Hilarius van Poitiers : zalig is hij die zich aan Mij niet ergert

 

H. Hilarius (ca 315-367), bisschop van Poitiers, Kerkleraar 
Commentaar op het Evangelie van Mattheus, 11, 3 
“Zalig is hij, die zich aan Mij niet ergert”
  

Hilarion van Poitiers.jpg

Hilarius van Poitiers

   Door zijn leerlingen naar Jezus te sturen, hield Johannes zich bezig met hun onwetendheid, niet met de zijne, want hijzelf heeft verkondigd dat iemand zou komen om de zonden kwijt te schelden. Maar om hen te laten weten dat hij niets anders verkondigd had dan dat, stuurde hij zijn leerlingen naar Jezus om zijn werken te zien, opdat zij autoriteit aan zijn verkondiging zouden geven en dat er geen andere Christus verwacht wordt buiten Degene waarvan zijn werken getuigen.
      De Heer heeft zich geheel geopenbaard door zijn wonderbaarlijke handelingen, namelijk door het zicht aan de blinden te geven, het lopen aan de kreupelen, de genezing aan de melaatsen, het horen aan de doven, het woord aan de stommen, het leven aan de doden, onderricht aan de armen. Hij zei: “Zalig is hij, die zich aan Mij niet ergert”. Kwam er vanuit Christus reeds een handeling die Johannes had kunnen ergeren? Zeker niet. Hij bleef immers bij zijn eigen wijze van onderricht en handelen. Maar men moet de draagkracht en het specifieke karakter van wat de Heer zegt, bestuderen: dat het goede nieuws ontvangen wordt door de armen. Het gaat om hen die hun leven verloren hebben, die hun kruis opgenomen hebben en Hem navolgen (Lc 14,27), die nederig van hart zullen worden en voor wie het koninkrijk der hemelen is bereid (Mt 11,29; 25,34). Omdat het geheel van zijn lijden in eenheid met de Heer was en omdat zijn kruis een ergernis ging worden voor velen, heeft Hij hen -van wie het geloof geen enkele verleiding onderging omwille van het kruis, zijn dood en zijn graflegging- zalig verklaard.
Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

 

Laham : de parochie als eucharistische gemeenschap

 

De parochie als eucharistische gemeenschap

Buiten de eigen specifieke kenmerken van elke parochie, is het voornaamste  kenmerk van elke parochie onze gemeenschappelijke deelname aan de liturgie, onze communio in dezelfde tijdruimtelijke  context aan het Lichaam en bloed van Christus. Het objectief van deze inleiding zal dus zijn , te begrijpen hoe de eucharistie onze gemeenschap oriënteert, ze bijeenbrengt en haar een kracht tot getuigenis geeft.

De term “gemeenschap” betekent “samen verenigd zijn”, een band rond éénzelfde centrum. Dit centrum kan een zelfde belang zijn, een activiteit, een identiteit. De notie van gemeenschap bevat dus zowel een notie van eenheid, maar ook een cirkel, een limiet en dus een kronkel. Vandaag  komt dit veel voor bij gemeenschappen die zich , bijvoorbeeld rond de groepen Facebook verzamelen, de segmenten van de markt die personen hergroeperen die dezelfde koopgedragingen hebben, de blogs die gekenmerkt worden  als zijnde “gemeenschappen”, enz..

Daarentegen bevat het bijvoeglijk naamwoord “eucharistisch” onmiddellijk een notie van openheid die teruggaat op de term “eucharistie”, wat betekent “dank zeggen”, danken – in het bijzonder voor het heilswerk van de Drie eenheid : God wordt mens opdat de mens zou opgenomen worden in Christus, god zou worden, door de genade van de Heilige Geest. Het gaat hier dus om een openheid naar God toe, maar ook impliciet, om een openheid naar al diegenen die dezelfde eucharistie celebreren ( want door te comminiceren aan dezelfde Christus, zijn wij met elkaar verbonden). Door de eucharistie worden wij eenzelfde lichaam en niet alleen op een denkbeeldige wijze : indien een lid lijdt, dan lijden alle leden met hem, om St.Paulus te parafraseren.

Een dubbele beweging van inwendigheid en uitwendigheid

De notie van eucharistische gemeenschap kan ook betrekking hebben op een tweede dynamiek, waar een neerdalende beweging en een sociale – horizontale dimensie elkaar kruisen. Volgens een eerste aanvoelen definieert de eucharistie zich voor alles als een deelname aan het lichaam en bloed van de Verrezene. Mijn persoonlijke ontmoeting met God primeert – de communie wordt het middel waardoor ik gered word. Dit aanvoelen richt zich aldus zo om van de eucharistie een individuele daad te maken, die beantwoordt aan een persoonlijk appèl, als gevolg waarvan ik naar de kerk ga om mij met God te verenigen. Dat mijn medegelovigen dit ook doen is hierbij bijkomstig, ondergeschikt.

Een tweede gevoeligheid zou de neiging hebben om het accent vooral te leggen op het collectieve aspect, op de sociale band. De parochie definieert zich als datgene wat mij aan andere personen bindt in functie van mijn identiteit en mijn religieus toebehoren. Voor mij zal de communautaire geest primeren, de ontmoeting met die of die andere persoon ( en het is anderzijds op deze criteria dat ik zal kiezen naar welke parochie ik ga).

Elk van ons voelt zich meer thuis in deze of die bepaalde gevoeligheid. Het is ook mogelijk dat wij zullen afwisselen en dat wij ons nu eens meer zullen erkennen in de “individualistische” tendens en dan weer in de meer “sociale” dimensie. Niettemin schijnt het dat deze twee “neigingen”, indien zij op een evenwichtige manier worden beleefd in feite complementair zijn en dat zij al hun betekenis geven aan de parochie.

Zoals metropoliet Jean (Zizioulas) ons eraan herinnert in zijn boek L’Eucharistie, l”Evêque et l’Eglise durant les trois premiers siècles (Desclée de Brouwer, coll.”Theofanie”,1994), de gemeenschap met de heilige gaven (verticale dimensie ) is tegelijk een “communio met de heiligen” (’t is te zeggen in brede zin, met alle deelnemers aan het Lichaam en Bloed van Christus). Ons zo tot Christus wenden verplicht ons ertoe ook tot de anderen te naderen(…) In dit verband nodigt de liturgie van de heilige Basilios ons direct na de epiclese uit om deze dubbele communio met God en de andere mensen te vragen :”En allen die aan dit ene brood en deze unieke kelk deelhebben, laten wij ons met elkaar verenigen in de communio van de unieke Heilige Geest”.

