20e zondag na Pinksteren : Opwekking van de jongen van Naïm

20e zondag na Pinksteren

“Opwekking van de jongeling van Naïm”

 

Nahum opwekking van Naim2

Lezingen :

Galaten 1,11-19

Ik  verzeker u, broeders en zusters, het evangelie dat door mij is verkondigd, is niet door mensen uitgedacht. Want ook ik heb het niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door een openbaring van Jezus Christus.

Voorvallen uit Paulus’ leven
U hebt toch gehoord hoe ik vroeger als Jood geleefd heb: hoe ik de kerk van God fel vervolgde en haar trachtte uit te roeien; en hoever ik het gebracht heb in de Joodse godsdienst, vele leeftijdgenoten onder mijn volk overtreffend in mijn grenzeloze ijver voor de overleveringen van mijn voorouders. Maar toen God, die mij had uitgekozen, nog in mijn moeders schoot, en die mij heeft geroepen door zijn genade, besloot zijn Zoon aan mij te openbaren om Hem onder de heidenvolken te verkondigen, toen ben ik aanstonds, zonder een mens te raadplegen, zonder naar Jeruzalem te gaan, naar hen die eerder apostel waren dan ik, vertrokken naar Arabië en vandaar naar Damascus teruggekeerd.
Pas drie jaar later ben ik naar Jeruzalem gegaan om met Kefas kennis te maken, en ik ben veertien dagen bij hem gebleven. Van de andere apostelen heb ik niemand gezien, behalve Jakobus, de broer van de Heer.

Evangelie : Lucas 7,11-16

Opwekking van de zoon van een weduwe uit Naïn
    Naderhand ging Jezus naar een stad die Naïn heette; zijn leerlingen en een grote menigte gingen met Hem mee. Toen Hij de stadspoort naderde, werd er juist een dode uitgedragen, de enige zoon van een weduwe. Een talrijke menigte uit de stad was bij haar. Toen de Heer haar zag, was Hij ten diepste met haar begaan. ‘Huil niet’, zei Hij tegen haar. Hij liep naar de lijkbaar toe en raakte die aan. De dragers bleven staan en Hij zei: ‘Jongeman, kom overeind, zeg Ik je!’ En de dode ging rechtop zitten en begon te praten, en Hij gaf hem aan zijn moeder. Ontzag vervulde allen en ze prezen God. Ze zeiden: ‘Een groot profeet is onder ons opgestaan’, en: ‘God heeft naar zijn volk omgezien

Ontmoeting tussen paus en Patriarch Kirill

‘Ontmoeting tussen paus en patriarch Kirill momenteel onmogelijk’

Geplaatst door onze redactie op donderdag 22 oktober 2009 om 09:05u

MOSKOU (RKnieuws.net) – Momenteel is er geen ontmoeting mogelijk tussen paus Benedictus en patriarch Kirill van de Russisch- orthodoxe Kerk. Dat heeft de leider van de orthodoxe diplomatie Iliarion verklaard.

‘Wij willen werken aan een dergelijke ontmoeting maar we stellen wel bepaalde voorwaarden’, aldus Ilarion. ‘Een ontmoeting is mogelijk als er positieve ontwikkelingen zijn, niet na maar voor de ontmoeting. Momenteel zijn er echter geen positieve ontwikkelingen’, stelt Ilarion.

Cyrille Argentie : Liturgie en leven

De Liturgie en het leven

Door Vader Cyrille Argentie

Hoe dikwijls heeft ieder van ons niet horen zeggen van deze of die persoon “Men ziet hem in de Kerk, maar wanneer wij hem zien leven, zou hij beter atheïst zijn”. Deze zin, die ongelukkiglijk klassiek geworden is, roept ons op : Hoe kan de liturgie terug worden wat ze moet zijn, het centrum en de uitstraling van ons leven ?  Hoe komt het ook dat wij dikwijls de indruk hebben van het tegendeel ?

Voor en na de verrijzenis van Christus.

Wij denken dikwijls dat wij naar de kerk gaan om te bidden. Dat is waar, maar wij kunnen ook bidden in onze kamer, alleen met God. De Liturgie is méér dan een simpel gebed : het is een actie, in afwachting van , en als antwoord op wat God doet. Want indien ze een “daad van het volk” is – dat is de betekenis van het griekse woord leitourgia –  is zij essentieel een daad van God; ze verdient dan ook goed de naam van Goddelijke Liturgie.

In werkelijkheid maakt men dikwijls van de liturgie een karikatuur. De mensen komen er dikwijls om zich te bezinnen, zoals ze naar een voetbalmatch gaan om zich te ontspannen, naar de zee om te baden of aan het bureau om te werken. Alsof er een “kleine hoek” zou zijn waar men naartoe gaat om een moment van vrede te vinden, van rust, vooraleer zijn werk te hervatten  zoals voordien : “Och, hoe heeft het koor goed gezongen !” of : “Och wat heeft de priester goed…of veeleer, hoe heeft hij slecht gepredikt.”

Proberen we nu naar de grond van de zaak te gaan. En daarvoor moeten wij naar het gedrag kijken van de leerlingen van Jezus voor en na zijn verrijzenis. De avond van Grote Donderdag, op de berg van Olijven, wanneer Jezus zijn doodstrijd doormaakt in de hof van Gethsemani, slapen de apostelen Petrus, Jacobus en Johannes. Op het ogenblik van zijn aanhouding, laten de leerlingen Hem in de steek  en vluchten, zoals Jezus het had aangekondigd : “De schapen  van de troep zullen verstrooid worden” (Mat.26,31).

Wanneer Jezus verschijnt voor her Sanhedrin, loochent Petrus Hem tot driemaal toe. Leerlingen die slapen, de verstrooide kudde, gelovigen op de vlucht, Petrus die zijn meester verloochent, is het verwonderlijk dat Jezus dan zegt : ” Mijn ziel is ten dode toe bedroefd” (Matt.26,38). En hij besluit : ” het is de macht van de duisternis” (Luc.22,53). Men vind vele van deze karakteristieke kenmerken, gesteltenissen van de ziel en houdingen – vlucht, verstrooiing, verdeeldheid, droefheid,  slaperigheid, krachten van de duisternis –  in de huidige samenleving terug, rondom ons en wellicht ook in ons eigen harten, in onze eigen verhouding tot het leven. Een soort van angst en vrees, van gebrek aan moed en hoop, er genoeg van hebben. Dit komt voor bij alle leeftijden, zelfs bij de jongeren.

Beschouwen wij nu de houding van de leerlingen na de Verrijzenis, zoals het opgeschreven staat in de eerste hoofdstukken van de Handelingen der Apostelen. De morgen van Pinksteren citeert  Petrus – die angst van  schrik had gehad van een klein dienstmeisje in de voorhof van de hogepriester, David : “Mijn hart is vreugdevol, en mijn tong jubelt”. Dan, vol van durf, voegt hij eraan toe : ” deze Jezus die gij gekruisigd hebt heeft God tot Heer en Christus gemaakt” (Hand.2,36). De heilige Lucas beschrijft aldus het leven van de eerste christenen : “Zij bleven volharden in het onderricht der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden. En er kwam vrees over alle ziel en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen. En allen die tot het geloof gekomen  en bijeengekomen waren, hadden alles gemeenschappelijk; en telkens waren er die hun bezittingen en have verkochten en ze uitdeelden aan allen die er behoefte aan hadden, en voortdurend waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten, en zij loofden God en stonden in de gunst bij het hele Volk. En de Heer voegde dagelijks toe aan de kring, die behouden werden”.(Hand.42-47).

Vóór de Verrijzenis overheerste de verstrooiing, de slaperigheid, de droefheid, de laksheid, de vlucht, de tranen. Na de Verrijzenis regeerde de vreugde, de vrolijkheid, de kracht, de  toewijding, de broederlijkheid, de éénheid. Anders gezegd, het Kruis, de Verrijzenis, Pinksteren hebben de zielstoestand het hart van de personen en van de christelijke gemeenschap totaal veranderd. De gelovigen verschillen, niet enkel als individuen, maar ook als gemeenschap. De Verrijzenis en Pinksteren heeft hen omgevormd. Zij zijn waarachtige nieuwe mensen geworden die de ganse romeinse wereld zouden kunnen veroveren. De verandering zal een veertigtal jaar duren, het Evangelie zal verspreid worden over de ganse omtrek van de middellandse zee.

Wat is het verband met de liturgie ? Christus is niet verrezen en de heilige Geest is niet neergedaald op de dag van Pinksteren voor simpelweg de mensen van één generatie en de joden van Jeruzalem ten tijde van Pontius Pilatus, maar voor alle mensen van alle tijden. De plaats en het moment waar de mensen  kunnen veranderen door de verrijzenis van Christus en Pinksteren is juist de Goddelijke Liturgie. Deze is de plaats en het moment waar, door de Heilige Geest, Christus voor de mensen van vandaag doet wat hij onder Pontius Pilatus heeft gedaan. Bijgevolg, de verandering die zich heeft afgespeeld in de harten van de leerlingen en de christelijke gemeenschap op het moment van de Verrijzenis en Pinksteren, moet  hetzelfde kunnen tot stand brengen in de harten van alle leden , van elke christelijke gemeenschap van vandaag, wanneer de liturgie wordt gecelebreerd. Het is de reden om één van hen te zijn.(…)

Dankzegging

Komen wij nu aan het gedeelte genaamd de “liturgie van de gelovigen”, de eucharistische liturgie. Men hoort dikwijls zeggen : “ik heb de eucharistie ontvangen”. Dit is evident nonsens die aantoont dat we er niets van begrepen hebben, want ethymologisch betekent eucharistie ‘eucharistô’ : ‘dank u’. De eucharistie meemaken, is dank  zeggen, iemand danken. Het grote eucharistische gebed begint met de woorden :  ” laat ons de heer dankzeggen”, en het koor antwoordt : “Dit is recht en waardig”, terwijl de priester herneemt : “het is recht en waardig u te prijzen, te bezingen en te danken…”.

