
12.11 : Gesprek van Augustinus met zijn moeder over het Koninkrijk van de Hemelen, en het ontslapen van Augustinus’moeder, de Heilige Monica.
Fragment uit de ‘Belijdenissen’ van Augustinus

Toen nu de dag aanstaande was, waarop zij uit dit leven zou scheiden, – welke dag U bekend was, maar ons niet – was het door U, naar ik geloof, in Uw verborgen wijze van handelen, zo beschikt, dat wij samen, zij en ik, geleund stonden aan een venster, vanwaar men uitzicht had op de binnentuin van het huis, waarin wij vertoefden, daar, te Ostia aan de Tiber, waar wij, ver van het gewoel van de wereld, na de inspanning van een lange reis, krachten verzamelden tot de zeereis. Wij spraken dan samen zeer liefelijk en vergetende hetgeen achter was en strekkende ons tot hetgeen voor was, vroegen wij elkaar in de tegenwoordigheid van U, die de Waarheid bent, hoe het eeuwige leven van de heiligen zou zijn, hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen. En wij smachtten met de mond van ons hart naar de wateren van boven uit Uw bron, de bron van het leven, die bij U is, opdat wij, door die wateren besprenkeld, naar de mate van ons begrip, zo goed we dat konden, over een zo verheven onderwerp konden nadenken.
Toen nu ons gesprek zo ver gekomen was, dat het ons toescheen, dat geen enkele genieting van de vleselijke zinnen, hoe groot die ook ware en in hoe helder aards licht die ook schitterde, waardig was om vergeleken te worden met de heerlijkheid van dat leven, ja zelfs ook maar genoemd te worden, verhieven wij ons hart in klimmende vervoering tot het Zijnde zelf en doorliepen trapsgewijs alle lichamelijke dingen en de hemel zelf, vanwaar de zon en de maan en de sterren lichten over de aarde. En wij stegen nog hoger, in ons hart overdenkend en besprekend en bewonderend Uw werken en zo kwamen wij tot onze zielen en stegen ook daar boven uit, om het land van de onuitputtelijke vruchtbaarheid te bereiken, waar U Israël weidt tot in eeuwigheid met het voedsel van de waarheid en waar het leven de wijsheid is, door welke dat alles wordt, zowel wat geweest is als wat zijn zal, maar zij zelf wordt niet, maar is zo, als zij geweest is, en zal altijd zo zijn. Ja veeleer: in haar is niet een geweest-zijn en een zuilen-zijn, maar alleen het zijn, daar ze eeuwig is: want geweest-zijn en zullen-zijn is niet eeuwig. En terwijl we over haar spraken en naar haar smachtten, raakten wij haar min of meer aan met de gehele beweging van ons hart; en wij hijgden en wij lieten daar gebonden de eerstelingen van de Geest en keerden terug tot de klank van onze mond, waar het woord een begin en een eind heeft. Maar wat is gelijk aan Uw Woord, onze Heere, dat in zich blijft zonder te verouderen en dat alles nieuw maakt?
Wij dan spraken aldus: Indien in iemand zwijgt de onrust van het vlees, indien zwijgen de gedachten aan de aarde en de wateren en de lucht, indien zwijgt het uitspansel en de ziel zelf zwijgt en, niet aan zichzelf denkend, boven zichzelf zich verheft, en de dromen en de openbaringen van de verbeelding zwijgen en elke tong en elk teken en al wat voorbijgaand van aard is, indien dat voor iemand geheel zwijgt – want indien iemand het horen kon, zouden al deze dingen zeggen: niet wijzelf hebben ons gemaakt, maar Hij heeft ons gemaakt, die blijft in eeuwigheid – indien zij, na dit gezegd te hebben, weer zwegen, omdat zij hun oor gericht houden op Hem, die hen gemaakt heeft, en indien Hij zelf alleen sprak niet door hen, maar door Zichzelf, zodat wij zijn Woord zouden horen niet door de tong van het vlees noch door de stem van een engel, noch door de klank van een wolk noch door de raadselen van een gelijkenis, maar wij Hemzelf zouden horen, wie wij in al deze dingen beminnen, wanneer wij Hemzelf zonder dat alles zouden horen, zoals wij nu onszelf uitstrekken en in snelle gedachte aanraken de eeuwige wijsheid, die boven alles stand houdt; indien dit dan blijvend was en het andere schouwen, dat van zo geheel anderen aard is, verdween en alleen dit een zijn beschouwer meevoerde en in zich opnam en verborg tot innerlijke vreugde, zodat het eeuwige leven zo was, als dit ogenblik van begrijpen, waarnaar wij hijgden, geweest is – zou dat dan niet zijn: “Ga in, in de vreugde van uw Heer?” En wanneer zal dat zijn? Zal het zijn wanneer wij allen opstaan, maar niet allen veranderd zullen worden?