De eerste Christenen, een model van eucharistische communio

Het voorbeeld van de eerste christenen, zoals het beschreven staat in de Handelingen der apostelen blijft voor ons het juiste model van de eucharistische gemeenschap. De eerste gedoopten “waren ijverig in de leer van de apostelen, trouw aan de broederlijke liefde, het breken van het brood en het gebed (…) Allen die het geloof bezaten hadden alles gemeenschappelijk. Zij verkochten hun eigendommen en hun goederen en verdeelden alles aan allen volgens hun behoefte. Dag na dag kwamen zij één van hat in de tempel bijeen en braken het brood in hun huizen, namen hun voedsel in blijdschap en eenvoud van hart. En elke dag voegde de Heer diegenen toe die zullen gered worden” (Hand. 2,42-47).

Wij vinden hier de dubbel dynamiek van de christelijke gemeenschap, inwendig en uitwendig, verticaal en horizontaal : essentieel gecentreerd op het Woord en het breken van het brood, ze breidde zich uit zonder ophouden, totaal naar God toe gekeerd geeft zij tegelijk een plaats aan de ander doorheen de vreugde van de gemeenschappelijke maaltijd of de verdeling der goederen.

Anderzijds, karakteriseert deze eerste gemeenschap zich door de diversiteit van zijn “wijzen van zijn” en haar actie gebied : de liturgie, het gebed, de missionaire actie.. In zekere mate schijnt geen enkel aspect van het leven te ontsnappen aan de eucharistische communio.

Van  onze kant past het ons af te vragen of na twee duizend jaar, deze daadkracht van de eucharistische gemeenschap actueel is gebleven en of onze parochies bekwaam zijn de vlam die de eerste christenen deed ontbranden  levendig is gebleven.

De wijzen van zijn van de eucharistische gemeenschap.

Zelfs al kan het banaal schijnen om er aan te herinneren, het Geloof vertegenwoordigt de eerste voorwaarde voor het bestaan van een parochie. Het verschil tussen een parochie en elke andere vereniging is voor alles het Geloof, de aanhankelijkheid aan iets die niet vanzelf gaat, en in feite de aanhankelijkheid aan Iemand, een Gans-Andere. Het lijkt mij dat wij ons altijd zouden moeten afvragen hoe ons geloof te vermeerderen opdat we niet zouden vervallen in een simpel humanisme ( of misschien in het ritualisme). De parochiegemeenschap steunt dus voor alles op mijn geloof, een persoonlijk opgenomen geloof, maar een geloof ook dat ik deel met de andere leden van de gemeenschap. Daarom moet men zich afvragen hoe wij dat geloof in het parochiale leven kunnen uitdrukken, hoe wij de gelijkvormigheid tussen eucharistie en geloof reëel kunnen vestigen. Op deze vragen kunnen twee antwoorden worden gegeven.

Samen zich verenigen en deelnemen aan de liturgie

Het geloof dat “God onder ons” is en dat Hij zich tegenwoordig stelt “telkens wanneer twee of drie in zijn naam verenigd zijn” openbaart zich in het eenvoudige feit om zich een “vergadering” te vormen (wat de betekenis is van de term ‘Kerk’), in wat Vader Alexander Schmemann heeft genoemd “het sacrament van de vergadering” in zijn boek L’Eucharistie, Sacrament du Rouaume (Editions YMCPress/OEIL, coll.”L’Echelle de Jacob”, 1985), , ’t is te zeggen, dit mirakel waardoor “zondige  en onwaardige personen het lichaam van Christus worden”. Als wij  ons geloof manifesteren, een actieradius geven aan God, is het nodig dat wij bijeenkomen om zich tezamen met God te verenigen. Daaruit vloeit de noodzaak voort van een fysieke aanwezigheid in eenzelfde plaats en verder, een bewuste en totale deelname aan de eucharistie van alle gelovigen, van een gemeenschappelijke actie die alle gelovigen betreft (betekenis van het woord ‘Liturgie’).

Elk woord naar God gericht – uitgesproken met verheven stem of in het innerlijk van het hart – is een daad van geloof die de hoop van de bijeenkomst onderhoudt. Wij geloven in het bijzonder dat het gebed in de Kerk, in de bijeenkomst, wordt beluisterd, want mijn persoonlijk geloof wordt er, zo kan men zeggen, vervolledigd en versterkt. Zo bestaan er in de liturgie enkele specifieke momenten waar de gebedsintenties meer uitdrukkelijk zijn, meer particulier, meer gedurfd ook, maar altijd in de onderwerping aan Gods wil. Men kan denken aan de dringende gebeden na het Evangelie, waar wij voor elkaar bidden, voor de naasten van de anderen (de zieken, de zwangere vrouwen, de gestorvenen, enz…). De Grote Intocht of het gebed direct na de épiclese ( bijzonder uitvoerig in de liturgie van de heilige Basilios) zijn andere gelegenheden om tot God onze persoonlijke intenties te richten.

De roeping van elke parochie is zonder twijfel verbonden met de ernst waarop wij deze gebeden beschouwen. Hoe beluisteren wij de soms lange lijst met de namen van de overledenen ? Hoe kunnen wij ons gebed intensifiëren opdat wij de vragen van andere leden van de gemeenschap tot de onze maken ? Kan men ook niet ergens anders gebedsintenties die meer specifiek zijn inlassen? (….)

De missionaire roeping van de parochie

 

Zoals Christus, offert en draagt de eucharistische gemeenschap in de liturgie alle lijden van de wereld op aan de Vader. Verenigt met de glorievolle Christus in het lijden gelooft zij dat zij een boodschap van hoop kan brengen aan de wereld, dit vereist een uitgaan uit zichzelf, een beweging naar buiten toe.

