Teresa van Avila: Uit het leven van Teresa van Avila……

……Dit is de misleiding waarmee Satan de overhand krijgt: wanneer een ziel zichzelf zo dicht bij God ziet, wanneer zij het verschil ziet tussen de hemelse zaken en die van de aarde, en wanneer zij de liefde ziet die onze Heer haar toedraagt, groeit er uit die liefde een zeker vertrouwen en zekerheid dat er geen afdwaling zal zijn van hetgeen zij op dat moment bezit. Het lijkt alsof de ziel de beloning duidelijk Satan de ziel berooft van het wantrouwen dat zij tegenover zichzelf zou moeten hebben; en zo stelt zij zich, zoals ik zojuist zei, bloot aan gevaren. In haar vurige ijver begint zij zonder onderscheid de vruchten van haar tuin weg te geven, denkend dat zij nu geen reden meer heeft om voor zichzelf bang te zijn. ziet, alsof het onmogelijk is om datgene, wat zelfs in dit leven zo verrukkelijk en zoet is, op te geven voor iets zo minderwaardig en onzuiver als wereldse vreugde. Door dit vertrouwen berooft Satan haar van het wantrouwen dat ze in zichzelf zou moeten koesteren; en zo, zoals ik net al zei, stelt de ziel zichzelf bloot aan gevaren en begint ze, in de volheid van haar ijver, zonder onderscheid de vruchten van haar tuin weg te geven, denkend dat ze nu geen reden meer heeft om bang voor zichzelf te zijn. Toch komt dit niet voort uit trots; want de ziel begrijpt duidelijk dat van een buitensporig vertrouwen in God, zonder onderscheid de ziel zichzelf niet als onvolwassen beschouwt. Ze kan uit haar nest komen, en God Zelf kan haar eruit halen, maar ze kan nog steeds niet vliegen, omdat de deugden niet sterk zijn en ze zelf geen ervaring heeft om de gevaren te onderscheiden; noch is ze zich bewust van het kwaad dat vertrouwen op zichzelf haar kan aandoen. Toch komt dit niet voort uit hoogmoed; wil de ziel duidelijk dat het gaat om een buitensporig vertrouwen op God , zonder de noodzakelijk voorzichtigheid. De ziel ziet zichzelf niet als onvolgroeid. Zij kan haar nest verlaten, en God Zelf kan haar eruit halen, maar toch kan zij niet vliegen, omdat haar kwaliteiten nog niet sterk genoeg zijn en zij geen ervaring heeft om de mogelijkheden te ontdekken . Zij is zich ook niet bewust van het kwaad dat haar eigen zekerheid haar kan aandoen.”

++++++++++++

Hier is een diep spirituele en psychologisch rijke factor over de gevaren van een onvoorzichtig vertrouwen in God — een vertrouwen dat, hoewel voortkomend uit liefde en toewijding, de ziel kwetsbaar maakt voor misleiding. Het lijkt sterk op de mystieke vlekken van heiligen zoals Teresa van Ávila van Johannes van het Kruis, die waarschuwden voor de subtiele valkuilen op het pad van geestelijke groei.

Kernpunten uit de tekst:

Vertrouwen zonder onderscheid​: De ziel voelt zich zo dicht bij God dat ze denkt immuun te zijn voor afdwaling. Dit vertrouwen is niet per se hoogmoedig, maar naïef.

Verlies van zelfwantrouwen :

Satan misleidt de ziel door haar gezonde wantrouwen tegenover zichzelf te ontnemen — een wantrouwen dat haar zou beschermen tegen overmoed .

Vurige ijver zonder wijsheid begint haar innerlijk: De ziel begint haar innerlijke vruchten (spirituele gegeven, figuur) uit te delen zonder onderscheid, ook al is ze al volledig gevormd is.

Onvolwassenheid ondanks genade :

 Hoewel God haar uit het nest haalt, kan ze nog niet vliegen — haar kwaliteiten zijn nog niet sterk genoeg, haar ervaring te beperkt.

Geestelijke kwetsbaarheid :

 De ziel is zich niet bewust van het kwaad dat voortkomt uit een grote zekerheid in haar eigen staat van genade .

++++++++++++++++

Reflectie:

Deze passage is een krachtige waarschuwing tegen geestelijke overmoed. Het is onmogelijk dat zelfs wanneer iemand zich dicht bij God voelt, waakzaamheid en nederigheid gedeeltelijk blijven. De metafoor van de vogel die uit het nest wordt gehaald maar nog niet kan vliegen is bijzonder treffend: het spirituele leven vereist niet alleen genade, maar ook rijping, onderscheidingsvermogen en ervaring.

  1. De illusie van geestelijke zekerheid:

De ziel ervaart een intense nabijheid tot God, voelt Zijn liefde en ziet het contrast tussen het hemelse en het aardse. Dit leidt tot een gevoel van zekerheid: “Ik ben veilig, ik zal niet meer afdwalen.” Maar juist deze zekerheid is gevaarlijk. Waarom?

Het wantrouwen tegenover zichzelf verdwijnt — een — een essentieel element van nederigheid en waakzaamheid.

Satan benut deze zekerheid om de ziel te laten liggen om de ziel te laten denken dat ze onkwetsbaar is, waardoor ze haar geestelijke waakzaamheid verliest.

Niets is zo minderwaardig en onzuiver als wereldse vreugde .”“Het lijkt alsof het onmogelijk is om datgene, wat zelfs in dit leven zo verrukkelijk en zoet is, op te geven voor iets zo minderwaardig en onzuiver als wereldse vreugde.”Deze zin toont hoe de ziel haar huidige staat als onaantastbaar beschouwt — een vorm van geestelijke naïviteit.

  1. Onrijpe deugden en gebrek aan ervaring:

De ziel denkt dat ze “kan vliegen” omdat ze uit haar nest gehaald is door God.

Maar: Haar deugden zijn nog niet sterk genoeg. Ze heeft geen ervaring om gevaren te herkennen.

Ze onderschat het kwaad dat voort dat voortkomt uit vertrouwen op zichzelf. Dit is een cruciaal punt: geestelijke groei vereist niet alleen genade, maar ook rijping, oefening en onderscheidingsvermogen .

 Zonder dat is de ziel kwetsbaar, hoe verheven haar ervaringen ook zijn.

  1. Vurige ijver zonder onderscheid:

De ziel begint “zonder onderscheid de vruchten van haar tuin weg te geven.” Dat wil zeggen:

Ze deelt haar spirituele intelligentie, gaf van ervaringen met anderen.

Maar ze doet dit zonder onderscheid , zonder te beseffen dat sommige vruchten nog niet rijp zijn, of dat ze zelf nog niet sterk genoeg is om ze te beschermen.

Dit is een waarschuwing tegen overhaaste apostolische ijver — het idee dat mannen, zodra mannen iets van God heeft ontvangen, onmiddellijk geroepen is om het uit te dragen. De tekst pleit voor voorzichtigheid en innerlijke groei vóór actie .

  1. Geen hoogmoed, maar een vertrouwen verkeerd:

De tekst tekstueel dat dit alles niet voortkomt uit trots Dat. Dat is belangrijk. De ziel is verstandig, nederig, en verlangt naar God. Maar ze vertrouwen te veel op God zonder de nodige voorzichtigheid .

“Zij is zich ook niet bewust van het kwaad dat haar eigen zekerheid haar kan aandoen.”

Dit is een sterke maar krachtige les: zelfs de zuiverste intenties kunnen leiden tot geestelijke gevaren als ze niet gelijkwaardig gaan met onderscheiding, nederigheid en zelfkennis .

Conclusie: een mystieke waarschuwing:

Deze tekst is een spirituele gids voor gevorderde zielen — mensen die al ver gevorderd zijn in hun relatie met God, maar die juist kwetsbaar worden voor een ander soort misleiding: de illusie van geestelijke veiligheid .

Het roept op tot:

Nederigheid : blijf jezelf wantrouwen, hoe dicht je ook bij God gebogen.

Waakzaamheid : onzichtbare nooit de zwakke werking van het kwaad.

Onderscheiding : deel je geeft pas als je zeker weet dat ze rijp zijn.

Geduld : geestelijke groei is een proces, geen sprong.

Bron van de tekst is onbekend…

********************

Sint Teresa Benedicta van het Kruis (Edith Stein):

+++++++++++++++

Sint Teresa Benedicta van het Kruis (Edith Stein)

“Om goddelijke liefde te geven… moet het leven van een vrouw een eucharistisch leven zijn… wie de Heer in de diepste kern van haar ziel ontvangt in de Heilige Communie, kan niet anders dan steeds dieper en krachtiger worden meegetrokken in de stroom van het goddelijke leven, opgenomen in het Mystieke Lichaam van Christus, haar hart omgevormd naar het beeld van het goddelijke hart.”

St. Teresa Benedikta van het Kruis (Edith Stein

+++++++++++++++++++

Edith Stein is een van die zeldzame figuren die zowel intellectueel als spiritueel een diepe indruk heeft nagelaten.

Filosofe en denker:

Geboren op 12 oktober 1891 in Breslau (nu Wrocław, Polen), in een orthodox-joodse familie.

Ze was een briljante student en promoveerde in de filosofie, met bijzondere aandacht voor fenomenologie, onder begeleiding van de beroemde filosoof Edmund Husserl.

Haar belangrijkste filosofische bijdrage was haar werk over empathie en de rol van persoonlijke ervaring in kennisverwerving.

Bekering tot het katholicisme:

Na een periode van atheïsme werd ze geraakt door het werk van Theresia van Ávila, wat haar leidde tot haar bekering tot het katholicisme in 1922.

In 1933 trad ze toe tot de ongeschoeide karmelietessen in Keulen en nam de kloosternaam Teresia Benedicta van het Kruis aan.

 Martelaarschap en heiligverklaring:

Als Joodse katholieke non werd ze in 1942 door de nazi’s gearresteerd en gedeporteerd naar Auschwitz, waar ze werd vermoord.

Ze werd in 1998 heilig verklaard door paus Johannes Paulus II en uitgeroepen tot beschermheilige van Europa.

 Spirituele erfenis:

Haar geschriften combineren filosofische diepgang met mystieke spiritualiteit. Ze schreef onder andere over de rol van vrouwen, de betekenis van het lijden, en de eenheid met Christus.  Haar leven getuigt van een intellectuele zoektocht die uitmondde in een radicale overgave aan God, zelfs tot in de dood.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Edith_Stein

https://museumjocas.nl/de-heilige-edith-stein-een-leven-vol-hartstocht/

**********************

St.Antonius van Padua: Aardse rijkdommen zijn als een riet…..

St. Antonius van Padua

“Aardse rijkdommen zijn als een riet.

 De wortels liggen in het moeras en de buitenkant is mooi om te zien

– maar van binnen is het hol. Als een mens op zo’n riet leunt,

 zal het breken en zijn ziel doorboren.”

Antonius van Padua.

+++++++++++++++

De tekst roept op tot bescheidenheid en waarschuwt tegen het vertrouwen op oppervlakkige rijkdom.

De tekst van Sint-Antonius van Padua is een krachtige allegorie over de vergankelijkheid en het gevaar van aardse rijkdommen

 Laten we het even ontleden:

De metafoor van het riet:

“Aardse rijkdommen zijn als een riet. De wortels liggen in het moeras en de buitenkant is mooi om te zien – maar van binnen is het hol.” Riet staat hier symbool voor rijkdom en materiële bezittingen. Het moeras waarin het wortelt, suggereert een onstabiele, onzuivere basis. De mooie buitenkant verwijst naar hoe rijkdom aantrekkelijk lijkt. Maar hol van binnen betekent dat het geen echte, blijvende waarde heeft—het is leeg.

Het gevaar van vertrouwen op rijkdom:

“Als een mens op zo’n riet leunt, zal het breken en zijn ziel doorboren.”

Als je je leven bouwt op materiële zekerheid, vertrouw je op iets dat niet stevig is. Wanneer het “breekt”—bijvoorbeeld door verlies, tegenslag of teleurstelling—kan dat diepe geestelijke pijn veroorzaken.

De boodschap:

Sint-Antonius waarschuwt: vertrouw niet op rijkdom als fundament voor je leven. Het lijkt aantrekkelijk, maar het is onbetrouwbaar en kan je geestelijk beschadigen.

Hij pleit voor een leven gebaseerd op innerlijke waarden, geloof, en eenvoud —iets wat hij zelf belichaamde als franciscaan.

++++++++++++++

Sint-Antonius van Padua is een fascinerende figuur uit de middeleeuwse kerkgeschiedenis,  geliefd om zijn wijsheid, nederigheid en wonderen.

Hier is een overzicht van zijn leven en nalatenschap:

Wie was Sint-Antonius van Padua?

Geboren als: Fernando Martins de Bulhões in Lissabon, Portugal (ca. 1195)

Gestorven: 13 juni 1231 in Padua, Italië

Orde: Eerst Augustijn, later Franciscaan

Heiligverklaring: Slechts een jaar na zijn dood, in 1232, door Paus Gregorius IX

Zijn levensloop:

Vroege roeping: Op jonge leeftijd trad hij toe tot het klooster van de Augustijnen in Coimbra, waar hij theologie en filosofie studeerde. Overstap naar de Franciscanen: Diep geraakt door het martelaarschap van enkele minderbroeders, sloot hij zich in 1220 aan bij de Franciscaanse orde. Missionaire ambitie: Hij wilde het geloof verspreiden in Noord-Afrika, maar ziekte dwong hem terug te keren naar Europa.

Opkomst als prediker: Aanvankelijk werd hij onderschat, maar tijdens een noodsituatie bleek zijn talent als spreker.

Zijn preken waren zo krachtig dat hij door Franciscus van Assisi zelf werd aangesteld als leraar.

Wonderen en legenden:

Preek tot de vissen:

 Toen mensen in Rimini weigerden naar hem te luisteren, sprak hij tot de vissen—die, volgens de legende, aandachtig kwamen luisteren.

Het ezelwonder: Om een ketter te overtuigen van de werkelijke aanwezigheid van Christus

in de hostie, toonde Antonius dat zelfs een ezel eerbied toonde voor het sacrament.

Het verloren boek: Een novice had een belangrijk boek van Antonius meegenomen.

Na gebed keerde het boek wonderbaarlijk terug, wat hem tot patroonheilige van verloren voorwerpen maakte.

Symboliek en verering:

Attributen: Lelie (zuiverheid), boek (kennis), het Christuskind (visioen), brood (liefdadigheid)

Beschermheilige van: Verloren voorwerpen, vrouwen en kinderen, armen, bakkers, reizigers, verliefden, en meer

Feestdag: 13 juni, gevierd met processies en Antoniusbroodjes, vooral in Padua

Zijn nalatenschap:

Basiliek in Padua: Zijn graf bevindt zich in de Basilica di Sant’Antonio, een belangrijk bedevaartsoord.

Kerkleraar: In 1946 werd hij uitgeroepen tot ‘Doctor Evangelicus’, een officiële kerkleraar vanwege zijn diepe kennis van het evangelie.

Sint-Antonius is niet alleen een heilige van wonderen, maar ook een symbool van intellectuele diepgang en

spirituele toewijding:

Zijn leven is een uitnodiging om nederigheid te combineren met krachtig geloof

Augustinus: fragment uit ‘de stad van God….

Augustinus : “Stad van God”

Augustinus : Uittreksel uit ‘de stad van God-

Eerste boek, nr 1.

De glorieuze stad van God is mijn thema in dit werk, dat jij, mijn liefste zoon Marcellinus,[25] voorgesteld, en die u verschuldigd is door mijn belofte. Ik heb haar verdediging op mij genomen tegen hen die hun eigen goden verkiezen boven de Stichter van deze stad, een stad die buitengewoon glorieus is, of wij haar nu zien zoals zij nog steeds leeft door geloof in deze vluchtige loop van de tijd, en als een vreemdeling vertoeft te midden van de goddelozen, of zoals zij zal wonen in de vaste stabiliteit van haar eeuwige zetel, waarop zij nu met geduld wacht, verwachtend totdat “de gerechtigheid zal wederkeren tot het oordeel,”[26] en het verkrijgt, door zijn uitmuntendheid, de uiteindelijke overwinning en volmaakte vrede. Dit is een groot werk, en een moeilijk werk; maar God is mijn helper. Want ik weet welk vermogen vereist is om de trotse te overtuigen hoe groot de deugd van nederigheid is, die ons, niet door een volkomen menselijke arrogantie, maar door een goddelijke genade, verheft boven alle aardse waardigheden die op dit veranderende toneel wankelen. Voor de Koning en Stichter[pagina 2] van deze stad waarover wij spreken, heeft in de Schrift aan Zijn volk een uitspraak van de goddelijke wet verkondigd in deze woorden: “God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade.”[27] Maar dit, wat Gods voorrecht is, de opgeblazen ambitie van een trotse geest, beïnvloedt ook, en houdt er zeer van dat dit tot zijn eigenschappen wordt gerekend,

“Heb medelijden met de nederige ziel,

En verpletter de zonen van hoogmoed.”[28]

En daarom moeten we, aangezien het plan van het werk dat we hebben ondernomen dat vereist en de gelegenheid zich voordoet, ook spreken over de aardse stad die, hoewel zij de heerseres is over de volkeren, zelf wordt geregeerd door haar heerschappij.

