Gods aanwezigheid ervaren

Gods aanwezigheid ervaren

 

Christus pantocrator 55577.jpg

 

Zijn wij ontmoedigd ? Vinden wij de zin van het leven niet ? zijn wij (nutteloos) angstig, ongerust en bezorgd ? Zijn wij in onze stresserende consumptiemaatschappij levensmoe geworden ? Hebben wij alle “houvast” verloren, zelfs bij de geliefden die ons omringen ?…

Weet en besef dan dat de mensgeworden Zoon Gods, Christus – die ons menselijk bestaan in al zijn consequenties deelde, behalve in de zonde – ons niet als weeskinderen achterliet. Zoals Hij het beloofd had kwam de Heilige Geest, dezelfde Onzichtbare God op de Apostelen neer, en ook op ons allen. Beseffen wij het wel iedere dag opnieuw dat God aanwezig is en blijft. Hij is geen “afwezige” ! Wij zouden slechts onze vrije ontmoeting met Hem in de intimiteit van ons hart missen, indien wij onszelf afsluiten, indien wij “blind” en “doofstom” blijven ten overstaan van Zijn zo verrijkende aanwezigheid. Hij dringt zich echter niet op ! Hij eerbiedigt onze menselijke vrijheid, met dewelke Hij ons bij onze schepping heeft bekleed. De Kerkvaders herhaalden het vaak : “God kan alles, behalve de mens te dwingen Hem lief te hebben”.

Langs ons persoonlijk gebed kunnen wij God in de intimiteit van ons hart ervaren. Bijzonder  sterke momenten zijn deze van het ontwaken en opstaan en deze van het slapengaan. Iedere dag opnieuw is een “schenking” van God, maar iedere dag is tevens opnieuw voor ons de grote “onbekende”, waarbij wij Zijn Aanwezigheid zo broodnodig hebben. In feite moeten wij beseffen hoe roekeloos het is het leven aan te gaan zonder Zijn leiding, zonder  Zijn bescherming , zonder Zijn liefde, zonder Zijn zegen. Ons morgengebed ( dat zo vaak in onze “jachtige” maatschappij vergeten of overgeslagen wordt !) zal niets anders zijn dan een gesprek met God, een intiem gesprek, waarbij wij ons hart in alle vertrouwen voor Hem openstellen. Vragen wij de Heilige Geest ons hierbij tegemoet te komen…want alleen zijn wij zwak.

En iedere avond, vóór het slapengaan, dienen wij opnieuw God te ontmoeten, om Hem te danken voor alles wat Hij ons tijdens de voorbije dag wist te geven. En zelfs mochten wij op die dag tegenkantingen, ziekte, lijden, problemen gehad hebben, dan weten wij dat Hij ons nooit in een hachelijke situatie alleen laat. Onoverkomelijke problemen bestaan voor God niet ! “Voor God is alles mogelijk “(Matth.19,26). Laten wij Hem tenslotte zeer nederig, in dezelfde intimiteit van ons hart, vergeving vragen voor alles wat wij in de voorbije dag verkeerd deden. Nogmaals : bidden is niets anders dan spreken met de Aanwezige God !

Maar ook in onze ontmoetingen met anderen is God aanwezig, op voorwaarde dat wij in Zijn Naam verenigd zijn. Jezus zegt het zelf : “ Want waar twee of drie verenigd zijn in Mijn Naam, daar ben ik in hun midden” (Matth.18,20). Onze relatie met de anderen wordt in een heilbrengende realiteit gebracht, wanneer wij God aldus in ons midden hebben. Denken wij vooral aan de realiteit van ons samenzijn in ons gezin. Met God in hun midden zullen echtgenoten bij hun levensproblemen nooit als antagonisten tegenover elkaar staan, maar werkelijk tot het besef komen dat zij met “drie” zijn. Gods aanwezigheid heiligt hun echtelijke liefde. Voor God is trouwens niets “onbekend” of “onzichtbaar” of “verborgen”. Hij doorziet al onze levensangsten, onze frustraties, onze zwakmenselijke conflicten, en Hij is zo dicht bij ons om dit alles op te lossen, om ons te “omvormen”, te “transfigureren”. Daar waar de wereld faalt en wanhoopt, daar leidt de aanwezige God, Die in ons midden is, ons op het pad van een harmonisch levensgeluk Zo gaat het eveneens in onze relatie met onze kinderen, met onze ouders, met familieleden, broers en zusters, met de leden van onze kerkelijke communauteit, met vrienden en kennissen. Als wij maar in Zijn Naam verenigd zijn, is Hij in ons midden…als de grote Aanwezige.

En wat dan te zeggen van het “summum” van Zijn Aanwezigheid : Zijn Aanwezigheid in de Heilige Eucharistie ! Jezus zegt inderdaad : “Want Mijn Vlees is echt voedsel en Mijn Bloed is echte drank. Wie Mijn Vlees eet en Mijn Bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem” (Joh.6,56). Bij de heilige Gaven, waaraan wij in de Goddelijke Liturgie mogen communiceren, ontvangen wij echt het Kostbaar Lichaam en Bloed van Christus in ons. Dit verenigt ons in de diepste intimiteit met Hem. En langs Zijn Eucharistische aanwezigheid in ieder van ons, leden van de Kerkgemeenschap, worden wij ook innig spiritueel met mekaar verbonden, met een goddelijke band die sterker is dan de fysische bloedgemeenschap. Daarom brengt de Goddelijke Liturgie ons reeds in de dimensie van de eeuwigheid.

En de Christus-ikoon : ook langs haar manifesteert God Zijn aanwezigheid. Alhoewel onzichtbaar in Zijn wezen wil Hij ons op ondubbelzinnige wijze geruststellen en ons tonen dat Hij aanwezig is en dicht bij ons staat. De “onzichtbare” ziet en hoort ons. Telkenmale wij de Ikoon aanschouwen weten wij dat de onzichtbare aanwezige God ons eerst heeft aanschouwd. Want steeds is Zijn blik naar ons gericht, vanaf het moment dat wij Hem willen opzoeken en ontmoeten In het Mysterie van de Ikoon – door de kracht van de Heilige Geest – ervaren wij hoe de onzichtbare “Aanwezige” ons nooit verlaat. Daarom kussen wij de Ikoon, hierbij niet de afbeelding, het hout, de materie op het oog hebbende, maar het “prototype” ervan : de Menslievende God, Die ons aanschouwt. Daarom zal ook de centrale plaats van ons huis, van onze werk- of slaapkamer, de Christus-Ikoon zijn, manifestatie van Zijn aanwezigheid. En die goddelijke aanwezigheid geeft ons de zekerheid dat alles wat in Zijn handen berust, dat alles wat Hem toevertrouwd wordt, goed is.

“Gods aanwezigheid ervaren” is voor de christenen de roeping van iedere dag, de roeping van ieder moment. God dringt Zijn aanwezigheid nooit op. Hij wacht….tot wij Hem opmerken, tot wij ons vertrouwen in Hem stellen, tot wij ons hart voor Hem openen, tot wij langs het gebed tot Hem spreken. Geduldig blijft Hij en altijd aanwezig ! Niet voldoende kunnen wij Hem hiervoor danken!

Vader Ignace Peckstadt

Historische viering in oud Turks klooster

Wereld 15 augustus 2010 novum

Historische viering in oud Turks klooster

(Novum/AP) – Oosters-orthodoxe christenen hebben zondag een liturgie gevierd in een eeuwenoud klooster in Turkije. De Turkse regering heeft toegestaan dat er eens per jaar een kerkdienst mag worden gehouden. De regering wil de beperkingen op religieuze uitingen in het land gaandeweg versoepelen. De dienst in het klooster, dat dateert uit het Byzantijnse tijdperk, werd geleid door patriarch Bartholomeus I, de spirituele leider van de Oosters-orthodoxe Kerk. Pelgrims uit Griekenland, Rusland en andere landen waren naar het klooster afgereisd. De Turkse regering probeert de situatie van etnische en religieuze minderheden in het land te verbeteren, omdat het land graag lid wil worden van de Europese Unie. Volgens activisten verlopen de veranderingen echter te traag. Een belangrijke eis van de Oosters-orthodoxe christenen is de heropening van een theologische school nabij Istanbul.