De Goddelijke liturgie is dus een dankzegging gericht tot de vader. Waarom ? Vooreerst voor de schepping, voor ons te hebben gebracht van het niets tot het zijn. Vervolgens voor gans het werk van zijn Zoon, actueel gemaakt en doeltreffend vandaag door de werking van de Heilige Geest. De celebratie zou dus moeten samengaan met een vloed van erkenning tegenover de Vader , de Zoon en de heilige Geest, en dit van de kant van hen die eraan deelnemen, voornamelijk de bedienaar die de dankzegging van de gemeente voorzit. Erkenning tegenover de Vader, want hij “heeft zo de wereld liefgehad, dat hij zijn Zoon heeft gezonden opdat al wie geloven in Hem niet zouden ten onder gaan, maar het eeuwige leven hebben” (Joh.3,16) Erkenning tegenover de Zoon, want Hij heeft zichzelf geofferd op het Kruis, het is geen kleinigheid te weten, te erkennen dat het bloed van Christus voor mij vergoten is, voor mij persoonlijk en voor ons allen tezamen. Erkenning tenslo
tte tegenover de Heilige Geest, want hij geeft ons vandaag dit leven van God dat Christus heeft gegeven op het Kruis.

Ziedaar, waarom de heilige Necarius, in het begin van deze eeuw, het gebed dat de Grote Intrede voorgafgaat niet kon zeggen zonder te wenen, zozeer was zijn erkenning en het bewustzijn van zijn onwaardigheid intens. Maar wij, vandaag, priesters en leken, wij wenen niet wanneer wij de dood en de verrijzenis van onze Redder celebreren, Hij die overgeleverd was in de handen van de mensen die Hem hebben gedood.Wij doen in het beste geval niets anders dan tot “inkeer”komen met ons hart van steen, in plaats van te trillen van liefde en erkenning met een hart van vlees. Nochtans heeft de aarde gebeefd van ontzetting, de zon is verduisterd, de ganse schepping heeft geschut omwille van de  verschrikkelijke strijd van God. Alle krachten hebben zich gebundeld met die van de Prins van deze wereld om Christus te kruisigen, zich van Hem ontdoen die op weg was om onze arme wereld uit de greep van de tiran te bevrijden, onze povere wereld, “die  kreunt onder de pijn van het baren.(Rom.8,22).In tegenwoordigheid van dit liefdesmysterie, van deze beslissende triomf van de Gekruisigde-Verrezene die gezegd heeft : “Vader vergeef hen, want ze weten niet wat ze doen” (Luc.23,34), wij, volk van God, laat ons  godvruchtig  stralend blijven. O Heer, verander onze harten van steen in harten van vlees en onze ondankbaarheid in een grote kreet van dankzegging.

De offerande van zichzelf

Hoe drukt deze dankzegging zich uit ? Door een offerande. Dit is het cruciale punt.  Eertijds zij men vooral niet “de priester leest de mis”, wat grote nonsens is. Men zei ook niet :”De priester celebreert de liturgie”, wat reeds iets beter is. Maar men verklaarde : “De priester is hij die de heilige gaven offert”. Sint Clémens van Rome, toen hij schreef  aan de christenen van Korintië in het jaar 95 , sprak van “presbyters” (van het grieks presbyteroï : “ouderen”), als “zij die de gaven  offeren”. De offerande van brood en wijn in naam van het volk, werd dus door de eerste christenen beschouwd als de meest karakteristieke daad en het belangrijkste in het ambt van priesters. Hij had ook een essentiële plaats in het leven van de gelovigen. In de IVe eeuw, bedreigde de ketterse gouverneur van Cappadocië de heilige Basilios met de dood, omdat deze hem de offerande had geweigerd. Als ketter wist hij, dat men een christen herkende door zijn offerande van brood en wijn en door het feit dat zij als aanvaardbaar werd beoordeeld. Vandaag, helaas, zijn de dingen veranderd. De offerande van brood en wijn komt niet meer naar voor als de belangrijkste en centrale daad van een priester, zij is het nog minder voor de gelovigen.

Om de betekenis van deze offerande goed te begrijpen, vergeten wij een ogenblik de industriële beschaving. Veronderstellen wij dat wij nog altijd landbouwers zijn, wij hebben het jaar doorgebracht met het werk op het land en met graan te zaaien, wij hebben het geoogst, gemalen, het omgevormd tot bloem, wij hebben het brood gebakken. In ons leven als landbouwer stelt het brood ons ganse leven voor, de vrucht van een gans jaar noeste arbeid. Zo gaat het ook met de wijn van de wijnbouwer. Het is gans onze arbeid en gans ons leven, gans onze persoon en gans de schepping die, als leden van de Kerk en met gans de Kerk, wij met het brood en de wijn offeren in de liturgie, volgens het woord van Sint Paulus : “Ik vermaan u, uzelf te offeren als een heilige en aangenaam offer voor God”(Rom.12,1).

Ik toon u mijn uurwerk, het is niet meer van mij, en ik heb het niet meer voor mij. Offeren, is dus ophouden het voor u te houden, verzaken aan alle egoïsme om zich aan God aan te bieden. Zich offeren met het brood en de wijn, is tenslotte zich associëren met het Kruis van Christus door de totale gave van zichzelf.

Het is dus zeer belangrijk dat de gelovige die de zondag naar de kerk komt, de dag des heren en Zijn verrijzenis, zijn brood  voor de offerande meebrengt (“prosfoor”), zijn wijn en zijn  diptieken ( van een grieks woord dat betekent “dubbel blad”. Het gaat om een dubbele lijst – onder de vorm van een stukje papier of een klein boekje – waar de gelovige zijn eigen voornaam en deze van alle personen : levenden en doden opschrijft die hij wil aanbieden, (“offeren” aan God en hen herdenken), die hij geeft aan de diaken of de priester. Het is ongelukkiglijk te betreuren dat wij moeten constateren dat een groot aantal gelovigen vandaag er niet meer aan denken, en niets meer aanbrengen. Maar hoe kan men gaven offeren in naam van het volk, indien het volk ze niet heeft aangebracht ? Indien de priester naar de bakker gaat om brood te kopen, dan is het niet meer de offerande van het volk.

Indien wij daadwerkelijk ons leven willen verbinden met de liturgie, dan is het essentieel dat wij ons voor God tonen met alles wat we zijn en alles wat we hebben. Deelnemen aan de Goddelijke liturgie wil zeggen : doorheen onze prosforen en onze diptieken, onszelf offeren aan onze Schepper, met gans onze familie en met allen waaraan we denken, onze vrienden – maar ook onze vijanden -, de levenden en de doden. (…).

Wij hebben allen onze zorgen en onze kwellingen : “Hoe kan ik er mij aan onttrekken, hoe ga ik tegen het einde van de maand de eindjes aan elkaar knopen ?”  Deze zorgen opzij zetten, betekent ons tekort aan vertrouwen  verwijderen, elke vrees verjagen voor de volgende dag om in een daad van vertrouwen  gans onze hoop op het altaar van God neer te leggen. Het is al ons egoïsme verwijderen om onszelf te offeren in een act van totaal vertrouwen, op het moment zelf waarop de diaken, terwijl hij de gelovigen voorbijgaat, de woorden van de goede moordenaar uitspreekt : “Gedenk ons allen Heer, wanneer gij in uw Koninkrijk komt”. Het is aan de voet van het Kruis dat wij onze zorgen van deze wereld moeten neerleggen alsmede gans ons leven, ons daardoor associërend met het Kruis van Christus. Dit doende, openen wij de vensters en de luiken op de grote hemel daarbuiten, op de adem van de Geest, op de almacht van God. (…)

Het voortdurend Pinksteren

Zich op die wijze aan God aanbieden met dankzeggingen  en in naam van de ganse bijeenkomst, zal de offerande van de Kerk – niet alleen het brood en de wijn, maar gans onze persoon en de ganse gemeenschap – overgegeven zijn aan het licht en de werking van de Geest. Het is daarom dat de celebrant het onze Vader bidt in naam van allen : ” Wij vragen u, wij smeken u, zendt over ons en over deze gaven uw Heilige Geest”. Waarom ? Opdat hij deze offerande van de Kerk zou veranderen in de offerande van Christus op het Kruis. Het brood is dan daadwerkelijk veranderd in het lichaam en de wijn in het bloed van onze Heer God en Verlosser Jezus Christus, opdat allen die  deelhebben “aan dit zelfde brood en deze zelfde kelk communiceren aan dezelfde Heilige Geest”, en opdat wij zouden deelhebben aan “de volheid van het koninkrijk der hemelen”.

