
Dietrich
BONHOEFFER
(1906-1945)
“Bonhoeffer is de enige grote twintigste eeuwse Duitse theoloog, die men in deeenentwintigste eeuw nog de moeite van hetlezen waard zal vinden”
Dorothee Sölle

- BIOGRAFISCHE GEGEVENS1
Op 6 april 1945 stierf Dietrich Bonhoeffer in het concentratiekamp van Flossenbürg. Twee
jaar lang zat hij gevangen, de laatste zes maanden in de gevangenis van de Gestapo in Berlijn. De kamparts die de executie meemaakte, zonder te weten wie Bonhoeffer was, schreef tien jaar later: “Op de morgen van de bedoelde dag, ongeveer tussen vijf en zes, werden de gevangenen uit hun cellen gehaald en werd hun het standrechterlijk vonnis voorgelezen. Door de halfopen deur van een kamer in de barakken zag ik, voordat hij zijn gevangeniskleding uittrok, pastor Bonhoeffer neergeknield in innig gebed met zijn God. De manier van bidden, zo vol overgave en zo zeker van verhoring, van deze buitengewoon sympathieke man heeft me zeer diep aangegrepen. Ook op de terrechtstellingsplaats zelf verrichtte hij nog een kort gebed en beklom toen moedig en kalm de trap naar de galg. De dood volgde na een paar seconden. Ik heb in mijn vijftig jaren als dokter zelden een man zo vol overgave aan God zien sterven.” Er is geen graf van hem bewaard. Alleen hangt op de muur van de kerk van Flossenbürg een gedenkplaat waarop geschreven staat: ‘Dietrich
Bonhoeffer, getuige van Jezus Christus’.
1.1. Van theoloog wordt Bonhoeffer een christen
Bonhoeffer werd te Breslau geboren op 6 februari 1906. Hij is afkomstig uit de hoge burgerij en van lutherse huize. Zijn vader is hoogleraar psychiatrie in Berlijn. Het gezin is gelovig maar niet erg praktizerend. Het geloof is geen echte persoonlijke keuze. Het behoort nu eenmaal tot de westerse beschaving. Een soort ‘cultuurchristendom’. Geen belijdend christendom, eerder vrijblijvend. Toch gaat hij theologie studeren, aanvankelijk met de bedoeling een academische carrière op te bouwen. Maar stilaan ontdekt hij hoezeer het evangelie hem persoonlijk begint te raken. Het wordt alsmaar minder vrijblijvend. Alsmaar concreter. Van theoloog wordt hij christen. In een brief van 1936 lezen we: “Toen kwam iets anders, iets dat mijn leven tot hiertoe veranderd en een andere richting gegeven heeft. Ik kwam voor het eerst in contact met de bijbel. Ik had al dikwijls gepreekt, ik had al veel van de kerk gezien, erover gesproken, – en toch was ik nog steeds geen christen geworden. Ik weet het, ik heb uit de zaak van Jezus Christus profijt voor mezelf getrokken. Ik smeek God dat dit nooit meer mag gebeuren. Ik had ook nog nooit of maar heel weinig gebeden. Ik was bij al mijn verlatenheid heel tevreden over mezelf. Daaruit heeft de bijbel mij bevrijd, en vooral de bergrede. Van toen af is alles anders geworden.”
1.2. Het nazisme, de kerk en de Ariërparagraaf
Op 30 januari 1933 wordt Hitler rijkskanselier van Duitsland. Het betekent een enorme verandering, ook voor de kerk, zowel de protestantse als de katholieke. Wel zegt Hitler in een redevoering op 23 maart van dat jaar : “De nationale regering ziet in de beide christelijke confessies de belangrijkste factoren voor het behoud van onze volksaard.” Op het eerste gezicht goed nieuws voor de kerken, maar feitelijk komt het hierop neer: ofwel een kerk die zich schaart achter het nationaal-socialisme ofwel geen kerk. De invoering van de Ariërparagraaf liegt er niet om: wie geen ariër is of met een niet-ariër is gehuwd, kan geen officieel ambt bekleden. Deze paragraaf geldt ook voor kerkelijke ambtsdragers. Door de invoering van deze paragraaf is Bonhoeffer van meetaf aan overtuigd van de radicale perversiteit van dat regime, ook al zal hij slechts geleidelijk zien waartoe het wérkelijk in staat is.
1.3. Bonhoeffer en de ‘Belijdende kerk’
Een gedeelte van de protestantse kerk schaart zich min of meer achter het nieuwe regime met zijn nieuwe orde. De enige manier om de staatsbezoldiging van predikanten en andere privileges te behouden. Maar er zijn er ook die weigeren en in het verzet gaan. Ze groeperen zich onder de naam ‘Belijdende Kerk’ (‘Bekennende Kirche’). Het is aan deze kerk dat Bonhoeffer zijn beste krachten zal wijden. Hij wordt er in 1935 verantwoordelijk voor de predikantenopleiding. Geen gemakkelijke taak, noch voor de rector, noch voor de studenten. Men gaat een onzekere toekomst tegemoet zonder privileges. Maar het zijn wel allemaal mensen die voor deze situatie kiezen. De opleiding behelst daarom ook méér dan alleen maar theologie. De toekomstige predikanten moeten niet alleen het geloof kennen; ze moeten allereerst christenen zijn. Wie is Christus voor ons nu? Wat is de kerk? Wat is een christen? Dat zijn de vragen waarrond alles draait. Het is in het seminarie van Finkenwalde
dat het boek ‘Navolging’ 2 ontstaat als antwoord op die vragen. Vanuit een lezing van de Bergrede gaat het boek over de vraag wat het concreet betekent christen te zijn in de jaren dertig in Duitsland.