Dergelijke dingen zei ik, zij het dan niet op die manier en met die woorden: maar toch, Heere, U weet, dat op die dag, toen wij dergelijke dingen met elkaar spraken en onder onze woorden de wereld met al haar bekoringen voor ons haar waarde geheel verloor, zij toen zei: “Mijn zoon, wat mij aangaat, niets in dit leven bekoort mij nog. Wat ik hier nog moet doen en waarom ik hier ben, weet ik niet, want van deze wereld verwacht ik niets meer. Eén ding was er, waarom ik nog een weinig in dit leven wenste te blijven, namelijk, dat ik u mocht zien als een katholiek Christen voor mijn sterven. Meer dan mijn verlangen heeft God mij geschonken, zodat ik zelfs mag zien, dat U met verachting van aards geluk zijn dienaar bent. Wat doe ik nog hier?”
12.12 Het ziekbed en het sterven van Monica.
Wat ik haar hierop geantwoord heb, weet ik me niet meer voldoende te herinneren; maar onmiddellijk daarna, ongeveer vijf dagen of iets meer, legde zij zich in koortsen te bed. En toen ze daar ziek lag, overviel haar op zekeren dag een bewusteloosheid en was zij korten tijd buiten kennis. Wij liepen toe, maar spoedig kwam ze weer bij en zag ons bij haar staan, mijn broer en mij, en zei tot ons, zoals iemand spreekt, die iets vraagt: “Waar was ik?” En toen zij zag, dat wij door droefheid overweldigd waren, zei zij: “Gij begraaft uw moeder hier.” Ik zweeg en onderdrukte mijn tranen. Maar mijn broeder zei iets van die aard, dat hij wenste en het voor gelukkiger zou houden, wanneer zij niet in de vreemde, maar in haar vaderland zou sterven. En toen zij dat hoorde, zag zij hem met angstig gelaat en verwijtende blik aan, omdat hij dergelijke dingen dacht, en daarop mij aanziende zei zij: “Hoor toch eens, wat hij zegt.” En daarop zei ze tot ons beiden: “Begraaft dit lichaam, waar gij wilt: maakt u daarover niet de minste zorg; slechts dit vraag ik van u, dat U van mij gedenkt voor het altaar van de Heer, waar U ook zult zijn.” En toen ze deze zin had uitgesproken, zo goed en kwaad ze dat nog in woorden kon, zweeg zij en kreeg een aanval van de ziekte, die steeds heviger werd.
Maar ik overdacht Uw gaven, o onzichtbare God, die U legt in de harten van Uw gelovigen, en waaruit wonderbare vruchten voortkomen, en ik verheugde mij en dankte U, daar ik mij herinnerde, wat ik wist, namelijk met hoeveel zorg en onrust zij altijd vervuld geweest was over haar graf, waarvoor zij gezorgd had en dat zij had laten aanleggen naast het lichaam van haar man. Want daar zij in zo grote eendracht geleefd hadden, wilde zij ook – zo weinig is de menselijke geest geschikt het Goddelijke te vatten – dat aan dat geluk zou worden toegevoegd en door de mensen worden vermeld dit, dat het haar vergund was na de lange zeereis, dat het stoffelijk overschot van de beide echtgenoten door dezelfde aarde bedekt werd. Wanneer echter deze zinledige wens door de volheid Uwer goedheid uit haar hart was geweken, wist ik niet, en vol bewondering verheugde ik me er over, dat ze zich nu zo aan mij had geopenbaard, ofschoon ook al uit ons gesprek aan het venster, toen ze zei: “Wat doe ik hier nog?” mij niet gebleken was, dat ze verlangde in haar vaderland te sterven. Later hoorde ik ook, dat ze, toen we reeds te Ostia waren, met enige van mij vrienden op zekeren dag in moederlijke vertrouwelijkheid een gesprek hield over de verachting hiervan levens en het goede van de dood en dat ze toen, terwijl ik zelf er niet bij was, en zij verbaasd waren over de deugdzaamheid van de vrouw – want U had haar die verleend – en haar vroegen of zij niet bang was haar lichaam zo ver van haar vaderland achter te laten, zei: “Niets is ver van God, en ik behoef niet te vrezen, dat Hij in het einde van de eeuwen de plaats niet zou kennen, waar Hij mij zal opwekken.” Zo is dan op de negenden dag van haar ziekte, in het zesenvijftigste jaar van haar leven, in het drieëndertigste jaar van mijn leven, die godvruchtige en vrome ziel van het lichaam bevrijd.