In zijn boek over”Le Mystère de L’Eglise” (Cerf,2003), inspireert Vader Boris Bobrinskoy zich op de bewegingen van het hart om deze realiteit uit te drukken : “ In de hartcontractie(systole) heeft men het opeenhopen, het toestromen van het bloed in het hart. In de distole, de vernieuwing van de lichaamscellen door het bloed, dat zelf vernieuw is door de goddelijke Adem” Zo ook, bij de offerande van de gehele wereld in de liturgie ( in het bijzonder bij de Grote Intocht), correspondeert de offerande  met de wereld van de verkondiging van de blijde boodschap, het getuigenis in onze levens van het bestaan van het Koninkrijk.

Deze beweging van uiterlijkheid vindt haar plaats in het ‘laat ons in vrede heengaan” die, in plaats van de liturgie te sluiten haar werk doet in de wereld –“de liturgie na de liturgie”, ’t is te zeggen onze zending als christen.”Meer dan ooit verwacht onze wereld in crisis (…) van de eucharistische communauteit dit getuigenis van vreugde welke het goede nieuws ons brengt in het Koninkrijk van de Ontmoeting, die alle “aardse voedingsmiddelen”doet verbleken voor de moderne mens die vruchteloos naar zijn absolute dorst hunkert(…) ” aldus Costi Bendaly, libanees orthodox denker die bijzonder heeft bijgedragen  tot de initiële vernieuwing in de Beweging van Orthodoxe jongeren (MJO) in het Midden Oosten.

Deze openheid die zich aan de gelovige opdringt ( en die haar bron put aan het innerlijk leven van de communauteit) kan verschillende vormen aannemen : doorheen de ontmoeting met andere christenen maar ook – en wellicht vooral- met de niet-gelovigen.

De openheid op de anderen

Men kan hier de verschillende vormen van openheid van de parochie in lijst brengen door concentrische vormen, vertrekkend van de personen die dicht bij ons staan om te gaan tot de andere christenen, niet orthodoxen. De parochie richt zich vooreerst op haar oud-leden, die vertrokken zijn om persoonlijke redenen (bijvoorbeeld door te verhuizen). De vraag is te weten hoe wij contact met hen kunnen onderhouden is te onderzoeken  volgens de verschillende contexten en de verschillende mogelijkheden ( persoonlijk bezoek, tijdschrift of site van de parochie, e-mailen enz..

De parochie heeft slechts zijn betekenis wanneer zij verbonden is met een bisschop, die garant staat voor de eenheid van de Kerk en haar conformiteit met het Evangelie, en dus garant is voor de eucharistie. De communio met de bisschop verzekert de realiteit van onze eucharistie en getuigt dat zij geen individuele geïsoleerde ritus is maar een communio met de totaliteit van de gelovigen. Zo wordt door de Bisschop de openheid van de parochie op het geheel van de gelovigen mogelijk gemaakt. Deze eenheid met de Bisschop drukt zich uit doorheen de relatie die wij kunnen ontwikkelen met de andere parochies van het diocees. Daden kunnen ondernomen worden om onze band met de Kathedraal te verstevigen. Anderzijds kunnen samenvoegingen tussen parochies ondernomen worden.

De roeping van gans de parochie is anderzijds de banden tussen de orthodoxen te verstevigen. Het historisch getuigenis van een zeker aantal parochianen in de (Franse) Orthodoxe Fraterniteit getuigen reeds hiervan. Kan de aanwezigheid in de grote steden van een grote verscheidenheid van orthodoxe kerken van verschillende tradities geen uitnodiging zijn om mekaar beter te leren kennen en de eenheid te concretiseren ? Het bezoek aan parochies van andere tradities, de organisatie van een interparochiale catechese of nog : de progressieve introductie – zonder syncretisme- in de schoot van onze liturgische praktijk van parels van de Levendige liturgische Traditie van de ene Kerk, zouden wellicht het bouwen van bruggen kunnen bevorderen tussen de verschillende orthodoxe gemeenschappen.

Ten slotte, over de zuivere orthodoxe sfeer heen, zou de parochie kunnen bijdragen tot een betere dialoog met de zogenaamde christenen van het Oosten ( ’t is te zeggen leden van de pre-chacedonische Kerken – Armeniërs, Kopten, de Kerk van Indië enz…) en ook met de Katholieken en de protestanten, waarmee wij ons soms verenigen met diepe vriendschapsbanden. Het deelnemen aan groepen van bezinning, Bijbelstudie of gebed met christenen van andere confessies moet in feite een dubbel getuigenis bevatten : voor de niet-orthodoxen ,de rijkdom van onze traditie; voor de andere orthodoxen die minder spontaan geneigd zijn om toe te treden tot de oecumenische ontmoetingen: de kracht van het geloof en het gebed die ons kunnen aanzetten om te communiceren met andere christenen.

De openheid over de grenzen van het “religieuze” heen.

Ten slotte, het behoort tot de parochie om over de grenzen van de specifieke religieuze sfeer uit te stralen en een manier van uitdrukking te vinden die adequaat  is in de “profane” wereld. In de conferentie die hij gegeven heeft over dit thema en die uitgegeven is in een klein boekje getiteld “Le témoignage de la communauté eucharistique “(Editions An-Nourn Beyrouth, 1992), toont Costi Benali dat “de eucharistische gemeenschap zich niet mag ontdoen van deze essentiële dimensie van haar getuigenis die ingeschreven staat in de historische concrete engagementen, in de dagelijkse strijd, in haar hoop op het Koninkrijk”. En hij verduidelijkt dat men “de reikwijdte van het heil in het zuivere religieuze” niet mag beperken, onderlijnend dat “het heil van Christus een radicale bevrijding is uit elke miserie, elke beroving, elke vervreemding” Vader Cyrille Argenti citerend, nodigt hij ons uit om niet “weg te vluchten in de eucharistische celebratie en daarbij de strijd in de wereld te ontvluchten”.

Vanaf dan kunnen wij ons afvragen wat wij moeten doen om niet te vervallen in een dualisme “spiritueel leven/dagelijks leven”, hoe kunnen wij historische daden stellen, hoe nederig bijdragen om de wereld om te vormen ? Deze vraag is zeer groot, werkelijk, en verdient een diepgaande bezinning. Men kan hierbij  twee voorstellen formuleren, die verre van de pretentie hebben  rond de vraag heen te draaien.