1. Van de tegenstanders van de naam van Christus, die de barbaren om Christus’ wil spaarden toen zij de stad bestormden.

Want aan deze aardse stad behoren de vijanden toe, tegen wie ik de stad Gods moet verdedigen. Velen van hen zijn inderdaad, nadat ze van hun goddeloze dwaling zijn gered, voldoende geloofwaardige burgers van deze stad geworden; maar velen zijn zo ontstoken van haat tegen haar, en zijn zo ondankbaar jegens haar Verlosser voor Zijn opmerkelijke weldaden, dat ze vergeten dat ze nu niet in staat zouden zijn om een enkel woord tot haar nadeel te uiten, als ze niet in haar heilige plaatsen, toen ze vluchtten voor het staal van de vijand, dat leven hadden gevonden waarop ze zich nu beroemen. Worden niet juist die Romeinen, die door de barbaren werden gespaard door hun eerbied voor Christus, vijanden van de naam van Christus? De relikwieën van de martelaren en de kerken van de apostelen getuigen hiervan; want in de plundering van de stad waren ze een open toevluchtsoord voor allen die naar hen vluchtten, of ze nu christen of heiden waren. Tot aan hun drempel woedde de bloeddorstige vijand; daar had zijn moorddadige woede een grens. Daarheen brachten degenen van de vijand die enig medelijden hadden met degenen aan wie zij genade hadden verleend, opdat niet iemand die minder genadig was hen zou treffen. En inderdaad, toen zelfs die moordenaars die zich overal elders meedogenloos toonden, op deze plekken kwamen waar datgene verboden was wat de oorlogsvergunning op elke andere plaats toeliet, werd hun woedende woede voor slachting beteugeld en hun gretigheid om gevangenen te nemen geblust. Zo ontsnapten de menigten die nu verwijten[pagina 3] de christelijke godsdienst, en schrijven Christus de kwalen toe die hun stad zijn overkomen; maar het behoud van hun eigen leven – een zegen die zij te danken hebben aan het respect dat de barbaren voor Christus hebben – schrijven zij niet toe aan onze Christus, maar aan hun eigen geluk. Zij zouden, als zij enige juiste waarnemingen hadden, de strengheid en ontberingen die hun vijanden hun hebben aangedaan, moeten toeschrijven aan die goddelijke voorzienigheid die de verdorven manieren van mensen door kastijding wil hervormen, en die met soortgelijke kwellingen de rechtvaardigen en prijzenswaardigen oefent, – hen ofwel, wanneer zij de beproeving hebben doorstaan, naar een betere wereld te verplaatsen, of hen nog steeds op aarde vast te houden voor latere doeleinden. En zij zouden het aan de geest van deze christelijke tijden moeten toeschrijven, dat, in tegenstelling tot de gewoonte van de oorlog, deze bloeddorstige barbaren hen spaarden, en hen spaarden omwille van Christus, of deze genade nu werkelijk werd betoond op promiscue plaatsen, of op die plaatsen die speciaal aan Christus’ naam waren gewijd, en waarvan de allergrootste als heiligdommen waren uitgekozen, dat aldus de volledige reikwijdte kon worden gegeven aan het uitgebreide mededogen dat verlangde dat een grote menigte daar onderdak zou vinden. Daarom zouden zij God moeten danken, en met oprechte belijdenis hun toevlucht zoeken tot Zijn naam, opdat zij zo de straf van het eeuwige vuur mogen ontlopen – zij die met leugenachtige lippen deze naam op zich namen, opdat zij de straf van de huidige vernietiging mochten ontlopen. Want van hen die u brutaal en schaamteloos de dienaren van Christus ziet beledigen, zijn er velen die die vernietiging en slachting niet zouden zijn ontkomen als zij niet hadden beweerd dat zij zelf dienaren van Christus waren. Maar nu verzetten ze zich, in ondankbare trots en goddeloze waanzin, en met het risico gestraft te worden in eeuwige duisternis, op perverse wijze tegen die naam waaronder ze zichzelf op frauduleuze wijze beschermden om te kunnen genieten van het licht van dit korte leven.

***********************

SÖREN  KIERKEGAARD

door Kris Biesbroeck

Inleiding

 

 Tussen de jaren 1842-1846 heeft Kierkegaard een ongelooflijk grote geestelijke prestatie geleverd. Hij is erin geslaagd een nieuwe wijze te vinden om het leven van de mens tot verwoording te brengen. Hij beschouwde het als zijn roeping, om de mens zichzelf te doen uitspreken, om het individu te brengen tot een bewustwording van zichzelf. Op deze wijze heeft hij een grote stoot gegeven aan het hedendaags denken. In de volgende hoofdstukken zullen wij trachten een kort overzicht te geven van zijn leven zelf en zijn gedachte. Na een beschrijving van zijn leven, in het eerste hoofdstuk, zullen we de twee grondgedachten die men kan onderscheiden bij Kierkegaard behandelen in het tweede en derde hoofdstuk als: zijn strijd tegen de systematische filosofie en theologie, en zijn strijd voor een heroïscher opvatting van het Christendom.

HOOFDSTUK   1

 Zijn leven en werken

 Soren Kierkegaard werd te Kopenhagen geboren op 5 mei 1813. Hij wordt de vader genoemd van het existentialisme.(De pedagoog Husserl vond de methode uit, de fenomenologie). Kierkegaards vader was een melancholiek, een pijnlijk angstvallige. Plicht en zonde domineren in zijn leven. ‘Het ontzettend lot, schreef Sören, van een man, die eens als kleine jongen op de Jutlandse heide de schapen hoedde, veel moest doorstaan, hongerde en het koud had en een heuvel beklom en er God vervloekte. En deze man kon dit niet vergeten hoewel hij 82 jaar oud werd’(Huebscher,A.,Twaalf filosofen, van Hegel tot Heidegger, Antw.,1966,pp41-42). Zijn leven lang droeg Sörens vader het besef van een niet te delgen schuld in zich. Hij nam het met zich mee in al die jaren, waarin hij zich in zijn beroep tot rijke handelaar in laken stoffen opklom en verder door de jaren van een vroeg gekozen, in angst en zwaarmoedigheid doorgebrachte tijd van stil leven. Dit besef lag als een schaduw van het noodlot ook aan het leven deze zijnen: Wanneer zou Gods oordeel hen treffen ? En wat betekende zijn dralen ? Dit alles heeft voor Sören zelf in grote mate zijn verder denken bepaald. Reeds jong spreekt zijn vader met hem over godsdienstige problemen. Soms bleef hij voor zijn zoon staan en zei:’ Sören, je bent op weg naar een stille vertwijfeling’ (Lowrie,W. Het leven  van Kierkegaard, Antw.,1959, p.42). Sören zelf was eenzaam op school, hij deed nooit mee in het spel met de anderen. Het was een stokoud kind, altijd naar binnen gekeerd. In zijn dagboek schrijft hij daar zelf over :’Ik was al een oud man als ik geboren werd’. En elders: ’Teergevoelig, mager en zwak, beroofd van bijna iedere voorwaarde om mij bij andere jongens aan te sluiten, of zelfs om in vergelijking met anderen voor een volledig menselijk wezen door te gaan. Zwaarmoedig, ziek van ziel, in veel opzichten  ongelukkig, had ik één ding: een buitengewoon spitse geest, mij vermoedelijk gegeven opdat ik niet weerloos zou zijn. Als jongen reeds wist ik mij bewust van mijn geestigheid en ik wist dat het mijn kracht was bij onenigheid met veel sterkere kameraden’ ( Lowrie W, Op.cit.,p34). Sören was een ziekelijke jongen, mismaakt, een hoge rug, een schreeuwerige piepstem, zwaarmoedig van karakter. Soms werd hij geplaagd omwille van zijn lichaamsgebrek, en dit vooral tijdens de ontspanning, maar hij beet altijd scherp van zich af. Zijn ironie is zeer bekend. Ook zijn opvoeding was zeer somber. Zijn vader is oud en reeds in de vijftig als Sören ter wereld komt, het is een autoritair, die zich altijd verdoemd waant om zijn zonden. Sörens omgang met zijn medemensen gaat dan ook zeer slecht. Dit verbetert echter als hij in 1830 naar de universiteit gaat. Hij moet van zijn vader theologie studeren om later predikant te worden. Hij neemt zijn studies echter licht op, gaat naar theater, op cafés en maakt veel schulden. Nochtans zijn zijn studies briljant, maar ze duren zeer lang. Er is niemand die er achter zit. Maar te midden van dat studentenleven overvallen hem problemen, hij gevoelt dat het dat niet is. Enkele gebeurtenissen zullen hem dan ook ernstiger maken : zijn moeder sterft in 1834 als hij 21 jaar oud is; ook sterven er nog twee zusters en een broer. Tevens is er nog het geheim en de dood van zijn vader (dat geheim is zeer mysterieus, men heeft het nooit kunnen ontmaskeren. Het moet echter zeer indrukwekkend geweest zijn). Nog datzelfde jaar schrijft hij in zijn dagboek : “Waar  het mij aan hapert is, dat ik niet in het reine kan komen waar het om gaat”. Het afsterven van zijn vrouw en drie kinderen deden de zwaarmoedigheid van Sörens vader  ook nog toenemen. Hij dacht dat hij omwille van zijn zonden gestraft was door God om al zijn kinderen te overleven. Zo dacht hij ook dat Sören  en zijn andere zoon Peter niet lang meer zouden leven; dit is echter niet waar geweest. In het ‘document met vergulde snede’ verhaalt Sören de verpletterende ervaring die hij in zijn 22e jaar meemaakte, en die een einde maakte aan zijn kinderjaren; of liever aan de periode die onmiddellijk aansloot op zijn kinderjaren, in zoverre dat hij toen nog zijn vader van harte onderdanig was en er nog niet aan dacht met de onafhankelijkheid van de jeugd nieuwe paden in te slaan of zijn eigen plannen te maken overeenkomstig zijn eigen genegenheid en talent.

“Toen geschiedde het dat de grote aardbeving begon, de vreselijke omwenteling, die mij plots een nieuw, onfeilbaar verklaringsprincipe van alle verschijnselen samen opdrong. Toen besefte ik dat de grote ouderdom van zijn vader geen goddelijke zegen was, maar eerder een vloek. Dat de uitzonderlijke geestesgaven van onze familie slechts dienden om elkaar te treffen. Toen voelde ik de stilte des doods rondom mij groeien, wanneer ik mijn vader zag als een ongelukkige, die ons allen moest overleven, als een grafkruis op de tombe van al zijn eigen verwachtingen. Een schuld moest op de hele familie rusten, een straf Gods haar drukken. Zij moest verdwijnen, uitgeveegd worden door Gods machtige hand, uitgewist als een mislukte poging, en slechts bij tussenposen vond ik enige leniging bij de gedachte dat mijn vader de zware plicht was opgelegd ons door de troost van het geloof tot rust te brengen, ons allen te verkondigen dat er toch een betere wereld voor ons zou openstaan ook al verloren wij alles in déze, ook al moest de straf ons treffen die de joden altijd hun vijanden toewensten: dat onze gedachtenis geheel en al zou worden uitgewist, dat men ons niet zou terugvinden”(DUPRé, L.Kierkegaards theologie, Antwerpen, 1957,pp21-22). Wat heeft hij in deze periode ontdekt ? Alleen dit is ons duidelijk, de zuil waartegen hij heel zijn leven steunde ging aan het wankelen. Hij zag in zijn vader niet meer de uitverkorene voor wie hij hem hield, er rustte een ondelgbare schuld op hem en heel zijn nageslacht. Wat heeft Sören tot deze ontdekking geleid ? Sommigen, zoals de bekende Kierkegaard-kenner W. Lowrie menen dat de oude Michaël zijn zoon bij gelegenheid van diens 22e verjaardag het geheim van zijn leven zou verteld hebben. Anderen menen dat Sören zelf achter de zonden van zijn vader zou gekomen zijn. Dit laatste lijkt het meest waarschijnlijke, o.a. omwille van de mythe van David en Salomon (Kierkegaard, S, Brevier, heruitgegeven door Schäfer P en Bense M, Wiesbaden, 1951,pp 15-16)in Quidams dagboek, die zeker in verband staat met wat zich hier heeft voorgedaan. In elk geval zag Sören plotseling heel het leven  van zijn vader die hij als een heilige had vereerd, in wanverhouding met God. De gevolgen waren vreselijk. Er volgde een tijd van totale ontreddering. Alles wat hem heilige was stortte ineen. Van nu af aan kwam hij veel dronken naar huis en leefde voortdurend op de rand van krankzinnigheid. Op zekere dag begaat hij een grote morele misstap, hij wordt door enkele vrienden naar een ontuchthuis meegetroond. Pas enkele maanden nadien besefte hij dat hij mogelijk een kind kon hebben verwekt. De toestand verergerde zienderogen en ten slotte is het vader en zoon onmogelijk geworden nog langer samen te blijven wonen. Sören huurt een kamer in de stad. Deze morele inzinking, juist op dit ogenblik, laat zich het best verklaren vanuit een sterke angst, gewekt door het bewustzijn van zijn vaders schuld. Drie jaar lang heeft hij met zijn vader in onenigheid geleefd. Op zijn 25e levensjaar heeft hij zich terug met zijn vader verzoend. Waarschijnlijk heeft zijn 82 jarige vader bij deze gelegenheid alles opgebiecht, waarschijnlijk heeft hij zelfs zijn zoon vergiffenis gevraagd, want Sören vermeldt in zijn dagboek ‘King Lears’ woorden tot zijn dochter :

“When thou dost ask me blessing, I’ll kneel down,

and ask of thee forgiveness”.

(“Als je me om zegen vraagt,

kniel ik neer en vraag je om vergeving”.)

Rond deze tijd greep ook Sörens bekering plaats.

 In 1840 vraagt Soren de hand aan Regine Olsen, de dochter van een hoge functionaris. Reeds de volgende dag beseft hij dat het een verkeerde keuze is. Hij droomt van een echte gemeenschap van denken met zijn verloofde. Hij tracht ze op te voeden met het diepe geloof van hemzelf. Hij tracht haar zijn gefolterd hart te doen begrijpen, maar ze is nog te jong en te oppervlakkig. Dit beseft hij reeds de volgende dag. Na een tijdje besluit hij dan ook van haar te scheiden. Dit was voor hem een zwaar offer, want hij zag haar heel graag. Om haar het scheiden gemakkelijker te maken, trachtte hij  de liefde bij haar uit te doven door enkele maanden nors te zijn tegen haar. Kierkegaard heeft echter een zeer ideaal beeld van het huwelijk. Zijn afstand van Regina kost hem dan ook zijn goede naam. “Pas getrouwd en reeds een breuk” zei men. Deze gebeurtenissen behandelt hij in zijn boekje “Vrees en beven”, onder de pseudoniem : “Johannes de Silentio”. Daar behandelt hij de grond van deze gebeurtenis, maar zo, dat zijn tijdgenoten het niet begrepen, Regina echter wel. Het gaat over de offerande van Abraham. Abraham kreeg van God het bevel zijn eniggeboren zoon te offeren. Zoals Abraham bevolen werd zijn innig geliefde zoon te offeren, zo werd aan Kierkegaard bevolen Regina prijs te geven, die hij boven alles beminde. Hij moest dus iets doen dat hij aan niemand kon uitleggen, en dat voor de wereld immoreel was. Daarom noemt hij zich hier ook “Johannes de Silentio”, alles wordt op een stille, verborgen wijze gezegd, zodat weinigen het begrijpen. Regina begreep het, en dat was voor hem voldoende.  Als motto voor dat boek geeft hij :”Wat Tarquinius Superbus in de tuin met zijn papavers besprak, werd wel door de zoon begrepen, maar niet door zijn boodschappers”. Ondanks de pijn die de scheiding hem veroorzaakte, was het besluit onherroepelijk. De scheiding was voor Kierkegaard een plicht, een plicht die slechts voor hem alleen aanvaardbaar was. Herhaalde malen had Regina’s vader getracht de scheiding terug goed te maken. Een daarvan beschrijft hij in zijn dagboek: Hij zei (Regina’s vader) : “Het is haar dood, ze is volkomen vertwijfeld”. Ik zei : “Ik zal haar wel gerust stellen; maar de zaak is beslist”.. Hij zei: “Ik ben een trots man, het valt mij zwaar, maar ik smeek u haar niet op te geven”. Rond die tijd beschrijft hij dan ook verder de scheiding zelf : “Zal je dan nooit trouwen”, vroeg ze. Ik zei : “Jawel, over tien jaar als ik uitgeraasd zal zijn. Dan heb ik weer een jeugdig meisje nodig om mij te verjongen”. Toen zei ze: ‘Vergeef mij wat ik tegen je misdaan heb’. Ik antwoordde: ‘Ik ben het die dat moet vragen’. Ze zei :’Beloof dat je aan mij zult denken’. Dat deed ik. Ze zei: ‘Kus mij’. Dat deed ik, maar zonder hartstocht. Barmhartige God !  (Kierkegaard – een keuze uit zijn dagboeken p.92-93).