Bonhoeffer is het niet altijd eens geweest met de standpunten van de Belijdende Kerk. Het sierde haar natuurlijk dat ze ook neen durfde zeggen tegen het regime. Maar was het werkelijk uit protest tegen de onmenselijkheid en perversiteit ervan of was het alleen uitprotest tegen onwettige inmenging van de staat in kerkelijke aangelegenheden? Was het echt om de joden te verdedigen of alleen maar uit zelfbehoud? Bonhoeffer vond dat ze in haar protest niet altijd waarachtig was. Hij had verder willen gaan. “Alleen wie het opneemt voor de joden heeft het recht Gregoriaans te zingen.”
1.4. De weigering van de vlucht
Vanaf 1938 wordt alles alsmaar duidelijker. Op 9 november is er de Kristallnacht. Op 20 april eist de Evangelische Kerk van haar ambtsdragers de eed van trouw aan de Führer. De Belijdende Kerk heeft de moed niet openlijk te weigeren. Dat jaar brengt voor Bonhoeffer nog een complicatie: de lichting 1906 zal onder de wapens geroepen worden. Voor hem is de dienst opnemen onder dat regime onmogelijk. Liever dan te provoceren, zoekt hij een andere oplossing. Langs bemiddeling van vrienden wordt hij uitgenodigd om gastcolleges te geven
in Amerika. Op 2 juni 1939 scheept hij in. Wat tijdens de reis een vermoeden is, wordt eenmaal in Amerika aangekomen een zekerheid. Op 20 juni besluit hij terug te keren. Een beslissing die hem uiteindelijk het leven zal kosten.
1.5 Aandeel in het verzet
Vanaf 1938 wordt alles alsmaar duidelijker. Op 9 november is er de Kristallnacht. Op 20 april eist de Evangelische Kerk van haar ambtsdragers de eed van trouw aan de Führer. De Belijdende Kerk heeft de moed niet openlijk te weigeren. Dat jaar brengt voor Bonhoeffer nog een complicatie: de lichting 1906 zal onder de wapens geroepen worden. Voor hem is de dienst opnemen onder dat regime onmogelijk. Liever dan te provoceren, zoekt hij een andere oplossing. Langs bemiddeling van vrienden wordt hij uitgenodigd om gastcolleges te geven
in Amerika. Op 2 juni 1939 scheept hij in. Wat tijdens de reis een vermoeden is, wordt eenmaal in Amerika aangekomen een zekerheid. Op 20 juni besluit hij terug te keren. Een beslissing die hem uiteindelijk het leven zal kosten.
1.6 ‘Verzet en overgave’
In de gevangenis schrijft Bonhoeffer brieven naar zijn ouders en naar zijn vriend Eberhard Betghe (1909-2000). Betghe was lid van de Belijdende Kerk en student bij Bonhoeffer in het predikantenseminarie. Hij huwde met Renate Schleicher, de dochter van Bonhoeffers zus. Na de oorlog heeft hij de brieven vezameld en uitgegeven onder de titel ‘Verzet en overgave’3 . Het is een pakkend menselijk document en het bevat aanzetten van echt visionaire theologische reflectie. Met deze gedachten inspireerde Bonhoeffer in de zestiger jaren heel wat moderne theologen.
- GEEN GOD-STOPLAP
In de gevangenisbrieven en vooral vanaf de brief van 30 april 1944 ontwikkelt Bonhoeffer nieuwe theologische gedachten. Samengevat gaat het hem om een ‘niet-religieuze interpretatie van de bijbelse begrippen in een mondige wereld’. Kort gezegd komt het hierop neer: Bonhoeffer gaat ervan uit dat de wereld, op alle terreinen, niet meer ‘religieus’ is, maar mondig en autonoom. Deze autonome wereld heeft de werkhypothese ‘God’ niet meer nodig. In zijn deelname aan het verzet tegen Hitler heeft Bonhoeffer concrete menselijke solidariteit beleefd, ook met niet-christenen. En dit in tegenstelling tot zijn ervaringen in de Bekennende Kirche, in wie hij gaandeweg ontgoocheld was geraakt omdat zij alleen gestreden had uit zelfbehoud. Deze ervaringen en zijn ervaringen in de gevangenis hebben zijn denken grondig beïnvloed.