Het vasten van het delen

Het eerste betreft de band tussen ons vasten (in het bijzonder deze van de grote vasten) en de ondersteuning van de meest kwetsbaren. “Vasten om die armer is dan wijzelf te ondersteunen”, dit is de betekenis van de collecte die over het algemeen gehouden wordt in de parochies bij het begin van de Vasten. Het is een Vasten van het verdelen, want het staat toe om mensen te helpen met het geld dat wij hebben geschonken. Costi Bendaly toont dat het hier gaat “om te antwoorden op de consumptiemaatschappij door de bekering van het verlangen, om niet meer  te verspillen, maar om getransformeerd te worden in Christus, worden zoals Hij en in Hem, gave, onthaal en delen”

De tweede suggestie zal een appèl inhouden voor een investering in het leven van elke dag, onder de inspiratie van een heilige als Moeder Maria, wiens leven in dienstbaarheid radicaal was. Velen onder ons zijn reeds geëngageerd, ten persoonlijke titel, in verenigingen als het ACAT (vereniging in Frankrijk voor de afschaffing van het martelen), Montgolfière (hulp aan de mensen zonder papieren), Sint Egidio enz..om er maar enkele te citeren. Zou men niet kunnen profiteren van de ervaringen van sommige parochianen om deze verenigingen te leren kennen door bijvoorbeeld een forum van verenigingen op te richten ? Zou onze parochie  discreet en gevrijwaard van elke politieke inmenging geen soort van draaiende schijf kunnen worden van  belangeloze hulp ?

Het teken van Gods aanwezigheid in de wereld

Zo vormen de verschillende wijzen van zijn van de eucharistische gemeenschap het teken van de tegenwoordigheid van God in de wereld.  Een gebed kan ons helpen om bewust te worden van deze bijzondere zending, een gebed dat zodanig permanent  en voortdurend herhaald wordt in onze liturgie dat wij het niet meer horen; dit gebed duidt expliciet op de roeping van de parochie welke is : onze persoonlijkheden,de andere gelovigen en het geheel van de wereld rond Christus bijeen te brengen. Dit gebed is in feite een oproep, een vermaning, een bemoediging; over het algemeen geformuleerd door de diaken, en zij gebied ons om “onszelf, mekaar en gans ons leven aan Christus onze God toe te vertrouwen.

Jean Jaques LAHAM

Jean jaques LAHAM is van oorsprong Libanees, deed zijn studies in Frankrijk. Hij is gedipomeerde van de “Ecole des hautes études commerciales”. Hij is consultant in het beheer van ondernemingen. Hij is verbonden zowel aan de libanese orthodoxe communauteit (patriarchaat van Alexandrië)als aan de Franstalige parochie van de Crypte van de heilige Drie eenheid, rue Daru te Parijs.

Vertaling : Kris Biesbroeck

 

De heilige Ambrosius van Milaan

Heiligenleven

De heilige Ambrosius

 

 

 

Ambrosius van Milaan2.jpg

De heilige Ambrosius van Milaan

 

 

 

De heilige Kerkvader Ambrosius, bisschop van Milaan, 374-391. De ariaanse bisschop, die de zetel sinds 20 jaar bezet had, was gestorven tegen het einde van het jaar 374. Het volk was in de kathedraal bijeen om onder leiding van Ambrosius, de jonge prefect van de stad, een nioeuwe bisschop te kiezen. Er dreigde een steeds groter wordende onenigheid tussen de Orthodoxen en de Arianen, die weinig geneigd waren om afstand te doen van hun machtspositie. Plotseling klonk een kinderstem : “Ambrosius  bisschop!”. Het sloeg in als een bliksemstraal : deze talentvolle, bekwame bestuurder, alom geacht om zijn bezonken en rechtvaardig oordeel en zijn strikte onomkoopbaarheid : er zou geen betere keuze mogelijk zijn. En na enig onduidelijk rumoer galmde door heel de kerk de kreet : “Ambrosius bisschop !”.

En hoezeer deze zich ook verweerde dat hij nog slechts katechumeen was en niet eens gedoopt, dat de canons een voorbereidingstijd eisen, het werd van geen belang tegenover zulk een duidelijke aanwijzing van de kant van God. Wat Ambrosius ook zei of deed, het volk riep dat het de verantwoordelijkheid voor zijn zonde op zich nam. Ambrosius nam de vlucht maar werd ontdekt en teruggebracht. Tenslotte gaf hij zijn verzet op en vroeg alleen nog maar  om niet door een ketter gedoopt te worden.

Hij werd dus gedoopt, doorliep binnen één week alle rangen van het priesterschap, en werd zeven dagen later bisschop gewijd op de 7e december 374, in de ouderdom van 34 jaar. En hij kon van zichzelf zeggen dat hij anderen al moest onderrichten voordat hijzelf was begonnen te leren. Maar tegelijk begon hij met alle energie aan de studie onder leiding van de priester Simplicianus. Hij wtudeerde vooral filosofie en de griekse kerkvaders, onder wie vooral Origenes, de grote Bijbelkenner. Hij ontdeed zich van al zijn goederen en bezittingen door ze groetendeels over te doen aan de Kerk. Get duurde geen drie jaar of zijn roem als bisschop was over heel het Rijk verbreid. Toen de keizer zich in de strijd moest werpen tegen de oprukkende Gothen, vroeg hij Ambrosius om een samenvatting van de orthodoxe theologie om sterker te staan teegenover de argumenten van de verschillende ketterijen. Ambrosius schreef toe een verhandeling in twee delen over Het geloof, en zond het de keizer toe in 379.

Ook veel jonge vrouwen kwamen naar hem toe en vroegen zijn geestelijke leiding. De preken die hij voor hen hield, verzamelde hij op de wens van zijn oudere zuster, de heilige Marcellina, en hij gaf ze uit als boek over de Maagden. Op dezelfde wijze kwam ook een boek over de Weduwen tot stand.

Toen de Gothen veel slachtoffers en slaven hadden gemaakt in Oost-Europa, liet Ambrosius het gouden en zilveren altaargerei uit de kerken van zijn diocees omsmelten om met de opbrengst de slachtoffers te hulp te komen. De Arianen beschuldigden hem toen van heiligschennis maar Ambrosius antwoordde dat het niet de taak van de Kerk was goud op te potten maar het te gebruiken voor de noden van haar kinderen.