In 1840 begint voor Kierkegaard een periode van intense activiteit, die eindigt bij zijn dood. Van 1840 tot 1850 leidt hij een dubbel leven: overdag beweegt hij zich in de wereld met veel succes trouwens. ’s Nachts geeft hij zich over aan zijn inspiratie en schrijft hij. De markante gebeurtenissen uit die tijd zijn niet alleen zijn werken, zijn boeken, maar twee opzienbarende polemieken, waartoe hijzelf het initiatief neemt. De eerste poleniek is gericht tegen het satirisch weekblad van de Kopenhaagse ‘beau-monde’, de ‘Korsaar’. Hij zegt van dat blad dat het demoraliserend is. Wij hebben vroeger reeds gezien dat hij reeds als kleine jongen niet bang was van grotere. Daarom durft hij het nu ook aan. Hij brengt het zo ver dat het blad verdwijnt. Maar vooraleer het zo ver is publiceert de ‘Korsaar’ een reeks artikelen die hem in een slecht daglicht stellen. Hij wordt er ronduit in uitgelachen, maar daardoor ook meteen beroemd, maar niet in de gunstige zin (Tondriau J., Kierkegaard: de moeilijkheid een mens te zijn ,1965,p21). Hijzelf meent dat een religieus schrijver vervolging moet lijden (cf. Lowrie,W.,Het leven van Kierkegaard, pp 131-145). De tweede polemiek is naar aanleiding van het overlijden van bisschop Mynster van Kopenhagen. Zoals het gebruik was bij alle grote mannen, wordt ook hier een lijkrede gehouden, ditmaal door één van zijn vermoedelijke opvolgers, de theoloog Martensen. Martensen verklaarde dat Munster getuige is geweest van de waarheid. Volgens Kierkegaard is dat niet waar. In zijn dagboek schreef hij reeds eerder over Munster: ‘De middeleeuwen meenden dat het christelijke is te  verzaken, ascese.  Munster meent ongeveer – en dat is trouwens het moderne standpunt-, dat het christelijke bestaat in ‘beschaving’.  Maar dat begrip beschaving is – zonder meer – uiterst vaag en kan vaak het tegendeel van het christendom inhouden, namelijk, als men er genot, verfijning, louter menselijke beschaving onder verstaat. Hij, zegt Kierkegaard, die staande wil blijven in de wereld, die wil getuigen voor de waarheid, krijgt voldoende ascese in zijn leven (Kierkegaard : een keuze uit zijn dagboeken, pp.123-124).

 Kierkegaard had een zeer ideaal beeld van het Christendom. Hij zag echter dat er in de praktijk van de geestelijkheid veel schijnheiligheid en komedie mee gemoeid was. Zo ook bij bisschop Munster. Het evangelie beleven ten koste van zijn leven, had hij moeten doen, of ten minste, dat het christendom dat de zondag wordt gepredikt niet dat van de maandag is, dat had hij ten minste nog moeten bekennen – zegt Kierkegaard, men kan er de maandag niets meer mee doen. Het komt dan ook tot een breuk met de gevestigde kerk. Een breuk die nooit meer hersteld is geworden. Hij komt hiertoe vanuit een overtuigend idealisme.

Kierkegaard verlangt niet oud te worden, en hij verwondert er zich over dat hij de dertig overleeft. In 1855 krijgt hij op straat een flauwte en sterft een paar dagen later zonder het avondmaal te gebruiken. Hij wilde het niet ontvangen uit de handen van een predikant.

 Peter – zijn enige broer nog in leven, en op dat ogenblik bisschop – houdt een indrukwekkende toespraak aan het graf. Zij ontaardt echter niet in rouw. Men wil de tekst voorlezen van de heilige Paulus aan de verflauwde kerk van Laodicea.

 Vooraleer met zijn eigenlijke leer te beginnen is het nuttig nog even een kort overzicht te geven van zijn werken. Schrijven is voor Kierkegaard een must, hij moet kunnen schrijven. Hij schrijft dan ook veel dat niet voor publicatie bestemd bv. Zijn dagboeken. Een deel is echter wel voor publicatie bestemd en daarin wil hij een zuivere uiteenzetting geven van het christendom, niet zoals de catechismus het altijd heeft gedaan, maar zoals Christus het heeft gedaan, in vertellingen, die de mens rechtstreeks aanspreken. Hij wil geen traditionele dogmatiek geven, geen rationele apologetiek. Hij wil de lezers rechtstreeks treffen in hun gemoed en hun verstand.  Daarom voert hij in zijn boeken bepaalde personen ten tonele – zoals Sartre en anderen het ook hebben gedaan. De lezer wordt aldus meegevoerd in een innerlijke strijd voor waarheid en geloof, maar krijgt nooit een pasklare oplossing. Hij stelt problemen, de mens wordt voor een keuze gesteld, die hijzelf zal moeten oplossen.

 Enkele werken :

 – Het begrip Ironie(1841).Proefschrift voor zijn doctoraat in de Theologie     

– Het één of het ander (1843)

– Vrees en beven (1843)

– Het begrip angst (1844).

– Stadia op de levensweg (1845).

– Liefdesdaden (1847).

– Ziekte tot de dood (1848)

 HOOFDSTUK II

  • 1 – Strijd tegen de systematische filosofie:

Kierkegaard reageert vooral op de filosofie van Hegel. Heel zijn werk is een reactie tegen de rede. De grondgedachte van Hegels filosofie is de identiteit van denken en zijn. De geest vindt zich terug in het menselijk bewustzijn – monisme – pantheïsme. De geest is God, al denkend ontstaan de dingen. God is in Evolutie, bij Hegel is er geen schepping. De geest brengt door het denken de werkelijkheid voort. Het individuele bestaat niet voor Hegel, alls wordt opgeslorpt door het bewustzijn, de geest.

We zijn in het jaar 1830, de grote dagen zijn voorbij voor Hegel in Duitsland, maar in Denemarken leven ze voort (Hegel: Het is een krachtige afwijzing van de idee dat de werkelijkheid volledig begrepen kan worden via abstracte, logische systemen) Kierkegaards haat is groot: hij verwijt Hegel drie dingen: ten eerste, dat de mens herleid wordt tot een gedachte van het grote Bewustzijn, tot een abstract wezen, terwijl hij een existerend wezen is in deze wereld. Alles is abstractie geworden zegt Kierkegaard, alles is IK geworden. Er is geen menselijke persoon meer bij Hegel, alles is geest geworden. Nee, zegt Kierkegaard, het is niet hét denken, maar een denken dat monoloog is met zichzelf. Hij haat Hegels monisme en pantheïsme, omdat daardoor de zelfstandigheid en de zelfbeslissing van de mens wordt opgegeven. Men zou hierbij kunnen opmerken dat Kierkegaard hier niet gans gelijk heeft. In bv. één van zijn leerstellingen zegt Hegel dat de mens geheel onderworpen is aan de staat, zijn vrijheid bestaat in deelachtigheid aan de vrijheid van de staat. Ter verduidelijking kan men stellen dat de mens het niet kan verhinderen dat de atoombom gebruikt wordt. De mens is inderdaad in zijn vrijheid veelal beperkt door de staat. Het tweede punt dat hij afwijst bij Hegel is zijn dialectiek : these – antithese – synthese. Namelijk, dat er een noodzakelijke overgang is van de aan elkaar tegengestelde these, over de antithese naar de synthese. Hegel wil alles verzoenen zegt Kierkegaard, de schijnbare tegenstellingen overwinnen door een hogere synthese. Of….of moet het zijn, maar niet en….en zoals Hegel beweert (Kierkegaard, een keuze uit zijn dagboeken, pp 33-95,p157). Als tegenstrijdige ideeën met elkaar worden verzoend, doet men ze verdampen, zegt Kierkegaard, ten slotte denkt men niets meer. Als alles waar is in zeker opzicht, is alles waar, het is waar of vals, in tegenstelling met Hegel die zegt : en…en. Verzoenen zegt Kierkegaard, de overgang van these over synthese naar antithese is fictief, ze is niet mogelijk in het domein van de existentie. Die overgang vereist een vrij scheppende wilsdaad van de mens, en deze ontsnapt aan de logica. Wilsdaad is juist het tegenovergestelde van wat noodzakelijk is. Ook aangaande dit punt moeten we Kierkegaard vooral kritisch lezen. Is het niet zo dat we deze Hegeliaanse dialectiek ook in onze geschiedenis kunnen waarnemen ? de Rooms-Katholike Kerk heeft eeuwen  verstard gezeten in verouderde wetten en gebruiken. Niemand kon daar buiten, tot het ogenblik dat de reactie daarop kwam en men nu geneigd is het andere uiterste te nemen. Zouden we ook hier onze verwachting niet mogen richten op een synthese, waar het goede van beide voorgaande tot een eenheid gebracht wordt ?. Als derde punt verwijt Kierkegaard aan Hegel zijn verregaande systematisatie (De Waelens A. Kierkegaard en de existentialisten, Tijdschrift voor filosofie, 1938 I, pp.829-830). Als Hegel erin slaagt een logisch systeem op te bouwen, stelt zich de vraag naar de reële waarde van zo een systeem. Zo een systeem is niets zegt hij, een systeem maakt beloften, maar houdt het niet vol. Het doet zich voort als integraal rationeel, een genot voor het verstand. Het wil feiten overal vervangen door absolute noodzakelijkheid.

Omdat de hypothese wordt vervangen door noodzakelijkheid, moet het één uit het ander komen, maar in feite doet men beroep op postulaten. Het ontwikkelt zich tot een fictie. Men begint bij de constructie bij het dak, het averechtse. Men moet integendeel eerst de maat nemen van het hoofd en dan pas van de hoed, zegt hij. Hegel doet juist het tegenovergestelde. Het streven naar een logische perfectie vernietigt de zin voor de werkelijkheid. De werkelijkheid is zeer complex. De werkelijkheid is juist datgene wat scheidt, zegt Kierkegaard. Hier wordt alles aan elkaar gebonden, men moet voortdurend nagaan of men nog in de werkelijkheid is. Daarom is té veel systematiseren gevaarlijk. De werkelijkheid bestaat uit existerende individuen, los van de gedachte. Als men tracht met de logica de werkelijkheid te begrijpen, begrijpt men juist niets, het doet ons voortdurend de zo noodzakelijke formule begrijpen. De dialectiek schakelt alle mysterie uit.

BESLUIT : Kierkegaard : ‘Er kan geen systeem van de existentie bestaan, elk logisch systeem is een mystificatie, het heeft niets met de werkelijkheid te maken. Als Hegel beweert dat er eenheid is van denken en zijn, dan is dit het echte zijn niet meer, zijn is aaneengeschakeld met denken ‘.

  • 2 – Strijd van Kierkegaard tegen de filosofie in het algemeen, in zoverre dat ze iets anders is dan de uitdrukking van de existentie. Kierkegaard veroordeelt een filosofie  die toegeeft aan de neiging om het universum te rationaliseren.

 Deze filosofie is eigen aan elke filosoof die toegeeft aan de neiging om het universum te rationaliseren, omdat het een genot is voor de geest, en dit om verschillende redenen. De rationele filosofie denkt en verklaart namelijk de wereld door middel van abstracte gedachten. Maar wat is de waarde van abstracte gedachten ? Ze maken abstractie van de individualiteit der dingen, ze laten de existentie buiten beschouwing. Ze hebben tot object de essentie, de ‘possibilia’. De existentiefilosofie daarentegen is de eigen bestaanswijze van de mens, een dier existeert niet. Een mens kan existeren, kan plannen hebben en streven naar iets anders. De essentie is niet het werkelijke, niet het existerende. Dit wil zeggen dat de filosofie, telkens als ze de existentie ontmoet, krachtens haar wezen genoodzaakt is deze te denken als niet existerend, als ‘mogelijkheid’ en dus ze te vernietigen. De mens in ’t algemeen bestaat niet voor Kierkegaard, aan de mens in het algemeen heb ik niets, zegt hij.

Verder wil de filosofie de werkelijkheid verklaren, en moet opgevat worden in de regels van de logica. Dat kan zo niet zijn, zegt Kierkegaard: de logica poneert haar mogelijkheden ‘sub specie aeternitatis’, haar regels zijn eeuwig, algemeen geldend. De werkelijkheid echter is tijdelijk, vloeiend en beweeglijk. De existentie is vloeiend en beweeglijk. De logica is noodzakelijk ‘agere sequitur esse’(Vertaling : Het handelen volgt uit het zijn”. De werkelijkheid is radicaal contingent. De regels van de logica zijn noodzakelijk, dat zijn de enige goede. Bij existerende individuen is er geen sprake van afwijzen, maar constateren, beschrijven. Contingente wezens wil zeggen, dat wij er evengoed niet zouden hebben kunnen geweest zijn. Noodzakelijk: God is noodzakelijk. De filosofie zoekt de waarheid op een objectieve, gedesinteresseerde, zelfloze wijze. Ze maakt abstractie van het bestaan van de denker zelf. Met andere woorden filosofie verstrooit, ze maakt zich belachelijk met zichzelf, ze vergeet te existeren.

Kierkegaard loochent niet de gegrondheid van de objectieve wetenschap, maar volgens hem betreffen haar uitspraken slechts het oppervlakkige IK,

  • 3. Strijd tegen de systematische theologie:

 Hier is de strijd nog heviger dan in het voorgaande, vooral omdat hier de zin van ’s mensen bestaan wordt in betrokken. De apologetica en de theologie hebben tot doel het geloof te rationaliseren. Voor Kierkegaard komt zo een onderneming noodzakelijk uit op een negatie van het geloof. En inderdaad heeft het geloof niets te maken met rationele, abstracte speculaties, waar onze catechismus altijd vol heeft van gestaan. Het geloof is juist het tegendeel, immers, het geloof is van de existentiële orde. Het geloof is geen ‘actus intellectus, geen gedachte en geen kennis, maar het geloof is een concrete relatie en communicatie tussen twee existerende wezens, ‘qui sistunt extra se’. God is voor de gelovige geen object, geen wezen zonder meer, hij is zelfs geen opperwezen, maar een ander IK. De gelovige mens zegt tot God :’Gij’. De god van de filosofie is geen gij, maar een ‘actus purus’. Het geloof beschouwd in de gelovige is ook geen daad van het verstand, maar het is een hartstochtelijke beweging en spanning van het gehele wezen. Het geloof bedoelt immers de eeuwige zaligheid, en daar streeft ik met gans mijn wezen naar. Kierkegaard zegt zelfs dat het van minder belang wat men gelooft dan hoe men gelooft. Verder is de geloofsinhoud paradoxaal en zelfs absurd. Wat ik kan begrijpen geloof ik niet. Geloven is zich godsvruchtig en onvoorwaardelijk onderworpen willen verweren tegen de ijdele gedachte van te willen begrijpen en tegen de ijdele inbeelding van te kunnen begrijpen. Het geloof biedt dus geen enkele objectieve zekerheid. Het impliceert altijd een totaal offer van het verstand. Hij herneemt de woorden van Tertullianus : ‘Credo quia absurdum’ (ik geloof omdat het in strijd is met het verstand).Men moet zijn verstand verliezen om God te winnen, dat is een act zelf van het geloof. Nochtans zegt hij ook dat de gelovige evenzeer zijn verstand nodig heeft : ‘De gelovige Christen heeft evenzeer zijn verstand nodig, juist om te zien dat hij tegen zijn verstand in gelooft. Daarom kan hij geen onzin tegen zijn verstand in geloven, zoals men zou kunnen vrezen, want het verstand zal doorzien dat het nonsens is en hem verhinderen er in te geloven. Maar hij heeft zijn verstand nodig om het onverstaanbare op te merken en daartoe verhoudt hij zich dan gelovend, tegen het verstand in’. Het is duidelijk voor Kierkegaard dat het gespeculeer van de theologie absurdheid is. Er is een radicale oppositie tussen geloof en rede. Het officiële christendom is in zijn ogen onredelijk geworden. Wat schiet er over van het christendom als men het heeft beroofd van zijn dramatisch element, van zijn passie om christen te worden, van zijn existentiële pathos – Paulus zou zeggen : van de dwaasheid van het Kruis. Er schiet niets anders over dan de gevestigde kerk : pastoors, beelden , relieken enz.., maar ze heeft niets meer te maken met het geloof, zodat het officiële christendom haar gelovigen bedriegt. Kierkegaard breekt met de gevestigde kerk. Wat we tot hiertoe zagen was een negatieve beschouwing. Die reactie is één met het primaat van de subjectiviteit, d.w.z. het is niet zo dat hij alleen maar afbreekt, maar hij zet er ook iets voor in de plaats.