2.1 Brieven uit de gevangenis
De brief van 30 april 19444
“Beste Eberhard,
Weer een maand voorbij; gaat de tijd voor jou ook zo razend snel? Ik sta er vaak verwonderd over. Wanneer komt de maand, dat wij twee elkaar weer ontmoeten? Het is of er iedere dag iets geweldigs kan gebeuren, iets dat de wereld en ons persoonlijk leven kan veranderen. Dat voel ik zo sterk dat ik je graag vaker zou willen schrijven. Je weet immers niet hoe lang het nog kan en vooral, je wilt zolang en zoveel mogelijk delen met een ander. Eigenlijk ben ik er vast van overtuigd dat de beslissende slag op alle fronten al begonnen zal zijn, als je deze brief ontvangt. Deze weken zullen een grote innerlijke kracht van ons vragen en ik wens je toe dat je die op kunt brengen (…)
Voor jou is het nog moeilijker dan voor mij. Jij moet dit alles meemaken gescheiden van Renate en je kind. Daarom zal ik heel speciaal aan je denken en dat doe ik nu al. Wat zou het goed zijn als we deze tijd samen konden beleven en elkaar konden helpen. Maar het zal wel ‘beter’ zijn dat het niet zo is, dat we alleen deze tijd moeten doorkomen. Het valt me zwaar dat ik je op het ogenblik in niets kan helpen. Ik denk alleen aan je, iedere morgen en avond en bij de bijbellezing en nog dikwijls overdag. Je hoeft me over mij echt geen zorgen te maken ; ik maak het abnormaal goed, je zou verbaasd staan als je me kwam opzoeken. De mensen hier zeggen me telkens – en je merkt hoe het me vleit – dat er ‘zo’n rust van me uitgaat’, dat ik ‘altijd zo opgewekt ben’. Mijn eigen tegengestelde ervaringen moeten dus wel op een vergissing berusten (wat ik overigens niet echt geloof!). Hoogstens zou je verbaasd zijn over mijn theologische opvattingen en hun consequenties en wat dat betreft mis ik je erg, want ik zou niet weten met wie, buiten jou, ik zou kunnen praten om tot helder inzicht te komen. Ik kom niet los van de vraag, wat het christendom of wie Christus op dit ogenblik voor ons eigenlijk is. De tijd dat je de mensen alles kon zeggen met woorden – theologische of vrome woorden – is voorbij. Wij gaan een tijd zonder enige religie tegemoet. De mens, zoals hij op dit ogenblik is, kan eenvoudig niet langer religieus zijn. Ook degenen die eerlijk van zichzelf zeggen dat ze ‘religieus’ zijn, maken dit absoluut niet waar in hun leven ; waarschijnlijk bedoelen ze met ‘religieus’ iets heel anders. (…) Religieuze mensen spreken over God zodra hun menselijke kennis hen in de steek laat (vaak ten gevolge van denk-luiheid) of zodra menselijke krachten te kort schieten. Het is eigenlijk altijd weer de deus ex machina, die ze laten opdraven als schijnoplossing voor onoplosbare problemen, of als kracht wanneer de mens tekort schiet. Steeds weer wordt er geprofiteerd van menselijke zwakheid, steeds weer wordt er geopereerd aan de grenzen van het menselijke. Dit kan uiteraard maar standhouden, totdat de mens met eigen kracht de grenzen nog verder terugdringt en God als deus ex machina overbodig wordt. Dit praten over grenzen is voor mij een zeer bedenkelijke zaak geworden (is zelfs de dood nog een echte grens? – de mensen zijn er nauwelijks meer bang voor – en de zonde – de mensen weten nauwelijks nog wat het is). Ik heb altijd de indruk dat we hiermee angstig ruimte uitsparen voor God. Ik zou van God willen spreken, niet aan de grenzen maar in het centrum, niet bij zwakheid maar bij kracht, dus niet bij dood en schuld maar bij het leven en het goede van de mens. Aan de grenzen lijkt het mij beter te zwijgen en het onoplosbare onopgelost te laten. Geloof in de opstanding is geen oplossing van het probleem dood. Wat voor ons kenvermogen onbereikbaar is, is iets anders dan de onbereikbaarheid van God. De transcendentie van de kenleer heeft niets te maken met de transcendentie van God. Midden in het leven is God transcendent. De kerk staat niet daar waar menselijk kunnen ophoudt, niet aan de grenzen maar midden in het dorp. Dat is de geest van het Oude Testament en in deze zin lezen wij het Nieuwe Testament nog veel te weinig vanuit het Oude. Hoe ziet dit religieloze christendom eruit, welke vormen gaat het aannemen : dat zijn vragen waarover ik op dit ogenblik veel nadenk. Ik schrijf er spoedig meer over. (…) Nu moet ik werkelijk sluiten. Wat zou het prachtig zijn, als ik van jou hierover eens iets mocht horen. Datzou werkelijk zeer veel voor me betekenen, meer wellicht dan jij denken kunt. (…)
Het beste, met alles!
De hartelijkste groeten, je Dietrich”
Uit een brief van 29 mei 19445
“…Het boek van Weizsäcker over het wereldbeeld van de fysica houdt me nog erg bezig. Het is me weer eens duidelijk geworden dat we God niet mogen gebruiken om de lacunes in onze kennis aan te vullen, want dan wordt God teruggedrongen naarmate de wetenschap vooruitgaat en die vooruitgang is niet te stuiten. Dan is God constant op de terugtocht. In wat we kennen moeten we God vinden, niet in wat we niet kennen. God wil begrepen worden in de opgeloste, niet in de open vragen? Dit geldt voor de verhouding God-wetenschap. Maar evengoed voor de algemeen menselijke vragen van dood, lijden en schuld. We hebben op het ogenblik menselijke antwoorden op deze vragen, we hoeven niet terug te vallen op God. Ook zonder God komen de mensen klaar met deze vragen en dit is altijd zo geweest. Het is eenvoudig niet waar dat alleen het christendom hier een oplossing heeft. De christelijke antwoorden zijn niet meer of minder overtuigend dan eventuele andere oplossingen. Ook hier is God geen stoplap. Hij moet erkend worden midden in het leven en niet pas aan de grenzen van ons kennen, als we sterk en gezond zijn en niet pas als we lijden, als we handelen en niet pas als we zondigen. Dit is gefundeerd op Gods openbaring in Jezus Christus. Hij is het centrum van het leven en kwam beslist niet om vragen te beantwoorden. Gezien vanuit het centrum vallen bepaalde vragen eenvoudig weg en ook het antwoord op die vragen (ik denk aan het oordeel over Jobs vrienden). In Christuszijn geen ‘christelijke problemen’. Genoeg hierover; ik werd juist weer eens gestoord.”
