
Augustinus met zijn moeder, de Heilige Monika
Het tijdstip waarop de zielen van de goeden en de slechten van het lichaam worden gescheiden, moeten we zeggen dat het na de dood is, of liever in de dood? Als het na de dood is, dan is het niet de dood die goed of kwaad is, aangezien de dood voorbij is, maar het is het leven dat de ziel nu is binnengegaan. De dood was een kwaad toen het aanwezig was, dat wil zeggen, toen het werd ondergaan door de stervenden; want voor hen bracht het een zware en pijnlijke ervaring met zich mee, waar de goeden goed gebruik van maken. Maar als de dood voorbij is, hoe kan dat wat niet meer is, goed of slecht zijn? En verder, als we de zaak nader onderzoeken, zullen we zien dat zelfs die pijnlijke en pijnlijke pijn die de stervende ervaart, niet de dood zelf is. Want zolang ze nog enige gewaarwording hebben, zijn ze zeker nog in leven; en als ze nog in leven zijn, moet er eerder gezegd worden dat ze zich in een staat bevinden voorafgaand aan de dood dan in de dood. Want als de dood daadwerkelijk komt, berooft het ons van alle lichamelijke gewaarwording, die, terwijl de dood nog maar nadert, pijnlijk is. En zo is het moeilijk uit te leggen hoe we van hen die nog niet dood zijn, maar in hun laatste en sterfelijke uiterste gepijnigd worden, spreken als zijnde in het artikel van de dood. Maar hoe kunnen we hen anders noemen dan stervende personen? Want wanneer de dood die ophanden was, werkelijk gekomen zal zijn, kunnen we hen niet langer stervend noemen, maar dood. Niemand sterft dus tenzij hij leeft; want zelfs hij die in het laatste uiterste van het leven is en, zoals we zeggen, de geest geeft, leeft nog. Dezelfde persoon sterft daarom tegelijk en leeft, maar nadert de dood, verlaat het leven; toch in het leven, omdat zijn geest nog in het lichaam verblijft; nog niet in de dood, omdat zijn geest het lichaam nog niet heeft verlaten. Maar als de mens, wanneer hij het verlaten heeft, zelfs dan niet in de dood is, maar na de dood, wie zal dan zeggen wanneer hij in de dood is? Aan de ene kant kan niemand stervende worden genoemd, als een mens niet tegelijkertijd stervend en levend kan zijn; en zolang de ziel in het lichaam is, kunnen we niet ontkennen dat hij leeft. Aan de andere kant, als de mens die de dood nadert eerder stervende wordt genoemd, weet ik niet wie er leeft.
HEILIGE AUGUSTINUS
Fragment uit : ‘De stad van God’De stad van God
