
O mijn God, laat mij, met dankzegging, gedenken en U Uw barmhartigheden aan mij belijden. Laat mijn beenderen bezaaid zijn met Uw liefde, en laten zij tot U zeggen: Wie is aan U gelijk, o Heer? Gij hebt mijn banden in tweeën verbroken, ik zal U het offer van dankzegging brengen. En hoe Gij ze hebt verbroken, zal Ik verklaren; en allen die U aanbidden, zullen, wanneer zij dit horen, zeggen: “Gezegend zij de Heer, in hemel en op aarde, groot en wonderbaar is Zijn naam.” Uw woorden waren in mijn hart blijven hangen en ik werd aan alle kanten door U omsloten. Van Uw eeuwig leven was ik nu zeker, hoewel ik het zag in een beeld en als door een spiegel. Toch twijfelde ik er niet meer aan dat er een onvergankelijke substantie was, waaruit alle andere substantie voortkwam; en ik verlangde er nu niet naar om zekerder van U te zijn, maar standvastiger in U. Maar voor mijn tijdelijke leven was alles wankel en moest mijn hart worden gezuiverd van het oude zuurdesem. De Weg, de Heiland Zelf, behaagde mij wel, maar tot nu toe deinsde ik ervoor terug om door de benauwdheid ervan te gaan. En Gij hebt mij in het gemoed gesteld, en het leek mij goed om naar Simplicianus te gaan, die mij een goede dienaar van U leek; en Uw genade scheen in hem. Ik had ook gehoord dat hij vanaf zijn jeugd zeer toegewijd aan U had geleefd. Nu was hij al jarend; en vanwege zo’n hoge leeftijd, doorgebracht in zo’n ijverige volging van Uw wegen, leek het mij waarschijnlijk dat hij veel ervaring had opgedaan; En dat had hij gedaan. Uit welke voorraad ik wenste dat hij mij zou vertellen (terwijl hij hem mijn zorgen voorhield) welke de meest geschikte manier was voor iemand in mijn geval om op Uw paden te wandelen.
AUGUSTINUS
Uit : Belijdenissen
