Augustinus voor mensen van nu
Tien belangrijke uitspraken van kerkvader Augustinus
Hans Alderlieste
Afbeelding: Ary Scheffer, Saints Augustine and Monica, 1854, Oil on canvas, 135.2 x 104.8 cm, National Gallery London
++++++++++
Kerkvader Augustinus van Hippo (354-430) is nog altijd een veelgeciteerd en veelgelezen filosoof en theoloog. Grote invloed oefende hij uit op de westerse filosofie en op de katholieke en protestantse theologie. Zijn ideeën over universele thema’s als gerechtigheid, liefde en waarheid zijn nog altijd bruikbaar. Welke uitspraken van Augustinus móet je kennen? In dit artikel bespreek ik tien uitspraken van Augustinus. Ik geef de uitspraken weer in het origineel en in een aansprekende vertaling. In een vogelvlucht door Augustinus’ leven en denke
- Heb lief en doe wat je wilt.
Origineel: ‘semel ergo breve praeceptum tibi praecipitur dilige et quod vis fac sive taceas dilectione taceas sive clames dilectione clames sive emendes dilectione emendes sive parcas dilectione parcas radix sit intus dilectionis non potest de ista radice nisi bonum existere’ (In Epistolam Joannis ad Parthos, tractatus 7, sect. 8)
Vertaling: ‘Bemin en doe dan wat je wilt: wil je zwijgen, zwijg uit liefde, wil je schreeuwen, schreeuw uit liefde, wil je corrigeren, doe het uit liefde, wil je vergeven, vergeef uit liefde. Draag de bron van liefde in je hart, want uit liefde kan alleen het goede voortkomen.’ (vertaling Tars van Bavel, 1992)
Geloof, hoop en liefde. Een christelijke drie-eenheid, waarover de apostel Paulus zegt dat liefde de belangrijkste is. In Augustinus’ leven en werk speelt liefde een belangrijke rol, zij het op verschillende manieren. Als tiener en twintiger was hij op zoek naar liefde, maar op een manier die geen werkelijke bevrediging kon geven. Al die tijd maakte zijn moeder Monnica zich grote zorgen over haar zoon; ze bleef van hem houden, bad voor hem, reisde hem achterna. Augustinus zou eerst dertig moeten worden alvorens hij tot inkeer kwam. Ware liefde, zo ontdekte Augustinus, richt zich op de ander.
Over die liefde heeft de Tsjechische priester Tomáš Halík (*1948) een mooi boek geschreven: ‘Ik wil dat jij bent.’ Hij schrijft deze uitspraak aan Augustinus toe – hoewel deze nergens in zijn oeuvre wordt aangetroffen. Echter, waar God liefde geeft, gaat de mens God liefhebben, en de mensen om zich heen. Het tegenovergestelde van liefde is geen haat, maar egoïsme. Bij alles wat je doet is het belangrijk, aldus Augustinus, om lief te hebben: het werk, de mensen om je heen, de wereld. Liefde is de bron van het goede, omdat God liefde is. Vanuit die bron mag je doen wat je wilt, zoals de reformator Maarten Luther (1483-1546) later zou zeggen: zondig dapper maar geloof dapperder.
2.Mensen hebben nauwelijks aandacht voor zichzelf.
