Adorote devote …..

++++++++++

ADOROTE DEVOTE – Adorote devote is een prachtige eucharistische hymne die traditioneel wordt toegeschreven aan de heilige Thomas van Aquino. 

Latijnse vertaling :

Adoro te devote, latens Deitas,

Quæ sub his figuris vere latitas;

Tibi se cor meum totum subjicit,

Quia te contemplans totum deficit.

Visus, tactus, gustus in te fallitur,

Sed auditu solo tuto creditur.

Credo quidquid dixit Dei Filius;

Nil hoc verbo veritátis verius.

In cruce latebat sola Deitas,

At hic latet simul et Humanitas,

Ambo tamen credens atque confitens,

Peto quod petivit latro pœnitens.

Plagas, sicut Thomas, non intueor:

Deum tamen meum te confiteor.

Fac me tibi semper magis credere,

In te spem habere, te diligere.

O memoriale mortis Domini!

Panis vivus, vitam præstans homini!

Præsta meæ menti de te vívere,

Et te illi semper dulce sapere.

Pie Pelicane, Jesu Domine,

Me immundum munda tuo sanguine:

Cujus una stilla salvum facere

Totum mundum quit ab omni scelere.

Jesu, quem velatum nunc aspicio,

Oro, fiat illud quod tam sitio:

Ut te revelata cernens facie,

Visu sim beátus tuæ gloriæ. Amen.

NEDERLANDSE VERTALING :
 

Ik aanbid U in eerbied, verborgen God, die zich waarachtig verbergt in tekenen hier: aan U geef ik mijn hart, geheel en al, want wat ik zie, is niets vergeleken met U.

Oog, smaak en tastzin worden hier misleid, slechts op het gehoor steunt zeker het geloof; ik geloof alles wat Gods Zoon ons heeft gezegd— niets is meer waar dan het Woord der Waarheid.

Aan het kruis was slechts uw Godheid bedekt, maar hier blijft ook uw mens-zijn verborgen; toch belijd ik beiden met vast geloof, en smeek U, zoals eens de boetvaardige dief deed.

Ik zie uw wonden niet zoals Thomas destijds, maar ik belijd U als mijn Heer en mijn God; versterk mijn geloof, doe het groeien in mij, laat mij hopen op U en U innig beminnen.

O kostbaar teken van de dood des Heren, levend Brood, dat leven geeft aan de mens, laat mijn geest leven vinden in U, en steeds weer U smaken als zijn vreugde.

Goede Pelikaan, Heer Jezus Christus, reinig mij, onreine, met uw heilig Bloed— al één druppel kan de hele wereld van al haar zonden bevrijden.

Jezus, nu aanschouwd onder sluiers, blus, ik bid U, mijn diepe dorst; laat mij eens, onbedekt, uw gelaat aanschouwen en zalig worden door uw glorievolle aanblik. Amen.

 

St.Basilius de Grote: Wanneer iemand de kleren van een ander steelt, noemen we hem een dief……..

 “Wanneer iemand de kleren van een ander steelt, noemen we hem een dief. Moeten we niet dezelfde naam geven aan iemand die de naakten zou kunnen kleden en dat niet doet? Het brood in je kast behoort toe aan de hongerigen; de jas ongebruikt in je kast behoort toe aan degene die het nodig heeft; de schoenen die in je kast rotten behoren toe aan degene die geen schoenen heeft; het geld dat je oppot behoort toe aan de armen.”

Sint Basilius

+++++++++++++++

[Dit citaat wordt toegeschreven aan Sint-Basilius de Grote, een invloedrijke kerkvader uit de vierde eeuw (ca. 330–379 na Chr.), die bekendstaat om zijn theologische diepgang én zijn sociale bewogenheid. Hij leefde in Cappadocië (het huidige Turkije) en was een van de zogeheten Cappadocische Vaders, samen met zijn broer Gregorius van Nyssa en vriend Gregorius van Nazianze.

Basilius was niet alleen een briljant theoloog, maar ook een pionier op het gebied van christelijke liefdadigheid. Hij stichtte een soort sociaal centrum avant la lettre—de “Basiliade”—waar armen, zieken en reizigers hulp konden krijgen. Zijn preken en geschriften benadrukten dat rijkdom niet bedoeld is om op te potten, maar om te delen met wie het nodig heeft. De quote die je deelde komt uit een van zijn homilieën over sociale rechtvaardigheid, waarin hij stelt dat het onthouden van hulp aan de armen moreel gelijkstaat aan diefstal.

In zijn tijd was er een grote kloof tussen rijk en arm, en Basilius schroomde niet om de elite aan te spreken op hun verantwoordelijkheid. Zijn woorden klinken vandaag nog verrassend actueel.]

—————–

Johannes van Damascus: Dat wat aan Mozes werd geopenbaard in de struik, zien we hier op een vreemde manier volbracht….

“Dat wat aan Mozes werd geopenbaard in de struik, zien we hier op een vreemde manier volbracht. De Maagd droeg Vuur in haar, maar werd niet verteerd, toen zij de Weldoener baarde die ons licht brengt.”

— Johannes van Damascus

++++++++++++++

[Johannes van Damascus (ca. 676–749), een invloedrijke theoloog en hymneschrijver uit de oosterse kerk. Hij staat bekend als een van de laatste kerkvaders en werd later heilig verklaard. De passage die is aangehaald is een poëtische meditatie die een diep theologisch beeld oproept: het verbindt het Oude Testament met het Nieuwe Testament door een typologische vergelijking.

In het boek Exodus verschijnt God aan Mozes in een brandende struik die niet verteert. Johannes van Damascus ziet hierin een voorafbeelding van Maria: zij draagt het goddelijke (het “Vuur”) in zich wanneer zij Jezus, de Zoon van God, baart, maar blijft zelf ongedeerd. Dit beeld benadrukt zowel de maagdelijke geboorte als de mystieke eenheid van het goddelijke en menselijke in Christus.

Deze manier van denken is typisch voor de Byzantijnse theologie, waarin symboliek en typologie een grote rol spelen. Johannes gebruikte zulke beelden vaak in zijn hymnen en preken, vooral om de rol van Maria in het heilsmysterie te verheerlijken.]

———————–

Augustinus: Zeg niet dat je kuise geesten hebt als je onkuise ogen hebt……

“Zeg niet dat je kuise geesten hebt als je onkuise ogen hebt, want een onkuis oog is de boodschapper van een onkuis hart.”

St. Augustinus

+++++++++++++

[Deze uitspraak van Augustinus — “Zeg niet dat je kuise geesten hebt als je onkuise ogen hebt, want een onkuis oog is de boodschapper van een onkuis hart” — weerspiegelt zijn diepe overtuiging dat ware zuiverheid van binnenuit komt. Voor Augustinus was het niet genoeg om uiterlijk vroom of kuis te lijken; hij geloofde dat de intenties van het hart zich uiteindelijk manifesteren in ons gedrag en onze blik.

Deze gedachte past binnen zijn bredere theologie over de menselijke natuur, zonde en genade. In zijn jeugd leidde Augustinus zelf een losbandig leven, wat hij later in zijn beroemde werk Belijdenissen beschreef als een periode van innerlijke strijd en morele verwarring. Zijn bekering tot het christendom bracht een radicale ommekeer, waarbij hij het belang van innerlijke reinheid en zelfbeheersing benadrukte.

De uitspraak is dus niet zomaar een morele waarschuwing, maar een oproep tot integriteit: dat wat we denken, voelen en doen in overeenstemming moet zijn met elkaar. Het oog, als venster van de ziel, verraadt volgens hem wat er werkelijk in het hart leeft.]

—————-

St. John Vianney: Wanneer een persoon sterft, gaan ze niet direct naar de hemel, tenzij ze heiligen op aarde zijn…..

 “Wanneer een persoon sterft, gaan ze niet direct naar de hemel, tenzij ze heiligen op aarde zijn. Je doet je geliefden veel kwaad als je niet voor hen bidt. Zeg niet: ‘mijn familielid is nu in de hemel!’ Nee, dat zijn ze niet. Als ze katholiek zijn en met biecht zijn gestorven, gingen ze naar het vagevuur. Het is jouw plicht om ervoor te zorgen dat de persoon de laatste sacramenten ontvangt, en jouw plicht – als je echt van hen houdt – om te bidden zodat ze snel uit de vuren van het vagevuur kunnen komen. Een Heilige Mis één keer per jaar? Dat is wreed! Eén keer per maand is ook niet veel beter. Denk aan je tijd… Hoe zou jij willen dat mensen voor jou bidden? Onthoud: één seconde in het vagevuur voelt als jaren. Bid en laat veel missen opdragen voor je geliefden. Niemand gaat onzuiver de hemel in.

 ‘Ik kom je vertellen dat ze lijden in het vagevuur, dat ze huilen, en dat ze met dringende kreten de hulp van je gebeden en je goede werken eisen. Ik lijk hen te horen huilen vanuit de diepten van die vuren die hen verslinden: “Vertel onze geliefden, vertel onze kinderen, vertel al onze familieleden hoe groot de kwellingen zijn die we doorstaan. We werpen ons aan hun voeten om hun gebeden af te smeken. Ah! Vertel hen dat we, sinds we van hen gescheiden zijn, hier branden in de vlammen!”’

~Heilige Johannes Maria Vianney

++++++++++++++++++

[De Heilige Johannes Maria Vianney, ook bekend als de Pastoor van Ars, was een Franse rooms-katholieke priester die leefde van 1786 tot 1859. Hij werd beroemd om zijn eenvoud, diepe vroomheid en buitengewone toewijding aan het sacrament van de biecht. Ondanks dat hij moeite had met zijn studies—vooral Latijn—werd hij uiteindelijk tot priester gewijd vanwege zijn oprechte geloof en doorzettingsvermogen.

