Augustinus : “Stad van God”
Augustinus : Uittreksel uit ‘de stad van God-
Eerste boek, nr 1.

De glorieuze stad van God is mijn thema in dit werk, dat jij, mijn liefste zoon Marcellinus,[25] voorgesteld, en die u verschuldigd is door mijn belofte. Ik heb haar verdediging op mij genomen tegen hen die hun eigen goden verkiezen boven de Stichter van deze stad, een stad die buitengewoon glorieus is, of wij haar nu zien zoals zij nog steeds leeft door geloof in deze vluchtige loop van de tijd, en als een vreemdeling vertoeft te midden van de goddelozen, of zoals zij zal wonen in de vaste stabiliteit van haar eeuwige zetel, waarop zij nu met geduld wacht, verwachtend totdat “de gerechtigheid zal wederkeren tot het oordeel,”[26] en het verkrijgt, door zijn uitmuntendheid, de uiteindelijke overwinning en volmaakte vrede. Dit is een groot werk, en een moeilijk werk; maar God is mijn helper. Want ik weet welk vermogen vereist is om de trotse te overtuigen hoe groot de deugd van nederigheid is, die ons, niet door een volkomen menselijke arrogantie, maar door een goddelijke genade, verheft boven alle aardse waardigheden die op dit veranderende toneel wankelen. Voor de Koning en Stichter[pagina 2] van deze stad waarover wij spreken, heeft in de Schrift aan Zijn volk een uitspraak van de goddelijke wet verkondigd in deze woorden: “God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade.”[27] Maar dit, wat Gods voorrecht is, de opgeblazen ambitie van een trotse geest, beïnvloedt ook, en houdt er zeer van dat dit tot zijn eigenschappen wordt gerekend,
“Heb medelijden met de nederige ziel,
En verpletter de zonen van hoogmoed.”[28]
En daarom moeten we, aangezien het plan van het werk dat we hebben ondernomen dat vereist en de gelegenheid zich voordoet, ook spreken over de aardse stad die, hoewel zij de heerseres is over de volkeren, zelf wordt geregeerd door haar heerschappij.
1. Van de tegenstanders van de naam van Christus, die de barbaren om Christus’ wil spaarden toen zij de stad bestormden.
Want aan deze aardse stad behoren de vijanden toe, tegen wie ik de stad Gods moet verdedigen. Velen van hen zijn inderdaad, nadat ze van hun goddeloze dwaling zijn gered, voldoende geloofwaardige burgers van deze stad geworden; maar velen zijn zo ontstoken van haat tegen haar, en zijn zo ondankbaar jegens haar Verlosser voor Zijn opmerkelijke weldaden, dat ze vergeten dat ze nu niet in staat zouden zijn om een enkel woord tot haar nadeel te uiten, als ze niet in haar heilige plaatsen, toen ze vluchtten voor het staal van de vijand, dat leven hadden gevonden waarop ze zich nu beroemen. Worden niet juist die Romeinen, die door de barbaren werden gespaard door hun eerbied voor Christus, vijanden van de naam van Christus? De relikwieën van de martelaren en de kerken van de apostelen getuigen hiervan; want in de plundering van de stad waren ze een open toevluchtsoord voor allen die naar hen vluchtten, of ze nu christen of heiden waren. Tot aan hun drempel woedde de bloeddorstige vijand; daar had zijn moorddadige woede een grens. Daarheen brachten degenen van de vijand die enig medelijden hadden met degenen aan wie zij genade hadden verleend, opdat niet iemand die minder genadig was hen zou treffen. En inderdaad, toen zelfs die moordenaars die zich overal elders meedogenloos toonden, op deze plekken kwamen waar datgene verboden was wat de oorlogsvergunning op elke andere plaats toeliet, werd hun woedende woede voor slachting beteugeld en hun gretigheid om gevangenen te nemen geblust. Zo ontsnapten de menigten die nu verwijten[pagina 3] de christelijke godsdienst, en schrijven Christus de kwalen toe die hun stad zijn overkomen; maar het behoud van hun eigen leven – een zegen die zij te danken hebben aan het respect dat de barbaren voor Christus hebben – schrijven zij niet toe aan onze Christus, maar aan hun eigen geluk. Zij zouden, als zij enige juiste waarnemingen hadden, de strengheid en ontberingen die hun vijanden hun hebben aangedaan, moeten toeschrijven aan die goddelijke voorzienigheid die de verdorven manieren van mensen door kastijding wil hervormen, en die met soortgelijke kwellingen de rechtvaardigen en prijzenswaardigen oefent, – hen ofwel, wanneer zij de beproeving hebben doorstaan, naar een betere wereld te verplaatsen, of hen nog steeds op aarde vast te houden voor latere doeleinden. En zij zouden het aan de geest van deze christelijke tijden moeten toeschrijven, dat, in tegenstelling tot de gewoonte van de oorlog, deze bloeddorstige barbaren hen spaarden, en hen spaarden omwille van Christus, of deze genade nu werkelijk werd betoond op promiscue plaatsen, of op die plaatsen die speciaal aan Christus’ naam waren gewijd, en waarvan de allergrootste als heiligdommen waren uitgekozen, dat aldus de volledige reikwijdte kon worden gegeven aan het uitgebreide mededogen dat verlangde dat een grote menigte daar onderdak zou vinden. Daarom zouden zij God moeten danken, en met oprechte belijdenis hun toevlucht zoeken tot Zijn naam, opdat zij zo de straf van het eeuwige vuur mogen ontlopen – zij die met leugenachtige lippen deze naam op zich namen, opdat zij de straf van de huidige vernietiging mochten ontlopen. Want van hen die u brutaal en schaamteloos de dienaren van Christus ziet beledigen, zijn er velen die die vernietiging en slachting niet zouden zijn ontkomen als zij niet hadden beweerd dat zij zelf dienaren van Christus waren. Maar nu verzetten ze zich, in ondankbare trots en goddeloze waanzin, en met het risico gestraft te worden in eeuwige duisternis, op perverse wijze tegen die naam waaronder ze zichzelf op frauduleuze wijze beschermden om te kunnen genieten van het licht van dit korte leven.
***********************
