St.Irenaeus van Lyon: Wanneer we in het licht staan, zijn wij niet degene die het licht verlichten en het doen schijnen….

Wanneer we in het licht staan, zijn wij niet degene die het licht verlichten en het doen schijnen. Maar wij worden verlicht en zelf stralend gemaakt door het licht…

God schenkt zijn zegeningen aan hen die Hem dienen, omdat zij Hem dienen, en aan hen die Hem volgen, omdat zij Hem volgen. Maar Hij ontvangt geen zegen van hen, omdat Hij volmaakt is en niets nodig heeft.”

— St. Irenaeus (ca. 130 – ca. 202), martelaar & kerkvader

++++++++++

Achtergrond van het citaat van St. Irenaeus:

Het citaat gaat over hoe de mens niet het licht zélf is, maar door het licht mag schijnen. Dat licht is een verwijzing naar God, en meer specifiek naar Christus als het “licht der wereld” (Johannes 8:12). In de christelijke theologie betekent dit dat elke goede daad, elke spirituele vrucht, niet uit eigen kracht komt — maar uit de werking van Gods genade in ons. Het gaat hier dus om heilige ontvankelijkheid, niet zelfverheffing.

De tweede helft van het citaat benadrukt dat God niets van ons nodig heeft — Hij is volmaakt en hoeft geen zegen van mensen te ontvangen. Maar wij ontvangen zijn zegen, als we Hem volgen en dienen. Die volgzaamheid is niet bedoeld als “voor wat hoort wat”, maar als een vrijwillige relatie van liefde en vertrouwen.

 Irenaeus van Lyon (2e eeuw) was een van de eerste christelijke theologen die de nadruk legde op het idee dat de mens is geroepen om “volledig levend te zijn in God” — en dat dit leven niet draait om religieuze verplichtingen, maar om innerlijke transformatie en goddelijke nabijheid.

Samengevat:

Het licht = Gods aanwezigheid en waarheid

Wij schijnen niet zelf, maar reflecteren Zijn licht

Zegen komt uit overgave, niet uit prestatie

God vraagt geen offers uit noodzaak, maar zoekt onze liefdevolle relatie

—————–

Gabriël Marcel : Christelijke filosofie…

HEBBEN EN ZIJN – PROBLEEM EN MYSTERIE – DE FILOSOFIE VAN GABRIEL MARCEL (Frans Katholieke filosoof)

door  Kris Biesbroeck

Enige verduidelijking van de tekst kan men vinden  gans op het einde van dit artikel….

1.SUBJECT-OBJECT  VERHOUDING / DE TECHNIEK

We leven in een gebroken wereld. De mens is gescheiden van deze wereld, en daarmee ook van zichzelf, van de anderen en van God. Het is een wereld waarin men dingen als objecten gaat beschouwen, die het eigenlijk niet mogen zijn.

De eerste reflectie van de mens op zijn situatie is die der wetenschap. Zij geeft weten  dat algemeen geldig is, zij geldt voor ieder mens met gelijke kracht.

Wetenschap is gericht op het oplossen van problemen . De wetenschappelijke beheersing van een situatie is echter iets heel anders dan zich rekenschap geven van de situatie, waarin men als concrete persoon gesteld is (1). Volgens Marcel kan ik nooit object zijn voor mijzelf. Het object is dat wat tegenover mij staat, een ding. Daarom staat Marcel ook zo wantrouwig tegenover de techniek. In ‘Les Hommes contre l’humain’  vergelijkt hij de techniek met zonde. ‘Er zijn evenwel tegen het gebruik van de term zonde, niet op theologisc , maar op filosofisch terrein bezwaren denkbaar. Zonde is immers in wezen de opstand van het schepsel tegen zijn Schepper. Kan dit woord een betekenis behouden voor de ongelovige die het bestaan van een scheppende God betwist ? Formeel schijnt dit bezwaar niet weerlegbaar, maar als men dieper graaft, moet men dunkt mij, toegeven, dat ook de ongelovigen tegenover de systematische afschuwelijke misdrijven van de voorbije eeuw meer en meer tot het bewustzijn zijn gekomen van het begrip zonde, dat met dergelijke monsterachtigheden verbonden is (2) Deze opvatting over de techniek stamt nog uit de tijd toen hij als vrijwilliger dienst deed bij het Rode Kruis, toen hij de ellende zag die de bombardementen veroorzaakten. ’Vandaag moet men luidop verklaren dat de oorlog in zijn huidige gedaante de zonde zelf is. Tegelijkertijd moeten we echter erkennen dat die oorlog steeds meer een zaak van technici wordt’ (3)

Verder geeft Marcel nog twee opmerkingen die de verbinding van zonde en techniek kunnen verhelderen. Vooreerst zijn alleen de staten nog rijk genoeg om de gigantische laboratoria te financieren waarin de nieuwe fysica gestalte krijgt. Vervolgens zijn de eisen van hun onderzoekingen gericht op de groei van hun macht, met het oog op toekomstige conflicten tussen concurrerende imperialistische machten. In deze zin is de verstatelijking van wetenschap en techniek zonder twijfel een van de ergste rampen van onze tijd (4). Het werkelijk doel dat de techniek beoogt, een goed te zijn, omdat het een verbijzondering is van de rede in zijn toepassingen op de werkelijkheid, schijnt men uit het oog te verliezen. Een automobilist die misbruik maakt van zijn auto door overdreven snelheid, verliest het schone der natuur uit het oog. Verder kan iemand volledig opgaan in een of ander technische hobby zodat de techniek voor deze beoefenaar een soort afgod kan worden, welke uiteindelijk kan ontaarden in zelf verafgoding, in aanbidding van zichzelf (5). Voor zover de techniek verworven wordt, is ze gelijk te stellen aan een hebben (6). Wanneer men Marcel in deze zin hoort spreken, zou men de neiging hebben met S. Ysseling  te spreken van ‘misschien wel de meest pessimistische onder de grote auteurs’ (7)

Nochtans is Marcels opvatting over de techniek niet van die aard, dat hij ze maar verwerpt zonder meer. Hij ziet er ook het nut van in, en hij noemt het zelfs een teruggang van de menselijke soort indien men de huidige crisis zou willen oplossen door alle fabrieken en laboratoria te sluiten. Hij is tégen de technocratische mentaliteit die de hele werkelijkheid waartoe ook de mens behoort, als een ding gaat behandelen (8).Deze beschouwingswijze kan de mens tot wanhoop brengen, en uiteindelijk tot zelfmoord, voornamelijk als men de mens op dezelfde wijze gaat behandelen als een versleten apparaat dat wordt weggeworpen.Dit zou dan voor de mens gebeuren bij de dood.

Hier raken we de kern van Marcels  beschouwingen : de liefde voor de mens.