Hij werd aangesteld in het kleine dorpje Ars-sur-Formans, waar hij met zijn preken, boetedoening en gebedsleven een ware geestelijke heropleving teweegbracht. Mensen uit heel Frankrijk reisden naar Ars om bij hem te biechten; het is bekend dat hij soms wel 16 tot 18 uur per dag in de biechtstoel zat.

In 1925 werd hij heilig verklaard door paus Pius XI en uitgeroepen tot patroonheilige van alle priesters. Zijn feestdag is op 4 augustus.]

———————-

Augustinus : “Blijf bij ons” … Lukas 24:29…

“Blijf bij ons” … Lukas 24:29

“Mijn broeders, wanneer heeft de Heer Zichzelf erkend? Toen Hij het brood brak. Daarom zijn we er zelf ook van overtuigd dat wanneer we het brood breken, we de Heer herkennen. Als Hij tot op dat moment niet herkend wilde worden, dan was het voor ons, voor ons, die Hem niet in het vlees mochten zien, maar die Hem nog in het vlees moesten eten. Dus u die in Hem gelooft, wie u ook bent, u die de naam van christen niet tevergeefs draagt, die niet zomaar in de kerk komt, die het woord van God in vrees en hoop hoort – voor u zal het gebroken brood een troost zijn. De afwezigheid van onze Heer is geen echte afwezigheid. Vertrouwen, wees trouw en Hij is met je, zelfs als je Hem niet ziet.

Toen de Heer hen toejuichte, hadden de discipelen geen geloof. Ze geloofden niet in Zijn opstanding, ze hoopten zelfs niet dat Hij zou worden opgewekt. Ze hadden het geloof verloren, ze hadden de hoop verloren. Het waren dode mannen die naast een levende liepen, ze liepen, dood, met leven. Het leven wandelde met hen mee, maar in hun hart was het leven nog niet vernieuwd.

En verlang je naar het leven? Volg de discipelen na en je zult de Heer herkennen. Ze boden gastvrijheid aan, onze Heer leek vastbesloten om Zijn weg te vervolgen, maar ze hielden Hem tegen … Houd dus ook de vreemdeling vast als u uw Verlosser wilt herkennen … Leer waar je de Heer moet zoeken, waar je Hem kunt bezitten, waar je Hem kunt herkennen – in het breken van brood met Hem!” …

De heilige Augustinus (354-430), bisschop van Hippo, pater en kerkleraar

———————

Heilige Bruno van Keulen: In de eenzaamheid en stilte van de wildernis….

“In de eenzaamheid en stilte van de wildernis… geeft God zijn atleten de beloning waar zij naar verlangen: een vrede die de wereld niet kent, en vreugde in de Heilige Geest.”

St. Bruno van Keulen – stichter van de Carthuizerorde

++++++++++++

[Bruno werd rond 1030 geboren in Keulen en was een briljante theoloog en leraar. Hij leidde jarenlang de kathedraalschool van Reims, waar hij onder andere lesgaf aan de latere paus Urbanus II. Maar ondanks zijn intellectuele successen verlangde hij naar een leven van stilte, gebed en afzondering. In 1084 trok hij zich met enkele metgezellen terug in de Franse Alpen, waar hij de kartuizerorde stichtte: een gemeenschap van monniken die zich toeleggen op contemplatie, eenvoud en afzondering2.

De tekst op de afbeelding weerspiegelt precies dat ideaal: in de stilte van de wildernis vond Bruno — en vinden zijn volgelingen — een diepe innerlijke vrede en vreugde in de Heilige Geest. Het is een spirituele beloning die niet voortkomt uit wereldse roem of bezit, maar uit overgave en toewijding. ]

Christian pure.com

Teresa van Avila :Ik ben van mijn geliefde….

Ik ben van mijn Geliefde

En ik ben van mijn Geliefde… Ja, zo’n missie was jouw deel:  om kloosters te bouwen in de Spaanse streken; maar vandaag, zonder je sandalen, begrijpen we misschien niet de liefde die je voor het leven zaaide.

Van Ávila kwam je kracht, die geen martelaarschap bracht, je bereikte de incarnatie  en werd heilig in deze wereld.

Het lijden leefde in het geluk; je pen, een wijze balsem.  Je kende Engelen, Demonen, en God bewoog zijn hand.

Bezieler van het wezen, op blote voeten zaaide je liefde in de harten; kluizenaar in je leven, oplossend in je daden.

Men eerde je geleerd, als hervormde vrouw, wetende dat de pijn jou leidde langs paden die sporen nalieten waaraan eer werd gehecht.

In de armen van je Heer vond je eeuwige vrede. Je ging voorbij het vergankelijke; je dronk van zijn woord en je dorst werd nooit gelest toen de liefde je omhelsde.

Heilige Teresa van Ávila

+++++++++++++++

 

[Het gedicht over de heilige Teresa van Ávila raakt aan verschillende diepgaande thema’s die verweven zijn met spiritualiteit, toewijding en innerlijke kracht. Hier zijn de belangrijkste:

  • Liefde en toewijding aan God: De herhaling van “Ik ben van mijn Geliefde” benadrukt de mystieke band tussen de heilige en haar geloof. Haar liefde voor God wordt gepresenteerd als allesoverheersend en richtinggevend.
  • Spiritualiteit en mystiek: Teresa’s ervaringen met engelen, demonen en God verwijzen naar haar mystieke inzichten en haar rol als spirituele gids.
  • Opoffering en eenvoud: Zonder sandalen en als kluizenares symboliseert ze nederigheid en een terugtrekking uit wereldse zaken om zich volledig aan het geestelijke te wijden. Lijden als weg naar heiligheid: Haar pijn en strijd worden niet weggemoffeld, maar juist gepresenteerd als bronnen van wijsheid en innerlijke groei.
  • Vrouwelijke kracht en hervorming: Teresa wordt geëerd als een geleerde vrouw en hervormer. Ze staat symbool voor vrouwelijke invloed binnen een religieuze context, iets wat historisch gezien niet vanzelfsprekend was.
  • Eeuwigheid en vrede: Het slot van het gedicht werpt een blik voorbij de dood, waar ze in de armen van haar Heer rust vindt en de liefde haar dorst voor altijd lest.

Het gedicht is zowel een eerbetoon als een spirituele meditatie.]

——————–

Heilige Johannes van het kruis: Ik leef zonder in mij te leven … ik sterf omdat in niet sterf…..

Johannes van het Kruis : Ik leef zonder in mij te leven

Ik leef zonder in mij te leven

en ik hoop op zo’n hoog leven

dat ik sterf omdat ik niet sterf.

 

Ik leef buiten mezelf,

nadat ik van liefde ben gestorven;

want ik leef in de Heer

die mij voor zichzelf wilde:

toen ik hem mijn hart gaf

zette hij er dit teken op,

dat ik sterf omdat ik niet sterf.

 

Deze goddelijke gevangenis

van de liefde waarin ik leef,

heeft God mijn gevangene gemaakt,

en mijn hart vrij;

en het veroorzaakt zo’n passie

om God mijn gevangene te zien

dat ik sterf omdat ik niet sterf.

 

O, hoe lang is dit leven!

Hoe zwaar zijn deze verbanningen

deze gevangenis, deze ijzers

waarin de ziel is opgesloten!

Alleen al het wachten op de uitweg

bezorgt me zo’n hevige pijn

dat ik sterf omdat ik niet sterf.

 

O, wat een bitter leven

waarin de Heer zich niet verheugt!

Want als liefde zoet is

is lange hoop niet zoet:

God neem deze last van mij

zwaarder dan staal,

 

Ik sterf omdat ik niet sterf.

Alleen met het vertrouwen

Ik leef in de wetenschap dat ik zal sterven,

want in het sterven

verzekert mij van mijn hoop;

dood waar leven wordt bereikt,

treuzel niet, ik wacht op je,

 

Ik sterf omdat ik niet sterf.

Zie dat liefde sterk is;

leven, wees mij niet tot last,

zie dat het alleen voor mij overblijft

om je te winnen, om je te verliezen.

 

Laat de zoete dood nu komen,

de dood komt licht

Ik sterf omdat ik niet sterf.

 

Dat leven van boven

dat is het ware leven,

totdat dit leven sterft,

wordt niet genoten terwijl ik leef:

dood, wees niet ongrijpbaar voor mij;

leef door eerst te sterven,

Ik sterf omdat ik niet sterf.

 

Leven, wat kan ik geven

aan mijn God die in mij leeft

als het niet is om jou te verliezen,

zodat ik het verdien om Hem te winnen?

 

Ik wil Hem bereiken door te sterven,

want ik hou zoveel van mijn geliefde,

dat ik sterf omdat ik niet sterf.

Heilige Johannes van het Kruis

Uitleg: 

[Het gedicht “Vivo sin vivir en mí” is een klassiek mystiek werk uit de Spaanse literatuur, toegeschreven aan heilige Teresa van Ávila of soms ook aan San Juan de la Cruz. Het drukt een diepe spirituele dorst uit—een verlangen om het aardse bestaan achter zich te laten en volledig verenigd te worden met God.

De kern van de tekst draait om een paradox: “Ik leef zonder in mij te leven” en “ik sterf omdat ik niet sterf.” De dichter leeft, maar voelt zich afgesneden van het ware leven—dat is volgens hen het leven in Gods nabijheid. Omdat die ultieme vereniging nog niet bereikt is, voelt het leven op aarde als een sterven.