Tijdens de Grote Vasten van 384 waren er veel moeilijkheden met de nieuwe, nog heel jonge keizer die, onder invloed van zijn ariaanse moeder, een ariaanse bisschop in Milaan wilde plaatsen. Ambrosius hield de kathedraal dag en nacht bezet, en om de in groten getale opgekomen gelovigen op passende wijze bezig te houden, liet hij de door hem geschreven hymnen zingen en de Psalmen met antifonen “zoals dat in het oosten gebruikelijk was”, zei hij. De telkens herhaalde doxologie : “Eer aan de vader en aan de Zoon en aan de Heilige Geest..” was tegelijk het solide onderricht tegenover de subtiliteiten van de Arianen. Na enige tijd trok de keizer de troepen van de kerk terug. De energieke Ambrosius vond steeds nieuwe manieren om weerstand te bieden tegen de telkens weer’ opdringende staatsmacht, maar hij wilde geen rol spelen op politiek gebied.

Met Pasen werden de katechumenen die in de vasten het onderricht hadden gevolgd, plechtig gedoopt. De beroemste dopeling van Ambtosius is de heilige Augustinus met zijn vriend Alypius (eveneens later bisschop), en zijn onwettige zoon Adeodatus, in de paasnacht van het jaar 387. Ambrosius zorgde zelf voor het onderricht, schreef theologische werken, en dichtte liturgische hymnen, waarvan het nog altijd gezongen “Te Deum” de beroemste is.

Hij heeft gedurende 23 jaar zijn diocees als een vader bestuurd. Hij was een steun der ongelukkigen maar trad streng op tegen de hooggeplaatsten. Van keizer Theodosios vorderde hij strenge kerkelijke boete toen deze 7000 mensen ter dood had veroordeeld om een niet niet zo omvangrijke opstand in Thessalonika de kop in te drukken, waarbij hij hem zei : “Ge moogt het bloed van Christus niet drinken met lippen die zulk een verschrikkelijk vonnis hebben uitgesproken”. Hij deed veel voor de opleiding van de geestelijkheid, schreef praktische raadgevingen en was daarnaast een  begaafd en geïnspireerd dichter. Hij hoorde nog biecht op orthodoxe wijze, met de biechteling in zijn arm, en hij weende mee met de treurnis van de ander.

Ambrosius is gestorven in de nacht na Grote Vrijdag, de 4e april van het jaar 397, terwijl zijn lippen voortdurend bewogen in stil gebed. Zijn lichaam rust in de aan de heilige Ambrosios gewijde baseliek in Milaan.

Uit :  Heiliegenlevens voor elke dag : uitg. Orth. Klooster Den Haag

 

Ignatius van Antiochië : Nu laat Gij, o Heer, uw dienaar gaan in vrede naar uw woord

 

Ignatius van Antioche (?-rond110), bisschop en martelaar 
Brief aan de Romeinen, 5-7 
“Nu laat Gij, o Heer, uw dienaar gaan in vrede naar uw woord”
    
 

Ignatius van Antiochië12.jpg

Ignatios van Antiochië

Vandaag word ik leerling. Geen enkel schepsel, zichtbaar of onzichtbaar, belemmert me om me bij Jezus Christus aan te sluiten… Zelfs als de wreedste verzoeken me terneerdrukken, dan wil ik slechts Jezus Christus bereiken. Wat zouden de zoetheden van deze wereld en de keizerrijken van de aarde, me kunnen schelen? Het is mooier om te sterven voor Jezus Christus dan te heersen over de gehele wereld. Hem zoek ik, Hij die gestorven is voor ons; naar Hem verlang ik, Hij die voor ons verrezen is.
      Mijn geboorte komt dichterbij… Laat mij het hele zuivere licht omhelzen. Als ik daarin zal slagen dan ben ik man geworden. Aanvaard dat ik het lijden van mijn God navolg… Mijn aardse verlangen werd gekruisigd, en in mij is niet meer het vuur om de materie lief te hebben, maar een “levend water” (Joh 7,38), dat ruist en fluistert in mijn hart: “Kom naar de Vader.” Ik kan het vergankelijke voedsel of de zoetheid van dit leven niet meer proeven. Ik heb honger naar het brood van God, het lichaam van Jezus Christus, zoon van David, en als drank wil ik zijn bloed welke de onvergankelijke liefde is.

 

De heilige Nil Stolbenski

Heiligenleven

De heilige Nilos Stolbenski

 

 

 

nil of stolbensk2.jpg

 

 

 

 

De heilige Nilos Stolbensky, een leerling van de in 1495 gestorvene heilige Sabbas van Pskov, werd, na 10 jaar kloosterleven, kluizenaar op een eilandje, Stolbensk, waar hij nog 26 jaar leefde tpt  aan zijn dood in 1553. Hij had zelfs geen kapel gebouwd omdat zijn leven een voortdurend gebed was. Ook in de nacht legde hij zich niet neer, maar dommelde wat, hangend op een paar krukken. Hij was niet welkom bij de nog heidense inwoners van die dunbevolkte streek, die hem probeerden te verdrijven door het woud rondom in brand te steken. Eerst jaren later werden zij er trots op dat een heilige in hun midden had geleefd en toen werd op zijn graf het naar hem genoemde klooster gesticht.

