
Wat hebben de christenen dan geleden in die rampzalige periode, dat niet iedereen ten goede zou komen die de volgende omstandigheden naar behoren en getrouw zou overwegen? Allereerst moeten ze nederig diezelfde zonden overwegen die God ertoe hebben aangezet de wereld te vullen met zulke vreselijke rampen; want hoewel ze ver verwijderd zijn van de excessen van slechte, immorele en goddeloze mensen, oordelen ze zichzelf toch niet zo volkomen verwijderd van alle fouten dat ze te goed zijn om zelfs voor deze tijdelijke kwalen te lijden. Want ieder mens, hoe prijzenswaardig hij ook leeft, geeft toch op sommige punten toe aan de lust van het vlees. Hoewel hij niet vervalt in grove enormiteit van slechtheid, en verlaten slechtheid, en afschuwelijke godslastering, glijdt hij toch af in sommige zonden, hetzij zelden of des te vaker naarmate de zonden minder belangrijk lijken. Maar om dit nog maar niet te noemen, waar kunnen we gemakkelijk een man vinden die een juiste en rechtvaardige inschatting heeft van die personen, vanwege wier weerzinwekkende trots, weelde en hebzucht, en vervloekte ongerechtigheden en goddeloosheid God nu de aarde slaat zoals Zijn voorspellingen dreigden? Waar is de man die met hen leeft op de manier waarop het ons past om met hen te leven? Want vaak verblinden we onszelf op goddeloze wijze voor de gelegenheden om hen te onderwijzen en te vermanen, soms zelfs om hen te berispen en te berispen, hetzij omdat we terugdeinzen voor de arbeid of ons schamen om hen te beledigen, of omdat we bang zijn om goede vriendschappen te verliezen, uit angst dat dit in de weg zou staan van onze vooruitgang, of ons zou schaden in een wereldse aangelegenheid, die ofwel onze hebzuchtige geaardheid wenst te verkrijgen, of onze zwakheid schrikt ervoor terug om te verliezen. Zodat, hoewel het gedrag van slechte mensen onaangenaam is voor de goede, en daarom vallen ze niet met hen in die verdoemenis die zulke mensen in het hiernamaals wacht, toch, omdat ze hun verdoemelijke zonden sparen door vrees, daarom, zelfs al zijn hun eigen zonden gering en vergeeflijk, ze terecht gegeseld worden met de goddelozen in deze wereld, hoewel ze in de eeuwigheid geheel aan straf ontkomen. Terecht, wanneer God hen treft in gemeen met de goddelozen, vinden ze dit leven bitter, door liefde voor wiens zoetheid ze weigerden bitter te zijn voor deze zondaars.
HEILIGE AUGUSTINUS
De stad van God
++++++++++++
[Een indrukwekkende passage uit ‘De civitate Dei – De stad van God) van Augustinus. Hij raakt hier aan een kernpunt van zijn theologie: dat zelfs de rechtvaardigen niet gevrijwaard zijn van lijden in deze wereld, juist omdat ze deel uitmaken van een samenleving waarin zonde heerst.
Kernideeën uit deze passage:
- Collectieve verantwoordelijkheid: Ook goede mensen lijden onder rampen, omdat ze leven te midden van zondaars en soms nalaten hen te vermanen.
- Morele introspectie: Augustinus roept christenen op tot nederigheid en zelfonderzoek, want niemand is volledig vrij van zonde.
- Goddelijke rechtvaardigheid: Rampen zijn niet willekeurig, maar kunnen gezien worden als tuchtigingen die zowel de goddelozen als de rechtvaardigen treffen—de laatsten als waarschuwing en zuivering.
- De bitterheid van het leven: Wie uit liefde voor wereldse zoetheid zwijgt tegenover zondaars, ervaart de bitterheid van het leven als een terecht gevolg.
De stad van God is Augustinus’ antwoord op de beschuldiging dat het christendom verantwoordelijk was voor de val van Rome. Hij stelt daar tegenover dat de aardse stad (vol zonde en vergankelijkheid) altijd in conflict staat met de hemelse stad, die eeuwig en rechtvaardig is.]
——————–