Dit is typische mystieke taal: de ziel lijdt omdat ze gescheiden is van haar goddelijke oorsprong, en verlangt hevig naar hereniging. Het gedicht balanceert tussen liefde, lijden, en hoop, met een intens persoonlijk en existentieel karakter.

Ik sterf omdat ik niet sterf

“Ik sterf omdat ik niet sterf” drukt een existentiële paradox uit: de spreker verlangt zó intens naar de dood — niet als einde, maar als overgang naar de vereniging met God — dat het voortbestaan op aarde als een soort levende dood voelt. De ziel wil ontsnappen aan de aardse beperkingen en volledig opgaan in het goddelijke, maar zolang dat niet gebeurt, is er een innerlijke onrust, een pijn van het afgescheiden-zijn.

Dus:

“Ik sterf” verwijst naar het lijden, het brandende verlangen.

“omdat ik niet sterf” betekent dat de ziel die ware dood — het opgaan in God — nog niet heeft bereikt.

In deze mystieke beleving is sterven dus iets waarnaar men verlangt, niet iets dat men vreest. Het is een poort naar vervulling.]

———————

 

Nicholas Harelson: over de verlossingstheologie van C.S.Lewis….

De verlossingstheologie van CS Lewis

Nicholas Harelson

De veelgeprezen auteur van zowel fictie als christelijke apologetiek, CS Lewis, gebruikte zijn penvaardigheid om een ​​alomvattend beeld van de christelijke theologie te schetsen. In veel gevallen deed hij dit op een eenvoudige manier, zoals in zijn boek ‘ Onversneden Christendom’ . Maar op andere momenten probeerde Lewis christelijke theologie te injecteren in plaatsen, omgevingen en personages die op het eerste gezicht allesbehalve een typische uiteenzetting over theologie leken. Lewis was en is nog steeds beroemd om zijn vermogen om de geest en identiteit van vele verschillende christenen aan te spreken, waarbij hij de kloof tussen generaties en denominaties overbrugde, en daarbij enkele tamelijk onorthodoxe opvattingen over verlossing en inclusivisme verwerkte.

Of het nu in de vorm van fictie, apologetiek, toespraken of correspondentie is, Lewis’ bespreking van verlossing biedt enkele aanwijzingen voor zijn ongewoon brede interpretatie van Gods vergeving en genade. De term ‘ongebruikelijk’ moet worden gebruikt met betrekking tot de algemene overtuiging, zowel toen als nu, van christenen die zich conformeren aan een veel strengere en onvergeeflijkere leer van verlossing, niet per se ongebruikelijk in termen van theologische interpretatie. Velen hebben Lewis ervan beschuldigd een verlegen universalist te zijn (iemand die gelooft in de verlossing van de hele mensheid). Het is waar dat Lewis figuren als George McDonald, een gerenommeerd en productief auteur van universalistische theologie, vereerde; hij koos er zelfs voor om McDonald op te nemen als een van de hoofdpersonen in The Great Divorce . Hoewel dit zeker waar is en Lewis misschien flirtte met enkele concepten die inherent zijn aan het universalisme, diende het als een middel om zijn verlossingstheologie in bredere zin uit te breiden, niet om zijn geloof in eeuwige straf als nietig te bestempelen. In dit essay zal ik dieper ingaan op verschillende fictiewerken, apologetische werken en correspondentiewerken in een poging de kenmerken en theologie van CS Lewis’ brede weg naar verlossing te identificeren. Zo wil ik zijn onderliggende sympathieën voor het universalisme laten zien en tegelijkertijd zijn soteriologie daarbuiten duidelijk definiëren.

Lewis’ heilstheologie omvat unieke ideeën over het voortdurende proces van het bereiken van heiligheid, zelfs na de dood, vooral binnen het protestantisme. Op het eerste gezicht lijkt dit concept misschien vreemd voor de meeste protestantse toehoorders. Sterker nog, het lijkt zelfs vreemd, zoals Lewis beschrijft, voor veel rooms-katholieke gelovigen. De Grote Scheiding bevat een unieke bespreking van ideeën over het vagevuur, de hemel en de hel. “De Grijze Stad” functioneert zowel als domein van het vagevuur als van eeuwige scheiding van God (de hel). Zelfs de hemel, zoals beschreven in het verhaal, maakt deel uit van deze wereld en is slechts een korte busrit verwijderd. Hoewel Lewis niet beweert dat universele verlossing een realiteit is, wijst hij wel op de mogelijkheid van progressie naar heiliging na de dood en legt hij de mogelijkheid van verlossing expliciet bij de simpele aanvaarding van Gods liefde door het individu. Dit concept impliceert theoretisch dat God universalisme tot een mogelijkheid heeft gemaakt, terwijl hij realistisch gezien de onmogelijkheid ervan erkent vanwege het onvermogen van de mens om universeel heiliging boven verdorvenheid te verkiezen, zelfs in het hiernamaals. [1]

Het is opmerkelijk dat Lewis de beroemde George MacDonald als personage in dit werk gebruikt. MacDonalds aanwezigheid in het verhaal is illustratief voor Lewis’ eigen soteriologische ontwikkeling. Ten eerste is het veelzeggend dat Lewis zo’n polariserend individu als een van de hoofdpersonen in het werk gebruikt. Dit is waarschijnlijk gedaan om hem terloops te betitelen als een theologische hoeksteen van zijn ontwikkeling. Dit impliceert natuurlijk niet dat Lewis het volledig met hem eens was, maar eerder dat Lewis’ eigen heilstheologie breed en inclusief is vanwege zijn aandacht voor MacDonalds eigen theologie. Het is nog veelzeggender hoe Lewis ervoor kiest om MacDonalds personage in het boek te gebruiken. De verteller merkt op dat MacDonalds personage een universalist was op aarde, maar toch lijkt het alsof hij dergelijke overtuigingen in het hiernamaals niet aanhangt. McDonalds personage antwoordt: “De keuze van wegen ligt voor u. Geen van beide is uitgesloten. Iedereen kan de eeuwige dood kiezen. Degenen die ervoor kiezen, zullen die krijgen.” [2] De wending die MacDonalds personage maakt, geeft nauwkeurig de ontwikkeling weer van CS Lewis’ eigen theologie met betrekking tot verlossing. In dit geval spreekt MacDonald mogelijk uitsluitend over heiliging in het hiernamaals, of misschien bedoelt hij dat het zowel leven als dood omvat. Hoe dan ook, hij ontkent de mogelijkheid van universalisme niet ronduit. Sterker nog, het lijkt erop dat hij insinueert dat God de kans openlaat, misschien zelfs hoopt op zo’n resultaat. Met andere woorden, MacDonald erkent dat, hoewel de mogelijkheid van universele verlossing bestaat, realistisch gezien niet iedereen voor verlossing zal kiezen, zelfs niet in het hiernamaals.

Op het eerste gezicht lijkt het idee dat heiliging zich na de dood als een zich ontvouwend proces kan voortzetten, in strijd met onze Schriftopvatting, of op zijn minst met onze protestantse opvatting van verlossing en dood. Rooms-katholieke ideeën over het vagevuur als een boetedoening op weg naar de hemel zijn zeker wijdverbreid en worden beschouwd als een variant op dit idee, hoewel anders dan die van Lewis, omdat het vagevuur niet losstaat van hemel en hel, en Lewis het vagevuur ook niet beschouwt als een plaats die uitsluitend bedoeld is voor boetedoening. Lewis ziet het vagevuur veeleer als een plaats die ons ofwel naar de hemel leidt ofwel onze hel wordt. De hoofdpersoon uit The Great Divorce merkt dit precies op wanneer hij vraagt: “Maar is er een echte keuze na de dood? Mijn rooms-katholieke vrienden zouden verbaasd zijn, want voor hen zijn de zielen in het vagevuur al gered. En mijn protestantse vrienden zouden het niet beter vinden, want zij zouden zeggen dat de boom ligt terwijl hij valt.” [3] In zijn Brieven aan Malcolm breidt Lewis zijn persoonlijke begrip van het vagevuur uit en hoe het verschilt van meer gereformeerde ontkenningen van het bestaan ​​ervan en het rooms-katholieke idee van een plaats voor degenen die al gered zijn om boete te doen. Hij stelt dat de traditionele protestantse visie stelt dat “alle doden verdoemd of gered zijn. Als ze verdoemd zijn, is gebed voor hen nutteloos. Als ze gered zijn, is het even nutteloos. God heeft al alles voor hen gedaan.” [4] Eenvoudig gezegd beweert Lewis dat protestanten simpelweg geloven dat de dood het ultieme en definitieve eindpunt en de bestemming voor het individu is. Bij het bereiken van de dood zal een persoon ofwel geïdentificeerd worden als deel van de uitverkorenen en opstijgen tot hemelse gemeenschap met God, ofwel verdoemd worden tot een eeuwigheid van kwelling en pijn. De meeste protestanten schenken geen aandacht aan ideeën over een hiernamaals dat de voortgezette reis van heiliging (of verdoemenis) mogelijk maakt. Lewis verwerpt een dergelijk idee volledig en, zoals ik betoog, betoogt hij dat het niet zo eenvoudig is. Hij verwerpt eveneens de rooms-katholieke visie op het vagevuur, omdat hij gelooft dat dit een systeem is dat draait om “puur vergeldende straf” in plaats van een plaats van zuivering. [5] Lewis beschrijft een scène waarin een ruw, vuil, verwaarloosd individu God benadert om te horen dat zijn uiterlijk en staat er voor niemand in de hemel toe doen en dat hij in de hemel wordt verwelkomd. Het individu antwoordt: “Met alle respect, mijnheer, en als er geen bezwaar is, word ik liever eerst gereinigd.” [6]Hij beweert dat we simpelweg de gelegenheid verlangen om onszelf te ‘verzamelen’ voordat we met God communiceren. Terecht, gezien het drastische verschil in uiterlijk en karakter tussen God en het zondige schepsel dat zich aandient. Lewis schrijft een groot deel van zijn theologie rond het vagevuur toe aan de geschriften van Sint John Henry Newman, een Anglicaanse bekeerling tot het rooms-katholicisme, die in zijn gedicht The Dream of Gerontius de dood van een persoon en zijn reis door het hiernamaals beschrijft. Het gedicht is lang; het besteedt slechts een korte tijd aan de uiteindelijke setting van de hemel en kiest er in plaats daarvan voor om uitgebreider de verschillende beelden, geluiden en redenen te bespreken voor de reis van zijn ziel naar het oordeel voor God en de uiteindelijke acceptatie in de hemel. [7]

