriba en el libro de la vida a tus servidores!

Y ahora…

Te rogamos y doblamos las rodillas del corazón, nosotros, tus siervos: Inclina ¡oh Purísima! tu oído y sálvanos a nosotros, sumergidos constantemente en las tribulaciones; y custodia, ¡oh Madre de Dios! a tu ciudad de los asaltos de los enemigos.

Oda octava

Hirmos

A los piadosos jóvenes, en el horno, salvó aquel a quien dió a luz la Madre de Dios; entonces era prefiguración, ahora está realizado; convoca a toda la tierra para cantarte: «¡Alabad, obras todas, al Señor y glorificadlo por todos los siglos!».

Santísima Madre de Dios, Sálvanos.

Troparios

Acogiste al Verbo en tu seno, llevaste a quien lleva todas las cosas; ¡oh Purísima! alimentaste con leche a quien, con un gesto, alimenta al universo entero; a El, pues, le cantamos: «Alabad, obras todas al Señor y glorificadlo por todos los siglos».

Santísima Madre de Dios, Sálvanos.

Moisés reconoció en la zarza el gran misterio de tu parto; los Jóvenes, lo prefiguraron claramente al permanecer en medio del fuego sin quemarse, santa Virgen incorrupta; por eso te ensalzamos por todos los siglos.

Santísima Madre de Dios, Sálvanos.

Los que antes estuvimos despojados por el engaño, en virtud de tu maternidad hemos sido revestidos con el vestido de la incorruptibilidad; los que permanecíamos en la tiniebla del pecado, hemos visto la luz, oh Virgen, morada de la luz; por ello te ensalzamos por todos los siglos.

Gloria…

Por ti los muertos son vivificados; pues Tú engendraste a la vida que se encarnó; discuten con locuacidad los que hace poco eran mudos, los leprosos quedan limpios, las enfermedades son alejadas y los numerosos espíritus adversos son vencidos, ¡oh Virgen! salvación de los mortales.

Y ahora…

A Tí que diste a luz a la salvación del mundo, a través de la cual fuimos alzados de la tierra a lo alto; ¡Salve, oh totalmente bendita, protección y fortaleza, muralla y bastión de quienes te cantan ¡Purísima!: «Alabad, obras todas, al Señor y glorificadlo por todos los siglos».

Oda novena

Hirmos

Exulte todo hijo de la tierra, iluminado por el Espíritu; celebren gozosamente la estirpe de las criaturas incorpóreas la sagrada fiesta de la Madre de Dios y exclamen: ¡Salve, benditísima Madre de Dios, oh pura siempre Virgen!

Santísima Madre de Dios, Sálvanos.

Troparios

Para que podamos decirte nosotros, tus fieles: «salve», quienes fuimos hechos partícipes, gracias a ti, de la alegría perenne; líbranos de toda tentación, del sometimiento de los bárbaros, y de toda otra desgracia que por la multitud de sus transgresiones amenaza a los hombres pecadores.

Santísima Madre de Dios, Sálvanos.

Tu eres nuestra luz y seguridad, por eso te cantamos: ¡salve, estrella sin ocaso que introduce en el mundo del gran Sol; salve, oh Purísima, que abriste el Edén cerrado: salve, columna de fuego que guías a los hombres hacia la vida de lo alto!

Santísima Madre de Dios, Sálvanos.

Estemos devotamente en la casa de nuestro Dios, y exclamemos: ¡salve, Señora del mundo; salve María, nuestra soberana; salve, la única buena e inmaculada entre las mujeres; salve, vaso que acoges el aroma inagotable en ti vertido!

Gloria…

¡Paloma que engendraste al Misericordioso salve, siempre Virgen; salve, gloria de todos los santos, corona de los atletas, salve; ornato divino de todos los justos, salvación de nosotros, los creyentes!

Y ahora…

Proteje, Señor, tu heredad y no mires ahora todos nuestros pecados; atendiendo para ello a la que intercede por nosotros, Aquella que te llevó en su seno sin conocer varón, cuando Tú, Cristo, por tu gran misericordia, quisiste asumir la forma humana.

*** *** ***

Vocabulario:

Akathisto Himno Mariano en la Iglesia Ortodoxa que se canta de pie según la tradición.

Ikos Palabra griega que quiere decir una parte del himno en la Iglesia.

Kontaquio Un parte del himno en la Iglesia Ortodoxa.

Theotokos Palabra griega que quiere decir : Ella que dio a Luz a Dios.

Himno Akathisto 2.