Door te zeggen “Dit is mijn lichaam…Dit is mijn bloed”, bevestigt Christus door de werking van de Heilige Geest een actuele realiteit. De verscheurde materie wordt het lichaam van de Verrezene, en het koninkrijk van God midden onder ons !. Zo is Pinksteren geen gebeurtenis meer uit het verleden, maar wordt het een actuele realiteit. Het koninkrijk der hemelen is niet meer een ver afstaande realiteit, maar het object van een onmiddellijke ervaring. Als wij deelnemen aan
de Goddelijke Liturgie, is het juist om God te ontmoeten in de Persoon van de Heilige Geest die rust in het lichaam van de verrezen Christus die wij ontvangen tijdens de communie.

De Goddelijke Liturgie is juist het voortgezette Pinksteren, de Geest die neerdaalt over de gelovigen en de wereld, “vernieuwt het aangezicht der aarde” (Psalm 103,30). In het Oude testament deden de priesters van Baal veel gymnastiek, akrobatentoeren en magische gezangen om het vuur uit de hemel te aanroepen, maar niets haalde het uit. De Profeet Elias, daarentegen, nadat hij driemaal het altaar deed besproeien voor de offerande, aanriep de ware God die het vuur uit de hemel zendt en het vuur absorbeerde van de offerande.

Het vuur uit de hemel is de heilige Geest die neerdaalde op de dag van Pinksteren, en die neerdaalt in elke nieuwe liturgie op ons en de geofferde gaven. Het gaat hier niet meer om inkeer, maar om een waarachtige gebeurtenis : de Goddelijke Liturgie is dit “ontzettend” moment, waar God zelf in de Persoon van de Heilige Geest, ons bezoekt. Hij maakt van het brood “het lichaam van Christus” – het volk zegt Amen – en van de wijn “het bloed van zijn Christus” en het volk zegt opnieuw Amen – “hen veranderend door zijn Heilige Geest”, het volk antwoordt : Amen, amen, amen.

 Het is dus niet enkel de priester die vraagt. Door deze drievoudig Amen, is het het  ganse volk in de communautaire epiclese dat God daadwerkelijk op dat moment vraagt zijn Heilige Geest te zenden. Ik herinner mij een jonge vrouw die enkele jaren geleden overleden is en mij op een bepaalde dag zei : ” In mijn diepste voel ik door dit Amen op het moment van de épiclese  dat het in zekere mate van mijzelf afhangt of de Heilige Geest komt of niet komt”. (…) Ons Amen verenigt ons , verenigt elke persoon met het gebed van de priester.

Op dat moment, met de nederdaling van de heilige Geest, komt de verrezen Christus wezenlijk tegenwoordig. Hij zegt : “Dit is mijn lichaam”. Daarom zeggen wij na de communie “Wij hebben het ware licht aanschouwd”. Daarvoor, deden wij gedachtenis met erkentelijkheid van de dood en de verrijzenis van Christus. Nu is deze verrijzenis actueel geworden door de werking van de heilige Geest. Het is door de werking van diezelfde Geest dat de Zoon van God vlees geworden is en dat het brood het mysterievolle lichaam wordt van de verrezen Christus. Daarom kan ons leven veranderen.

Dat wat op het spel staat is niet de tegenwoordigheid van de Verrezene, de liturgie zal niets aan ons leven veranderen. Daarentegen, het is omdat de Verrezene bij ons in de liturgie aanwezig is zoals hij bij zijn leerlingen  was ten tijde der Apostelen, dat wij kunnen hopen dat hij na de liturgie dezelfde verandering zal teweegbrengen in onze houding, gedachten en ons leven, als bij de leerlingen na de Verrijzenis. Daarbuiten heeft de épiclese, zoals gans de liturgie trouwens geen enkele betekenis. Als het alleen gaat om het eten van brood en het drinken van wijn,  dan kan men evenzeer naar de bakker of de bistro op de hoek gaan.

Vleselijke vereniging met Christus.

De goddelijke Liturgie loopt uit op de communie : “Neemt, eet, drink allen” (Matth.26,26-27). Welnu “diegene die mijn vlees eet en mijn bloed drinkt blijft in mij en ik in hem” (Joh.6,5-6).  De Goddelijke Liturgie is dus gericht op deze intieme vereniging met Christus en de communicerenden, een vereniging die hun manier van zijn volledig kan transformeren en doet leven als ingelijfden in de verrezen Christus.

Indien wij echt geloven in de verandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus, indien wij inzien dat dit het lichaam van Christus is (1 Kor.11,21), dan geven wij er ons rekenschap van dat de communie een daadwerkelijke vleselijke vereniging is tussen de Zoon die vlees geworden is en de communicerende. Het is om deze vereniging mogelijk te maken dat Christus zijn bloed heeft “vergoten” op het Kruis. Geen enkel gebed, geen enkele deugd, geen enkele gedraging kan deze waarachtige bloedtransfusie die het leven geeft en waardoor wij één lichaam worden met Christus, vervangen. Het gaat er dus niet om “naar de mis te gaan” of   te “assisteren aan de mis” : gans het verloop van de Goddelijke Liturgie is georiënteerd naar het hoogste moment waarop de diaken of de priester zegt : “Nader in vreze Gods, met geloof en in liefde” en waarop de gelovigen die hebben geantwoord op deze uitnodiging  om deel te nemen aan het banket van het Koninkrijk uitroepen : “Wij hebben het ware licht aanschouwd, wij hebben de Heilige geest ontvangen, wij hebben het ware geloof gevonden, wij aanbidden de onscheidbare drie-eenheid, want ’t is hij die ons heeft gered”.(…)

Persoonlijke transformatie.

Waarom vragen wij dat het brood het lichaam van Christus wordt en de wijn het bloed van Christus ? Het gaat er niet om dat de verrezen Christus aanwezig komt alleen maar om hem te aanbidden, maar opdat wij eraan zouden communiceren en, dit doende, opdat wij zouden worden getransformeerd. Het doel van de eucharistie, is de verandering van ons leven : ” Opdat zij (de heilige gaven) worden voor hen die ze ontvangen soberheid van de ziel, vergeving van zonden, communio met de Heilige Geest , volheid van het koninkrijk Gods” (…).

Deze omvorming door het lichaam en bloed van Christus heeft niets automatisch noch mechanisch in zich, want de communie heeft geen magisch effect op de gelovigen. Zij kan maar op twee voorwaarden vruchten dragen : indien zij voorafgaat aan een oprechte bekering en indien zij gevolgd wordt door een trouwe en blijvende trouw aan  de ontvangen Christus.

De waarachtige bekering correspondeert aan een “ommekeer”, een her-oriëntatie  van gans ons wezen naar God toe, aan het waarachtige engagement om onze gedragingen en onze levenswijze te veranderen. De zekerheid van dit engagement wordt bevestigd door een effectieve verzaking aan een zondig leven. Daarom moet de communie voorafgegaan worden door een verzoening met onze vijanden, de breuk met onze geliefde of maîtresse, de verzaking aan uitbuiting of haat. Dergelijke beslissingen zouden utopisch en niet werkbaar zijn, zouden vrome wensen blijven indien zij niet zouden uitlopen op de eucharistische communie door dewelke “wat onmogelijk is bij mensen, mogelijk is voor God”.

Het trouwe volgen van Christus houdt ook in dat de tegenwoordigheid van Christus, ontvangen in de communie, gevolgd wordt door een gehechtheid die alle dagen voort duurt, een trouw en een waakzaamheid op elk moment.  Dit naar het voorbeeld van het huwelijk dat wordt voorbereid door de verloofden en een engagement waarin men zijn egoïstisch leven van celibatair begraaft, en dat gevolgd wordt door een gans leven van trouw en toewijding.

Daarentegen, indien men communiceert zonder geloof, machinaal, onbewust of op een onverantwoordelijke wijze,dan zal het lichaam van Christus – gloeiende kolen – de communicerende  verschroeien in plaats van hem te verwarmen en te verlichten. “Daarom, zegt Sint Paulus, zijn er onder ons zovele zieken en zwakken, en een zeker aantal zijn dood”(1,Kor.11,30). Maar wanneer wij communiceren met vertrouwen in hun vergevende kracht, genezen en getransfigureerd door de Heilige Geest, wanneer het lichaam van de Verrezene opstraalt, dan worden wij
beetje bij beetje een “nieuwe schepping” . Wij weerspiegelen de heerlijkheid van de Heer en wij zijn “getransformeerd in dit beeld, gaande van heerlijkheid naar heerlijkheid, zoals door de Heer, die Geest is”. (2 Kor 3,18) (…)

De gemeenschap in Christus

De verandering die zich realiseert in de communie is niet enkel individueel en vertikaal :

Tussen God en mij. Het is ook horizondaal : tussen de broeders en zusters en mij. Door te communiceren aan dezelfde Christus, communiceren de gelovigen als leden van éénzelfde lichaam. Zo wordt door de Goddelijke liturgie een gemeenschap geschapen die in communio treedt niet enkel met alle andere eucharistische bijeenkomsten verspreid over de wereld, maar ook met alle communicerenden van het verleden sinds de Apostelen, en zelfs sinds de profeten en alle rechtvaardigen van het oude testament die Christus hebben aangekondigd en verwacht. Zo wordt door de Goddelijke Liturgie “het lichaam van Christus opgebouwd totdat wij allen komen tot de eenheid in het geloof en tot de kennis van de Zoon van God (…) naar het voorbeeld van Christus in zijn volheid” (Ef.4,12-13), opdat “gans het universum onder hun  hoofd, Christus,  wordt bijeengebracht” (Ef.1,10). Op dezelfde wijze dat de schepping is meegesleept in de val van de mens, op dezelfde wijze wordt gans de schepping vernieuwd wanneer de mens, die hem verbindt met de Schepper, in zijn integriteit zal hersteld worden. De Goddelijke Liturgie is de haard van waaruit gans de schepping wordt vernieuwd.