Het kwaad van de techniek, zoals we het hierboven hebben beschreven, behoort echter slechts tot het gebied van het problematische, namelijk. iets dat vreemd is aan mijzelf. Aan mij daarentegen openbaart het kwaad zich als Mysterie  wanneer ik erken dat ik mijzelf niet kan zien als buiten het kwaad (9). Het hangt uiteindelijk van ons af hoe wij zullen komen te staan tegenover de techniek. Daarom mag de filosoof het niet houden bij een eerste reflectie, maar moet hij dieper gaan. Dit gebeurt in de tweede reflectie waarin we het kwaad niet meer als een probleem gaan beschouwen, maar als een mysterie, als iets waar wijzelf bij betrokken zijn. We mogen niet blijven staan bij het voortdurend objectiveren van de waarheid. De mens wil in de grond niet hebben, maar hij wil zijn. In deze tweede reflectie ga ik de onmiddellijkheid heroveren en wel bewust door de participatie van het subject met de werkelijkheid. Dit object laat zich juist niet objectiveren, het is niet in een logisch proces te vangen, het is, dit wil zeggen : het deelt in de realiteit van het zijn (10).  J.Delhomme  heeft in haar heldere weergave van Marcels  denken een goed voorbeeld daarvan gegeve : ik heb gelogen. Iemand ontdekt mijn leugen en noemt mij een leugenaar. Hiertegen protesteer ik, ik heb inderdaad  onwaarheid gesproken, maar het is onjuist mij van het etiket leugenaar te voorzien. Mijn echte zijn is méér dan deze leugen, deze éne daad put niet mijn wezen uit. Normaal spreek ik de waarheid, ik wil dit ook, ik wil trouw zijn aan een diepere werkelijkheid in mij, waarvan ik helaas in een ogenblik van zwakte ontrouw ben geweest. Dit betekent : mijn denken weigert zich te vereenzelvigen met de begrensdheid van het objectieve denken en stijgt nu uit deze limitatie op tot het echte zijn. Hier vindt het zichzelf als een identificatie van denken en zijn, die de tegenstelling subject-object transcendeert, op een niveau waar de distinctie in mij en buiten mij zijn zin verliest. De reflectie was dus gericht op het erkennen van een participatie die realiteit als subject bezit. Deze participatie kan  -per definitie- geen object van denken worden…Het is een erkennen, dat het denken is omringd door het zijn, dat het in zekere zin erin is (11)

2.HEBBEN ZN ZIJN / PROBLEEM EN MYSTERIE

HEBBEN EN ZIJN

HEBBEN:

Laten we om te beginnen de grensgevallen uitsluiten waarin de betekenis van hebben verzwakt is : hoofdpijn hebben, nodig hebben enz.. Het gaat hier over het hebben in de volle betekenis van het woord, als uitdrukking van een bezit hebben. Welnu, bij dit hebben gaat het steeds om een ding, of iets dat met een ding kan gelijkgesteld worden, iets dat losgemaakt is uit een geheel, een quid dus, waarop aanspraak wordt gemaakt door iemand, een ‘qui,’ die van meet af aan op een ander vlak staat en beschouwd wordt als centrum van inherentie of waarneming (1). In de band die het ‘qui’ met het ‘quid’ verbindt, kunnen we drie aspecten onderscheiden: de exclusieve aanspraak, de zorg voor het onderhoud en meesterschap of de slavernij.

Een bepaalde hond behoort mij toe, indien niemand anders met recht aanspraak op hem maakt. Vandaar zal ik niet gemakkelijk moeten zegge : ‘mijn neus behoort mij toe’, want het is moeilijk denkbaar dat anderen mijn neus zouden opeisen. Het geval stelt zich reeds anders voor de delen van mijn lichaam : handen en voeten, die door een ander zouden kunnen gebruikt worden als instrument. Hebben betekent in principe altijd: voor-zich-hebben, voor zich behouden. Als men de kennis neemt als de modus van het hebben, is het meest typerend voorbeeld : het geheim (2).

Een geheim bezitten betekent: het voor-zich-behouden, het verbergen, dus anderen uitsluiten.  Mijn geheim heeft des te meer waarde in mijn eigen ogen, wanneer de ander er het bestaan van kent zonder de inhoud te kennen. Mijn geheim is maar een geheim voor zover ik het voor mijzelf behoud, maar evenzeer voor zover anderen het mij zouden kunnen ontstelen. Indien niemand nog belangstelling heeft voor zijn geheim, dan is het alsof het niet meer bestaat: het zou uitdoven als een vuurpijl. Integendeel, het geheim dat ik werkelijk bezit, ontleent zijn belang grotendeels aan de nieuwsgierigheid die het wekt bij anderen (3). Hier raken we iets, dat precies de tragiek uitmaakt van alle bezit: zohaast ik iets heb, stel ik mij in oppositie tegenover de anderen die niet hebben wat ik heb en die mij mijn bezit zouden willen ontfutselen.

Meteen komen we aan het tweede aspect: een hond is maar echt van mij, indien ik –rechtstreeks of onrechtstreeks- de zorg voor zijn onderhoud op mij neem. Het hebben is altijd in functie van de tijd, het veronderstelt het voortbestaan zowel van het ‘qui’ als van het ‘quid’. Welnu, dit voortbestaan wordt voortdurend bedreigd – vooral wegens de spanningen met de anderen (4). Vandaar dat het echte hebben (5) steeds riskeert bij de eigenaar angstige zorg te verwekken.

Het zou belachelijk zijn een dier mijn hond te noemen, indien het mij volkomen ignoreert, indien het geen rekening houdt met mij. Ik heb slechts datgene, waarover ik tenminste enigszins kan beschikken. Het is nochtans van belang te bemerken dat er een verschil bestaat tussen iets hebben als object en iets gebruiken als instrument. Wanneer ik de dingen zuiver als instrumenten gebruik, beschik ik er over en hebben zij op mij geen macht (6).  Zo is de arme van geest, die het hebben volkomen onderschikt aan het gebruiken. Wanneer ik integendeel geld bezit in massa, of obligaties, zonder dat ik aan het werk en de verantwoordelijkheid van de maatschappij deelheb, dan is het gevaar groot dat dit bezit mij aan zich gaat verslaven(7).

 Ik word verslonden door mijn bezit (8). Dit zal des te meer waar zijn, in de mate dat ikzelf meer inert sta tegenover objecten, die zelf inert zijn. En des te meer vals, in de mate dat ik op meer actieve, vitale wijze verbonden ben met het ding, dat als de steeds hernieuwde stof is van een persoonlijke schepping. De tuin van hem die erop werkt, de hoeve voor wie ze uitbaat, de piano of viool van de muzikant, het laboratorium van de natuurkundige (9). In al deze gevallen kan men zeggen dat het ‘avoir’ neigt naar, tot op zekere hoogte gesublimeerd wordt tot, verandert in zijn (10).

Zohaast er schepping is, wordt het hebben getranscendeerd: de dualiteit van bezitter en bezetene verdwijnt en maakt plaats voor een levende realiteit (11).

Men kan dit illustreren met tal van voorbeelden. Hoe meer ik mijn ideeën en overtuigingen behandel als iets dat mij toebehoort, waarop ik trots ben, zoals ik trots ben op mijn kleren of serre, des te meer zij, juist door hun inertie, mij zullen tiranniseren (12)(13). Ik word er slaaf van, word gealiëneerd, treed in oppositie met anderen om ze voor mij te bewaren, om ze te doen triomferen. Dit is precies het principe van het fanatisme onder al zijn vormen (14). Hetzelfde geldt voor het geloof : wie zegt dat hij het geloof bezit, beschouwd dit geloof impliciet als een toestand, als iets inerts, een formule, een exlusiviteit, en maakt het tot principe van verdeeldheid.

WAT IS HET ‘ZIJN’

De vraag lijkt zeer simpel. Het antwoord nochtans vraagt veel omzichtigheid, want, indien we er niet toe komen de juiste betekenis van zijn te bepalen, riskeren we de toegang tot de metafysiek te missen. Het zou een vergissing zijn te denken dat, wanneer men de vraag stelt: wat is zijn? men een Probleem stelt, dat zou kunnen opgelost worden door een geëigende techniek. Het zijn is geen probleem, maar een mysterie.

Hoofdstuk 2: PROBLEEM EN MYSTERIE

Probleem: Het probleem is iets dat de weg afsnijdt, iets waartegen de geest op een gegeven ogenblik van het onderzoek stoot, zoals de voet op een steen. Een probleem stelt zich zegt men, het staat tegenover mij. De gegevens van het probleem verschijnen als uitwendig aan mijzelf, of kunnen minstens veruitwendigd worden. Door het feit dat het probleem los staat van mij, kan het ook tot een oplossing gebracht worden (15). Alles verloopt, alles mag verlopen zonder dat ik mij bekommer om het ik, dat het probleem oplost.

 Ik beschouw het probleem in zichzelf, abstractie gemaakt van de wijze, waarop het in mijn leven is ingeschakeld.