Uit een brief van 16 juli 19446
“… We kunnen niet redelijk zijn, als we niet erkennen dat we in de wereld moeten leven, ‘etsi deus non daretur’. En dat erkennen wij voor God! God zelf dwingt ons dit te erkennen. Zo brengt onze mondigheid ons tot de waarachtige kennis van onze situatie tegenover God. God doet ons weten dat wij moeten leven als diegenen, die hun leven inrichten zonder God. De God, die met ons is, is de God die ons verlaat (Mc 15,347) ! De God die ons in de wereld doet leven zonder de werkhypothese God, is de God voor wiens aanschijn wij staan. Voor en met God leven wij zonder God. God laat zich uit de wereld terugdringen tot op het kruis, God is zwak en machteloos in de wereld en juist zo en alleen zo is Hij met ons en helpt Hij ons. In Mt 8,178 staat overduidelijk dat Christus ons niet helpt krachtens zijn almacht, maar krachtens zijn zwakheid, zijn lijden! Hier ligt het wezenlijke verschil met alle religies. Het religieuze in de mens verwijst hem in zijn nood naar Gods macht in de wereld, God is de deus ex machina. De bijbel verwijst de mens naar Gods onmacht en lijden; alleen de lijdende God kan helpen. In zoverre kan men zeggen dat de geschetste ontwikkeling tot mondigheid, die afrekent met een verkeerde voorstelling van God, de blik vrijmaakt voor de God van de bijbel, die door zijn machteloosheid in de wereld macht en ruimte krijgt.”
Brief van 21 juli 19449
“Beste Eberhard,
Vandaag alleen een korte groet. Ik denk dat je in gedachten zo vaak hier bij ons bent, dat ieder levensteken welkom is, ook al komt er een keer geen theologie in voor. De theologische gedachten houden me constant bezig, maar soms komen er ook uren dat je eenvoudig leeft en gelooft zonder te reflecteren. (…) Ik heb de laatste jaren steeds meer de diepe aardsheid van het christendom leren doorgronden. De christen is geen homo religiosus maar gewoon een mens, zoals Jezus mens was. Niet de vlakke, banale aardsheid van rationalisten, bedrijvigen, gemakzuchtigen of wellustelingen maar de diepe, gedisciplineerde aardsheid, doortrokken van het besef van dood en opstanding. (…) Ik moet denken aan een gesprek met een jonge Franse predikant, dertien jaar geleden inAmerika. We hadden ons eenvoudig de vraag gesteld wat we eigenlijk wilden met ons leven. Hij zei: ik zou een heilige willen worden (en ik acht het niet onmogelijk dat hij het geworden is). Dat maakte indruk op me. Toch kwam ik met een andere mening en zei ongeveer: ik zou willen leren geloven. Lange tijd heb ik niet beseft hoe diep deze tegenstelling is. Mijn ‘Navolging’ schreef ik als afsluiting van die periode. Ik zie op dit ogenblik duidelijk de gevaren van dat boek, maar blijf er desondanks achterstaan. Later heb ik ervaren en ik ervaar het tot op dit moment, dat je pas leert geloven als je midden in de aardsheid van dit leven staat; (…) als je aards leeft, dus met alle taken en problemen, successen en mislukkingen, met alle ervaringen en twijfels; want dan geef je je helemaal over aan God, dan neem je niet meer je eigen lijden, maar Gods lijden in de wereld au sérieux, dan waak je met Christus in Ghetsemane. Dat is, meen ik, geloof ik, dat is ‘metanoia’; zo word je een mens, een christen. Hoe zou je bij successen overmoedig of bij mislukkingen wanhopig kunnen worden als je in het aardse leven het lijden van God mee lijdt? Jij begrijpt wat ik bedoel, al zeg ik het kort. Ik ben dankbaar dat ik dit heb mogen inzien en ik weet dat ik tot dit inzicht alleen kon komen langs de weg die ik in feite gegaan ben. Daarom ben ik dankbaar aan het verleden en het heden. Je verwondert je misschien over zo’n persoonlijke brief. Maar als ik zoiets wil uitspreken, wieheb ik dan behalve jou? Misschien komt het nog eens zo ver, dat ik er ook met Maria10 overkan praten; dat hoop ik. Maar nu kan ik haar er nog niet mee belasten. (…)
Het beste, blijf gezond en verlies niet de hoop dat wij elkaar spoedig zullen terugzien. Ik denk
steeds aan je in dankbaarheid en trouw.
Je Dietrich”
2.2 Interpretatie11
2.2.1. Niet-religieuze interpretatie van het christendom in een mondig geworden wereld
Om deze gedachten van Bonhoeffer goed te begrijpen moet men rekening houden met de omstandigheden waarin ze zijn ontstaan: het gaat om brieven aan een vriend, niet om een wetenschappelijk werk bestemd om gepubliceerd te worden. Bonhoeffer speelde trouwens met de idee om na zijn gevangenschap een nieuw wetenschappelijk werk te schrijven over wat het betekent christen te zijn in een mondig geworden wereld. Die studie is er helaas nietgekomen
Mondigheid’ betekent bij Bonhoeffer autonomie: de wereld staat niet meer onder de ‘voogdij’ van God. De mondige wereld is een wereld die van oordeel is dat hij zich wat ,zijn lot en bestemming betreft, niet hoeft te verlaten op iemand anders en die in feite ook steeds beter greep krijgt op de ‘geheimen van de natuur’. De mondige mens heeft geleerd om in alle belangrijke vragen met zichzelf klaar te komen, zonder de werkhypothese ‘God’ ter hulp te roepen. Deze autonomie heeft niet alleen betrekking op de wetenschappelijke en technische vragen en problemen, maar ook op de grote levensvragen van de mens.