De communio met de Heilige Geest die zich realiseert door de communie aan het heilige brood en de heilige wijn zal dus de gemeenschap binden in Christus. Niet magisch, want het is niet omdat we eenmaal samen de eucharistie zullen gecelebreerd hebben, dat wij ons voor altijd hebben verenigd. Maar wanneer een gemeenschap regelmatig communiceert met vreze Gods, geloof en liefde, dan verbindt zij zich geleidelijk aan met Christus.

In de eucharistie is alles gemeenschap : de offerande, want wij offeren niet enkel onze persoon, maar het leven van de ganse gemeenschap, met haar zwakheden, haar discussies, haar verschillen en haar hinderpalen. De épiclese, want wij vragen de komst van de Heilige Geest over ons allen. De communie, want zij realiseert geleidelijk aan de éénheid van de gemeenschap en maakt hierdoor Kerk.

Zeker, wij hervallen dikwijls in dezelfde fouten nadat wij de communie hebben ontvangen, maar ook de gemeenschap hervalt dikwijls in haar  routine, haar verschillen en haar disputen nadat de communie is ontvangen in de Goddelijke Liturgie. Maar we mogen ons niet laten ontmoedigen. Indien wij volharden, dan zal de communie geleidelijk aan onze gemeenschap transformeren. Een gemeenschap van personen die samen communiceren, zondag na zondag, wordt geleidelijk aan de Kerk, ’t is te zeggen : de plaats van Christus’aanwezigheid (…).

Door te volharden in de épiclese en de communie, zal onze gemeenschap geleidelijk aan  getuigen van deze grote woorden waar van wij  genieten, in die mate dat ik ze met moeite durf uitspreken : “liefde”, “rechtvaardigheid”, “vrijheid”.

Het is door de werking van de Heilige Geest dat deze woorden geleidelijk aan realiteiten kunnen worden in een gemeenschap. Een gemeenschap die eucharistie viert en die communiceert kan doordrongen worden door het Woord van God en door de Geest van God. Het is dus de Geest zelf die getuigt van het bestaan van de verrezen Christus in de maatschappij. Dat is ons opzet.

 Vertaling : Kris Biesbroeck

Basilios de Grote : Wat zal ik doen…

H.Basilius (ca. 330-379), monnik en bisschop van de Caesarea in Kappadocië, Kerkleraar
Homilie 16 over de rijkdom; PG 31, 261v

Basilios de grote 2873

“Wat zal ik doen? Want ik kan mijn vruchten niet bergen”

      “Wat moet ik doen” Er was een antwoord bereid: “Ik zal de zielen die honger lijden vervullen; ik zal mijn graanschuren openen en ik zal allen uitnodigen die tekort hebben… Ik zal een goed woord laten horen: U die brood tekort komt, kom tot Mij; ieder naar zijn behoefte, neem uw deel van de gaven die door God gegeven zijn en die stromen als een openbare fontein”. Maar jij, dwaze rijke man, jij bent daar ver vandaan! Waarom? Ben je jaloers om te zien hoe anderen genieten van rijkdommen? Je geeft je over aan het maken van ellendige berekeningen, je maakt je bezorgd niet opdat je weet hoe aan iedereen het broodnodige te geven, maar hoe je alles kunt verzamelen en alle anderen nog meer kunt beroven van het voordeel dat ze eruit kunnen trekken…

      En u mijn broeders en zusters, pas op om niet hetzelfde lot te kennen als die man!  Als de Schrift ons dat voorbeeld geeft, dan is het opdat we moeten voorkomen dat we ons zo gedragen. Doe als de aarde: draag vruchten zoals haar en wees niet slechter dan haar, zij is verstoken van een ziel. Zij geeft oogsten, niet voor haar eigen vreugde, maar om je een dienst te bewijzen. Daarentegen, alle vrucht van je welwillendheid, die je betoont, pluk je voor jezelf, aangezien de genade van de goede daden terugkomen op hen die er de verspreiders van waren. Je hebt aan degene die honger had gegeven, en wat je gegeven hebt, blijft voor jou en komt zelf met rente terug. Zoals een graankorrel die op aarde valt ten goede komt aan degene die het gezaaid heeft, zal het brood dat gegeven is aan iemand die honger heeft, jou later overvloedig ten goede komen. Dat het einde van je zwoegen voor jou het begin van het zaad in de hemel mag zijn.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Chrysostomos Johannes : U zult een schat bezitten in de hemel

H. Johannes Chrysostomes (ca 345-407), priester te Antiochië daarna bisschop van Constantinopel, Kerkleraar
Homilie 63 over Matteus PG 58,603

 

Chrysostomos 1

 

“U zult een schat in de hemel bezitten”

      Christus zei tegen de jongeman : “Indien je het leven wilt binnengaan, onderhoud de geboden” (Mt 19,17). Hij vraagt: “Welke?”, niet om Hem op de proef te stellen, verre van dat; hij veronderstelt dat Hij  nog andere geboden voor hem heeft naast de tien geboden van Mozes, andere geboden die hem het leven zullen geven, dat was het bewijs van zijn vurig verlangen.. Toen Jezus hem de tien geboden opgesomd had, zei de jongeman tegen Hem: “Dat alles heb ik al onderhouden van mijn jeugd af aan”. Hij hield daarmee niet op, hij vroeg: “Wat mist er nog?” (Mt 19,20), wat het teken van zijn vurig verlangen is. Een ziel die denkt dat hem nog iets ontbreekt, die het voorgestelde ideaal onvoldoende vindt om bij het doel van zijn verlangen te komen, is geen kleine ziel.

      En wat gaat Christus zeggen? Hij stelt iets groots voor: Hij stelt eerst de beloning voor door te zeggen: “Als je volmaakt wilt zijn, ga, verkoop alles wat je hebt, geef het aan de armen en je zult een schat in de hemel hebben; kom dan terug en volg Mij”. Zie je welke prijs, welke bekroning Hij voorstelt voor deze sportieve prestatie? … Om hem aan te trekken toont Hij een beloning van grote waarde en Hij laat alles aan zijn eigen oordeel over. Wat pijnlijk lijkt, laat Hij in de schaduw. Alvorens over strijd en moeite te praten, toont Hij hem de beloning: “Als je volmaakt wil zijn” zegt Hij: dat is de heerlijkheid, het geluk!… “Je zult een schat in de hemel hebben; kom dan en volg Mij”: dat is de beloning. De fantastische beloning om met Christus mee te mogen lopen, om zijn maat en vriend te zijn! Die jongeman had achting voor de rijkdom van de aarde; Christus adviseert hem om zich te ontdoen van die rijkdom, niet om hem te verarmen, maar opdat hij nog rijker zou worden.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

19e zondag na Pinksteren : heb uw vijanden lief

19e zondag na Pinksteren

4e na de kruisverheffing 

“Heb uw vijanden lief”

 heb uw vijanden lief 2

LEZINGEN :

Eerste lezing :Kol.4,5-11;14-18

Gedraag u verstandig jegens de buitenstaanders. Benut de gunstige gelegenheid. Laat uw spreken steeds innemend zijn, met een vleugje zout erbij, zodat u iedereen het juiste antwoord weet te geven.

Mededelingen, groeten, zegenwens
     Tychikus, onze geliefde broeder, mijn trouwe helper en mededienaar van de Heer, zal u volledig inlichten over mijn omstandigheden. Juist daarom stuur ik hem naar u toe, opdat u verneemt hoe het ons gaat en hij u mag vertroosten. Met hem stuur ik Onesimus, onze trouwe en geliefde broeder, die een van uw mensen is. Zij zullen u op de hoogte brengen van alles wat hier gebeurd is.
     De
groeten van Aristarchus, mijn medegevangene, en Marcus, de neef van Barnabas, over wie u al aanwijzingen hebt gekregen; ontvang hem goed, als hij bij u komt. Eveneens groet Jezus u, ook Justus genaamd. Van de besnedenen zijn zij de enigen die met mij werken voor het koninkrijk van God; ze zijn voor mij dan ook een grote troost geweest

Mijn vriend Lucas, de arts, groet u, en Demas.
     Groet de broeders te Laodicea, en Nymfa en de gemeente die in haar huis samenkomt. En wanneer deze brief bij u is voorgelezen, zorg dan dat hij ook in de gemeente van Laodicea wordt voorgelezen, en dat u de brief uit Laodicea te lezen krijgt. Zeg tegen Archippus
: ‘Zorg ervoor dat u de taak goed vervult die u omwille van de Heer op u genomen hebt.’
     Eigenhandige
groet van mij, Paulus. Denk aan mijn boeien! De genade zij met u.

