Dietrich Bonhoeffer: Petrus, de belijdende, gelovige leerling, Petrus verloochende zijn Heer op dezelfde nacht dat Judas Hem verried…..

“Petrus, de belijdende, gelovige leerling, Petrus verloochende zijn Heer op dezelfde nacht dat Judas Hem verried; in die nacht vluchtte hij en schaamde zich toen Jezus voor de hogepriester stond. Hij is de man van weinig geloof, de bange man die in de zee wegzinkt; Petrus is de leerling tegen wie Jezus zei: ‘Ga weg achter mij, Satan’; hij is degene die steeds weer wankelde, overmand door zwakheid, die keer op keer verloochende en viel, een zwakke, wankelmoedige man, overgeleverd aan de grillen van het moment. … Maar Petrus is ook degene van wie we lezen: ‘Hij ging naar buiten en weende bitter.’ Van Judas, die eveneens de Heer verloochende, lezen we: ‘Hij ging naar buiten.’ Hij ging naar buiten en hing zichzelf op. Dat is het verschil.

Petrus, die de Heer verloochende. De kerk van Petrus is niet gebouwd op een geloof dat zichzelf veiligstelt, noch alleen op de kerk die haar Heer verloochent; het is de kerk die Hem belijdt. ‘Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij neer en weenden, toen wij Sion gedachten’ (Psalm 137:1). Dat is de kerk; want wij gedenken Sion. De kerk is de plaats waar de roep klinkt: ‘Aan de rivieren die stromen in de stad van mijn thuis, wanneer men de verloren zoon is geworden die op zijn knieën valt, wenend voor de vader.’ De kerk van Petrus is de kerk met het geween van hen wier droefheid leidt tot vreugde.”

– Dietrich Bonhoeffer

++++++++++

 

Commentaar:

 Deze tekst van Dietrich Bonhoeffer is diep doorleefd en raakt aan het hart van wat het betekent om mens te zijn in relatie tot God. Hieronder vind je eerst een korte commentaar, gevolgd door een gebed dat hieruit voortvloeit.

Bonhoeffer plaatst Petrus en Judas naast elkaar, niet om te oordelen, maar om een mysterie te onthullen: beiden faalden, maar hun wegen na de val waren radicaal verschillend. Petrus verloochende, Judas verried. Beiden gingen “naar buiten”. Maar waar Judas zich afsluit in wanhoop, opent Petrus zich in berouw.

Wat Bonhoeffer hier laat zien, is dat de kerk niet bestaat uit mensen die nooit falen, maar uit mensen die durven terugkeren. Petrus is geen held van standvastigheid, maar een getuige van genade. Zijn tranen zijn geen teken van zwakte, maar van hoop. De kerk van Petrus is dus een gemeenschap van gebroken mensen die zich herinneren—zoals in Psalm 137—en die hun verdriet durven omvormen tot verlangen naar God.

Bonhoeffer noemt de kerk een plek van “het geween van hen wier droefheid leidt tot vreugde.” Dat is een mystieke paradox: verdriet dat niet vernietigt, maar opent. Het is het verdriet van de verloren zoon, van de pelgrim die zich herinnert waar hij vandaan komt, van de ziel die zich buigt voor de Vader.

Deze tekst nodigt uit tot een spiritualiteit van kwetsbaarheid. Niet het succes, maar het berouw is de poort naar genade. Niet de zekerheid, maar het herinneren. Niet de kracht, maar de overgave.

+++++++

Gebed 1: De tranen van Petrus

 

Vader van genade, Gij die de tranen van Petrus hebt gezien, en hem niet hebt verworpen, maar geroepen, zie ook onze zwakheid, onze vlucht, ons vallen.

Wij zijn geen rotsen, maar stof. Geen helden, maar zoekenden. Geen zuiveren, maar geliefden.

Laat ons niet wegzinken in wanhoop zoals Judas, maar wekken tot berouw zoals Petrus. Laat onze tranen niet eindigen in duisternis, maar oplichten in het morgenlicht van uw genade.

Maak van uw kerk geen troonzaal van perfectie, maar een huis van herinnering, waar de verloren zoon thuiskomt, waar de wonden worden getoond, en waar het verdriet leidt tot vreugde.

Heer, leer ons wenen met hoop, bidden met open handen, en leven als mensen die U belijden, niet omdat wij sterk zijn, maar omdat Gij ons draagt.

Amen.

 

Gebed 2:

Heer Jezus, zoals Petrus heb ik U soms verloochend — uit angst, uit zwakte, uit trots. Maar U kijkt mij aan met dezelfde liefdevolle blik als toen, een blik die niet veroordeelt, maar uitnodigt tot terugkeer.

Laat mijn tranen geen wanhoop zijn, maar poorten naar genade. Geef mij de moed om te geloven dat U mij nog steeds roept, niet ondanks mijn falen, maar juist daardoor.

Vorm mij tot een levende steen in uw kerk, niet omdat ik sterk ben, maar omdat ik vertrouw op Uw liefde.

Amen.

****************

Auteur: Krisbiesbroeck

Christiaan Biesbroeck Licentiaat Theologie/filosofie

Plaats een reactie