
EERSTE BOEK
4.2 tot 4.5
Inleiding : Augustinus vangt zijn werk aan met een lofprijzing Gods. In het eerste boek spreekt hij over zijn kinderjaren en de tijd, die hij op school doorbracht; hij belijdt de zonden, die hij in deze tijd bedreef.
4.2 Hij wil God prijzen, door Hemzelf daartoe opgewekt. Groot zijt Gij, o Heere, en zeer te prijzen; groot is Uw kracht en Uw verstand is geen getal. En de mens wil U prijzen, de mens, een deel Uwer schepping; ja de mens, ofschoon hij zijn sterfelijkheid in zich omdraagt en de getuigenis van zijn zonde en de getuigenis, dat Gij de hovaardige weerstaat: toch wil de mens, een deel Uwer schepping, U prijzen. Gij wekt hem er toe op, dat het zijn lust is U te loven, want Gij hebt ons geschapen tot U en ons hart is onrustig, totdat het rust vindt in U. Laat mij, Heere, weten en inzien, wat voorafgaat: U aan te roepen ofU te prijzen, en of U te kennen voorafgaat, of U aan te roepen. Maar wie roept U aan, wanneer hij U niet kent? Want in zijn onwetendheid kan hij in plaats van het een wezen een ander aanroepen. Of wordt Gij veeleer aangeroepen, opdat Gij gekend wordt? Hoe zullen zij dan hem aanroepen, in welke zij niet geloofd hebben? Of hoe geloven zij, zonder die hun predikt? (Rom. 10:14) En zij zullen de Heere prijzen, die Hem zoeken. Want wie Hem zoeken, vinden Hem en wie Hem vinden, zullen Hem prijzen. Laat me U zoeken, Heere, terwijl ik U aanroep en U aanroepen, terwijl ik in U geloof; want U bent ons verkondigd. U roept aan, o Heere, mijn geloof, dat Gij mij geschonken hebt, dat Gij in mij hebt gewekt door de menswording van Uw Zoon, door de dienst van Uw verkondiger.
4.3 God, die hij aanroept, is in hem, en hij in God. En hoe zal ik mijn God aanroepen, mijn God en mijn Heer, daar ik Hem immers in mij roep, wanneer ik Hem aanroep? En welke plaats is in mij, dat mijn God daarheen in mij zou komen? Dat mijn God daarheen zou komen in mij, God, die de hemel en de aarde gemaakt heeft? Ja, Heere mijn God, is er iets in mij, dat U zou kunnen bevatten? Kunnen dan de hemel en de aarde, die Gij gemaakt hebt en in welke Gij mij gemaakt hebt, U bevatten? Of kan daarom al wat is, U bevatten, omdat zonder U niet zijn zou, wat is? En daar nu ook ik ben, waartoe vraag ik dan, dat Gij komt in mij, die niet zijn zou, wanneer Gij niet in mij waart? Want ik ben toch niet de hel,3 en toch bent Gij ook daar. Want bedde ik mij in de hel, U bent daar. (Ps. 139:8) Ik zou dus niet zijn, mijn God, ik zou geheel niet zijn, wanneer Gij niet in mij waart. Of is het zo, dat ik niet zijn zou, indien ik niet was in U, uit wie alles is, door wie alles is en in wie alles is? Ja ook zo is het,
2 De korte inhoud van ieder hoofdstuk en de subkopjes zijn door de vertaler ingevoegd 3 Volgens andere lezing: ‘in de hel’.
25 Heer; ook zo. Waarheen roep ik U dan, daar ik in U ben? Of vanwaar zou Gijkomen in mij? Want waar zou ik gaan buiten hemel en aarde, dat vandaar in mij zou komen mijn God, die gezegd heeft: “Ik vervul hemel en aarde?” (Jer. 23:24)
4.4 God is overal, maar niets kan Hem geheel bevatten. Bevatten U dan hemel en aarde, daar U ze vervult? Of vervult U ze, maar slecht met een deel van Uw wezen, omdat ze U niet bevatten kunnen? En waarheen doet U stromen dat deel van Uw wezen, dat hemel en aarde, wanneer ze van U vervuld zijn, niet bevatten kunnen? Of hebt U niet van node, dat U door iets wordt bevat, Gij, die alles bevat, daar U al, wat U vervult, vervult door het te bevatten? Want geen vaten, die vol zijn van U, geven U vastheid, omdat, ook al zouden zij breken, U niet wordt uitgestort. En wanneer Gij Uitgestort wordt over ons, dan ligt niet U terneer, maar ons richt U op, en niet U wordt verstrooid; maar ons verzamelt U. Maar alle dingen, die U vervult, die alle vervult U met geheel Uw wezen. Of omdat alle dingen niet geheel Uw wezen kunnen bevatten, bevatten ze daarom een deel van U en bevat alles tegelijkertijd hetzelfde deel? Of bevat ieder ding een bijzonder deel, de grotere dingen een groter en de kleinere een kleiner? Bestaat er dus een deel van U, dat groter en een ander deel, dat kleiner is? Of bent U overal geheel en bevat geen enkel ding U in Uw geheel?
4.5 Gods majesteit en volmaaktheid. Wat is dan mijn God? Wat, vraag ik, anders dan God, de Heere? Want wie is de Heere, behalve de Heere? Of wie is God, behalve onze God? (Vgl. Ps. 18:32) O U allerhoogste, beste, machtigste, almachtigste, barmhartige en rechtvaardigste, meest verborgene en toch alomtegenwoordige, schoonste en sterkste, standvastige en toch ongrijpbare, onveranderlijke en alles veranderend, nimmer nieuw, nimmer oud, alles vernieuwend; die de hovaardige doet verouderen en ze weten het niet; altijd werkend, altijd rustig, vergaderend en toch nietnooddruftig, dragend en vervullend en beschermend, scheppend en voedend en voleindigend, zoekend, hoewel U niets ontbreekt. U bemint, maar zonder hartstocht, U ijvert, maar bent kommerloos, het berouwt U en U bent zonder smart, U toornt en bent ongeschokt, Uw werken verandert Gij, maar U verandert niet Uw raadsbesluit; U neemt aan, wat U vindt, maar nooit verloren hebt; U bent nooit iets behoevende, maar verheugt U in gewin, nooit gierig, maar toch eist U woeker. Meer dan het verschuldigde wordt U betaald, zodat U tot schuldenaar wordt, en toch wie bezit iets, dat niet het Uw is? U betaalt schulden, hoewel Gen. niemand iets schuldig bent, U scheldt kwijt, zonder dat U verliest. En wat betekenen onze woorden, mijn God, mijn leven, mijn heilige verheugenis; of wat zegt men, wanneer men spreekt van U? En toch wee degenen, die zwijgen van U, waar zij, rijk aan woorden, gelijk stommen zijn.
Bron : https://theologienet.nl/Auustinus-belijdenissen. pdf
[Vertaling uit hetLatijn :Dr.A.Sizoo
Uitgever : Naamloze Venorschap W.D.Weinemz, Delft]