Johannes van Dalhyatha : uit Brief 27

Johannes van Dalyatha

Drie eenheid 1.jpg

 

Johannes van Dalhyatha leefde tussen 690 en 780. Hij is geboren in het dorp Ardamut, in de provincie van Beit Nouhadra, vandaag ten noorden van Mossoul in Irak. Hij sterft op hoge leeftijd in het klooster waar hij als kluizenaar leefde.

 Uit Brief 27

Ik ken de Vader in zijn Gezalfde, en de Zoon zie ik door de Geest. Er is voor mij buiten Hem geen stevigheid, geen beweging, geen leven, geen perceptie. En wanneer ik opgeslorpt ben door de verwondering, zie ik Hem als zijn  ze één Lamp, en zoals deze straal ook ik. Daarom ook verwonder ik mij over mijzelf en verheug ik mij geestelijk dat in mij zich de Bron van het leven bevindt, deze Bron die het einddoel is van de onstoffelijke wereld. Dit uitleggen is aan geen wijze mens gegeven. Eer aan Hem die de zijnen tot wijzen maakt en zijn schoonheid openbaart voor de genieting van wie Hem liefhebben !

Petrus Damianus : Voorgaan door zijn leven en dood

H. Petrus Damianus (1007-1072), kluizenaar en vervolgens bisschop, Kerkleraar
Sermon 24-25

Voorgaan door zijn leven en zijn dood

   

Petrus Damianus.gif

   Johannes was reeds door zijn geboorte voorloper van Christus, en ook door zijn prediking, door zijn doop en door zijn dood… Kan men één deugd vinden, één soort heiligheid die de Voorloper niet in de hoogste graad bezat? Wie onder de heilige kluizenaars heeft zich ooit de regel opgelegd om als voedsel slechts wilde honing of dat oneetbare gerecht: sprinkhanen te eten! Enkelen  wenden zich af van de wereld en vluchten weg voor de mensen om heilig te kunnen leven, maar Johannes is nog een kind… als hij de woestijn intrekt en ervoor kiest om in eenzaamheid te gaan leven. Hij ziet ervan af om zijn vader op te volgen als priester, om zo in alle vrijheid als een werkelijk en oprecht Priester te kunnen verkondigen. De profeten hebben van te voren de komst van de Verlosser voorzegd, de apostelen en de andere leraren in de Kerk bevestigen dat deze komst werkelijk plaats heeft gevonden, maar Johannes toont dit als aanwezig onder de mensen. Velen hebben de maagdelijkheid bewaard en hebben niet de witheid van hun kleding bezoedeld (cf Ap 14,4), maar Johannes ziet af van elk menselijk gezelschap om zo de begeertes van het vlees tot aan zijn wortels uit te kunnen roeien, en, hij woont vol van geestelijk vuur tussen de wilde dieren.

      Johannes gaat zelfs voor in het scharlaken koor van martelaren, als meester van allen: hij heeft waakzaam voor de waarheid gevochten, en hij is voor haar gestorven. Hij is de leider van allen die vechten voor Christus, geworden en, als eerste van allen heeft hij in de hemel het overwinningsvaandel van het martelaarschap geplaatst.

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

Hoofdgedachten van de liturgie der iconenwijding

Hoofdgedachten van de liturgie der iconenwijding

 

mandylion 16 augustus.jpg

 

Het wezen van de icoon wordt ons het duidelijkst bij de liturgie van de iconenwijding, dat wil zeggen de door de priester verrichte gewijde handeling, waardoor een geschilderde icoon geschikt gemaakt wordt voor kerkelijk gebruik. Deze wijding is beslist noodzakelijk, want zij is de kerkelijke bevestiging van de identiteit tussen de geschilderde beeltenis en het hemels oerbeeld. De huidige liturgie van de iconenwijding vertoont nog duidelijk sporen van de conflicten, die in de tijd van de Beeldenstorm in de Kerk gewoed hebben. Ook in de 7e en de 8e eeuw hadden de tegenstanders van de heilige afbeeldingen zich vooral beroepen op het tweede van de tien geboden (Ex.20,4) : “Gij zult U geen godenbeelden maken, noch enig beeld van wat in de hemel daarboven, op aarde beneden, of in het water onder de aarde is !”, en zij hadden in de verering van afbeeldingen in de orthodoxe kerk een vergrijp gezien tegen het uitdrukkelijk verbod van God. Volgens hun opvatting hield de verering van de afbeeldingen in, dat daardoor God tekort wordt gedaan in de eer, die hem alleen toekomt. Op beide argumenten nu gaan de gebeden en lofzangen van de iconenwijding in. In het openingsgebed richt men zich namelijk tot God en laat dan duidelijk uitkomen, dat deze met zijn verbod alleen het vervaardigen van afgodsbeelden heeft bedoeld.”Gij hebt door een gebod verboden, afbeeldingen en gelijkenissen die U, de ware God mishagen, te maken om ze als de Heer te aanbidden en te dienen”.  Nadat dit is vastgesteld, wordt er echter met des te meer nadruk op gewezen, dat God zelf heeft bevolen  “beelden op te richten, waardoor niet de naam van vreemde, valse en niet bestaande goden, maar Uw allerheiligste en hoogverheven naam, die van de enig ware God wordt verheerlijkt”. Als zodanig worden vermeld de Ark des Verbonds met de beide gouden Cherubijnen, zowel als de Cherubijnen van verguld cypressenhout, die op Gods bevel aan de tempel van Salomon moesten worden aangebracht. Zo is God zelf na de afschaffing van de valse beelden- en afgodenverering begonnen met het afbeelden van de mysteriën van zijn rijk. De meest verheven afbeelding van zichzelf – zo gaat het wijdingsgebed verder – heeft God tot stand gebracht in zijn vleeswording, door de menswording van zijn Zoon, die het “Beeld van de onzichtbare God “Koll.1,15) is en de “afstraling van zijn Glorie” (Hebr.1,3). God zelf “de beeldhouwer van de hele zichtbare en onzichtbare schepping” heeft zichzelf afgebeeld in Jezus Christus, zijn volmaakte icoon. De menswording van de Zoon is de afbeelding, die God van zichzelf heeft gemaakt. Zo is God zelf de schepper van de eerste icoon, die zich in de gedaante van Christus voor ons mensen zichtbaar maakte.

En nu volgt de meest opvallende en voor ons West- europeanen meest onverwachte zinswending : van Christus zelf namelijk, de afbeelding van de Vader, hebben wij, zo wordt gezegd, een gedetailleerde, “niet door mensenhanden gemaakte” afbeelding, waarop de gelaatstrekken van de Godmens bewaard zijn gebleven. De liturgie zinspeelt hier op de reeds genoemde wonderbare afbeelding, die Christus aan koning Abgar van Edessa zond, evenals op de overlevering van de zweetdoek, waarmee Christus op weg naar Golgotha zijn aangezicht afwiste en waarop op wonderbare wijze de afbeelding van zijn gelaat achterbleef. Christus zelf heeft dus de eerste Christus-icoon gemaakt en daarmee zowel het schilderen van iconen als de iconenverering gewettigd – dit argument gebruikt men dus tegen het eerste bezwaar van de tegenstanders van iconen.