 

Evangelie : Lucas : 6,31-36

Behandel de mensen zoals je wilt dat ze jullie behandelen. Als jullie je vrienden liefhebben, is er dan reden tot dankbaarheid? Ook de zondaars hebben hun vrienden lief. En als jullie je weldoeners weldoen, is er dan reden tot dankbaarheid? Ook de zondaars doen dat. En als jullie lenen aan mensen van wie je iets terugverwacht, is er dan reden tot dankbaarheid? Ook zondaars lenen aan zondaars om op hun beurt hetzelfde te krijgen. Nee, heb je vijanden lief, doe wel en leen uit, en verwacht daarvoor niets terug. Dan zal er een rijke beloning voor jullie zijn: je wordt kinderen van de Allerhoogste, want ook Hij is goed voor ondankbare en slechte mensen. Wees barmhartig, zoals jullie Vader barmhartig is.

17e zondag na Pinksteren : Van de kananese vrouw

17e zondag na Pinksteren

2e na de Kruisverheffing

 

“Van de kananese vrouw”

 kananese vrouw

LEZINGEN :

Eerste lezing :

2 Kor.9,6-16 – 7,1

Is er enig verband tussen de tempel van God en de afgoden? Wij zijn de tempel van de levende God. God heeft zelf gezegd: Ik zal onder hen wonen en met hen omgaan. Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. Daarom, ga weg uit hun midden en houd u ver van hen, zegt de Heer, en raak niets aan wat onrein is. Dan zal Ik u genadig aannemen. Ik zal voor u een vader zijn en u zult voor mij zonen en dochters zijn, zegt de Heer, de Albeheerser.

Zulke beloften zijn ons gedaan, geliefden; laten wij ons dus zuiveren van elke smet naar lichaam en geest, en vol ontzag voor God onze heiliging voltooien.

 

Evangelie :

Matth.15,21-28

Jezus en een Kananese vrouw
     Jezus ging daar weg en nam de wijk naar het gebied van Tyrus en Sidon. En kijk, een Kananese vrouw uit die streek kwam naar buiten en riep: ‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David. Mijn dochter is vreselijk bezeten.’ Maar Hij gaf haar niet eens antwoord. Zijn leerlingen kwamen naar Hem toe en vroegen Hem: ‘Stuur haar weg, want ze roept ons achterna.’ Hij antwoordde: ‘Ik ben alleen gestuurd naar de verloren schapen van het huis van Israël.’ Maar zij kwam naar Hem toe en knielde voor Hem neer en zei: ‘Heer, help me.’ Hij gaf haar ten antwoord: ‘Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het aan de hondjes te geven.’ Maar zij zei: ‘Juist, Heer, want wat de hondjes eten, zijn de kruimels die van de tafel van hun baas vallen.’ Toen gaf Jezus haar ten antwoord: ‘Vrouw, groot is uw vertrouwen. Moge het u vergaan zoals u wenst.’ En haar dochter was vanaf dat moment genezen.

 

Cassianus : Kom en leer van Mij (Matth.11,29)

Johannes Cassianus (rond 360-435), stichter van een klooster in Marseille
Conferenties, nr 15, 6-7

 

Cassianus 7

” Kom en leer van Mij” (Mt 11,29)

      De groten in het geloof oefenden op geen enkele wijze de macht uit, die ze hadden om wonderen te doen. Ze bekenden dat hen geen enkele verdienste toekwam, maar dat de barmhartigheid van de Heer alles had gedaan. Als men hun wonderen bewonderde, dan wimpelden ze de menselijke eer weg met de woorden die ze aan de apostelen ontleenden: “Waarom bent u zo verbaasd en waarom staart u ons aan alsof het aan onze eigen kracht of vroomheid te danken is dat deze man weer kan lopen?” (Hand 3,12). Niemand moest naar hun gevoel geëerd worden om de gaven en de wonderen van God..

      Maar het gebeurt soms dat mensen die naar het kwaad neigen en laakbaar zijn op het gebied van het geloof, demonen uitdrijven en wonderen in de naam van de Heer doen. Daarover klaagden de apostelen een keer: “Meester, we hebben iemand gezien die in uw naam demonen uitdreef en we hebben geprobeerd hem dat te beletten, omdat hij u niet samen met ons volgt.” Jezus zei toen tegen hen: “Verhinder het niet! Want wie niet tegen jullie is, is voor jullie.” Maar aan het einde der tijden zullen die mensen zeggen: “Heer, Heer, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd, hebben wij niet in uw naam demonen uitgedreven, en hebben wij niet vele wonderen verricht in uw naam?” En dan zal ik hun rechtuit zeggen: “Ik heb jullie nooit gekend. Weg met jullie, jullie hebben het kwaad gedaan!” (Mt 7,22v).

      Hen die Hij Zelf beloond heeft met de glorie van tekenen en de wonderen, geeft de Heer de waarschuwing om zichzelf daardoor niet te verheffen: “Verheug je er echter niet over dat de geesten zich aan jullie onderwerpen, maar verheug je omdat jullie naam in de hemel opgetekend is” (Lc 10,20). De auteur van deze tekenen en wonderen roept zijn leerlingen op om zijn leer te ontvangen: ” Kom en leer van Mij” – niet om de demonen door de hemelse krachten te verdrijven, noch om melaatsen te genezen, noch om licht te geven aan de blinden, noch om doden op te wekken, maar zegt Hij: “Leer dit van Mij: dat ik zacht en nederig van hart ben”  (Mt 11, 28-29).

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Cyrillus van Alexandrië : Opdat de één mogen zijn , zoals Wij

H. Cyrillus van Alexandrië ((380-444), bisschop, Kerkleraar
Commentaar op het evangelie van Johannes, 11, 11 ; PG 74, 558

 

Cyrillos van Alexandrië 159

“Opdat ze één mogen zijn, zoals Wij”

      Toen Christus aan ons gelijk werd, dat wil zeggen mens werd, heeft de Heilige Geest Hem gezalfd en gewijd, hoewel Hij van nature God was… Hij heiligt zelf zijn eigen lichaam, en alles wat geschapen is, is waardig om geheiligd te worden. Het mysterie dat in Christus gebeurde, is de oorsprong en de weg van onze deelname aan de Heilige Geest.

      Om ook ons te verenigen, om ons te versmelten in de eenheid met God en onder elkaar, hoewel gescheiden door onze individuele verschillen van onze zielen en van onze lichamen, heeft de Eniggeboren Zoon een middel gevonden en voorbereid om ons te verzamelen, dankzij de wijsheid die de zijne is en volgens de raad van zijn Vader. Door één enig lichaam, zijn eigen lichaam, zegent Hij hen die in Hem geloven, in een mystieke vereniging maakt Hij er één lichaam van met Hem en onder hen.

      Wie zou ons dus kunnen scheiden, wie zou de fysieke eenheid kunnen ontnemen van degenen, die door dat heilige lichaam en door Hemzelf alleen verenigd zijn in de eenheid van Christus? Als wij eenzelfde brood delen, vormen wij allen één enig lichaam (1 Kor 10,17). Want Christus kan niet verdeeld worden. Daarom wordt, volgens de leer van Paulus (Ef 5,30), de Kerk ook het lichaam van Christus genoemd, en wij zijn leden. Allen verenigd in één Christus door zijn heilig lichaam ontvangen we Hem, één en ondeelbaar in ons eigen lichaam. Wij moeten ons eigen lichaam beschouwen als niet meer aan ons toebehorend.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Johannes Chrysostomos : Wie oren heeft om te horen, hij hore

H. Johannes Chrysostomos (ca 345-407), priester te Antiochië daarna bisschop van Constantinopel, Kerkleraar
Sermons over Mattheus, nr 44 ; PG 57, 467

Chrysostomos modern onbekend

“Wie oren heeft om te horen, hij hore”

      Als het zaad verdroogd, dan komt dat niet door de hitte. Jezus heeft niet gezegd dat het verdroogd is door de hitte, maar “als gevolg van een fout in de wortel”… Als het woord verstikt is, komt dat niet door de doornstruiken, maar door hen die ze in vrijheid hebben laten groeien. Met de wil kun je ze belemmeren om te groeien, je kunt gepast gebruik maken van de rijkdommen. Daarom heeft de Heer niet gesproken over de ‘wereld’, maar over de ‘zorg van de wereld’, niet over ‘de rijkdom’  maar over de ‘verleiding van de rijkdom’. Laten we de dingen op zich niet de schuld geven, maar het bederf van ons bewustzijn…

      Niet de landbouwer, niet het zaad, maar de aarde, die het ontvangen heeft, verklaart alles, dat wil zeggen de neigingen van ons hart. Ook daar is de goedheid van God voor de mens enorm, Hij eis niet een zelfde mate van deugdzaamheid, Hij oogst de eerstelingen, Hij laat de tweede niet opnieuw groeien en Hij geeft plaats aan de derde…

      Men moet dus eerst met aandacht naar het Woord luisteren, vervolgens het trouw in het geheugen bewaren, en daarna vol met goede moed zijn, vervolgens de rijkdom minachten en zich bevrijden van liefde voor alle wereldse bezit. Als Jezus aandacht voor het Woord op de eerste plaats zet en vóór alle andere voorwaarden, dan is dat omdat dit dè nodige voorwaarde is. “Hoe kun je geloven zonder eerst te luisteren?” (Rm, 10,14) Als wij ook niet aandacht geven aan hetgeen ons verteld wordt, weten we niet welk werk we moeten vervullen. Daarna komen pas de moed en de minachting voor de wereldse bezittingen. Laten we ons, om profijt uit de lessen te trekken, op allerlei wijzen versterken: laten we aandachtig zijn voor het Woord, en onze wortels diep laten groeien en laten we ons losmaken van de wereldse zorgen.