Uit: heiligenlevens voor elke dag. Uitg.orth.klooster Den Haag

 

Kerstboodschap van de Oecumenische patriarch

KERSTBOODSCHAP
VAN DE OECUMENISCHE PATRIARCH

† BARTHOLOMEOS
door de genade Gods Aartsbisschop van Konstantinopel,
het Nieuwe Rome en Oecumenisch Patriarch,
aan alle gelovigen van de Kerk:
genade, barmhartigheid en vrede zij u, van Christus de Heiland, Die in Bethlehem geboren is

Geliefde broeders  concelebranten en gezegende kinderen in de Heer,

In de donkere atmosfeer die zich de laatste tijd wereldwijd uitspreidt, een atmosfeer van een veelvormige, smeulende crisis: economisch, sociaal, ethisch, en vooral op het gebied van het geestelijke leven, die onder de mensen veel agressie veroorzaakt, veel verbitterdheid, veel verwarring, veel spanning, veel teleurstelling en veel angst voor de nabije toekomst, horen we de zoete stem van de Kerk:

“Komt, gelovigen,  laten wij ons in God verheffen om de goddelijke neerdaling in Bethlehem  te aanschouwen … “

 (Idiomelon 6e Uur van Kerstmis)

Christenen zijn er rotsvast van overtuigd dat God niet vanuit den hoge onverschillig toekijkt op het doen en laten van de mens, die Hij zelf in eigen persoon geschapen heeft naar Zijn beeld en gelijkenis. Daarom was de menswording van Zijn eniggeboren Zoon en Woord al vanaf het begin Zijn welbehagen, Zijn primaire wil, Zijn Raadbesluit voor alle eeuwen. Om zelf, uit overgrote liefde, de menselijke natuur aan te nemen die Hij geschapen heeft en om deze deelgenoot te maken van de goddelijke natuur ([II Petr. 1:4). En dit was vóór de val van de eerstgeschapenen, zelfs voordat zij geschapen waren! Na de val van de eerstgeschapenen, heeft het “voor-eeuwige Raadbesluit”, de Zoon zelf, na Zijn vleeswording het Kruis op zich genomen en het smetteloze Lijden, de levenschenkende dood, de nederdaling in de Hades, de verrijzenis op de derde dag, zodat de binnengedrongen zonde die alles vergiftigde en de dood – die verstekeling van het leven – voorgoed volkomen uit de weg geruimd werden, zodat de mens genieten kan van het ongeschonden Vaderlijk erfdeel van de eeuwigheid.

De goddelijke genegenheid beperkt zich echter niet alleen tot de komende eeuwigheid, maar betreft ook onze levensloop op aarde. Christus is op aarde gekomen opdat het Koninkrijk der hemelen verkondigd zou worden en om ons daarin binnen te leiden, maar Hij is ook gekomen als weldoener en genezer van de menselijke zwakheid. Verschillende keren heeft Hij op wonderbare wijze de menigten gespijzigd die naar Zijn Woord kwamen luisteren. Hij heeft melaatsen gereinigd, verlamden hun kracht teruggeven, licht geschonken aan blinden, gehoor aan doven en spraak aan stommen. Hij bevrijdde bezetenen van hun onreine geesten, wekte doden op, steunde het recht van degenen die onrecht leden en de vergetenen, Hij brandmerkte de ongeoorloofde zelfverrijking, de onbarmhartigheid tegenover de armen, de schijnheiligheid, de hooghartigheid in menselijke relaties, Hij gaf zichzelf als voorbeeld van een vrijwillige opoffering voor de anderen!  Misschien moeten we bij ons kerstfeest van dit jaar meer aandacht schenken aan de draagwijdte van deze boodschap van de goddelijke menswording. Veel medemensen en medechristenen ondergaan vreselijke moeilijkheden door de smeulende crisis. Ontelbaar zijn de rijen van werklozen, nieuwe armen, daklozen, jongeren met “gekortwiekte dromen”. Maar, Bethlehem betekent “huis van brood”!

Als gelovigen hebben wij dus verplichtingen tegenover al onze broeders in nood om hun het ‘dagelijkse -bovenwezenlijke- Brood’ , dat wil zeggen Christus zelf te brengen, in doeken gewikkel, in de arme kribbe gelegen van Bethlehem, maar ook het dagelijks brood dat nodig is om te overleven, en alles “wat nodig is voor het lichaam” [vgl 2 Jak 16]. Het is tijd om het Evangelie in praktijk te brengen, met een hoogstaand besef van verantwoordelijkheid! Het uur is aangebroken waarop het woord van de apostel nadrukkelijk eist: “Toon mij uw geloof uit uw werken” [vgl. Jak. 2:18]. Het is tijd, het is de gelegenheid om ons te verheffen tot de hoogte van de koninklijke deugd van de Liefde, die ons met God verbindt.

Dit is wat wij verkondigen vanaf de heilige verdrukte Zetel van de Kerk van de Armen van Christus, aan al de wereldwijd verspreide  kinderen van het Oecumenisch Patriarchaat. Over allen roepen wij de goddelijke genegenheid af, Zijn grenzeloze barmhartigheid, de vrede en de genade van de om ons door de Heilige Geest uit de Maagd Maria mensgeworden eniggeboren Zoon en Woord van God. Aan Hem zij de heerlijkheid, de macht, de eer en de aanbidding, met de Vader en de Geest, in de eeuwen der eeuwen. Amen.

+ Bartholomeos van Konstantinopel,
vurige voorspreker voor u allen bij God.

Fanar, Kerstmis 2010.

 

31e zondag na Pinksteren, 14e na de Kruisverheffing

 

31e zondag na Pinksteren, 14e na de Kruisverheffing

 

Gedachtenis van de H. Jozef , de Profeet David, en de Apostel Jacobus


 

LEZINGEN :

 Jacobus apostel667.jpg

 Galaten 1,11-19

 Ik verzeker u, broeders en zusters, dat het evangelie dat ik u verkondigd heb niet door mensen is bedacht  – ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd – maar dat Jezus Christus mij is geopen

baard.  U hebt gehoord hoe ik vroeger volgens de Joodse godsdienst leefde, dat ik de gemeente van God fanatiek vervolgde en haar probeerde uit te roeien.  Ik leefde de Joodse wetten heel wat strikter na dan velen van mijn generatie en zette mij vol overgave in voor de tradities van ons voorgeslacht.  Maar toen besloot God, die mij al vóór mijn geboorte had uitgekozen en die mij door zijn genade heeft geroepen,  zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik hem aan de heidenen zou verkondigen. Ik heb toen geen mens om raad gevraagd  en ben ook niet naar Jeruzalem gegaan, naar hen die eerder apostel waren dan ik. Ik ben onmid

David koning5.jpg

dellijk naar Arabia gegaan en ben van daar weer teruggekeerd naar Damascus.  Pas drie jaar later ging ik naar Jeruzalem om Kefas te ontmoeten, en bij hem bleef ik twee weken.  Maar van de overige apostelen heb ik niemand gezien, behalve Jakobus, de broer van de Heer.