 Wat hij daarvoor in de plaats stelt: De weg van de objectieve gedachte die los staat van de denker is gesloten, maar een andere weg blijft open nl. die van de zelfreflectie waardoor wij onze eigen subjectiviteit bekijken, ons eigen zelf bekijken, waardoor ik de natuur van mijn eigen leven naga. De innerlijkheid is juist de bron waaraan het eeuwige leven ontspringt. Wat ik ervaar, ervaar ik, we zijn niet meer in de abstractie.

 Het existentialisme is niets anders dan de vorm van mijn eigen wezen, de verduidelijking van mijn eigen existentie. Men ziet zichzelf leven. En indien dit iets universeels bevat, bv. De boeken die erover geschreven worden, is dat enkel een oproep om christen te worden, om te existeren. Het gaat om een existentiële analyse, welke tot doel heeft met menselijk wezen te beschrijven en er de fundamentele trekken van vast te leggen.

 Kierkegaard noemt deze trekken ‘Categorieën’, maar het zijn andere dan die van Aristoteles en van Emmanuel Kant. Bij Aristoteles en Kant zijn de categorieën intellectuele, objectieve, abstracte, universele elementen. Bij Aristoteles zijn het de hoogste, algemeenste, verder niet meer herleidbare begrippen waarbij men alle dingen kan thuis brengen. Bij Kant zijn het de wetten van de geest, die ons toelaten de feiten van de ervaring te verbinden en te begrijpen, bijzonder de causaliteit. Bij Kierkegaard zijn de categorieën concrete trekken, die de individualiteit uitmaken van elke mens.

 Enige van Kierkegaards categorieën:

De categorie van het unieke, van het individuele:

De mens is enig, zoals elke mens afzonderlijk is, zo is er geen ander. De mens is geïsoleerd, hij is een ‘segregatus’, doordat hij anders is dan de anderen. De mens is geen nummer in een serie, maar een wezen dat zijn vrijheid verovert, en vrijheid is persoonlijk. Iedereen bezit een persoonlijk leven dat men niet op de schouders van anderen kan leggen.

 De categorie van het geheim:

Elk bewustzijn vormt een gesloten wereld. De mens zit in zichzelf opgesloten, hij kan zich wel in zekere mate uitdrukken en doen kennen, maar al wat hij tot uitdrukking zal brengen zal zeer oppervlakkig zijn. Daarom geeft Kierkegaard zijn werken uit onder synoniemen (bv. Johannes de Silentio), en dit opdat hij niet gekend zou worden, want wat zich in het diepste van de mens afspeelt is een geheim. Men kan zich altijd wel één of ander gedacht of idee vormen van de anderen, maar het belangrijkste, de individualiteit zal ontbreken, dat is een geheim. Vervolgens bestaat ook de mogelijkheid een boodschap door te geven, het is een indirecte maar concrete existentiële communicatie. Dit kan gebeuren door het woord, maar ook door de stilte, op voorwaarde dat deze geschraagd wordt door het leven zelf of door de dood – het martelaarschap –  Het martelaarschap is een getuigenis van de waarheid. Het komt er hier dus niet op aan te getuigen door woorden, maar door de stilte en de dood. De hoogst mogelijke vorm van een existentiële is deze welke de toeschouwer toestaat te kiezen, terwijl men zijn vrijheid respecteert.

 De categorie van het worden:

 De mens is voortdurend in wording, de mens IS niet, maar is in wording. De mens doet een voortdurende poging om zichzelf te overschrijden, om zichzelf te verwezenlijken. Dit pogen maakt juist het wezen uit van de existentie. Dit plaatst de mens tegenover God, de mens IS geen christen, maar hij WORDT christen, elke beslissing moet steeds opnieuw genomen worden. Deze gedachte vinden we voortdurend bij Kierkegaard terug.

 De categorie van het ogenblik:

Het ogenblik komt tot stand uit een synthese van tijd en eeuwigheid. Het ogenblik is de eeuwigheid die neerdaalt in de tijd. Ondanks onze tijdelijkheid is er toch een eeuwigheid, er is een kern die zichzelf blijft.

In de tijd onderscheidt Kierkegaard drie niveau’s waarop de mens kan leven :

De esthetische levenshouding

De ethische levenshouding

De religieuze levenshouding.

 1. Het esthetische stadium:

Gericht op plezier, schoonheid en onmiddellijke bevrediging. De mens leeft hier oppervlakkig, vermijdt verantwoordelijkheid en zoekt afleiding in kunst, romantiek of intellectuele spelletjes. Maar: deze levenshouding leidt vaak tot verveling, leegte en wanhoop, omdat ze geen diepere zin biedt.

 2. Het ethische stadium:

Hier begint de mens verantwoordelijkheid te nemen voor zijn keuzes en leven. Morele plicht, trouw, en persoonlijke ontwikkeling staan centraal. De mens erkent dat zijn daden gevolgen hebben en probeert een goed leven te leiden volgens ethische principes.

Toch blijft er een existentiële onrust: moreel leven alleen biedt geen ultieme verlossing.

 3. Het religieuze stadium:

Dit is het hoogste stadium, volgens Kierkegaard.

De mens beseft zijn beperking en schuld tegenover God en maakt een “sprong van geloof” (leap of faith). Het geloof is niet rationeel te bewijzen, maar vereist overgave en vertrouwen. Hier vindt de mens innerlijke vrede en authenticiteit, door een persoonlijke relatie met het goddelijke.

Kierkegaard zag deze stadia niet als een vaste ladder die iedereen moet beklimmen, maar als existentiële mogelijkheden. Zijn punt was: echte betekenis ontstaat pas als je je leven bewust en persoonlijk vormgeeft — niet door systemen of dogma’s, maar door keuzes die je zelf maak

(We komen hier later op terug) In deze categorie is het van belang even stil te staan bij de esthetische levenshouding. De mens die thuis is in dit stadium leeft nog in een opeenvolging van gelijkwaardige momenten, los van elkaar. Hij leeft in een voortdurend verzwinden, hij leeft niet in het NU. Het eeuwige is een tegenwoordigheid die nimmer voorbijgaat. Welnu, God is eeuwig, Zijn houding is altijd dezelfde. De eeuwigheid treedt de tijd binnen in het ogenblik bij ‘’de volheid der tijden’, als Christus in de wereld komt en een tweede maal door de geloofsdaad in Christus. Daardoor wordt de eeuwigheid in het ogenblik binnengebracht en wordt de eeuwigheid ver-tijdelijkt. De mens die op een ander tijdstip leeft kan participeren aan de eeuwigheid door de geloofsdaad van Christus. Door ons christen-zijn treedt het eeuwige in ons leven binnen. Zo wordt de christen door Christus van zijn tijdelijkheid verlost, van zijn verbrokkeling. Alleen in verhouding tot God neemt de mens deel aan de eeuwigheid. De categorie van de keuze. De vrijheid is het grondigste kenmerk van de existentie, de mens is niet gedetermineerd, maar hij determineert zichzelf. Wat is nu een vrije daad ? Het is een absoluut begin, dus is het een irrationele daad, die noch kan voorzien, noch kan verklaard worden door de rede. Het is een keuze, men kiest het ene en men verwerpt het andere. Men moet ja of  neen zeggen en niet ja en neen, zegt Kierkegaard. In dit kiezen affirmeer ik uiteindelijk mezelf door de keuze. Door het feit dat ik kies, kies ik uiteindelijk mezelf. Elke keuze is functie van een inwendige keuze. De keuze is een fundamentele optie, waardoor ik mijzelf realiseer. Vrijheid is zichzelf kiezen, enerzijds instemmen met wat men is, en anderzijds willen worden wat men niet is. Maar deze twee aspecten overdekken eigenlijk elkaar, omdat het wezen van de mens bestaat in het worden.

De categorie van het vóór God. De subjectiviteit van Kierkegaard is niet subjectivistisch, dit wil zeggen: hij is niet gesloten in zichzelf, maar hij staat open voor de anderen. Hier is op de eerste plaats openheid voor God bedoeld. De mens is een eenzame tussen andere mensen, als men diep genoeg verzinkt, neerdaalt, komt men tot het transcendente, tot het Andere. ‘Deus interior intimo meo et superior summo meo. Redi in te, ibi habitat Veritas’   “God is innerlijker dan mijn innerste en hoger dan mijn hoogste, keer terug in jezelf, daar woont de Waarheid.” (Augustinus) De mens kan met God, en met Hem alleen in een rechtstreeks onmiddellijk contact treden, en dit door het geloof. Het christelijk leven is niets anders dan eenzaamheid voor God.

De categorie van de zonde. Deze categorie vloeit voort uit de vorige. Als de mens voor God gaat staan, voelt hij zich zondig ofschoon God zich openbaart in onze diepste existentie, is God daar toch aanwezig als Diegene tegenover wie ik schuldig ben, de totaal Andere, voor wie ik als zondaar moet verdwijnen. Tussen God en mij gaapt er een kloof die steeds breder wordt. In deze verhouding betekent elke stap vooruit, een stap achteruit. Kierkegaard noemt dit innerlijk achteruittreden voor God ‘achterwaards existeren’. Elke betrekking met Hem kan het onderscheid slechts verder accentueren. ‘De God van Kierkegaard is geen nabije God, het is een verre, de oneindig verre God. In de mate waarin de enkeling zich ontwikkelt, wordt God voor Hem steeds meer oneindig’ (J.Wahl. Etudes Kierkegaardiennes, p.341) Wanneer de mens de onoverbrugbare afstand tussen hem en God niet voortdurend voor ogen houdt, komt hij terecht in de valse vertrouwelijkheid van de mystiek. Men bespeurt in deze aanval duidelijk een verwerping van het middeleeuwse kloosterleven (Malantschuk – In het voetspoor van Kierkegaard- p 49). Het gaat hier bij Kierkegaard niet alleen over morele fouten, de zonde heeft een metafysische dimensie – het is de grondeloze afstand tussen de mens en God. Ze heeft natuurlijk daarbuiten ook nog een moreel karakter, omdat de ethiek de zonde aanwijst als het ontoelaatbare. Bovendien ontdekt men ook nog de tekenen van de erfzonde.

De categorie van de angst. Het gaat hier om bestaansangst. De angst is daarom niet hetzelfde als vrees, die zich steeds betrekt op iets bepaalds en eindigs: angst is de expressie van het eeuwige moment in de mens, zonder dit eeuwige is de angst in de mens zelfs niet mogelijk. In zijn oorspronkelijke staat beschikte de mens, zoals Kierkegaard het noemt, over ‘de beangstigende mogelijkheid om iets te kunnen; om zichzelf bijvoorbeeld af te keren van de aspiratie naar het eeuwige. In een zeer moeilijk werk ‘Het begrip Angst’ waaraan het juist geciteerde werd ontleend, tekent hij hoe de mens zich losmaakt van het eeuwige en de geschiedenis met de gevolgen van de erfzonde is begonnen. De mens doet een greep naar het tijdelijke, maar zal zich anderzijds nooit aan het andere moment in de synthese, het ‘eeuwige’ kunnen ontrukken. Zou hij dit kunnen, dan was hij daarmee aan het dier gelijk. De angst vormt samen met vrijheid en zonde een drie-eenheid.  Wanneer de vrijheid niet uit zichzelf verwerkelijkt en bepaald wordt, maar verloren gaat en de mens in onvrijheid leeft, dan wordt de angst de meerdere en wordt zij tot ‘vertwijfeling’. De mens wordt dan niet één met zichzelf, maar leeft in een toestand van zelfvervreemding. Verstandelijk gezien betekent het dan dat de mens zichzelf niet kent, hij leeft buiten de waarheid. Vrijheid is het inzicht dat alles mogelijk is, en dan nog door mij. Dergelijk inzicht is onafscheidbaar van de bekoringen en het idee tot zonde, want als ik mijzelf ontdek in mijn oneindige mogelijkheden, ontdek ik mijzelf ook in mijn volstrekte autonomie. Welnu, voor de mens is volstrekte autonomie zonde, omdat ze opstand tegen God is. Vandaar dan ook een fundamentele paradox. De mens is slechts werkelijk zichzelf als hij zichzelf kiest tegen God, in een daad van oppositie tegen God, een daad die hem bestempelt tot niets. De mens affirmeert zichzelf in het niets van de zonde. Dat voert vanzelf tot angst, die niets anders is dan een openbaring in een mens van het niets van het zijn.

 HOOFDSTUK  III

 Strijd voor een heroïscher opvatting van het Christendom:

De filosoof doet niets anders dan zijn eigen leven verwoorden. Dit geldt speciaal voor Kierkegaard, de hierboven beschreven Categorieën zijn Kierkegaardiaans, hij heeft ze zelf eerst voorgeleefd. Kierkegaard is zeer subjectief, hij beoordeelt alles vanuit zijn eigen standpunt. Zijn leer over de drie existentiële stadia, welke we reeds hebben vernoemd in de Categorie van het ogenblik is dan ook een verwoording, een vertaling van zijn persoonlijke ontwikkeling. In één van zijn werken, ‘Stadia op de levensweg’, beschrijft hij deze verschillende etappen die hijzelf heeft doorgemaakt. Ze beantwoorden aan de drie stadia. In zijn jeugd had hij een leven van genot en versnipperingen. Daarna heeft hij een eervolle poging gedaan om de weg van het huwelijk te bewandelen en tenslotte heeft Kierkegaard al zijn krachten ingespannen om vooruit te komen in het geestelijk leven, hij kwam bijna tot de mystiek. Het woordje ‘stadia’ is eigenlijk misleidend, het woordje ‘sfeer’ zou hier beter passen, omdat de mens ze niet noodzakelijk achtereenvolgens doorloopt, en het betekent ook niet dat de overgang van het eerste stadium naar het andere automatisch zou gaan. In werkelijkheid is de stadia een existentieel type, waarin men zich kan opsluiten heel zijn leven lang, en dit slechts kan verlaten door de vrijheid. Het onderscheid tussen de verschillende typen vertoont een zekere gelijkenis met de ‘ordres’ van Pascal. Pascal heeft drie ordres : l’ordre des corps, l’ordre des esprits – dit zijn de intellectuele waarden, en l’ordre de la charité – welke de bovennatuurlijke waarden zijn. De christen van Pascal leeft noodzakelijk op de drie vlakken tegelijk. Bij Kierkegaard sluit de eerste sfeer de andere uit, door de wijze van existeren bevind ik mij in de ene OF het andere. Nu zullen wij de drie stadia van Kierkegaard achtereenvolgens in het kort behandelen.

Deze drie stadia zijn

het esthetische, het ethische en het religieuze.

 Het esthetische:

 De mens die leeft in het eerste stadium, leidt een leven van genot. Het is een zoeken naar plezier in alle gevarieerde vormen. En wanneer hij zich verheft boven de lagere vleselijke genietingen, dan is het maar voor het genot van de kunst of van het denken. De estheticus bij Kierkegaard is een dilettant, ook hijzelf is dat geweest, daarom bleef hij ongehuwd. Hij leefde aan de oppervlakte van zichzelf. Het is een positivist, hij houdt zich aan  tastbare, waarneembare feiten, hij gelooft niet in schone theorieën, maar houdt zich aan wat hij ziet. Een estheticus kan denken over alles, maar hij blijft er buiten. Hij denkt als een rationalist in de abstracte mogelijkheid. De estheticus erkent echter vlug de ijdelheid van het genot, omdat een genotsmoment vluchtig is, het heeft niet suit te staan met het eeuwige dat in de mens is, tenzij dan door het ‘taedium vitae’, de afkeer van het leven, levensmoeheid. Deze standvastigheid in de onstandvastigheid is een teken van diepe wanhoop die zich openbaart in melancholie. Indien de estheticus aan die wanhoop wil ontsnappen, moet hij er zich bewust van worden. Dan dringt zich aan hem de noodzaak op te denken aan zijn actuele toestand en aan iets anders. Een mens ,die tot wanhoop gekomen is staat voor een keuze : ofwel redding, ofwel ondergang. Door de existentiële sprong kan de mens alsnog tot een hoger stadium komen.

Het ethische:

Gekenmerkt door verantwoordelijkheid, plicht en morele reflectie. De persoon erkent zijn rol in de samenleving en streeft naar een goed leven. Er is een besef van schuld en persoonlijke groei. Voorbeeld: iemand die zijn leven in dienst stelt van rechtvaardigheid, gezin of beroep

De ethicus leidt een ernstig leven, een leven geheel gewijd aan de vervulling van de plicht. Hij is de verpersoonlijking van de Kantiaanse moraal. Bij Kant valt het zedelijk goede samen met het zedelijk verplichte. De ethische mens is gewoonlijk getrouwd, in elk geval rechtschapen en handelt goed. Voor zijn rechtschapen trouw ontvangt hij dan ook zjjn loon, nl. Innerlijke vreugde ‘cum pietate felicitas’. Maar de ethisch levende mens is eigenlijk ook nog niets, alleen de mens levend in de religieuze sfeer treedt in de tijd in contact met de eeuwigheid. Gekenmerkt door verantwoordelijkheid, plicht en morele reflectie

Het religieuze:

Hier worden de banden met het algemene verbroken. De mens die leeft met wetten, normen, verplichtingen enz.. leeft in het algemene. De religieuze mens treedt als individueel subject met de concrete historische persoon van Christus in contact, met de levende persoon Christus. De religieuze mens zoekt zijn hoogste interesse niet bij zichzelf, maar bij Christus. Hierdoor treedt hij in de tijd in contact met de eeuwigheid. Het religieuze leven is essentieel een leven van: Liefde, Gebed en Strijd.