Traducido por la

Iglesia Ortodoxa de Argentina Edición 1996

Dedicatoria

Oh Madre de Dios, oh, Generala victoriosa, te cantamos un himno de triunfo. A ti, que nos salvas de nuestras tribulaciones te ofrecemos nuestra gratitud. Eres invencible. Líbranos de todo peligro y exclamaremos: Alégrate, Esposa siempre Virgen.

Prólogo

Habiendo entendido su misión secreta, el Ángel va con prisa a la casa de José y dice a la Virgen: “El que inclina los Cielos por su condescendencia, Se esconde en ti. Viendo cómo toma la forma de esclavo en tu seno, me maravillo y te aclamo:

Alégrate, Esposa siempre Virgen.

I

Un Príncipe de los ángeles es enviado desde los Cielos para decir a la Madre de Dios: “Alégrate.” Cuando Te contempla, oh, Señor, asumiendo un cuerpo, exulta y queda asombrado, y con voz inmaterial la aclama:

Alégrate, Luz de alegría

Alégrate, extinción de la maldición

Alégrate, resurrección de Adán caído

Alégrate, redención de las lágrima de Eva

Alégrate, altura inaccesible a la razón humana

Alégrate, profundidad insondable aun a los ojos de los Ángeles

Alégrate, trono del Rey

Alégrate, portadora de Quién lo lleva todo

Alégrate, estrella que anuncia al Sol

Alégrate, seno de la divina Encarnación

Alégrate, renovadora de la Creación

Alégrate, Madre del Creador

Alégrate, Esposa siempre Virgen.

Considerando su castidad, la Santísima dice con franqueza a Gabriel: “La paradoja de tu palabra parece incomprensible a mi alma. Me predicas una maternidad sin que conozca varón y exclamas: ¡Alleluia!

II

La Virgen desea comprender lo incomprensible e interroga al enviado: “¿ Cómo puede nacer un hijo de mis castas entrañas ? Dímelo.” El ángel responde con temor, aclamándola:

Alégrate, iniciada en el designio inefable

Alégrate, testimonio del silencio misterioso

Alégrate, preludio de las maravillas del Cristo

Alégrate, recapitulación de los dogmas de la fe

Alégrate, escala por la que Dios bajó de los Cielos

Alégrate, puente que conduce a los de la tierra a los Cielos

Alégrate, maravilla de los ángeles

Alégrate, herida de los demonios

Alégrate, Madre inefable de la Luz

Alégrate, maestra de discreción

Alégrate, ciencia mayor que la de los sabios

Alégrate, iluminación del espíritu de los fieles

Alégrate, Esposa siempre Virgen

La Energía del Altísimo cubre con su sombra a la Virgen para fecundarla, transformando su seno estéril en un campo fértil para todos los que quieran cosechar la salvación, salmodiando así: ¡Alleluia!

III

Habiendo recibido a Dios en su seno, la Virgen se apresura a visitar a Isabel. Su bebé, reconociendo el saludo de María, enseguida se alegra y salta de júbilo, aclamando a la Madre de Dios:

Alégrate, sarmiento de cepa incorruptible

Alégrate, huerto de frutos puros

Alégrate, Madre del Jardinero, amigo del hombre

Alégrate, matriz del Sembrador de nuestra vida

Alégrate, tierra fértil de misericordias

Alégrate, mesa colmada de ofrendas

Alégrate floración del Paraíso

Alégrate, puerto de las almas

Alégrate, grato incienso de la plegaria

Alégrate expiación de todo el universo

Alégrate, amor de Dios a los hombres

Alégrate, intercesora de los mortales frente a Dios

Alégrate, Esposa siempre Virgen

El discreto José es turbado por un torbellino de pensamientos contradictorios. Vacila su alma al verte concebir misteriosamente, Virgen irreprochable. Mas, conociendo la obra del Espíritu Santo, dice: ¡Alleluia!

IV

Los pastores oyen cantar a los ángeles la presencia del Cristo encarnado. Corriendo como hacia su Pastor, Lo contemplan como un Cordero inmaculado, alimentado por el seno de María, a quien cantan este himno:

Alégrate, Madre del Cordero y del Pastor

Alégrate, redil de las ovejas espirituales

Alégrate, refugio contra las fieras invisibles

Alégrate, llave de las puertas del Paraíso

Alégrate, fuente del regocijo de los Cielos con la tierra

Alégrate, armonía de las voces terrestres con los coros celestiales

Alégrate, boca de los apóstoles que no se calla

Alégrate, fuerza invencible de los mártires

Alégrate, sostén inconmovible de la Fe

Alégrate, señal resplandeciente de la Gracia

Alégrate, vencedora del infierno

Alégrate, mediadora de la Gloria

Alégrate, Esposa siempre Virgen

Los Magos consideran la estrella que conduce a Dios. Siguiendo su resplandor, lo toman como lámpara para alcanzar lo Inaccesible y se alegran, proclamando: ¡Alleluia!