De patristieke fundering van de sacamenten van de Kerk

De patristieke fundering van de sacramenten van de Kerk

Metropoliet Kallistos Ware

 

Toespraak gehouden in Moscou 13-16 november 2007

 

“Het zijn de sacramenten die het Lichaam van Christus vormen” schreef de heilige Nicolas Cabasilas. Ze zijn, zegt hij “vensters in de duistere wereld”. Wat dan, zijn de voornaamste thema’s in de Patristieke lering omtrent deze goddelijke activiteiten, zonder welke er geen leven in Christus mogelijk is ? Hoe verstonden de Vaders dit “venster” dat ons bestaan hier op aarde verlicht ?.

1 Het woord “sacrament

Dat wat de latijnse theologie sacramentum noemt is in de griekse theologie mysterion (in het de Slavische theologie aangeduid met het woord tainstvo). De twee woorden hebben een grondig verschillende betekenis. De latijnse term sacramentum betekent oorspronkelijk de eed van trouw door de romeinse soldaten, terwijl het in wettelijke termen de betekenis heeft van een belofte die onder ede gedaan werd onder redetwistende partijen. De Griekse term Mysterion anderzijds heeft een rijkere en diepere betekenis. Het woord komt ongeveer dertig maal voort in het Nieuwe testament , en nergens heeft het de betekenis van een liturgische ritus. Tegelijk betekent in het Nieuwe Testament “mysterie” niet, zoals het in het moderne gebruik de gewoonte is, een onopgeloste puzzel, een  raadsel of  enigma. In de eigenlijke Schriftuurlijke en theologische betekenis, daarentegen, is mysterie iets wat onthuld wordt voor ons verstaan, uiteindelijk nooit totaal en uitsluitend, daar het peilt naar de oneindige diepten van God.

In het Nieuwse Testament is het hoogste en fundamenteelste mysterie de menswording van Christus. Sint Paulus in de Kollosenzen 1,25-26 spreekt  over “het geheimenis (mysterie) dat eeuwen en geslachten verborgen is geweest”, en dat u geopenbaard is in Christus die de “hoop en de glorie”is. Zo ook in de Efesiërsbrief 1,9-10 sprekend over het mysterie van Gods wil zegt Paulus dat dit niets anders is dan het “plan ter voorbereiding van de volheid der tijden”,om in Christus alles in de hemel en op aarde bijeen te brengen of te verzamelen onder één hoofd, Jezus Christus. Meer in het bijzonder dit “mysterie” dat eerst verborgen was en nu geopenbaard, bestaat in de vereniging van Joden en heidenen onder één lichaam, Christus (Efesiërs 3,3-6).

De grote omvang van de term mysterion, waarbij het refereert naar de totaliteit van Christus’incarnerend werk, komt dikwijls voor  bij de vroege Kerkvaders Het is pas in de 3e en 4e eeuw dat het woord wordt gebruikt om meer nauwkeurig een liturgisch rite aan te duiden. De term gebruikend  in de bredere Nieuw Testamentische betekenis, spreekt Ignatios van Antiochië van de maagdelijkheid van Maria, haar kind baren en de dood als van “drie mysteries die om luid gechreeuw vragen, wat ons brengt tot de stilte van God” In dezelfde termen spreekt Clemens van Alexandrië over “het merkbaar mysterie” van de incarnatie, “God in de mens en de mens in God”. In de latijnse traditie verwijst Tertullianus  naar “het sacrament van de economie” (sacramentum oeconomiae”, daarmee bedoelt hij de reddende  ingreep van de geïncarneerde Christus in haar totaliteit. Maar hij gebruikt ook de term sacramentum in een meer beperkte betekenis, om er het doopsel en de eucharistie mee aan te duiden. Lang nadat de term mysterion haar technische betekenis had gekregen als een sacramentele rite, gaan de Griekse Vaders nog altijd verder met haar te gebruiken op een meer  uitgebreide en flexibele wijze. Wanneer we hen lezen is het belangrijk daarvoor  de patristieke teksten niet automatisch te lezen in de meer specifieke betekenis van het woord “sacrament”, zoals ze gevonden wordt in de Rooms Katholieke en Orthodoxe theologie.

Er is een bijzondere reden waarom de bredere betekenis van het woord “mysterie” nooit vergeten mag worden, en dat is de weg waarin het de essentiële link tussen de sacramenten en de incarnatie wordt onderlijnd. Alle sacramenten hebben hun bron en gronding in de incarnatie van Christus. De “mysterievolle” daden van de Kerk zijn niets anders dan de levende en onophoudelijke voortzetting  van de incarnatie in ruimte en tijd. In de sacramenten wordt de constante en dynamische tegenwoordigheid van de incarnatie van Christus in de aanbidding van het volk van God verzekerd. In de woorden van Leo de Grote : ” Hij die zichtbaar was als onze redder gaat nu verder in de sacramenten “. Sacramentenleer is een tak van de Christologie.

Het woord mysterion heeft ook nog verdere weerklanken en associaties. Het roept in de geest het adjectief “mystiek” op. Dit wordt dikwijls gebruikt door de Vaders in combinatie met het substantief “contemplatie”, “gebed”, “theologie” en “verbond”. Het mystieke leven, zoals verstaan wordt door de Vaders, is gegrond op het oorspronkelijke mysterie van Christus’ menswording, en tegelijk is het nooit te scheiden van de sacramenten. In deze context is het vanzelfsprekend te denken aan Vladimir Lossky’s welbekende woorden “Verre van  wederzijds tegengesteld te zijn dragen en vervolledigen theologie en mystiek elkander. Het ene is ondenkbaar zonder het andere…Mystiek is…het hoogtepunt en de kroon van alle theologie : het is theologie bij uitstek”. Zeker mag Lossky’s  standpunt toegepast worden op de sacramenten. Sacramentele theologie en mystiek ondersteunen en vervolledigen elkaar. Het mystieke leven is onmogelijk zonder de sacramenten. Het mystieke leven is niets anders dan de perfectie en de kroon van onze sacramentele deelneming. Met de woorden van Myrrha Lot-Borodine : ” De ganse leer van de mystieke verlichting is…een bovennatuurlijke realiteit die inherent is in de onthulling van het doopsel, en, mogen we eraan toevoegen inherent in ons voortdurend ontvangen van de Eucharistie en de andere sacramenten.

2. De dubbele natuur van de sacramenten

In de catechismus van de Kerk van Engeland ,die ik van buiten moest leren als kind, wordt een sacrament gedefinieerd als ” het uitwendig en zichtbaar teken van een innerlijke en spirituele genade”. Een teken dat werkzaam is, dat  doeltreffend is en de oorzaak van wat het betekent. : uiterlijk en innerlijk, zichtbaar en onzichtbaar. Dit is ook de richting waarin de Vaders de natuur van het sacrament verstonden. Elk sacrament heeft twee aspecten : een uiterlijk en een innerlijk, een zichtbaar en een onzichtbaar. Om deze reden geven de Vaders gewoonlijk aan het sacrament de naam “symbool”, niet in een zwakke, maar in een sterke betekenis.

Reeds in het begin van de derde eeuw heeft Tertullianus duidelijk het dubbel karakter van de sacramenten aangeduid : ” Het vlees is gereinigd , moge de ziel brandschoon zijn; het vlees is getekend door het kruis, moge de ziel ook beschermd worden, het vlees is overschaduwd door de handoplegging, moge de ziel verlicht worden door de Heilige Geest, het vlees voedt zich met het lichaam en bloed van Christus, zo dat de ziel ook mag gevuld worden met God. “aan de sacramenten een anthropologische grondslag gevend, zegt de heilige Ambrosius van Milaan dat hun twe
evoudig karakter, zicht baar en onzichtbaar, overeenstemt met de twee-voudige natuur van de mens : lichaam en ziel. Zo wordt in het doopsel het lichaam gewassen met water, terwijl de ziel wordt gezuiverd door de Heilige Geest. St.Augustinus heeft hetzelfde in zijn gedachten in zijn geschriften over het eucharistisch brood en wijn : “Zij worden sacramenten genoemd, omdat één ding wordt gezien terwijl een ander wordt verstaan. Wat gezien wordt heeft een fysieke vorm, maar wat wij verstaan heeft spirituele vruchten”.

Griekse auteurs spreken ongeveer in parallelle termen. Volgens Theodor van Mopsueste is “elk sacrament de aanduiding van vele betekenissen en symbolen, van onzichtbare en  onuitsprekelijke realiteiten”. Ze worden sacramenten genoemd, schrijft St.Johannes Chrysostomos, omdat datgene wat wij geloven niet hetzelfde is als wat we zien, maar wij zien één ding en geloven een ander..  Wanneer ik het Lichaam van Christus hoor vernoemen, versta ik wat gezegd wordt, de ongelovige denkt dan aan iets anders.