Deze gedachte van het voortzetten van onze heiligingsreis is in feite gemeenschappelijk aan het Anglicaanse Book of Common Prayer. Tijdens de viering van de Heilige Communie roept het Gebed voor de Gehele Staat van Christus’ Kerk de zegen uit over de onlangs overledene, zeggende: “En wij zegenen ook Uw heilige Naam voor al Uw dienaren die dit leven zijn ontslapen in Uw geloof en vrees; smekend U om hun voortdurende groei in Uw liefde en dienst te schenken, en om ons de genade te geven hun goede voorbeelden te volgen…” [8] In deze eenvoudige bewoording, afkomstig uit een steunpilaar van de Heilige Communie in het Book of Common Prayer, vinden we bevestiging van de overtuigingen van CS Lewis met betrekking tot de voortdurende heiliging van een individu na de dood. Dit staat haaks op onze algemene opvatting binnen het protestantisme dat heiliging eindigt waar ons lichamelijk bestaan ​​eindigt. Binnen het algemene denken wordt iemands leven op aarde beoordeeld als waardig of onwaardig, en daar eindigt het verhaal. We zien, zowel in Lewis’ fictie als door de leer in het Book of Common Prayer, dat dit niet noodzakelijkerwijs het geval is.

Als we de Schrift raadplegen, vinden we meerdere passages die het concept van heiliging na de dood ondersteunen. Twee passages verwijzen naar de mogelijkheid van een voortgaande reis naar latere heiliging, één uit het Nieuwe Testament en de andere uit de Apocriefen (deuterocanonieke boeken van het Oude Testament). Zo staat er in 2 Timoteüs 1:16-18:

Moge de Heer barmhartigheid schenken aan het huis van Onesiforus, want hij heeft mij vaak verkwikt en zich niet geschaamd voor mijn ketenen. Maar toen hij in Rome aankwam, heeft hij mij ernstig gezocht en gevonden. Moge de Heer hem schenken dat hij op die dag barmhartigheid van de Heer mag vinden! En u weet heel goed welke diensten hij in Efeze heeft bewezen.

In deze passage uit de tweede brief van Paulus aan Timoteüs wordt Onesiforous in de verleden tijd besproken. Er wordt dan aangenomen dat Onesiforous gestorven is. Paulus wordt duidelijk gezien terwijl hij bidt voor de overledene en daarmee dient Paulus als voorbeeld voor hoe we de opbouw en heiliging moeten zoeken van hen die naar het hiernamaals zijn gegaan. Hoewel dit niet noodzakelijkerwijs een verdere reis naar heiliging impliceert, ontkent het de mogelijkheid zeker niet, noch is er enige mogelijkheid om te concluderen dat we moeten aannemen dat het oordeel iets is dat onmiddellijk na de dood plaatsvindt. Daarin ligt het meest voor de hand liggende argument ter ondersteuning van Lewis’ noties van voortdurende heiliging. Als Paulus geloofde dat het oordeel onmiddellijk na de dood plaatsvond, dan zouden zijn woorden niet impliceren dat er een verwachte maar ongerealiseerde toekomstige dag des oordeels zou zijn.

2 Makkabeeën 12:44-45 luidt:

Want als hij niet verwachtte dat de gevallenen zouden opstaan, zou het overbodig en dwaas zijn geweest om voor de doden te bidden.  Maar als hij uitkeek naar de schitterende beloning die klaarligt voor hen die in godsvrucht ontslapen, was dat een heilige en vrome gedachte. Daarom deed hij verzoening voor de doden, zodat zij van hun zonde verlost zouden worden.

Hoewel de apocriefen voor veel protestanten niet gezaghebbend zijn en mogelijk ongelezen blijven, hebben ze nog steeds gewicht binnen de Anglicaanse traditie die C.S. Lewis aanhing, samen met de rooms-katholieke en oosters-orthodoxe kerken, waar ze als canoniek worden beschouwd. Deze passage uit 2 Makkabeeën is veel explicieter in de implicatie van een mogelijke voortzetting van de reis naar heiliging na de dood. Het eerste vers stelt de noodzaak vast van gebeden voor de doden, geworteld in een begrip van de opstanding, terwijl het laatste vers de noodzaak erkent van verzoening door de levenden ten behoeve van de doden, omdat hun reis naar heiligheid na de dood doorgaat.

Bij de verdere bespreking van het onderwerp universalisme merkt McDonalds personage op dat “je niets kunt weten over het einde van alle dingen, of niets dat in die termen kan worden uitgedrukt. Het kan zijn, zoals de Heer tegen Lady Julian zei, dat alles goed zal komen, en alles zal goed komen, en alle dingen zullen goed komen. Maar het is verkeerd om over zulke vragen te praten.” [9] In deze bewoordingen blijft Lewis de mogelijkheid van universele verlossing suggereren, terwijl hij de realiteit openlaat dat deze, hoewel mogelijk, realistisch onhaalbaar is. Hoe dan ook, in lijn met het Book of Common Prayer, lijkt het waarschijnlijk dat Lewis hoop op dergelijke mogelijkheden handhaafde in zijn erkenning van de mogelijkheid ervan, misschien zelfs hintend op de hoop op een dergelijke realiteit. Dit idee van hoop op universele verlossing is niet uniek voor Lewis. Een groot deel van Hans Urs von Balthasars verlossingstheologie concentreerde zich op de christelijke noodzaak om te hopen en te bidden voor de uiteindelijke verlossing van alle mensen, of het nu een realistische of een theoretische mogelijkheid is. Dit is niet noodzakelijkerwijs een oprecht geloof in de realiteit van universalisme. In plaats daarvan is het een argument waar CS Lewis het waarschijnlijk mee eens zou zijn, namelijk dat de juiste christelijke reactie op het idee van universalisme niet een regelrechte veroordeling is, maar eerder de oprechte hoop dat iedereen gered zal worden, zelfs als dat realistisch gezien niet mogelijk is. Kunnen wij als christenen eerlijk gezegd iets anders rechtvaardigen dan deze reactie? [10]

We kunnen nu al zien dat Lewis’ idee van verlossing de harde en vaste interpretatie van de meesten overstijgt. Verlossing is voor Lewis een weg die potentieel nog lang duurt nadat we deze fysieke vlakte hebben verlaten voor een spirituele wereld. McDonalds personage merkt op dat “er uiteindelijk maar twee soorten mensen zijn: zij die tegen God zeggen: ‘Uw wil geschiede’, en zij van wie God uiteindelijk zegt: ‘Uw wil geschiede’. Allen die in de hel zijn, kiezen ervoor.” [11] Dit eenvoudige concept verbreedt ons begrip van de aard van verlossing en heiliging, die we maar al te vaak beperken tot simpelweg dit lichamelijke bestaan, en terecht. Het is onze gemeenschappelijke ervaring, maar is volgens de Schrift niet noodzakelijkerwijs beperkt tot slechts dit aardse bestaan.

In zijn persoonlijke brieven vermeldde Lewis zijn eigen gewoonte om voor de doden te bidden. In zijn brieven aan Malcolm zegt Lewis:

Natuurlijk bid ik voor de doden. De handeling is zo spontaan, zo bijna onvermijdelijk, dat alleen de meest dwingende theologische argumenten ertegen me zouden kunnen afschrikken… Hoewel zelfs in de hemel een voortdurende toename van gelukzaligheid, bereikt door een steeds meer extatische zelfovergave, zonder de mogelijkheid van mislukking maar misschien niet zonder de eigen hartstocht en inspanningen voor genot, ook zijn strengheid en steile stijgingen kent… Ik geloof in het vagevuur. [12]

De overtuigingen die in deze passage worden verwoord, sluiten perfect aan bij zijn stellingen in The Great Divorce . Lewis beschrijft het grootste deel van zijn fictie in slechts een paar regels door te erkennen dat zelfs zij die een plek in de hemel hebben gevonden (hoe oppervlakkig dat ook mag zijn) waarschijnlijk een steeds toenemende heiliging ervaren, ongeacht hun status van geredde ziel.

Dit korte fragment uit zijn brieven aan Malcolm illustreert ook de praktische kant van Lewis’ theologie. Hij biedt dit niet alleen aan als wetenschappelijk theologisch inzicht, maar hij neemt het ook op in zijn eigen ascetische praktijk. Voor Lewis is dit niet zomaar een discussie, het is zijn eigen levenservaring, wat het des te waardevoller en leerzamer voor ons maakt, zowel academisch als praktisch.