V

Los Magos de Caldea ven en manos de la Virgen a Aquél que con sus manos modela al hombre. Lo reconocen como a su Señor, aunque toma la forma de esclavo y se apresuran a rendirle el homenaje de sus dones diciendo a la Bendita:

Alégrate, Madre del Astro sin ocaso

Alégrate, amanecer del día místico

Alégrate, extinción de la hoguera del error

Alégrate, iluminación de los iniciados en la Trinidad

Alégrate, rendición del tirano inhumano

Alégrate, reveladora del Cristo, Señor, amigo del hombre

Alégrate, libertadora de los ritos paganos

Alégrate, tú que nos sacas de las obras corruptas

Alégrate, consumación de la adoración del fuego

Alégrate, bálsamo de las pasiones

Alégrate, guía de los fieles hacia la sabiduría

Alégrate, gozo de todas las generaciones

Alégrate, Esposa siempre Virgen

Testigos y portadores de Dios, los Magos vuelven a Babilonia cumpliendo tu profecía, proclamándote Cristo ante todos y dejando al insensato Herodes, incapaz de

Salmodiar: ¡Alleluia ¡

VI

Haciendo brillar en Egipto la luz de la Verdad, disipaste las tinieblas del error. Los ídolos de este país no soportan tu potencia, oh, Salvador, y se derrumban, y los que se libran de ellos claman a la Madre de Dios:

Alégrate, elevación de los hombres

Alégrate, caída de los demonios

Alégrate, humillación del error

Alégrate, demostración del engaño de los ídolos

Alégrate, mar que sumerge al Faraón, al hombre viejo

Alégrate, roca que sacia a los sedientos de la Vida

Alégrate, columna de fuego que orienta en las tinieblas

Alégrate, refugio más vasto que el firmamento

Alégrate, alimento mejor que el maná

Alégrate, servidora del festín sagrado

Alégrate, tierra prometida

Alégrate, fuente de leche y de miel

Alégrate, Esposa siempre Virgen

Mirando al Niño, Simeón, pronto a dejar este mundo engañador, Lo reconoce como verdadero Dios y admira tu inefable Sabiduría, clamando: ¡Alleluia!

VII

Nos muestra el Creador una nueva creación, manifestándose a nosotros, sus criaturas. Germinando en un seno sin simiente, lo conservó intacto para que al considerar tal maravilla cantemos aclamándola:

Alégrate, flor incorruptible

Alégrate, corona de la pureza

Alégrate, rostro refulgente de la Resurrección

Alégrate, espejo de la vida angélica

Alégrate, árbol cuyos frutos luminosos nutren a los fieles

Alégrate, ramaje frondoso que da su sombra a muchos

Alégrate, Madre del Guía de los perdidos

Alégrate, Madre del Redentor de los cautivos

Alégrate, tranquilidad del justo

Alégrate, reconciliación de los pecadores

Alégrate, túnica de Gracia para los que están desnudos

Alégrate, ternura que supera todo deseo

Alégrate, Esposa siempre Virgen

Mirando este racimo asombroso, nos convertimos en extranjeros de este mundo, poniendo nuestro espíritu en los Cielos. Por eso el Altísimo se manifestó en la tierra como un hombre humilde, para atraer hacia las alturas a todos los que Lo aclaman:

¡Alleluia!

VIII

Por condescendencia divina, el Verbo Se hace presente a los de la tierra sin alejarse de los Cielos y sin transferirse de un lugar a otro. Nace de una Virgen, llena de Dios, a la que aclamamos:

Alégrate, casa inmensa de Dios

Alégrate, umbral del misterio sagrado

Alégrate, buena nueva incomprensible para los infieles

Alégrate, gloria de los fieles

Alégrate, carro santísimo de quien está por encima de los Querubines

Alégrate, morada de quien está por encima de los Serafines

Alégrate, conciliación de los contrarios

Alégrate, juntura de la virginidad y la maternidad

Alégrate, perdón de la transgresión

Alégrate, mano que abre el Paraíso

Alégrate, clave del Reino del Cristo

Alégrate, esperanza de los bienes eternos

Alégrate, Esposa siempre Virgen

El mundo entero de los ángeles admira la obra inmensa de tu Encarnación. El Dios inaccesible Se hace ver a todos accesible como un hombre, habitando entre nosotros, y oyendo de todos: ¡Alleluia!