Origineel: ‘et eunt homines mirari alta montium et ingentes fluctus maris et latissimos lapsus fluminum et oceani ambitum et gyros siderum et relinquunt se ipsos, nec mirantur, quod haec omnia cum dicerem, non ea videbam oculis, nec tamen dicerem nisi montes et fluctus et flumina et sidera quae vidi et oceanum quem credidi, intus in memoria mea viderem spatiis tam ingentibus quasi foris viderem’ (Confessiones, X, 8)
Vertaling: ‘En dan gaan mensen erop uit om met verbazing te kijken naar hoge bergtoppen, naar de machtige golven van de zee, naar de brede stromen van de rivieren, de wijdheid van de oceaan en de banen van de gesternten, maar voor zichzelf hebben ze geen aandacht en het maakt hun verbazing niet gaande dat ik bij het noemen van al deze dingen ze niet met mijn ogen zag, terwijl ik ze toch niet genoemd zou hebben indien ik de bergen, golven, rivieren en gesternten, die ik gezien heb, en de oceaan, waar ik door geloven van weet, niet binnen mij, in mijn geheugen had gezien, over even enorme ruimten uitgestrekt als had ik ze buiten mij gezien.’ (vertaling Gerard Wijdeveld, 1997)
Augustinus is een meester in zelfreflectie. In de Belijdenissen daalt hij diep in zichzelf af. Hij onderzoekt zijn verleden en bevraagt zichzelf kritisch op zijn motieven. Het credo van de Griekse filosofie was ‘Ken uzelf’. De zoektocht naar de waarheid kent een beweging naar binnen. Augustinus komt er voor zichzelf echter achter dat hij voor zichzelf een raadsel is, een vraag, een mysterie. Het menselijk bestaan is zo divers, zo omvangrijk en ergens ook zo mysterieus, dat we het nooit in alle facetten zullen leren kennen. Armzalig zij, in Augustinus’ ogen, die niet eens de moeite nemen zichzelf onder handen nemen. Mensen die zichzelf niet tot gezelschap kunnen zijn, al is dat misschien een andere categorie. Het ontbreekt ons niet zozeer aan antwoorden, maar aan vragen. Durf je jezelf existentiële vragen te stellen: wie ben ik, waar kom ik vandaan, waar ga ik heen? In zijn beschouwing van zichzelf jubelt Augustinus het uit: wonderlijk ben ik, mooi gevormd, de mens is een kroonjuweel van de schepping. Geschapen naar Gods beeld (imago Dei) waar in weerwil van de val nog vonken van het goddelijke in zijn overgebleven. Wie in de beschouwing en in het genieten van de wereld zichzelf overslaat, die mist heel veel, zo meent Augustinus. Men kan wereldwonderen bezoeken en bewonderen, maar heb je al ontdekt dat je eigen bestaan een wonder is?
- Heb de zondaar lief, maar haat de zonde.
Origineel: ‘et hoc quod dixi de oculo non figendo etiam in ceteris inveniendis prohibendis indicandis convincendis vindicandisque peccatis diligenter et fideliter observetur cum dilectione hominum et odio vitiorum’ (Regula Sancti Augustini, IV-10)
Vertaling: ‘Wat ik gezegd heb over het begerig kijken naar vrouwen, geldt ook voor alle andere zonden. Dezelfde gedragslijn moet u nauwgezet en trouw volgen bij het ontdekken, het verhinderen, het aan het licht brengen, het bewijzen en het bestraffen van andere fouten; wel met liefde voor de mensen, maar met afkeer van hun fouten.’ (vertaling Tars van Bavel, 1982)
Augustinus schreef, net als andere stichters van kloosters, zoals Benedictus van Nursia (480-547), een kloosterregel: een handboekje waarin hij beschreef hoe er in het klooster en in de leefgemeenschap volgens hem moest worden geleefde. Augustinus’ regel is er een op hoofdlijnen. Daar waar Benedictus uitgebreid ingaat op allerlei situaties en zich verliest in uitgebreide voorschriften, blijft Augustinus zijn nadruk op de liefde en appel voor verantwoordelijkheid. Hij schrijft geen maat voor het voedsel voor: een ieder moet zoveel eten als hij of zij behoeft. Bij fouten en overtredingen (‘zonden’) is Augustinus wel streng: die moeten met harde hand worden uitgeroeid.
Zonden zijn een kwaad (‘een gebrek aan het goede’), die de geestelijke hygiëne aantasten en een hele gemeenschap of samenleving kunnen vergiftigen. Ook hier aandacht voor de liefde: volgens Augustinus moeten we de zonde scheiden van de zondaar, ofwel de mens van zijn daden, het gedrag loszien van de persoonlijkheid. De zonde haten en de zondaar liefhebben; een bruikbaar Augustijns inzicht, dat nog altijd in opvoedsituaties maar ook breder op het werk en in de samenleving kan worden toegepast. We leren hier van Augustinus dat we zonde ook zonde mogen noemen: niet alleen zíen, maar ook (in liefde) aanwijzen, met het oog op de gewenste verbetering van levensstijl en als doel het samenleven werkbaar en aangenaam te laten zijn.
Augustinus voor mensen van nu (2019)
- Als iemand vraagt wat de tijd is, weet ik het niet.