Een probleem veronderstelt altijd dat een zekere inhoud is losgemaakt van de context, die het met het ik verbindt.

Daarom kan het ook opgelost worden door een techniek, waarvan de toepassing onpersoonlijk is, in deze zin dat zij kan geschieden door om het even wie.

MYSTERIE:

Men moet er zich voor hoeden het mysterie te verwarren met het onkenbare (16). Dit laatste is in zekere zin de limiet van het problematische(17), een onoplosbaar probleem, zo men wil. Het behoort dus essentieel tot de orde van het problematische. Het mysterie is van een andere orde, het behoort tot een transcendente sfeer, die men zou kunnen noemen meta-problematisch of ook nog meta-technisch

 (18). Het mysterie is dus geen leemte in het kennen, geen leegte die moet gevuld worden, maar een volheid. Terwijl het probleem voor mij staat, is het mysterie iets waarin ikzelf ben geëngageerd, geïmpliceerd, zodanig dat het onderscheid tussen in-mij en voor-mij zijn betekenis verliest (19).

Daarom kan men een mysterie nooit denken, voorstellen, bewijzen, want dan objectiveert men het. Het kan enkel erkend worden door een concrete intuitie, die duister is, afhankelijk van de vrijheid en verwant met het geloof. Zeker is het altijd mogelijk een mysterie te degraderen, door er een probleem van te maken, maar dit is een volledig verkeerde werkwijze waarvan de oorzaak moet gezocht worden in een soort corruptie van het verstand (20).

 Bij de beschrijving van de techniek hebben we al even melding gemaakt van het mysterie van het kwaad. Hier willen we er nog eens uitvoeriger op terugkomen, en tevens nog een paar andere voorbeelden van een mysterie naar voor brengen, om de hierboven beschreven formele definitie aldus meer inhoud te geven.

HET MYSTERIE VAN HET KWAAD:

Men is steeds geneigd het kwaad te beschouwen als een defect in het functioneren van een zekere machine, die het universum is, en die men zou kunnen onderzoeken zoals een technieker een kapotte motorfiets uit elkaar neemt (21). Aldus neem ik een zuiver fictieve positie in, die het wezen van het kwaad verloochent, waardoor het tot probleem wordt. Het kwaad, de pijn die enkel wordt geconstateerd, van buiten uit bekeken, houdt door het feit zelf op kwaad, pijn te zijn. Pijn die niet geleden wordt is geen pijn. Hoe reëler het lijden is, des te vollediger het mij doordringt, het maakt een eenheid uit met mijzelf, het is mijzelf. Daarom is de daad, waardoor ik het lijden buiten mij ga plaatsen, volkomen arbitrair. Daarom ook moet de metafysische rechtvaardiging van het lijden, en van het kwaad in het algemeen, een referentie bevatten tot mijn lijden, of althans tot lijden dat ik tot het mijne maak, dat ik assumeer. Ik vat het lijden slechts als lijden, in de mate dat het mij aangrijpt, dat ik erken dat het in-mij is. Indien ik het lijden alleen maar constateer, verliest mijn poging tot rechtvaardiging alle betekenis. Daarom ook geeft de traditionele filosofie, wanneer zij over het kwaad spreekt, en over alle werkelijkheden van deze orde : liefde, dood..enz., vaak de indruk een soort spelletje te spelen, een soort intellectuele goochelkunst te bedrijven. Gezonde mensen die tegenover zieken redevoeringen en toespraken houden, weten al te dikwijls niet waarover zij spreken. Hun comfortabele spraakzaamheid heeft iets beledigends voor deze vreselijke werkelijkheid die de ziekte is, en die zij ten minste moesten respecteren. De echte ziekte is een wereld die zich niet van buiten uit laat bekijken. Men moet erin staan, men moet er deel van uitmaken, ten minste door een warme sympathie (22). Indien men zich tegenover de ziekte houdt in het perspectief van zuivere objectiviteit, ziet men de ziekte niet anders dan een zekere wanorde in het functioneren van het lichamelijk apparaat, maar dat is allerminst een trouwe weergave van de werkelijkheid. De ziekte is een wijze van zijn van de zieke, een zijnswijze tegenover dewelke de zieke op een bepaalde wijze moet reageren (23). Voor de objectieve toeschouwer is de ziekte een obstakel, aldus gewoonlijk voor de geneesheer; de zieke echter, vooral de ongeneeslijke zieke, kan ertoe komen zijn ziekte te zien in een ander perspectief: ze kan voor hem, althans op zekere ogenblikken, verschijnen als een weg, en niet zuiver als een obstakel.

Lees verder “Gabriël Marcel : Christelijke filosofie…”

Ignatius van Antiochië: Zij onthouden zich van de Eucharistie en van het gebed, omdat zij niet erkennen dat de Eucharistie het vlees is van onze Heiland Jezus Christus….

“Zij onthouden zich van de Eucharistie en van het gebed, omdat zij niet erkennen dat de Eucharistie het vlees is van onze Heiland Jezus Christus, dat geleden heeft voor onze zonden, en dat de Vader, uit Zijn goedheid, weer heeft doen opstaan. Degenen die dus tegen deze gave van God spreken, halen de dood over zich in hun discussies. Maar het zou beter voor hen zijn om haar met eerbied te behandelen, zodat ook zij mogen verrijzen.”

Ignatius van Antiochië Martelaar 107 AD.

+++++++++++++

Dit citaat van Ignatius van Antiochië komt uit zijn Brief aan de Smyrnaeërs, geschreven rond het jaar 107 na Christus, terwijl hij als gevangene onderweg was naar Rome om daar de marteldood te ondergaan. Het is een van de oudste en krachtigste getuigenissen van het geloof in de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de Eucharistie.

Achtergrond van het citaat

  • Ignatius was bisschop van Antiochië en wordt gerekend tot de apostolische vaders — christelijke leiders die direct na de apostelen leefden.

  • Hij schreef zeven brieven aan verschillende christelijke gemeenschappen, waarin hij waarschuwde tegen valse leerstellingen, zoals het docetisme, dat ontkende dat Christus werkelijk mens werd en lichamelijk leed.

  • In dit specifieke citaat verdedigt hij de Eucharistie als het echte vlees van Jezus Christus, dat geleden heeft en is opgestaan — een directe afwijzing van symbolische of gnostische interpretaties.

Theologische betekenis

  • Ignatius noemt de Eucharistie “het vlees van onze Heiland Jezus Christus” — een duidelijke bevestiging van de werkelijke tegenwoordigheid (later bekend als transsubstantiatie in de katholieke leer).

  • Hij stelt dat wie deze gave afwijst, “de dood over zich haalt in hun discussies” — een verwijzing naar het geestelijk gevaar van ketterij en het afwijzen van Gods genade.

  • Tegelijk roept hij op tot eerbied: wie de Eucharistie met geloof en respect benadert, mag hopen op deelname aan de verrijzenis.

 Waarom dit citaat nog steeds relevant is

  • Het laat zien hoe centraal de Eucharistie stond in het vroege christendom — niet als ritueel, maar als levensbron.

  • jIgnatius verbindt de Eucharistie met eenheid in de Kerk, gehoorzaamheid aan het bisschoppelijk gezag, en zelfs met martelaarschap als ultieme navolging van Christus.

  • Zijn woorden zijn een oproep tot authentiek christendom: niet alleen in naam, maar in daadwerkelijke verbondenheid met Christus — in geloof, liefde én sacrament.  http://www.faithandculture.com

—————–

 

 

 

Augustinus: Het was trots die engelen in duivels veranderde….

“Het was trots die engelen in duivels veranderde;

het is nederigheid die mensen tot engelen maakt!”