• Een niet-religieus christendom : Het is niet altijd duidelijk wat Bonhoeffer precies onder de term ‘religie’ verstaat. Die term is bij hem veeleer een ‘negatief contrastbegrip’12 Met die term drukt hij uit wat het christendom niet is, wat het niet meer kan en niet meer mag zijn. Met een niet-religieuze en wereldlijke interpretatie wil hij het christelijk geloof opnieuw zijn zeggingskracht en werkelijkheidsgehalte teruggeven. In een verhelderende excursus in zijn biografie heeft Eberhard Betghe de uiteenlopende betekenissen die Bonhoeffer aan het begrip religie geeft op een rij gezet13. Religie is voor hem synoniem met (1) metafysica (de constructie van een trancendente dubbelwereld), terwijl het
evangelie daarentegen ‘diesseitig’ is en op deze wereld gericht. Religie is bovendien gericht op (2) het individuele zieleheil en bestrijkt slechts (3) het segment van de innerlijkheid en de binnenkamer. Het evangelie daarentegen heeft ook het heil van de sociale gemeenschap op het oog en sterkt zich uit tot op alle domeinen van het leven. Vervolgens: religie beschouwt God (4) als een ‘deus ex machina’, een gaatjesvuller en arbeidshypothese die menselijke zwakheden compenseert. Het evangelie echter spreekt de mens aan op zijn sterkte, het wil in het midden en niet aan de rand van het leven gestalte krijgen. Religie zoekt altijd (5) een gepriviligeerde plaats in de samenleving te verwerven. Wie naar het evangelie leeft zoekt echter met Jezus de verstotenen op en is niet uit op een bevoorrechte status. Tenslotte houdt religie in de ogen van Bonhoeffer de mensen (6) onmondig, spreekt ze niet – zoals het evangelie – aan op hun verantwoordelijkheid, maar ontneemt hen die juist. Bij het begin van de 21ste eeuw kunnen we ons afvragen of Bonhoeffer zich niet vergist heeft wanneer hij dacht dat de mens niet-religieus zou zijn in een mondige wereld. Woedt er vandaag geen ‘religieuze koorts’ in Europa? Persoonlijk denk ik dat het eerder zo is dat Bonhoeffer nog gelijk zal moeten krijgen. De ‘religieuze koorts’ waarvan sprake bevestigt precies wat Bonhoeffer met religie bedoeld. De vlucht uit de werkelijkheid, de centrale kern in zijn religie-begrip, is immers nog even populair als in zijn tijd, al zoekt zij zich andere dan traditionele christelijke vormen. Mondig, wereldlijk en religieloos – de mensen zouden het moeten zijn, maar ze zijn het (nog) niet. Het gevaar is groot dat ook het hedendaagse christendom om te overleven, aansluiting zoekt bij deze geprivatiseerde en gespiritualiseerde religie14.
2.2.2. God en lijden 15
Maar ik weet wel dat ik op mijn horloge keek en alleen zei: het duurt hoogstens nog tien minuten!”
In een van de gevangenisbrieven formuleert hij het wel heel scherp (brief van 8 juli 1944 16) :
“Wat ik dus wil is dit: God niet binnensmokkelen langs het laatste achterdeurtje, maar de mondigheid van de wereld en de mens eerlijk erkennen ; de geseculariseerde mens niet omlaag halen, maar hem in zijn beste kwaliteiten met God confronteren afzien van alle clericale trucjes en in de psychotherapie en in de existentiefilosofie geen wegbereiders zien van God. De opdringerigheid van al deze mensen heeft te weinig noblesse om met het woord Gods verbonden te worden.”
- De bijbelse God : De erkenning van de mondigheid van de wereld maakt de weg open voor de erkenning van de bijbelse God. Zie de brief van 16 juli 1944 : “De bijbel verwijst de mens naar Gods onmacht en lijden; alleen de lijdende God kan helpen.” ; “We moeten erkennen dat we in de wereld moeten leven “etsi deus non daretur.” Deze ‘verborgenheid’ en ‘zwakheid’ betekenen niet dat God niet bestaat en ook niet dat Hij compleet afwezig is. Het betekent wel dat Hij op zijn wijze, zoals de bijbels-christelijke traditie Hem ervaart en belijdt, aanwezig is. Het betekent dat God inderdaad geen ‘werkhypothese’ is. Paswanneer Hij dat niet meer is, kunnen wij in alle waarheid en in alle vrijheid voor zijn aanschijn en in zijn tegenwoordigheid leven Spreken of zwijgen over God? In de gevangenis voelt Bonhoeffer hoe precair en hoe weinig vanzelfsprekend God voor een geseculariseerde mens kan ter sprake gebracht worden. Hij verwijst naar de ervaring van elke mens die weet dat bij groot lijden of grote droefheid beter gezwegen dan gesproken wordt. Die stilte is dan geen lege stilte, maarjuist uiting van uiterste betrokkenheid en medevoelen. Bonhoeffer verwijst zelf naar een klein voorval tijdens één van de bombardementen opBerlijn : “Toen we gisterenavond weer op de grond lagen en iemand hoorbaar ‘o God, o God’ riep – onder andere omstandigheden was het een lichtzinnig heerschap – kon ik het niet opbrengen, hem op een of andere manier christelijk te bemoedigen en te troosten.