IX

Vemos a los habladores mudos como peces ante ti, oh Madre de Dios, incapaces de decir cómo pudiste conciliar la virginidad y la maternidad. Nosotros, admirando el Misterio, te aclamamos llenos de fe:

Alégrate, arca de la Sabiduría de Dios

Alégrate, joyero de la Divina Providencia

Alégrate, victoria sobre la necedad de los filósofos

Alégrate, silencio impuesto a los sabios

Alégrate, extravío de los buscadores vacilantes

Alégrate, confusión de los mentirosos

Alégrate, solución de los enigmas

Alégrate, abundancia en las redes de los pescadores

Alégrate, liberadora de los abismos de la ignorancia

Alégrate, lámpara de las inteligencias

Alégrate, navío de los navegantes de esta vida

Alégrate, puerto de los navegantes de esta vida

Alégrate, Esposa siempre Virgen

Queriendo salvar al mundo, el Creador viene a él libremente. Dios, nuestro Pastor, Se hace Cordero por nosotros y atrae nuestra naturaleza con su propia naturaleza y nos oye responder como a Dios: ¡Alleluia!

X

Eres muralla para las vírgenes, oh Madre de Dios y Virgen, y para todos los que corren hacia. Pues el Creador del Cielo y de la tierra te cubre con su sombra, oh Inmaculada, habita en tu seno y a todos enseña a decir:

Alégrate, columna de la virginidad

Alégrate, puerta de la salvación

Alégrate, principio de la nueva creación

Alégrate, administradora de la bondad divina

Alégrate, regeneradora de los concebidos en la desgracia

Alégrate, cordura de los espíritus confundidos

Alégrate, derrota del corruptor de los espíritus

Alégrate, Madre del Sembrador de la pureza

Alégrate, lecho nupcial de las bodas inmaculadas

Alégrate, unión de los fieles con su Señor

Alégrate, maestra de las vírgenes

Alégrate, adorno nupcial de las almas santas

Alégrate, Esposa siempre Virgen

Magnitud infinita tiene tu misericordia, y todo himno es impotente para describirla. Oh, Rey santo, aunque nuestros cantos fuesen tan numerosos como los granos de arena, no haríamos nada digno del don que reciben los que claman: ¡Alleluia!

XI

Vemos a la Virgen santa como una llama que ilumina a quienes están en las tinieblas. Su luz inmaterial conduce a todo hombre al conocimientos divino. Esplendor que ilumina la inteligencia, está honrada por esta aclamación:

Alégrate, rayo del Sol espiritual

Alégrate, luz inextinguible

Alégrate, relámpago que ilumina las almas

Alégrate, trueno que asusta a los enemigos

Alégrate, nacimiento de un Astro esplendoroso

Alégrate, tú que haces surgir un Río inagotable

Alégrate, imagen viva del agua del bautismo

Alégrate, ablución de la mancha del pecado

Alégrate, fuente que lava la conciencia

Alégrate, copa que mana alegría

Alégrate, perfume del Cristo

Alégrate, vida del banquete místico

Alégrate, Esposa siempre Virgen

Queriendo perdonar las deudas antiguas, El que perdona las deudas de todos los hombres viene hacia ellos, alejados de su gracia. Cuando rompe el acta de crédito, nos oye aclamarlo: ¡Alleluia!

XII

Nosotros cantando tu maternidad, te alabamos, oh Madre de Dios, como a un templo vivo. Pues habitando en tu seno, el Señor que tiene en su mano todo el universo te santifica y te glorifica y nos enseña a aclamarte:

Alégrate, tabernáculo del Verbo Dios

Alégrate, santuario santísimo

Alégrate, arca dorada por el Espíritu Santo

Alégrate tesoro inagotable de vida

Alégrate, diadema preciosa de los reyes santos

Alégrate, gloria de los sacerdotes piadosos

Alégrate, torre inexpugnable de la Iglesia

Alégrate, fortaleza indestructible del Reino de Dios

Alégrate, dispensadora de victorias y trofeos

Alégrate, derrota de los enemigos

Alégrate, medicina de nuestro cuerpo

Alégrate, salvación de nuestra alma

Alégrate, Esposa siempre Virgen

Oh Madre digna de toda alabanza, tú que pariste al Verbo más Santo que todos los santos, recibe hoy nuestra ofrenda, líbranos de toda desgracia y del castigo que amenaza, y preserva a los que aclaman juntos: ¡Alleluia!