Het tweede bezwaar van de tegenstanders, dat God door de verering van de heilige afbeelding tekort wordt gedaan in de hem alleen toekomende eer, wordt weerlegd door een ander gezichtspunt, dat geheel ontwikkeld is uit de neo-platonische  bespiegeling over de afbeeldingen : “Wij verafgoden de iconen niet, maar weten, dat de eer, die aan de afbeelding bewezen wordt, opstijgt naar het afgebeelde wezen”. Niet de afbeelding als zodanig is voorwerp en ontvanger van de aanbidding, maar het afgebeelde wezen, dat er in “verschijnt”. Zo vindt men in de gebeden om voorspraak de uitdrukkelijke bede, dat de afbeeldingen niemand in de verleiding mogen brengen, de aan God alleen als de oorsprong van alle heiligheid toekomende verering op zichzelf te betrekken.

Uit :  Ernst Benz : De Oosters orthodoxe kerk, Aula boeken pp. 18-20

Heilige Amandus

Heiligenleven

De heilige Amandus

 

 

amandus3658.jpg

Bij de dood van de heilige Jean L’Agneau in 637, duidde koning Dagobert Amandus aan om hem op te volgen. De heilige Amandus is één van de meest voorname Belgische heiligen, en het belang van zijn apostolaat is ontzaglijk. Het is een diep menselijk leven, gans verschillend van de traditionele hagiographie, waar men slechts rekening houdt met hun deugden, succes en mirakels. Voor Amandus, wij kennen zijn tegenslagen, zijn vrees, zijn  afschuw, zij ziels gesteltenis. Hij is één van de heiligen van deze periode die het meest bekend is, en één die het dichts bij ons staat.

Amandus werd geboren te Herbauge, bij Nantes, de 7e mei 594. Zijn ouders waren van voorname afkomst, verschillende bronnen vermelden dat zijn vader hertog van Aquitaine was. Maar Amandus verzaakte reeds heel vroeg aan de dingen van de wereld. Amandus verliet het ouderlijk huis en trok zich terug in een  monasterie dat gebouwd was op een eiland dicht bij La Rochelle. Maar zijn vader vond hem terug en dwong hem het religieuze habijt te verzaken. Hij bedreigde hem om hem te onterven indien hij aan zijn verlangens weigerde te voldoen. Amanus bleef vastbesloten, en om niet langer strijd  te moeten voeren hiertegen, hernam hij heimelijk de pelgrimsstaf terug op.

Zijn schreden voerden hem eerst naar Tours, waar hij bad op het graf van de heilige Martinus. Hij werd zelfs enige tijd opgenomen onder de clerus van deze kerk. Vervolgens ging  hij, met de zegen van zijn oversten, naar Bourges waar de bisschop Sint Austregisile voor hem een cel bouwde in de omstreken van  de kerk. Amandus verbleef er vijftien jaar, vastend en biddend. Vervolgens besloot hij een pelgrimstocht te maken naar Rome om de graven van de heilige Apostelen Petrus en Paulus te gaan bezoeken. Hij vroeg om een nachtwake mogen  houden bij de graven, maar hij werd weggejaagd als een vuil door de bewakers ! Dit avontuur zal hem trouwens meerdere keren overkomen in zijn leven. Hij mediteerde dan maar op de treden van de basiliek, over de wreedheid  van de mensen tegenover hun gelijken. Amandus had een visioen waarin  de apostel Petrus hem de weg zou tonen naar Belgisch Gallië en hem gelastte om er het woord van God te gaan verkondigen.

Amandus gehoorzaamde en nadat hij in 626 tot bisschop zonder residentie werd gewijd kwam hij in de bossen van het Noorden terecht en ging hij op de eerste plaats naar de oevers van de schelde, dit, vergezeld van enkele gezellen die zich haastten om zich terug te trekken bij de eerste moeilijkheden. Alleen achtergebleven, preekte de heilige in de regio’s Gent en Doornik. Hij vond er een volk dat, nadat ze het christendom hadden aangenomen, teruggekeerd waren tot de valse goden, en zij waren zo woest, dat de priesters niet meer durfden te evangeliseren. Lange tijd bleef Amandus zonder asiel, verlaten van elke kracht van God, overladen met beledigingen door de vrouwen en de  slagen van de mannen, en vele malen in het koude water geworpen van de rivieren.

Er was in die tijd een beruchte rover, genaamd Bavo, afkomstig van Hesbaye, en verwant zoals men zei  met Pepijn van Landen. Hij kende slechts als wet de macht en had geen ander doel in het leven dan zijn passies te bevredigen. Vertrokken uit Hesbaye om in de bossen van Mempisque te gaan roven, maakte hij zich op een dag meester van Amandus, en deze laatste had de besliste wil om hem te bekeren, zonder zich te laten afschrikken door de moeilijkheden. Hij voorzag dat de bekering van zo’n man een belangrijk voorbeeld zou zijn die grote diensten zou kunnen verlenen aan de Heer. De krachtinspanningen van Amandus waren uiteindelijk een succes : Bavo was zich bewust van zijn dwalingen en bekeerde zich. Vanaf dat moment deed hij zijn best om het goede te doen, meer dan toen hij aan zijn passies wilde voldoen. Deze bekering had een enorme weerklank en vele oude gezellen van Bavo begonnen zijn spoor te volgen.

Bavo had afstand gedaan van een deel van zijn goederen aan Amandus, om een kerk op te richten op de plaats waar hij was besmet met zijn misdaden. Deze kerk zal het begin vormen van wat de Kathedraal van Gent zou worden. En Amandus, aangemoedigd door dit eerste succes spande zich in om de mensen uit de omgeving te bekeren die nog altijd de cultus van Mercurius praktiseerden alsook van enkele andere heidense goden. De heilige missionaris deed overal de afgoden vallen en bouwde op de plaatsen waar ze werden aanbeden kerken en monasteria.

Maar er zijn nog andere , veel moeilijker idolen te bestrijden dan het standbeeld van Mercurius : de slechte eigenschappen van Koning Dagobert en zijn hofhouding die niet ophielden het volk te schandaliseren. Amandus nam zich voor de koning en zijn anarchie te berispen. Maar Dagobert, die meer hield van vleierij dan van verwijten, aanhoorde hem niet : hij verwijderde de opdringerige van het hof na hem te hebben geradbraakt met stokslagen, en verbandde hem uit zijn rijk. Amandus was opnieuw alleen en verworpen. Hij ging naar de oevers van de Donau waar hij begon met de slaven te evangeliseren. Maar zijn eeuwige eenzaamheid begon hem zwaar te wegen : Hij ging naar Rome om aan de Paus gezellen te vragen voor zijn evangelisatie reizen. Hij kreeg er verschillende, waaronder een beroemd man omwille van zijn deugdzaamheid, genaamd Landoald, waarvan we nog zullen spreken.

Daarop is Koning Dagobert tot betere gedachten gekomen. Hij huwde de wijze Regentrude met wie hij een kind had (die de Heilige Sigebert zou worden) . Zich de ijver herinnerend van Amandus voor de deugd, verlangde hij dat zijn kind het doopsel zou ontvangen door hem. Hij herinnerde zich toen de ballingschap van de heilige bisschop en hij getuigde van de achting die hij had voor zijn persoon, zoveel als hij had voor zijn raadgevers.

De Heilige Jean l’Agneau is zoals wij hebben gezegd gestorven in 637. Dagobert zette Amandus onder druk om het diocees van Tongeren-Maastricht op zich te nemen ( men bemerkt hier meer en meer in deze tijd de neiging dat de groten van deze wereld tussenbeide kwamen bij de keuze van bisschoppen, in plaats van zich te houden aan een verkiezing zoals in de eerste tijden van de Kerk). Amandus prefereerde om zijn apostolaat in de verschillende streken die hij had geëvangeliseerd voort te zetten, maar hij was bezorgd om opnieuw de veroordeling van de koning te moeten ondergaan. Daarom nam hij uiteindelijk de last die hem werd opgedragen op zich.