12.13 Augustinus’ rouw en de begrafenis van zijn moeder.
Ik drukte haar de ogen toe en geweldige droefheid stroomde samen in mijn binnenste en vloeide over in tranen en onmiddellijk daarop drongen op krachtig bevel van mijn geest mijn ogen het stromen van de tranenbron terug, zodat ze droog werden, maar in die worsteling was het mij droef te moe. Toen zij de laatste adem uitgeblazen had, barstte de jonge Adeodatus in geween uit, maar werd, door ons allen bedwongen, stil. Op die manier werd ook die kinderlijke aandoening van mij, die zich uitte in tranen, door de mannelijke stem mijns harten, bedwongen en zweeg. Want wij achtten het niet passend dit overlijden met tranenrijke klachten en zuchten te vieren, omdat men daarmee het ongelukkige lot van de stervenden of hun als het ware algehele vernietiging pleegt te bewenen. Maar zij stierf niet ongelukkig en stierf in het geheel niet. Hieraan hielden wij vast op grond van haar leven en haar ongeveinsd geloof en haar vaste beginselen.
Wat was het dan, dat in mijn binnenste zo diep treurde, anders dan de wonde, die vers geslagen was, doordat het gewend zijn aan het liefelijke en dierbare samenleven zo plotseling was afgebroken? Wel was ik dankbaar voor wat ze getuigde, toen ze in haar laatste ziekte, terwijl ik haar hielp, zo vol liefde mij haar lieve goede zoon noemde en in grote tederheid vermeldde, dat zij nimmer uit mijn mond een hard woord of een smadelijke klank jegens haar gehoord had. Maar toch, mijn God, die ons gemaakt hebt, wat was de eerbied, die ik haar bewees, vergeleken bij haar diensten jegens mij? Daar ik dus verstoken was van haar zo grote vertroosting, was mijn ziel gewond en mijn leven, dat met het haar een was geworden, als het ware verscheurd.
Toen we dan de knaap met wenen hadden doen ophouden, nam Evodius het psalmboek en begon een psalm te zingen. En wij antwoordden daarop met allen die in huis waren: “Ik zal van goedertierenheid en recht U psalmzingen, o Heere”. Toen ze hoorden, wat er gebeurde, kwamen vele broederen en godvruchtige vrouwen samen, en terwijl volgens de gewoonte zij, van wie ambt dat was, voor de begrafenis zorgden, hield ik op een afzonderlijke plaats, waar dat passend kon, met hen, die oordeelden, dat ze mij niet alleen mochten laten, een gesprek over een onderwerp, dat paste bij de omstandigheden, en zo verzachtte ik door de balsem van de waarheid mijn pijn, die U bekend was, maar waarvan zij niets wisten, terwijl ze aandachtig toeluisterden en meenden, dat ik vrij was van gevoel van smart. Maar voor Uw oren, waar niemand van hen het hoorde, verweet ik mij de weekheid van mijn gevoel en drong de stroom van mij droefheid terug, en hij week een weinig voor me: maar dan brak hij zich opnieuw met kracht baan, wel niet zover, dat ik in tranen uitbarstte of mijn gelaat veranderde, maar ik wist wel, wat ik in mijn hart te onderdrukken had. En omdat het mij ernstig mishaagde, dat zoiets menselijks, dat toch naar de gestelde orde en naar onze staat noodzakelijk komt, zo de overhand over mij had, had ik ook nog smart over mijn smart en werd ik door dubbele droefheid gekweld.