(Akathisto_Virgen.doc, 04-08-2004)

 

De Kerk in de moderne wereld

De Kerk in de moderne wereld 

 Een boek van Stavros Fotiou


kruis2228

 

Hoe moeten wij antwoorden op de cruciale vragen waarmee de kerk geconfronteerd wordt in de moderne wereld ? Dat is de vraag die Stavros Fotiou zich stelt in een klein boekje dat onlangs verschenen is onder de titel: ‘L’ Eglise dans le monde moderne’ (Editions du Cerf, 96 pagina’s – 14 €) en uit het Engels vertaald door Vader Michel Evdocimov. Wij geven hier enkele uittreksels uit het eerste hoofdstuk van dit boekje , getiteld : Naar een samenleving gericht op de persoon : de grote uitdaging van de XXIe eeuw.

Stavros FOTIOU is Cyriotisch theoloog en professor in de theologie en de christelijke opvoeding op het departement van onderwijs aan de universiteit van Nicosia.

Wij leven in een wereld die tragisch irrationeel en irrationeel tragisch is : een wereld die honger heeft  in de schoot van een massaconsumptie en een wereld van eenzaamheid in de schoot van een massacultuur. Een wereld van geweld en vervreemding, een wereld waar de enen ontstoken zijn van brood, anderen van vrijheid en nog anderen van een leven dat zin geeft.(…)

In het begin  wilde de mens zich een paradijs scheppen op aarde, maar hij heeft de dood gevonden in de ovens van Auschwitz of in het vuur van Hiroshima. Om te ontsnappen  aan de afwezigheid van zingeving en aan de afgrond van  het niets dat hen treft, probeert het individu het heil te vinden in religies die de illusie geven dat men er zijn redding kan vinden door er in te vluchten. Dat is de reden waarom men zijn toevlucht neemt tot dergelijke religieuze groeperingen die de eenheid van de persoon vernietigen en de historische ontwikkeling onderschatten. Een subjectiviteit zonder limieten en de ontbinding van het zijn in de onpersoonlijke essentie  van het universum, dit zijn de twee polen van een religie van zo een individu.(…)

Ten overstaan van deze impasse

Ten overstaan van deze impasse kan men twee oplossingen geven. De eerste nodigt ons uit om ons geloof in het individu te hernieuwen, dit, om een beter inzicht te hebben van zijn belangen op langere termijn, zodat, dank zij een politiek van vrijwillige beperking, wij een on-evenwicht binnen de natuur zouden vermijden. Deze oplossing staat gelijk met een vlucht in de toekomst, waar wetenschap en technologie een messiaanse rol zullen spelen (althans zo denkt men) De tweede oplossing dwingt ons om naar de pre-moderne structuren op het gebied van de sociale orde en naar de collectivistische concepten terug te keren. Bij deze oplossing vlucht men naar het verleden om er steun te zoeken, dit verduidelijkt waarom het fundamentalisme terug onder de schijnwerpers staat.

Noch de ene, noch de andere van deze vooropgestelde oplossingen zullen er in slagen om op een betekenisvolle manier de oorzaak van het probleem te overstijgen. Het gaat hier om een individualistische visie op de mens en het leven. Uiteindelijk zullen zich slechts twee opties aan ons opdringen. Als eerste optie : de  ‘fortuinlijke’ consumenten van het Noorden kunnen zich  goed verbergen achter een economisch chauvinisme , kunnen zich omvormen tot een select clubje  van ‘geprivilegieerde egoïsten’, en kunnen zo hun land omvormen tot een on-inneembare vesting voor alles wat beschouwd wordt als sociaal onaanvaardbaar, onderontwikkeld of derde wereld. Dit is de oplossing van de ‘één-dimensionele mens’ die zich wel bewust is dat zijn wijze van consumeren, waar hij als het ware door verdoofd is. Hij zal anderen meetrekken in de armoede, de dood , ja  zelfs ganse volkeren.

De tweede optie van de mensheid op weg is : een nieuwe visie op de wereld, een nieuw begrip van wat het eerste en het meest essentiële is in het leven. Wij hebben geen nood om ons huidig waardensysteem te verbeteren, maar wel, om aan onze noden nieuwe prioriteiten te geven. Wij moeten een nieuwe manier van leven voorstellen, een alternatieve manier van leven, die totaal is en voor allen toegankelijk  zonder de minste voorwaarde. Wat wij uiteindelijk moeten doen is, een nieuwe kijk ontwikkelen op de mens, de wereld, de geschiedenis. Een nieuwe mening die nieuwe objectieven zal weten te stellen om ons bestaan verder te kunnen zetten. Ziedaar, waarom het belangrijk is dat wij eens te meer ons de vraag stellen naar de zin van ons bestaan. Wat is God ? Wat is de mens ? Wat is de liefde ? Wat verstaan wij onder de woorden leven, eros en dood ?