Hij was weinig gelukkig, en had dikwijls verdriet door het feit dat grote persoonlijkheden, die hem moesten bijstaan in zijn inspanningen, niet ophielden aanstoot te geven aan het volk door hun gedrag en die ongevoelig bleven aan zijn oproepen tot bekering. Uiteindelijk bleef hij slechts drie jaar op de bisschopszetel. Vervolgens , diep bedroefd dat hij de groten van deze wereld niet kon bekeren, vertrouwde hij de zorgen van zijn diocees toe aan zijn leerling Landoald, en vertrok om het goddelijk woord te verkondigen aan de Gentenaars.

In een eerste periode verliet hij niet geheel het diocees van Tongeren, want hij gaf de raad aan de Heilige Itte, weduwe van Pepijn en haar dochter Gertrude om een monasterie voor religieuzen op te richten te Nijvel. Maar vervolgens, bedroefd door de wanorde die in zijn diocees heerste, droomde hij ervan zijn ontslag te nemen en schreef in die zin aan Paus de Heilige Martinus. Deze laatste bewoog hem om moedig de lasten die inherent zijn aan het episcopaat te verdragen, en raadde hem aan strenger op te treden ten overstaan van de meest harde zondaars.

Amandus moest dus voortgaan met de zware last van het episcopaat, maar hij was niet de man om te verzaken aan een project. Hij keerde dus terug naar zijn lastige taak, en in 650 verkreeg hij uiteindelijk de toestemming om zijn ontslag te nemen. Hij trok zich terug in de eenzaamheid van een klooster, die hij had gesticht te Elnone, vandaag Saint-Amand-les-eaux, op enkele kilometer van Valenciennes. Maar hij kon niet lang genieten van zijn opruststelling en het volgende jaar ontsliep hij als een heilige in de Heer. Men vertelt dat de heilige Aldegonde, op het uur van zijn dood in gebed verzonken voor het altaar van de Maagd van Maubeuge, hem opgenomen zag worden ten hemel, omringt door al diegenen die hij had bekeerd.

Hij wordt vereerd in de bisdommen Brugge, Gent, Doornik, Namen, Luik en Mechelen. Vele dorpen dragen zijn naam : Saint-Amand-lez-Fleurus, Sint Amand in vlaams Brabant en Sint Amandsberg. De gedachtenis van de heilige Amandus is zeer sterk aanwezig, zowel bij de orthodoxen als bij de katholieken. Van orthodoxe zijde is een fresco van hem te zien in de Kerk van de heilige apostel Andreas te Gent, een ander in de parochie van de heilige Silouan en sint Martinus te Brussel, en een derde in de koptische parochie van Rijsel. Een zeer mooie icoon die hem voorstelt samen met sint Bavo, is gerealiseerd door een belg van griekse afkomst Michel Kramboussanos. Zij is de eigendom van een parochiaan van de kapel van de orthodoxe parochie van alle heiligen van Rusland te Ottignies. Een andere icoon waarop hij alleen wordt voorgesteld is te zien in de kerk van de orthodoxe parochie van de heilige Amandus te Kortrijk, en een  reproductie van dezelfde icoon is te zien in de parochie van de heilige Silouan en Sint Martinus te Brussel. Ten slotte, nog een andere stelt hem voor samen met de heilige Baudemond, in de coptische parochie van Rijsel.

Van katholieke zijde gaat er elke eerste zondag van september een processie uit in een vlaamse plaats die zijn naam draagt : Sint Amand. Veel kerken zijn aan hem toegewijd zowel in Vlaanderen als in Wallonië. De heilige Amandus wordt aanroepen voor de genezing van een huidziekte (ziekte van de huid)

Uit. Saints et saintes de Belgique au premier millenaire – Jean Hamblenne, p.101-105

Feest van de Transfiguratie van Christus

TRANSFIGURATIE VAN ONZE HEER EN GOD EN VERLOSSER JEZUS CHRISTUS

 transfiguration 6 aug..jpg

Lezingen :

2 Petrus 1,10-19:

Daarom, broeders en zusters, doe uw best om steeds meer aan Gods roeping en uitverkiezing te beantwoorden. Als u zo handelt, zult u nooit ten val komen, en wordt u royaal toegang verleend tot het eeuwige koninkrijk van onze Heer en redder Jezus Christus.

Trouw aan de traditie
     Ik zal dan ook niet ophouden u deze dingen in herinnering te brengen, ofschoon u ze weet en vast staat in de waarheid die u hebt ontvangen. Maar zolang ik nog woon in de tent van mijn lichaam, voel ik me verplicht om uw geheugen op te frissen. Ik weet dat deze tent weldra wordt neergehaald; onze Heer Jezus Christus heeft het mij gezegd. Maar ik zal ervoor zorgen, dat u zich dit alles ook na mijn heengaan telkens opnieuw voor de geest kunt halen.
      Toen wij u de macht en de komst van onze Heer Jezus Christus verkondigden, beriepen wij ons niet op vernuftig bedachte mythen  maar wij spraken als ooggetuigen van zijn glorie.Want Hij heeft van God de Vader eer en verheerlijking ontvangen, toen door de verheven majesteit dit woord tot Hem gericht werd: ‘Dit is mijn geliefde Zoon; luister naar Hem.’  En deze stem hebben wij zelf uit de hemel horen klinken, toen wij met Hem op de heilige berg verbleven.  Hierdoor kreeg voor ons het woord van de profeten nog meer gezag. Ook u doet er goed aan dat in acht te nemen: het is de lamp die licht verspreidt in een donkere ruimte, tot het ogenblik dat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw hart.

EVANGELIE : Matth.17,1-9

Jezus met Mozes en Elia
Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en diens broer Johannes met zich mee een hoge berg op, waar Hij met hen alleen was. Voor hun ogen veranderde Hij van gedaante. Zijn gezicht ging stralen als de zon en zijn kleren werden wit als licht. Opeens verschenen hun Mozes en Elia, in gesprek met Hem. [ Petrus zei daarop tegen Jezus: ‘Heer, het is maar goed dat wij hier zijn. Als U wilt, zal ik hier drie hutten maken, voor U een en voor Mozes een en voor Elia een.’  Hij was nog niet uitgesproken of daar kwam een lichtende wolk die hen overdekte, en opeens klonk er een stem uit die wolk: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, in wie Ik vreugde vind. Luister naar Hem.’  Toen de leerlingen dat hoorden, wierpen ze zich op de grond en werden ze vreselijk bang.  Jezus kwam naar hen toe, raakte hen aan en zei: ‘Sta op en wees niet bang.’ Toen ze hun ogen opsloegen, zagen ze niemand meer dan Jezus alleen.
      Terwijl ze van de berg afdaalden, gebood Jezus hun: ‘Vertel niemand van dit visioen voordat de Mensenzoon uit de doden is opgewekt.

Simeon de Nieuwe Theoloog : Jezus raakte hem aan en sprak …..

H. Simeon de Nieuwe Theoloog (ca.949-1022), Griekse monnik
Hymne 30

“Jezus raakte hem aan, en sprak: Ik wil; word gereinigd”

 

Simeon de neuwe theoloog + basilios.jpg
Simeon de nieuwe theoloog en Basilios de Grote

Voordat het goddelijk licht brandde,
kende ik mezelf niet.
Ik zag me toen in de duisternis en in de gevangenis,
opgesloten in een modderpoel,
bedekt met vuil, gewond, mijn lichaam opgezwollen…,
ik ben aan de voeten gevallen van degene die me verlicht heeft.