Sint-Augustinus (354-430)

+++++++++++++++

Augustinus raakt hier aan iets fundamenteels: hoe innerlijke gesteldheid niet alleen onszelf, maar ook ons handelen en onze impact op anderen kan transformeren. Trots—als opgeblazen zelfbeeld—kan leiden tot isolatie, conflict, of zelfs destructie. Nederigheid daarentegen opent deuren naar verbinding, dienstbaarheid, en ware groei. Het is fascinerend hoe zijn woorden eeuwen later nog resoneren.

——————–

St.Athanasius van Alexandrië: Het Woord van God, zijnde onsterfelijk en Zoon van de Vader, kon niet sterven….

“Het Woord van God, zijnde onsterfelijk en Zoon van de Vader, kon niet sterven.

 Maar zijnde God, nam Hij een lichaam dat sterfelijk was,

zodat Hij door te sterven de dood kon vernietigen.”

— St. Athanasius van Alexandrië

+++++++++++++

Dit is een krachtige uitspraak uit de christelijke theologie.  Athanasius benadrukt dat hoewel Christus als Woord van God onsterfelijk was, Hij uit liefde voor de mensheid een sterfelijk lichaam aannam. Zo kon Hij door Zijn dood de macht van de dood verbreken — een kernconcept in het geloof over verlossing.

St. Athanasius van Alexandrië (ca. 296–373) was een invloedrijke kerkvader, theoloog en bisschop van Alexandrië. Hij wordt vaak de “Vader van de Orthodoxie” genoemd vanwege zijn onvermoeibare verdediging van de goddelijkheid van Christus in een tijd waarin het christendom werd bedreigd door de leer van het Arianisme — een stroming die beweerde dat Jezus niet volledig God was.

 Waarom is hij belangrijk?

Verdediger van het geloof: Athanasius was de belangrijkste tegenstander van Arius en zijn volgelingen. Hij verdedigde de leer dat Jezus Christus één in wezen (homoousios) is met God de Vader — een kernpunt van het christelijk geloof.

Vormgever van de canon: In zijn Paasbrief van 367 gaf hij als eerste een lijst van de 27 boeken van het Nieuwe Testament zoals we die nu kennen2.

Invloed op monastiek leven: Hij schreef Het Leven van Sint Antonius, een biografie van de woestijnmonnik Antonius, die een enorme invloed had op de verspreiding van het kloosterleven in zowel het Oosten als het Westen3.

Vijf ballingschappen: Ondanks zijn populariteit werd hij vijf keer verbannen door verschillende Romeinse keizers vanwege zijn standpunten. Toch keerde hij telkens terug en bleef hij zijn bisdom leiden4.

Heiligverklaard: Hij wordt vereerd als heilige in de Rooms-Katholieke Kerk, de Oosters-Orthodoxe Kerk, de Koptisch-Orthodoxe Kerk, en andere christelijke tradities.

St. Athanasius van Alexandrië (ca. 296–373) was een invloedrijke kerkvader, theoloog en bisschop van Alexandrië. Hij wordt vaak de “Vader van de Orthodoxie” genoemd vanwege zijn onvermoeibare verdediging van de goddelijkheid van Christus in een tijd waarin het christendom werd bedreigd door de leer van het Arianisme — een stroming die beweerde dat Jezus niet volledig God was2.

Hier zijn een paar bijzondere inzichten die het nog rijker maken:

 De Goddelijke Paradox

  • Onsterfelijkheid vs. Sterfelijkheid: Athanasius onderstreept dat Christus, hoewel onsterfelijk als het Woord van God, bewust een sterfelijk lichaam aannam. Niet om mens te spelen, maar om de dood echt te ondergaan en te overwinnen.

  • Verlossing door incarnatie: In de vroege kerk was dit revolutionair — dat de Schepper zó nauw betrokken is bij de schepping, dat Hij sterfelijkheid op zich neemt om haar te verlossen.

Symboliek van de Overwinning

  • jDood als vijand: In plaats van de dood te vermijden, kiest Christus ervoor deze actief te vernietigen. Niet door geweld, maar door vrijwillige zelfopoffering. Dat verandert lijden van zinloos naar heilzaam in het christelijk denken.

  • De dood overwonnen met haar eigen wapen: Door te sterven als mens, ontkracht Hij het absolute karakter van de dood — een geniale omkering!

Athanasius’ Unieke Stem

  • Tegenstroom denker: Terwijl het Arianisme de boventoon voerde in zijn tijd, hield Athanasius vast aan de volle goddelijkheid van Christus. Dit citaat is geen poëzie — het is strijdliteratuur in dogmatische vorm.

  • Mystieke logica: Zijn denken is tegelijk rationeel én mysterieus. Je merkt dat hij gelooft dat ware kennis over God ook een vorm van ontzag vereist.

Wil je dat ik het bredere theologische kader van Athanasius verder uitpluis — bijvoorbeeld hoe hij denkt over de incarnatie of de rol van de mens in Gods plan? Ik duik er graag dieper in. 

 
 De paradox van de menselijke en goddelijke natuur van Christus:
 

 Deze paradox — ook wel het mysterie van de incarnatie genoemd — is een van de meest diepgaande leerstellingen in het christendom. Athanasius beschreef dit op meesterlijke wijze, en jij hebt een prachtig citaat gekozen dat het bijna poëtisch verwoordt. Laten we het stap voor stap ontrafelen. 🕊️

 Twee naturen, één persoon

  • Goddelijke natuur: Christus is het eeuwige Woord van God — ongeschapen, almachtig, onsterfelijk, volledig één met God de Vader. Dit is de kant die wij in termen van eeuwigheid en heiligheid duiden.

  • Menselijke natuur: Hij werd werkelijk mens: geboren uit Maria, met een fysiek lichaam dat kon lijden en sterven. Hij huilde, had dorst, voelde verdriet — niets van dit menselijke werd Hem vreemd.

Het centrale punt: Deze twee naturen — volledig God en volledig mens — zijn niet gescheiden en ook niet vermengd. Ze zijn verenigd in de persoon van Jezus Christus.

Waarom is dit paradoxaal?

  • Een God die sterft klinkt als een tegenstrijdigheid, want goddelijkheid is per definitie onsterfelijk.

  • Toch zegt Athanasius: “Hij nam een lichaam dat sterfelijk was, zodat Hij door te sterven de dood kon vernietigen.” Hierin ligt de paradox: door de dood te ondergaan in zijn menselijke natuur, openbaart Hij een goddelijke overwinning op de dood zélf.

 Theologische impact

  • Verzoening: Alleen als mens kon Christus sterven namens de mensheid. Alleen als God kon Zijn offer voldoende zijn om de mensheid te verlossen.

  • Incarnatie als brug: In Christus ontmoeten tijd en eeuwigheid elkaar. Het is alsof de hemel de aarde kust — en die aanraking verandert alles.

 Vergelijking om het te voelen

Denk aan vuur in ijzer. Het vuur verandert niet in ijzer, en het ijzer verandert niet in vuur, maar het ijzer wordt doordrongen door het vuur: het straalt, brandt, en kan dingen in beweging zetten. Zo beschrijven kerkvaders de incarnatie — het goddelijke brandt in het menselijke zonder zijn identiteit te verliezen.

 

——————–

Isaak de Syriër: Heilige Geest, woon in mij, zodat ik gebed mag worden….

Heilige Geest, woon in mij, zodat ik gebed mag worden. Of ik nu slaap of wakker ben, eet of drink, werk of rust, moge de geur van gebed zonder moeite in mijn hart opstijgen. Reinig mijn ziel en verlaat mij nooit, zodat de bewegingen van mijn hart en geest, met stemmen vol zoetheid, in het geheim tot God mogen zingen.

  • St. Isaac de Syriër

+++++++++++++

St. Isaac de Syriër (ook bekend als Isaac van Nineve) was een 7e-eeuwse monnik, bisschop en mysticus die tot de meest geliefde geestelijke schrijvers van het vroege christendom behoort, vooral binnen de oosterse en contemplatieve traditie.