Beide kenmerken van de sacramenten, zichtbaar en onzichtbaar, benadrukken , vanuit christelijk standpunt,met een uiterste helderheid de waarde van  materiële dingen en meer in het bijzonder van het menselijk lichaam. Zoals Tertullianus  in deze context benadrukt : : ” Het vlees is de spil van de verlossing” (caro salutis est cardo). Om deze reden wil men in de orthodoxe Kerk onverminderd de materialiteit van de sacramentle elementen bewaren : wij dringen er op aan, dat het doopsel zou gebeuren door onderdompeling, uitgezonderd in noodgevallen; voor de Eucharistie gebruiken wij levend brood en rode wijn; bij begrafenissen wordt het deksel van de kist genomen en wij kussen het dode lichaam.

De materialiteit van de sacramenten maakt duidelijk het verband, wij hebben het reeds benadrukt, tussen de “mysterievolle daad” van de Kerk en de menswording. Bij zijn menselijke geboorte nam de Redder het menselijk vlees aan (met een menselijke ziel), en maakte van dit materiële vlees een voertuig van de Geest. Zo ook wanneer we het water zegenen bij het doopsel, wanneer wij het brood zegenen in de Eucharistie, en wanneer wij de olie voor de ziekenzalving zegenen, dan omvormen wij deze materiële elementen  tot voertuigen van de Geest. Zoals we in verband met de incarnatie achterom kijken, zo kijken de sacramenten voorwaards, of beter, ze anticiperen  de apocatastasis , of de uiteindelijke verlossing op de laatste dag (zie : Romeinen 8,19-23). Zoals Minucius Felix bevestigt : ” Wij zijn in de verwachting  van de lente van het lichaam” (expectandum nobis etiam corporis ver est). De eschatologische lente van het lichaam, en meer in het algemeen, van de ganse natuur is reeds aanwezig in de spirituele materialiteit van de sacramenten.

3. De voorganger of de tussenpersoon van de sacramenten

In overeenstemming met de universele Patristieke traditie, Griekse en Latijnse, is de echte celebrant altijd Christus zelf, onzichtbaar  doch werkelijk aanwezig door de Heilige Geest. Dit is duidelijk uit de liturgische praxis van de orthodoxe Kerk. In geen enkele sacrament gebruikt de officiant het woord “ik”. Hij zegt niet “ik doop u”, maar “de dienaar Gods wordt gedoopt”, niet “ik wijd u”, maar “de goddelijke genade, die altijd heelt wat zwak is en opricht wat gebrekkig is, wijd de devote sub-diaken (naam)tot diaken, zoals de bisschop zegt tot God wanneer hij een diaken wijd (hetzelfde gebeurt voor de andere wijdingen).”het is niet door de handoplegging, maar door de zegen van Uw rijke barmhartigheid, dat de genade is gegeven aan hem die U waardig is”. Het is waar dat Peter Mohila in zijn Euchologion voor het sacrament van de boete de formule gebruikt “ik  vergeef u”; maar dit kan enkel gezien worden als een afwijking van de sacramentele traditie van de Orthodoxe Kerk.

Dit geloof in Christus als  de ware celebrant van alle sacramenten is bijzonder duidelijk in de Goddelijke Liturgie. Voor de zegen bij het begin zegt de diaken tot de priester. “Het is tijd voor de Heer om te handelen”, een citaat uit psalm 118(119).126). De liturgie, is niet enkel woorden uitspreken maar actie; bovendien is het niet op de eerste plaats onze actie, maar de actie van de Heer. De ware celebrant in elke Eucharistie is altijd Christus de enige hogepriester, wij, de clerus en het volk, zijn niet meer dan concelebranten met Hem. Ditzelfde punt wordt expliciet bevestigd  in het gebed die door de officiant wordt gezegd gedurende de Hymne van het Cherubicon , wanneer hij tot Christus zegt “Gij zijt het aan wie wij offeren en die geofferd zijt. Christus is beide : offer en offergave , beide, offeraar en offer, beide : priester en slachtoffer. De onmiddellijke deelname van Christus in de Eucharistische actie wordt ook uitgedrukt in het uitwisselen van groeten door de clerus gedurende de “vredeskus” : “Christus is in ons midden”.

Het zelfde verstaan van de sacramenten als een actie van Christus is bij de Vaders te vinden alsook in de liturgische teksten. Zoals St. Augustinus zei : “Het doopsel is werkzaam, niet door de deugd en de verdienste van hen die toedienen, maar door de verdienste van zijn intrinsieke heiligheid en waarheid, omwille van Hem die het ingesteld heeft”.Onder de griekse Vaders is het vooral St.Johannes Chrysostomos die speciaal zich over dit punt heeft uigesproken. “Het is de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, die alles vervuld” zegt hij. “De priester leent slechts zijn tong en levert zijn handen”.” Bij de heilige Communie is het de hand van Christus dat naar jou wordt uitgestoken”. “Gods gaven zijn niet het resultaat van enige verdienste van de priester, zij zijn volledig het werk van de genade. De functie van de priester bestaat er enkel in zijn mond te openen en het is God die vervult wat moet gedaan worden… De eucharistische offering  blijft dezelfde, of nu Peter of paul het zouden offeren. De offerande welke Christus geeft aan Zijn Apostelen is identiek met deze die nu geofferd wordt door de priester. Laatstgenoemde is helemaal niet ondergeschikt aan de vorm, want het is niet de mens die consacreert, maar Hij die de oorspronkelijke offerande heeft geconsacreerd”.

Hieruit volgt dat de geldigheid van de sacramenten niet in het gedrang komt door de onwaardigheid van de celebrant, noch hangt het af van het persoonlijk geloof van de ontvanger. Integendeel, als actie van Christus zelf hebben de sacramenten een objectief karakter.

4 Het getal van de sacramenten

Hier, als op andere gebieden, moeten eigen toegevingen gedaan worden voor het flexibel gebruik van de term mysterion bij de vaders. Wij moeten niet de vroegste bronnen lezen om de juiste betekenis te vinden voortgaande op Peter Lombard en de scholastiekers van de twaalfde eeuw, en die vervolgens zijn overgenomen door vele orthodoxe schrijvers. Bovendien maken de Griekse Vaders een scherp onderscheid tussen de sacramenten enerzijds en de andere riten van de Kerk die de Rooms Katholieke Kerk omschrijft als ‘Sacramentalia.

Vele auteurs – bijvoorbeeld St.Cyrillos van Jerusalem, St. Ambrosius, Theodoor van Mopsueste en Sint Cyrillos van Alexandrië – denken in termen van drie primaire “mysteries”, Doopsel, myronzalving en Eucharistie; maar deze lijst van drie moet niet noodzakelijk gezien worden als  volledig. Sint Nicolas cabasilas, in zijn
“leven in Christus “ benadrukt de zelfde drie mysteries, maar dan gaat hij ook de consecratie van het altaar beschouwen als een “mysterie”; misschien echter moet dit gezien worden als een uitbreiding van het sacrament van het chrisma. Sint Johannes van Damascus denkt anderzijds in termen van twee hoofd-sacramenten, Doopsel en Eucharistie. Sint Dyonisios de Aeropagiet spreekt van zes : Doopsel, Eucharistie, chrisma, wijding, monastieke  professie, en de begrafenis riten. Dezelfde lijst wordt gevonden bij Sint Theodoros de Studiet. In de tweede helft van de 13e eeuw noemt de monnik Job zeven sacramenten, maar ze komen niet echt overeen met de Westerse lijst; hij combineert penitentie met de ziekenzalving en hij sluit monastieke professie in. Hij gaat spreken over drie andere riten : hij ziet de consecratie en de broodverheffing ter ere van de Moeder Gods als een uitbreiding van de Eucharistie. Dit alles duidt erop dat de Griekse patristieke auteurs, wanneer zij de term mysterie gebruiken, niet te werk gaan met dezelfde precisie die gevonden wordt in de latijnse scholastiek.

Het is waar, dat in de latere Byzantijnse periode er een tendens is om de zelfde sacramenten te aanvaarden zoals in het Westen. Dit is het geval bv. Met Manuel Calecas in de 14e eeuw, en met Joseph Bryennice en Sint Symeon van Thessaloniki in de 15e eeuw. Op het concilie van Ferrara-Florence (1438-9) vonden de Grieken geen problemen met het aanvaarden van de latijnse lijst van zeven sacramenten. Maar Joasaph, Metropoliet van Ephesië (ook in de 15e eeuw) spreekt van tien sacramenten.In de 17e eeuw wordt de latijnse lijst van zeven standaard in de Orthodoxe Kerk : het wordt bv. gevolgd door Patriarch Jeremias II, door Gabriël Severus, door Metropoliet kritopoulos en door de synode van Jassy (1642) en van Jeruzalem (1672). Toch bekwam deze lijst nooit een strikt dogmatisch karakter in de Orthodoxe leer, maar het werd vooral gezien als bruikbaar in de leer. Het meer flexibel gebruik in de vroege Patristische periode is nooit op de achtergrond geraakt. In elk geval, wanneer de sacramenten zijn gecatalogeerd als zeven, mag eruit niet afgeleid worden dat deze zeven allen op gelijke voet van waardigheid staan, er bestaat een welomlijnde hiërarchie tussen hen, met het Doopsel en de Eucharistie als de voornaamste.