En degene die me had verlicht raakt met zijn handen
mijn hechtingen en mijn wonden aan;
daar waar zijn hand en waar zijn vinger komt,
vallen weldra mijn hechtingen,
de wonden verdwijnen, en alle vuil.
Het vuil van mijn lichaam verdwijnt…
zodat hij het gelijk aan zijn goddelijke hand maakt.
Merkwaardig wonder: mijn vlees, mijn ziel en mijn lichaam
nemen deel aan de goddelijke heerlijkheid.

Vanaf mijn reiniging en de bevrijding van mijn hechtingen,
is hij het die me een goddelijke hand reikt,
hij trekt me geheel uit de modderpoel,
hij omhelst mij, hij werpt zich om mijn nek,
hij bedekt me met kussen (Lc 15,20).
En ik, die totaal uitgeput was
en die al kracht had verloren,
wordt door hem op de schouders genomen (Lc 15,5),
en hij neemt me mee uit mijn hel…
Het is het licht dat me meeneemt en me ondersteunt;
ze neemt me mee naar een groot licht…
Hij laat me schouwen door welke vreemde omvorming
hijzelf mij heeft omgevormd (Gn 2,7) en mij aan de vergankelijkheid heeft onttrokken.
Hij heeft mij de gave van een onsterfelijk leven gegeven
en heeft mij bekleed met een onsterfelijk en lichtend kleed
en heeft mij sandalen, een ring en een kroon gegeven
die onvergankelijk en onsterfelijk zijn. (Lc 15,22)

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

In memoriam : Dom André Louf

In memoriam

Dom André Louf ocso

(1929-2010)

 

a-louf.jpg

 

 

Dom André Louf stierf op 12 juli en werd twee dagen later in de abdij waar hij als achttienjarige intrad, begraven. We wisten dat hij onlangs vanuit Zuid-Frankrijk naar een ziekenhuis in Bailleul, nabij de abdij van de Catsberg, was overgebracht. Zijn einde was in zicht. Nu is het zover. Een vaderlijke vriend, abt en kluizenaar, een creatief schrijver en uitnemend vertaler, geestelijke begeleider en inspirator van zovelen, een vurige oecumenist in gesprek met de orthodoxen vooral, is van ons heengegaan. Diamant met vele facetten, straalde hij met zijn rijk getalenteerde persoonlijkheid ver buiten de monastieke kringen. Zelfs de universiteit van Louvain-la-Neuve erkende zijn gezag toen ze hem in 1995 tot doctor honoris causa maakte. Heel zijn leven werd hij evenzeer naar de publieke markt als naar de barre eenzaamheid van de woestijn getrokken. Hij maakte keuzes en hij werd gekozen. Man van smaak zocht hij nooit het banale op, wel het unieke. Maar meer dan eens in zijn leven verliep het nog anders dan hij verhoopte. Zijn vroege trek naar kluizenaarschap kreeg plots een heel andere wending toen hij op 33-jarige leeftijd tot abt van zijn gemeenschap werd verkozen. Na tien jaar meende hij zijn ontslag als abt te kunnen indienen maar de algemene overste van de orde dacht er anders over. Toen hij dan toch – na 35 jaar abt – zich in 1998 kon terugtrekken, hoopte hij kartuizer te worden. Maar daar werd het hem niet toegestaan… Een benedictijner zustergemeenschap in Zuid-Frankrijk nodigde hem echter uit: hij mocht bij hen aan de rand van de gemeenschap die uit zusters en broeders bestond, een leven in een kluis leiden. De stal van een gestorven ezel werd voor hem tot kluis omgebouwd… Daar ontpopte hij zich tot een bedrijvige vertaler: heel Ruusbroec maakte hij toegankelijk in het Frans, met een bijzonder aanvoelen van het taaleigen van de Vlaamse mysticus. Daarna kwam Isaak de Syriër aan de beurt. Daar leverde hij pionierswerk door in samenwerking met Sabino Chialà uit Bose nog onuitgegeven teksten voor het eerst in het Frans te vertalen. Ook uit het Russisch vertaalde hij een hele studie over Isaak geschreven door zijn orthodoxe vriend Mgr Ilarion Alfayev. Niet eens alles van wat hij vertaalde is reeds gepubliceerd. Postuum verschijnen straks nog meerdere geschriften, onder meer van een ander, nog onuitgegeven Syrische Vader, Simon van Taibouteh (8e eeuw). Enkele jaren terug publiceerde Stéphane Delberghe enkele gesprekken met dom André. Deze werden prompt in het Nederlands vertaald (Met Gods genade, Lannoo 2002). Ook Leo Fijen (Kruispunt, Nl.) slaagde erin met heel zijn cameraploeg tot in de kluis van dom André binnen te dringen en hem te ondervragen. Dit zijn zeer recente beelden van de man: hij  liet alles zien, zo maar, ongeremd maar wat geen mens kan filmen bleef ook verborgen. Iedere nacht stond hij op, zo vertelde hij, en dan zat hij daar te bidden, met of zonder boek, met of zonder woorden, twee drie uur lang. Secretum meum mihi. Mijn geheim blijft het mijne… De innerlijke weg die deze uitzonderlijke gestalte in het geestelijke landschap van het Westen volgde, met vallen en opstaan, met liefde en met leed, getekend door ontgoochelingen en aanvechtingen zowel van buiten als van binnen, blijft meer verborgen dan openbaar. Hij was een zoeker die andere zoekers aanmoedigde, als stonden we in onze generatie terug aan het begin van de weg. ‘Ook wij trappisten weten niet meer wat de nachtwake is, we moeten het herontdekken, met trial and error’. Als zoeker – hij die als abt ’s nachts opstond en orgel speelde in de abdijkerk – liep hij meer dan eens vast in zijn edelmoedigheid en moest dan noodgedwongen op zijn stappen terugkeren. Zijn eerste voorstelling van het trappistenleven was heldhaftig: hoe meer inspanning, zweet en tranen, hoe beter. Tot zijn lichaam hem signaaltjes gaf van totale uitputting. Dit werd het begin van een diepe bevraging. Zal de genade een kans krijgen in een o zo edelmoedig leventje? De kentering werd een radicale verzoening met het armste eerst in de mens. ‘Ik ben gekomen niet om rechtvaardigen te roepen maar zondaars’. Dat woord van Jezus heeft niemand in onze generatie met zoveel kracht nieuw leven ingeblazen als dom André. Zijn vele bijdragen over geestelijke begeleiding vertrekken telkens van dat ene inzicht: verwacht het niet van je inspanningen maar laat je beminnen door de Liefde die eerst is. Vanuit zo’n intuïtie ging ook de poort open naar de Syrische Vaders en vooral naar Isaak de Syriër en later naar Simon van Taibouteh. Twee jaar geleden nog sprak hij in Gent over die Simon, en het laatste citaat dat hij toen als een zegel op het geheel aanhaalde betrof die hem zo dierbare thematiek: ‘Het gebed van een zondaar met vermorzeld hart, wiens geweten zich vernedert als het. zich aan zijn fouten en zwakheden herinnert, is beter dan het gebed van een verwaande rechtvaardige, opgeblazen als hij is wanneer hij aan zichzelf denkt, die te paard zit op de hovaardigheid, wiens houding hoogdravend is omdat hij zich inbeeldt een geestelijke trap bereikt te hebben. Wanneer een zondaar zich van zijn zwakheden bewust is en berouw begint te voelen, is hij een rechtvaardige maar wanneer een rechtvaardige in zijn geweten overtuigd is van zijn rechtvaardigheid, is hij een zondaar’ Zijn vele talenten konden hem parten spelen, dat gaf hij zelf toe. Men stuurde hem naar Rome om bijbelstudie te doen. Hij werd exegeet maar zijn exegetische vorming met kennis van meerdere oude talen maakte van de Schriften een studieboek vol linguïstische raadsels. Hij liep vast. De ware lectio divina van monniken lukte niet meer. Tot zijn geluk kreeg hij dan de redactie van het tijdschrift Collectanea Cisterciensa toevertrouwd. Dit bracht hem binnen in de wereld van Bernardus en Willem van St Thierry. Hier ontdekte hij opnieuw die andere omgang met het schriftwoord als openbaring, als evenement. De lezing van Karl Barth (Dogmatik I) had, net daarvoor, de schok bewerkt: het Woord Gods is een doorbraak, een bevruchtend gebeuren in het hart van de mens die luistert. Veel van zijn mijmeringen en beschouwingen over het Woord Gods ontspringen aan die krachtige intuïtie van toen. Zijn allereerste publicatie, Heer, leer ons bidden, (Lannoo 1971, in meer dan tien talen vertaald), getuigt van die ontdekking. Zelf bekende hij dat hij als abt weinig tijd had om nog te lezen, met name exegetische literatuur. Wel gaf hij wekelijks op zondag een homilie in de gemeenschap. Dat was gebruikelijk op de Catsberg (niet op feestdagen, wel op zondag). ‘Datbereid ik goed voor. Ik plaats mij onder het Woord en ik deel aan mijn broeders mee waar ik voor het ogenblik geestelijk aan toe ben’. Dit is voor mij nog steeds een van de meest treffende definities van wat een homilie kan zijn. Vrienden bundelden deze homilieën en deze werden dan ook onder meer in het Nederlands vertaald. Hij werd abt juist midden het concilie Vaticanum II. De hele orde en elke abdij werden uitgenodigd de liturgie in nieuwe vormen en andere talen, laat staan met nieuwe muziek uit te rusten. Hij stond midden in die branding, dacht veel na over wat liturgie was en vandaag nog kon zijn in het leven van een monnik. Hij schreef zeer vaak over die thema’s. Ook hier kwamen vooral Syrische teksten hem inspireren, wanneer ze spreken over de tempel van het hart. Zijn denken cirkelde rond de innerlijkheid, de inwoning van de Geest met zijn ingevingen en het vieren in een verstild gemoed tot het gebed één wordt met de geest en constant murmelt in een arm, gebroken hart. Hij kende het hesychasme van het Oosten maar had ook in het Westen oude teksten teruggevonden die het huis Gods nergens elders plaatsen dan in het hart, zonder gedachten of beslommeringen van buiten af. In zijn meest synthetische presentatie van het monastieke leven, La voie cistercienne. A l’école de l’amour (DDB 1980) werkte hij die thema’s uit en citeerde een hele dialoog, anoniem bewaard, uit de 12e eeuw over ‘het innerlijke huis’ (de dom
o interiori seu conscientia
, p. 108-117). Zijn laatste publieke conferentie in Gent (juni 2008) bespeelde precies dit grote thema: De liturgie van het hart. De. Hij bracht die op een late avond met bijzondere kracht naar voor, als klonk innerlijke mens hier zijn testamentaire afscheidsrede (zie Heiliging 2008, p. 80-96). Ook de oecumene beleefde hij vanuit het hart. Hij was diep overtuigd dat de ontmoeting met de orthodoxie, als we ons begeven op het niveau van het vermorzelde hart, ‘de ene ongescheiden Kerk’ (Olivier Clément) terug tot leven kon brengen, in afwachting dat we tot in het sacramentele leven ook samen het heilige brood en de wijn konden delen. Zijn pelgrimstocht naar de Athosberg en naar Roemenië in 1969 had hem die ervaring op uitmuntende wijze gegeven. Hoezeer ook kerkelijk en dogmatisch gescheiden, toch is gebleken dat er geestelijk een wederkerige ervaring mogelijk was, met name op het moment dat dom André zelf aan een vader om leiding vroeg. Na een aarzeling gaf de ander zich gewonnen aan dit moment van genade en de westerse monnik ontving van zijn oosterse vader een woord van licht dat, zo bekende hij later, hem heel zijn leven is blijven vergezellen. Armoede, nederigheid, gebroken hart en rouwmoedigheid: in die richting concentreerde zich zijn aandacht steeds meer. Was hij soms kerkpolitiek een uiterst goed geïnformeerde gezagsdrager in de orde en zelfs daarbuiten, deze belangstelling taande met de jaren weg. Het zwaartepunt was verlegd zoals ook uit de beelden op Kruispunt met Leo Fijen te zien was. Wie hem de laatste jaren van dichterbij mocht naderen, kon opmerken hoe hij nu en dan behoorlijk in de war kon zijn, zonder daarom zijn glimlach te verliezen. Het grote in zijn leven als geheel is dat zijn weg, gewild en ongewild, hem bracht tot die vrede van het hart en tot die armoede van geest die hij in al zijn werken over meer dan veertig jaar telkens weer verkondigd had. Hij stierf als een arme, een ‘armen dwaas’ volgens de zelfduiding van Guido Gezelle, maar wel ten diepste verzoend in het meest schamele van zijn menszijn. Een groot meester, lichtbaken voor ontelbaren, heeft zijn cel en kluis gewisseld voor de hemelse gemeenschap der armen, der heiligen. Wat hij als lichtende afgrond van Barmhartigheid elke nacht opnieuw opzocht, mag hij nu van ‘gelaat tot gelaat’ aanschouwen. En wij geloven dat hij, zoals voordien, ook nu nog en vrijer dan ooit voor ons ten beste zal spreken, arm voor de armen.