God als communio van Personen

Indien datgene wat Max Weber, Werner Sobart en andere specialisten hebben gezegd juist is, te weten : dat achter elke theorie over de mens en de gemeenschap er een ontologisch concept van de realiteit bestaat die ermee overeenstemt. Welnu, elke wijze van alternatief leven die wij hier voorleggen, moet van bij het begin een ander ontologisch fundament vinden. Inderdaad, de ontologie die het onderwerp is van onze zoektocht is deze van de orthodoxe Kerk, gecentreerd rond de persoon.

Vanuit dit standpunt gezien zijn de relaties tussen God, de mens en de natuur dialogen en inter-persoonlijk. Ziedaar waarom het mogelijk is om aan de mensheid een wijze van leven te geven waarin alle verschillende elementen van de kosmos die uiterlijk aan mekaar tegengesteld zijn, harmonieus kunnen co-existeren. Niets bestaat als geïsoleerd, niets is in tegenstelling met wat dan ook. Binnen dit kosmisch proces dat wij leven noemen groeit en mengt zich alles.

Deze harmonieuze eenheid van de vele delen in het geheel, gaat in de kosmos voor, want het is de wijze van bestaan van God zelf, een harmonieuze communio van drie personen :  het ‘ik’, het ‘jij’ en ‘de ander’., de beminnende, de beminde en de mede-beminde; één drie en drie in één; elk met de ander, doorheen de ander, voor de ander. Het ‘is het mysterie van een unieke God in drie onderscheiden personen, verenigd in een heilige orde zonder ondergeschiktheid, gelijk in waardigheid; elke persoon gesitueerd met en niet tegen de ander, in een opperste verscheidenheid en in een opperste communio, elk, communicerend met de anderen in een eeuwigdurende beweging, in een eeuwige liefdesdans.  De mensheid heeft als roeping om zich te transformeren tot de gelijkheid met God die het archetype is, het model van de volheid van het persoonlijke leven in de volheid van de communio'(Elisabeth Behr-Sigel).  In deze harmonieuze harmonie is elke persoon een eenheid en enig en tegelijkertijd bestaand in een volstrekte eenheid met de anderen. Existentie betekent co-ëxistentie , leven betekent liefde; dit zijn de vergelijkingen die een ontologie,  gecentreerd op de persoon, ons geeft.

Christus zelf is de incarnatie van het personalisme

Jezus Christus biedt zich aan om deel te nemen aan deze drievoudige communio van liefde, en verbindt er zich toe dat we zo komen tot een harmonieuze eenheid met God, met de naaste en met de natuur. Christus zelf is de incarnatie van het personalisme, het empirisch bewijs dat de mens kan leven volgens de existentiële wijze van het personalisme. Het gevolg hiervan is, dat persoon zich stelt tegenover individu. Het individu onderscheidt zich door de verdeling, de afstand, de scheiding. De persoon kenmerkt zich door zijn relatie met de anderen, de nabije, de eenheid. Een persoon zijn betekent uitgaan uit zichzelf door voorbij te gaan aan het ‘ik’ en zich te richten op het ‘jij’, om aldus het ‘wij’ te vormen. Het individu behoort tot de categorie van het nummer, hij is een onpersoonlijk object, en om deze reden is hij vervangbaar. Een massa staat niet vijandig voor het individualistisch concept, ze is er om zo te zeggen het product van. De persoon daarentegen treedt binnen in een spirituele categorie, hij vormt een uniek zijnde die zijn gelijke niet gehad heeft in het verleden, niets kan hem vervangen. Een persoon laat voor hem alleen de ganse wereld voorbijgaan en zijn waarde is gelijk met deze van gans de kosmos.

De persoon ‘is de horizont waarin de waarheid van het zijn zich openbaart, niet als een eenvoudige natuur, voorwerp van het individualisme’ (metropoliet Jean Zizioulas). Een persoon is een menselijk wezen die een harmonieuze relatie met God onderhoudt en dus, met als gevolg, met zijn naaste en met de natuur.

