Fragment uit de Belijdenissen van Augustinus : 4,20-4,21…

Fragment uit de ‘Belijdenissen’ van St.Augustinus

4.20 De ondeugden van de jeugd zetten zich voort in de latere leeftijd.  

Op de drempel van de school, waar zulke gewoonten heersten lag ik, ongelukkige knaap, en van zo’n strijdperk was dit de worstelkunst, waarbij ik meer vreesde een taalfout te maken dan dat ik er me voor hoedde, als ik er een maakte, hen te benijden, die er geen maakten. Ik zeg en belijd U deze dingen, mijn God, waarin ik geprezen werd door hen, aan wie te behagen toen voor mij gelijk stond met deugdzaam te leven. Want ik zag niet de afgrond van de schande, waarin ik geworpen was van voor Uw ogen. Want wat was in Uw ogen verachtelijker dan ik, waar ik zelfs zulke mensen mishaagde, doordat ik met talloze leugens mijn opvoeder,  mijn leraren en ouders bedroog uit lust om te spelen en uit zucht om zinledige vertoningen te zien en die in speelse onrust na te bootsen? Ik stal ook uit de voorraadkamer van mijn ouders en van de tafel, hetzij omdat mijn snoeplust mij daartoe dreef, hetzij om iets te hebben, dat ik aan andere jongens kon geven, die zich daardoor lieten omkopen om met mij te spelen, hoewel ze van dat spel toch evenveel genoten als ik. Ook in dat spel trachtte ik, uit ijdele begeerte om uit te blinken, op listige wijze zelf bedrieglijke overwinningen te behalen. Maar wat kon ik zo slecht verdragen en verweet ik zo heftig, wanneer ik iemand er op betrapte, als dat, wat ik anderen aandeed? En wanneer ik betrapt werd en men mij verwijten deed, raasde en tierde ik liever dan dat ik toegaf. Is dat de kinderlijke onschuld? Neen dat is ze niet, Heere, ze is het niet, ik bid U, mijn God. Want juist dit is het, dat zich voortzet, wanneer men op ouderen leeftijd gekomen is; maar dan geldt het niet opvoeders en leermeesters en gaat het niet over noten, ballen en mussen, maar dan geldt het stadhouders en koningen en gaat het over goud, landgoederen en slaven, zoals ook in plaats van roeden zwaardere straffen komen. Het was dus het symbool van de nederigheid, gelegen in de gestalte van de kinderen, dat Uw goedkeuring wegdroeg, o onze Koning, toen U zei: “dezulken is het koninkrijk van de hemelen”.  

4.21 Hij dankt God voor de in zijn jeugd ontvangen weldaden.  

Maar toch, Heer, zou ik U, verhevene, al goede Schepper en Bestuurder van het heelal, onze God danken, ook al zou het Uw wil geweest zijn, dat ik niet meer was geworden dan een knaap. Want ook toen bestond ik, leefde ik, had ik gevoel, droeg ik zorg voor het behoud van mijn wezen – het teken van de geheimzinnige eenheid, waaruit ik was voortgekomen – en bewaakte ik met een innerlijke zin de ongeschonden toestand van mij zinnen en zelfs bij mijn kleine gedachten, die zich bezig hielden met kleine dingen, schepte ik behagen in de waarheid. Ik wilde me niet laten bedriegen, ik had een sterk geheugen, ik was toegerust met het vermogen om te spreken, vriendschap was me aangenaam, ik vermeed smart, neerslachtigheid en onkunde. Wat is in zo’n levend wezen niet bewonderenswaardig en prijzenswaardig? Maar al die dingen zijn gaven van mijn God, niet ik zelf schonk ze mij: goede dingen zijn het en dat alles vormt mijn ik. Goed is dus Hij, die mij gemaakt heeft, en Hij is mijn goed en ik wil Hem loven om al het goede, waardoor ik ook als knaap bestond. Want dit was mijn zonde, dat ik niet in Hem, maar in Zijn schepselen, mijzelf en de andere, genieting, verhevenheid en waarheid zocht, en zo geraakte ik in smart, verwarring en dwaling. Dank zij U gebracht, mijn Verheugenis, mijn Eer en mijn Vertrouwen, mijn God, dank voor Uw gaven; maar bewaar ze mij. Want zo zult U mij bewaren, en zal, wat U mij schonk, vermeerderd en volmaakt worden en ik zelf zal met U zijn, want ook dat ik ben, hebt U mij geschonken.  

Belijdenissen van St.Augustinus : Fragment uit het 4e hoofdstuk.

—————–

Dit is een diep ontroerende en filosofisch rijke passage uit Augustinus’ Belijdenissen, waarin hij zijn jeugdige zonden beschrijft met een scherp oog voor de menselijke natuur en een hart vol berouw en dankbaarheid. Hier is mijn commentaar op deze tekst, in twee delen:

Deel 4.20 – De ondeugden van de jeugd:

Augustinus toont hier een meesterlijke introspectie.Hij kijkt terug op zijn jeugd en ziet daarin niet de onschuld die men vaak romantiseert, maar de kiemen van latere ondeugd:

Morele blindheid:

Hij was meer bezorgd om taalfouten dan om leugens of bedrog.

Dit toont hoe sociale normen en externe waardering zijn geweten overschaduwden.

Spiegel van volwassenheid:

De kinderlijke strijd om aandacht, macht en status is volgens hem een voorloper van de volwassen strijd om rijkdom, bezit en invloed.