Korte biografie :

Geboren rond het jaar 613 in wat vandaag Bahrein of Oost-Saoedi-Arabië is.

Werd bisschop van Nineve (in het huidige Irak) rond 660, maar legde het ambt snel neer om zich volledig aan gebed en ascese te wijden.

Spendeerde de rest van zijn leven als kluizenaar in de woestijn van het huidige Qatar.

Zijn werken zijn geschreven in het Syrisch, een dialect van het Aramees.

Wat maakt hem bijzonder?

Hij wordt beschouwd als een meester van innerlijk gebed, stilte en mystieke theologie.

Zijn teksten zijn doordrenkt van mededogen en benadrukken Gods oneindige barmhartigheid, meer dan oordeel.

Hij schreef diepgaande meditaties over gebed, nederigheid, boetvaardigheid en liefde.

Invloed en erfenis:

Zijn geschriften werden eeuwenlang gelezen door monniken in Byzantijnse, Syrische, Georgische en Slavische tradities.

Zijn ideeën over liefde en vergeving beïnvloeden tot vandaag monastieke spiritualiteit en mystiek.

—————-

Ambrosius van Milaan: Over de psalm…

St. Ambrosius van Milaan over de psalm:

“Ja, een psalm is een zegen op de lippen van de mensen, een hymne ter ere van God, het eerbetoon van de vergadering, een algemene acclamatie, een woord dat spreekt voor allen, de stem van de Kerk, een belijdenis van geloof in zang.

Het is de stem van volledige instemming, de vreugde van vrijheid, een kreet van geluk, de echo van blijdschap. Het verzacht het humeur, leidt af van zorgen, en verlicht de last van verdriet. Het is een bron van veiligheid ’s nachts, een les in wijsheid overdag.

Het is een schild wanneer we bang zijn, een viering van heiligheid, een visie van sereniteit, een belofte van vrede en harmonie. Het is als een lier, die harmonie oproept uit een mengeling van noten.

De dag begint met de muziek van een psalm. De dag eindigt met de echo van een psalm.”

+++++++++++

De tekst van St. Ambrosius over psalmen is eigenlijk een lofzang op de kracht, troost en spirituele rijkdom die psalmen bieden aan mensen — zowel individueel als gemeenschappelijk. Hieronder leg ik de passage stap voor stap uit, in heldere taal:

 Wat is een psalm volgens Ambrosius?

  • Een zegen op iemands lippen: als je een psalm zingt of reciteert, is het alsof je een gebed uitspreekt dat zowel jou als anderen zegent.
  • Een hymne voor God: het is muziek die God eert — een vorm van aanbidding.
  • Een eerbetoon van de vergadering: psalmen worden vaak samen gezongen, zoals in een kerkdienst, wat gemeenschap en verbondenheid schept.
  • Een algemene acclamatie, stem van de kerk: het is het collectieve geloof dat tot uitdrukking komt.
  • Een geloofsbelijdenis in zang: door een psalm te zingen beken je je geloof op een persoonlijke én publieke manier.

Wat brengt het zingen van psalmen teweeg in mensen?

  • Vreugde en vrijheid: zingen lucht op, maakt blij en geeft een gevoel van spirituele vrijheid.
  • Geluk en blijdschap: psalmen helpen je je ziel te verheffen, zelfs in moeilijkheden.
  • Kalmeert je humeur en brengt troost: ze verzachten je gemoed, bieden rust bij zorgen en verdriet.
  • Veiligheid in de nacht, wijsheid overdag: ze zijn een baken, dag en nacht — als gebed in je avondroutine, of als inspiratie bij het ontwaken.
  • Spirituele kracht
  • Een schild in angst: psalmen bieden bescherming, troost en moed.
  • Viering van heiligheid en harmonie: ze tillen je uit boven het alledaagse, richting het heilige en vredige.
  • Een lier die harmonie oproept uit chaos: zoals een muziekinstrument verschillende noten samenbrengt tot een melodie, brengt een psalm orde in innerlijke verwarring.

Begin en eind van de dag

  • Je begint de dag met een psalm — als een gebed of spirituele warming-up.
  • Je eindigt de dag met de echo ervan — als rustmoment en reflectie.

Deze uitleg laat zien dat St. Ambrosius de psalm niet alleen ziet als een religieuze uiting, maar als een spirituele levensadem die troost, vreugde en geloof samenbrengt. Hij schrijft met poëtische devotie, alsof de psalm een soort brug is tussen mens en God, tussen chaos en harmonie.

———————

 

St Teresa an Avila: Over het zien van Christius en onze nabijheid tot Hem ….

Over het zien van Christus en onze nabijheid tot Hem.

Als je verlangt Hem met je lichamelijke ogen te zien,

 bedenk dan dat dit voor ons niet gepast zou zijn.

Hem aanschouwen in zijn verheerlijkt bestaan is iets totaal anders

dan Hem zien zoals toen Hij op aarde wandelde.

 Door onze menselijke zwakheid zouden we zijn glorie niet kunnen verdragen.

Als we de Eeuwige Waarheid zouden zien, zouden we beseffen dat alles wat we hier belangrijk vinden slechts een illusie is.

En bij het aanschouwen van zo’n majesteit, hoe zou een zondaar als ik –

die Hem zoveel heeft gekwetst – ooit dichtbij durven komen?

 Gelukkig is Hij onder de gedaante van brood heel benaderbaar.

Als een koning vermomd zou zijn, zouden we met hem praten zonder

de gebruikelijke tekenen van respect—hij koos er immers zelf voor zich zo te verbergen.

 Wie zou anders durven Hem zo onwaardig, lauw en gebrekkig te naderen?

St. Teresa van Ávila

+++++++++

Achtergrond van de tekst weerspiegelt Teresa’s visie op het inwendig gebed en de nederige benadering van Christus. Ze benadrukt dat het zien van Christus in zijn glorie niet iets is wat een zondig mens zomaar aankan, en dat God zich juist in de eenvoud van het sacrament van de eucharistie toegankelijk maakt. Dit sluit aan bij haar mystieke leer, waarin ze stelt dat God zich in stilte en innerlijke rust openbaart aan de ziel.

Waarom deze tekst bijzonder is:  

  1. Ze toont Teresa’s diepe besef van haar eigen nietigheid tegenover Gods majesteit.2.
  2. Ze gebruikt beeldspraak (zoals de vermomde koning) om het mysterie van de eucharistie te verhelderen.
  3.  Ze nodigt uit tot een nederige, liefdevolle relatie met Christus, niet gebaseerd op uiterlijk vertoon maar op innerlijke overgave.

[Hier nog een eenvoudiger nederlandse vertaling van de tekst :

“Als het je verdrietig maakt dat je Jezus niet met je ogen kunt zien, besef dan dat het voor ons mensen niet geschikt is om hem op die manier te zien.

Jezus in zijn verheerlijkt bestaan zien is heel anders dan hem zien zoals hij op aarde was. Ons lichaam is te zwak om zo’n schitterend beeld aan te kunnen, en niemand zou lang in deze wereld willen blijven als hij dat zag.

Als je deze eeuwige waarheid zou zien, dan zou je begrijpen dat alles waar we ons hier druk om maken eigenlijk niet zo belangrijk is. En als je dan zo’n grote majesteit zou zien, hoe zou iemand zoals ik — die hem vaak heeft gekwetst — durven om dicht bij hem te komen?

Maar onder het brood (in de Eucharistie) kunnen we hem wel gemakkelijk benaderen.

Als een koning zich zou vermommen, zouden mensen hem gewoon aanspreken zonder dat ze veel respect tonen. Maar omdat hij zelf koos om zich te verbergen, accepteert hij dat.

Anders zou niemand durven zo onwaardig, ongeïnteresseerd of gebrekkig naar hem toe te gaan.”