Het diepste stadium, waarin men zich onderwerpt aan God, vereist een “sprong van geloof” (leap of faith), voorbij rede en ethiek.

De mens erkent zijn existentiële afhankelijkheid en zoekt verlossing. Voorbeeld: Abraham in Vrees en Beven, die bereid is zijn zoon te offeren uit gehoorzaamheid aan God

Liefde :

God is Liefde, en deze liefde die God is achtervolgt de mens tot in de diepte van de zonde. De zonde van de mens is de geschiedenis van Gods liefde. God is de mens komen opzoeken in zijn zondige natuur, zodat Hij zelf Mens is geworden. Liefde betekent dat Hij alles wil doen om je te helpen Hem te beminnen dwz veranderd te worden om op Hem te gelijken. Het komt er nu op aan dat ik existentieel realiseer dat God voor mij op de wereld is gekomen. In Christus ontmoet God de mens persoonlijk. Zo raakt de mens slechts als afzonderlijk persoon, want genade woont niet in gemeenschap, maar komt slechts voor in de ontmoeting van de mens met God. Wel gelooft Kierkegaard in sacramenten die slechts door de Kerk kunnen worden toegediend bv. Het doopsel. Hij verzet zich echter tegen elke ban die de gelovige samenbindt met het mystieke lichaam van Christus, want als men dit aanneemt geeft men de subjectiviteit prijs. Daarmee zou ook de verantwoordelijkheid voor God verminderen, en zouden de poorten opengaan voor aflaten en andere automatische verdiensten ‘Op het ogenblik dat men zich met vier shillings op de kosten der geestelijke gemeenschap van zijn zonden kan vrijkopen, komt het religieuze in de kategorie van het komische terecht’ zegt hij. Gods tegemoetkoming vraagt van de mens als tegenprestatie een zelfloze overgave van geloof en liefde. Deze liefde participeert echter aan het constitutieve element van elke Godsverhouding: namelijk, het oneindig schuldgevoel. Tegenover God blijft de mens altijd onder de maat. Het gebod van naastenliefde draagt onze eeuwige schuld tegenover God op onze verhouding tot de anderen over, zij delen in Gods onaflosbare schuldvordering op ons. ‘Onderhoud tegenover niemand enige schuld, tenzij de onderlinge liefde (Rom.13,8).Betaal al uw schulden af, maar liefdesschuld wordt nooit afbetaald, we zijn altijd schuldenaren tegenover elkaar. Het idee van afbetaling breekt de liefde, liefde moet altijd zichzelf transcenderen. In de essentiële onvolmaaktheid ligt de volmaaktheid van de liefde.

Gebed:

 Het religieus christelijk leven is verder een leven van gebed. Mijn geloof in, en mijn overgave aan God wordt noodzakelijk tot een gebed. Alleen in het gebed kan ik uitdrukken dat Hij alles voor mij is geworden, en ook oneindig is geworden. Niet alles waarom de mens bid wordt uitgevoerd door God, de tegenstelling tussen ons en God is daarom té groot. Maar aangezien deze tegenstelling voortkomt uit de zondigheid van de mens en zijn ware belangen aan Gods kant liggen, kan de mens slechts zegevieren door een totale overgave aan God. In de strijd met God betekent alleen de nederlaag een zegepraal, de hoofdzaak is dan ook niet zoiets zoals de onmiddellijke mens meent, of ik de gevraagde gunsten bekom. Het echte gebed begint pas daar, waar de zorg om de bijkomstigheden ophoudt. God kan niet anders worden. De mens echter is veranderlijk. God is anders geworden om te tonen dat Hij onveranderlijk is, voor mij is Hij veranderd, niet voor Hem zelf. Het is door zijn liefde en zorg voor ons dat Hij heeft getoond dat hij onveranderlijk is. Wij echter moeten bidden om anders te worden, want als men goed heeft gebeden, eindigt het gebed altijd op een amen, dwz. Dat we in alles Gods wil zullen zien, want tijdens het gebed is God Hem hoofdzaak geworden. Datgene waarom men bad is teruggebracht op de ware plaats in het heilsplan van God. Het komt er inderdaad niet op aan te bidden totdat God hoort wat men Hem vraagt, maar totdat wijzelf horen wat Hij ons vraagt. Zo zal de ware functie  van het gebed niet bestaan in een omvorming van de wereld, maar van mijzelf. Ikzelf wordt vernieuwd, ik doe nieuwe ademhaling op. De grote moeilijkheid bij het gebed echter is dit eeuwig ‘amen’ uitte spreken, zo ‘amen’ te zeggen dat er geen woord, geen enkel meer bij moet, maar dat het enige dat mij voldoening geeft en mij vervult, juist dit ‘amen’ zelf is, dat ik in alles Gods wil wil doen.

 Strijd.

Dit is het derde aspect van het religieuze christelijk leven. De mens wordt in staat gesteld door zijn persoonlijke verhouding met God, om in zijn eigen leven de grondregels van elke religieuze ethiek, namelijk: het absolute, absoluut te nemen, en het relatieve, relatief. Praktisch betekent dat dat het er voor de gelovige slechts op aan komt één Heer te dienen. God is in zijn leven niet de hoofdzaak, maar Hij is er de Enige. In de ethische sfeer bestaat God  ook, maar Hij is er niet de enige. Heel het bestaan van de strijdende mens wordt gericht op het woord van de schrift: ‘Men kan geen twee heren dienen’(Mt.6,24). Die houding verwerpt echter het aardse niet onvoorwaardelijk, want daardoor zou men weer iets relatief absoluut stellen, zij het op negatieve wijze. De middeleeuwse ascese heeft dat gedaan, zegt Kierkegaard, ze heeft zich té veel door boetepraktijken en zo meer laten leiden. De absolute tegenstelling tussen God en de eindige wereld heeft zich uitgedrukt in het kloosterleven, aldus Kierkegaard. De juiste houding onderstelt dat de gelovige op elk ogenblik zijn relatieve doeleinden ziet in het licht van het absolute, en daarin zijn doel stelt: dat hij God bemint op dezelfde wijze als God ons in de wereld heeft bemind. Wie zonder meer aan het aardse voorbij wil om onmiddellijk met God in contact te treden, miskent de oneindige afstand die er is tussen hem en God, aldus Kierkegaard. De nieuwe ethiek wordt op de eerste plaats een inwendige houding, het specifiek christelijke blijft verborgen voor buitenstaanders. Later ziet Kierkegaard echter meer en meer in dat het christelijk leven ook uiterlijk moet beleefd worden. Er bestaat maar één weg om tot de innerlijke zelfverloochening te komen, nl. ook uiterlijk iets te verzaken, zoals we op aarde zijn moet de geest belichaamd worden.

De ethiek van de verborgen innerlijkheid ziet Kierkegaard als een compromis met de wereld. Hij voert een felle strijd tegen dit verborgen christendom dat geen strijd meer kent, en richt zijn kritiek op de verkapte huichelarij van de kerk. Zo komt hij tot de slotsom dat slechts in de uiterlijke navolging van Christus de ethiek van het geloof werkelijkheid wordt. Hiermee sluit hij zich aan bij een eeuwenoude christelijke traditie: de navolging van Christus.

Maar hoe is Christus mijn voorbeeld? Niet in de eerste plaats als mens, maar als God. Slechts doordat Hij God is, kan zijn leven de idealiteit van het mijne uitdrukken. Over een ideaal mens kan men slechts spreken als die mens ook tegelijk God is. Zo alleen kan Hij ons de goddelijke wijze om mens te zijn concreet openbaren.

Christus eist niet van iedere christen heldhaftigheid, maar van allen nederigheid genoeg om oprecht te zijn. Alleen wie onoprecht is, en zich voorspiegelt dat er van hem niet meer vereist wordt dan hij in feite presteert, snijdt de genade de weg af en hoort nergens thuis in het christendom. Voor de meesten bestaat de rol van navolging erin zich tot deemoed te brengen. Iedereen moet zichzelf meten aan het ideaal van Christus’ voorbeeld. Juist door tekort te schieten bereikt de christen het beoogde resultaat: de deemoed.

Het christendom betekent inderdaad essentieel christen worden — het is geen toestand van christen-zijn. Zo begrijpt men dat voor Kierkegaard het bestaande dat rust en vrede kent, een onchristelijk begrip is. Het bestaande is wordend; alles is in wording. Zijn christendom kent rust noch vrede. Onvermoeid moet het christendom ten aanval trekken tegen elke vorm van berusting in het bestaande.

De ware Kerk is altijd strijdend, zij is in voortdurend verzet met de wereld die tegen God werkt. Kierkegaard verwijt de kerk echter dat ze een pakt heeft gesloten met de wereld, die niet strijdt tegen alle misbruiken. De weerstand heeft plaatsgemaakt voor numerieke veroveringen. In haar zuivere vorm is deze Kerk slechts te vinden bij Christus en de Apostelen. En eigenlijk is de fout reeds bij de Apostelen begonnen: “Christus won in drie jaar en een half slechts elf leerlingen, terwijl één apostel in één dag, in één uur er drieduizend won.”

Elk van de drie hierboven beschreven existentiële stadia laat zich definiëren door een fundamentele pathos: genieten, handelen en beminnen — en door een grote etappe van de menselijke geschiedenis:

                    Esthetische – heidendom – genieten

                    Ethische – jodendom – wet

                    Religieuze – Christendom – liefde

Hoe kan men nu van het ene stadium naar het andere overgaan? 

Dit gebeurt niet door een geleidelijke, progressief voortschrijden. Er is slechts één middel : de existentiële sprong. Met sprongen gaat de mens vooruit als hij een keerpunt ziet. Deze sprong wordt gedaan in vrijheid. Bekering is geen morele verbetering van een vroegere beweging, er is geen continuïteit, zij gooit de vroegere beweging om, ze negeert het verleden. Bekering is ook een radicaal initiatief, men begint nu pas te leven. Door zijn vrijheid is de mens bekwaam zichzelf te transcenderen.  Na een tweede bekering is het leven helemaal anders. Niemand kan kan het voor jou doen, geen enkele logica, het is een risico, een sprong, en men weet niet waar men uitkomt daarmee. Ofschoon er geen brug is tussen die existentiële typen, toch bestaat de mogelijkheid om zich op de sprong voor te bereiden. Deze voorbereiding voltrekt zich volledig in de lagere sfeer en bestaat hierin dat men tot het besef komt van de ontoereikbaarheid en de ijdelheid van deze existentiële vormen. In de esthetische levensvorm is deze dialectiek de ironie. In de ethische levensvorm is het de humor.

 De ironie.

 In zijn dagboek beschrijft Kierkegaard de ironische levenshouding als een – samentreffen van een ethische passie die inwendig het eigen IK oneindig accentueert, met de kunst om in de uiterlijke omgang van datzelfde IK oneindig te abstraheren. De ironie ontstaat door de tegenstelling tussen de oneindige eis van het ethisch bestaan, en de vele kleinigheden van het sociale leven die er altijd op gericht zijn mij van dit ‘unum necessarium’ af te brengen. De ironie brengt de estheet tot inzicht dat het genot waaraan hij zich heeft gewijd, hem niet bevredigen kan, dat het hem niets anders dan walging bezorgt. Het is ook met opzet dat de ironicus zich uitdrukt in een verschijningsvorm die zo ver mogelijk van zijn innerlijk afwijkt, om aldus de tegenstelling op de spits te drijven en zich tevens in een bewuste aanvaarding ervan te distantiëren. Alleen de aanvaarde contradictie van de ironie kan een brug slaan tussen de oneindige inwendigheid en de overal falende uiterlijke verwezenlijkingen. Dank zij zijn ironie verduikt hij voor de buitenstaanders de oneindige hartstochtelijkheid van zijn eigen IK. De massa van de mensen leeft echter omgekeerd, het zijn estheten, geen ionen. De massa leeft in de onmiddellijkheid, ze spannen zich in om iets te zijn, zodra ze gezien worden. Zij zijn in hun eigen iets als anderen hen bezien, maar binnenin waarin de Absolute Eis hen aanschouwt, hebben ze geen lust om het eigen IK te beklemtonen. De ethische mens gebruikt zijn incognito, omdat hij de tegenstelling begrijpt tussen de wijze waarom hij in zijn binnenste bestaat en de onmogelijkheid om deze bestaanswijze te veruiterlijken.

 Humor:

 Ook hier hult de religieuze existentiële vorm zich in een incognito. Wat de ironie is voor de zedelijke mens, is de humor voor de godsdienstige. De humor onttrekt de verborgen innerlijkheid der godsdienstigheid aan de opmerkzaamheid. Hij gaat uit van de onmogelijkheid het innerlijk godsdienstige een uiterlijke gestalte te geven. De humor heeft uiteraard geheel het menselijke als object, hij weet dat in alle menselijke dingen grootheid en kleinheid samengaan. Essentieel is dat het humoristisch subject hierbij ook zichzelf niet uitsluit. De humorist ziet dus geheel zichzelf, niet alleen zijn uiterlijke verschijning voor de anderen, maar ook zijn innerlijk, als essentieel onvolmaakt en contrasterend met de Oneindige Volmaaktheid. Als zodanig betekent de humor een voorstadium van het religieuze, en een bevrijding uit de inwendige gespletenheid, mijn eigen kleinheid, uit mijn zondigheid. De gewone uitdrukkingsvorm is een zachte ironische uitdrukking waarin de bitterheid plaats heeft gemaakt voor mededogen met het menselijke kleine. De humor geeft zin voor het relatieve van alles, hij zet aan tot welwillendheid en overgave, en bereid aldus de sprong voor naar het religieuze. De religieuze sfeer heeft haar inwendige dialectiek, die de mysticus altijd verder, hoger drijft, zonder dat het hem ooit mogelijk is stil te staan en te rusten. Deze dialectiek is de liefde die de essentie is van het Christelijk leven.

 SLOTBESCHOUWINGEN

Kierkegaards filosofie is wezenlijk een christelijke filosofie, vermits zij zich gans concentreert op het christelijk Existeren. En indien het waar is dat alleen de religieuze, meer bepaald de christelijke houding met al wat zij aan verscheurdheid en angst impliceert, samenvalt met het eigenlijke leven van de mens, dan volgt hieruit date en coherent existentialisme, dwz. Een existentialisme dat trouw is aan al de eisen van een authentisch existeren noodzakelijk een christelijk existeren is, of laten we zeggen , om de abstractie te vermijden, een existentialisme dat zich gans toespitst op het christen WORDEN. In deze zin is Sartre beslist geen volgeling van Kierkegaard. Hij heeft een copernicaanse zwenking gemaakt en zijn centrum van God naar het niets verlegd, het ‘nean’t. Sartre is echter wél een existentialist, hierin komen Sartre, Jaspers, Marcel en Kierkegaard overeen, dat ze strijden voor het recht van de enkeling dat door geen systeem man vermoord worden.

We kunnen en hoeven niet met alles wat Kierkegaard gezegd heeft akkoord te gaan. Toch heeft hij ons een weg getoond hoe wij in het leven moeten staan. Zijn houding tegenover de officiële Kerk is ook vandaag voor ons om over na te denken. Hoe ver staan de Rooms Katholieke Kerk, de Orthodoxe Kerk, de protestantse kerken ook vandaag nog niet verwijderd van de oorspronkelijke boodschap van Christus ? Wat is de ware kerk ? Voor Kierkegaard is dit duidelijk : de ware Kerk is deze die doet wat Christus gedaan heeft. Maar alle luxe en schandalen in vele kerken, de gebondenheid van vele kerken aan de wereldlijke macht. De mens moet leren zelf te existeren, zelf zijn bestaan in handen te nemen, en zich niet laten beïnvloeden door allerhande regeltjes en wetten, die niets te maken hebben met de oorspronkelijke boodschap van het Evangelie. Hoevelen, binnen de kerk worden er niet, via hun geestelijke leider, beïnvloed ? Men hoeft zelf niet te denken: iemand anders zal het wel in mijn plaats doen, of het goed is of niet maakt niet terzake. Op een bepaalde vraag zegt iemand : ‘ik weet het niet, ik moet het eerst aan mijn geestelijke leider vragen’ , alsof die man ALLES weet. Er lopen zovele mis-leiders rond. Hun boodschappen staan soms zeer ver van de evangelische boodschap van Christus. Dit alles en nog veel meer drukt Kierkegaard ons op de geest: Leef volgens het evangelie van Christus. Moge dit artikel hiertoe een bijdrage zijn

 Kris Biesbroeck  – Leuven 1970

Aangehaalde boeken en tijdschriften :

 LOWRIE,W Het leven van Kierkegaard

HUeBSCHER,A : Twaalf filosofen, Van Hegel ,tot Heidegger

DUPRé ,L : Kierkegaards theologie

KIERKEGAARD,S : Brevier

KIERKEGAARD,S : Een keuze uit zijn dagboeken

STÖRIG,H : Geschiedenis van de filosofie

TONDRIAU,J : Kiergegaard : de moeilijkheid een mens te zijn

JOLIVET,R : Introduction a Kierkegaard

DE WAELENS,A : Kierkegaard en de existentialisten – tijdschrift voor filosofie

WAHL,J : Etudes Kierkegaardiennes

Pascal, B : Pensées

HOHLENBERG,J : L’Oevre de S.Kierkegaard

Van Munster, H : Sören Kiergegaard

KIERKEGAARD S, Furcht und Zittern (Vrees en beven)

VAN NIEUWENHUIZEN :Dialectiek van de vrijheid : zonde en zondevergeving bij Kierkegaard

***************

 

Charles de foucault: Gebed van Overgave….

