
“Laten we onze zonden haten en Hem liefhebben die straf zal opleggen voor hen.
Wat moet de christen dan doen? Hij moet de wereld gebruiken, niet haar slaaf worden. En wat betekent dit? Het betekent hebben, alsof je niet hebt… Zijn we echt zeker dat we Hem liefhebben? Of houden we meer van onze zonden? Laten we daarom onze zonden haten en Hem liefhebben die straf zal opleggen voor hen. Hij zal komen, of we het nu willen of niet. Denk niet dat omdat Hij nu niet komt, Hij helemaal niet zal komen. Hij zal komen, je weet niet wanneer, en op voorwaarde dat Hij je voorbereid vindt, zal je onwetendheid over het tijdstip van Zijn komst niet tegen je worden gehouden.”
– St. Augustinus (354–430), Vader en Doctor van Genade
++++++++++++++
[In de tekst van Augustinus betekent “het haten van zonden” niet dat men zichzelf moet verachten of anderen moet veroordelen, maar dat men afstand neemt van wat iemand scheidt van God. Zonden worden hier gezien als alles wat afleidt van ware liefde, waarheid en heiligheid — dus niet louter morele fouten, maar ook gehechtheid aan wereldse verlangens en egoïsme.
Door zonden te “haten”, bedoelt Augustinus dat de mens zijn hart moet keren naar dat wat goed, zuiver en liefdevol is. Het is een oproep tot innerlijke bekering: een houding waarbij men niet toegeeft aan verleidingen die de ziel verduisteren, maar kiest voor liefde tot God. Het haten van de zonde is dus een uitdrukking van liefde voor God — een afwijzing van alles wat die relatie ondermijnt.
Hij stelt ook een scherpe vraag: “Houden we echt van Hem, of houden we méér van onze zonden?” Daarmee nodigt hij uit tot reflectie: waar ligt onze diepste liefde — in God, of in dingen die ons tijdelijk bevredigen maar op lange termijn leeg laten?]
——————-