Toen, zie, het lijk werd uitgedragen, gingen en keerden wij terug zonder tranen. Want ook bij de gebeden, die wij voor Gij Uitstortten, toen voor haar het offer van onze losprijs werd gebracht, terwijl het lijk reeds naast het graf geplaatst was, voordat het erin gelegd werd, zoals daar pleegt te geschieden, ook bij die gebeden heb ik niet geweend, maar de gehele dag was ik in het verborgen diep bedroefd en in de verwarring van mijn geest vroeg ik U, zo goed ik kon, dat U mijn smart zou willen genezen, maar U deed het niet, – naar ik geloof, om in mijn geheugen in te prenten door dit een voorbeeld, hoe de kluister van iedere gewoonte zelfs tegen een geest, die zich niet meer voedt met bedrieglijke woorden, gekeerd is. Ook besloot ik een bad te nemen; omdat ik gehoord had, dat het Griekse woord voor bad, (waarvan het Latijnse is afgeleid) aanduidde, dat het de onrust uit het gemoed wegneemt. Zie, ook dat belijd ik aan Uw barmhartigheid, Vader van de wezen, dat ik mij baadde en dezelfde bleef, die ik voordien geweest was. Immers de bitterheid van de smart zweette mijn hart niet uit. Daarop legde ik mij te slapen en ik ontwaakte en vond mijn smart voor een niet gering deel verzacht en, terwijl ik op mijn bed alléén was, herinnerde ik mij de ware verzen van Uw dienaar Ambrosius:
O God, U Schepper van ‘t heelal,
Die ‘s hemels baan bestuurt, en kleedt
De dag met ‘t schitterende zonnelicht,
De nacht met zoete sluimering,
Opdat de rust de leden sterkt ,
en weer in staat stelt tot het werk, en de vermoeiden geest verkwikt, Bekommerden bevrijdt van zorg.
En daarop kwam ik langzamerhand weer terug op mijn vroegere gedachten over Uw dienstmaagd en haar levenswandel, die vroom was tegenover U en zo vol heilige vriendelijkheid en welwillendheid tegenover ons, waarvan ik zo plotseling beroofd was, en ik begeerde te wenen voor Uw aangezicht over haar en voor haar, over mij en voor mij. En ik liet de tranen, die ik ingehouden had, de vrije loop, ze als een bed spreidend onder mijn hart: en het rustte uit in hen, want daar waren Uw oren, en niet die van een mens, die mijn geween hoogmoedig zou hebben uitgelegd. En nu, Heere, belijd ik het U in het geschreven woord. Leze dat wie wil en laat hij het uitleggen, zoals hij wil, en als hij bevindt, dat het zonde was, dat ik een klein deel van een uur weende om mijn moeder, mijn moeder, die nu voor mijn ogen dood was, maar die vele jaren om mij geweend had, opdat ik voor Uw ogen zou leven, laat hij mij dan niet uitlachen, maar veeleer, wanneer zijn liefde groot is, zelf voor mijn zonden wenen tot U, Vader van alle broederen van Uw Christus.
12.14 Hij bidt voor zijn gestorven moeder.
Nu echter, nu mijn hart genezen is van die wonde, om welke men het van vleselijke aandoeningen had kunnen beschuldigen, vergiet ik voor U, o onze God, voor Uw dienstmaagd tranen van geheel anderen aard, die stromen uit een geest, die geschokt is door de overweging van de gevaren van iedere ziel, die in Adam sterft. Ofschoon zij, levend gemaakt in Christus, ook toen zij nog niet van vlees ontbonden was, zo leefde, dat Uw naam geprezen wordt in haar geloof en haar wandel, durf ik toch niet te zeggen, dat, sedert U haar door de doop hebt wedergeboren, geen enkel woord uit haar mond gegaan is tegen Uw gebod. En er is gezegd door de Waarheid, Uw Zoon: “Wie tot zijn broeder zegt: U dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur; en wee het leven van de mensen, ook al is dat prijzenswaardig, indien U het met terzijdestelling Uwer barmhartigheid zou onderzoeken. Maar omdat U onze misdrijven niet met gestrengheid onderzoekt, hopen wij vol vertrouwen een plaats bij U te vinden. Wie echter U zijn werkelijke verdiensten opsomt, wat somt hij U anders op dan Uw gaven? O leerden toch de mensen zichzelf kennen als mensen, en: die roemt, roemt in de Heere.