Voortdurende heiliging is niet het enige idee dat inherent is aan C.S. Lewis’ brede heilstheologie. Lewis heeft herhaaldelijk, zowel in zijn literatuur als in zijn correspondentie, gezinspeeld op een geloof in inclusiviteit. Eenvoudig gezegd gelooft Lewis dat de meeste, zo niet alle religies, een element van waarheid bezitten en daarom een ​​element van God bevatten. Als zodanig gelooft hij dat het mogelijk is voor iemand die Christus niet rechtstreeks heeft aanvaard, zelfs voor iemand die nog nooit van de historische en theologische figuur Jezus Christus heeft gehoord, om verlossing in God te vinden. In zijn brief aan mevrouw Ashton van 8 november 1952 beschrijft Lewis precies zo’n geloof: “Ik denk dat elk gebed dat oprecht wordt gericht, zelfs tot een valse god of tot een zeer onvolmaakt bedachte ware God, door de ware God wordt aanvaard en dat Christus velen redt die denken Hem niet te kennen.” [13] Lewis duikt dieper in dit onderwerp in Mere Christianity , en merkt op dat “er mensen in andere religies zijn die, geleid door Gods geheime invloed, zich concentreren op die delen van hun religie die in overeenstemming zijn met het christendom, en die dus tot Christus behoren zonder het te weten.” [14] In zowel zijn correspondentie als zijn apologetische geschriften is Lewis vrij duidelijk in zijn geloof dat alle mensen de potentie hebben tot verlossing, zelfs zij die het christendom niet in zijn volheid omarmen. Deze visie valt samen met zijn verbrede theologie van verlossing en handhaaft de invloeden van universalistisch denken binnen een context die het misschien nog steeds weigert te erkennen als realiteit. Lewis stopt hier echter niet. Hij neemt zijn inclusivistische theologie ook prominent op in zijn fictiewerken. In The Last Battle gebruikt Lewis het personage Emeth als een display voor zijn inclusivistische theologie. Emeth, een vijandelijke soldaat die tegenover Aslan staat (de Christusfiguur in het verhaal), is een aanbidder van de valse god Tash. Hij komt erachter dat Tash inderdaad een valse god is en beklaagt zich bij Aslan dat al zijn aanbidding tegen hem is gericht, hoewel hij de ware redder is. [15] Aslan antwoordt: “Kind, alle diensten die je aan Tash hebt bewezen, beschouw ik als diensten die aan mij zijn bewezen.” [16] Aslan legt zijn redenering verder uit door te zeggen: “Ik neem de diensten die je aan hem hebt bewezen voor mij. Want ik en hij zijn van zo’n verschillende aard dat geen enkele dienst die verachtelijk is aan mij kan worden bewezen, en geen enkele die niet verachtelijk is, aan hem kan worden bewezen.” [17]

In De Brieven van Schroevenband merkt de demon Schroevenband een soortgelijke vertoning van verlossing op, ondanks misplaatste actie. Schroevenband merkt op dat hoewel het voor mensen gunstig kan zijn om hun inspanningen te richten op misleide wereldse bezigheden, het net zo snel nadelig kan uitpakken voor de demonen die de ondergang van hun menselijke ‘patiënten’ nastreven. Hij merkt op: ‘Maar dát is waar Hij [God] zo oneerlijk is. Hij maakt vaak prijzen van mensen die hun leven hebben gegeven voor zaken die Hij slecht vindt, op de monsterlijk geraffineerde grond dat de mensen hen goed vonden en het beste volgden wat ze wisten.’ [18] Hij merkt vervolgens op dat God ‘wil dat ze leren lopen en daarom Zijn hand moet wegnemen, en als de wil om te lopen er echt is, is Hij zelfs blij met hun struikelen.’ [19] Elk van deze voorbeelden toont een diepgaande inclusiviteit aan in Lewis’ begrip van verlossing. Dit is een inclusiviteit die veel medechristenen moeilijk als mogelijkheid konden accepteren en nog steeds moeilijk vinden. Pleit Lewis in wezen voor de acceptatie van zonde? Het is zeker een argument dat naar voren gebracht kan worden, maar het lijkt erop dat Lewis eerder pleit voor de alomvattende genade van de Drie-enige God.

Lewis’ redenering achter elk van deze voorbeelden is een uiting van ware inclusiviteit, wat betekent dat Lewis gelooft dat God in staat is om in en door alle dingen te werken, inclusief valse religies. Logisch gezien klinkt zo’n stelling logisch; emotioneel gezien vinden veel christenen dit echter een stap te ver gaan. Er zijn zeker veel plaatsen in de Schrift waar een dergelijke opvatting mogelijk kan worden tegengesproken. Het stellen van grenzen aan Gods handelen en vermogen verandert echter de aard van God zelf, zoals beschreven in de Schrift en zoals bevestigd door de universele kerk. God is volkomen in staat om alles te doen en alleen al op die basis; Lewis’ opvatting van inclusiviteit moet de nodige aandacht krijgen.

Lewis schreef de heidense mythologie zelfs een rol toe in zijn uiteindelijke bekering van het atheïsme tot het christendom. “Het christendom is in de eerste plaats de vervulling van de joodse religie, maar ook de vervulling van wat vaag werd gesuggereerd in alle religies op hun best.” [20] Lewis citeerde zijn ervaring waarin hij getuige was van een natuurlijke progressie van de waarheden die in de heidense mythologie werden getoond naar de incarnatie, en betoogde dat het de incarnatie zelf was die de vaag gedefinieerde waarheden van andere religies scherp in beeld bracht. Sterker nog, voor Lewis waren het andere religies die hem uiteindelijk in gemeenschap met Christus brachten. [21] Lewis gaat zelfs zo ver dat hij kritiek levert op de “elitaire” mentaliteit van veel christelijke missionarissen die neerkijken op de primitieve religies van degenen aan wie ze evangeliseren. Lewis merkt een element van het goddelijke op in elk van deze mensen, wat theologisch verantwoord is wanneer het wordt bekeken in de context van de Imago Dei. We zijn allemaal, of we nu christen, boeddhist, moslim of anderszins zijn, geschapen naar het beeld van de ene Drie-enige God, daarom dragen we het goddelijke beeld. Het is niet zo’n grote stap om aan te nemen dat we, als bijproduct van deze goddelijke afdruk, elementen van de waarheid in alle aspecten van ons bestaan ​​meedragen, inclusief primitieve, onontwikkelde en valse religies. [22] Volgens Lewis is er slechts één vereiste voor de redding van hen die buiten het christendom staan. Die vereiste is een oprechte en voortdurende poging om de waarheid te vinden, zelfs als die zoektocht iemand naar paden leidt die buiten het eigenlijke christendom vallen. [23]

Wat moeten we denken van deze heilstheologie volgens C.S. Lewis? Ze blijkt in veel opzichten een interessant middengebied te vormen tussen protestantisme en rooms-katholicisme. Ze reikt zeker veel verder dan de theologie van typische protestantse denominaties. Terwijl de Rooms-Katholieke Kerk wel een leer van het vagevuur aanhangt, ontkennen de meeste protestantse denominaties het bestaan ​​ervan simpelweg. Dit is natuurlijk niet universeel het geval, aangezien sommige lutherse en anglicaanse tradities zeker een bepaalde notie van het bestaan ​​ervan aanhangen. Welk pad baant C.S. Lewis voor ons? Is dit een lange weg naar universalisme of een kronkelpad naar een breder begrip van heil? Uiteindelijk lijkt het het laatste te zijn, met enkele kanttekeningen.

Het is niet mogelijk de urgentie en noodzaak van George MacDonald en zijn universalistische ideeën in de ontwikkeling van de theologie van C.S. Lewis te negeren. Hoewel het Lewis niet dwong tot een volledig geloof in universalisme, is het zeker zo dat het Lewis’ verlossingstheologie verruimde, tot het punt dat deze aanzienlijk verschilt van orthodoxe, traditionele opvattingen binnen zowel het protestantisme als de rooms-katholieke kerk. Het is waarschijnlijk, zoals te zien is in The Great Divorce , dat Lewis de mogelijkheid van universele verlossing openlaat, slechts beperkt door ons eigen aangeboren vermogen om God te ontkennen, zelfs in de dood. Dit resulteert in een realiteit die de mogelijkheid van universalisme onwaarschijnlijk maakt, zelfs binnen Lewis’ uitgebreide verlossingstheologie. We moeten opnieuw zijn tamelijk onorthodoxe overtuiging erkennen dat andere religies waarheid bevatten die terugwijst naar God. Dit is een zeer grote sprong in het diepe van Lewis, omdat het haaks staat op veel geaccepteerde en traditionele opvattingen binnen de universele kerk. Maar wederom, door voor deze mogelijkheid te pleiten, bepleit Lewis uiteindelijk dat de opperste soevereiniteit van God handelt op elke manier die God geschikt acht. Lewis verwerpt het idee van universalisme niet ronduit. In plaats daarvan geeft Lewis expliciete en gedetailleerde voorbeelden die samen aantonen dat verlossing, hoewel niet universeel, veel breder, barmhartiger en begripvoller is dan de kerk vaak heeft geleerd.