Origineel: ‘quid est ergo tempus si nemo ex me quaerat scio si quaerenti explicare velim nescio fidenter tamen dico scire me quod si nihil praeteriret non esset praeteritum tempus et si nihil adveniret non esset futurum tempus et si nihil esset non esset praesens tempus’ (Confessiones XI, 14)
Vertaling: ‘Wat is dus de tijd? Wanneer maar niemand het me vraagt, weet ik het; wil ik het echter uitleggen aan iemand die het vraagt, dan weet ik het niet. Nochtans zeg ik zonder aarzelen dat ik dit weet: indien er niets voorbij zou gaan, zou er geen verleden tijd, indien er niets op komst zou zijn, zou er geen toekomstige tijd, indien er niets zou zijn, zou er geen tegenwoordige tijd zijn.’ (vertaling Gerard Wijdeveld, 1997)
Augustinus stelt meer vragen dan antwoorden, zo ontdekte ik. Hij hanteert een techniek van de antieke Griekse filosofen: doorvragen tot je de essentie raakt. Om er vervolgens achter te komen dat elk antwoord een wedervraag oproept. Augustinus probeert in zijn werken de wereld om zich heen rationeel te verklaren. ‘Wij zijn, wij weten dat wij zijn,’ schrijft hij ergens. Om eraan toe te voegen: ‘… en wij hebben dat zijn en dat weten lief.’ Liefde staat bij Augustinus hoger aangeschreven dan kennis. Augustinus is veel met het concept ‘tijd’ bezig geweest, ook met het klassieke onderscheid tussen chronos en kairos, de twee Griekse goden van de tijd. Chronos staat voor de tijd die voortschrijdt, de tijd die je kunt meten, kairos voor de tijdsbeleving, een welbepaald moment waarop iets (bijzonders) gebeurt, in moderne termen: een flow, of mindful moment. Augustinus denkt na over het verleden, het heden en de toekomst. Hij vindt het maar ingewikkeld en komt tot de conclusie dat er alleen een nu is, een heden van genade, dat zowel heel spiritueel als bevindelijk op te vatten is.
- Wij zijn de tijden.
Origineel: ‘ideo dicimus fratres orate quantum potestis abundant mala et deus uoluit ut abundarent mala utinam non abundarent mali et non abundarent mala mala tempora laboriosa tempora hoc dicunt homines bene uiuamus et bona sunt tempora nos sumus tempora quales sumus talia sunt tempora’ (Sermo 80, 8)
Vertaling: ‘En daarom zeg ik, broeders en zusters: bid zoveel u kunt. Er is een overvloed aan slechte dingen en dat heeft God zelf toegelaten. Was er maar geen overvloed aan slechte mensen, dan zou er ook geen overvloed zijn aan slechte dingen. Het zijn slechte tijden! Het zijn moeilijke tijden! Dat zeggen de mensen tenminste. Laten we liever goed leven, dan worden de tijden vanzelf goed. Wij zijn de tijden. Zoals wij zijn, zo zijn de tijden.’ (vertaling Joost van Neer et all.; 2004)
Als bisschop van de Afrikaanse havenstad Hippo Regius, het huidige Annaba in Algerije, heeft Augustinus honderden preken gehouden. Deze preken hadden waarschijnlijk een interactief karakter – bezoekers liepen in en uit, stelden tussendoor vragen of lieten luidkeels weten zich er niet in te kunnen vinden. In dit preekfragment (Sermo 80) is dat zichtbaar. ‘Het zijn slechte tijden!’ roept iemand. Waarop Augustinus koel reageert: ‘Dat zeggen de mensen tenminste.’ Een ander: ‘Het zijn moeilijke tijden!’ Augustinus geeft er een geniale draai aan – hij was tenslotte opgeleid in de retorica. Je kunt het kwaad en slechte of moeilijke dingen búiten jezelf situeren. Dat is de makkelijke weg. Het kwaad, dat bevindt zich buiten mij. Hetzelfde geldt voor de tijd waarin we leven: gaat dat buiten ons om?
Augustinus kiest de weg naar binnen, die van introspectie en verootmoediging. Wat als het kwaad ín ons huist? En ten aanzien van de tijd: wij ondergaan niet alleen maar, wij zíjn tijd. Wij zijn de tijden. Zeggen dat we in slechte tijden leven, betekent dus zeggen dat wij slecht zijn. Nu is dat een ander aspect uit Augustinus denken, namelijk dat wij door te kiezen voor de zonde het kwaad hebben toegelaten in de wereld en in ons leven. Als wij de tijden zijn en wij ons inzetten voor het goede, wil Augustinus maar zeggen, dan kunnen wij er iets aan doen om de tijden beter te maken. Een inzicht dat velen heeft geïnspireerd – het was een van de motto’s waardoor oud-premier wijlen Ruud Lubbers zich liet inspireren.
Lees verder “Augustinus : 10 belangrijke uitspraken van Kerkvader Augustinus…”