De parallellen tussen het kind dat snoep steelt en de koning die land verovert zijn scherp en confronterend.

Schijnheiligheid en egoïsme:

Hij erkent dat hij anderen veroordeelde voor hetzelfde gedrag dat hij zelf vertoonde.

Dit is een vroege vorm van morele hypocrisie, die hij later als zonde herkent.

Nederigheid als ideaal:

Tegenover deze zondige neigingen plaatst hij het beeld van het kind als symbool van nederigheid—niet vanwege hun gedrag, maar vanwege hun afhankelijkheid en ontvankelijkheid.

 Dat is wat Christus prijst.

Augustinus’ toon is niet beschuldigend naar de jeugd, maar eerder naar de menselijke neiging om zichzelf te verheerlijken en anderen te misleiden.

Hij gebruikt zijn jeugd als spiegel voor de menselijke conditie.

Deel 4.21 – Dankbaarheid voor de gaven van God

In dit fragment verandert de toon van schuldbelijdenis naar lof en dankbaarheid:

Existentiële verwondering:

Hij erkent dat zelfs als kind zijn bestaan al vol betekenis was.

 Zijn vermogen tot voelen, denken, spreken en liefhebben zijn tekenen van Gods scheppende kracht.

Afwijzing van zelfverheffing:

Hij benadrukt dat deze gaven hem niet door eigen verdienste toekwamen, maar door God.

Dit is een fundamenteel christelijk inzicht: genade boven verdienste.

Zonde als gerichtheid op het schepsel:

Zijn fundamentele fout was dat hij vreugde, waarheid en verhevenheid zocht in de schepselen (zichzelf en anderen), in plaats van in de Schepper.

Dit leidde tot verwarring en verdriet.

Gebed om bewaring:

Hij eindigt met een smeekbede dat God zijn gaven zal bewaren en volmaken, zodat hij in gemeenschap met God kan leven.

Reflectie:

Deze tekst is niet alleen een autobiografische bekentenis, maar ook een theologische meditatie over de aard van zonde, genade en menselijke groei.

Augustinus’ vermogen om zijn jeugd te analyseren met spirituele diepgang is wat zijn Belijdenissen zo tijdloos maakt.

 Hij nodigt de lezer uit om ook zijn eigen leven te onderzoeken: waar zoek ik mijn vreugde? In het tijdelijke of in het eeuwige?

++++++++++++++++

De fragmenten uit Augustinus’ Belijdenissen zijn rijk aan filosofische, theologische en psychologische inzichten.

Hier zijn de belangrijkste concepten die hij aanraakt, met een nadere uitleg:

1. Zonde als gerichtheid op het schepsel in plaats van de Schepper

Augustinus beschouwt zonde niet alleen als overtreding van regels, maar als een verkeerde gerichtheid van het hart.

In plaats van zijn vreugde en waarheid in God te zoeken, zocht hij die in zichzelf, in anderen, en in aardse dingen.

Schepselgerichtheid:

Genieten van dingen op zichzelf, zonder ze te zien als geschenken van God.

Scheppergerichtheid:

Alles ontvangen met dankbaarheid en gericht zijn op de bron van het goede.

Dit onderscheid vormt de kern van Augustinus’ spiritualiteit:

het hart moet terugkeren naar God als hoogste goed.

2. De illusie van kinderlijke onschuld:

Augustinus verwerpt het romantische idee dat kinderen moreel onschuldig zijn. Hij ziet in zijn jeugd al de kiemen van trots, bedrog, jaloezie en egoïsme.

Speelse zonde:

Liegen om te spelen, stelen om erbij te horen, woede bij verlies.

Volwassen echo:

Deze neigingen groeien uit tot machtsstrijd, hebzucht en politieke intriges.

Zijn punt is dat de menselijke natuur van jongs af aan geneigd is tot zelfzucht, en dat opvoeding en genade nodig zijn om die te hervormen.

3. De gave van het bestaan en de menselijke vermogens:

Ondanks zijn zonden erkent Augustinus dat zijn bestaan als kind al vol wonderen was. Hij noemt:

Geheugen – Spraak – Vriendschap Waarheidsliefde – Vermijding van pijn en onwetendheid

Deze vermogens zijn geen verdienste, maar gaven van God. Hij prijst God als de bron van zijn “ik” en roept op tot dankbaarheid.

4. Berouw en dankbaarheid als spirituele houding

Augustinus’ toon is niet alleen beschuldigend, maar ook nederig en dankbaar. Hij:

Belijdt zijn fouten zonder zichzelf te veroordelen.

Erkent Gods goedheid en genade.

Bidt om bewaring en vervolmaking van zijn gaven.

Deze houding van berouw en dank is kenmerkend voor Augustinus’ spiritualiteit: het is een voortdurende beweging van het hart naar God toe.

5. Nederigheid als toegang tot het Koninkrijk:

Hij verwijst naar Jezus’ woorden: “dezulken is het koninkrijk der hemelen” en benadrukt dat het niet de kinderlijke daden zijn die prijzenswaardig zijn,

 maar de nederige gestalte van het kind.

Nederigheid betekent afhankelijkheid, ontvankelijkheid, en het besef dat men zichzelf niet kan verheffen.

Koninkrijk van God is toegankelijk voor wie zich klein weet en openstelt voor genade.

***************

Auteur: Krisbiesbroeck

Christiaan Biesbroeck Licentiaat Theologie/filosofie

Plaats een reactie