
‘Wees niet bang voor degenen die het lichaam doden en daarna niets meer kunnen doen. […] Wees bevreesd voor hem die, nadat hij gedood heeft, de macht heeft om in de hel te werpen. ” – Lukas 12:4-5
“Het Evangelie is leven. Vroomheid en ontrouw zijn de dood van de ziel. Dus als de ziel kan sterven, hoe is ze dan nog onsterfelijk? Omdat er altijd een dimensie van leven in de ziel is die nooit kan worden gedoofd. En hoe sterft het? Niet door op te houden leven te zijn, maar door het eigenlijke leven te verliezen. Want de ziel is zowel leven voor iets anders als zij heeft haar eigen eigen leven. Denk aan de volgorde van de wezens. De ziel is het leven van het lichaam. God is het leven van de ziel. Zoals het leven, dat de ziel is, bij het lichaam aanwezig is, opdat het lichaam niet zou sterven, zo behoort het leven van de ziel (God) bij de ziel te zijn, opdat het niet zal sterven.
Hoe sterft het lichaam? Door het vertrek van de ziel. Ik zeg, door het vertrek van de ziel, sterft het lichaam en ligt het daar als een kadaver, wat een beetje eerder was, een levendig, niet verachtelijk voorwerp. Er zijn er nog steeds in, zijn verschillende leden, de ogen en oren. Maar dit zijn slechts de ramen van het huis – de bewoner is verdwenen. Degenen die de doden bewenen, huilen tevergeefs aan de ramen van het huis. Er is daar niemand om het te horen. Waarom is het lichaam dood? Omdat de ziel, haar leven, weg is. Maar op welk punt is de ziel zelf dood? Wanneer God, zijn leven, het heeft verlaten. Dit kunnen we dan weten en met zekerheid vasthouden – het lichaam is dood zonder de ziel en de ziel is dood zonder God. Iedereen zonder God heeft een dode ziel. Gij die de doden beweent, moet veeleer de zonde bewenen. Beweent de goddeloosheid! Beween, ongeloof!
– De heilige Augustinus (354-430), bisschop van Hippo, vader en kerkleraar (preek 65).