Geen deus ex machina : Bonhoeffer reageert allereerst tegen een God die we ‘soms’, ‘in bepaalde gevallen’ nodig hebben. Hij zegt niet dat de mens God niet nodig heeft. De christen weet zich in alles aangewezen op God. Maar dat is precies het geloof van de christen. Uit deze door de gelovige aangevoelde en beleefde nood kan men geen apologetiek afleiden, bestemd voor de buitenstaander. Als men dat wel probeert, moet men de buitenstaander in feite toegeven dat wij God meestal niet nodig hebben, tenzij in grensgevallen. Maar deze ‘deus ex machina’ overtuigt niet Heer van hemel en aarde : God slechts aan de grensgevallen ter sprake brengen, is daarenboven een aanslag op het God-zijn van God. God is de Heer van hemel en aarde. God kan niet de God van bepaalde gebieden uit de werkelijkheid of uit ons leven, niet de God van slechts een bepaalde dimensie van ons bestaan, zijn. God is niet ‘gespecialiseerd’, ook niet in louter religieuze aangelegenheden. Gratuïteit van het geloof :De erkenning van de mondigheid van de wereld en de ontkenning van God als ‘werkhypothese’ is de enige conditie waarin de gratuïteit van het geloof kan bevestigd worden. Geloven is leven vanuit de zekerheid van Gods verbond. Verbondenheid is per definitie genade en gave; zij veronderstelt vrijheid. In een huwelijk binden man en vrouw zich aan elkaar, maar ze doen het niet ‘uit noodzaak’, omdat meelkaar ‘in de grensgevallen’ nodig heeft. Dat ware juist het einde van hun verbondenheid en liefde. Wat natuurlijk niet belet dat men voor elkaar op dergelijke grensmomenten veel kan betekenen. Zo gaat het ook met onze verbondenheid met God: een God die men alleen in uiterste nood nodig heeft en kan gebruiken, is niet de God van het verbond.
- THEOLOGIE VANUIT EN IN HET LIJDEN
In de theologie van Bonhoeffer speelt het lijden een centrale rol. Het volgen van Jezus is door lijden getekend. “Lijden is het kenmerk van de navolging.” Het kruis is voor hem geen metafoor, het is werkelijkheid. In de gevangenisbrieven zien we hoe hij zelf om ging met zijn lijdenssituatie. Uit alles blijkt een houding van distantie die kan relativeren, in de juiste zin van het woord : verder en méér zien. Bonhoeffer wil niet samenvallen met zijn lijden. Hij wil de noodzakelijke afstand houden die doet overleven.
Op paaszondag 1943 schrijft hij aan zijn ouders : “Ik wil jullie zo graag laten weten dat ik hier een gelukkig paasfeest doorbreng. Goede Vrijdag en Pasen werken bevrijdend, want je gedachten blijven niet staan bij je persoonlijk lot maar gaan ver daar bovenuit naar de zin van alle leven en lijden, van alles wat er gebeurt : dat geeft je hoop.”17 Op 9 maart 1944 schrijft hij aan zijn vriend Betghe : “Ik maak hier nu voor de tweede keer de lijdenstijd mee. Als ik in brieven passageslees, waarin gesproken wordt over mijn ‘lijden’, dan wekt dit verzet. Ik voel dat bijna als een profanatie. Dit soort dingen mag je niet dramatiseren. Het is zeer de vraag, of ik meer ‘lijd’ dan jij of het gros van de mensen. Natuurlijk is hier veel afschuwelijks, maar waar is dat niet? Misschien hebben wij over deze zaak altijd te gewichtig, te plechtig gedaan. (…) Hier valt geloof ik nog heel wat te corrigeren; eerlijk gezegd, vaak schaam ik me bijna dat we zoveel over ons eigen lijden gesproken hebben. Nee, lijden moet iets heel anders zijn, het moet een heel andere dimensie hebben dan datgene wat ik tot nu toe heb meegemaakt.” 18 Naar aanleiding van luchtalarmen schrijft hij op pinksteren 1944 (29 mei) :
“Beste Eberhard, ik hoop dat jullie ondanks alarm genieten van deze warme zomerse pinksterdagen. Stilaan leer je afstand nemen van wat je leven bedreigt; nee, ‘afstand nemen’ klinkt te negatief, te uitdrukkelijk, te stoïcijns; je zou beter kunnen zeggen: die bedreigingen iedere dag neem je op in het geheel van je leven. Ik merk hier steeds weer dat zo weinig mensen in staat zijn met meerdere dingen tegelijk te leven. Komen er vliegtuigen dan zijn ze louter angst, is er iets lekkers dan zijn ze puur begeerte, loopt iets anders dan ze hoopten, dan zijn ze enkel wanhoop, lukt iets dan zien ze niets anders meer. Ze zijn blind voor de volheid van het leven en de totaliteit van hun eigen bestaan. Het objectieve en subjectieve, alles valt uiteen in brokstukken. Het christendom daarentegen plaatst ons in verschillende dimensies van het leven tegelijk. In zekere zin dragen wij God en de hele wereld in ons. Wij wenen met wie wenen en zijn tegelijk blij met hen die blij zijn. Wij vrezen (weer onderbroken door alarm, ik zit nu lekker buiten in de zon) voor ons leven en kunnen toch die dingen niet vergeten, die veel belangrijker voor ons zijn dan ons eigen leven. Als er bijvoorbeeld alarm is en je laat je niet volkomen absorberen door zorg om eigen veiligheid maar probeert een sfeer van rust te scheppen, dan wordt de situatie volkomen anders; dan wordt het leven niet gereduceerd tot één enkele dimensie, het blijft meer dimensioneel-polyfoon. Wat een bevrijding, dat je denken kunt en denkend het meer dimensionele van je leven kunt bewaren. Als de mensen hier doodsbang wachten op een aanval, breng ik altijd te berde dat voor een kleine stad zo’n aanval nog veel erger zou zijn; dat is bijna een vast patroon geworden. We moeten de mensen bevrijden van één-baans denken; dit is een ‘voorbereiding’, een ‘voorwaarde’ voor geloof. Maar toch kan alleen het geloof zelf ons in staat stellenmeerdimensionaal te leven en dit pinksterfeest te vieren ondanks alarm.” 19
