Dostoevsky: Soms spreekt men over de ‘beestachtige’ wreedheid van de mens, maar dat is een vreselijke onrechtvaardigheid en belediging jegens dieren….

“Soms spreekt men over de ‘beestachtige’ wreedheid van de mens, maar dat is een vreselijke onrechtvaardigheid en belediging jegens dieren; geen enkel dier zou ooit zo wreed kunnen zijn als een mens – zo verfijnd, zo kunstzinnig wreed.”

— Fjodor Dostoevski

+++++++++++++++++

Het citaat:  Over de “beestachtige wreedheid van de mens” — wordt vaak toegeschreven aan Fjodor Dostoevski, maar het is niet helemaal duidelijk uit welk specifiek werk het komt. Toch past het perfect binnen de thematiek van zijn oeuvre.

Context en achtergrond:

Dostoevski was een Russische schrijver (1821–1881) die bekendstaat om zijn diepgaande psychologische romans zoals Misdaad en Straf, De Idioot en De Gebroeders Karamazov.

Zijn werk draait vaak om de duistere kanten van de menselijke natuur, morele dilemma’s, religie, schuld en verlossing.

Hij had een turbulent leven: verbanning naar Siberië, epilepsie, financiële problemen, en persoonlijke tragedies. Deze ervaringen voedden zijn scherpe inzichten in menselijk lijden en wreedheid.

Het idee dat menselijke wreedheid verfijnder en gruwelijker is dan die van dieren komt terug in meerdere van zijn werken, vooral in De Gebroeders Karamazov, waar hij reflecteert op het kwaad dat mensen elkaar aandoen — vaak met een filosofische en spirituele ondertoon.

Waarom dit citaat zo krachtig is:

Het confronteert ons met de paradox dat mensen, ondanks hun vermogen tot liefde en compassie, ook tot extreme wreedheid in staat zijn — iets wat dieren, volgens Dostoevski, niet doen uit berekening of sadisme.

Zowel Misdaad en Straf als Aantekeningen uit het Ondergrondse zijn doordrenkt van zijn filosofische en psychologische inzichten—met name over vrijheid, moraliteit en de menselijke drijfveren.

n Aantekeningen uit het Ondergrondse:

Hierin speelt Dostoevski al met het idee van irrationele vrijheid. De verteller, een bitter, introspectief man, verzet zich tegen de opvatting dat de mens puur rationeel handelt zoals in de Verlichting gedacht werd. Hij stelt: “Wat is de mens zonder wil, zonder eigen verlangen, zonder vrije keuze, zelfs tegen zijn eigen belang in?”

Hij kiest bewust voor destructief gedrag, juist omdat hij daarmee zijn autonomie benadrukt.

De “ondergrondse man” is een symbool van het innerlijke conflict tussen rede en hartstochten, tussen maatschappelijke verwachtingen en individuele vrijheid.

In Misdaad en Straf:

Raskolnikov denkt dat sommige mensen—zoals Napoleon—boven de moraal staan en mogen moorden als het voor een hoger doel is. Zijn theorie:

“Buitengewone mensen hebben het recht… de bestaande orde te overtreden als hun idee belangrijker is dan miljoenen menselijke bestaantjes.”

De moord op de oude vrouw is zijn experiment: kan hij handelen als een ‘buitengewone’ mens?

Maar schuldgevoel, ethische strijd en de liefde van Sonja brengen hem tot boetedoening en moreel inzicht. Zijn idee van superieure vrijheid stort in onder de last van gewetenswroeging.

In beide werken onderzoekt Dostojevski of de mens werkelijk vrij is om irrationeel te handelen, zelfs tegen eigen belang in, en wat de gevolgen daarvan zijn voor de ziel. Zijn personages zijn als het ware proeftuinen voor existentiële experimenten.

————-

Auteur: Krisbiesbroeck

Christiaan Biesbroeck Licentiaat Theologie/filosofie

Plaats een reactie