Br Benoît Standaert osb

Heiligenleven : Bavo van Gent

Heiligenleven

Heilige Bavo

 

Bavo van Gent.jpg

 

 

Bavo (of Allowinus) was een schurk. Geboren te Hesbaye, leidde hij een leven van genot en roverij. Alhoewel hij verwant was met Pepijn van Landen, liet hij zich gaan in alle ondeugden en hij kende geen andere wetten dan de kracht en het plezier. Hij was overal gevreesd voor zijn opvliegendheid en zijn geweld. Hij was altijd in conflict met zijn buren, hij vond er het grootste plezier in  om naar verre streken te vertrekken om er zich van een buit meester te maken. Deze levensstijl wijzigde weinig na zijn huwelijk in 624 met de dochter van de graaf Odilon, een vrome en zachte christene die hem een kleine dochter schonk, de later heilige Agletrude.

Op een dag ontmoette hij de heilige apostel Amandus. De grote heilige nam hem voor om Bavo te bekeren. Hij gebruikte hiervoor alle middelen die hem nodig leken, en zijn inspanningen leken hem niet niet verloren : de dood van zijn vrouw deed hem de ogen openen voor zijn toestand, en hij besloot van leven te veranderen. Het was een volkomen personnage : hij legde zoveel ijver aan de dag om het goede te doen. Weldra werden de jonge libertijnen die zijn gezellen waren geweest in het kwade bekeerd door hem die hen eertijds in het kwade had binnengeleid.

Wanneer de dochter van Bavo, Adeltrude haar leven aan de Heer had gewijd, voelde Bavo geen banden meer met deze wereld en hij ging naar Gent om zich in dienst te stellen van zijn meester Amandus, en dit nadat hij al zijn bezittingen aan de armen had uitgedeeld. Bijgestaan door deze schitterende redenaar kon Amandus het verdwaalde volk tot de religie brengen. Bavo trok zich vervolgens terug in een monasterie dat hij samen met de heilige Amandus had gesticht, en waarvan de heilige Floribert de leiding had. Gedurende de tijd dat hij zich overleverde aan de grootste strengheid zag hij op een bepaalde dag een man naar zich toe komen die zijn slaaf was geweest, die hij hard had aangepakt en tenslotte verkocht. Bavo liet zich voor zijn voeten vallen, hij herinnerde hem eraan dat hij hem had verkocht en geslagen met riemen, hem geslagen had met de roede en hem in het gevang had geworpen, en smeekte de man hem vast te binden en hem de haren af te scheren. De man antwoordde dat hij nooit zo iets zou durven doen. Maar Bavo was zo overtuigend dat de man hem vastgreep, hij bond Bavo vast, schoor hem het haar af, sloeg hem en leidde hem naar de publieke gevangenis waar hij meerdere dagen verbleef, aldus de woorden van het Magnificat illustrerend: “Machtigen haalt hij neer van de troon, en hij verheft de nederigen”. Dit feit toont ons op welk punt van het christelijk leven en het monastieke leven de zeden van de barbaren van die tijd veranderden.