1.Lewis, CS (2017). De kenmerkende klassiekers van CS Lewis . San Francisco: HarperOne, 538. ↑

2. Ibid., 539. ↑

3. Ibid., 504. ↑

4. Lewis, CS (2017) Brieven aan Malcolm: voornamelijk over gebed . HarperOne. (Origineel werk gepubliceerd in 1964), 144. ↑

5. Ibid., 145. ↑

6. Ibid., 146. ↑

7. Newman, John, H. (1865) ‘De droom van Gerontius’, The Newman Reader. http://www.newmanreader.org/works/verses/gerontius.html 

8. (2015). Het Book of Common Prayer: een administratie van de sacramenten en andere rituelen en ceremonies van de Anglicaanse katholieke kerk . Athene: Anglican Parishes Association, 75. ↑

9. Lewis, CS (2017). De kenmerkende klassiekers van CS Lewis . San Francisco: Harper  One, 538. ↑

10. Balthasar, Hans, U. (1988). Durven we te hopen “dat alle mensen gered zullen worden?” (D. Kipp, vertaling) San Francisco: Ignatius Press (Origineel werk gepubliceerd in 1987), 18. ↑

11. Lewis, CS (2017). De kenmerkende klassiekers van CS Lewis . San Francisco: HarperOne, 506. ↑

12. Lewis, CS (2017) Brieven aan Malcolm: voornamelijk over gebed . HarperOne. (Origineel werk gepubliceerd in 1964), 144-145. ↑

13. Lewis, CS (2017). Brieven van CS Lewis (WH Lewis en W. Hooper, red.) HarperOne, 548. ↑

14.Lewis, CS (2017). De kenmerkende klassiekers van CS Lewis . San Francisco: HarperOne, 165. ↑

15.Lewis, CS, & Baynes, P. (2017). De laatste slag . New York, NY: HarperCollins, 153-155. ↑

16.Ibid., 155. ↑

17. Ibid. ↑

18. Lewis, CS (2017). De kenmerkende klassiekers van CS Lewis . San Francisco: HarperOne, 198. ↑

19. Ibid., 208. ↑

20. Richie, TL (2008). Hints uit de hemel: kan CS Lewis evangelicals helpen God in andere religies te horen? Evangelical Review of Theology, 32(1), 40. ↑

21.Ibid. ↑

22. Ibid. ↑

23. McCormack, E. (2008). Inclusivisme in de fictie van CS Lewis: het geval van Emeth. Logos, 11(4), 58. ↑

Over Nicholas Harelson

Nicholas Harrelson is parochiaan van de St. Benedict’s Anglican Catholic Church in Chapel Hill, North Carolina. Hij woont in Mebane, North Carolina, met zijn vrouw Codie, zoon Atticus en binnenkort zijn dochter Harlow. Nicholas is postulant tot priester in de Anglican Catholic Church, student aan de Duke Divinity School en een toegewijde broeder in Christ Mission Anglican Benedictines. Hij behaalde een Bachelor of Art in Geschiedenis aan het Virginia Military Institute (VMI) en een Master of Art in Diplomatie met een specialisatie in Internationale Conflictresolutie aan de Universiteit van Norwich. Nicholas diende zes jaar als infanterist in het Amerikaanse leger en is een veteraan die twee keer gewond raakte tijdens de recente conflicten.

Bron : https://northamanglican.com/the-salvation-theology-of-c-s-lewis/

Augustinus: Laten we onze zonden haten en Hem liefhebben. ….

“Laten we onze zonden haten en Hem liefhebben die straf zal opleggen voor hen.

Wat moet de christen dan doen? Hij moet de wereld gebruiken, niet haar slaaf worden. En wat betekent dit? Het betekent hebben, alsof je niet hebt… Zijn we echt zeker dat we Hem liefhebben? Of houden we meer van onze zonden? Laten we daarom onze zonden haten en Hem liefhebben die straf zal opleggen voor hen. Hij zal komen, of we het nu willen of niet. Denk niet dat omdat Hij nu niet komt, Hij helemaal niet zal komen. Hij zal komen, je weet niet wanneer, en op voorwaarde dat Hij je voorbereid vindt, zal je onwetendheid over het tijdstip van Zijn komst niet tegen je worden gehouden.”

– St. Augustinus (354–430), Vader en Doctor van Genade

++++++++++++++

[In de tekst van Augustinus betekent “het haten van zonden” niet dat men zichzelf moet verachten of anderen moet veroordelen, maar dat men afstand neemt van wat iemand scheidt van God. Zonden worden hier gezien als alles wat afleidt van ware liefde, waarheid en heiligheid — dus niet louter morele fouten, maar ook gehechtheid aan wereldse verlangens en egoïsme.

Door zonden te “haten”, bedoelt Augustinus dat de mens zijn hart moet keren naar dat wat goed, zuiver en liefdevol is. Het is een oproep tot innerlijke bekering: een houding waarbij men niet toegeeft aan verleidingen die de ziel verduisteren, maar kiest voor liefde tot God. Het haten van de zonde is dus een uitdrukking van liefde voor God — een afwijzing van alles wat die relatie ondermijnt.

Hij stelt ook een scherpe vraag: “Houden we echt van Hem, of houden we méér van onze zonden?” Daarmee nodigt hij uit tot reflectie: waar ligt onze diepste liefde — in God, of in dingen die ons tijdelijk bevredigen maar op lange termijn leeg laten?]

——————-

St.Francis van Sales: In de koninklijke galei van de Goddelijke Liefde, is er geen galeislaaf….

“In de koninklijke galei van de Goddelijke Liefde, is er

geen galeislaaf: alle roeiers zijn vrijwilligers.”

+++++++++++++++

[Een mooie metafoor die benadrukt dat ware liefde tot vrijwillige toewijding leidt, niet tot dwang.]

————————–

St.Ignatius Loyola : Anima Christi….

++++++++++++++++

Ziel van Christus, heilig mij.

Lichaam van Christus, red mij.

Bloed van Christus, bedwelm mij.

Water uit de zijde van Christus, was mij.

Lijden van Christus, versterk mij.

O goede Jezus, hoor mij.

Verberg mij in Uw wonden.

Laat mij niet van U gescheiden worden.

Verdedig mij tegen de boze vijand.

Roep mij in het uur van mijn dood. En laat mij tot U komen, Opdat ik U met Uw heiligen en engelen mag prijzen, Voor altijd en eeuwig. Amen.

 

[Dit gebed is bekend als Anima Christi, vaak toegeschreven aan Ignatius van Loyola, en is al eeuwenlang geliefd in christelijke devotie]

———————

Augustinus: een fragment uit de belijdenissen……..

Sint Augustinus van Hippo

bisschop en grote westerse kerkvader

Een fragment uit zijn verhandeling, De belijdenissen

Aangespoord om over mijzelf na te denken, ging ik onder Uw leiding in tot in het diepst van mijn ziel. Ik was in staat om dat te doen, omdat U mijn helper was. Toen ik in mijzelf binnenging, zag ik, als het ware met het oog van de ziel, wat voorbij het oog van de ziel, voorbij mijn geest was: Uw onveranderlijk licht. Het was niet het gewone licht dat voor alle vlees waarneembaar was, noch was het slechts iets van grotere omvang, maar toch in wezen verwant, het scheen helderder en verspreidde zich overal door zijn intensiteit. Nee, het was iets heel anders, iets heel anders dan al deze dingen, en het rustte niet boven mijn geest als olie op het wateroppervlak, noch was het boven mij zoals de hemel boven de aarde is. Dit licht was boven mij omdat het mij gemaakt heeft, ik was eronder omdat ik erdoor geschapen was. Hij die de waarheid heeft leren kennen, kent dit licht.

O Eeuwige waarheid, ware liefde en geliefde eeuwigheid. U bent mijn God. Tot U zucht ik dag en nacht. Toen ik U voor het eerst leerde kennen, trok U mij naar Zich toe, zodat ik zou kunnen zien dat er dingen voor mij waren om te zien, maar dat ik er zelf nog niet klaar voor was om ze te zien. Intussen overwon U de zwakheid van mijn gezichtsvermogen en zond U de stralen van Uw licht zeer krachtig uit, en ik beefde tegelijk van liefde en angst. Ik leerde dat ik me in een gebied bevond dat anders was dan het Uwe en ver van U verwijderd en ik meende Uw stem uit den hoge te horen: “Ik ben het voedsel van volwassen mannen, groei dan en u zult zich met Mij voeden. En gij zult Mij niet in uzelf veranderen als lichamelijk voedsel, maar gij zult in Mij veranderd worden.”

Ik zocht een manier om de kracht te verwerven die ik nodig had om van U te genieten. Maar ik vond het pas toen ik de middelaar tussen God en mensen omhelsde, de mens Christus Jezus, die boven alles God gezegend is tot in eeuwigheid. Hij riep me en zei: ik ben de weg van de waarheid, ik ben het leven. Hij offerde het voedsel waartoe ik niet de kracht had om te nemen, het voedsel dat Hij met ons vlees had vermengd. Want het Woord is vlees geworden, opdat Uw wijsheid, waardoor U alle dingen hebt geschapen, ons kinderen van melk zou voorzien.

Laat heb ik U liefgehad, o Schoonheid, altijd oud, altijd nieuw, laat heb ik U liefgehad! U was in mij, maar ik was buiten en het was daar dat ik naar U zocht. In mijn onbeminnelijkheid stortte ik me in de lieflijke dingen die U hebt geschapen. U was bij mij, maar ik was niet bij U. Geschapen dingen hielden me van U af, maar als ze niet in U waren geweest, zouden ze er helemaal niet zijn geweest. U riep, U schreeuwde en U doorbrak mijn doofheid. Je flitste, je straalde en je verdreef mijn blindheid. U blies Uw geur op mij in, ik haalde adem in en nu hijg ik naar U. Ik heb U geproefd, nu honger en dorst ik naar meer. U hebt mij aangeraakt en ik heb gebrand voor Uw vrede.