Mijn Vader, Ik geef mij over aan U,

doe met mij wat U behaagt.

Wat U ook met mij doet, ik dank U.

 Ik ben tot alles bereid, ik aanvaard alles.

 Als slechts Uw wil geschiedt in mij,

in al Uw schepselen, dan verlang ik niets anders,

mijn God. Ik leg mijn ziel in Uw handen.

Ik geef ze aan U, mijn God,

 met heel de liefde van mijn hart,

omdat ik van U houd,

en omdat het mij een behoefte

van liefde is mijzelf te geven,

mij over te leveren in Uw handen zonder maat,

met een oneindig vertrouwen,

want U bent mijn Vader.

 

Charles de Foucault

———–

Een prachtig gebed van volledige overgave en vertrouwen.

Het gebed—vaak genoemd het Gebed van Overgave van Charles de Foucauld— is een diep spirituele tekst die zijn oorsprong vindt in een meditatie die hij schreef in 1896,  niet als een formeel gebed, maar als een persoonlijke overpeinzing2.

Historische en spirituele context:

Charles de Foucauld (1858–1916) was een Franse militair, ontdekkingsreiziger en later monnik en priester. Na een intense bekering rond zijn 30ste koos hij voor een  radicaal leven van eenvoud en navolging van Jezus, eerst als trappist, later als kluizenaar in de Sahara.

Het gebed is geïnspireerd door de laatste woorden van Jezus aan het kruis:“Vader, in Uw handen beveel ik mijn geest” (Lucas 23:46).

Charles wilde zich in zijn meditatie volledig verenigen met deze overgave van Christus. De tekst drukt een volledige toewijding aan Gods wil uit, een overgave zonder voorwaarden, gedreven door liefde en vertrouwen.

Het is een spirituele daad van loslaten, van het eigen ego en controle, en het zich toevertrouwen aan de goddelijke leiding.

Gebruik en betekenis vandaag:

Het gebed wordt wereldwijd gebruikt door mensen die zich verbonden voelen met de spiritualiteit van Charles de Foucauld, waaronder leden van zijn spirituele familie en religieuze gemeenschappen.

Het is niet alleen een gebed voor stervensmomenten, maar ook voor het dagelijks leven—een manier om je hart open te stellen voor Gods wil, zelfs in onzekerheid, lijden of vreugde.

Waarom het zo krachtig is:

Het gebed is radicaal in zijn eenvoud: geen smeekbeden, geen voorwaarden, enkel liefdevolle overgave. Het spreekt tot mensen die verlangen naar innerlijke rust, vertrouwen en een diepere relatie met God, vooral in tijden van twijfel of verandering.

Het Gebed van Overgave van Charles de Foucauld heeft door de jaren heen velen geraakt en begeleid, vooral in momenten van onzekerheid, lijden of spirituele zoektocht.

++++++

 Hier is hoe het mensen helpt:

1.Innerlijke rust door loslaten:

Het gebed nodigt uit tot een radicale overgave aan God. In plaats van te vechten tegen omstandigheden of te blijven piekeren over wat komen gaat, helpt het mensen om innerlijke vrede te vinden door te zeggen: “Ik aanvaard alles, als Uw wil maar geschiedt.”

Dit is bijzonder krachtig in situaties van ziekte, verlies of levenskeuzes, waar controle vaak ontbreekt.

2.Vertrouwen in Gods liefdevolle leiding:

De herhaalde affirmatie “Gij zijt mijn Vader” herinnert mensen eraan dat ze niet overgeleverd zijn aan het toeval, maar gedragen worden door een liefdevolle God. Dat schept vertrouwen, zelfs als de weg onduidelijk is. Het gebed wordt vaak gebruikt in retraites, kloosters en persoonlijke meditatie om dat vertrouwen te verdiepen.

3.Bevrijding van angst en prestatiedruk:

In een wereld die veel vraagt—succes, controle, perfectie—biedt dit gebed een alternatief pad: leven vanuit overgave en liefde in plaats van angst en prestatie. Het helpt mensen om hun identiteit niet te baseren op wat ze doen, maar op wie ze zijn in relatie tot God.

4.Verbinding met Christus:

Charles schreef dit gebed als een meditatie op de laatste woorden van Jezus aan het kruis: “Vader, in Uw handen beveel ik mijn geest.” Door dit gebed te bidden, verenigen mensen zich met het lijden én de liefde van Christus.

5.Universele toepasbaarheid:

Het gebed is vertaald in vele talen en wordt wereldwijd gebruikt door mensen van verschillende achtergronden. Het is niet gebonden aan een specifieke levensfase—het is even krachtig voor jongeren die keuzes maken als voor ouderen die terugblikken.

 

https://www.charlesdefoucauld.org/nl/priere.php

***************

“Ga niet rondvragen hoeveel je hebt, maar

wie je bent.

Ware gelukzaligheid bestaat niet in veel

bezitten, maar in tevreden zijn met

weinig.”

St.Augustinus-

+++++++++++++

Sint-Augustinus (354–430), een van de invloedrijkste kerkvaders van het Westen, ontwikkelde een diepgaande christelijke filosofie die eeuwenlang het denken heeft gevormd.

Hier zijn zijn belangrijkste kernideeën:

1.Innerlijke zoektocht en zelfkennis: Augustinus benadrukte dat ware kennis begint bij zelfreflectie: “Keer terug naar jezelf; in het innerlijk van de mens woont de waarheid.” Zijn beroemde werk Confessiones is een spirituele autobiografie waarin hij zijn innerlijke strijd en bekering beschrijft.

2.Genade en de rol van God:

Hij stelde dat de mens door de erfzonde geneigd is tot het kwaad en niet uit eigen kracht verlost kan worden. Alleen door Gods genade kan men tot geloof en verlossing komen. Dit idee beïnvloedde later het denken van o.a. Maarten Luther.

  1. Liefde als hoogste goed

Augustinus maakte onderscheid tussen:

Caritas (goddelijke liefde): gericht op het eeuwige en het goede.

Cupiditas (begeerte): gericht op het tijdelijke en het aardse.

Ware gelukzaligheid ligt in het liefhebben van God boven alles.

3.De aard van het kwaad:

Hij zag kwaad niet als een zelfstandig iets, maar als een afwezigheid van goed—een ‘privatio boni’.  Dit idee hielp het christendom afstand te nemen van dualistische stromingen zoals het manicheïsme.

  1. De Stad van God vs. de Stad der Mensen:

In De civitate Dei (Stad van God) beschrijft hij twee “steden”:

De Stad van God: gebouwd op liefde tot God.

De Stad der Mensen: gebouwd op liefde tot zichzelf.

Geschiedenis is volgens hem een strijd tussen deze twee, die pas eindigt bij het Laatste Oordeel.

  1. De rol van de Kerk.

Hij zag de Kerk als een moeder en gids voor gelovigen.  De sacramenten, vooral de doop, zijn essentieel voor het ontvangen van genade. Augustinus’ denken is een brug tussen de klassieke filosofie (zoals Plato) en het christendom. Zijn ideeën blijven tot vandaag relevant in theologie, ethiek en zelfs psychologie.

+++++++

Augustinus’ visie op liefde is diepgaand, spiritueel én verrassend actueel. Hij zag liefde niet als een vluchtige emotie, maar als een kracht die het menselijk handelen richting geeft en verbindt met het goddelijke.

  1. “Bemin, en doe dan wat je wilt”:

Dit beroemde citaat van Augustinus vat zijn visie kernachtig samen:

“Wil je zwijgen, zwijg uit liefde.

Wil je spreken, spreek uit liefde.

Wil je corrigeren, doe het uit liefde.

Wil je vergeven, vergeef uit liefde.

Draag de bron van liefde in je hart,

want uit liefde kan alleen het goede voortkomen.”

Voor Augustinus is liefde de maatstaf van alle handelen. Als je werkelijk liefhebt, dan zal wat je doet goed zijn.

Maar hij waarschuwt ook: echte liefde is geen oppervlakkige emotie, maar een authentieke, welwillende gerichtheid op het welzijn van de ander.

  1. Liefde als richtingwijzer van het leven:

Augustinus stelt dat liefde bepaalt wie je bent: “Zoals iemand bemint, zo is hij ook.” Je liefde onthult je diepste identiteit. Liefde is dus niet alleen een gevoel, maar een existentiële keuze die je leven vormgeeft.

  1. Liefde tot de medemens = liefde tot God:

In zijn preken over de Eerste brief van Johannes ontdekt Augustinus een nieuwe diepte: Liefde tot de medemens is niet slechts een voorbereiding op de liefde tot God, maar een volwaardige uitdrukking ervan. “God is liefde” betekent dat elke oprechte liefde een ontmoeting met God is.

  1. Liefde is geen consumptie:

Augustinus maakt een scherp onderscheid:

Van voedsel houden we om het te verbruiken. Maar van mensen houden we niet als van verbruiksgoederen. Liefde is geen bezit, maar welwillendheid en vriendschap.

  1. Liefde als heilig verlangen:

Hij noemt het christelijk leven: “Niets anders dan heilig verlangen.” Liefde is dus ook een verlangen naar het goede, het ware, het goddelijke —een innerlijke beweging die ons overstijgt.

Augustinus’ liefde is dus geen romantische roes, maar een spirituele kracht die ons verbindt met de ander én met God.

https://www.augustiniana.be/public/?p=751

https://www.augustijnen.nl/C46-Augustinus-over-de-liefde.html

 

**********

St. Jan van het Kruis: Wat een geluk voor de mens om zich te kunnen bevrijden van zijn zinnelijkheid!….

“Wat een geluk voor de mens om zich te kunnen bevrijden van zijn zinnelijkheid! Dit kan, naar mijn mening, alleen goed begrepen worden door wie het zelf heeft ervaren. Pas dan zal men duidelijk zien hoe ellendig de slavernij was waarin men verkeerde.”

St. Jan van het Kruis.

++++++++++++

Dit citaat is een krachtige reflectie over innerlijke vrijheid en spirituele bevrijding. Johannes van het Kruis was een mysticus die geloofde dat echte vreugde voortkomt uit het loslaten van aardse verlangens.

De tekst van Johannes van het Kruis komt voort uit een diep mystieke en ascetische traditie binnen het christendom, en weerspiegelt zijn visie op innerlijke vrijheid en spirituele zuivering.

Wie was St. Jan van het Kruis ?

St. Jan van het Kruis (St. John of the Cross) was een 16e-eeuwse Spaanse karmeliet, dichter en mysticus.  Hij werkte nauw samen met de heilige Teresa van Ávila aan de hervorming van de karmelietenorde. Zijn geschriften behoren tot de hoogtepunten van de christelijke mystieke literatuur.

De kern van zijn boodschap:

Het citaat gaat over het loslaten van zinnelijke verlangens—dat wil zeggen, het bevrijden van de mens van de drang naar lichamelijk genot, emotionele afhankelijkheid en wereldse begeerten. Volgens Johannes van het Kruis is deze bevrijding niet slechts een morele keuze, maar een spirituele transformatiedie leidt tot echte vreugde en innerlijke vrijheid.

Hij stelt dat:

Alleen wie deze bevrijding heeft ervaren, begrijpt hoe diep de “slavernij” van zinnelijkheid werkelijk is. Sensualiteit wordt gezien als een obstakel voor de vereniging met God. Ware vrijheid ontstaat pas wanneer men zich volledig losmaakt van aardse gehechtheden.

Mystieke context:

In zijn mystieke visie is het pad naar God vaak een weg van ontbering, stilte en leegte. Hij noemt dit de “donkere nacht van de ziel”—een fase waarin de mens alles verliest wat hem houvast gaf, om uiteindelijk tot een zuivere, goddelijke liefde te komen.

Het citaat past perfect in deze context: het loslaten van zinnelijkheid is een noodzakelijke stap in die nachtelijke reis.

Psychologische invalshoek:

Interessant is dat moderne denkers, zoals psychoanalytici, Johannes van het Kruis ook hebben geïnterpreteerd als iemand die de innerlijke strijd van het ego beschrijft. Zijn mystiek raakt aan thema’s als identiteit, verlangen en transformatie.

https://pepsic.bvsalud.org/scielo.php?script=sci_arttext&pid=S0101-31062018000200014

************

St.Augustinus: Trots is de bron van alle zwakheden…….

“Trots is de bron van alle zwakheden, omdat het de bron is van alle ondeugden.”

— Sint Augustinus

+++++++

Wat betekent “trots” hier?

In deze context verwijst trots niet naar gezonde eigenwaarde, maar naar hoogmoed —een overdreven gevoel van superioriteit, zelfverheerlijking, of het neerkijken op anderen.

Het is een innerlijke houding die de mens van nederigheid en verbondenheid met God (of anderen) afsnijdt.

Waarom noemt Augustinus het de “bron van alle zwakheden”?

Zwakheden zijn hier niet alleen fysieke of mentale tekortkomingen, maar vooral spirituele en morele kwetsbaarheden. Hoogmoed maakt mensen blind voor hun fouten, onwillig om hulp te vragen, en geneigd om zichzelf boven anderen te plaatsen. Daardoor ontstaan innerlijke conflicten, isolatie, en uiteindelijk moreel verval.

En waarom is het de “bron van alle ondeugden”?

Augustinus zag trots als de oer-zonde—de eerste stap richting andere zonden zoals:

Hebzucht (ik verdien meer dan anderen),

Woede (als mijn ego wordt gekrenkt),

Lust (ik neem wat ik wil),

Afgunst (ik verdien wat jij hebt),

Luiheid (ik ben te goed om moeite te doen),

Gulzigheid (ik neem zonder maat).

Met andere woorden: trots voedt het ego, en een opgeblazen ego leidt tot gedrag dat anderen schaadt en jezelf ondermijnt

Wat kunnen we hieruit leren?

Augustinus roept op tot nederigheid als fundament voor een deugdzaam leven. Door onszelf eerlijk te bekijken, onze beperkingen te erkennen, en anderen met respect te behandelen, bouwen we aan innerlijke kracht in plaats van zwakte.

*********

St.Franciscus van Assisi: Ik beveel u deze drie dingen aan: ten eerste eenvoud, om de buitensporige dorst naar kennis tegen te gaan….

“Ik beveel u deze drie dingen aan: ten eerste eenvoud, om de buitensporige dorst naar kennis tegen te gaan;

ten tweede gebed, dat de duivel altijd op verschillende manieren probeert te verhinderen;

en ten derde liefde voor armoede en de heilige armoede zelf.”

 

— Sint Franciscus van Assisi

 

De Latijnse zin onderaan, “Actus Beati Francisci Et Sociorum Ejus”, betekent:

“De daden van de zalige Franciscus en zijn gezellen.”

Een prachtige oproep tot innerlijke rust en spirituele toewijding.

+++++++++++++

Een spirituele aanbeveling die drie kernwaarden uit het christelijke leven benadrukt: eenvoud, gebed en armoede.

Laten we ze even ontleden:

  1. Eenvoud tegen de dorst naar kennis

Franciscus waarschuwt hier tegen een overdreven verlangen naar intellectuele kennis. Niet dat kennis op zich slecht is, maar wanneer het leidt tot arrogantie, verwarring of afstand van het eenvoudige geloofsleven, kan het ons van de essentie afleiden. Eenvoud betekent hier: leven met een open hart, zonder pretentie, en met aandacht voor het wezenlijke.

  1. Gebed, dat de duivel probeert te verhinderen

Gebed is volgens Franciscus een krachtig middel om verbonden te blijven met God. Hij erkent dat er altijd afleidingen en obstakels zijn—innerlijk of van buitenaf—die ons proberen weg te houden van gebed. Het is dus een oproep tot volharding: blijf bidden, ook als het moeilijk is.

  1. Liefde voor armoede en de heilige armoede zelf

Franciscus stond bekend om zijn radicale keuze voor armoede. Niet als lijden, maar als bevrijding van materiële afhankelijkheid. Hij zag armoede als een heilige weg naar nederigheid, solidariteit met de armen, en volledige overgave aan God. Het is een liefdevolle omarming van een leven zonder bezit, waarin men alles ontvangt als gave.