Evangelie

Matt.2,13-23 

Kort nadat zij op die manier de wijk genomen hadden, verscheen er aan Jozef in een droom een engel van de Heer. Hij zei: ‘Sta op en vlucht met het kind en zijn moeder naar Egypte. Blijf daar tot ik je weer roep, want Herodes is naar het kind op zoek en wil het ombrengen.’  Jozef stond op en week nog diezelfde nacht met het kind en zijn moeder uit naar Egypte.  Daar bleef hij tot de dood van Herodes, en zo ging in vervulling wat bij monde van de profeet door de Heer is gezegd: ‘Uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen.’

Joseph_heilige 2.jpg

 Toen Herodes begree

p dat hij door de magiërs misleid was, werd hij verschrikkelijk kwaad, en afgaande op het tijdstip dat hij van de magiërs had gehoord, gaf hij opdracht om in Betlehem en de wijde omgeving alle jongetjes van twee jaar en jonger om te brengen.  Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet Jeremia:  ‘Er klonk een stem in Rama, luid wenend en klagend. Rachel beweende haar kinderen en wi

lde niet worden getroost, want ze zijn er niet meer.’

 Nadat Herodes gestorven was, verscheen er in een droom aan Jozef in Egypte een engel van de Heer.  De engel zei: ‘Sta op, ga met het kind en zijn moeder naar Israël. Want zij die het kind om het leven wilden brengen, zijn gestorven.’ Jozef stond op en vertrok met het kind en zijn moeder

 naar Israël.  Maar toen hij daar hoorde dat Archelaüs zijn vader Herodes was opgevolgd als koning over Judea, durfde hij niet verder te reizen. Na aanwijzingen in een droom week hij uit naar Galilea.  Hij ging wonen in de stad Nazaret, en zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeten: ‘Hij zal Nazoreeër genoemd worden.’

 

Gregorios van Nyssa : Heden is u in de stad van David een Verlosser geboren, Christus de Heer

H. Gregorius van Nyssa (rond 335-395), monnik en bisschop 
Sermon over de Geboorte, passim ; PG 46, 1128   
“Heden is u in de stad van David een Verlosser geboren, Christus de Heer!”

 

    Gregorius van Nyssa523.jpg
 Broeders en zusters, we zijn op de hoogte gebracht van het wonder en we gaan net als Mozes iets bijzonders zien (Ex 3,3): in Maria verbrandt het brandend braambos niet. De Maagd baart het Licht zonder geschonden te worden… Laten we ons dus naar Bethlehem, de plaats van het goede nieuws, haasten! Als wij werkelijk herders zijn, als wij wakker blijven op onze wachtpost, dan richt de stem van de engelen zich tot ons, zij kondigen een grote vreugde aan…: “Eer aan God in de hoge en vrede op aarde!” Daar waar gisteren geen kwaadspreken, oorlog of geweld meer was, daar ontvangt de aarde de vrede, want vandaag “komt de waarheid uit de aarde voort en de gerechtigheid uit de hemel” (Ps 86,12). Zie de vrucht die de aarde aan de mensen geeft, als beloning voor de goede wil die onder de mensen heerst (Lc 2,14). God verenigt zich met de mens om de mens op te heffen tot Gods hoogte.
      Broeders en zusters. laten we naar Bethlehem gaan naar aanleiding van dat nieuws, om het mysterie in de voederbak te aanschouwen: een klein kind in doeken gewikkeld die in een voederbak ligt. De onvergankelijke Moeder, die Maagd bleef na haar baren, omhelst  haar zoon. Laten we met de herders het woord van de profeet herhalen: “In de stad van onze God hebben wij gezien wat wij hadden gehoord” (Ps 48,9).
      Maar waarom zoekt de Heer zijn toevlucht in een grot in Bethlehem? Waarom gaat Hij in een voederbak slapen? Om mee te doen met de volkstelling van het volk Israel? Broeders en zusters, Hij die de wereld bevrijding komt brengen, wordt in ons slavenbestaan van de dood geboren. Hij wordt in die grot geboren om zich aan de mensen, die zich in duisternis en in de schaduw van de dood bevinden, te laten zien. Hij slaapt in een voederbak omdat Hij het is die gras voor het vee laat groeien” (Ps 104,14). Hij is het Levensbrood dat de mens met geestelijk voedsel voedt, opdat ook de mens in de Heilige Geest leeft… Welk feest is vreugdevoller dan die van vandaag? Christus, de Zon der Gerechtigheid (Ml 3,20) komt onze nacht verlichten. Wie gevallen was richt zich weer op, wie overwonnen was, is bevrijd…, wie dood was komt weer tot leven… Vandaag zingen we met één stem op aarde: “Door de overtreding van één mens, Adam, kwam de dood… door die ene mens, Jezus Christus is het heil gekomen” (cf Rom 5,17).
Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

De heilige Nikolaas de wonderdoener

Heiligenleven

De heilige Nikolaas

 

 

Nicolas H..jpg

Heilige Nikolaas

 

 

 

De heilige Nikolaas, bisschop van Myra, de Wonderdoener, 4e eeuw. Dit is eigenlijk het enige dat we geschiedkundig weten over wie waarschijnlijk de populairste Heilige is over heel de wereld. De vele legenden die over hem bestaan zijn uiting van een innerlijke waarheid en doen ons hem werkelijk kennen in zijn zielegrootheid en liefdevolle barmhartigheid.

Hij was geboren te Patara in Lykië als zoon van rijke ouders. Zijn oom, Nikolaas, was daar bisschop en zorgde ervoor dat zijn neef en naamgenoot al op jonge leeftijd aan de dienst van God werd gewijd. Nikolaas werd priester en na de dood van zijn ouders schonk hij in het verborgen zijn vermogen weg. Bijzonder bekend is het verhaal hoe hij de drie dochters van een berooid edelman elk een bruidschat bezorgde door telkens in de nacht een beurs met goudstukken door een open venster te werpen. De derde maal werd hij herkend door de edelman die toen de wacht had gehouden.