Augustinus: God vraagt ​​niet veel van je, want alleen de naastenliefde vervult de hele wet……

“God vraagt ​​niet veel van je, want alleen de naastenliefde vervult de hele wet. Maar die liefde is dubbel – liefde voor God én liefde voor de naaste… Wanneer God je zegt dat je je naaste moet liefhebben, zegt Hij niet dat je hem moet liefhebben met heel je hart, met heel je ziel en met heel je verstand. Nee, Hij zegt je dat je je naaste moet liefhebben als jezelf. Dus, heb God lief met alles wat je bent, want Hij is groter dan jij; heb je naaste lief als jezelf, want hij is wat jij bent…

Onze liefde heeft dus drie doelen. Maar waarom zijn er maar twee geboden? Ik zal het je vertellen: God vond het niet nodig om je te verplichten jezelf lief te hebben, want er is niemand die zichzelf niet liefheeft. Maar veel mensen verliezen zichzelf omdat ze zichzelf op een slechte manier liefhebben. Door je te zeggen dat je God moet liefhebben met alles wat je bent, gaf God je een regel volgens welke je jezelf moet liefhebben. Je wilt ongetwijfeld jezelf liefhebben? Heb God dan lief met alles wat je bent. Want in Hem zul je jezelf vinden en voorkomen dat je jezelf in jezelf verliest… Daarom is de regel volgens welke je jezelf moet liefhebben je gegeven: heb Hem lief Die groter is dan jij en je zult jezelf liefhebben!”

– Sint Augustinus (354-430), Vader en Genadeleraar van de Kerk (Preek over de Brief van Sint-Jacobus)

———————

Johannes van het Kruis: Wanneer hij tot niets wordt gebracht, de hoogste graad van nederigheid, zal de geestelijke vereniging tussen zijn ziel en God worden bewerkstelligd….

“Wanneer hij tot niets wordt gebracht, de hoogste graad van nederigheid, zal de geestelijke vereniging tussen zijn ziel en God worden bewerkstelligd. De reis bestaat niet uit recreaties, ervaringen en geestelijke gevoelens, maar uit de levende, zintuiglijke en geestelijke, uiterlijke en innerlijke dood van het kruis.”

Heilige Johannes van het kruis.

Deze tekst komt voort uit een mystieke en spirituele traditie binnen het christendom, waarin het ultieme doel is om een diepe, innerlijke vereniging met God te bereiken. De nadruk ligt op volledige overgave en nederigheid, waarbij men zichzelf volledig loslaat — inclusief verlangens naar spirituele ervaringen of troost — om zich volledig te verenigen met Gods wil.

De passage verwijst naar een proces dat vaak wordt beschreven in de mystieke theologie, zoals bij Johannes van het Kruis of Teresa van Ávila. Het idee is dat de ziel pas echt één kan worden met God wanneer ze door een soort “innerlijke dood” is gegaan: het loslaten van het ego, van zintuiglijke verlangens, en zelfs van spirituele genoegens. Dit wordt vaak aangeduid als “de donkere nacht van de ziel” — een periode van geestelijke leegte of beproeving die uiteindelijk leidt tot een dieper, zuiverder contact met het goddelijke.

———————-

 

Heilige Catherina van Bologna: wie het kruis voor zijn zaak wil dragen, moet de juiste wapens voor de strijd opnemen ….

Wie het kruis voor zijn zaak wil dragen, moet de juiste wapens voor de strijd opnemen, vooral die hier genoemd.

1. Ten eerste, ijver;

2. Ten tweede, wantrouwen in zichzelf;

3. Ten derde, vertrouwen in God;

4. Ten vierde, herinnering aan het lijden;

5. Ten vijfde, bewustzijn van eigen dood;

6. Ten zesde, herinnering aan Gods glorie;

7. Ten zevende, de geboden van de Heilige Schrift volgen naar het voorbeeld  van Jezus Christus in de woestijn.

— Heilige Catharina van Bologna

Catharina van Bologna (1413–1463) was een Italiaanse mystica, kunstenares en heilige, die een opmerkelijke brug sloeg tussen spiritualiteit en creativiteit. Ze werd geboren in Bologna als dochter van een edelman en groeide op aan het hof van Ferrara, waar ze een brede opleiding kreeg in literatuur, muziek, kalligrafie en schilderkunst.

Op veertienjarige leeftijd verliet ze het hofleven om zich aan te sluiten bij een religieuze gemeenschap. Ze werd lid van de Clarissen, een orde geïnspireerd door de heilige Franciscus en Clara van Assisi. In 1456 stichtte ze een nieuw klooster in Bologna, waar ze tot haar dood als abdis diende

 

Het ongeloof van Sartre…

HET ONGELOOF VAN JEAN- PAUL SARTRE

Frans filosoof

De ongelovige existentialist Jean-Paul-Sartre (1905-1980) rekent in zijn psychologisch toneelstuk ‘huis clos’ (met gesloten deuren,1944) op een theatrale manier met het geloof in de anderen af.

Hij projecteert drie mensen in een hiernamaals, dat eigenlijk het aardse leven voorstelt. Dit hiernamaals speelt zich af in een Second-Empiresalon, waarin men met twee anderen moet leven : er zijn –geen deuren: dus je kan niet naar buiten; geen vensters : je bent geïsoleerd van de buitenwereld; geen spiegels:  je kan jezelf maar spiegelen in en door de ogen van de anderen. Net als de andere mensen hebben deze drie hun eigen fouten, die ze willen verbergen. In een situatie met deuren, vensters en spiegels lukt dit doorgaans wel vrij goed; er zijn heel wat ontsnappingsroutes in de werkelijkheid in gebouwd. In het hiernamaals is ontsnappen onmogelijk:  ze vernemen spoedig elkaars geheim:  Estelle vermoordde haar kind. Inès is een lesbische vrouw en Garcin is een lafaard.

Voeg daarbij nog de affiniteit tussen twee vrouwen en één man. Liefde in zijn hechtste vorm is immers een tweepersoonsrelatie. Wie zal de afgewezen en jaloerse derde zijn ? Alle ingrediënten voor de driehoeksverhouding zijn aanwezig… Psychologisch wordt het een boeiend spel… Naar het einde van het stuk vloeien climax en anti-climax sterk in elkaar

 ‘Ze zijn dood. Dit betekent : ze hebben niets anders meer dan hun verleden. Er is geen toekomst meer. Ze bestaan zonder persoonlijk levensontwerp, versteend met het beeld dat de anderen zich van hen hebben gevormd. De dialectiek van die situatie, het versteend zijn voor en door de blik van de andere is de’hel’. L’enfer c’est les autres. (Bauters, Jean Paul-Sartre, ontmoetingen, DDB,1964,pp.48-49)

Estelle:

Luister niet naar haar. Neem mijn mond; ik    ben van jou helemaal van jou.

Inès

Nou, waar wacht je op? Doe wat je gezegd is.

De lafaard Garcin houdt de kindermoordenares Estelle

in zijn armen. Er kan worden gewed. Zal de lafaard

Garcin haar kussen ?

Ik zie jullie; ik alleen ben de menigte, de menigte, Garcin, de menigte, hoor je het ?

Lafaard! Lafaard! Lafaard!  Tevergeefs vlucht je voor me, ik laat je niet los ! Wat zoek je op haar lippen ?

Vergetelheid ?  Maar ik vergeet je niet.

Mij moet je overtuigen. Kom ! Kom !

Ik wacht op je.

Je ziet, Estelle, hij maakt zich los uit de omarming,

Hij is zo gedwee als een hondje….Je krijgt hem niet !

Garcin:

Wordt het dan nooit nacht ?

Inès:

Nooit.

Garcin:

Zal je me altijd zien?

Inès:

Altijd

(Garcin:     laat Estelle aan haar lot over en doet een paar  stappen

door het vertrek, naar het bronzen beeld op de  schoorsteenmantel)

Garcin:

Het beeld….(Hij streelt het).

Nu is het ogenblik gekomen. Hier is het bronzen

Beeld, ik kijk ernaar en begrijp dat ik in de hel ben.

Ik zeg jullie dat alles was voorzien.

Zij hadden voorzien, dat ik voor deze schoorsteen

zou staan, dat ik met mijn hand op dit beeld zou

drukken, met al die blikken die mij verslinden…

(zich met een ruk omdraaiend)

Ha zijn jullie maar met z’n tweeën.

Het leek me dat er veel meer waren.(Lacht)

Dus dit is nu de hel. Ik zou nooit geloofd hebben …

Herinneren jullie je nog: zwavel, brandstapel,

Braadrooster… Ha ! Wat een grap !

Een braadrooster is niet nodig:

DE HEL DAT ZIJN DE ANDEREN

(J.P.Sartre.De Vliegen e.a., De Bezige Bij, 196, pp.119-120)

Volgens Sartre kan een mens op twee manieren bestaan: als een subject en als object.

Als subject (‘corps-pour-soi’) is de mens pas echt mens door zich voortdurend te realiseren in en met de wereld: hij denkt aan, hij werkt met… Het menselijk bewustzijn is als het ware een verbindingselement tussen het ik en de wereld. Doordat de mens bewust is, is hij altijd al in de wereld. Zelfs in de droom is de mens aanwezig in de wereld. Een droom is samengesteld uit ‘ervaringsresten’ van de wereld. Het is dank zij het bewustzijn dat de mens vrij is. Hij is in de wereld, maar valt er niet mee samen. Een mens neemt voortdurend afstand: ik ben geen plant, geen dier, geen vrouw (man), geen volwassene….

