Ambrosius van Milaan: Ambrosius’ gebed is doordrenkt van de taal van Ezechiël 36:26: “Ik zal u een nieuw hart geven.”

Heer, neem dit stenen hart van mij,

en geef mij een menselijk hart:

een hart dat U liefheeft,

een hart dat zich in U verheugt,

dat U navolgt en U welgevallig is. 

— Ambrosius van Milaan

++++

Commentaar:

Ambrosius’ gebed is doordrenkt van de taal van Ezechiël 36:26: “Ik zal u een nieuw hart geven.” 

Maar hij maakt het persoonlijk, existentieel, bijna lichamelijk.

Wat opvalt: “Neem dit stenen hart” 

Ambrosius begint met een erkenning van innerlijke verharding. Niet als schuldverklaring, maar als realistische diagnose van de menselijke ziel: soms wordt het hart koud, defensief, moe.

“Geef mij een menselijk hart” 

Voor Ambrosius is menselijkheid geen psychologische categorie, maar een theologische: menselijk is het hart dat lijkt op Christus. Een hart dat kan liefhebben, ontvangen, antwoorden.

“Een hart dat U liefheeft… zich in U verheugt” 

Liefde en vreugde zijn voor hem geen opdrachten maar vruchten van genade. Ze ontstaan wanneer het hart door God wordt aangeraakt.

“Dat U navolgt en U welgevallig is” 

Navolging is geen morele prestatie, maar een beweging van het hart dat door liefde wordt getrokken. Het welgevallige leven is een leven dat door God wordt gevormd, niet door menselijke inspanning

Ambrosius’ spiritualiteit is altijd een theologie van transformatie: God werkt in het hart, en de mens stemt toe.

++++

Gebed:

Heer,

raak mijn hart aan waar het hard is,

open het waar het gesloten is,

verzacht het waar het bang is.

Geef mij een hart dat U zoekt,

dat zich verheugt in Uw licht,

dat Uw weg gaat in eenvoud en trouw.

Maak mijn hart levend,

opdat het U weerspiegelt

en rust vindt in Uw liefde.

Amen.

**************

Auteur: Krisbiesbroeck

Christiaan Biesbroeck Licentiaat Theologie/filosofie