De Latijnse zin “Actus Beati Francisci Et Sociorum Ejus” betekent: “De daden van de zalige Franciscus en zijn gezellen” — een verwijzing naar een middeleeuwse tekst die het leven en de spirituele praktijk van Franciscus en zijn volgelingen beschrijft.

++++++++

Eenvoud is een rijk en veelzijdig begrip dat zich uitstrekt over levensstijl, denken, spiritualiteit en zelfs communicatie.

 Hier zijn verschillende voorbeelden die laten zien hoe eenvoud zich in het dagelijks leven kan manifesteren:

In het dagelijks leven:

Minimalistisch wonen: leven met minder spullen, alleen datgene behouden wat echt waarde heeft.

Eenvoudige maaltijden:

 Koken met basisingrediënten, zonder overdaad of verspilling.

Kleding zonder merk of mode: kiezen voor functioneel en comfortabel boven trendy.

In denken en keuzes:

Geen overanalyse: situaties nemen zoals ze zijn, zonder alles te willen verklaren.

Bescheden doelen stellen: tevreden zijn met kleine stappen in plaats van grootse ambities. Dankbaarheid voor het gewone: genieten van een kop thee, een wandeling, een gesprek.

In spiritualiteit

Stilte en contemplatie: tijd nemen om gewoon te zijn, zonder afleiding. Eenvoudig gebed: geen lange formules, maar een oprecht woord tot God.  Dienstbaarheid: helpen zonder erkenning te zoeken, gewoon omdat het goed is.

In communicatie:

Duidelijke taal: spreken zonder ingewikkelde woorden of verborgen bedoelingen. Luisteren zonder oordeel: echt aanwezig zijn bij de ander.Geen opsmuk: jezelf tonen zoals je bent, zonder masker of façade.

Franciscus van Assisi leefde deze eenvoud radicaal: hij gaf zijn rijkdom op, sprak met dieren, en vond vreugde in het lijden en de natuur.

Maar eenvoud hoeft niet altijd heroïsch te zijn. Soms is het gewoon: je telefoon wegleggen en écht luisteren naar iemand.

************

 

 

 

Richard Rohr: Als liefde de ziel is van het christelijk bestaan, dan moet zij het hart vormen van elke andere christelijke deugd……

“Als liefde de ziel is van het christelijk bestaan, dan moet zij het hart vormen van elke andere christelijke deugd.

Dus bijvoorbeeld:

gerechtigheid zonder liefde is legalisme;

geloof zonder liefde is ideologie;

hoop zonder liefde is zelfgerichtheid;

vergeving zonder liefde is zelfvernedering;

standvastigheid zonder liefde is roekeloosheid;

vrijgevigheid zonder liefde is verkwisting;

zorg zonder liefde is louter plicht;

trouw zonder liefde is dienstbaarheid.

Elke deugd is een uitdrukking van liefde.

Geen enkele deugd is werkelijk een deugd tenzij ze doordrenkt

 of geïnformeerd is door liefde.”

— Richard Rohr

 

+++++++++++

 

Het citaat van Richard Rohr is een diepgaande reflectie op de essentie van christelijke deugden, en hoe liefde daarin een allesbepalende rol speelt.

Laten we het stap voor stap ontleden:

Liefde als fundament:

Rohr stelt dat liefde de ziel is van het christelijk bestaan. Dat betekent: zonder liefde zijn alle andere deugden leeg, oppervlakkig of zelfs schadelijk. Liefde is niet zomaar een deugd onder vele, maar de bron waaruit alle echte deugdzaamheid voortkomt.

Wat gebeurt er zonder liefde?

Hij noemt acht voorbeelden van deugden die hun ware betekenis verliezen als ze niet door liefde worden gedragen:

 

Gerechtigheid Legalistisch—–Regels boven mensen; koud en rigide

Geloof Ideologisch—- Dogma zonder hart; blind volgen

Hoop   Zelfgericht——Alleen gericht op eigen welzijn

Vergeving – Zelfvernedering——Jezelf wegcijferen zonder heling

Standvastigheid——- Roekeloosheid———-Onbezonnen volharding zonder compassie

Vrijgevigheid – Verkwisting—–Geven zonder wijsheid of verbinding

Zorg –   Plichtmatig—- Mechanisch zorgen, zonder echte betrokkenheid

Trouw Dienstbaarheid———Volgen uit verplichting, niet uit liefde

 

De kernboodschap:

Rohr zegt: “Geen enkele deugd is werkelijk een deugd tenzij ze doordrenkt is van liefde.” Dat betekent dat het niet genoeg is om ‘goed’ te handelen volgens normen of regels. Echte goedheid komt voort uit een innerlijke houding van liefde, mededogen en verbondenheid.

Waarom is dit relevant?

In een wereld waar religie soms verwordt tot regels, structuren en ideologieën, herinnert Rohr ons eraan dat het hart van het geloof niet in dogma ligt, maar in liefdevolle relaties — met God, met anderen, en met onszelf.

+++++++++++

Deugden toepassen in je leven begint niet bij perfectie, maar bij intentie — en vooral bij liefde,  zoals Richard Rohr zo krachtig benadrukt.

Hier zijn enkele manieren waarop je deze deugden liefdevol kunt integreren in je dagelijks leven:

1. Gerechtigheid met liefde → Compassievolle rechtvaardigheid. Sta op voor wat juist is, maar doe het met begrip voor de mens achter de situatie. Bijvoorbeeld: als iemand een fout maakt, zoek naar herstel in plaats van straf.

2. Geloof met liefde → Vertrouwen met open hart. Laat je geloof niet alleen een overtuiging zijn, maar een bron van verbinding. Bid of mediteer niet alleen om te ‘doen wat hoort’, maar om echt contact te maken met het goddelijke.

3. Hoop met liefde → Hoop voor anderen én jezelf.  Koester hoop die niet alleen jouw toekomst dient, maar ook die van je gemeenschap. Bemoedig iemand die het moeilijk heeft — jouw hoop kan hun licht zijn.

4. Vergeving met liefde → Helende vergevingVergeef niet uit plicht, maar uit verlangen naar innerlijke vrede en verzoening.Vergeef jezelf ook — liefde begint van binnen.

5.Standvastigheid met liefde → Moed met zorg. Wees trouw aan je waarden, maar wees ook bereid om te luisteren en te leren. Standvastigheid betekent niet koppigheid, maar trouw met een open hart

6. Vrijgevigheid met liefde → Geven met betekenis. Geef niet om indruk te maken, maar om echt iets te betekenen voor de ander. Soms is tijd of aandacht waardevoller dan geld.

7.Zorg met liefde → Aandachtige aanwezigheid. Zorg voor anderen niet omdat het ‘moet’, maar omdat je hun waarde ziet. Luister écht, zonder oordeel — dat is vaak de grootste vorm van zorg.

8.Trouw met liefde → Verbonden loyaliteitWees trouw aan mensen en idealen, niet uit verplichting, maar uit liefdevolle keuze.Trouw betekent: ik kies jou, telkens opnieuw, met mijn hart erbij.

++++++++++

Wie is Richard Rohr ?

Richard Rohr is een Amerikaanse franciscaanse priester,  theoloog en spiritueel schrijver die wereldwijd bekend staat om zijn werk rond christelijke mystiek, contemplatie en innerlijke  transformatie.

Korte biografie:

Geboren: 20 maart 1943 in Topeka, Kansas. Orde: Lid van de Franciscanen (O.F.M.)Priesterwijding: 1970.

Bekend om: Zijn boeken, retraites en meditaties over spiritualiteit, het ego, het ware zelf en de universele Christus

 Wat maakt hem bijzonder?

Rohr richt zich op wat hij noemt “alternatieve orthodoxie”: een geloof dat minder draait om dogma en meer om praktijk, liefde en innerlijke ervaring. Hij benadrukt dat spiritualiteit niet alleen gaat over geloven, maar over leven vanuit verbondenheid met het goddelijk— in jezelf, in anderen, en in de wereld.

Center for Action and Contemplation:

In 1987 richtte hij het Center for Action and Contemplation op in Albuquerque, New Mexico.

Dar combineert hij sociale betrokkenheid (action) met innerlijke verdieping (contemplation), en biedt hij retraites, cursussen en dagelijkse meditaties aan.

Bekende boeken:

The Universal Christ

Falling Upward

Everything Belongs

The Naked Now

Rohr heeft veel mensen geholpen om hun geloof opnieuw te ontdekken — niet als een set regels, maar als een pad van liefde, bewustzijn en groei.

************

 

Thomas Merton: Je hoeft niet precies te weten wat er gebeurt, of exact waar het allemaal naartoe gaat…..

Je hoeft niet precies te weten wat er gebeurt, of exact waar het allemaal naartoe gaat.

Wat je nodig hebt, is het herkennen van de mogelijkheden en uitdagingen die het huidige moment biedt,

en deze omarmen met moed, geloof en hoop.”

—Thomas Merton

++++++++++++

Wat een prachtige en troostrijke gedachte van Thomas Merton . Dit citaat nodigt uit tot een houding van vertrouwen en openheid in het leven, zelfs wanneer de weg onduidelijk is.

Hier is wat uitleg bij de verschillende lagen van zijn boodschap:

Geen controle, wel vertrouwen:

Merton zegt eigenlijk: je hoeft het grote plaatje niet te kennen. Je hoeft niet te weten waar alles naartoe leidt. Dat is bevrijdend, want het haalt de druk weg om alles te begrijpen of te beheersen. In plaats daarvan moedigt hij aan om te leven met vertrouwen in het proces.

Focus op het nu:

Het “huidige moment” is volgens Merton de plek waar het leven zich werkelijk afspeelt. Daar bevinden zich zowel kansen als obstakels. Door aandachtig te zijn voor wat zich nú aandient, kun je groeien en handelen met wijsheid.

Moed, geloof en hoop:

jDeze drie begrippen zijn als innerlijke krachten: Moed: om het onbekende te betreden, ondanks angst. Geloof: in iets groters dan jezelf, of in het goede dat zich kan ontvouwen. Hoop: als levenskracht die je vooruit helpt, zelfs als het uitzicht troebel is.

Een spirituele houding:

Merton was een trappistenmonnik en mysticus, en zijn woorden zijn doordrenkt met contemplatieve spiritualiteit.

Hij gelooft dat het leven niet draait om controle, maar om overgave aan het moment en het vertrouwen dat je geleid wordt —ook als je het niet begrijpt.

************

 

 

St.Augustinus: Laat de rechtvaardigen zich verheugen, want hun rechtvaardiger is geboren….

“Laat de rechtvaardigen zich verheugen, want hun rechtvaardiger is geboren.

 Laat de zieken en zwakken zich verheugen, want hun redder is geboren.

 Laat de gevangenen zich verheugen, want hun Verlosser is geboren.”

St.Augustinus

+++++++++++++

Het is een krachtige en troostrijke boodschap die de geboorte van Christus viert als een moment van hoop voor iedereen —rechtvaardigen, zieken, en gevangenen.

 De tekst van St. Augustinus is rijk aan symboliek en spirituele diepgang.

Laten we het samen ontleden:

“Laat de rechtvaardigen zich verheugen, want hun rechtvaardiger is geboren. Laat de zieken en zwakken zich verheugen, want hun redder is geboren. Laat de gevangenen zich verheugen, want hun Verlosser is geboren.”

Centrale betekenis:

Deze woorden vieren de geboorte van Jezus Christus als een universeel moment van hoop en bevrijding. Augustinus spreekt verschillende groepen mensen aan—rechtvaardigen, zieken, gevangenen—om te benadrukken dat Christus voor iedereen gekomen is, ongeacht hun situatie.

Uitleg per zin:

“Laat de rechtvaardigen zich verheugen, want hun rechtvaardiger is geboren.” → Mensen die streven naar rechtvaardigheid mogen zich verheugen, want Jezus is gekomen om hun streven te vervullen en te bevestigen. Hij is de ultieme bron van gerechtigheid.

“Laat de zieken en zwakken zich verheugen, want hun redder is geboren.” → Zij die lijden, fysiek of geestelijk, krijgen hoop: Christus is gekomen om te genezen, te troosten en te redden. Dit verwijst naar zijn rol als genezer en barmhartige.

“Laat de gevangenen zich verheugen, want hun Verlosser is geboren.” → Dit kan letterlijk slaan op mensen in gevangenschap, maar ook symbolisch op hen die gevangen zitten in zonde, angst of wanhoop. Jezus’ komst betekent bevrijding en verlossing.

Spirituele context:

Augustinus benadrukt dat de geboorte van Christus niet alleen een historisch feit is, maar een spirituele gebeurtenis die ieder mens persoonlijk raakt.

Het is een uitnodiging tot vreugde, omdat God zich verbindt met de mens in zijn meest kwetsbare toestand.

Waarom dit zo krachtig is:

Wat deze tekst zo bijzonder maakt, is dat het niet alleen troost biedt aan wie al goed leeft, maar juist ook aan wie worstelt, lijdt of vastzit. Het is een boodschap van inclusie, hoop en liefde—een kernwaarde in de augustijnse spiritualiteit.

++++++++

De tekst van St. Augustinus over de geboorte van Christus past naadloos in zijn bredere filosofie, die draait om liefde, innerlijke transformatie, gemeenschap en de zoektocht naar het ware geluk.

 Laten we dat even uitvouwen:

Liefde als fundament:

Augustinus beschouwde liefde als het hart van alle menselijke en goddelijke relaties.

Volgens hem:

God is liefde, en alleen door liefde kunnen we ons met God verenigen.

De hele Bijbel kan volgens hem worden samengevat in twee geboden: liefde tot God en liefde tot de naaste. Liefde is niet zomaar een emotie, maar een goddelijke gave die ons in staat stelt om anderen te beminnen zoals God ons bemint.

De tekst over Christus’ geboorte weerspiegelt dit: Jezus komt als rechtvaardiger, redder en verlosser, uit pure liefde voor de mensheid—voor de rechtvaardigen én de gebroken.

Innerlijkheid en transformatie:

Augustinus geloofde dat ware verandering begint van binnenuit: de mens moet zichzelf leren kennen in relatie tot God.

Christus’ komst is niet alleen een historisch feit, maar een innerlijke gebeurtenis: een uitnodiging om ons hart te openen voor genezing, bevrijding en gerechtigheid.

De oproep aan zieken, gevangenen en rechtvaardigen om zich te verheugen, is dus een oproep tot innerlijke vreugde en bekering.

Gemeenschap en solidariteit:

Augustinus zag de gemeenschap als de plek waar God gevonden wordt: Liefde voor de naaste is de concrete uitdrukking van liefde voor God.

Christus identificeert zich met de armen, zieken en gevangenen—zoals blijkt uit Augustinus’ interpretatie van Matteüs 25:

“Wat je deed voor de minsten, deed je voor Mij.”

De tekst over Christus’ geboorte benadrukt dat iedereen—ongeacht status of situatie —deel heeft aan deze goddelijke liefde. Het is een boodschap van inclusie en solidariteit.

De Totale Christus:

Augustinus sprak over de “Totale Christus”: Christus als hoofd, en de mensheid als zijn lichaam.

De geboorte van Christus is het begin van die vereniging. Door zijn komst wordt God niet alleen onze redder, maar ook onze broeder.

De tekst is dus niet zomaar een kerstboodschap—het is een samenvatting van Augustinus’ hele visie op menswording,

 liefde en verlossing.

 

*************

St.Augustinus: Ik werd slecht zonder reden.  Ik had geen motief voor mijn slechtheid…..

“Ik werd slecht zonder reden.

 Ik had geen motief voor mijn slechtheid, behalve de slechtheid zelf.

 Het was weerzinwekkend, en ik hield ervan. Ik hield van de zelfvernietiging, ik hield van mijn val

 — niet om wat ik ermee bereikte, maar om de val zelf.

Mijn verdorven ziel stortte zich neer van uw hemelse hoogte naar de ondergang.

 Ik zocht niet iets te verkrijgen via schandelijke middelen,

maar schaamte omwille van de schaamte.”

 

Augustinus – Uit de Belijdenissen.

 

++++++++++++++++

Deze passage uit Confessiones van Sint-Augustinus is een rauwe en diep persoonlijke reflectie op de aard van zonde en innerlijke strijd.

 Hier zijn enkele lagen van interpretatie die je kunnen helpen om de tekst beter te begrijpen:

Existentiële zelfreflectie:

Augustinus beschrijft hoe hij zich aangetrokken voelde tot het kwaad, niet om iets te verkrijgen, maar om het kwaad zelf.

Dat is een schokkende bekentenis: hij hield van zijn val, van de vernietiging, puur omwille van de ervaring van het zondigen.

Dit suggereert dat zonde niet altijd rationeel of doelgericht is — soms is het een mysterieuze drang

die voortkomt uit een verdorven verlangen.

De aantrekkingskracht van rebellie:

Hij erkent dat zijn ziel “sprong naar de ondergang” — alsof hij actief koos voor zelfvernietiging.

 Dit kan worden gezien als een vorm van spirituele rebellie: het afwijzen van God

en het zoeken naar autonomie, zelfs als dat leidt tot pijn.