Terwijl ik dus, o mijn Lof en mijn Leven, God mijns harten, voor een ogenblik haar goede daden, voor welke ik U vol vreugde dank, ter zijde laat, bid ik U nu voor de zonden van mij moeder: hoor mij door de Medicijn van onze wonden, die aan het hout hing en zittend aan Uw rechterhand U voor ons bidt. Ik weet, dat zij barmhartigheid geoefend heeft en van harte haar schuldenaren hun schulden vergeven heeft: vergeef ook U haar, haar zonden, die zij gedurende zoveel jaren na het ontvangen van het water van het heil wellicht begaan heeft. Vergeef, Heere, vergeef, smeek ik U; ga niet in het gericht met haar. Moge de barmhartigheid roemen tegen het oordeel; want Uw uitspraken zijn waar en U hebt de barmhartige barmhartigheid beloofd. Dat zij dat zijn, hebt U hun geschonken, Gij, die U zult ontfermen, diens Gij U ontfermt en barmhartig zijn, wie U barmhartig bent.
En ik geloof, dat U reeds gedaan hebt, wat ik U bid, maar laat U toch, o Heer, welgevallen de vrijwillige offeranden van mijn mond. Want toen de dag van haar ontbinding nabij was, was haar geest niet vervuld met de gedachte aan een kostbare begrafenis of de balseming van haar lijk met specerijen en ook begeerde zij niet een uitgezocht gedenkteken of zorgde zij er voor, dat ze in haar vaderland begraven zou worden: niets van dat alles droeg zij ons op, maar alleen wenste zij, dat van haar gedacht zou worden voor Uw altaar, dat zij geen enkelen dag nagelaten had te dienen, want zij wist, dat vandaar het heilige offer uitgedeeld wordt, waardoor het handschrift uitgewist is, dat tegen ons was, waardoor onze vijand overwonnen is, die onze misdrijven optelde en zocht, wat hij ons voor de voeten zou kunnen werpen, maar die niets vond in Hem, in wie wij overwinnen. Wie zal Hem zijn onschuldig bloed teruggeven? Wie zal Hem de prijs terugbetalen, waarvoor Hij ons gekocht heeft, om ons aan hem te ontrukken? En aan het sacrament van die losprijs van ons had Uw dienstmaagd haar ziel gebonden met de band van het geloof. Niemand scheurt haar los van Uw bescherming. Leeuw en draak mogen zich noch met geweld noch met list daartussen stellen: immers zij zal niet antwoorden, dat zij geen schuld heeft, opdat ze niet overtuigd worde en in de macht komt van de sluwe aanklager, maar zij zal antwoorden, dat haar schulden kwijtgescholden zijn door Hem, aan wie niemand teruggeeft, wat Hij voor ons betaald heeft, hoewel Hij niets schuldig was.
Ruste zij dus in vrede met haar man, vóór wie en na wie zij met niemand gehuwd geweest is, die zij diende, U vrucht voortbrengende met lijdzaamheid, opdat zij ook hem zou winnen voor U. En leg het in het hart, mijn Heer en mijn God, leg het in het hart van Uw dienaren, mijn broeders, Uw zonen, mijn heer, die ik die met het hart en met de stem en met mijn geschriften, dat allen die dit lezen, voor Uw altaar gedenken Monica, Uw dienstmaagd, met Patricius, die eens haar man was, door wie U mij dit leven binnen gebracht hebt; hoe, weet ik niet. Mogen zij in vroomheid gedenken hen, die in dit voorbijgaande licht mijn ouders waren en die mijn broederen zijn onder U als Vader en in de kerk als moeder, en mijn medeburgers in het eeuwige Jeruzalem, waarnaar de vreemdelingschap van Uw volk hijgt van de uitgang tot de terugkeer, opdat, wat zij van mij verzocht als haar laatste bede, haar in veler gebeden overvloediger worde verleend door deze mijn belijdenissen dan door mijn gebeden.
Bron : Augustinus Confessiones
Hst.12.11-12.14
Uit Latijn vertaald door Dr.A. SIZOO