In het monasterie zelf leefde Bavo in de grootste strengheid. Hij sliep op de grond met een steen als hoofdkussen. Maar dit leven scheen hem nog te licht en hij ging enkele tijd leven in het nabijgelegen bos. Hij had slechts als verblijf de holte van een grote boom. De plaats waar hij zich terugtrok had de naam van Bellebosch, dicht bij Turnhout. Zijn gezellen drongen er op aan naar het monasterie terug te keren, hij aanvaardde dit enkel onder voorwaarde dat men voor hem een cel zou bouwen waar hij kon leven in volstrekte eenzaamheid. Men maakte dus voor hem een kleine plaats die geheel gesloten was en die gelegen was direct aan de kerk, met een venster door dewelke Bavo de mis kon bijwonen, de heilige communie ontvangen en enkele aardse voedselen. Men citeert eveneens een verbazingwekkend mirakel van de heilige Bavo :  hij had een voerman terug tot leven gebracht, genaamd Attinus. Hij was van zijn kar gevallen toen hij bezig was om materialen aan te voeren voor de bouw van zijn cel.

Hij stierf in vrede in zijn ermitage de 1e oktober in het midden van de zevende eeuw, en zijn relieken werden overgebracht naar de abdij die later zijn naam zou dragen. Zij bevinden zich momenteel voor een gedeelte in de Gentse kathedraal en voor een ander deel in Haarlem in Nederland. Vele kerken dragen in Vlaanderen zijn naam. Men viert hem de 1e oktober en hij wordt vereerd in de bisdommen Gent en Mechelen. Zijn icoon bevindt zich in de orthodoxe kerk van de heilige Andreas te Gent alsook bij een parochiaan van de  kapel van alle heiligen van Rusland te Ottignies.

Uit : Saints et Saintes de Belgique au premier Millenaire pp.140-142

Vertaling : Kris Biesbroeck

10e zondag na Pinksteren : de genezing van de maanzieke

 10e zondag na Pinksteren

 ‘de genezing van de maanzieke’ (bezetene)

 

 (Geen liturgie in de parochie van Gent)

maanzieke.jpg

miniatuur uit een middeleeuw handschrift

EERSTE LEZING : 1 Kor.,4.9-16

 Maar volgens mij heeft God ons, apostelen, de laagste plaats toegewezen, alsof we ter dood veroordeeld zijn. We zijn voor heel de wereld, zowel voor engelen als mensen, een schouwspel geworden.  Wij zijn dwaas omwille van Christus, terwijl u dankzij Christus zo geweldig wijs bent; wij zijn zwak, terwijl u zo geweldig sterk bent; u staat enorm in aanzien, terwijl wij worden veracht.  Tot op de dag van vandaag lijden we honger en dorst, hebben we nauwelijks kleren, worden we mishandeld, zijn we dakloos,  zwoegen we voor ons eigen brood. Worden we bespot, dan zegenen we; worden we vervolgd, dan verdragen we het;  worden we beledigd, dan antwoorden we vriendelijk. Tot op dit ogenblik zijn wij het uitschot van de wereld, het uitvaagsel van de mensheid. Ik schrijf dit alles niet om u te beschamen, maar om u als mijn geliefde kinderen terecht te wijzen.  Hoeveel opvoeders in het geloof in Christus u ook zult hebben, u hebt maar één vader. Door Christus Jezus ben ik uw vader geworden, omdat ik u het evangelie heb gebracht.  Ik roep u dus op mij na te volgen.

EVANGELIE: Matth.,17.14-23

Gebrek aan geloof

 Toen ze zich weer bij de mensenmassa voegden, kwam er iemand naar hem toe die voor hem op zijn knieën viel  en zei: ‘Heer, heb medelijden met mijn zoon, want hij is maanziek en lijdt daar erg onder; hij valt dikwijls in het vuur of in het water.  Ik heb hem bij uw leerlingen gebracht, maar zij konden hem niet genezen.’  Jezus antwoordde: ‘Wat zijn jullie toch een ongelovig en dwars volk, hoe lang moet ik nog bij jullie blijven? Hoe lang moet ik jullie nog verdragen? Breng hem bij me.’  Daarop sprak Jezus de demon op strenge toon toe. Deze ging uit de jongen weg, en vanaf dat moment was hij genezen.  Later kwamen de leerlingen naar Jezus toe. Eenmaal met hem alleen vroegen ze: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’  Hij antwoordde: ‘Vanwege jullie gebrek aan geloof. Ik verzeker jullie: als jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, dan zullen jullie tegen die berg zeggen: “Verplaats je van hier naar daar!” en dan zal hij zich verplaatsen. Niets zal voor jullie onmogelijk zijn.’  Andere handschriften hebben een extra vers: ‘ Dit soort kan alleen door gebed en vasten worden uitgedreven.’ Terwijl ze door Galilea trokken, zei Jezus tegen hen: ‘De Mensenzoon zal uitgeleverd worden aan de mensen.  Die zullen hem doden, maar op de derde dag zal hij uit de dood worden opgewekt.’ Dit maakte hen zeer bedroefd.

COMMENTAAR OP HET VERHAAL :

 KLEIN GELOOF
De tweede maat van geloof is “kleingeloof”. In Mt.17 lezen wij het verhaal van een wanhopige vader. Zijn zoon is bezeten door een boze geest die de jongen dikwijls in het vuur doet vallen en dikwijls in het water. Marcus voegt daaraan toe dat van kinds af aan: 9:18 “waar (de boze geest) hem aangrijpt, werpt hij hem op de grond; en hij heeft het schuim op de mond, en hij knerst met zijn tanden en verstijft.”. En Lucas schrijft dat de boze geest de jongen grijpt “en dan schreeuwt hij plotseling en hij doet hem stuiptrekken, … en als hij hem mishandelt, laat hij hem nauwelijks los.” – kortom: een hoopje hopeloze ellende. De vader wil Jezus vragen om zijn bezeten zoon te bevrijden. Maar wanneer hij aankomt, ontdekt hij dat Jezus gisteren met Petrus, Johannes en Jacobus de verheerlijkingsberg beklom. De negen overgebleven discipelen proberen het klusje zelf te klaren, maar het lukt hun niet om de boze geest uit de bezeten jongen te drijven. Gelukkig keert Jezus op tijd bij Zijn discipelen terug. De vader: Mt.17:14-20a “kwam tot Hem, knielde voor Hem neder, en zeide: 15 Here, heb medelijden met mijn zoon, want hij is maanziek en hij is er slecht aan toe; want dikwijls valt hij in het vuur en dikwijls in het water.”. Matteüs, Marcus en Lucas verslagen alle drie wat de wanhopige vader dat aan Jezus zegt: “16 … ik heb hem naar uw discipelen gebracht en zij hebben hem niet kunnen genezen.” “17 Jezus antwoordde en zeide: … Breng hem Mij hier. 18 En Jezus bestrafte hem en de boze geest ging van hem uit, en de knaap was genezen van dat ogenblik af. 19 Toen kwamen de discipelen bij Jezus en zeiden, toen zij met Hem alleen waren: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven? 20 Hij zeide tot hen: Vanwege uw kleingeloof.”. De discipelen staan tegelijk in verwondering en in verwarring. Boze geesten uitdrijven is veel moeilijker gebleken dan zij dachten. De vader van de bezeten – nu bevrijdde – knaap heeft gelijk: zij hebben het niet gekund. Hoe komt het dat wat voor de discipelen een onmogelijke opgave was, voor Jezus maar een klein kunstje bleek te zijn? Zij willen graag weten hoe het komt dat het Hem lukt en hun niet: “Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven?”. Jezus’ antwoord: “Vanwege uw kleingeloof.”!

