
“Ik werd slecht zonder reden.
Ik had geen motief voor mijn slechtheid, behalve de slechtheid zelf.
Het was weerzinwekkend, en ik hield ervan. Ik hield van de zelfvernietiging, ik hield van mijn val
— niet om wat ik ermee bereikte, maar om de val zelf.
Mijn verdorven ziel stortte zich neer van uw hemelse hoogte naar de ondergang.
Ik zocht niet iets te verkrijgen via schandelijke middelen,
maar schaamte omwille van de schaamte.”
Augustinus – Uit de Belijdenissen.
++++++++++++++++
Deze passage uit Confessiones van Sint-Augustinus is een rauwe en diep persoonlijke reflectie op de aard van zonde en innerlijke strijd.
Hier zijn enkele lagen van interpretatie die je kunnen helpen om de tekst beter te begrijpen:
Existentiële zelfreflectie:
Augustinus beschrijft hoe hij zich aangetrokken voelde tot het kwaad, niet om iets te verkrijgen, maar om het kwaad zelf.
Dat is een schokkende bekentenis: hij hield van zijn val, van de vernietiging, puur omwille van de ervaring van het zondigen.
Dit suggereert dat zonde niet altijd rationeel of doelgericht is — soms is het een mysterieuze drang
die voortkomt uit een verdorven verlangen.
De aantrekkingskracht van rebellie:
Hij erkent dat zijn ziel “sprong naar de ondergang” — alsof hij actief koos voor zelfvernietiging.
Dit kan worden gezien als een vorm van spirituele rebellie: het afwijzen van God
en het zoeken naar autonomie, zelfs als dat leidt tot pijn.
Het is een echo van het verhaal van de gevallen engelen of van Adam en Eva:
de keuze voor het kwaad als een daad van vrijheid,
maar met destructieve gevolgen.
Spirituele diepgang:
Augustinus schrijft dit niet om zichzelf te verheerlijken, maar om zijn bekering kracht bij te zetten.
Door zijn zondige verleden zo onverbloemd te beschrijven, toont hij hoe diep zijn behoefte aan genade en verlossing was.
Het is een getuigenis van hoe de mens zonder God kan afglijden, en hoe de erkenning van die afgrond de eerste stap is naar verlossing.
Theologische betekenis
In de christelijke traditie wordt zonde vaak gezien als een breuk met God. Augustinus’ woorden illustreren
dat die breuk niet altijd voortkomt uit verlangen naar iets buiten God, maar soms uit een pervers verlangen
naar de breuk zelf. Dat maakt zijn bekentenis des te schrijnender — en des te krachtiger als oproep tot genade.
++++++++++++
Laten we dieper graven in de spirituele, filosofische én psychologische lagen van Augustinus’ bekentenis
— want deze passage is niet zomaar een schuldbekentenis, het is een existentiële ontleding
van de menselijke wil en zijn neiging tot zelfdestructie.
De paradox van de vrije wil
Augustinus worstelt met een fundamentele vraag:Waarom kiest de mens voor het kwaad, zelfs zonder voordeel?
Zijn antwoord is schokkend: soms kiest men het kwaad puur om het kwaad. Dit daagt het klassieke idee uit dat mensen altijd handelen uit eigenbelang.
Hier toont hij dat de wil zelf verdorven kan zijn — dat de mens soms verlangt naar wat hem schaadt , enkel om te rebelleren tegen het goede.
Dit is een vroege vorm van wat later in de filosofie “radicale vrijheid” wordt genoemd:
de vrijheid om zelfs tegen je eigen welzijn in te kiezen.
Zonde als existentiële val:
De metafoor van “de val” is cruciaal. Augustinus zegt dat hij niet viel om iets, maar voor de val zelf.
Dat is een diepe spirituele waarheid: zonde is niet altijd instrumenteel, maar kan een soort existentiële drang zijn om los te breken van orde, van God, van betekenis. Het is een hunkering naar chaos — een verlangen om de grenzen van het bestaan te testen.
Psychologische resonantie
Vanuit een modern psychologisch perspectief raakt Augustinus hier aan wat men tegenwoordig destructieve impulsen noemt:
zelfdestructie, verslaving, sabotage van relaties.
Zijn woorden klinken als een vroege beschrijving van wat Freud later zou duiden als de “dooddrift” — een onbewuste drang naar vernietiging.Maar Augustinus plaatst dit niet in het domein van de psyche, maar van de ziel.
De noodzaak van genade:
Door zijn zonde zo radicaal te erkennen, bereidt Augustinus de weg voor zijn centrale boodschap: de mens kan zichzelf niet redden.
Zijn val toont de onmacht van de menselijke wil zonder goddelijke hulp.
Dit is de kern van zijn theologie: genade is geen luxe, maar een noodzaak.
Zonder genade blijft de mens gevangen in zijn eigen neiging tot het kwaad.
Reflectie op de menselijke conditie:
Wat Augustinus hier doet, is meer dan een persoonlijke bekentenis — het is een spiegel voor de mensheid. Hij toont dat in ieder mens een duister verlangen kan leven, dat niet rationeel is, maar existentieel. En dat ware transformatie begint bij het erkennen van die duisternis.
************
