++++++++++++
St. Augustinus zegt dat je inderdaad het goede krijgt waar je om vraagt, maar dat goede dat van God komt, is je vermogen en verlangen om goed te doen met wat je gegeven wordt. Terwijl wat u van de wereld hebt, afneemt, neemt uw gerechtigheid toe.

Het Goede dat goed maakt is God. Want niemand kan de mens goed maken, behalve Hij die eeuwig Goed is. Daarom, opdat je goed kunt zijn, roep God aan. Maar er is nog een goed waardoor je goed kunt doen, en dat is, wat je ook bezit. Er is goud, er is zilver; ze zijn goed, niet zulke die je goed kunnen maken, maar waardoor je goed kunt doen. Je hebt goud en zilver, en je verlangt naar meer goud en zilver. Je hebt en verlangt ernaar; je bent tegelijk vol en dorstig. Dit is een ziekte, geen weelde. Wanneer mensen waterzucht hebben, zijn ze vol water, en toch zijn ze altijd dorstig. Ze zijn vol water, en toch dorsten ze naar water. Hoe kun je dan genoegen scheppen in weelde, die daardoor dit waterzuchtige verlangen heeft? Goud heb je dan, het is goed; toch hebt gij niet waardoor gij goed gemaakt kunt worden, maar waardoor gij goed kunt doen. Vraagt gij, Wat goed kan ik met goud doen? Hebt gij niet in de Psalm gehoord, “Hij heeft uitgedeeld, hij heeft aan de armen gegeven, zijn gerechtigheid blijft voor eeuwig.” Dit is goed, dit is het goede waardoor gij goed gemaakt wordt; gerechtigheid. Als gij het goede hebt waardoor gij goed gemaakt wordt, doe dan goed met dat goede dat u niet goed kan maken. Gij hebt geld, deel het vrij uit. Door het vrij uit te delen, vermeerdert gij de gerechtigheid. “Want hij heeft uitgedeeld, heeft uitgedeeld, heeft aan de armen gegeven; zijn gerechtigheid blijft voor eeuwig.” Zie wat verminderd is en wat toegenomen. Uw geld is verminderd, uw gerechtigheid is toegenomen. Dat is verminderd wat gij spoedig zult verliezen, dat verminderd wat gij spoedig achter u zult hebben gelaten; dat toegenomen wat gij voor eeuwig zult bezitten.
Augustinus, Sermon 10 over het Nieuwe Testament