Als besluit doen we er goed aan met opnieuw te verwijzen naar de betekenis die eerder werd gegeven aan de term “mysterie” : het is, zeiden wij, iets dat onthuld wordt voor ons verstaan, maar nooit volledig onthuld. Dit betekent dat er een apofatische dimensie bestaat in de orthodoxe theologie van de sacramenten, zoals trouwen in alle andere aspecten van de theologie. Wij moeten altijd op onze hoede zijn om té veel te zeggen. Wanneer de Kerk spreekt van de sacramenten, dan is zij er zich van bewust hoeveel delen van de waarheid noodzakelijk onzegbaar blijven. Met de woorden van Sint Johannes Chrysostomos : ” Zij worden gezegd om mysteries te zijn, en zij zijn dat in waarheid, er is geen nood om de diepe kloof van de stilte te willen verklaren”. ” De verklaring van de Mysteries” merkt Sint Cyrillos van Alexandrië op, “is buitengewoon moeilijk, het is misschien beter de stilte te bewaren”. Laat ons deze waarschuwing in gedachten houden gedurende de huidige conferentie.

Bron : Website van Nouvelles Clés

Vertaling : kris Biesbroeck.

 

 

15e zondag na Pinksteren “van het grote gebod”

 

15e zondag na Pinksteren – zondag na de Kruisverheffing.

 ‘Van het Grote gebod’

Feest van de heilige Eustachius, grootmartelaar te Rome en zijn vrouw de H. Theopostie, H. Madelgaireen, echtgenote va,n de H. Waldetruda, stichter van de monasteries van Haumont en Soignies

 

 

eustachius van Rome

 

 Heilige Eustachius

 

LEZINGEN

EPISTEL : 2 Kor. 4,6-15

Dezelfde God die gezegd heeft: ‘Uit de duisternis zal licht schijnen’, heeft zijn licht laten schijnen in ons hart om de kennis te laten stralen van zijn heerlijkheid, die ligt over het gelaat van Jezus Christus.

Vol goede moed bij tegenslag
     Maar wij dragen deze schat in aarden potten, en zo blijkt dat die overgrote kracht van God komt en niet van ons. Van* alle kanten worden wij belaagd maar we zitten niet in het nauw; we zijn radeloos maar niet ten einde raad; we worden opgejaagd maar niet in de steek gelaten; neergeveld maar niet gedood. Altijd dragen wij het sterven van Jezus in ons lichaam mee, opdat ook het leven van Jezus zich in ons lichaam openbaart. Voortdurend worden wij tijdens ons leven aan de dood uitgeleverd omwille van Jezus, opdat ook het leven van Jezus zich in ons sterfelijk bestaan openbaart. Zo is de dood aan het werk in ons, en het leven in u.
     Maar wij bezitten die geest van geloof waarover geschreven staat: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken. Ook wij geloven en daarom spreken wij. Want wij weten dat Hij die de Heer Jezus heeft opgewekt
*, ook ons met Jezus ten leven zal wekken en ons naar zich toe zal voeren, samen met u. Want alles gebeurt voor u, opdat de genade onder steeds meer mensen verbreid raakt en zij de dankbaarheid doet toenemen, tot eer van God.

EVANGELIELEZING :  Mattheüs 22,35–46

en een van hen, een wetgeleerde, vroeg om Hem op de proef te stellen: ‘Meester, wat is het grootste gebod in de wet?’ Jezus zei hem: ‘U zult de Heer uw God liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangen heel de Wet en de Profeten.’

Jezus’ tegenvraag over de Messias
     Terwijl de farizeeën bij elkaar waren, vroeg Jezus hun: ‘Wat denkt u van de Messias ? Van wie is Hij de zoon?’ Ze zeiden Hem: ‘Van David .’ Hij zei: ‘Hoe kan David, geïnspireerd door de Geest, Hem dan Heer noemen, als hij zegt: De Heer heeft gezegd tot mijn Heer: Ga zitten aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden aan uw voeten heb gelegd? Als David Hem Heer noemt, hoe kan Hij dan zijn zoon zijn?’ Niemand kon Hem daarop een antwoord geven, en niemand durfde Hem van die dag af nog iets te vragen.

Gregorius van Nazianze : Zie, de bruidegom komt

H. Gregorius van Nazianze (330-390), bisschop en Kerkleraar
Overweging over de doop, 40, 46 ; PG 36, 425


GregoriusNazianze

“Zie, de Bruidegom komt”

      Weldra zul je na je doop voor het Heilige der heiligen staan, dat de heerlijkheid van de komende wereld  aanduidt. Het psalmlied dat je ontvangt is de prelude van de hemelse lofzangen. De lampen die je aan zult steken, zijn een voorafbeelding van de stoet lichtjes die onze stralende en zuivere zielen, uitgerust met stralende lampen van geloof, tot voor de Bruidegom zullen leiden.

      Laten opletten om niet uit onzorgvuldigheid in slaap te vallen, uit angst dat degene waarop we wachten zich spontaan zal tonen zonder dat we Hem zien aankomen. Laten we niet zonder voorraad olie en goede werken blijven, uit vrees buiten de bruiloftszaal gesloten te worden… De Bruidegom zal er in grote haast binnengaan. De voorzichtige zielen zullen er met Hem binnengaan. De anderen die druk bezig zijn met hun lampen, zullen geen tijd hebben om er binnen te gaan en zullen in klaagzangen buiten blijven. Ze realiseren zich te laat wat ze door hun achteloosheid hebben verloren…

      Ze lijken ook op de andere genodigden voor een bruiloft, die een vader vierde ter ere van een bruidegom, en die weigerden om eraan deel te nemen: de een omdat hij net een vrouw had gevonden, een ander omdat hij net een stuk land had gekocht; een derde omdat hij zich zojuist een paar runderen had aangeschaft (Lc 14, 18-20)… Want er is in de hemel geen plaats voor de trotsen en de achtelozen, voor een man zonder passende kleding, die niet het bruiloftskleed draagt (Mt 22,11), zelfs waneer hij, toen hij op aarde was, dacht dat hij de hemelse pracht waardig was, en zich heimelijk onder de groep gelovigen bevond en valse hoop koesterde.

      Wat zal er daarna gebeuren? De Bruidegom weet wat Hij ons onderricht wanneer we in de hemel zijn, en Hij weet welke relatie Hij met de zielen zal onderhouden die er met Hem binnengegaan zijn. Ik geloof dat Hij in hun gezelschap zal leven, en dat Hij hen de meest volmaakte en zuiverste mysteriën zal leren kennen..

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org

Eucherius : Hij ging heen en begaf zich naar een eenzame plaats

H. Eucherius (? – ca. 450), bisschop van Lyon
Lofrede aan de woestijn

eucherius van Lyon (goede foto)

“Hij ging heen, en begaf Hij Zich naar een eenzame plaats”

      Kan men niet redelijkerwijze aannemen dat de woestijn de onbegrensde tempel van God is? Want Degene die in de stilte leeft moet het zeker bevallen op teruggetrokken plaatsen. Daar heeft Hij zich vaker getoond aan heiligen; dankzij de eenzaamheid heeft Hij mensen willen ontmoeten.

      Mozes heeft met een lichtend gelaat God in de woestijn gezien… Daar begon hij vertrouwelijk met God te spreken; hij wisselde woorden uit; hij onderhield zich met de hemelse Meester zoals de mens de gewoonte heeft om zich met zijn gelijke te onderhouden. Daar ontvangt hij de krachtige staf om wonderen mee te doen; en na in de woestijn gekomen te zijn als schaapsherder, verlaat hij de woestijn als herder van mensen (Ex 3; 33,11; 34).

      Zoekt het volk van God niet op dezelfde wijze, als het uit Egypte en van de wereldse werken bevrijd moet worden, afgelegen oorden en vlucht het niet in eenzaamheid? Ja, in de woestijn nadert het volk God die het uit de slavernij heeft bevrijd… En de Heer maakte zich tot Gids van zijn volk om het door de woestijn te leiden. Onderweg plaatste Hij dag en nacht een kolom, vurige vlammen of een lichtende wolk, als teken uit de hemel… De kinderen van Israël verkregen dus om de troon van God te zien en om zijn stem te horen, terwijl ze in de woestijn leefden…

      Moet er nog aan toegevoegd worden dat ze in het land van hun verlangen aankwamen na in de woestijn te hebben geleefd? Opdat het volk op een dag een gebied binnengaat waar melk en honing stroomt, moet het eerst door dorre en verwilderde oorden heen gaan. Altijd door te kamperen in de woestijn, komt men in het ware vaderland aan. Dat degene, die “de goedheid van de Heer wil zien in het land der levenden” (Ps 27,13),  een onbewoonbaar land mag bewonen. Dat hij die bewoner van de hemelen wil worden, de gast van de woestijn mag zijn.

Bron : Dagelijks evangelie : Contact-nl@evangelizo.org