Door het bewustzijn is de mens vrij, hij is een wezen dat niet vastligt (vandaag is hij anders dan gisteren) en niet vastgelegd kan worden. Zelfs in een gevangenis kan de mens, volgens hem, zijn vrijheid bewaren. Ook ziek zijn zou volgens Sartre een keuze zijn.

Als object (‘corps-en-soi’ ):  op zijn eentje kan de mens zonder problemen als subject bestaan. Eenmaal tussen andere personen echter zijn er twee mogelijkheden:  hij blijft bestaan als subject ofwel wordt hij herleid tot een ding, een object.

Een voorbeeld:  een vrouw is in de badkamer, ze voelt zich vrij, niemand ziet haar, ze is naakt en zingt. Plotseling ontdekt ze dat ze begluurd wordt door iemand doorheen het sleutelgat. Op dat moment verliest de vrouw haar subject-zijn en voelt ze zich als een object, bekenen. Ze voelt zich herleid tot een object. Maar tezelfdertijd gaat ook zij diegene die gluurt objectiveren, tot een object herleiden. Zo verliezen beiden op dat moment hun subject-zijn, en zijn ze voor elkaar tot objecten geworden.

Sartre gelooft niet in de liefde. De sterkste persoonlijkheid zal altijd de ander domineren, in zijn macht gevangen houden, waardoor de ander tot ding of instrument herleid wordt.

Dit tot ‘ding’  herleiden gebeurt bij uitstek op twee manieren : door de blik en het oordeel.

De blik: de ‘pornografisch blik’ , de ‘betrappende blik’. Enz…

Het oordeel:  Iemand vastspijkeren op zijn anders-zijn, hij is jood, neger, homo enz..

Als men zo denkt kan Sartre ook niets anders dan God verwerpen. God kan niet bestaan, God mag niet bestaan, als God bestaat is de mens niet vrij, zegt hij.

Een God aanvaarden betekent voor hem, door iemand (een god) tot object worden herleid. Iemand die gelooft moet geboden onderhouden. Als ik dat doe, verlies ik mijn vrijheid en leef ikzelf niet meer, maar laat ik me leven. Opdat een mens vrij zou zijn;, moet hij elke band met een opperwezen verloochenen, om zelf zijn leven in handen te geven.

Deze visie van Sartre spruit voort uit zijn opvoeding. Sartre is opgegroeid in een milieu, waar hij de slechtheid heeft leren kennen. Drugs, alcohol, verraad, overspel enz.. Dit heeft hem getekend. Als je in je leven niets anders dan slechtheid hebt gekend, hoe kun je dan nog een geloof hebben in de goedheid van de mens. En het geloof in de mens is een voorwaarde tot Godsgeloof. Wat hij zegt is waar, het bestaat. Mensen kunnen voor elkaar de hel zijn. We leven in een wereld waar de hel voortdurend dichtbij is. Irak, Afrika, maar ook bij ons. Armoede, drugs, depressies, zich aan zijn lot overgelaten voelen. Niemand meer hebben om eens mee te praten, ouderen die vereenzamen in bejaardentehuizen, door iedereen in de steek gelaten, kinderen die mishandeld en misbruikt worden, kinderarbeid, prostitutie enz… Dit is een reële wereld, maar Sartre heeft  het mis, wanneer hij stelt dat dit altijd , in elke situatie en overal zo is.

Ook de hemel is een realiteit, we kunnen zeker ook voor de ander een stukje hemel zijn. Liefde bestaat echt. En godsdienst maakt de mens niet noodzakelijk tot een object. Christus is voor een christen juist ‘de meest vrije mens’, en zo zou ook een christen moeten zijn. Geboden en voorschriften zijn niet noodzakelijk een beperking van onze vrijheid, maar zijn juist een garantie om ons vrij te kunnen voelen. Natuurlijk, teveel geboden, teveel inmenging van de kerkelijke overheid (denken we aan de uitspraken van de pausen in morele kwesties) kan als een beperking van onze vrijheid aangevoeld worden. Vandaar dat de orthodoxie niet aan systematisch moraal doet. De mens is een vrij wezen, en hijzelf moet in eer en geweten over zijn handelen oordelen. Alleen tegenover God hebben we verantwoording af te leggen. En we weten dat de mens zwak en zondig is ( maar wat is zonde ? – voor mij is elke daad tegen de liefde voor onze medemens zonde). Met welk recht gaan we over anderen oordelen ?

Christus maakt ons vrij, Hij leert ons te beminnen. Dit kan ook voor een ongelovige een realiteit zijn, en voorbeelden hiervan zijn ons bekend. Ook Sartre zou naar het einde van zijn leven toe een kleine copernicaanse zwenking hebben gemaakt. Hij was lid van de communistische partij, maar toen hij zag wat de russen hadden aangericht in Budapest in 1956, was de maat vol. Zoiets kan men mensen niet aandoen. Sartre wordt de spreekbuis van de vervolgden. Dit is een kleine maar belangrijke koerswijziging. Of hij daarmee zijn vroegere ideeën heeft gecorrigeerd blijft te betwijfelen.

+++++++++++++++++

Tot slot wil ik,  met een dialoog uit Ingmar Bergman’s film ‘Als in een wazige spiegel’ proberen aan te tonen, dat een andere visie en houding mogelijk is, zelfs in een gebroken wereld.

In die film heeft Bergman het over een gesprek dat Minus heeft met zijn vader David, nadat hij de crisis van godsdienstwaanzin van zijn zus heeft meegemaakt

 Minus :

Toen ik daar in het wrak zat en Karin in mijn

armen hield, toen brak de werkelijkheid, begrijp

je wat ik bedoel ?

David:

Dat begrijp ik wel.

Minus :

De werkelijkheid brak en ik rolde eruit.

Dat is net als in een droom, maar het is echt.

Alles kan gebeuren – alles, vader !

David:

Ja, dat weet ik wel.

Minus:

Dat maakt mij zo bang dat ik ’t wel kan schreeuwen.

David:

Kom eens hier ! (hij raakt Minus’hand aan en ze

lopen zo samen op het strand…zwijgend…..

Dan slaat David zijn arm om de schouder van

Minus.

Minus:

Ik kan met dit nieuwe niet leven, vader.

David:

Jawel, dat kun je wel.

Maar je moet iets hebben om je aan vast te houden.

Minus:

Wat zou dat moeten zijn. Een God ?

Een God in de gedaante van een spin, zoals de god

van Karin ?

Of een onzichtbare heerser, ergens in het donker ?

Nee, dat kan niet.

Stilte

Minus:

Nee, vader. Dat kan niet. God bestaat niet in mijn

wereld.

Stilte (ze lopen langs het water)

Minus:

Geef mij een bewijs dat God bestaat.

Stilte

Minus:

Dat kun je niet.

David:

Dat kan wel

Maar nu moet je goed luisteren naar wat ik zeg,

Minus.

Minus:

Dat moet ik wel vader.

David:

Er staat geschreven: God is Liefde.

Minus:

Voor mij zijn dat alleen maar holle woorden.

David:

Wacht nu eens even, je moet mij niet in de rede

vallen.

(Ze zijn bij een laag, zanderig uitsteeksel gekomen

dat bijna onmerkbaar afhelt naar het water. Het

lijkt alsof ze midden in al het wit van de zee staan,

met al het wit van de zomerhemel boven hun

hoofden, alsof ze opgesloten zijn in een stolp van

melkkleurig glas. Oneindig kleine wezens in al dit

wazige stille wit).

David:

Ik wil je alleen maar een vaag idee geven van wat

ik zelf verwacht.

Minus:

En dat is Gods Liefde ?

David:

Het is de wetenschap dat liefde in de wereld van de

mensen bestaat als iets reëels.

Minus:

En het is natuurlijk een bijzondere soort liefde die

bedoeld wordt.

David :

Alle soorten liefde, Minus.

De hoogste en de laagste, de armste en de rijkste,

de belangrijkste en de schoonste. De waanzinnige

of de cynische. Alle soorten liefde.

Minus:

(zacht) Verlangen naar liefde.

David:

Verlangen en verloochening. Achterdocht en

vertrouwen.

Minus:

Dus de liefde zou het bewijs zijn ?

David:

We kunnen niet weten of de liefde Gods bestaan

bewijst, of dat de liefde God zelf is.

Maar het doet er ook niet zoveel toe.

Minus:

Voor jou zijn liefde en God hetzelfde ?

David:

Die gedachte helpt mij in mijn leegheid en in

mijn smerige wanhoop.

(zwijgt)

Minus:

Zeg nog wat vader !

David:

Plotseling verandert leegheid in rijkdom

en wanhoop in leven.

Het is net alsof je gratie krijgt, Minus,

alsof je gratie krijgt nadat je tot de doodstraf

veroordeeld bent.

Minus:

Dat klinkt allemaal vreselijk onwerkelijk, vader.

Maar ik geloof wel dat je meent wat je zegt.

Ik beef over mijn lichaam. Vader.

David:

Ja.

Minus:

Als het zo is als jij zegt,

dan zou Karin omgeven zijn door God, omdat

wij van haar houden ?

David,  Ja.

Minus:

Kan dat haar helpen ?

David:

Dat geloof ik zeker…..

(Ingmar Bergman, Filmtrilogie, Bruna, Utrecht, 1965, pp.74-75)

(Kris Biesbroeck Leuven 1969)