Op bedevaart  naar Jeruzalem wekte hij een uit de mast gevallen matroos weer tot leven, en sindsdien geldt de heilige Nikolaas als schutspatroon van de zeelieden, die hen in allerlei noodsituaties te hulp komt. Na deze pelgrimstocht wilde hij monnik worden, maar hij werd tot bisschop van Myra verkozen, en deze taak vervulde hij op een wijze die hem tot het ideale type van een bisschop heeft gemaakt.

Tijdens de grote vervolging van Dioletiaan, toen de Christenen bij duizenden werden gedood, was Nikolaas in de gevangenis, totdat hij door keizer Constantijn weer op zijn bisschopszetel van Myra werd hersteld. Hij had daar te strijden tegen de Arianen, en in 325 nam hij deel aan het eerste Oecumenisch Concilie.

Zijn wijsheid, gepaard aan warme menselijkheid, deed hem algemene verering ten deel vallen. Hij maakte gebruik van zijn moreel gezag om slachtoffers van een onjuiste rechtspraak te hulp te komen, vaak op wonderbare wijze.

In hoge ouderdom is Nikolaas gestorven in 342, en hij werd al spoedig “de Apostelgelijke” genoemd. Elke donderdag wordt dan ook zijn gedachtenis gevierd, naast die van de Apostelen. Op de 9e mei wordt zijn Zomerfeest gevierd.

De kooplieden van Bari organiseerden in 1087 een ware roofexpeditie om het lichaam van de overal vereerde heilige Nikolaas in handen te krijgen. Zij stuurden er drie schepen op af die aanlegden bij het strand van Myra. De grafkerk bevond zich buiten de stad en stond onder de hoede van slechts enkele monniken. Zo konden de rovers ongestoord binnenkomen, het graf openbreken en het lichaam meenemen naar hun schepen. De inmiddels gealarmeerde bevolking kon niet anders dan hen achternaschreeuwen op het strand. Op 9 mei kwam de expeditie in Bari terug, juist voordat Venetië dezelfde rooftocht wilde ondernemen.
In het Middellandse Zee-gebied is de heilige Nikolaas vooral de patroon van de zeelieden; in Rusland van de arme boeren; in het Westen van de kinderen, omdat hij eens drie kinderen, die door een slager in stukken waren gehakt, weer tot het leven teruggeroepen had. Ontelbare kerken in heel de wereld zijn aan hem toegewijd.

Uit : Heiligenleven voor elke dag. Uitg.Orth.klooster Den Haag

 

Isaak de Syriër : Wie zich vernedert zal worden verheven

 

Heilige Izaak de Syriër (7e eeuw), monnik te Ninive, dichtbij Mossoel 
Ascetische overwegingen, 1ste serie, nr 49 
“Wie zich vernedert, zal worden verheven” 
  
 

Isaac_the_Syrian (groot formaat).jpg

Isaak de Syriër

 De voorzienigheid van God, die erover waakt om aan ieder van ons te geven wat goed is, heeft alle dingen tot ons geleid om ons naar de nederigheid te brengen. Want als je trots bent op de genade van de voorzienigheid, dan zal deze je verlaten, en je zult terugvallen… Weet dus dat het je niet toebehoort, noch aan jou, noch aan jouw deugd om de negatieve neigingen te weerstaan, maar dat alleen de genade je in zijn hand houdt, opdat je niet bang zult zijn… Zucht, huil, herinner je de fouten die je maakte in de tijd van je beproeving opdat je uiteindelijk bevrijd zult worden van de trots en de nederigheid zult ontvangen. Wanhoop niet. Bid God nederig om je zonden te vergeven.
      De nederigheid, zelfs zonder werken, wist veel fouten uit. Maar daarentegen dienen de werken zonder haar nergens toe; zij kunnen ons zelfs het kwaad bereiden. Verkrijg dus door de nederigheid de vergeving van je onrecht. Wat het zout is voor je voeding, is de nederigheid voor alle deugden. Ze kan de kracht van veel zonden breken…. Als wij haar bezitten, maakt ze van ons kinderen van God, en ze leidt ons naar God zonder zelfs de redding door goede werken. .. Daarom zijn zonder haar al onze werken ijdel, en zijn alle deugden ijdel, en is alle moeite ijdel.
Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org

 

Simeon de nieuwe theoloog : de blindheid der mensen

 

 
H. Simeon de Nieuwe Theoloog (ca.949-1022), Griekse monnik 
Hymne 53 

Simeon de neuwe theoloog + basilios.jpg

Simeon de Nieuwe Theoloog en Basilios

De blindheid van de mensen:
[Christus sprak :]
Toen Adam geschapen werd, heb Ik hem het vermogen gegeven om Mij te zien
en heb hem daardoor gegrondvest in de waardigheid van de engelen…
Hij zag alles wat Ik geschapen had, niet met zijn lichamelijke ogen,
maar met die van de intelligentie,
hij zag mijn Gelaat, zijn Schepper
Hij schouwde mijn heerlijkheid
en onderhield zich met Mij op elk moment.
Maar toen hij mijn gebod overschreed
van de boom proefde,
is hij blind geworden
en is hij gevallen in de duisternis van de dood…
Maar Ik had medelijden met hem en ben van boven gekomen.
Ik die absoluut onzichtbaar ben,
heb gedeeld in de ondoorzichtigheid van het lichaam.
Door in het vlees een begin te hebben ontvangen, mens geworden, 
werd Ik door u allen gezien.
Hoe heb Ik dat alles kunnen aanvaarden om te doen?
Omdat daar zich de echte reden bevindt 
waarom Ik Adam geschapen had: om Mij te zien.
Toen hij blind werd, en vervolgens eveneens alle afstammelingen, 
verdroeg Ik het niet om Zelf in de goddelijke heerlijkheid te zijn en om hen te verlaten… 
die ik met mijn eigen handen had geschapen; maar Ik ben in alles gelijk geworden aan de mensen, 
lichamelijk met de lichamelijken,
en Ik heb Mij vrijwillig met hen verenigd.
U ziet mijn verlangen om door de mensen gezien te worden…
Hoe kun je dus zeggen dat Ik me voor u verberg, 
dat Ik me niet laat zien?
In werkelijkheid straal ik, maar u, u kijkt niet naar Mij.
Bron:Dagelijksevangelie  www.evangelizo.org