Augustinus : fragment uit “De stad van God” :- Van de mens Jezus, de middelaar tussen God en de mensen….

Van de mens Christus Jezus, de Middelaar tussen God en mensen .

Maar als het, zoals veel waarschijnlijker en geloofwaardiger is, noodzakelijkerwijs zo moet zijn dat alle mensen, zolang ze sterfelijk zijn, ook ellendig zijn, moeten we een tussenpersoon zoeken die niet alleen mens is, maar ook God, zodat Hij, door de tussenkomst van Zijn gezegende sterfelijkheid, mensen uit hun sterfelijke ellende kan brengen tot een gezegende onsterfelijkheid. In deze tussenpersoon zijn twee dingen vereist, dat Hij sterfelijk werd en dat Hij niet sterfelijk blijft. Hij werd sterfelijk, door de goddelijkheid van het Woord niet zwak te maken, maar de zwakheid van het vlees aan te nemen. Ook bleef Hij niet sterfelijk in het vlees, maar wekte het op uit de dood; want het is de vrucht van Zijn bemiddeling zelf dat zij, ter wille van wier verlossing Hij de Middelaar werd,[Blz. 370] niet eeuwig in de lichamelijke dood zou verblijven. Daarom werd het de Middelaar tussen ons en God om zowel een voorbijgaande sterfelijkheid als een blijvende zaligheid te hebben, zodat Hij door dat wat voorbijgaand is, geassimileerd zou kunnen worden met stervelingen en hen zou kunnen overbrengen van sterfelijkheid naar dat wat blijvend is. Goede engelen kunnen daarom niet bemiddelen tussen ellendige stervelingen en gezegende onsterfelijken, want zij zijn zelf ook zowel gezegend als onsterfelijk; maar kwade engelen kunnen bemiddelen, omdat zij onsterfelijk zijn als de ene partij, ellendig als de andere. Tegenover hen staat de goede Middelaar, die, in tegenstelling tot hun onsterfelijkheid en ellende, ervoor heeft gekozen om voor een tijd sterfelijk te zijn en in staat is geweest om in eeuwigheid gezegend te blijven. Zo heeft Hij door de nederigheid van Zijn dood en de goedheid van Zijn zaligheid de trotse onsterfelijken en de schadelijke ellendelingen vernietigd en hen ervan weerhouden om door hun pochen over hun onsterfelijkheid de mensen tot ellende te verleiden, wier harten Hij door het geloof heeft gereinigd en die Hij aldus heeft bevrijd van hun onzuivere heerschappij.

De mens, sterfelijk en ellendig, en ver verwijderd van het onsterfelijke en het gezegende, welk medium zal hij dan kiezen waardoor hij verenigd kan worden met onsterfelijkheid en zaligheid? De onsterfelijkheid van de demonen, die enige charme voor de mens zou kunnen hebben, is ellendig; de sterfelijkheid van Christus, die de mens zou kunnen beledigen, bestaat niet langer. In de ene is er de angst voor een eeuwige ellende; in de andere kan de dood, die niet eeuwig kan zijn, niet langer gevreesd worden, en zaligheid, die eeuwig is, moet bemind worden. Want de onsterfelijke en ellendige bemiddelaar plaatst zichzelf tussenbeide om ons te beletten over te gaan naar een gezegende onsterfelijkheid, omdat datgene wat zo’n doorgang belemmert, namelijk ellende, in hem voortduurt; maar de sterfelijke en gezegende Middelaar plaatste Zichzelf tussenbeide, opdat Hij, na door de sterfelijkheid te zijn gegaan, van stervelingen onsterfelijken zou kunnen maken (zijn macht om dit te doen tonend in Zijn eigen opstanding), en van ellendig te zijn hen tot het gezegende gezelschap zou kunnen verheffen uit het aantal van wie Hij Zelf nooit was weggegaan. Er is dus een slechte Middelaar, die vrienden scheidt, en een goede Middelaar, die vijanden verzoent. En zij die scheiden zijn talrijk, omdat de menigte van de gezegenden alleen gezegend wordt door hun deelname aan de ene God; van wie[Blz. 371] deelname van de boze engelen beroofd, zijn ze ellendig, en treden ze op om te verhinderen in plaats van te helpen tot deze zaligheid, en door hun aantal verhinderen ze ons om dat ene zalige goed te bereiken, om te verkrijgen dat we niet velen nodig hebben maar één Middelaar, het ongeschapen Woord van God, door wie alle dingen zijn gemaakt, en in wiens deelname we gezegend zijn. Ik zeg niet dat Hij Middelaar is omdat Hij het Woord is, want als het Woord is Hij oppermachtig gezegend en oppermachtig onsterfelijk, en daarom ver van ellendige stervelingen; maar Hij is Middelaar zoals Hij mens is, want door Zijn menselijkheid laat Hij ons zien dat, om dat gezegende en zalige goed te verkrijgen, we geen andere middelaars hoeven te zoeken om ons door de opeenvolgende stappen van deze verwezenlijking te leiden, maar dat de gezegende en zalige God, die Zelf een deelgenoot is geworden van onze menselijkheid, ons gemakkelijke toegang heeft verleend tot de deelname van Zijn goddelijkheid. Want door ons te verlossen van onze sterfelijkheid en ellende, leidt Hij ons niet naar de onsterfelijke en gezegende engelen, zodat wij onsterfelijk en gezegend zouden worden door deel te nemen aan hun natuur, maar Hij leidt ons rechtstreeks naar die Drie-eenheid, door deel te nemen waaraan de engelen zelf gezegend zijn. Daarom, toen Hij ervoor koos om in de vorm van een dienaar te zijn, en lager dan de engelen, zodat Hij onze Middelaar zou kunnen zijn, bleef Hij hoger dan de engelen, in de vorm van God,—Hijzelf tegelijk de weg van het leven op aarde en het leven zelf in de hemel.

Fragment uit : Augustinus : De stad van God  “van de mens Christus Jezus, de middelaar tussen God en mens”

Auteur: Krisbiesbroeck

Christiaan Biesbroeck Licentiaat Theologie/filosofie

Plaats een reactie