
Het kind dat ik was
uit de Belijdenissen
Als kind stond ik op de drempel van een zondig leven, arme ziel die ik was. Met talloze leugens hield ik mijn oppas, mijn leraren en mijn ouders voor de gek. Ook snaaide ik allerlei lekkers bij mijn ouders uit de kelder en de keuken, soms omdat ik er zelf geweldig zin in had, en soms omdat ik het bij het spelen uit wilde delen aan de andere jongens. Die hielden natuurlijk evenveel van het spel als ik, maar ik hoopte daardoor stiekem dat ze mij zouden laten n. En om maar te kunnen winnen speelde ik vaak nog vals ook, want ik wilde altijd de beste zijn. Zo ijdel was ik toen! Maar er was niets waar ik zo slecht tegen kon en waar ik zo verschrikkelijk kwaad om kon worden als wanneer ik iemand betrapte op iets wat ik op mijn beurt ook anderen aandeed! Betrapten ze mij echter en viel ik door de mand, dan maakte ik liever een scène, dan dat ik toegaf.
Is dat kinderlijke onschuld? Nee Heer, allesbehalve dat. Ik zeg het U in alle eerlijkheid mijn God. Maar toch wil ik u danken. Heer, hoogste en beste schepper en bestuurder van het heelal. Ik wil u danken, onze God, ook als U misschien had gewild dat ik nooit verder was gekomen dan mijn kindertijd. Want ook toen was ik al iemand, lééfde ik, had ik, gevoelens, was ik al bezorgd dat mijn ongereptheid zou worden aangetast, het spoor van de diep verborgen eenheid waaruit ik voortkwam. Ook toen al waakte ik met een soort innerlijk zintuig over de gaafheid van mijn zintuigen, en ook in mijn kindergedachten over kinderzaken genoot ik al van de waarheid. Ik wilde me niet voor de gek laten houden. Ik had een uitstekend geheugen. Ik leerde spreekbeurten houden, ik genoot met volle teugen van vriendschappen en probeerde pijn, vernedering en onwetendheid te vermijden. Waarom zou zo’n kind nu geen bewondering en lof verdienen?
Al die dingen zijn namelijk gaven van mijn God. Ik heb ze mezelf niet gegeven. Als die dingen zijn goede dingen, en ze maken mij tot wie ik ben! Kortom, Hij die mij gemaakt heeft, is goed. Hij is mijn goed en Hem juich ik toe om alle goede dingen waardoor ik ook als kind al iemand was. En mijn zonde bestond daarin, dat ik het genot, de verheffing en de waarheid niet in God zocht, maar in zijn schepselen, in mijzelf en in anderen. Het gevolg was dat ik me in verdriet, verwarring en dwaling stortte. Dank u, mijn zoetheid, mijn eer en mijn vertrouwen, mijn God. Dank u, mijn zoetheid, mijn eer en mijn vertrouwen, mijn God, dank u voor uw gaven. Bewaar ze alstublieft voor mij, want dan zult u mij bewaren. Dan wordt wat u mij hebt gegeven steeds groter en beter, dan zal ik met u zijn, omdat u het mij hebt gegeven om te zijn.
Augustinus : Belijdenissen (I.XIX.30-I,XX,31)
Bron : Augustinus Belijdenissen. Tekstkeuze Dr. Carolinne White, Vertaald door Joost van Neer, Wim Sleddens en Anke tiggelaar. Augustijnenklooster Eindhoven;
+++++++++++++++++++++++++
[Dit is nummer 3 van een reeks teksten uit de Belijdenissen –
nummer 1 :Op zoek naar God
nummer 2 :Wat bent u, mijn God
nummer 3 : Het kind dat ik was
Al deze teksten ven de komende kunnen opgezocht worden bij “Categorieën” bovenaan de blog. Met GSM druk op de knop “MENU”. Daar klik je voor Augustinus op : Augustinus verzameling teksten deel 2 ]
——————–