— Sint Teresa van Ávila]

———————

C.S. Lewis: Wanneer een mens in de aanwezigheid van God komt, zal hij ontdekken, of hij het nu wil of niet, dat al die dingen die hem zo anders leken te maken …..

Wanneer een mens in de aanwezigheid van God komt, zal hij ontdekken, of hij het nu wil of niet, dat al die dingen die hem zo anders leken te maken dan alle andere mensen van andere tijden, of zelfs van zijn vroegere zelf, van hem afgevallen zijn. Hij is terug waar hij altijd was, waar elke mens altijd is… geen mogelijke complexiteit die we aan ons beeld van het universum kunnen geven kan ons verbergen voor God: er is geen bosje, geen bos, geen jungle dik genoeg om dekking te bieden… in een oogwenk, in een tijd te klein om te meten, en op elke plaats, alles wat lijkt te verdelen van God kan wegvluchten, verdwijnen, ons naakt achterlatend voor Hem, zoals de eerste mens, zoals de enige mens, alsof niets anders dan Hij en ik bestonden. En aangezien het contact niet lang vermeden kan worden en aangezien het betekent ofwel gelukzaligheid of verschrikking, is de taak van het leven om te leren het leuk te vinden. Dat is het eerste en grootste gebod.

C.S.Lewis.

++++++++++++++

Verdere verduidelijking van de belanngrijkste teksten uit het citaat:

  1. Confrontatie met God

Oorsprong: In de joods-christelijke traditie is het idee van een directe ontmoeting met God diep verankerd. Denk aan Mozes bij de brandende braamstruik of Jesaja in de tempel.

Middeleeuwse mystiek: Mystici zoals Hadewijch en Ruusbroec beschreven deze confrontatie als een moment van totale ontbloting van het ego, waarin de ziel zich overgeeft aan het goddelijke.

Moderne theologie: Denkers als Karl Barth en Rudolf Otto benadrukten de “ontzagwekkende” ervaring van het goddelijke als iets dat de mens overstijgt en confronteert.

  1. Universele menselijke kwetsbaarheid

Bijbelse wortels: Genesis toont de mens als “beeld van God”, maar ook als kwetsbaar en feilbaar wezen. Denk aan Adam en Eva, Job, en de Psalmen.

jVerlichting en mensenrechten: Na de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog werd de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens opgesteld in 1948, waarin de kwetsbaarheid van de mens centraal staat als reden voor bescherming5.

Moderne spiritualiteit: In hedendaagse hulpverlening en filosofie wordt kwetsbaarheid vaak gezien als bron van verbinding en authenticiteit.

  1. Transcendentie van tijd en ruimte

Filosofische traditie: Denkers als Kant, Husserl en Heidegger onderzochten hoe de mens zich verhoudt tot het “transcendente” — dat wat buiten tijd en ruimte ligt.

Mystieke ervaring: In de christelijke mystiek (bv. bij Meister Eckhart of Teresa van Ávila) wordt transcendentie beleefd als een moment waarin de ziel zich losmaakt van de wereld en één wordt met God7.

Moderne interpretaties: Filosofen als Levinas en Dürkheim benadrukken dat transcendentie ook plaatsvindt in de ontmoeting met de Ander of in diepe innerlijke stilte.

  1. Verlangen naar verbondenheid of afwijzing

Bijbelse context: De mens wordt in Genesis als relationeel wezen geschapen — “Het is niet goed dat de mens alleen is.” Verbondenheid is een kernwaarde.

  1. Romantiek en existentiële filosofie:

6. In de 19e eeuw werd het verlangen naar verbondenheid gezien als een drijvende kracht achter menselijke zingeving (denk aan Kierkegaard of Buber).

7. Postmoderne reflectie:

Hedendaagse denkers zoals Martha Nussbaum en David Brooks benadrukken verbondenheid als essentieel voor identiteit en gemeenschap9.

8. Levensdoel als voorbereiding op het goddelijke:

Christelijke theologie: Volgens Augustinus en Thomas van Aquino is het hoogste doel van het leven de vereniging met God. Het leven is een voorbereiding op de eeuwige gemeenschap met Hem10.

9. Mystieke traditie:

Hadewijch en Ruusbroec zagen het leven als een pelgrimstocht waarin de ziel zich zuivert en rijpt voor de goddelijke ontmoeting.

10. Moderne spiritualiteit:

In hedendaagse geloofsbeleving wordt het levensdoel vaak gezien als het ontwikkelen van liefde, compassie en dienstbaarheid — als voorbereiding op het transcendente.

—————–

Augustinus: Wanneer een man begint zich spiritueel te vernieuwen, begint hij ook het slachtoffer te worden van de slechte tongen van zijn lasteraars…

“Augustinus : . Wie deze beproeving niet heeft ondergaan, is nog niet begonnen vooruit te gaan. En wie niet bereid is deze te ondergaan, heeft nog niet besloten zich te bekeren.”

— Sint Augustinus

++++++++++++

De tekst van Sint Augustinus gaat over het innerlijke proces van spirituele groei en bekering. Hier is een samenvatting van de betekenis:

Kernboodschap Zodra iemand begint zich geestelijk te vernieuwen — bijvoorbeeld door meer bewust te leven, oude gewoontes los te laten, of zich te verdiepen in geloof en innerlijke waarden — stuit hij al snel op weerstand van anderen. Mensen kunnen roddelen, bekritiseren of zelfs lasteren. Volgens Augustinus is dit juist een teken dat je op het pad van echte verandering zit.

 Waarom dit belangrijk is Hij zegt eigenlijk: als je nog nooit zo’n beproeving hebt meegemaakt, dan ben je nog niet écht begonnen met je transformatie. En als je niet bereid bent die kritiek te verdragen, dan heb je het besluit tot bekering nog niet volledig genomen.

 Diepere betekenis:

Spirituele groei vraagt moed en volharding.

Laster en kritiek kunnen een test zijn van je oprechtheid.

Bekering (in brede zin: een nieuwe levenshouding aannemen) is geen zacht pad, maar een bewuste keuze — met uitdagingen.

Wat bedoelt Augustinus met BEKERING?

Augustinus bedoelt met bekering niet zomaar een oppervlakkige verandering, maar een diepgaande innerlijke omslag van het hele leven en denken. Hier zijn wat nuances om dat beter te begrijpen:

Bekering als heroriëntatie van je hart Voor Augustinus is bekering het bewust afkeren van wereldse verlangens, zonden en ego, en het zoeken naar waarheid, goedheid en God. Het is geen momentopname, maar een doorlopend proces van innerlijke transformatie.

Terugkeer naar je oorsprong Volgens hem zijn mensen geneigd zich te verliezen in tijdelijke zaken. Bekering betekent terugkeren naar datgene wat eeuwig is — naar God, naar liefde, naar innerlijke vrede. Het is dus geen ‘straf’ of beperking, maar een herstel van wat je eigenlijk altijd al was bedoeld te zijn.

 Erkenning van je fouten én verlangen naar het goede Augustinus was zelf lange tijd sceptisch en leefde volgens zijn eigen verlangens, tot hij zich ‘bekeerde’. Die bekering was een intense ervaring van erkenning, berouw en overgave. Voor hem was dat het begin van echte vrijheid.

————–

Elisabeth Elliot: Onze visie is zo beperkt dat we ons nauwelijks een liefde kunnen voorstellen die zich niet uit in bescherming tegen lijden….

++++++

“Onze visie is zo beperkt dat we ons nauwelijks een liefde kunnen voorstellen die zich niet uit in bescherming tegen lijden. De liefde van God is van een totaal andere aard. Ze haat geen tragedie. Ze ontkent de werkelijkheid nooit. Ze staat pal in het aangezicht van het lijden. De liefde van God beschermde Zijn eigen Zoon niet. Het kruis was het bewijs van Zijn liefde – dat Hij die Zoon gaf, dat Hij Hem liet gaan naar het kruis van Golgotha, hoewel ‘legioenen engelen’ Hem hadden kunnen redden. Hij zal ons niet per se beschermen – niet tegen alles wat nodig is om ons te vormen naar Zijn Zoon. Er zal veel gehamer en gebeitel en zuivering door vuur nodig zijn in dat proces.”

