Augustinus: Studie van de Schrift: Mattheus 7:7…..

+++++

St. Augustinus zegt dat je inderdaad het goede krijgt waar je om vraagt, maar het goede dat van God komt, is je vermogen en verlangen om goed te doen met wat je wordt gegeven. Terwijl wat u van de wereld hebt, afneemt, neemt uw gerechtigheid toe.

Mattheüs 7:7 “Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en er zal voor u opengedaan worden.”

Het Goede dat goed maakt, is God. Want niemand kan de mens goed maken, behalve Hij die eeuwig Goed is. Daarom, opdat jij goed mag zijn, roep God aan. Maar er is een ander goed waardoor je goed kunt doen, en dat is: wat je bezit. Er is goud, er is zilver; zij zijn goed, niet zodanig dat ze jou goed maken, maar waardoor je goed kunt doen. Je hebt goud en zilver, en je verlangt naar meer goud en zilver. Je hebt het, en je wilt het hebben; je bent tegelijk vol en dorstig. Dit is een ziekte, geen rijkdom. Wanneer mensen aan waterzucht lijden, zijn ze vol van water, en toch altijd dorstig. Ze zijn vol van water, en toch dorsten ze naar water. Hoe kun je dan vreugde vinden in rijkdom, als je daardoor deze ziekelijke dorst hebt? Goud heb je dus, het is goed; maar je hebt niet datgene waardoor je goed kunt worden, maar wel waarmee je goed kunt doen. Vraag je: “Wat voor goeds kan ik doen met goud?” Heb je niet gehoord in de Psalm: “Hij heeft uitgedeeld, gegeven aan de armen; zijn gerechtigheid blijft voor eeuwig.” Dit is goed, dit is het goede waardoor je goed wordt: gerechtigheid. Als je het goede hebt waardoor je goed wordt, doe dan goed met dat goede dat jou niet goed maakt. Je hebt geld, deel het vrijgevig uit. Door het vrijgevig uit te delen, vermeerder je gerechtigheid. Want hij heeft uitgedeeld, heeft gegeven aan de armen; zijn gerechtigheid blijft voor eeuwig. Zie wat vermindert en wat toeneemt: Je geld vermindert, je gerechtigheid neemt toe. Dat vermindert wat je toch spoedig zou verliezen, dat vermindert wat je achterlaat; dat neemt toe wat je voor eeuwig zult bezitten.

++++

Commentaar:

Augustinus maakt een diep onderscheid tussen materiële goederen en geestelijke goedheid. Goud en zilver zijn op zichzelf niet slecht – ze zijn “goed” in de zin dat ze nuttig kunnen zijn. Maar ze maken je niet goed. Alleen God, het eeuwige Goede, kan dat.

Hij waarschuwt voor de ziekelijke dorst naar rijkdom, die hij vergelijkt met waterzucht: een toestand waarin men vol is, maar toch dorst. Dit beeld is krachtig: het laat zien dat hebzucht nooit verzadigt.

De oplossing? Gebruik je bezit om gerechtigheid te bevorderen. Door te geven aan de armen, verminder je je geld, maar vermeerder je je gerechtigheid – iets wat eeuwig blijft. Het is een oproep tot vrijgevigheid, niet als plicht, maar als weg naar innerlijke transformatie.

++++

Gebed

Heer, eeuwige Bron van het Goede,

 U alleen kunt ons hart zuiveren en ons werkelijk goed maken.

Help ons om niet te hechten aan wat vergaat, maar om te leven in gerechtigheid die blijft.

 Geef ons de moed om vrijgevig te zijn, om te delen wat we hebben met hen die tekortkomen.

Laat onze handen mild zijn, en ons hart rijk in liefde. Dat ons geven geen verlies mag zijn,

maar een zaaien in Uw Koninkrijk.

 Amen.

***************************

Auteur: Krisbiesbroeck

Christiaan Biesbroeck Licentiaat Theologie/filosofie

Plaats een reactie