‘Verzet en overgave’ is de houding in het lijden :
Uit de brief van 21 februari 1944
“Ik heb hier dikwijls gezeten met de vraag, waar de grens ligt tussen het noodzakelijke VERZET tegen het ‘lot’ en de even noodzakelijke OVERGAVE. Don Quichot is het symbool van het doorgedreven tot in het absurde, tot waanzin. (…) Het verzet verliest dan tenslotte zijn reële betekenis, het vervaagt tot theorie, tot fantasie. Sancho Panza vertegenwoordigt de slimme mens zonder ideaal, die zich plooit naar de omstandigheden. Ik geloof dat wij onze energie moeten richten op het grote, waar het werkelijk om gaat en tegelijkertijd het voor-de-hand-liggende moeten doen, datgene waar je niet langs kunt. Wij moeten ons vastberaden verzetten tegen het ‘lot’ – het onzijdige van dit woord vind ik belangrijk – en er ons even vastberaden aan onderwerpen in bepaalde omstandigheden. Dan pas, gegeven dus deze dubbele houding, kan men van ‘leiding’ spreken. God treedt ons niet alleen tegemoet als ‘Gij’, maar ook vermomd als ‘het’. Mijn vraag is dus hoe we in dit ‘het’ (‘noodlot’) het ‘Gij’ vinden, met andere woorden, hoe ‘noodlot’ ‘leiding’ wordt. De grens tussen verzet en overgave is dus niet principieel te trekken. Beide zijn noodzakelijk en met beide moeten we vastberaden leven. Het geloof eist dit soepele en bewuste leven. Zo alleen kunnen wij in iedere situatie staande blijven en ze vruchtbaar maken.”20 En tot slot is er de laatste brief aan Betghe die van hem bewaard is :“Wees alsjeblieft nooit bezorgd of angstig om mij; maar vergeet niet voor mij te bidden; ik weet dat je het niet vergeet! Ik ben er zeker van dat Gods hand me leidt en ik hoop altijd in deze zekerheid bewaard te blijven. Je mag er nooit aan twijfelen, dat ik dankbaar en blij de weg ga waarlangs ik gevoerd word. Mijn vroegere leven is vol van Gods goedheid en mijn schuld staat onder de vergevende liefde van de gekruisigde. Ik ben het dankbaarst voor de mensen die ik ontmoette en ik heb maar één wens, dat zij om mij nooit reden hebben tot droefheid en altijd leven in de dankbare zekerheid dat God goed is en vergeeft. Vergeef me dat ik dit eens schrijf. Dit mag je geen ogenblik bedroeven of verontrusten, dit moet je alleen blij maken. Maar ik wilde het een keer gezegd hebben en ik zou niet weten wie ik, behalve ju, hetzo kon toevertrouwen, dat hij met vreugde leest.” 21
AANTEKENINGEN :
1 Een indrukwekkende biografie werd geschreven door zijn vriend Eberhard BETHGE, Dietrich
Bonhoeffer. Theoloog-christen-tijdgenoot, 1967, geactualiseerd heruitgegeven in 2002 (Ten
Have/Baarn)
2 Dietrich BONHOEFFER, Navolging, Ten Have/Baarn, eerste Nederlandse uitgave in 1964, 7de druk
in 1992 – herziene editie van de Nederlandse vertaling 2003, Baar, Ten Have.
- D.BONHOEFFER, Verzet en Overgave. Brieven en aantekeningen uit de gevangenis verzameld en ingeleid door Eberhard Betghe, Vertaling herziene uitgave door L.LAGENDIJK, Ten Have Baarn, 2003.
- Verzet en Overgave, 274-276.
5 Verzet en overgave, blz. 305-307 6 Verzet en overgave, blz. 356-359 7 Mc 15,34: “Op het negende uur riep Jezus met luide stem: ‘Eloi, Eloi, lema sabachtani’. Dat betekent: Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij in de steek gelaten?” (= Ps 22,2)
6 Verzet en overgave, blz. 356-359 7 Mc 15,34: “Op het negende uur riep Jezus met luide stem: ‘Eloi, Eloi, lema sabachtani’. Dat betekent: Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij in de steek gelaten?” (= Ps 22,2)
7 Mc 15,34: “Op het negende uur riep Jezus met luide stem: ‘Eloi, Eloi, lema sabachtani’. Dat betekent: Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij in de steek gelaten?” (= Ps 22,2)
8 Mt 8,17: “En Hij genas alle zieken, opdat vervuld zou worden wat bij monde van de profeet Jesaja gesproken is: Hij heeft onze ziekten op zich genomen en onze kwalen gedragen.” (= Js 53,4)
9 Verzet en overgave, blz. 365-366
10 Bedoeld is Maria von Wedemeyer, zijn verloofde
11 Wij ontlenen deze interpretaties o.a. aan Jozef DE KESEL, Dietrich Bonhoeffer: een waarachtig christen, manuscript bij de spiritualiteitsnamiddagen van het Bisdom Gent, oktober 1996
12 Zie Frits DE LANGE, Wachten op het verlossende woord. Dietrich Bonhoeffer en het spreken over God, Ten Have/Baarn, 1995, 171-172.
