
“Twee kluizenaars leefden vele jaren samen zonder ruzie. De een zei tegen de ander: ‘Laten we ruzie met elkaar maken, zoals de gewoonte is onder mensen.’ De ander antwoordde: ‘Ik weet niet hoe ruzie ontstaat.’ De eerste zei: ‘Kijk hier, ik leg een steen tussen ons in en ik zeg: Die is van mij. Dan zeg jij: Nee, die is van mij. Zo begin je ruzie.’ Dus legden ze een steen tussen hen in en de een zei: ‘Die is van mij.’ De ander zei: ‘Nee, die is van mij.’ Hij antwoordde: ‘Ja, die is van jou. Neem hem mee.’ Ze konden niet met elkaar ruziemaken.26”
Bron :― Benedicta Ward, De woestijnvaders: uitspraken van de vroegchristelijke monniken
