Augustinus: Laat uw Geschriften mijn kuise vreugde zijn … O Heer….

“Laat uw Geschriften mijn kuise vreugde zijn … O Heer, maak mij volmaakt en onthul mij die bladzijden! Uw stem is mijn vreugde. Geef mij wat ik liefheb … Mogen de innerlijke geheimen van uw woorden voor mij worden ontsloten wanneer ik klop. Dit bid ik door onze Heer Jezus Christus, in wie alle schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn. Deze schatten zoek ik in uw boeken.”

— Augustinus

+++++++++

Deze tekst weerspiegelt een diep verlangen van Augustinus naar innerlijke verlichting en goddelijke wijsheid, en sluit perfect aan bij zijn filosofische en theologische kernideeën:

 Zoektocht naar Goddelijke Wijsheid:

Augustinus beschouwde wijsheid niet als louter intellectuele kennis, maar als een spirituele eenwording met God. In deze tekst bidt hij om toegang tot de “geheimen van uw woorden”, wat verwijst naar zijn overtuiging dat ware wijsheid voortkomt uit goddelijke openbaring, niet uit menselijke rede alleen.

De Bijbel als Mystieke Bron:

Hij zag de Bijbel als een tekst die niet letterlijk, maar allegorisch en spiritueel gelezen moest worden. De “bladzijden” waar hij om vraagt zijn dus niet alleen fysieke pagina’s, maar symbolen van diepere, eeuwige waarheden die hij wil begrijpen door contemplatie en gebed.

Innerlijke Dialoog met God:

Augustinus geloofde dat echte kennis ontstaat in een innerlijk gesprek met God. De passage “Uw stem is mijn vreugde” benadrukt dat hij God niet alleen als leermeester ziet, maar als bron van vreugde en waarheid die in het hart spreekt.

Christus als Sleutel tot Wijsheid:

De verwijzing naar Christus “in wie alle schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn” is een echo van Augustinus’ overtuiging dat alle waarheid uiteindelijk in Christus te vinden is. Filosofie en theologie zijn voor hem geen gescheiden werelden, maar één pad naar God.

Deze tekst is dus geen gewone smeekbede, maar een spirituele meditatie die Augustinus’ hele levenshouding samenvat:

een hartstochtelijke zoektocht naar God via liefde, innerlijke reflectie en heilige teksten.

De ideeën uit de tekst over het verlangen naar goddelijke wijsheid en het openen van de Schrift —zijn diep verweven met Augustinus’ Confessiones. Hier zijn een paar kernpunten waarin dat tot uiting komt:

De Schrift als bron van waarheid:

In Confessiones beschrijft Augustinus hoe hij jarenlang worstelde met filosofieën zoals het manicheïsme en het neoplatonisme, maar pas in de Bijbel vond hij de waarheid die zijn hart raakte. Hij noemt de Schrift “laag van stijl, maar hoog van inhoud” — een paradox die hem eerst afstootte, maar later juist aantrok toen hij de spirituele diepgang begon te begrijpen.

Innerlijke zoektocht en contemplatie:

Boek X van Confessiones (of Belijdenissen) is een meesterwerk van introspectie. Augustinus onderzoekt zijn geheugen, verlangens en motieven, en komt tot de conclusie dat God dieper in hem woont dan hijzelf. Zijn gebed om de “geheimen van de woorden” te ontsluiten is dus niet alleen een intellectuele wens, maar een spirituele roep om transformatie.

Gebed als toegang tot wijsheid:

De hele Confessiones is geschreven in de vorm van een gebed. Augustinus spreekt niet tot de lezer, maar tot God. Dat maakt zijn smeekbede om wijsheid — zoals in de tekst die je eerder gaf — een levende praktijk in het boek zelf. Hij vraagt God om hem te zuiveren, te leiden en te onderwijzen.

 Christus als sleutel tot inzicht:

In Boek VII beschrijft Augustinus hoe hij dankzij de brieven van Paulus en de preken van Ambrosius tot het inzicht kwam dat Christus de brug is tussen God en mens. Hij noemt Christus expliciet als degene “in wie alle schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn” — precies zoals in jouw tekst.

Een passage uit Confessiones die dit illustreert?

“Groot bent U, Heer, en zeer te prijzen: groot is Uw kracht, en van Uw wijsheid is er geen getal. En prijzen wil U de mens, een deel van Uw schepping, namelijk de mens die zijn sterfelijkheid ronddraagt, die het getuigenis van zijn zonde ronddraagt, en het getuigenis dat U de trotsen weerstaat. En toch — prijzen wil U de mens, een deel van Uw schepping. U wekt hem ertoe op dat hij er behagen in schept U te prijzen, omdat U ons gemaakt hebt voor U, en onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U.” Augustinus ‘Confessiones’

Deze beroemde openingszin is een samenvatting van Augustinus’ hele spirituele zoektocht: het verlangen naar God, de erkenning van menselijke zwakheid, en de diepe rust die alleen in God gevonden kan worden.

