
C.S. Lewis – The Problem of Pain
Het probleem om menselijk lijden te verzoenen met het bestaan van een God die liefheeft, is alleen onoplosbaar zolang we een oppervlakkige betekenis aan het woord liefde hechten, en naar de dingen kijken alsof de mens het middelpunt ervan is.
De mens is niet het middelpunt.
God bestaat niet omwille van de mens.
De mens bestaat niet omwille van zichzelf.
“Gij hebt alle dingen geschapen, en om Uw wil zijn zij en werden zij geschapen.” [Openbaring 4:11]
Wij zijn niet in de eerste plaats geschapen opdat wij God zouden liefhebben (al zijn wij ook daarvoor geschapen), maar opdat God ons zou kunnen liefhebben—opdat wij objecten zouden worden waarin de goddelijke liefde kan rusten, ‘welbehagen vindend’.
Vragen dat Gods liefde tevreden zou zijn met ons zoals we zijn, is vragen dat God ophoudt God te zijn: want omdat Hij is wie Hij is, moet Zijn liefde, naar haar aard, gehinderd en afgestoten worden door bepaalde smetten in ons huidige karakter. En omdat Hij ons reeds liefheeft, moet Hij zich inspannen om ons beminnelijk te maken.
Zelfs in onze betere momenten kunnen we niet wensen dat Hij zich zou verzoenen met onze huidige onzuiverheden—niet meer dan het bedelmeisje zou kunnen wensen dat koning Cophetua tevreden zou zijn met haar lompen en vuil, of een hond, eenmaal gewend geraakt aan de liefde van de mens, zou kunnen wensen dat de mens zó zou zijn dat hij in zijn huis een bijtend, met ongedierte besmet, vervuilend schepsel uit het wilde roedel zou dulden.
Wat wij hier en nu ons ‘geluk’ zouden noemen, is niet het doel dat God voornamelijk voor ogen heeft: maar wanneer wij zó zijn dat Hij ons zonder belemmering kan liefhebben, zullen wij in werkelijkheid gelukkig zijn.
++++
Commentaar:
Lewis daagt hier een populaire maar oppervlakkige opvatting van liefde uit—namelijk dat liefde betekent: “je mag blijven zoals je bent.” In plaats daarvan stelt hij dat Gods liefde een transformerende kracht is. Niet omdat God ons afwijst, maar juist omdat Hij ons liefheeft, kan Hij ons niet laten zoals we zijn. Ware liefde wil het geliefde tot volle bloei brengen.
Het beeld van koning Cophetua en het bedelmeisje is treffend: liefde verheft, reinigt, en maakt waardig. Lewis maakt duidelijk dat Gods doel niet ons tijdelijke comfort is, maar onze uiteindelijke heiligheid—een toestand waarin we zonder belemmering bemind kunnen worden. En daarin ligt ons diepste geluk.
Deze visie is veeleisend, maar ook troostrijk: we zijn geliefd met een liefde die ons niet opgeeft, die ons vormt tot wie we werkelijk bedoeld zijn te zijn.
++++
Gebed:
Liefdevolle God,
U bent niet tevreden met onze gebrokenheid,
niet omdat U ons afwijst,
maar omdat U ons liefheeft met een heilige, helende liefde.
Laat Uw liefde in ons werken,
zoals vuur dat reinigt,
zoals licht dat de duisternis verdrijft.
Maak ons beminnelijk, Heer,
niet door onze verdienste,
maar door Uw genade.
Leer ons los te laten wat U hindert,
onze trots, onze angst, onze zelfgenoegzaamheid.
Laat ons verlangen naar heiligheid,
niet uit plicht, maar uit liefde.
Wanneer wij U zonder belemmering kunnen ontvangen,
zullen wij werkelijk gelukkig zijn.
Tot die dag, blijf met ons,
werk in ons,
heb ons lief.
Amen.
**************