De innerlijke wereld van de persoon  is dus een wereld van harmonie en vriendschappelijke verstandhouding. De drie delen van de ziel : de rationele geest, de emoties en de wil, denken in het hart, voelen in het hart, drukken in het hart hun wil uit wanneer zij er toe komen om de betekenis van hun leven te realiseren. De gedachte is rationeel, het gevoel is vaststaand, en de wil richt zich op de actie. Meer nog,  doorheen de nous (het intellect als drager van de geest) introduceert het bewustzijn de waargenomen objecten  door de zintuigen in een permanente communio met de objecten die zich aan de gedachte aanbieden. Daardoor geven ze het voortdurende empirische bewijs van de dialectische verhouding tussen de geest en de materie. Het menselijk wezen is een levend organisme van psychosomatische uitwisselingen. Elementen die zich wederzijds aanvullen en in wisselwerking treden , ziedaar datgene wat toestaat om alles te verenigen in een voortdurende stroom van de totaliteit van het leven. Elk dualisme is op die manier verwijderd : het biologische tegenover het sociale, het organische tegenover het niet-organische, of het theoretische tegenover het praktische. (…)

Bijna alles is biologisch geprogrammeerd, maar bijna alles blijft open om aan het menselijk ras toe te staan om al zijn potentiële energieën aan te wenden. Alle delen van het geheel handelen eensgezind en werken samen aan de oprichting van een dynamische aanpak van het leven: zo is het dat de innerlijke wereld haar rol vervult. Wanneer zij relaties onderhouden  met hun naasten, kunnen de mensen zeggen dat het leven van anderen een essentieel element vormt van hun leven. Zij worden levenden wanneer zij een deel van zichzelf aan anderen geven. Het bestaan laat zich voelen in haar geheel, hun bewustzijn wordt zo ruim als de dimensies van het universum, zij weten dat het ‘heil…zich afspeelt in de communio; er zou dus geen scheiding zijn van welke orde ook tussen ons persoonlijk heil en het heil van de wereld, alle twee zijn zij rechtstreeks verbonden. Ons eigen heil is door  kracht verbonden aan het heil van elk ander menselijk zijn, want ‘onze broeder is ons leven’ (Metropoliet Kallistis Ware). (…)

De brede rotsachtige kloven overbruggen van het modernisme

Een leven dat totaal naar God toe gekeerd is, naar de mens en de natuur: dat is in algemene termen de ontologie van de Kerk gecentreerd op de persoon. Alleen deze opvatting van het leven waar alles in geïntegreerd is, alleen dit model van maatschappij dat gecentreerd is rond de persoon, is in staat om al de risico’s van de moderne wereld uit de weg te gaan, zoals enkele voorbeelden dit zullen verduidelijken.

In de eerste plaats transcendeert een maatschappij gecentreerd op de persoon  alle ostakels die veroorzaakt worden door het nationalisme en het kosmopolitisme, want de waarheid omvat in eenzelfde beweging het nationale en het universele. De liefde voor het vaderland vertegenwoordigt zo een eigen manier om de waarheid te beleven op een gegeven plaats, zoals een verzuchting naar vrijheid en een vruchtbare ontmoeting met het reële. Een patriot is een waakzame dokter, een politieker die de waarheid spreekt. Een patriot is een burger die zijn  belastingen betaalt zonder een zuur gezicht te trekken of een professor die in dienst staat van zijn studenten. Een patriot is hij die mensen gevoelig maakt voor een kritische geest, die ons aanzet om te breken met alles wat ons buiten het rechte pad brengt en er ons van bevrijdt. Eenzelfde houding zal het functioneren  van onze instituties verbeteren, de zelfdiscipline versterken en alle dingen die zo noodzakelijk zijn om de kwaliteit van het leven te verbeteren.

De liefde voor zijn land is niet synoniem met provincialisme, en universeel zijn is niet verzaken aan zijn eigen identiteit. Elke natie, elk volk kan meedoen aan het leerproces van de waarheid, elk op zijn eigen manier, zonder het bewijs te leveren van een bekrompenheid van geest die het  kleinste verschil catalogeert als een vreemd en vijandig element. De persoon ziet ‘elk gelaat van de mens als het gelaat van Christus, en het minste verschil in ras, ethniciteit of cultuur ziet hij als een verrijking voor ons allen, als een veelheid van gaven, als een variatie van mogelijkheden, veeleer dan een motief voor wrok en rivaliteit’ (bisschop Demetrios Trakatellis). Alle natiën  worden opgeroepen om op voet van gelijkheid deel te nemen aan de dingen van de wereld, om de authentieke waarden waarvan zij de dragers zijn  aan te wenden en te ontwikkelen. Het verwijderen van elke vorm van vreemdelingenhaat of overdreven vroomheid, en het in het licht stellen van de solidariteit en het wederzijds respect zijn de fundamentele  trekken van een maatschappij gecentreerd rond de persoon. (…)