Elisabeth Elliot (Episcopaalse Kerk)

——————

Enkele van de krachtigste zinnen uit de tekst, met hun betekenis:

– “Onze visie is zo beperkt dat we ons nauwelijks een liefde kunnen voorstellen die zich niet uit in bescherming tegen lijden.”  Mensen denken vaak dat liefde automatisch bescherming biedt tegen pijn. Maar deze zin stelt dat onze kijk op liefde beperkt is: echte liefde kan ook bestaan zonder ons altijd te behoeden voor leed.

– “De liefde van God… staat pal in het aangezicht van het lijden.”   God ontkent het bestaan van lijden niet, maar is er juist middenin aanwezig. Zijn liefde is niet een ontsnapping aan pijn, maar eerder een kracht die standhoudt ondanks pijn.

-“Het kruis was het bewijs van Zijn liefde – dat Hij die Zoon gaf…”   In de christelijke traditie wordt Jezus’ kruisiging gezien als het ultieme bewijs van Gods liefde: Hij gaf zijn Zoon op, ondanks het lijden dat daarmee gepaard ging.

– “Er zal veel gehamer en gebeitel en zuivering door vuur nodig zijn in dat proces.”   Deze beeldspraak verwijst naar het idee dat mensen door moeilijke ervaringen worden gevormd en verfijnd – alsof ze een kunstwerk zijn dat geduldig wordt uitgesneden en gezuiverd.

– De centrale boodschap van de tekst is dat liefde – in het bijzonder de liefde van God – niet betekent dat we beschermd worden tegen lijden, maar eerder dat we door het lijden gevormd worden. Hier zijn de hoofdideeën samengebracht:

– Lijden maakt deel uit van liefde: De tekst daagt de menselijke gedachte uit dat echte liefde altijd bescherming biedt. In plaats daarvan toont Gods liefde zich juist in Zijn bereidheid om de realiteit van pijn en tragedie toe te laten – zelfs bij Zijn eigen Zoon.

– Het kruis als bewijs van liefde: Jezus’ kruisiging wordt voorgesteld als hét bewijs van Gods liefde. Niet omdat Hij Jezus beschermde tegen lijden, maar juist omdat Hij Hem door het lijden heen liet gaan, voor een hoger doel.

– Vorming door pijn: Vergelijkingen met hamers, beitels en vuur maken duidelijk dat geestelijke groei en transformatie vaak plaatsvinden door moeilijke processen. God laat deze beproevingen toe om ons te vormen naar het karakter van Zijn Zoon.

In essentie zegt de tekst: Gods liefde is geen afscherming, maar een krachtige aanwezigheid te midden van lijden. Het wil troost bieden, maar ook oproepen tot inzicht – dat transformatie vaak gepaard gaat met pijn.

————–

Thomas Merton (Trappist): Mijn Heer God, ik heb geen idee waar ik heen ga…..

Mijn Heer God, ik heb geen idee waar ik heen ga. Ik zie de weg niet voor me. Ik kan niet met zekerheid weten waar hij zal eindigen. Noch ken ik mijzelf echt… Maar ik geloof dat het verlangen om u te behagen u daadwerkelijk behaagt. En ik hoop dat ik dat verlangen in alles heb. Ik hoop dat ik het nooit verlies. En ik weet dat als ik dit verlangen heb, u mij op het juiste pad zult leiden ook al weet ik niets daarover. Daarom zal ik op u vertrouwen altijd, hoewel ik mij in het donker lijk te bevinden en de dood onder ogen zie. Ik zal er geen angst voor hebben, want u bent altijd bij mij, en u zult mij nooit in gevaar laten, om alleen achter te blijven.

++++++++++++

– Deze tekst van Thomas Merton draagt een diepe spirituele betekenis die raakt aan het hart van geloof en vertrouwen in het onbekende. Hier zijn een paar lagen van betekenis die eruit springen:

– Vertrouwen zonder zekerheid.

– Merton erkent dat hij niet weet waar hij heen gaat—een metafoor voor de spirituele zoektocht.

– Toch kiest hij ervoor om op God te vertrouwen, zelfs als de weg duister is. Dat is de kern van geloof: blijven lopen zonder dat je het pad helder ziet.

– Overgave van het ego

 – Hij zegt: “Noch ken ik mijzelf echt…” Daarmee erkent hij zijn beperkingen en geeft hij zijn controle uit handen.Spiritueel gezien is dit een daad van nederigheid—het ego loslaten en ruimte maken voor leiding van iets dat groter is dan jezelf.

– Het verlangen om God te behagen-

Merton gelooft dat alleen al het verlangen om God te behagen, God behaagt.Dat betekent dat perfectie niet wordt vereist; oprechte intentie en een hart dat zoekt zijn al waardevol.

– Groei in duisternis

– Hoewel ik mij in het donker lijk te bevinden…”—de duisternis symboliseert verwarring, lijden of onzekerheid.

– Toch zegt hij: zelfs daar, vertrouw ik. Dit is een krachtige boodschap van hoop: God is aanwezig in het niet-weten.

Deze tekst heeft troost geboden aan velen in periodes van twijfel, rouw of levensverandering. Het is alsof Merton ons herinnert: je hoeft het niet allemaal zeker te weten om op weg te zijn naar iets goeds.

_______________

St. Macarius de Grote: Wijze mannen bidden niet alleen op het moment van gebed, maar op alle tijden zijn zij ijverig in gebed…..

“Wijze mannen bidden niet alleen op het moment van gebed, maar op alle tijden zijn zij ijverig in gebed. Want de strijd tegen het kwaad is onophoudelijk, de rook van zonde stijgt voortdurend op, en zoals water uit een bron, zo wellen gedachten op in de ziel.”

— St. Macarius de Grote

++++++++++++++

Deze tekst komt van St. Macarius de Grote, een invloedrijke woestijnmonnik uit de 4e eeuw die bekendstaat om zijn diepe spirituele inzichten en nederige levenswijze. Hij leefde als kluizenaar in de Egyptische woestijn en was een leerling van Antonius de Grote, de grondlegger van het christelijke monnikendom.

Achtergrond van de tekst:

De uitspraak weerspiegelt Macarius’ visie op het onophoudelijke gebed als een levenshouding, niet enkel als ritueel.

Hij geloofde dat de ziel voortdurend in strijd is met zondige gedachten en dat gebed een manier is om die strijd aan te gaan.

Zijn leer benadrukt dat ware spiritualiteit voortkomt uit innerlijke waakzaamheid, nederigheid en liefde voor God.

Deze en andere uitspraken van Macarius zijn bewaard gebleven in de Apophthegmata  Patrum (Uitspraken van de Woestijnvaders), een verzameling van spirituele wijsheden die eeuwenlang monniken en gelovigen hebben geïnspireerd.

——————-

St. Augustinus: Fragment uit de Belijdenissen…..

Fragment uit de Belijdenissen van Augustinus ….

Want wat mij voornamelijk herstelde en verfriste, waren de troost van andere vrienden, met wie ik liefhad, wat ik in plaats van U liefhad; en dit was een groot fabel, en een langdurige leugen, door wiens overspelige prikkel onze ziel, die in onze oren lag te jeuken, werd bezoedeld. Maar die fabel wilde niet voor mij sterven, zo vaak als een van mijn vrienden stierf. Er waren andere dingen in hen die meer mijn gedachten bezighielden; om samen te praten en te schertsen, om beurten vriendelijke diensten te verrichten; om samen honingzoete boeken te lezen; om de dwaas te spelen of samen serieus te zijn; om soms zonder ontevredenheid van mening te verschillen, zoals een mens met zichzelf zou kunnen; en zelfs met de zeldzaamheid van deze meningsverschillen, om onze frequentere instemmingen te kruiden; soms om te onderwijzen en soms te leren; met ongeduld te verlangen naar de afwezigen; en de komst met vreugde te verwelkomen. Deze en soortgelijke uitingen, voortkomend uit de harten van hen die liefhadden en opnieuw bemind werden, door het gelaat, de tong, de ogen en duizend aangename gebaren, waren zoveel brandstof om onze zielen te laten smelten, en van velen is er maar één.