Hier is een ontroerende passage uit Confessiones, Boek IX, waarin Augustinus de dood van zijn moeder Monnica beschrijft. Dit moment staat bekend als het visioen van Ostia, vlak voor haar overlijden:

“Wij spraken samen, alleen met elkaar, zoet en innig. Wij vergaten het verleden en richtten ons op de toekomst. In de tegenwoordigheid van de waarheid, die Gij zijt, vroegen wij ons af hoe het eeuwige leven zou zijn van de heiligen. En terwijl wij spraken, steeg onze geest op, hoger dan de wereld en haar zon en maan en sterren, tot wij kwamen bij het land van overvloedige vreugde, waar Gij uw volk eeuwig voedt. Daar, waar het leven is, dat niet vergaat, waar de wijsheid is, die niet bedriegt. En terwijl wij zo spraken, raakten wij het aan met een flits van ons hart.” (Confessiones IX, hoofdstuk 10)

Deze passage is een spiritueel hoogtepunt in het boek. Augustinus en zijn moeder delen een moment van mystieke eenheid, waarin ze samen God naderen in contemplatie.

 Kort daarna overlijdt Monnica — in vrede, vervuld van haar levensdoel: de bekering van haar zoon.

Nog een pareltje uit Confessiones, dit keer over zijn zoon Adeodatus — een ontroerend moment van vaderlijke trots en spirituele verbondenheid. :

Over Adeodatus (Boek IX, hoofdstuk 6)

“Samen met mij was er ook mijn zoon Adeodatus, geboren uit mijn zonde. Hij was vijftien jaar oud en had een verstand dat mij verbaasde. Wij spraken samen, en ik vond in hem niet alleen een leerling, maar ook een vriend. In onze gesprekken over waarheid en wijsheid was hij mijn gelijke. Wat een gave van U, o God!”

Augustinus noemt Adeodatus “geboren uit mijn zonde”, maar tegelijk erkent hij hem als een goddelijke gave. Hun gesprekken zijn niet alleen intellectueel, maar ook spiritueel — een vader en zoon die samen God zoeken.

De diefstal van de peren uit deperenboom :

“Er was een perenboom vlak bij onze wijngaard, vol met vruchten die niet bijzonder aantrekkelijk waren, noch qua smaak, noch qua uiterlijk. Met een stel kameraden gingen we er ’s nachts heen, na ons spel op straat, en stalen er een enorme hoeveelheid peren. Niet om ze zelf op te eten — we gooiden ze zelfs weg, of gaven ze aan de varkens. Het ging ons niet om de peren, maar om het stelen zelf. Ik hield van mijn misdaad, niet om wat ik ermee bereikte, maar om de misdaad zelf.”

Wat betekent dit in zijn filosofie?

Zonde om de zonde:

Augustinus erkent dat hij niet stal uit nood of honger, maar puur uit een verlangen om te overtreden. Dit is voor hem het bewijs van de gevallen aard van de mens.

Symboliek van de boom:

Hij verbindt deze daad met de boom van kennis van goed en kwaad uit Genesis. Het is zijn persoonlijke “oerzonde”.

Reflectie en spijt:

Hij kijkt terug met een mengeling van afschuw en verwondering — hoe kon hij zo handelen, en waarom vond hij daar vreugde in?

De gestolen peren – Symbool van zonde (Confessiones II, 4–6):

“Ik hield van mijn misdaad, niet om wat ik ermee bereikte, maar om de misdaad zelf.”

Augustinus gebruikt het perenverhaal als illustratie van zondigheid als begeerte naar het kwaad, niet uit nut maar uit drang.

Het toont hoe zonde in de wil zelf huist, iets dat hij later koppelt aan de erfzondeleer.

Zijn bekering – De vijgenboomscène (Confessiones VIII, 12):

“Waarom niet nu? Waarom niet op dit ogenblik een einde aan mijn vuilheid?”

Het fragment over Augustinus’ bekering in Confessiones, Boek VIII, hoofdstuk 12, is inderdaad beroemd én aangrijpend.

Hier s een volledige Nederlandse vertaling van dat moment, gebaseerd op erkende vertalingen:

“Ik wierp mij neer onder een vijgenboom en liet mijn tranen de vrije loop. De stromen van mijn ogen kwamen uit mijn hart, en ik riep tot U: ‘Hoe lang nog, Heer? Hoe lang nog, Heer, zult Gij vertoornd blijven? Vergeet niet mijn vroegere misdaden!’ Ik riep uit: ‘Hoe lang nog? Hoe lang nog? Morgen en morgen? Waarom niet nu? Waarom niet op dit ogenblik een einde aan mijn vuilheid?’

En plotseling hoorde ik een stem, alsof van een kind, uit een naburig huis, dat herhaaldelijk zei: ‘Neem en lees, neem en lees.’ Ik hield op met huilen en begon na te denken: was dit een kinderliedje? Nee, ik had zoiets nog nooit gehoord. Ik nam aan dat het een goddelijke opdracht was om het boek te openen en het eerste te lezen wat ik zag. Ik haastte mij terug naar de plek waar ik het boek van de apostel had neergelegd. Ik opende het en las in stilte het eerste vers waarop mijn ogen vielen: ‘Niet in zwelgpartijen en drinkgelagen, niet in ontucht en losbandigheid, niet in twist en jaloezie, maar bekleed u met de Heer Jezus Christus en geef niet toe aan de begeerten van het vlees.’

Ik las niet verder. Het was niet nodig. Want zodra ik deze woorden las, stroomde er een licht van zekerheid in mijn hart en verdwenen alle duistere twijfels.”

Dit is het moment waarop Augustinus zijn innerlijke strijd loslaat en zich volledig overgeeft aan God. Het is een existentiële doorbraak:

 Geen filosofie, geen redenering, maar een directe aanraking van genade.

————–

Auteur: Krisbiesbroeck

Christiaan Biesbroeck Licentiaat Theologie/filosofie

Plaats een reactie