Een maatschappij gecentreerd rond de persoon overwint ook de obstakels van het sektarisme en het syncretisme tussen de culturen (…) De verscheidenheid wordt gezien als een basiselement van het leven. Van hieruit gezien is er in een dergelijke maatschappij geen mindere of meerdere meer, ze zijn gewoon anders. Er is geen sektarisme meer en geen mensen die als het ware op een eiland leven, hun doel is om zich open te stellen voor de anderen in een dialoog waar de standpunten op mekaar worden afgesteld en men zich met elkaar verzoend. Gedurende dit proces kan ieder die ongelijk is, die verenigt, die gewoon is of verschillend, samenleven. Eenheid betekent niet dat iedereen gelijk moet zijn; verschillend zijn leidt niet tot isolement. (…).

De profeten van het modernisme worden overtroffen

Een personalistische maatschappij zal niet alleen de familiale hindernissen hierboven beschreven overwinnen, maar zij zal veel verder gaan dan de ideeën van de grote profeten van het modernisme. Vooreerst, zal zij Nietzsche overtreffen met betrekking tot het thema van de volledige bevrijding van de mens, zij openbaart de God van de totale vrijheid. Het beeld van God dat een personalistische gemeenschap projecteert  op de mensen staat diametraal tegenover de twee heersende opvattingen over God die het modernisme naar voor brengt.  Een personalistische maatschappij verwerpt een eerste dwalend beeld, deze van de ijskoude God van  scholastieke filosofie en het rationalisme, zelfvoldaan in haar schoonheid en onverschillig ten overstaan van de mensheid en de geschiedenis. Tegenover deze passieve en eenzame God geeft de Kerk ons een God die zichzelf offert voor de mensheid en die de geschiedenis binnentreedt om haar te omvormen. Op dezelfde manier is de God van de Kerk geen politieagent van de hemel en de aarde, met een streng en nors gezicht, die de minste daden van de mensen nauwlettend gadeslaat, en die met genot wacht om elke inbreuk te straffen. Hiertegenover staat de God van de Kerk die haar mensen liefheeft en hen een boodschap van liefde meedeelt. (…)

Zo handelend overstijgen wij elke spanning en polariteit tussen theorie en praktijk, geloof en kennis, het goddelijke en het menselijke. In dit opzicht is het geloof geen privé-zaak van fanatieke religieuzen die rekenen op een beloning. Het is de hartstocht die de deelgenoot is van het offer, een krachtige levendige act  die gericht is op het verenigen van hemel en aarde, in een totale omvorming van de ganse kosmos. Volgens Nietzsche betekent christen zijn : de hemel liefhebben en de aarde vervloeken. Volgens de christelijke waarheid wordt de aarde echter evenzeer bemint als de hemel.  Zolang de aarde niet hemels zal worden, zullen de kinderen hun ouders doden. Zolang de hemel niets aards zal worden, zullen ouders hun kinderen doden. De liefde voor de aarde moet reiken tot het verst verwijderde punt van de aarde, dat de hemel is. De liefde voor de hemel moet reiken tot aan het verst verwijderde  punt van de hemel, dat de aarde is. Alleen dan zal het mysterie van de aarde de hemel ontmoeten. (…)

De grote uitdaging van de nieuwe eeuw

Ongeveer in het midden van de 20e eeuw, de 6e augustus 1945, is de eerste atoombom gevallen op Hiroshima. De orthodoxe Kerk celebreerde op die dag het feest van de transfiguratie van Christus. Achter deze gebeurtenis zit het eeuwig probleem van de mensheid verborgen : de scheiding en de eenheid, het verstoord evenwicht of de transfiguratie. Als laatste analyse bestaat de essentiële nood van de mensen erin, de zin voor hun leven te vinden, een project dat in staat is om de geschiedenis te leiden tot een punt van volmaaktheid, een doordringen van het eschaton in de geschiedenis, een getuigenis van een god-menselijke spiritualiteit. Dit is de taak waarvoor de Kerk zich moet inzetten. Dit project van een maatschappij zoals ze door de Kerk wordt voorgesteld is een uitdaging voor de menselijke vrijheid. Wij moeten bijgevolg doorheen een overgangsfase : van een status waarin de mens een nummer is,  naar een authentiek bestaan; van het individualisme naar het personalisme; van een toestand waarin de mens onderworpen is aan de informatica naar dit van beschaafde zijnden. Uiteindelijk zullen wij ons in die tussenperiode bevinden die gaat van de noodzaak naar de vrijheid.

 Uit SOP 333 – december 2008

Vertaling : Kris Biesbroeck