Wat is “kleingeloof”? Wanneer is ons geloof te klein? Het Marcusevangelie verslaat het gesprek tussen Jezus en de vader van de bezeten jongen vollediger. De vader zegt aan Jezus: v.22b “als Gij iets kunt doen, help ons en heb medelijden met ons!”. Jezus antwoordt: vv.23-24 “Als Gij kunt! Alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft. 24 Terstond riep de vader van de knaap uit en zeide: Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!”. Ik denk dat de vader van de bezeten knaap ons toont wat klein geloof is, nl. geloof dat met twijfel gepaard gaat; geloof dat niet zeker is. Echt geloof: Hebr.11:1 “is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet.”, of, zoals “Het Boek” dit vers prachtig vertolkt: “de absolute zekerheid dat onze hoop ook werkelijkheid wordt en het is het bewijs van dingen die wij niet kunnen zien.”. De NBV geeft het nog anders weer: “Het geloof legt de grondslag voor alles waarop we hopen, het overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien.”. De vader van de bezeten jongen heeft zeker geloof. Hij gelooft wellicht dat boze geesten kunnen worden uitgedreven, en dat Jezus dit ook kan, want anders was hij niet met zijn zoon om hulp komen vragen. Maar nu het de discipelen van Jezus niet gelukt is om hem te helpen, twijfelt hij. Laten wij ons geloof ook soms beïnvloeden door het “succes” van medegelovigen? Als een voorganger of een oudste voor een zieke bidt, en wij de zieke niet zien genezen, laten wij ons ontmoedigen om voor ons te laten bidden? I.a.w.: stellen wij te veel vertrouwen op het “personeel” van de Heer dan op de Heer Zelf? Zo ja, lijden wij aan klein geloof.

 

Gregorius van Nazianze : Kom naar het licht

H. Gregorius van Nazianze (330-390), bisschop en Kerkleraar
Hymne 32 ; PG 37, 511-512

Kom naar het licht

gregorius-van-nazianze23.jpg
Wij zegenen U, Vader van de lichten,
Christus, Woord van God, schittering van de Vader,
Licht van licht, en bron van licht,
Geest van vuur, adem van de Zoon en van de Vader.

Heilige Drie-eenheid, ongedeeld licht,
U verdrijft de duisternis om te scheppen
Een wereld vol van licht, orde en schoonheid,
Die uw gelijkenis draagt.

Met rede en wijsheid verlicht U de mens,
Hem verlicht U met het zegel van uw Beeld,
Opdat hij in uw Licht, het licht ziet (Ps 37,10),
En opdat alles licht wordt.

U laat talrijke lichten aan de hemel stralen,
Bedoeld voor de dag en de nacht
Om samen de tijd te verdelen,
Rustig om de beurt.

De nacht maakt een einde aan het werk van het vermoeide lichaam.
De dag roept op tot het werk waar je van houdt,
En leert ons om de duisternis te ontvluchten, om ons te haasten
Naar de dag die geen nacht meer zal hebben.

Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

Augustinus : Broederliefde

Broederliefde

Boutons_upimage.jpg

“Wie niet rechtvaardig leeft, is geen kind van God, en allerminst hij die zijn broeder niet liefheeft. Want dit is de boodschap – dat gij vanaf het begin hebt gehoord : dat wij elkaar moeten beminnen” Hier laat Johannes  in zijn eerste brief duidelijk zien hoe hij tot de uitspraak komt dat alwie tegen  het gebod van de broederliefde misdoet, vervalt tot die misdadige zonde, die het kenmer is van hen die niet uit God zijn. “Niet gelijk Kaïn, die een kind van het kwaad was, en zijn broeder vermoordde. En waarom vermoordde hij hem ? Omdat zijn eigen daden slecht waren en die van zijn broer goed. Waar afgunst heerst, is geen plaats voor broederliefde”

 Augustinus : Eenheid en liefde – Augustinus preken over de eerste brief van Johannes. Vertaald door Prof. Dr. T.J.van Bavel. Uitgave Augustijns historisch instituut. P91

bloemenrand2.gif

Heilige Efraïm de Syriër

Heiligenleven

Heilige Efraïm de Syriër

Efraïm de Syriër 111.jpg 

De heilige Efraïm de Syriërwerd in 306 geboren te Nisibis in Mesopotamië. Hij kwam uit een arm gezin en moest in zijn jeugd reeds de kost verdienen als schaapsharder. Eens werd de kudde aangevallen door een overmacht van wolven, zodat ondanks het moedig gevecht van de herders, een aantal schapen gedood en opgevreten werden. In die streek was dat eigenlijk nog nooit voorgekomen en daarom werden de herders niet geloofd. Integendeel, ze werden ervan beschuldigd zelf de schapen geroofd te hebben en ze werden veroordeeld tot gevangenisstraf. In het begin was Efraïm, evenals de anderen, geheel en al opstandig over de schreeuwende onrechtvaardigheid, maar in een droom kwam hem het inzicht dat hij toch in veel andere dingen schuldig stond tegenover God. Daarna aanvaardde hij gelaten de straf.

Toen na enige tijd duidelijk werd dat inderdaad een grote groep wolven de streek onveilig maakte, kwam hun onschuld aan het licht zodat zij vrijgelaten werden. Het gedrag van Efraïm had echter de aandacht getrokken van de priester die belast was met de zorg voor de gevangenen, en deze sprak over hem met de bisschop Jacobos. Deze nam hem toen op in zijn seminarie. Daar bleken al spoedig zijn helder verstand en geestelijk inzicht en nadat Efraïm diaken was gewijd, vergezelde hij zijn bisschop naar het Concilie van Nicea.

Terug in Nisibis werd hem het predikambt toevertrouwd, waarin hij zich op bijzondere wijze ontwikkelde. Hij was een groot dichter en schreef zijn preken in metrische vorm. Ze werden min of meer zingend voorgedragen en daardoor wist hij diepzinnige theologische beschouwingen en opwekkingen tot geestelijk leven aantrekkelijk te maken, ook voor gewone mensen, die hem als een van de hunnen herkenden.

Zijn roem breidde zich uit over heel de christenheid; zijn geschriften werden alom vertaald en gebruikt. Toen Nisibis in 363 door de Perzen was ingenomen werd Efraïm uitgenodigd naar de beroemde theologische school van Edessa te komen. Ook daar zette hij zijn ascetische levenswijze voort en hij vestigde zich in een grot buiten de stad. Hij gaf onderricht aan de studenten die bij hem kwamen, en predikte voor het volk dat aangetrokken werd door zijn roep van heiligheid.

Toen hij ouder werd trok hij nog naar Egypte om de grote woestijnmonniken te bezoeken. Onderweg werd hij door de grote Basilios tot priester gewijd, maar hij heeft nooit de Heilige Liturgie durven vieren, omdat de verhevenheid van dit Mysterie hem zo duidelijk voor ogen stond.

Ook na zijn dood te Edessa, in 373, heeft hij grote invloed uitgeoefend door zijn bijbelcommentaren en liturgische gebeden. Denken we slechts aan dat wonderbare gebed : “Heer en Meester van mijn leven…” dat ons de gehele Vastentijd zo intensief vergezelt (meneon V,82-90)

Bron : Heiligenleven voor elke dag : uitg.orthodox klooster Den Haag