****************

“Ik viel Alypius aan.
Ik riep:
‘WAT IS ER MIS MET ONS?…
De ongeleerden staan op en nemen de hemel stormenderhand,
en wij, met al onze geleerdheid, zien waar wij blijven hangen in vlees en bloed.
SCHAMEN WIJ ONS OM TE VOLGEN omdat anderen ons zijn voorgegaan,
en SCHAMEN WIJ ONS NIET OM HELEMAAL NIET TE VOLGEN?’”
— Augustinus, Belijdenissen, Boek VIII, hoofdstuk 8
++++
Commentaar:
Dit is een van de meest aangrijpende momenten in De Belijdenissen. Augustinus staat op het breekpunt van zijn bekering. Hij ziet eenvoudige mensen — zonder filosofische scholing, zonder retorische vorming — die met een open hart God vinden. En hijzelf, met al zijn intellect, blijft gevangen in zijn eigen aarzelingen.
Wat hem raakt, is niet dat anderen hem zijn voorgegaan, maar dat hij zich schaamt om te volgen. Zijn trots houdt hem tegen. Zijn geleerdheid, die hem had moeten verheffen, is een last geworden. Hij ziet dat het niet het verstand is dat hem redt, maar de nederigheid om zich te laten leiden.
De zin “De ongeleerden nemen de hemel stormenderhand” is geen minachting voor eenvoudigen, maar een erkenning dat het Koninkrijk van God niet wordt betreden door scherpzinnigheid, maar door overgave.
Augustinus ontdekt hier een diepe waarheid: het hart loopt vaak sneller dan het hoofd — en dat is geen tekort, maar genade.
++++
Gebed:
Heer,
Leer mij de eenvoud van het hart.
Bevrijd mij van de trots die mij doet aarzelen,
van de angst om te volgen omdat anderen mij zijn voorgegaan.
Geef mij de moed om U te zoeken met een open hart,
niet vertrouwend op mijn eigen inzicht,
maar op Uw licht dat mij voorgaat.
Laat mij niet blijven hangen in vlees en bloed,
maar wek in mij het verlangen om op te staan
en U te volgen met heel mijn wezen.
Amen.
**************