Het is een echo van het verhaal van de gevallen engelen of van Adam en Eva:

de keuze voor het kwaad als een daad van vrijheid,

 maar met destructieve gevolgen.

Spirituele diepgang:

Augustinus schrijft dit niet om zichzelf te verheerlijken, maar om zijn bekering kracht bij te zetten.

 Door zijn zondige verleden zo onverbloemd te beschrijven, toont hij hoe diep zijn behoefte aan genade en verlossing was.

Het is een getuigenis van hoe de mens zonder God kan afglijden, en hoe de erkenning van die afgrond de eerste stap is naar verlossing.

 

Theologische betekenis

In de christelijke traditie wordt zonde vaak gezien als een breuk met God. Augustinus’ woorden illustreren

dat die breuk niet altijd voortkomt uit verlangen naar iets buiten God, maar soms uit een pervers verlangen

 naar de breuk zelf. Dat maakt zijn bekentenis des te schrijnender — en des te krachtiger als oproep tot genade.

 

++++++++++++

Laten we dieper graven in de spirituele, filosofische én psychologische lagen van Augustinus’ bekentenis

— want deze passage is niet zomaar een schuldbekentenis, het is een existentiële ontleding

van de menselijke wil en zijn neiging tot zelfdestructie.

De paradox van de vrije wil

Augustinus worstelt met een fundamentele vraag:Waarom kiest de mens voor het kwaad, zelfs zonder voordeel?

 Zijn antwoord is schokkend: soms kiest men het kwaad puur om het kwaad. Dit daagt het klassieke idee uit dat mensen altijd handelen uit eigenbelang.

 Hier toont hij dat de wil zelf verdorven kan zijn — dat de mens soms verlangt naar wat hem schaadt , enkel om te rebelleren tegen het goede.

 

Dit is een vroege vorm van wat later in de filosofie “radicale vrijheid” wordt genoemd:

de vrijheid om zelfs tegen je eigen welzijn in te kiezen.

 Zonde als existentiële val:

De metafoor van “de val” is cruciaal. Augustinus zegt dat hij niet viel om iets, maar voor de val zelf.

Dat is een diepe spirituele waarheid: zonde is niet altijd instrumenteel, maar kan een soort existentiële drang zijn om los te breken van orde,  van God, van betekenis. Het is een hunkering naar chaos — een verlangen om de grenzen van het bestaan te testen.

Psychologische resonantie

Vanuit een modern psychologisch perspectief raakt Augustinus hier aan wat men tegenwoordig destructieve impulsen noemt:

zelfdestructie, verslaving, sabotage van relaties.

Zijn woorden klinken als een vroege beschrijving van wat Freud later zou duiden als de “dooddrift” — een onbewuste drang naar vernietiging.Maar Augustinus plaatst dit niet in het domein van de psyche, maar van de ziel.

De noodzaak van genade:

Door zijn zonde zo radicaal te erkennen, bereidt Augustinus de weg voor zijn centrale boodschap: de mens kan zichzelf niet redden.

Zijn val toont de onmacht van de menselijke wil zonder goddelijke hulp.

Dit is de kern van zijn theologie: genade is geen luxe, maar een noodzaak.

Zonder genade blijft de mens gevangen in zijn eigen neiging tot het kwaad.

Reflectie op de menselijke conditie:

Wat Augustinus hier doet, is meer dan een persoonlijke bekentenis — het is een spiegel voor de mensheid. Hij toont dat in ieder mens een duister verlangen kan leven, dat niet rationeel is, maar existentieel. En dat ware transformatie begint bij het erkennen van die duisternis.

************

Kahlil Gibran:

 

Kahlil Gibran over Liefde

Wanneer liefde je roept, volg hem, Hoewel zijn wegen moeilijk en steil zijn.

En wanneer zijn vleugels je omhullen, geef je over aan hem, hoewel het zwaard

verborgen tussen zijn veren je kan verwonden.

En wanneer hij tot je spreekt, geloof in hem, hoewel zijn stem je dromen kan

verbrijzelen zoals de noordenwind de tuin verwoest.

 

Want zelfs als liefde je kroont, zal hij je ook kruisigen.

 Zelfs als hij er is voor je groei, is hij er ook voor je snoei.

Zelfs als hij opstijgt naar je hoogte en je tederste takken streelt

die trillen in de zon, zo zal hij afdalen naar je wortels en ze

schudden in hun vastklampen aan de aarde.

 

Zoals schoven van koren verzamelt hij je bij zichzelf.

 Hij dorst je om je naakt te maken. Hij zeeft je om je te bevrijden van je

schillen.

Hij maalt je tot witheid. Hij kneedt je totdat je buigzaam bent;

 En dan wijst hij je toe aan zijn heilig vuur, zodat je heilig brood kunt worden

voor Gods heilige feest.

Al deze dingen zal liefde je aandoen zodat je de geheimen van je hart kunt kennen, en in die kennis een fragment van het hart van het Leven kunt worden.

++++++++++++

 

Diepgang en dualiteit van liefde:

Liefde als paradox:

Gibran toont liefde niet als louter romantisch of zacht, maar als een kracht die zowel geneest als verwondt. Liefde verheft je, maar breekt je ook open. Dat maakt zijn visie eerlijk en universeel.

Spirituele dimensie:

 Hij beschrijft liefde als een goddelijke kracht die je zuivert, kneedt en transformeert — alsof je een offer wordt dat gezuiverd wordt voor iets groters.

Poëtische beeldspraak:

De metaforen zijn intens en visueel: liefde als een dorser, een zeef, een vuur. Ze roepen beelden op van transformatie en zuivering, wat de tekst een bijna sacrale toon geeft.

Emotionele resonantie:

Herkenbaarheid: Iedereen die ooit diep heeft liefgehad, herkent de pijn en vreugde die Gibran beschrijft. Zijn woorden raken aan de kern van menselijke ervaring.

Troost en inzicht:

De tekst biedt troost door te laten zien dat pijn in de liefde niet zinloos is, maar deel uitmaakt van een groter proces van groei en zelfkennis.

Literaire en filosofische waarde:

Invloedrijk werk: Gibran’s boek De Profeet, waaruit deze passage komt, is wereldwijd geliefd en vertaald in tientallen talen. Het wordt vaak geciteerd in spirituele en filosofische contexten.

Tijdloosheid:

Hoewel het in 1923 werd geschreven, blijft de tekst relevant — omdat liefde en lijden universeel en tijdloos zijn.

**************

C.S.Lewis:

C.S.Lewis:

+++++++

Totdat je jezelf aan Hem hebt gegeven, zul je geen echt zelf hebben. Houd niets achter. Niets wat je niet hebt weggegeven zal werkelijk van jou zijn. Niets in jou dat niet gestorven is, zal ooit uit de dood worden opgewekt.

Zoek naar jezelf, en je zult uiteindelijk alleen haat, eenzaamheid, wanhoop, woede, ondergang en verval vinden. Maar zoek naar Christus, en je zult Hem vinden — en met Hem alles wat je nodig hebt erbij.

C.S.Lewis

+++++++++++++++

Dit citaat van C.S. Lewis is belangrijk omdat hij een diep spiritueel en existentieel inzicht biedt over de aard van het zelf en de relatie tot God.

Hier zijn enkele redenen waarom hij zoveel impact heeft:

  1. Het doorbreekt het moderne idee van zelfvervulling:

Lewis stelt dat je pas een “echt zelf” vindt wanneer je jezelf opgeeft aan Christus.

 Dat gaat lijnrecht in tegen de hedendaagse cultuur van zelfontplooiing, autonomie en zelfverwezenlijking.

 In plaats van jezelf te zoeken, roept hij op om jezelf te verliezen — en juist daarin jezelf te vinden.

  1. Het benadrukt spirituele transformatie door sterven aan jezelf:

“Niets in jou dat niet gestorven is, zal ooit worden opgewekt uit de dood.”

Dit is een verwijzing naar het christelijke concept van wedergeboorte: het oude moet sterven zodat het nieuwe kan leven.

Het is een oproep tot overgave, bekering en innerlijke vernieuwing — niet als morele verbetering, maar als een fundamentele herschepping van wie je bent.

  1. Het biedt een alternatief voor existentiële leegte: Lewis beschrijft wat er gebeurt als je alleen voor jezelf leeft: haat, eenzaamheid, wanhoop, woede, verval.

 Dat is geen moralistische waarschuwing, maar een psychologische en spirituele observatie. Hij stelt daartegenover: wie Christus zoekt, vindt Hem — en “alles wat je nodig hebt” komt erbij.

  1. Het is een samenvatting van zijn hele theologische visie: Dit citaat is als een miniatuur van Lewis’ bredere werk, zoals Mere Christianity en The Problem of Pain.

Hij geloofde dat ware vrijheid en identiteit pas ontstaan wanneer je je overgeeft aan God. Niet door onderdrukking, maar door liefdevolle transformatie.

+++++++++++

Het citaat over het opgeven van jezelf en het vinden van je ware identiteit in Christus sluit prachtig aan bij meerdere Bijbelpassages.

Hier zijn er een paar die zijn gedachtegang krachtig ondersteunen:

Matteüs 16:24–25:

“Als iemand achter Mij aan wil komen, moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen. Want wie zijn leven wil behouden, zal het verliezen; maar wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het vinden.”

Waarom relevant? Lewis zegt: “Zoek jezelf, en je zult uiteindelijk alleen haat, eenzaamheid, wanhoop vinden.” Jezus zegt hetzelfde: wie zijn leven probeert te behouden, verliest het. Ware vervulling komt pas als je jezelf verliest in Hem.

2 Korintiërs 5:17:

“Daarom, als iemand in Christus is, is hij een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, alles is nieuw geworden.”

Waarom relevant? Lewis spreekt over het sterven van het oude zelf en het opstaan in een nieuw leven. Deze passage bevestigt dat in Christus een radicale transformatie plaatsvindt — een nieuw begin.

Galaten 2:20:

“Ik ben met Christus gekruisigd, en niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij.”

Waarom relevant? Dit is bijna een directe echo van Lewis’ woorden: “Totdat je jezelf aan Hem hebt gegeven, zul je geen werkelijk zelf hebben.” Paulus zegt: mijn oude ik is gestorven — mijn ware leven is nu Christus in mij.

Filippenzen 3:7–8

“Maar wat voor mij winst was, ben ik omwille van Christus als verlies gaan beschouwen. Ja, ik beschouw alles als verlies vanwege de voortreffelijkheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heer.”

Waarom relevant? Lewis zegt: “Niets dat je niet hebt weggegeven zal echt van jou zijn.” Paulus beschouwt alles als verlies, omdat het kennen van Christus alles overtreft.

 Het is een radicale herwaardering van wat werkelijk waardevol is.

Deze passages laten zien dat Lewis niet zomaar een filosofische gedachte uitspreekt, maar een diepe echo geeft van het evangelie zelf.

 Zijn woorden zijn doordrenkt van Bijbelse waarheid — verpakt in zijn eigen briljante stijl.

*************

 

Psalm 91: “Omdat zij van Mij houdt,” zegt de HEER, “zal Ik haar bevrijden….

“Omdat zij van Mij houdt,” zegt de HEER, “zal Ik haar bevrijden.

 Ik zal haar beschermen, want zij kent Mijn naam.  Zij zal Mij aanroepen en Ik zal antwoorden.

In de nood zal Ik bij haar zijn, Ik zal haar redden en haar eer geven.

Met een lang leven zal Ik haar verzadigen en haar Mijn heil doen zien.”

Psalm 91

++++++++

Psalm 91 is een van de meest geliefde en troostrijke psalmen in de Bijbel.

 Hier zijn enkele belangrijke contexten waarin deze psalm wordt begrepen en toegepast:

Historische Context: Toegeschreven aan Mozes of David:Hoewel de auteur onbekend is, wordt Psalm 91 soms aan Mozes toegeschreven vanwege de thematische overeenkomsten met Psalm 90, of aan David vanwege de stijl en inhoud.

Geschreven in tijden van gevaar:

De psalm lijkt te zijn ontstaan in een periode waarin het volk Israël te maken had met externe bedreigingen en interne onzekerheid. Het bood hoop en vertrouwen op goddelijke bescherming.

Thema’s en Betekenis:

God als toevlucht en vesting: De psalm benadrukt dat wie vertrouwt op God, veilig is onder Zijn bescherming. Beelden als “schuilplaats”, “schaduw van de Almachtige” en “schild” roepen een gevoel van veiligheid op.

Overwinning op angst:

Psalm 91 erkent de realiteit van angst, ziekte en gevaar, maar stelt daartegenover de constante aanwezigheid en bescherming van God. Het moedigt aan om niet bang te zijn, zelfs in het aangezicht van rampen.

Engelen als beschermers:

 Een bijzonder element is de belofte dat God engelen zal sturen om gelovigen te beschermen op hun levenspad.

Toepassing in het dagelijks leven:

Troost in moeilijke tijden: Psalm 91 wordt vaak gelezen of gebeden tijdens ziekte, oorlog, natuurrampen of persoonlijke crises.

 Het biedt spirituele rust en vertrouwen.

Liturgisch gebruik:

In joodse en christelijke tradities wordt deze psalm vaak gereciteerd in gebeden, kerkdiensten en zelfs als onderdeel van avondgebeden vanwege de verwijzing naar bescherming in de nacht

****************

Psalm 91 blijft ook vandaag de dag bijzonder relevant en wordt in allerlei hedendaagse contexten toegepast.

Hier zijn enkele belangrijke toepassingen:

  1. Troost bij ziekte en lijden:

Tijdens pandemieën (zoals COVID-19) werd Psalm 91 vaak aangehaald als bron van hoop en bescherming.

Mensen bidden deze psalm voor genezing, kracht en rust in tijden van fysieke of mentale ziekte.

  1. Bescherming in gevaarlijke situaties:

Militairen en hulpverleners gebruiken Psalm 91 als gebed voor veiligheid tijdens missies of rampen.

Sommigen dragen versregels op een kaartje of in een medaillon als persoonlijke bescherming.

  1. Persoonlijke geloofsverdieping:

De psalm wordt gebruikt in dagelijkse stille tijd of meditatie om het vertrouwen in God te versterken.

Vers 1 (“Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten…”) wordt vaak gezien als een uitnodiging tot diepere relatie met God.

  1. Geestelijke veiligheid in huis:

Psalm 91 wordt soms uitgesproken of opgehangen in huizen als een gebed voor vrede en bescherming tegen kwaad.

In gezinnen wordt het gebruikt als avondgebed, vooral voor kinderen.

  1. Christelijke interpretatie:

Jezus als vervulling

In het Nieuwe Testament wordt Psalm 91 geciteerd bij de verzoeking van Jezus in de woestijn (Matteüs 4:5–6),

 wat laat zien dat deze psalm ook op Hem van toepassing is.

Jezus wordt gezien als degene die volmaakt vertrouwt op God, en gelovigen worden uitgenodigd Hem daarin te volgen.

  1. Reflectie op geloof en realiteit:

Sommige mensen worstelen met de letterlijke beloften (“Geen plaag zal je tent treffen”) en zoeken naar een spirituele interpretatie: dat God nabij is, zelfs als het leven moeilijk is.

FEESTDAG  VAN SINT AUGUSTINUS

28 Augustus

***********

Wil je omhoog stijgen? Begin dan met afdalen. Ben je van plan een toren te bouwen die de wolken doorboort? Leg dan eerst het fundament van nederigheid. Het was trots die engelen in duivels veranderde; Het is nederigheid die mensen tot engelen maakt.

~St. Augustinus

_____________

WIE WAS AUGUSTINUS

St. Augustinus van Hippo (354–430) was een van de meest invloedrijke denkers in de geschiedenis van het christendom en de westerse filosofie. Hij was bisschop van Hippo Regius (in het huidige Algerije) en wordt beschouwd als de belangrijkste kerkvader van het Westen.

Zijn leven in vogelvlucht:

  • Geboorteplaats: Thagaste, in de Romeinse provincie Africa (nu Souk Ahras, Algerije)
  • Bekering: Na een jeugd vol intellectuele zoektochten en morele worstelingen bekeerde hij zich tot het christendom onder invloed van zijn moeder Monica en de prediking van Ambrosius van Milaan.
  • Bisschop: In 396 werd hij bisschop van Hippo, waar hij tot zijn dood bleef dienen.

Belangrijkste werken:

  • Confessiones (Belijdenissen): Een autobiografisch werk waarin hij zijn spirituele reis beschrijft.
  • De Civitate Dei (De Stad Gods): Een filosofisch-theologisch meesterwerk over de rol van het christendom in de geschiedenis.
  • De Trinitate (Over de Drie-eenheid): Een diepgaande verhandeling over de aard van God.

Filosofische en theologische invloed:

  • Hij combineerde christelijke leer met elementen uit de Griekse filosofie, vooral van Plato en het neoplatonisme.
  • Zijn ideeën over genade, zonde, tijd, wil en liefde hebben eeuwenlang het denken in kerk en filosofie gevormd.