13 Eberhard BETHGE, Dietrich Bonhoeffer. Ten Have/Baarn, 2002 (geactualiseerde uitgave), 897- 906
14 Over de actuele uitdagingen die het denken van Bonhoeffer stelt voor de kerk, zie het bijzonder helder geschreven boekje van Gerard DEKKER, Het zout der aarde. Bonhoeffers visie op de kerk, Ten Have/Baarn, 2003.
15 Over de visie van Bonhoeffer op het lijden : Herman WIERSINGA, Een nieuw alfabet. Lijden bij Dietrich Bonhoeffer,in Werken met Bonhoeffer, Ten Have/Baarn, 1979, 98-121.
16 Verzet en overgave, 343. 17 Verzet en overgave, 37 18 Verzet en overgave, 235
17 Verzet en overgave, 37
18 Verzet en overgave, 235
19 Verzet en overgave, 305-306
20 Verzet en overgave, 221-222
21 Verzet en overgave, 389
22 Mark DELRUE, Kunst en spiritualiteit, Lannoo, 2006, 128-129
Het boek : “VERZET EN OVERGAVE” uitgeverij Ten Have is nog steeds verkrijgbaar – Standaard bij standaard boekhandel.
Bron : https://riniealtena.wordpress.com/wp-content/uploads/2011/08/dietrich-bonhoeffer.pdf
1.Een indrukwekkende biografie werd geschreven door zijn vriend Eberhard BETHGE, Dietrich Bonhoeffer. Theoloog-christen-tijdgenoot, 1967, geactualiseerd heruitgegeven in 2002 (Ten Have/Baarn)
2 Dietrich BONHOEFFER, Navolging, Ten Have/Baarn, eerste Nederlandse uitgave in 1964, 7de druk in 1992 – herziene editie van de Nederlandse vertaling 2003, Baar, Ten Have.
- D.BONHOEFFER, Verzet en Overgave. Brieven en aantekeningen uit de gevangenis verzameld en ingeleid door Eberhard Betghe, Vertaling herziene uitgave door L.LAGENDIJK, Ten Have Baarn, 2003.
- Verzet en Overgave, 274-276.
5 Verzet en overgave, blz. 305-307 6 Verzet en overgave, blz. 356-359 7 Mc 15,34: “Op het negende uur riep Jezus met luide stem: ‘Eloi, Eloi, lema sabachtani’. Dat betekent: Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij in de steek gelaten?” (= Ps 22,2)
6 Verzet en overgave, blz. 356-359 7 Mc 15,34: “Op het negende uur riep Jezus met luide stem: ‘Eloi, Eloi, lema sabachtani’. Dat betekent: Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij in de steek gelaten?” (= Ps 22,2)
7 Mc 15,34: “Op het negende uur riep Jezus met luide stem: ‘Eloi, Eloi, lema sabachtani’. Dat betekent: Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij in de steek gelaten?” (= Ps 22,2)
8 Mt 8,17: “En Hij genas alle zieken, opdat vervuld zou worden wat bij monde van de profeet Jesaja gesproken is: Hij heeft onze ziekten op zich genomen en onze kwalen gedragen.” (= Js 53,4)
9 Verzet en overgave, blz. 365-366
10 Bedoeld is Maria von Wedemeyer, zijn verloofde
11 Wij ontlenen deze interpretaties o.a. aan Jozef DE KESEL, Dietrich Bonhoeffer: een waarachtig christen, manuscript bij de spiritualiteitsnamiddagen van het Bisdom Gent, oktober 1996
12 Zie Frits DE LANGE, Wachten op het verlossende woord. Dietrich Bonhoeffer en het spreken over God, Ten Have/Baarn, 1995, 171-172.
13 Eberhard BETHGE, Dietrich Bonhoeffer. Ten Have/Baarn, 2002 (geactualiseerde uitgave), 897- 906
14 Over de actuele uitdagingen die het denken van Bonhoeffer stelt voor de kerk, zie het bijzonder helder geschreven boekje van Gerard DEKKER, Het zout der aarde. Bonhoeffers visie op de kerk, Ten Have/Baarn, 2003.
15 Over de visie van Bonhoeffer op het lijden : Herman WIERSINGA, Een nieuw alfabet. Lijden bij Dietrich Bonhoeffer,in Werken met Bonhoeffer, Ten Have/Baarn, 1979, 98-121.
16 Verzet en overgave, 343. 17 Verzet en overgave, 37 18 Verzet en overgave, 235
17 Verzet en overgave, 37
18 Verzet en overgave, 235
19 Verzet en overgave, 305-306
20 Verzet en overgave, 221-222
21 Verzet en overgave, 389
22 Mark DELRUE, Kunst en spiritualiteit, Lannoo, 2006, 128-129