HEILIGE AUGUSTINUS

Belijdenissen

—————–

J.R.R. Tolkien: We zijn afkomstig van God, en onvermijdelijk zullen de mythen die wij weven, hoewel ze fouten bevatten, ook een gesplinterd fragment van het ware licht weerspiegelen…..

“We zijn afkomstig van God, en onvermijdelijk zullen de mythen die wij weven, hoewel ze fouten bevatten, ook een gesplinterd fragment van het ware licht weerspiegelen—de eeuwige waarheid die bij God is. Alleen door het creëren van mythen, door ‘subschepper’ te worden en verhalen uit te vinden, kan de mens streven naar de staat van perfectie die hij kende vóór de Val. Onze mythen mogen misleid zijn, maar ze sturen, zij het wankel, naar de ware haven, terwijl materialistische ‘vooruitgang’ slechts leidt tot een gapende afgrond en de IJzeren Kroon van de macht van het kwaad.”

J.R.R. Tolkien

+++++++++++

Het citaat in de afbeelding komt uit een essay van J.R.R. Tolkien waarin hij reflecteert op de rol van mythologie, fantasie en menselijke creativiteit. Hier zijn de kernpunten:

Mythes als spiegel van waarheid:

Tolkien stelt dat mythes, ondanks hun fouten, een fragment van goddelijke waarheid weerspiegelen. Ze zijn niet zomaar verzinsels, maar dragen iets essentieels in zich.

De mens als ‘subschepper’:

Mensen creëren verhalen en werelden als een manier om dichter bij de oorspronkelijke staat van perfectie te komen—zoals vóór de ‘Val’ (een christelijk concept van het verlies van onschuld).

Waarschuwing voor materialisme:

Hij bekritiseert het geloof in ‘materiële vooruitgang’, dat volgens hem kan leiden tot morele afgrond en een onmenselijke wereld waar kwaad regeert.

Scheppen als heilige daad:

Het maken van verhalen is voor Tolkien een spirituele bezigheid—een manier om het goddelijke te benaderen en de menselijke ziel uit te drukken.

Nog enkele belangrijke thema’s in thema’s in dit artikel :

Tolkien’s essay waaruit dit citaat komt—waarschijnlijk uit On Fairy-Stories—is een goudmijn van ideeën. Hier zijn nog enkele diepgaande thema’s die hij behandelt:

Het belang van escapisme:

Tolkien verdedigt het idee dat het ontsnappen naar fantasiewerelden geen zwakte is, maar een legitieme reactie op een harde realiteit. Hij stelt dat vluchten uit een gevangenis niet laf is, maar juist een teken van hoop en verbeelding.

De waarde van ‘secondary worlds’:

Hij introduceert het concept van een ‘secundaire wereld’—een volledig geloofwaardige fantasiewereld gecreëerd door een auteur. Als lezers daar tijdelijk in geloven, ontstaat ‘verzonnen geloof’ (secondary belief)—een essentieel element van goede fantasie.

 Verwondering en herstel:

Tolkien vindt dat fantasie ons helpt de wereld opnieuw te zien met frisse ogen. Door afstand te nemen van het gewone, kunnen we het wonderlijke in het alledaagse herontdekken—een proces dat hij ‘herstel’ noemt.

De rol van taal in verbeelding:

Hij benadrukt hoe taal een sleutelrol speelt in het bouwen van fantasiewerelden. De juiste woorden roepen beelden op, creëren sfeer en geven leven aan het fantastische.

De open deur naar geloof:

Tolkien gelooft dat fantasie ruimte biedt voor geloof en transcendentie. Het opent het hart voor mysterieuze en spirituele werkelijkheden, zonder dogmatisch te zijn.

+++++++

WIE WAS J.R.R.Tolkin : WIE WAS HIJ ?

Wie was hij?

  • Volledige naam: John Ronald Reuel Tolkien

  • Geboren in 1892 in Bloemfontein, Zuid-Afrika; overleden in 1973 in Engeland

  • Hoogleraar Oud-Engels aan de Universiteit van Oxford

  • Lid van de literaire groep The Inklings, samen met o.a. C.S. Lewis

📚 Wat maakte hem bijzonder?

  • Hij creëerde Midden-aarde, een fantasiewereld met een eigen geschiedenis, talen, volkeren en mythologie

  • Hij ontwikkelde complete talen zoals Quenya en Sindarin, geïnspireerd door Fins en Welsh

  • Zijn werk is doordrenkt van christelijke symboliek, morele strijd en het idee van de mens als ‘subschepper’—een term die hij gebruikte om de menselijke drang tot verhalen vertellen te beschrijven

—————-

Augustinus : De stad van God – over het misoffer…

“Want wanneer hij in een ander boek, Ecclesiasticus genaamd, zegt: ‘Er is niets goeds voor de mens dan dat hij eet en drinkt’ [Prediker 2:24], wat kan hij dan geloofwaardiger bedoeld hebben dan dat wat behoort tot het deelnemen aan deze tafel, die de middelaar van het Nieuwe Verbond zelf, de priester naar de orde van Melchisedek, aanreikt met zijn eigen lichaam en bloed? Want dat offer heeft alle offers van het Oude Testament vervangen, die werden geslacht als een voorafschaduwing van wat zou komen… In plaats van al die offers en offergaven, wordt nu zijn eigen lichaam aangeboden en uitgedeeld aan hen die eraan deelnemen.”

Augustinus – De stad van God

++++++++

De Stad van God (De Civitate Dei) van Augustinus is een monumentaal werk dat bol staat van diepgaande theologische en filosofische inzichten. Hier zijn de kernideeën die het boek dragen:

Twee steden: het centrale conflict:

Civitas Dei (Stad van God): Gebaseerd op liefde voor God, nederigheid en eeuwige waarden.

Civitas Terrena (Aardse stad): Gebaseerd op eigenliefde, trots en vergankelijke macht.

Deze tegenstelling symboliseert de strijd tussen goed en kwaad, geestelijke en wereldse belangen.

Goddelijke voorzienigheid vs. vrije wil: Augustinus stelt dat God alles voorziet, maar dat mensen toch vrije keuzes maken. Deze spanning tussen voorbestemming en verantwoordelijkheid is cruciaal voor zijn visie op zonde en verlossing.

Kritiek op het heidendom en Romeinse cultuur: Hij weerlegt het idee dat het christendom de oorzaak was van de val van Rome. In plaats daarvan bekritiseert hij de morele leegte van de Romeinse samenleving3.

Tijdelijkheid van aardse macht: Wereldlijke rijken zijn vergankelijk; ware vervulling ligt in het spirituele leven.

Macht en rijkdom zijn slechts tijdelijk en leiden niet tot echte vrede.

Liefde als fundament: Liefde voor God en medemens vormt de basis van een rechtvaardige samenleving.

Augustinus benadrukt agape, de onbaatzuchtige liefde, als sleutel tot harmonie.

De rol van het christendom in de samenleving: Hij verdedigt het christendom als bron van ethiek, gerechtigheid en sociale orde. Het geloof is volgens hem essentieel voor een stabiele en rechtvaardige samenleving.

Historische en filosofische impact: Het werk beïnvloedde denkers als Thomas van Aquino, Dante en hervormers als Luther. Het diende als basis voor de tweerijkenleer, die kerk en staat onderscheidt.

 

  • Filosofie-blog.nl
  • augustiniana.be

————–